Malcolm Harris

DE WITTE RAAF

Editie 203 januari-februari 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Menselijk kapitaal en de fabricage van millennials

Cameron: We zijn de lul.

Michael: Hé, nee, hé. Niet bij de pakken neerzitten! Optimistisch blijven!

Cameron: We zijn de lul.

10 Things I Hate About You (1999)

 

Zoals Jean Twenge schrijft, heeft wáár we geboren worden grote invloed op onze persoonlijkheid. We zijn het product van onze omgeving: van ons land, onze familie, maar ook van onze tijd. Amerikaanse millennials komen ergens vandaan – we zijn niet kant-en-klaar uit een barst in onze iPhone gekropen. Nagaan wat er is veranderd in de instituties die de meeste invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen geeft meer inzicht in het leven van jongeren dan iets algemeens proberen af te leiden uit uitgerekend dat gedrag dat volwassenen op de zenuwen werkt. Brede nationale ontwikkelingen zoals de stijgende productiviteit, de rationalisering, de neerwaartse druk op de prijs van arbeid, massadetentie en toegenomen competitie hebben een generatie zenuwachtige jongeren gecreëerd die balanceren op de rand van uitmuntende prestaties en spectaculaire inzinkingen. Dat er de afgelopen decennia een cohort superefficiënte werkenden is opgestaan die te competitief, te eenzaam en te bang zijn om zich hard te maken voor iets beters, is niet het werk van een duister scificomplot, maar het resultaat heeft er veel van weg.

Tot dusver gaat het mensen die bedrijven of aandelen in bedrijven bezitten allemaal aardig voor de wind. De winsten stijgen, de loonkosten dalen; de vakbonden zijn op sterven na dood en werkenden produceren meer dan ooit; er is meer ongelijkheid en er zijn meer gevangenissen om mensen van het verkeerde kamp in op te sluiten mochten ze te veel kapsones krijgen. De instituties die verantwoordelijk zijn voor het sociaal voorsorteren van Amerikaanse kinderen maakt het niet per se uit wie wint en wie verliest – technisch gesproken kan iedereen opklimmen in het Amerikaanse kastenstelsel, en in theorie is het ook mogelijk om naar beneden te vallen – maar het aantal podiumplaatsen wordt bepaald door krachten die individuele prestaties of kwaliteiten overstijgen. Zoals calvinisten geloofden dat wel voorbeschikt, maar niet bekend was wie er naar de hemel ging, zo gedraagt iedereen zich vandaag de dag alsof hij gered is, terwijl de meesten van ons gedoemd zijn.

Wat voor problemen er ook mogen opdoemen, de openbare en private instituties die we hebben opgetuigd zijn toegerust om tot in het oneindige te blijven functioneren. De instorting van de huizenmarkt en de financiële crisis van 2008 hebben wat spatjes achtergelaten op de roze bril, maar tot verbazing van sommige commentatoren is de bezittende klasse er eens te meer in geslaagd om de kosten af te schuiven op de werkenden. De huizenprijzen zijn weer terug op hun oude niveau en de huren stijgen. We staan pas aan het begin van de regering van Donald Trump, maar de instorting van de markt die werd verwacht nadat de minst capabele kandidaat van het land werd verkozen voor het hoogste ambt bleef uit. Daar leid ik uit af dat Trumps beloften om de bezem door het politieke en economische establishment te halen voorlopig niet worden nagekomen. De maatschappelijke ontwikkelingen die ik heb beschreven zijn misschien ondraaglijk en onhoudbaar, maar dat betekent nog niet dat er noodzakelijkerwijs een eind aan komt.

 

De zeven tekenen van een barre toekomst

Een van de dingen die we ons het lastigst voor kunnen stellen is hoe ons land eruit zal zien als de hier bestudeerde ontwikkelingen doorzetten. Net zoals bij de samenstelling van generaties, zullen kwantitatieve verschuivingen op den duur leiden tot kwalitatieve verandering. Het Amerika waarin de millennials het uiteindelijk voor het zeggen zullen krijgen zal onherkenbaar zijn voor de generatie van onze grootouders, niet alleen vanwege de technologische ontwikkelingen of de klimaatverandering, maar ook omdat onze basale maatschappelijke verhoudingen anders zullen zijn. Binnenkort staat ‘millennial’ niet meer voor een snotneus met een iPhone, maar is het de dominante figuur in een nieuw Amerika. En dat Amerika zal er naar alle waarschijnlijkheid niet fraai uitzien.

Er hoeft niets drastisch te gebeuren: we zijn deze weg al lang geleden ingeslagen. Als we zo doorgaan en de lijn nog een paar decennia doortrekken, staat ons de nodige lijpe shit te wachten. Hier zijn zeven slowmotionrampen die het leven vrees ik voor velen van ons in petto zal hebben.

 

1. Menselijkkapitaalcontracten

We hebben gezien hoe belangrijk het vermogen van werkenden om arbeid te verrichten is voor de economie en de levens van jonge Amerikanen. Menselijk kapitaal is het grootste financiële bezit van de overheid en de grootste bron van particuliere schuld die niet wordt gedekt door grondbezit. Maar met het huidige studieleenstelsel van de overheid is privaat kapitaal min of meer van deze markt uitgesloten. Kapitalisten zouden kunnen investeren in werkenden als werknemers, maar dat is riskant omdat het werknemers vrijstaat om ergens ander te gaan werken. Wat ze graag zouden willen, is investeren in werkenden als kapitaal, zodat ze rendement opleveren ongeacht waar de werkende komt te werken, net zoals de overheid nu winst maakt op studieleningen. En als ze investeren in de volgende Zuckerberg, dan willen ze ook een aandeel in de miljardenwinst in plaats van alleen maar vier procent rente.

Het zal beginnen met een paar uitzonderlijk veelbelovende studenten, zeg wiskundegenieën uit arbeidersmilieus of profsporters in de dop. De federale regering verstrekt dezelfde leningen aan iedereen ongeacht iemands potentieel, maar deze topklassekinderen zijn betere investeringen. Waarom moeten zij als twintiger armoede lijden als ze de rest van hun leven rijk zullen zijn? Algoritmen zullen geldschieters de juiste jongeren aanwijzen en kapitalisten zullen hun leningen aanbieden die gunstiger zijn dan die van de overheid. Wanneer geldschieters van hun leners een percentage van hun toekomstige inkomen vragen in ruil voor direct krediet, zal dat heel redelijk klinken: een private, op maat gesneden versie van het leenstelsel.

Ik stel me voor dat deze contracten op basis van menselijk kapitaal voor de eerste paar lichtingen inderdaad een win-winsituatie opleveren: beter voor de studenten dan de studieleningen van de overheid en een impuls voor de economie. Maar zodra de investeringen deze nieuwe sector binnenstromen zal de kwaliteit snel achteruitgaan. Het studieleenstelsel behandelt iedereen gelijk, maar dat is in dit systeem onhoudbaar. Eerst zijn het Harvardstudenten tegen één procent van hun toekomstig inkomen, dan Boston University tegen vijf procent en University of Maryland tegen tien. Als we eenmaal aanbelanden bij wat investeerders zullen beschouwen als het laagste segment van onze jongeren, zullen ze percentages van het toekomstige inkomen vragen waar ik niet aan wil denken. Maar ook die studenten zullen krediet nodig hebben, ongeacht hoe duur dat voor hen in de toekomst ook uitpakt. Wen maar aan het idee van rommelhypotheken op menselijk kapitaal.

 

2. De professionalisering van de kindertijd

Naarmate de toegang duurder en de competitie heviger wordt zullen steeds meer ouders na een korte kansberekening besluiten om de gok met hun kind niet te wagen. Zelfs gezinnen uit de middenklasse en de hogere klassen zullen hun kind van jongs af aan in de richting van een bepaalde carrière sturen, en dan bedoel ik niet die van sterquarterback of violist. (Ik zal niet pretenderen dat ik weet hoe leefbare banen er in de toekomst uit zullen zien, maar ik gok dat ze voor een groot deel zullen bestaan uit onderhoud aan robots.) Het standaardstreven om het beter te doen dan de vorige generatie zal veranderen: adolescenten zullen al blij zijn als ze het niet veel slechter krijgen dan hun ouders. De berekeningen en inschattingen van studieleningen en toekomstige verdiensten waar tieners en hun families ook nu al een hele kluif aan hebben, worden ingewikkelder, maar de conclusie zal misschien wel veel eenvoudiger zijn. In plaats van elk kind aan te moedigen het beste uit zichzelf te halen en te dromen van roem en rijkdom, zullen de autoriteiten ze op een gegeven moment gaan vertellen dat iedereen ‘zijn plaats moet vinden’ in de maatschappij.

