Jan-Willem Anker

DE WITTE RAAF

Editie 203 januari-februari 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Rory Pilgrim. Mooie giftige wereld

The Undercurrent, waarvoor Rory Pilgrim (1988) eind oktober de Prix de Rome ontving, begint met een drone-shot van een zonnig landschap. In de verte lichten bergen op, door nevelflarden deels aan het zicht onttrokken. De lucht is heiig. De camera daalt af naar een rivieroever met een staande vrouw in zwart badpak, haar gezicht is niet te zien. In het volgende shot maakt de camera een pan naar links. Het lijkt alsof je boven de rivier zweeft. Het ondiepe water spiegelt de wolkenlucht en de begroeiing op de oever. Er bevindt zich nog een vrouw aan de waterkant, ze draagt een zonnehoedje en een tanktop, roerloos zit ze met kaarsrechte rug in de zon, haar handen plechtig in haar schoot gevouwen.

Dan doemt een derde figuur op, maar die blijft slechts een contour in de schaduw van enkele bomen. De vrouw – een meisje – in het zwarte badpak waagt zich in het water, en er volgt een serie beelden van meerdere zwemmers, alles onder water gefilmd: schoolslag, spartelende benen, een rode zwembroek, heel veel beweging van water en lijven, zonlicht en luchtbelletjes. De zwemmers zijn allemaal jong, hun lijven ogen nog maar nauwelijks volwassen, en heel even houden ze al watertrappelend elkaars handen vast. De dreigende tonen van de soundscape klinken nu harder, en het volume wordt ronduit beklemmend.

De vijftig minuten durende film The Undercurrent sluit aan bij Pilgrims eerdere werk, dat zich kenmerkt door het expliciete sociale engagement, de aandacht voor taal en dialoog, en het veelvuldige gebruik van muziek. Pilgrim is afkomstig uit Bristol en werd opgeleid aan het Chelsea College of Art and Design in Londen. Een van zijn vroegste werken, Love in Uganda uit 2010, was een installatie en performance met een zelfgeschreven muziekstuk voor acht stemmen. Pilgrim maakte Love in Uganda in reactie op een antihomowet die in het Oegandese parlement tot stemming gebracht zou worden. Het recente Software Garden draait voor een groot deel om poëzie, muziek en dans. Het is een project over de zorg en intimiteit tussen mens en robot, met bijzondere aandacht voor mensen met een fysieke beperking.

Pilgrims kunst bestaat vaak uit op elkaar inwerkende beeld- en muziekfragmenten waarin het emancipatorische belang van wie er spreekt wordt onderzocht. Zijn fascinatie voor taal en voor personen die er niet in slagen om hun eigen verhalen te vertellen, verklaarde Pilgrim in een interview onder meer uit het feit dat hij vroeger stotterde. Voor hem heeft alle taal een performatief karakter: taal creëert de werkelijkheid en geeft deze vorm. Dit vertaalt zich in zijn behoefte om allerlei verschillende mensen bij elkaar te brengen en gemeenschappen te creëren. Tijdens het spontane contact dat volgt uit zo’n ontmoeting ontstaat Pilgrims kunst. Zo valt ook zijn aandacht voor geloof, spiritualiteit en religiositeit te begrijpen. Hijzelf is quaker en beschouwt het ‘quakerisme’ als een spirituele vorm van humanisme, met een organisatie die gekenmerkt werd door sociale en politieke betrokkenheid. In ‘Violently speaking’, het eerste deel uit een filmserie getiteld Sacred Repository (2014), spelen quakers, New Yorkse transgenderactivisten en musicerende Britse tienermeisjes de hoofdrollen.

In The Undercurrent komen spiritualiteit, taal, gender en ecologie opnieuw samen. De film wordt voor een aanzienlijk deel gekenmerkt door zijn choreografie en zijn muziek, met name door het lied dat een meisje halverwege de film opeens begint te zingen en dat als soundtrack fungeert. Een groot deel van de regels uit de songtekst zijn opgehangen in de zaal waarin de film wordt vertoond, zoals ‘Backwards forwards greenwards’ en ‘What does loss feel like? / Can we name what will be lost?’.