Opnieuw zal dat voor sommige jongeren een verbetering zijn. Als de school tot iets schaamteloos preprofessioneels wordt gemaakt, is het afgelopen met al die leuke, wollige progressieve ideeën over waar onderwijs toe dient, maar het is niet moeilijk om in te zien dat een kindertijd die in het teken staat van de voorbereiding op een degelijke carrière als elektromonteur, om maar iets te noemen, een stuk leuker is dan een waarin het kind wordt klaargestoomd om te mislukken in de bittere strijd om een select aantal heel comfortabele levens. Vergeleken bij de angst en de inspanning die het vergt om te kunnen concurreren op het hoogste niveau, zou een toekomst die voor je wordt uitgestippeld wel eens een verademing kunnen zijn.

Eenmaal op dat punt aanbeland is Amerika in wezen veranderd in een onverbloemd op erfelijkheid gebaseerd kastenstelsel, precies datgene waarvan we altijd hebben beweerd dat we het niet zijn. We zullen niet langer ieder kind vertellen dat het alles kan worden wat het maar wil, want dat zal lachwekkend klinken. Zelfs een kind maak je zoiets niet meer wijs.

 

3. Klimaatprivileges

Over de opwarming van de aarde weten we twee dingen zeker: het gebeurt echt en we houden het tot dusver niet tegen. Wij mensen – en Amerikanen in het bijzonder – hebben het ecosysteem onomkeerbaar veranderd en het klimaat ontregeld. Deze feiten ter discussie stellen terwijl de ijskappen smelten is belachelijk. De Environmental Protection Agency voorspelt het volgende tussen nu en 2100, min of meer ongeacht wat we vanaf dit moment nog doen: een temperatuurstijging van 1,5 tot 6,5 graad Celsius in het hele land met extreem hete zomers, meer extreme buien en orkanen, een afname van het Amerikaanse sneeuwdek van vijftien procent, een stijging van de zeespiegel van dertig centimeter en een afname van de koraalvorming met vijftig procent. Holy fuck, zou je kunnen zeggen.

Maar niets wordt door iedereen op dezelfde manier ervaren, zelfs het weer niet. De markt zal bepalen wat de prijs is van beschutting tegen klimaatverandering, zoals de markt overal de prijs van bepaalt. De rijken – en de mensen die ze in hun directe omgeving nodig hebben – zullen in relatief aangename zones wonen terwijl de armen de randen van de bewoonbare wereld zullen bevolken. Als de automatisering nog verder doorzet, zullen de rijken de fysieke nabijheid van de armen niet meer nodig hebben. Ze kunnen in volstrekt gescheiden klimaten leven.

Meer dan de verdeling platteland-buitenwijk-stad zullen de klimaatzones de binnenlandse migratiestromen gaan bepalen. Daarbij zal intensievere regulering van daklozen en zwervers een rol spelen, om te voorkomen dat avonturiers van de gematigde zones komen profiteren. Ik heb geen idee of de bewakers robots of mensen zullen zijn (of, waarschijnlijker, een combinatie van die twee) maar er zullen in elk geval een hoop slagbomen zijn. Nog een tijdlang zullen we het hebben over hoe vreemd het is dat ons gedrag zo sterk wordt bepaald door het weer, tot het ten slotte oud nieuws wordt.

 

4. Discriminatie door algoritmen

Een van de grootste zelfverklaarde successen van twintigste-eeuws Amerika is de uitbanning van officieel toegestane vormen van discriminatie. Man, vrouw, zwart, wit: wat je ook bent, in theorie heb je nu gelijke toegang tot openbare diensten en instellingen, en tot alle private diensten en instellingen die je maar kunt betalen. Vrouwen kunnen creditcards bezitten en hypotheken afsluiten, mits ze aan de voorwaarden voldoen. En als je je huis verkoopt, is het illegaal om in het contract te laten opnemen dat het niet mag worden doorverkocht aan niet-witten. We zijn als land erg trots op deze verworvenheid, ook al is ze imperfect en onvoltooid. Maar net als met het terugdringen van armoede onder ouderen, zou ook dit weleens een tijdelijke dip kunnen zijn die we hebben aangezien voor een definitief succes.

Nu zo’n groot deel van Amerika’s sociale en economische leven zich online is gaan afspelen, valt niet met zekerheid te zeggen in hoeverre onze antidiscriminatiecodes overeind zullen blijven. Hoe geavanceerder het bedrijf, hoe meer het kan inspelen op individuele klantervaringen. Op Amazon.com zie ik, als ik inlog op mijn account, niet per se dezelfde prijzen als jij. Hoe Amazon precies bepaalt wie wat ziet is niet alleen hopeloos ingewikkeld als je geen expert bent, het is ook een bedrijfsgeheim dat continu evolueert. De innovatie heeft het gewonnen van de regulering en elke dollar die mensen betalen is een stem op Amazon. We kunnen in wezen helemaal niet weten of Amazon of welke andere verkoper dan ook betere prijzen biedt aan, zeg, witte klanten. Maar feit is dat discriminatie, die uitdrukkelijk verboden was, via de achterdeur van de tech weer is binnengekomen; zo werd onlangs ontdekt dat Facebook adverteerders de mogelijkheid biedt om huizenadvertenties alleen te laten zien aan gebruikers met een bepaalde huidskleur.

Ik denk niet dat toezichthouders in staat zullen zijn de ontwikkelingen bij te benen, en in een wereld die gebaseerd is op klantenprofielen zal het achterhaald lijken discriminatie te willen uitroeien. We behoren niet per se tot een bepaald ras, we hebben ‘etnische affiniteiten’ op basis van ons geobserveerde gedrag in vergelijking met grote datasets van het geobserveerde gedrag van anderen. Amerikanen zullen steeds minder goed begrijpen hoe ze precies worden geprofileerd en – positief of negatief – gediscrimineerd, en als ze er al achter komen, zullen ze het moeilijk kunnen bewijzen. Geldschieters in de sector van het menselijk kapitaal hebben de categorie ‘ras’ niet eens nodig: geef ze genoeg alternatieve parameters en ze zullen er in de meeste gevallen wel achter komen. Op elke beschuldiging van discriminatie kunnen ze simpelweg antwoorden: ‘Nee, dat is gewoon wie jij bent.’

Op den duur zullen we begrijpen dat elke interactie van ieder van ons met een computersysteem iets zegt over onze waarde als individu, gemeten op basis van stereotypen. Dat zal ons – begrijpelijkerwijs – tot waanzin drijven.

 

5. Defecte elementen

Steeds meer mensen zullen niet aan de minimumeisen van de Amerikaanse samenleving kunnen voldoen. Sommigen zullen mentaal instorten als de productiviteit steeds verder wordt opgedreven, voor anderen zal er onder de beroepsbevolking geen plaats zijn en zij zullen van de samenleving vervreemden. Weer anderen zullen als ‘gestoord’ worden bestempeld omdat ze weigeren de hier beschreven ontwikkelingen te accepteren, en deze groep zal zich onvoorspelbaar en gewelddadig manifesteren. Natuurlijk bestaan deze soorten mensen nu ook al, maar we gaan niet op één uniforme manier met ze om, behalve dan via het strafrechtsysteem. En ik denk niet dat detentie, zoals we dat nu kennen, tot de benodigde schaal valt uit te breiden.

Amerika zal instellingen nodig hebben voor de mensen die simpelweg niet mee kunnen. Op basis van mijn lezing van de ontwikkelingen zie ik geen ‘pretarbeid’ voor me tegen een gegarandeerd minimumloon. Ik denk eerder aan een of andere onzalige combinatie van een inrichting en een werkkamp. Deze oorden zullen menswaardig lijken vergeleken met een gevangenis of een leven op straat, en ze zullen waarschijnlijk aan de samenleving (en aan de families van de gevangenen) worden gepresenteerd als een ‘humane hervorming’. Ze zullen een vruchtbare bodem bieden aan publiek-private samenwerkingen, met vastgekluisterde consumenten zonder enige keuzevrijheid en reservoirs vol potentiële arbeid.

Mijn werkelijke angst is dat de autoriteiten een manier zullen vinden om het verschil dat we ervaren tussen leven en werken uit te wissen. Misschien met behulp van rijen tredmolens à la Black Mirror, maar ik denk eerder aan iets als ultrageavanceerde gametechnologie. Techadept Shane Snow heeft al eens het nodige stof doen opwaaien door te suggereren dat we beter af zouden zijn als we gevangenen aan Soylentdispensers lieten lurken en ze een Oculusbril opzetten. Mensen in inrichtingen de hele dag videogames laten spelen lijkt gul, en als we er op de een of andere manier geld mee kunnen verdienen (zoals Google CAPTCHA-verificaties gebruikt om adresgegevens te achterhalen voor de Mapsapplicatie) is het een win-winsituatie, in elk geval vergeleken met gevangenissen zoals we die nu kennen. Daarmee koersen we af op een soort Matrix, waarin zelfs leven in de realiteit een voorrecht is.

 

6. Vrouwenhaat als tegenreactie

Onderzoeksbureau NORC voerde in 1977 voor het eerst, en vanaf 1985 ieder jaar, een onderzoek uit genaamd General Social Survey. Amerikanen krijgen daarbij onder andere vier vragen voorgelegd die specifiek over genderverhoudingen gaan. Drie daarvan hebben betrekking op vrouwen die buitenshuis werken en de vierde luidt of mannen emotioneel geschikter zijn voor de politiek dan vrouwen. In 1977 koos minder dan vijftig procent van de ondervraagden voor een progressief antwoord op minstens een van de vier vragen, terwijl de score in 2012 op elk van de vragen boven de vijfenzestig procent lag. De opvattingen van millennials weerspiegelen deze maatschappelijke kentering: de meesten van ons zijn er altijd al van overtuigd geweest dat vrouwen betaald werk kunnen doen zonder hun gezin te gronde te richten.

Toch is vijfendertig procent nog steeds veel, en het percentage is niet gelijkmatig over de bevolking verdeeld. Onder gelijke omstandigheden geldt dat hoe lager een Amerikaan is opgeleid, hoe lager hij scoort op deze vragen over gendergelijkheid. Dat is logisch, en niet alleen omdat we gendergelijkheid op de universiteit krijgen aangeleerd. Eerder dan een indicator voor kennis is opleidingsniveau op de huidige arbeidsmarkt een voorspeller van succes. (Niet dat iedereen met een bul het geweldig doet, maar over het geheel genomen doen afgestudeerden het beter dan mensen zonder middelbareschooldiploma.) Ik denk dat de vroegere correlatie tussen een groter aandeel van arbeidskosten in het bbp en de geringere participatie van vrouwen in de hoofden van sommigen is veranderd, of zal veranderen, in een causaal verband. Ik vrees dat hoe dieper de kloof tussen goede en slechte banen wordt, hoe meer Amerikanen feministen daarvan de schuld zullen geven, of werkende vrouwen, of vrouwen in het algemeen.

Van de cohorten die tot nu toe zijn onderzocht houden de millennials er de meest progressieve opvattingen op na als het gaat om gendergelijkheid, en we zijn de eerste generatie met een meerderheid die er zo over denkt. Dat is natuurlijk goed nieuws. Maar ik ben bang dat vrouwenhaat de schijn van een tegencultuur zal aannemen. Vrouwenhaat zou de plaats in kunnen nemen van Jodenhaat als datgene wat Ferdinand Kronawetter ‘het socialisme van de dwazen’ heeft genoemd, en zo pogingen om een beter beeld te scheppen van wat er werkelijk aan de hand is met Amerika’s werkende bevolking kunnen bemoeilijken. Als dat gebeurt, zal de erfenis van de millennials heel wat minder progressief uitpakken dan ze aanvankelijk leek.

 

7. Volledig traceerbaar

Een belanghebbende partij kan met de juiste autorisaties alles over mij te weten komen wat ze maar wil. Met wie ik heb gepraat, wanneer en waarover. Elke plaats waar ik de afgelopen jaren ben geweest. Alles wat ik heb gekocht of ook maar van plan was te kopen. Al het werk dat ik ooit heb gemaakt. Wat theoreticus Rob Horning ons ‘data-zelf’ noemt, komt steeds dichter in de buurt van ons echte zelf, vooral in het geval van millennials zoals ik, die de deur niet uitgaan zonder telefoon. Ik heb geen fitnesstracker die mijn lichaam voortdurend monitort, maar veel mensen hebben zo’n ding wel en dat zullen er nog veel meer worden.

Deze reusachtige traceermachine wordt ook nu al op talloze manieren gebruikt om ons gedrag te sturen, en ik verwacht dat beide kanten hierover steeds opener zullen worden. Het data-zelf is een magnifieke controletool, en met techontwikkelaars die het voorstellingsvermogen van beleidsmakers continu overtreffen zal de overheid op den duur vermoedelijk kiezen voor een if-you-can’t-beat-them-join-themstrategie. Publiek-private partnerschappen op het gebied van technologie zullen de norm worden, waarbij bedrijven vrijgesteld worden van rechtsvervolging en grote contracten binnenslepen in ruil voor wat goede promotie en beleidssamenwerking. En het zal aan het volk gepresenteerd worden als een goede deal.

Zo zal het in zijn werk gaan: van mijn zorgverzekering (afgesloten via de Obamacarewebsite van Pennsylvania) krijg ik nu 150 dollar voor een sportschoolabonnement. Gezonde verzekerden kosten minder: een win-winsituatie. Maar als ik die subsidie wil ontvangen moet ik aan een hoop irritante verplichtingen voldoen om te bewijzen dat ik ook daadwerkelijk naar de sportschool ga. Daar heb ik geen zin in, en ik denk een heleboel andere mensen ook niet. Die belemmering zou worden weggenomen als we een gratis Fitbit zouden krijgen voor de sportschool. Dat klinkt niet eens zo slecht, maar voor je het weet leven we in een wereld waarin mensen zich naar de sportschool reppen om lang en hard genoeg mee te rennen om hun zorgverzekering te kunnen betalen.

 

Dit zijn een paar van de belangrijkste veranderingen die zich zullen voordoen als er niets verandert. Er zitten geen aardverschuivingen tussen ten opzichte van wat zich al voltrokken heeft, en sommigen zullen zeggen dat alles op deze lijst al gebeurd is, wat in zekere zin klopt. Maar de komende decennia zal op een aantal vlakken een verschuiving van kwantitatief naar kwalitatief optreden, en zal wat nu normaal is worden verdrongen door een nieuwe manier van leven. Ik voorspel dat de overgang min of meer soepel zal verlopen, niet in termen van menselijk lijden, maar in termen van maatschappelijke en politieke stabiliteit. Juist doordat ze een revolutie in de weg staan, zouden dit soort veranderingen onze generatie weleens kunnen tekenen.

Op weg van hier naar daar zullen we zo nu en dan een grens oversteken, maar dat zullen we waarschijnlijk pas doorkrijgen als we hem eenmaal gepasseerd zijn.We weten niet hoe de millennialgeneratie de geschiedenis in zal gaan, maar als ik naar dit lijstje kijk ben ik er niet zeker van dat het ons zal bevallen. Denk aan de babyboomers: zij waren trots op hun (relatief) wijdverbreide experimenten met drugs, als onderdeel van hun verzet tegen de starre Amerikaanse samenleving van halverwege de twintigste eeuw, en al heb ik de aantrekkingskracht van Easy Rider nooit begrepen, die trots lijkt deels terecht. Toch zal hun relatie met drugs op de lange termijn vooral worden gekenmerkt door een paar van hun generatiegenoten die bereid waren anderen in ruil voor geld door middel van dope de dood in te jagen. Ik denk niet dat de babyboomers op dat beeld zouden trippen (om het zo maar eens te zeggen) maar achteraf gezien is het een nogal voorspelbaar resultaat. Ik bedoel niet dat we allemaal verraders worden als we ouder worden, mijn punt is meer dat elk geboortecohort voor zijn eigen reële problemen staat en dat ons betere ik soms het onderspit delft.

Wat kunnen wij, millennials, doen om te voorkomen dat we de nachtmerrieversie van onszelf worden? Als we niet in een dystopie willen leven, hoe zorgen we dan dat we van dit pad af komen en een andere richting inslaan? Dit soort boeken horen immers te eindigen met een oplossing, of niet soms?