The Undercurrent is een poëtische assemblage van gesprekken, beelden, stemmen en muziek. Pilgrim volgt tien jongeren uit Boise, de hoofdstad van de (conservatieve) staat Idaho, die samenwonen in een huis dat als toevluchtsoord lijkt te fungeren, alsof ze hun familie achter hebben gelaten en met elkaar een nieuwe familie hebben gevormd. De jongeren spreken zich uit over de vervreemding ten opzichte van hun ouders, hun activisme en de klimaatcrisis.

Hoewel ze hun zorgen over de klimaatcrisis delen is het huis een veilige plek. Beelden ervan worden begeleid door warme klanken. Het huis wordt beschut door bomen, in de tuin staat tussen hoog opschietend groen een ezel. Genderverschillen bestaan er in deze wereld nauwelijks nog: de jongens zijn androgyn, de meisjes tomboys. Het heeft onmiskenbaar een feeëriek gehalte, maar doordat die warme, lieflijke muziek enkele keren omslaat in dreigende klanken, wordt duidelijk dat het huis geen idylle is. De jongeren vormen een onzichtbare tegenbeweging of onderstroom gericht tegen de politieke orde die verantwoordelijk is voor de klimaatramp die zich buiten het huis voltrekt.

Daarnaast heeft Pilgrim opnames gemaakt in een ‘oecumenisch opvangcentrum’ in de stad. We horen een medewerker van dit opvangcentrum zeggen dat het nodig is om goed te luisteren naar de jongeren die in het centrum wonen. Deze laatste uitspraak heeft een poëticale lading: in het politiek-poëtische universum van Pilgrim moet iedereen de kans krijgen zich uit te spreken, iedereen moet gehoord kunnen worden, ook – nee, juist – de gemarginaliseerden en verstotenen. De klimaatcrisis dreigt ons allemaal te marginaliseren en maakt begrippen als ‘centrum’ en ‘normaal’ betekenisloos.

Rory Pilgrim verzet zich in zijn film krachtig tegen een nationalistische klimaatpolitiek die in het binnenland (sociale) grenzen trekt, maar ook zeer reële muren bouwt om vreemdelingen buiten te houden, bijvoorbeeld de landarbeiders uit Honduras en Guatemala die zich door mislukte oogsten gedwongen zagen vorig jaar met gevaar voor eigen leven in een karavaan naar de Amerikaanse grens te lopen. Het gaat hier dus om een politiek waar ‘het ideaal van een gedeelde wereld niet langer [leeft] in wat tot nu toe het ‘Westen’ heette,’ zoals Bruno Latour schrijft in Waar kunnen we landen? The Undercurrent laat zien wat een alternatief zou kunnen zijn; de film toont een plek waar verschillende mensen welkom zijn en samen kunnen leven. Een jongen die grote oorbellen draagt vertelt over de breuk met zijn religieuze en apolitieke afkomst en zijn besluit om activist te worden. Terwijl hij praat zie je het water van de rivier van dichtbij snel stromen. Vier mensen van kleur houden zich vast aan een groot rond luchtbed. Er komt iemand langsgedreven op een opblaaseenhoorn.

Een meisje vertelt dat ze planten, bomen, een huisdier, hun vrienden en vriendinnen wil beschermen. Tegelijkertijd toont Pilgrim dat die verhouding tot de natuur problematisch blijft door beelden in te lassen van een jongen die een plaatje van een plant opzoekt op zijn smartphone. Je zou kunnen zeggen dat de film wil laten zien dat de natuur meer is dan al het groen om het huis waar de jongeren wonen. Het plaatje van de plant in de smartphone herinnert je er als kijker aan dat het materiaal waaruit de smartphone bestaat ‘natuurlijker’ is dan het plaatje van de plant op het scherm. Met andere woorden: Pilgrim laat zien dat de jongeren weliswaar over veel ecologische informatie beschikken, maar nog steeds in een wereld leven waarin roofbouw op de aarde wordt gepleegd.