 

Bop-itoplossingen

Is het wel mogelijk om van dit pad af te komen? Op basis van de feiten tot nu toe klinkt dat als een lastige opgave. De gangbare opvatting is dat onze maatschappij over een aantal ingebouwde mechanismen en middelen beschikt om de inrichting van de samenleving te laten gehoorzamen aan de wil van het volk. Als we ontevreden zijn over hoe dit land gerund wordt, over de prioriteiten en de verdeling van middelen en gevoelens – wat velen van ons kennelijk zijn – zouden we in staat moeten zijn om er iets aan te doen. Is Amerika geen democratie? Op zijn minst kunnen we als consument bepaalde keuzes maken. Het is denk ik de moeite waard om een aantal van de blauwdrukken voor verandering die ons ter beschikking staan nader te bekijken.

In 1996, toen ik zeven was, bracht Hasbro een spel op de markt dat Bop-it heette. Bop-it, dat bestond uit een plastic stok met in het midden een grote knop en kleinere knoppen aan de uiteinden, droeg de spelers via een luidsprekertje op om iets te doen met een van de drie onderdelen: draaien aan de ene knop (Draaien!), trekken aan de andere knop (Trekken!) of slaan op de grote knop in het midden (Boppen!). Dat klinkt makkelijk, maar hoe langer je doorgaat en hoe sneller je speelt, hoe moeilijker het wordt, net als met een tongbreker. (Een paar jaar later bracht Hasbro Bop-it Extreme uit, met de aanvullende commando’s ‘Tikken!’ en ‘Rollen!’, en in Bop-it XT uit 2010 kwam daar nog ‘Schudden!’ bij). Ik noem dit spel niet alleen als voorbeeld van onze neiging om taken voor kinderen steeds sneller moeilijker en ingewikkelder te maken, maar omdat Bop-it een goede metafoor is voor de manier waarop maatschappelijke verandering in het huidige systeem zou moeten werken. Als we iets willen veranderen, kiezen we een opdracht uit het voorgeschreven lijstje: Kopen! Stemmen! Geven! Protesteren! En zodra je een van die dingen doet, dient de volgende opdracht zich alweer aan. Dat gaat eindeloos zo door.

In het laatste hoofdstuk van een boek komt de auteur meestal met een reeks van deze opdrachten in een bepaalde volgorde: Kopen! Stemmen! Of: Geven! Protesteren! Hoe diepgeworteld en ingewikkeld de problemen die de auteur uiteen heeft gezet ook zijn, het klinkt alsof er een combinatie van deze tactieken bestaat die daar iets aan zou kunnen veranderen. Het roepen van wat progressieve Bop-itcommando’s geeft een deprimerende tekst op zijn minst een einde dat in contrast staat tot de geschetste berg ellende. ‘Als het volk zich verenigt kan het nooit verslagen worden’ – dat kan best waar zijn, maar de lezer eraan herinneren dat veranderingen of oplossingen altijd nog mogelijk zijn, is meestal niet meer dan een goedkope uitvlucht. Na een messcherpe analyse van honderden pagina’s voelt een Bop-iteinde, hoe inspirerend ook verwoord, bijna hypocriet. In plaats daarvan zal ik om af te ronden deze strategieën – consumentenactivisme, electorale betrokkenheid, liefdadigheid en expressief protest – een voor een tegen het licht houden en uitzoeken waar ze daadwerkelijk toe leiden, in plaats van te suggereren waar ze onder bepaalde denkbeeldige omstandigheden mogelijkerwijs toe zouden kunnen leiden.

Voor millennials is ingrijpende maatschappelijke verandering een wezenlijk probleem. Elke generatie heeft een eigen historisch tijdvak waarin haar leden voor de taak komen te staan om hun land te leiden, en dat van ons breekt net aan. Willen millennials dat we een andere weg inslaan, dan zouden ze dat realistisch gezien in de komende tien tot twintig jaar moeten verwezenlijken. Dat is een beperkte tijdspanne om van a (dat wil zeggen, de situatie zoals ik die hier heb beschreven, een weg die leidt naar een dystopie) naar elke andere letter behalve a te komen. De reeks historische rampen die ik heb geschetst en waar mijn generatie bij uitstek mee te maken krijgt, vormen één grote kluwen. Er is niet één enkele draad waaraan we kunnen trekken om die te ontwarren, niet één enkel probleem dat we kunnen oplossen om ervoor te zorgen dat de volgende generatie gelukkiger en met meer zekerheid zal opgroeien. De Bop-itopdrachten zijn holistisch, hun werkingssfeer is breed en hun mogelijke impact groot. Maar willen ze buiten een academisch of theoretisch debat werken, dan moeten ze ook háálbaar zijn voor ons.

 

1. Kopen!

Stel dat sommigen van ons de wereld ten goede willen veranderen. We willen dat arme mensen dichtbij en ver weg meer hebben dan ze nu hebben. We willen gelijkheid voor vrouwen en respect voor transgenders en we willen een einde maken aan racistisch geweld. We willen duurzaamheid en/of goede banen. In de Amerikaanse samenleving is er één belangrijk mechanisme om zulke wensen in vervulling te laten gaan: de vrije markt. Als je een hamburger wilt, kun je een hamburger kopen. Als je een hamburger van één dollar wilt, kun je die kopen. Als je een hamburger van dertig dollar wilt (en dertig dollar hebt), kun je die ook kopen. In theorie kunnen bedrijven waarden inbakken in producten die consumenten vervolgens kunnen afnemen. Als je een christelijke hamburger wilt, kan dat (in Californië is er zelfs bijzonder makkelijk aan te komen), en in New York kun je een zelfverklaard homo-ijsje halen als toetje.

Het ogenschijnlijke doel van de markt is om mensen die dingen willen efficiënt te koppelen aan mensen die dingen produceren die aan hun vraag beantwoorden. Als Amerikanen echt iets willen doen aan de uitstoot van CO2, kunnen ze zoveel mogelijk CO2-neutrale producten kopen en producenten daarmee tot een andere aanpak bewegen, en dan zijn we er. We kunnen deze consumentenlogica op elk maatschappelijk probleem toepassen. Als er schandalig weinig films zijn met een vrouwelijke hoofdpersoon, kunnen we een opwaartse spiraal in gang zetten door onze waarden in praktijk te brengen met onze dollars. Vanuit deze optiek is onze maatschappij ongelofelijk democratisch: in ruil voor tijd en moeite mag ieder van ons meebepalen hoe de dingen gedaan worden, en dat doen we door geld uit te geven. Als ik bepaalde advertenties zie, denk ik soms dat mensen echt geloven dat het zo werkt in de wereld. Maar zo werkt het niet.

Er bestaat inderdaad een wisselwerking tussen consumenten en producenten, en soms roepen bedrijfseigenaren zelfs onze hulp in om te beslissen welke smaken chips we kunnen kopen. Maar onze keuzemogelijkheden zijn zeer beperkt, en niet alleen door het assortiment in de schappen. Een paar uitzonderingen daargelaten bezitten Amerikanen bedrijven of werken ze voor mensen die bedrijven bezitten. We gebruiken geld niet in de eerste plaats om onze waarden mee uit te dragen, maar om dingen te kopen die nodig zijn – zoals voedsel en onderdak – om in leven te blijven en deel te kunnen nemen aan de maatschappij. Niemand verplicht je om te betalen voor een telefoonabonnement, er is geen wet die zoiets voorschrijft. Maar het helpt wel enorm als je een baan of vrienden wilt hebben. Natuurlijk is er ook een telefoonaanbieder die zichzelf als ‘fair’ in de markt zet, maar daarvan ben ik geen klant. Nog afgezien van de oubollige manier waarop zulke bedrijven hun idee van politiek in de praktijk proberen te brengen, zijn ze in nogal voor de hand liggende opzichten in het nadeel. Omdat het meestal geld kost om er waarden op na te houden – de goedkoopste manier om dingen te produceren is waarschijnlijk niet de aardigste en de duurzaamste – zijn ethisch verantwoorde producten over het algemeen duurder. (Zo wilde ik als politiek betrokken puber het ethisch verantwoorde alternatief voor All-Stars kopen van het tijdschrift Adbusters, maar die waren drie keer zo duur.) Dat maakt politieke betrokkenheid tot een luxeproduct waar mensen extra voor willen betalen, wat bedrijven aanmoedigt engagement te faken.

Ik bedoel niet dat oprichters van bedrijven beweren dat ze er bepaalde overtuigingen op na houden om hun producten aantrekkelijker te maken, hoewel dat zo nu en dan ongetwijfeld zal gebeuren. Ik bedoel dat bedrijven pr (die soms niet meer hoeft te kosten dan een socialmediastagiair) en reclame zullen inzetten om zichzelf te omgeven met een aura van idealisme. Als mensen bereid zijn meer te betalen om het gevoel te hebben dat ze hun politieke opvattingen in de praktijk brengen, dan loont het de moeite om ze dat gevoel te verkopen, zolang het maar minder kost dan de meerprijs waartoe ze bereid zijn. Dat mondt uit in moordende prijsconcurrentie. Een product kopen dat wordt aangeprezen als verantwoord versnelt dit proces zelfs, omdat het daarmee voor bedrijven aantrekkelijker wordt om er goed uit te zien (in plaats van het te zijn). Een keurmerkenrace zet bedrijven ertoe aan goed klinkende stempels als ‘biologisch’, ‘CO2-neutraal’ of ‘niet genetisch gemodificeerd’ uit te vinden en uit te hollen. Deze hele wildgroei maakt een product dat bepaalde waarden promoot moeilijk te onderscheiden van een product dat bepaalde waarden gebruikt om zichzelf te promoten. De vercommercialisering van de politiek is een probleem op zich en het is lastig om jezelf daaruit te kopen. Millennials weten hoe dit spelletje werkt – wie schrijft immers die pr-tweets? – en het is genoeg om cynisch van te worden.

Consumentenactivisme is millennials met de paplepel ingegoten. In haar studie Doing Their Share to Save the Planet uit 1995 analyseerde socioloog Donna Lee King milieuretoriek gericht op kinderen en de interpretatie daarvan door kinderen zelf. Milieuactivisme begon in die tijd in de mode te raken en bedrijven zagen hun kans schoon om daar met hun merken op in te spelen. Sindsdien is gedepolitiseerde red-de-planeetretoriek een verkoopmiddel voor alles, van hamburgers tot fourwheeldrives. Vervuiling werd een slechterik van het type dat door superhelden knock-out geslagen kan worden, maar toen onze kinderen wilden meevechten werden ze afgescheept met slasaus van het merk Captain Planet. Dat is zo ongeveer de dubbelzinnigste boodschap die je een kind kunt geven. In de woorden van King: ‘Kinderen worden aangemoedigd om zich bewust te zijn van de wereldwijde milieuproblematiek, krijgen simpele lifestyleoplossingen aangereikt en kunnen op ongezouten kritiek rekenen als ze ook maar om de miniemste aanpassing vragen in het consumptiepatroon van het gezin.’

Het hele idee van ethiek-door-consumentisme is om een fundamentelere reden tijdverspilling. De markt is geen magische behoeftevervullende machine die we kunnen herprogrammeren om de aarde groener te maken en ongelijkheid terug te dringen. Het is eerder een grootschalig uitbuitingsstelsel waarin werkenden gedwongen worden arbeid te verrichten om in hun bestaan te voorzien terwijl eigenaren de winst opstrijken. De markt biedt een keur aan goederen en ervaringen aan die oneindig lijkt maar in werkelijkheid heel beperkt is. Er zijn veel verschillende smaken Pop-Tarts, maar er is er niet één bij die een deur opent naar een wereld waarin je niet de helft van je wakkere leven hoeft op te offeren om genoeg te eten te hebben.

Proberen de maatschappij te verbeteren door middel van consumentisme is uiteindelijk zoiets als de boksring instappen om een doelpunt te scoren. Je speelt het verkeerde spel. De markt is gebouwd om winst te genereren, en zo nu en dan zullen er best een paar nobele hippiecoöperaties gedijen, maar dat zijn uitzonderingen. Bedrijven die enorme winsten willen maken op de ouderwetse manier – door middel van uitbuiting – zijn in staat om kapitaalinvesteringen aan te trekken, wat ze een niet in te halen voorsprong geeft op de kleintjes. In de woorden van Joe Strummer: Selling is what selling sells – en de verkopers doen zichzelf niet in de uitverkoop.

In theorie is het mogelijk dat iedereen de handen ineenslaat en besluit om alleen nog maar producten te kopen van bedrijven die hoge lonen betalen, om zo de trends die ik heb beschreven een halt toe te roepen of om te keren. En in theorie is het evengoed mogelijk dat er, terwijl je dit zit te lezen, een grote meteoor op ons afkomt en alle leven wegvaagt voor je de kans krijgt om dit stuk ten einde te lezen. Een waarnemer met enig verstand moet wel tot de conclusie komen dat de tweede gebeurtenis een stuk waarschijnlijker is.

 

2. Stemmen!

De vrije markt is niet het enige mechanisme dat zou moeten beantwoorden aan onze collectieve wensen. De VS zijn een democratie (althans op dit moment van schrijven) en als het beleid of de prioriteiten van de overheid ons niet aanstaan, als ze niet in ons gezamenlijke belang zijn (en daar lijkt het niet op), dan kunnen we dat stelletje klaplopers met zijn allen wegstemmen. Hoe stevig de huidige machthebbers ook in het zadel zitten, uiteindelijk heeft het Amerikaanse volk het voor het zeggen, en de voorhamer die we in handen hebben zal altijd groot genoeg zijn om ze van hun voetstuk te slaan. En als het politieke aanbod ons niet bevalt, kan ieder van ons zich desnoods zelf verkiesbaar stellen, ofwel via de voorverkiezing van een bestaande partij, ofwel als onafhankelijke kandidaat. Het systeem valt volledig aan te passen aan de wil van het volk en het heeft dan ook de Burgeroorlog overleefd, de uitbreiding van het kiesrecht tot vrouwen, de rassenscheiding, Vietnam en de antioorlogsprotesten. De Amerikaanse samenleving heeft weliswaar zware omwentelingen gekend, maar ons politieke systeem functioneert als een schokdemper die meegeeft en terugveert al naargelang de wil van haar burgers. En als het echt goed misgaat of als het allemaal te moeilijk wordt, is er zelfs een noodknop: de grondwet kan gewijzigd worden.

Maar hoe flexibel dit systeem er op het eerste gezicht ook uitziet, de meeste mensen zijn helemaal niet zo te spreken over de overheid. Volgens het Pew Research Center gelooft minder dan twintig procent van de Amerikaanse bevolking dat de overheid zich over het algemeen eerlijk gedraagt, een bijna ongekend dieptepunt in de 75 jaar dat het onderzoeksinstituut de vraag inmiddels stelt. Het gaat om een groeiend wantrouwen dat zich niet tot één partij beperkt, en de trend is veel minder afhankelijk van wie er op een bepaald moment aan de macht is dan je zou denken. Ondanks de mooie praatjes over een transparante overheid in het internettijdperk, lijkt het erop dat de Amerikaanse regering minder verantwoording hoeft af te leggen aan haar burgers dan ooit tevoren – in elk geval als je kijkt naar de onvrede van mensen over hun politieke vertegenwoordigers en hun onmacht om er iets aan te veranderen. Ofwel werken onze democratische instituties niet zoals ons is verteld, ofwel maken Amerikanen er geen gebruik van. Of het is een combinatie van die twee.

Het juiste antwoord op dit raadsel is waarschijnlijk het eenvoudigste, en de meeste Amerikanen kennen het al en geloven het waarschijnlijk ook: de overheid bedriegt je waar je bijstaat. In het onderzoeksrapport van Pew over wantrouwen onder de bevolking stelde 74 procent dat politici op de eerste plaats aan zichzelf denken en 55 procent meende dat gewone Amerikanen het beter zouden doen. We zijn ontevreden over onze leiders en denken dat we het zelf beter kunnen. In een democratie zou dit groot nieuws moeten zijn! Het is hoog tijd dat we Mr. Smith naar Washington sturen om de bezem door het systeem te halen en te onthullen wat voor duistere krachten er aan het werk zijn.