De jongeren vormen een voorbeeld voor de oudere generatie, die belichaamd wordt door een oudere man die in het huis op bezoek komt, een witte academicus die de tekortkomingen van zijn eigen generatie erkent. Dankzij ‘Rory’ (de enige keer dat de kunstenaar in de film aanwezig is, off-screen) heeft de man begrepen dat hij om de klimaatcrisis tegen te gaan met mensen zal moeten samenwerken dicht bij huis. Op de vraag van een jongen welke veranderingen hij tijdens zijn leven heeft meegemaakt, blijkt dat het vooruitgangsgeloof zijn hele leven heeft gekenmerkt. Een pijnlijk moment, waar de oude man zich terdege van bewust is. Hij antwoordt beschroomd en schuldbewust. De jongeren hebben al langer ingezien dat deze ‘progress stories’, in de woorden van Anna Lowenhaupt Tsing, onhoudbaar zijn. Hun leven is daar het bewijs van. Hun bestaan zal worden gekenmerkt door onzekere levensomstandigheden, ‘zonder de belofte van stabiliteit’, zoals Tsing het verwoordt in de proloog van haar boek The Mushroom at the End of the World (2015).

Voor Tsing is het leven één grote verstrengeling, alles is met alles verbonden, al het leven werkt op elkaar in, zo laten tenminste verschillende organismen zien, in het bijzonder schimmels die met hun ondergrondse draden enorme netwerken vormen en samenwerken met de bomen door voedingsstoffen uit te wisselen. Centraal in haar verhaal staat de zeer internationale gemeenschap plukkers van de matsutake. De matsutake is een zeldzame paddenstoel die in Japan als delicatesse wordt beschouwd en met name in een deel van Oregon groeit dat door de houtindustrie in het verleden onherstelbaar beschadigd is.

Tsings marxistische concentratie op arbeid ontbreekt echter volledig bij Pilgrim, die niet analytisch maar associatief-poëtisch te werk gaat. Hoe de jongeren in hun onderhoud voorzien blijft buiten beschouwing. Voor hen is geen duidelijk carrièrepad meer beschikbaar zoals de oudere man dat bewandeld heeft. Het enige wat rest is het vormen van een nieuwe gemeenschap.

Pilgrim heeft het einde van het vooruitgangsverhaal vormgegeven door The Undercurrent niet van een lineaire maar een circulaire structuur te voorzien. Aan het slot keren heel kort de onderwaterbeelden met de beklemmende soundscape terug. Dit sluit aan bij de manier waarop filosoof Thimothy Morton in zijn Duistere ecologie (2018) het ecologische bewustzijn omschrijft, namelijk als ‘een verdraaide, circulaire vorm’, omdat ‘menselijke bemoeienis die vorm heeft en omdat ecologische en biologische systemen cyclisch zijn’. In The Undercurrent lijkt alles zich tegelijkertijd af te spelen. De film is een opeenvolging van zich herhalende beelden, telkens weer net iets anders in beeld gebracht.

Hoe zou je de klimaatcrisis ook anders kunnen verbeelden? Er zal nooit een uitkomst zijn, nooit een vorm van ontsnapping of ontlading, zeker niet in ‘de lange eenentwintigste eeuw’, zoals Frank Keizer (1987) dichtte. Keizer schreef in zijn poëzie over zijn verlangen naar een nieuwe gemeenschap waaruit een andere wereld kan ontstaan, om te ontkomen aan ‘het zure nu’. Je zou kunnen stellen dat dat gemeenschapsgevoel in The Undercurrent door zijn generatiegenoot Pilgrim verbeeld wordt. In zijn bundel Lief Slecht Ding (2019) stelt Keizer vast dat hij niet veel meer kan doen dan mompelen. Een grote omwenteling is bij hem even noodzakelijk als ondenkbaar.