Terwijl ik bezig was aan dit boek heeft Donald Trump tegen alle verwachtingen in het Witte Huis weten te veroveren met een hervormingsriedel die veel weg had van een kermisact. Hij was de man van het gewone volk, hij zou naar het verderfelijke Washington trekken om ‘het moeras droog te leggen’. Was Hillary Clinton niet zijn tegenstander geweest, dan zou Trumps antiautoritaire pose waarschijnlijk zo zijn doorgeprikt, maar de Democratische Partij is ingericht ten voordele van kandidaten uit de gevestigde politieke kringen, en bij de algemene verkiezingen maakten onafhankelijke kandidaten geen schijn van kans. Wat we nu krijgen zijn de hervormingen van een oplichter: een en al grootspraak zonder enige inhoud.

Al heel lang betogen een aantal progressieve stemmen dat een hervorming van de regels voor de financiering van verkiezingscampagnes het wondermiddel is voor alles wat er schort aan het Amerikaanse politieke systeem. Als we het grote geld buiten spel zetten, zijn we als volk vrij om vertegenwoordigers te kiezen die opkomen voor onze belangen (zoals bijvoorbeeld de nationalisering van de zorg en het beschermen van vakbonden). Een regering van het volk zou de kosten voor het levensonderhoud verlagen en het arbeidsloon laten stijgen. De hele samenleving zou de vruchten plukken van technologische vooruitgang. Kapitalisme en uitbuiting zouden in de loop der tijd afsterven als de verdwijnende poten van een evoluerende walvis.

Dat klinkt als een topplan, maar als je er goed over nadenkt, is het net zoiets als proberen te springen door aan je schoenveters te trekken. Als het volk genoeg zeggenschap had over het overheidsapparaat om de grondwet aan te passen (of het gewenste beleid af te dwingen) en de economische macht los te koppelen van de politieke, dan was die hervorming eigenlijk helemaal niet nodig geweest! Noem het de Bernie Sandersparadox: als hij president kon worden, hadden we hem helemaal niet nodig als president. En toch heeft Sanders, de enige socialist in de hele Senaat, tijdens de voorrondes in 2016 meer dan 200 miljoen dollar uitgegeven aan zijn donquichotachtige verkiezingscampagne, meer dan genoeg om serieus mee te doen. Geldgebrek is niet wat deze linkse populist de verkiezing heeft gekost: hij had ook de machtige elementen binnen de partij tegen zich. Geld is macht, maar een goedgevulde kas is niet de enige soort macht. Een blijvende oplossing voor het probleem van het grote geld en de politiek lijkt dus vooralsnog onhaalbaar en ook niet noodzakelijkerwijs effectief. Een wondermiddel is het niet. Ten slotte heeft Hillary Clinton er twee keer zoveel geld doorheen gejaagd als Donald Trump.

Net als de vrije markt is het verkiezingsstelsel er in wezen niet op ingericht om de wil van het volk te verwezenlijken. Dat verklaart waarom mensen niet het gevoel hebben dat de overheid hun belangen behartigt. Dat doet ze namelijk ook niet. De Amerikaanse politiek is het terrein van professionals, en van de meeste mensen wordt niet veel meer verwacht dan dat ze eens in de zoveel jaar hun hand opsteken. En veel van hen nemen voor dat handopsteekgebeuren niet eens de moeite. Ga maar na wat we weten over het werkende leven van niet-rijke Amerikanen: waar zouden die de tijd en de middelen vandaan moeten halen om zich (en masse) te mengen in de politiek? Een bepaald percentage mensen uit alle inkomensklassen zal zich altijd bezighouden met activisme, maar wie zich verkiesbaar wil stellen moet eerst over een hoge drempel heen. Bij gebrek aan een werkelijke arbeiderspartij is er voor Amerikanen uit de werkende klasse geen beproefde toegangsroute, en professionele politici zijn enorm in het voordeel als het gaat om het behouden van hun positie. Voor de meeste mensen is het niet meer dan logisch dat ze niet geïnteresseerd zijn in politiek.

Het is mogelijk dat wanneer het hele cohort millennials de stemgerechtigde leeftijd heeft bereikt, we onze eigen kandidaten naar voren zullen schuiven met ideeën over ons landsbestuur die radicaal verschillen van die van de zittende politici. In de nabije toekomst zullen millennials van alle vertegenwoordigde generaties de grootste groep kiezers vormen. Misschien zal zo’n overwegend jeugdig kiezerspubliek stemmen op een golf politici die de opwarming van de aarde en het aandeel dat werkenden in de productie hebben serieus nemen en beschouwen als noodsituaties die onmiddellijk aandacht vereisen. Maar ik denk niet dat het zo zal gaan. De toekomstige politici onder de millennials – al hebben de meesten van ons de meesten van hen nog niet eens ontmoet – zijn al geoefend in de huidige manier van zaken doen, want zo hebben ze zich een weg naar de top geconcurreerd. Afgaande op wat we weten over de voorbereiding die de professionals onder de millennials krijgen, zullen onze politici nog laffer zijn, en gehoor geven aan een nog kleinere invloedrijke elite van hypervermogenden.

De jonge mensen die wel het soort leiderschap aan de dag zouden kunnen leggen dat we nodig hebben – vriendelijk, principieel, zorgzaam, gul, radicaal, visionair, inspirerend – kijken er wel voor uit om zich in de politiek te mengen. Dat geldt in ieder geval voor de voorbeelden die ik persoonlijk ken. Ons corrupte politieke stelsel helemaal afbreken tot aan het plaatselijke niveau toe en het vervolgens heropbouwen vanuit een nieuwe visie zou meer tijd vergen dan we hebben – en waarschijnlijk een ander soort land.

 

3. Geven!

Dat onze belangrijkste instituties vrijwel zeker niet meer te redden zijn in wat ik als de cruciale nabije toekomst beschouw, wil niet zeggen dat we helemaal niets kunnen doen. Mensen hebben geen instituties nodig om hun samenleving te veranderen, want mensen en hun onderlinge betrekkingen zíjn de samenleving. Als we zouden besluiten om elkaar beter te behandelen, zouden we in een heel nieuwe wereld kunnen leven zonder dat we daarvoor de markt of de politiek hoefden te infiltreren en te hervormen. We kunnen onze gezamenlijke situatie uit eigen vrije wil verbeteren. Een betere wereld begint bij jezelf, persoonlijke keuzes zijn politieke keuzes: de millennials hebben goed op de bumperstickers en Applereclames gelet. En het lijkt nog te werken ook. Hoewel we als generatie minder vertrouwen hebben in onze nationale instituties, hebben we een sterker persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel. Onderzoek op basis van gegevens uit 1984 en 2013 wijst uit dat Amerikanen onder de dertig het verhoudingsgewijs belangrijker zijn gaan vinden om vrijwilligerswerk te doen (een stijging van 19 naar 29 procent) en dat een grotere groep dat ook daadwerkelijk doet (een stijging van 14 naar 20 procent). Het fenomeen seculier vrijwilligerswerk is samen met de millennials volwassen geworden, en op openbare middelbare scholen en universiteiten is het tegenwoordig niet ongebruikelijk dat leerlingen en studenten een bepaald aantal uur vrijwilligerswerk moeten doen om te kunnen afstuderen. Vrijwilligerswerk als ideologie en millennials zijn een goede match. Voor jonge mensen liggen er kansen om zich nuttig te maken op elk gebied dat ze maar aanspreekt, en veel van die kansen staan bovendien niet slecht op een cv. Wat vrijwilligerswerk onderscheidt van simpelweg een goede daad verrichten is dat het geaccrediteerd en officieel is. Het is een bezigheid die netjes in een van de niet-werkgerelateerde vakjes past die het o zo veelzijdige eenentwintigste-eeuwse individu geacht wordt te vullen met passies, hobby’s en buitenschoolse activiteiten.

Het is mogelijk om van vrijwilligerswerk je beroep te maken – dat is tegenwoordig zelfs makkelijker dan ooit. Volgens de Philanthropy Roundtable is het aandeel van de non-profitsector in het Amerikaanse bbp gegroeid van nog geen twee procent in 1950 tot 5,6 procent in 2014. Dat viel te verwachten, aangezien rijke mensen non-profitorganisaties financieren en rijke Amerikanen het in diezelfde periode steeds beter hebben gekregen. Het betekent ook dat er buiten de overheid en de ‘ethische’ zakenwereld een heel professioneel veld bij is gekomen waar mensen met saamhorigheidshang hun ei kwijt kunnen in een individualistisch systeem, zonder de boel te veel op stelten te zetten.