Is verandering dan toch mogelijk? Daarvoor zullen we onze verhouding met de aarde in heroverweging moeten nemen. In The Undercurrent spreekt een meisje van een ‘giftige verhouding’ (toxic relationship), een verhouding waarbij iemand de ander domineert, kleineert en ongelukkig maakt: een metafoor voor hoe mensen zich momenteel verhouden tot de aarde. ‘We are the toxic person,’ zegt ze. Eenvoudig zal het dus niet worden. Een ander meisje probeert te bedenken of ze zonder haar auto kan. Ze wordt gefilmd in de wasstraat en even later rolt ze een autoband van een heuvel af tegen een autowrak ergens midden in een heuvelachtig gebied. Moralisme ontbreekt bij Pilgrim. Hij zoomt in op hoe we in ons dagelijks leven omgaan met klimaatverandering. Onze afhankelijkheid van de infrastructuur die de aarde uitput brengt hij in beeld. Met fraaie beelden esthetiseert Pilgrim die uitputting ook – onze giftig geworden wereld blijft mooi.

In deze scène, waarin het meisje in het autowrak plaatsneemt en uitdrukkingsloos naar buiten kijkt, licht ook even de verveling op die de Nederlandse filosoof René ten Bos aan het slot van zijn verhandeling Dwalen in het antropoceen (2017) noemt. In het antropoceen, de tijd ‘waarin dingen samenkomen die eigenlijk niet bij elkaar passen: mens en geologie, mens en diepe tijd, mens en steen, mens en aardlaag, mens en kosmos,’ zorgt verveling er volgens Ten Bos voor dat de grenzen tussen onszelf en de wereld poreus worden. ‘Verveling,’ schrijft hij, ‘is jezelf onbekommerd laten afdalen naar het vlees. Verveling is ecologie.’ Maar deze verveling lijkt verdacht veel op passiviteit en stilstand. Er moeten toch betere, collectieve manieren zijn om je bewust te worden van poreuze grenzen en de verstrengeling van al het leven op aarde?

De activisten uit The Undercurrent leggen zich in ieder geval nog niet neer bij het idee te moeten leven ‘in kapitalistische ruïnes’, om nog eens Tsing aan te halen. Aan het slot van de film wordt dit jonge activisme verbeeld. Een paar jongeren liggen op een asfaltweg, als in de die-in’s die we inmiddels van Extinction Rebellion kennen. Even later zien we ze hand in hand weglopen van de ingang van het Capitool van Idaho, waar de Senaat en het Huis van Afgevaardigden zetelen. In de slotscène rijden ze met de auto de natuur in. Het is een kaal, bergachtig landschap, waar slechts een enkel plantje uit de rotsige bodem groeit, ten teken van de onverzettelijke kracht van het leven op aarde. Hoog in een hemel vliegt een roofvogel. Opnieuw lopen de jongeren hand in hand voorbij en verspreiden zich op een bergkam, waar ze de volgende vraag herhalen: ‘How far can your voice carry?’

Dit gevoel van machteloosheid én het verlangen naar verandering culmineren in een van de laatste scènes waarin de jongeren zich naar de top van een heuvel begeven, soms rennend, hand in hand. Het schemert, de hemel is wolkenloos, in de verte gloeien de heuvels oranje en geel op. Elke keer schreeuwt een van hen het uit, waarna de zin of slogan door de rest herhaald wordt:

We need our earth!

We need our earth!

We need compassion!

We need compassion!

We need our lawmakers!

We need our lawmakers!

We need our government to fucking listen!

We need our government to fucking listen!

De schallende woorden lossen uiteindelijk op in de enorme blauwe schemerende hemel en in dat stille en volstrekt onverschillige landschap. Natuurlijk zijn deze oproepen tot verandering vergeefs, want aan wie kunnen ze gericht zijn? De aarde zwijgt. De enige troost die de activisten hebben, is dat ze samen zijn en dat ze blijven zoeken naar verbinding, met andere mensen en de natuur die ze omringt. In dit slot komen machteloosheid en handelingsvermogen samen.

 

The Undercurrent van Rory Pilgrim is tot 22 maart te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam, naast werk van de andere genomineerden voor de Prix de Rome 2019.