Ik begrijp wel waarom er mensen zijn – vooral onder de millennials – die het vrijwilligersidee bloedserieus nemen. Er valt in onze wereld een hoop goeds te doen, en al die ‘onze missie’-retoriek van bedrijven zoals beschreven onder het kopje ‘Kopen!’ gaat uiteindelijk niet in je koude kleren zitten. Maar de toegenomen activiteit van non-profitorganisaties en vrijwilligers heeft niet tot betere kansen geleid voor degenen onder ons die het slechtste af zijn. Sterker nog, het verband lijkt precies omgekeerd: hoe meer officiële filantropen er rondlopen, met hoe meer mensen het blijkbaar nog slechter gesteld is. Er lijkt geen hard empirisch bewijs te zijn voor vrijwilligerswerk als holistische strategie voor maatschappelijke verbetering. Wat wil zeggen: het werkt niet.

Dat betekent niet dat er geen vrijwilligers of non-profits zijn die goed en belangrijk werk doen. Ik houd mezelf althans voor dat ik voor een paar van zulke organisaties heb gewerkt. In mijn ervaring zijn de meeste mensen die in de non-profitwereld werken niet naïef. Ze doen hun uiterste best om de wereld op een positieve manier te veranderen en ook nog elke maand de eindjes aan elkaar te knopen, net als iedereen. Ze verkeren over het algemeen niet in de overtuiging dat hun werk de oplossing biedt voor structurele problemen, en het idee dat vrijwilligers- en pressiewerk van non-profitorganisaties dé instrumenten zijn om iets gedaan te krijgen komt van de sponsors, niet van de mensen die het werk doen. Vrijwilligerswerk kan hoogstens verzachten, en die verzachting kent grenzen.

Opnieuw is het een kwestie van het verkeerde middel. ‘Vrijwilligerswerk’ is een breed begrip waarin geen specifiek doel of wereldbeeld besloten ligt. Je kunt je gemakkelijk een situatie indenken waarin het vrijwilligerswerk van een student bij een antiabortusgroep de tijd die een andere vrijwilliger in een proabortusorganisatie investeert tenietdoet. ‘Non-profit’ is een aanduiding voor de belastingdienst die zowel het goede als het kwade bestrijkt. Net als bij de marketing van ethische producten zijn de wereldverbeteraars ook hier ingehaald door de grote bedrijven, en je zou je best moeten doen om een snode multinational te vinden die er geen liefdadigheidsstichting of twee op na houdt. Dezelfde topmannen en -vrouwen die de lonen drukken, de concurrentie op de arbeidsmarkt opdrijven en zich zelfs inspannen om gevaarlijke medicijnen te verpatsen worden veel liever gezien als gulle gevers. Dus als ze even klaar zijn met verpatsen, doneren ze een beetje, en dat doen ze met een hoop bombarie.

Non-profitorganisaties zijn afhankelijk van de overheid, grote bedrijven, en de klasse die deze sectoren alle drie bestiert. Op het hoogste niveau bewegen dezelfde individuen zich moeiteloos van het ene terrein naar het andere. (Vraag maar aan Hillary Clinton, die in de loop van haar carrière de Senaat, het bestuur van Walmart en natuurlijk de Clinton Foundation op haar cv heeft kunnen zetten.) Samen vormen ze een geoliede machine, maar van de drie zijn de vrijwilligers (zowel de amateurs als de professionals) duidelijk ondergeschikt. Een groot deel van het werk van non-profits komt (tot ergernis van de meeste mensen die het doen) neer op slijmen bij de rijken, terwijl slijmen bij de overheid bekendstaat als lobbyen. En juist non-profitorganisaties zijn gedwongen al hun plannen te laten varen en van voren af aan te beginnen zodra er een andere politieke partij aan de macht komt.

Als de non-profitsector met zijn vrijwilligers een fundamentele koerswijziging zou forceren in het Amerikaanse bedrijfsleven en zelfs de staat, zou dat net zijn alsof het konijn uit de hoge hoed zijn goochelaar met huid en haar opvrat: ten eerste zou het een onvoorstelbare rolomkering betekenen, en nog crucialer, de mond van een konijn is er véél te klein voor. Onwaarschijnlijk is hier nog zwak uitgedrukt. De vrijwilligerstruc werkt heel goed bij millennials, maar wie je roep om structurele verandering beantwoordt met een link naar een vacaturesite van non-profitorganisaties houdt je voor de gek, of voor een gek. Of is zelf gek. Hoe dan ook, gekker zou het niet moeten worden.

 

4. Protesteren!

Het ziet er niet naar uit dat onze instituties voor de verregaande veranderingen in de Amerikaanse samenleving zullen zorgen die we nodig hebben om de hier beschreven ontwikkelingen te keren. De stichters van ons land onderkenden de mogelijkheid dat zo’n situatie zou ontstaan en daarom hebben ze ons systeem van een noodknop voorzien. Mocht het Amerikaanse volk haar collectieve situatie ondraaglijk vinden – en ik ben ervan overtuigd dat dat voor velen van ons geldt of zou moeten gelden – en geen oplossing kunnen vinden binnen de democratische structuur – en ik denk dat dat het geval is – dan is het ons bij wet toegestaan de straat op te gaan en het op een schreeuwen te zetten.

Het Eerste Amendement geeft ons het recht om samen te komen en net zo lang te klagen tot er iets verandert of tot we te moe zijn om door te gaan. Dit is een aloud Amerikaans gebruik, en hoewel het merendeel van de bevolking zich op het moment zelf meestal niet in de betogers herkent, kan wie echt invloed blijkt te hebben later op de rozebrilbehandeling rekenen. De demonstranten van de burgerrechtenbeweging zijn inmiddels officiële helden, net als de suffragettes. Ook de twintigste-eeuwse vrouwenrechtenbeweging begint lof te oogsten; antioorlogsdemonstranten worden meestal pas een paar oorlogen later opgehemeld. Demonstranten voor het homohuwelijk hebben de nationale opinie zo snel doen omslaan dat we daar bijna meteen al om geprezen werden. Als alles ‘fucked up’ en ‘bullshit’ is (zoals de slogans van Occupy Wall Street het willen), dan kunnen we dat op zijn minst hardop zeggen, en soms is dat al voldoende.

Het recht om te demonstreren is impliciet opgenomen in de grondwet, maar het is geen integraal onderdeel van het systeem, althans niet in conventionele zin. De protesten van de rechtse Tea Partybeweging werden deels gefinancierd door rijke Republikeinen, en aan linkse zijde is er George Soros, die meermaals beschuldigd is van opruiing omwille van zijn eigen vooralsnog onduidelijke redenen. Maar de meeste demonstranten gaan de straat op omdat ze ergens in geloven en de wereld graag anders willen zien. Net als vrijwilligerswerk is protest niet voorbehouden aan één bepaalde ideologische agenda: zo kan ‘homohuwelijkprotest’ twee verschillende dingen betekenen. Het merendeel van de klassieke voorbeelden van succesvolle demonstraties in Amerika komt echter uit progressieve hoek, vooral de massale protestmarsen. Een veelgehoorde Bop-itachtige opdracht van babyboomers aan millennials luidt: ‘Wij hebben een einde gemaakt aan de Vietnamoorlog. Jullie moeten je gewoon laten horen op [voeg hier een grapje over social media in] en zorgen dat ze naar jullie luisteren!’

Millennials hebben niet één thema waar hun verontwaardiging om draait; ons zit een hele manier van leven dwars. Occupy Wall Street (en de demonstraties en bezettingen die daarna door het hele land ontstonden) was een poging om tegen de hele kluwen in een keer te demonstreren, en overal in het land sloegen de millennials hun kamp op. In plaats van een eis, hadden we een klacht: ‘Het is allemaal fucked up en bullshit.’ In plaats van een politiek standpunt, hadden we een vijand: ‘de één procent’, de mensen die profiteren van de Verelendung van het volk. Afgaande op onderzoeksgegevens is deze groep vijanden een goede keuze van de millennials, en het waren vooral millennials die deelnamen.

De meesten van ons die de straat op trokken zagen het helemaal niet zo, maar de manier waarop we keurig de voorgeschreven route bewandelden was kenmerkend voor onze generatie. We zijn erop getraind de spelregels eerst zorgvuldig te lezen en vervolgens creatief na te denken. We wilden op de noodknop in de grondwet slaan door gebruik te maken van social media en van onduidelijke regels over ordehandhaving in het grensgebied tussen de openbare ruimte en privéruimte. Eventjes werkte dat. Wereldwijd was er aandacht, en de boodschap kwam (grotendeels) over. De naschokken doen zich nog altijd voelen. Maar de demonstraties werden beëindigd, en niet omdat de overheid studentenleningen kwijtschold en beslag legde op de gestolen buit van een horde bankiers. Een aantal mensen ging naar huis omdat ze moe waren, maar steeds meer anderen hielden het ook voor gezien. Wat ons de wind uit de zeilen nam was de politie, die nieuwe orders kreeg. Als de politie besluit dat we niet meer mogen demonstreren, kan ze ons met vele honderden tegelijk in de kraag grijpen en in een kooi stoppen. En zo is het ook min of meer gegaan.

Niet alle demonstraties zijn toegestaan. Sterker nog: de aanwezige politiemacht kan elke demonstratie op elk gewenst moment onwettig verklaren, mocht ze daar zin in hebben. Op dat moment kunnen de demonstranten zich uit de voeten maken en/of klappen krijgen en/of traangas happen en/of gearresteerd worden. Elk Amerikaans politiekorps van enig formaat (en menig korps van weinig formaat) heeft de benodigde middelen (lees: wapens) klaarliggen om vrijwel elke mensenmassa, hoe boos en vastbesloten ook, uiteen te drijven en te bedwingen. Althans: zolang de politie en de politiek er geen probleem mee hebben om hun eigen burgers geweld aan te doen. (En dat hebben ze niet.)

Dezelfde agressieve middelen en tactieken werden door politiekorpsen door het hele land gebruikt tegen de demonstranten van Black Lives Matter, die in 2013 de straat op gingen na de onophoudelijke stroom moorden op zwarte Amerikanen door de autoriteiten. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat als de National Guard het stadje Ferguson in Missouri niet had bezet, de demonstranten hun stadsbestuur ter plekke hadden afgezet. Maar de troepen arriveerden en de demonstraties werden neergeslagen. Er mag dan een noodknop in de grondwet zijn ingebouwd, geen amendement kan de pepperspray uit je ogen spoelen als je langer doorgaat met demonstreren dan de politie zint. Vaak is dat de prijs die betogers betalen, maar dat kunnen ze niet eeuwig volhouden en in onze recente geschiedenis zie ik geen aanleiding om te geloven dat een protestbeweging waarin mensen door te demonstreren hun gevoelens uiten het ooit langer zou kunnen volhouden dan de politie. De Irakoorlog is verdomme nog steeds aan de gang, en daar protesteer ik al sinds mijn vijftiende tegen.

Als demonstraties alleen demonstraties zijn totdat de autoriteiten besluiten dat hun geduld op is, dan wordt hun doeltreffendheid daardoor in belangrijke mate beperkt. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de protesten tegen de Dakota Access Pipeline, die in feite draaiden om het eigendom van land, gaat het bij demonstraties om het uitdrukken van onvrede. Zelfs als het de Amerikaanse samenleving niet direct verandert, lijkt demonstreren belangrijk, al is het maar om het idee in ere te houden dat je ontevreden mag zijn en het ergens mee oneens mag zijn. Maar als de machthebbers eerder bereid zijn naar de wapens te grijpen dan te capituleren, dan is demonstreren niet langer een zinvolle weg naar brede maatschappelijke verandering.

 

5. Niet aankomen!

Zodra activisten zich goed genoeg organiseren om een potje progressieve Bop-it te spelen, krijgen ze te maken met steeds wisselende opdrachten. (Zo werkt het spel nu eenmaal.) Franklin D. Roosevelt heeft ooit gezegd dat burgerrechtenactivisten hem door middel van demonstraties moesten dwingen om actie te ondernemen, een anekdote die de voormalige president Obama herhaaldelijk aanhaalde tijdens zijn verkiezingscampagne (ook al is ze eigenlijk apocrief). Het volstaat niet om te stemmen op politici en te verwachten dat ze doen wat wij willen, we moeten vervolgens ook nog tegen die door ons gekozen vertegenwoordigers demonstreren om ervoor te zorgen dat ze echt doen wat ze beloofd hebben. Maar hoe geloofwaardig zijn we als we posts over onze demonstraties delen met onze iPhones van de zaak of als we meemarcheren met Nikes aan onze voeten? We moeten eerst maar eens de daad bij het woord voegen en de uitbuiting door de één procent niet langer subsidiëren. Maar valt het goed te praten dat we 135 dollar uitgeven aan ethisch verantwoorde, biologische hennepsneakers als er ook jongeren zijn die helemaal geen fatsoenlijke schoenen hebben, en nog wel bij ons om de hoek? We moeten eerst maar eens met de buurt een schoeneninzamelingsactie organiseren. Maar hoe halen we het in ons hoofd dat we met liefdadigheidsacties iets oplossen in een maatschappij die bulkt van de problemen? Wat we echt eerst moeten doen is betere volksvertegenwoordigers kiezen. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts.

Er is altijd nog wel een volgorde die we niet geprobeerd hebben: zo werkt het spel. Het doet me denken aan een herhaalrijmpje uit mijn basisschooltijd dat bedoeld was om iedereen binnen gehoorsafstand horendol te maken: ‘Gek? Dat ben ik ook geweest. / Toen stopten ze me in een hok vol konijnen. / Konijnen? / Ik heb een hekel aan konijnen. / Gek word ik ervan. / Gek? …’ Ik ben aan beide varianten blootgesteld en van de twee vind ik progressieve Bop-it veruit het meest gekmakend. Het is een eindeloze reeks multifunctionele bezwaren die nergens toe leidt. Wie je uitnodigt om mee te komen spelen is ofwel naïef, ofwel onoprecht, of allebei. De beste tactiek om te winnen is om er niet aan te beginnen.

 

Tot slot

Nog zo’n illusie is dat we te weinig tijd hebben voor ons werk… Een arme inheemse leider in de staat New York gaf een wijzer antwoord dan welke filosoof ook toen iemand tegen hem klaagde dat hij te weinig tijd had. ‘Ach,’ zei Red Jacket, ‘ik neem aan dat je alle tijd hebt die er is.’

Ralph Waldo Emerson, ‘Werken en dagen’ 

Van de wiskundelessen die ik meer dan tien jaar lang heb gevolgd is me niet veel concreets bijgebleven (niet op een bewust niveau in elk geval), maar de tussenwaardestelling nog wel. Simpel gesteld loopt volgens de tussenwaardestelling elke lijn die twee punten met elkaar verbindt door elk tussenliggend punt. Misschien herinner ik me die les nog omdat het bijbehorende verhaaltje zo poëtisch was. Het ging over twee monniken: een van de twee beklom een berg en de andere daalde de berg af vanaf de top. We moesten bewijzen dat ze elkaar, zolang ze allebei een spiraalvormig pad namen, hoe dan ook ergens zouden tegenkomen. Dat verhaal bleef me bij en soms denk ik dat het met historische gebeurtenissen net zo is: de millennials worden ouder en beklimmen de berg, en vroeg of laat lopen ze de monnik tegen het lijf die de berg afdaalt. We weten niet precies waar of wanneer onze sleutelmomenten zich zullen voordoen, maar we weten dát ze zich zullen voordoen.

Met genoeg moed en geluk kan de generatie van de Amerikaanse millennial de generatie worden die voor een keuze stond. Ofwel zetten we de ontwikkelingen voort die we geërfd hebben en laten de barre toekomst in vervulling gaan, ofwel weigeren we dat te doen en hakken we het kluwen door van al die ontwikkelingen die ons als groep maken tot wie we zijn. We worden fascisten of revolutionairen, het een of het ander. Als blijkt dat het ons aan moed en geluk ontbreekt, vrees ik dat het achteraf zal lijken alsof we nooit een keuze hebben gehad. Maar, vrij naar Red Jacket: we hebben alle tijd die er is. En het is aan de millennial om iets anders te maken van wat er van ons gemaakt is.

 

Vertaling uit het Engels: Heleen Oomen en Jeske van der Velden

 

Deze tekst is de conclusie van Malcolm Harris’ (1988) Kids These Days. Human Capital and the Making of Millennials, New York, Little Brown and Company, 2017.