Nicole Montagne

DE WITTE RAAF

Editie 203 januari-februari 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Inktvingers

Wanneer je het boek Inktvingers. De stencilkunst van KNUST 1983-2019 geschreven door Jack van der Weide en vormgegeven door Alfred Boland openslaat, dan is het of je in een tijdmachine bent geplaatst en in één klap wordt teruggeworpen naar het begin van de jaren tachtig. In die tijd betrekt een aantal krakers het pand De Westland in de St. Annastraat in Nijmegen en richt daar het kunstenaarscollectief Knust op. De krakers behoren tot een generatie (waartoe ook ik behoor) die door Henk Becker in Generaties en hun kansen de verloren generatie is genoemd. De vormende jaren van deze jongeren vielen in een tijd van economisch verval, denk aan de oliecrisis en de massale jeugdwerkeloosheid, dit alles tegen de achtergrond van de Koude Oorlog. Nederlandstalige bandjes schoten als paddenstoelen uit de grond en gaven het tijdsbeeld aardig weer met nummers als Koos Werkeloos (Klein Orkest) tot aan De bom (Doe Maar). Je zou denken, dat het in dat kraakpand aan de St. Annastraat dus een deprimerende bende is geweest, maar niets is minder waar. Toen ik het boek Intkvingers uit had (en ik heb het werkelijk, ondanks de als een seismograaf zo nauwkeurige maar tegelijkertijd kurkdroge toon helemáál gelezen) en ik het eerste en cruciale deel (van 1980 tot 1987) nog een keer had doorgenomen, dacht ik: wát een vrolijk anarchisme. En: hadden we daar tegenwoordig maar een beetje meer van.

De geschiedenis van Knust begint met een toeval, al kun je evengoed zeggen met een zekere vorm van alert zijn en het grijpen van mogelijkheden. Op een dag stopt er een auto voor het kraakpand en daar stapt een man uit die aan een van de bewoners vraagt of zij misschien interesse heeft in een stencilmachine. De interesse ontstaat op dat moment. Zo begint het collectief te stencilen. De inktdrums in een stencilmachine zijn groot en bewerkelijk, het vraagt veel tijd om ze schoon te maken. Aanvankelijk werken de leden van Knust met twee of drie kleuren. Maar ook twee of drie kleuren kun je op elkaar in laten werken, of (deels) laten overlappen. Het typerende aan de stencilmachine is dat de uitkomst – ik zou bijna zeggen, zoals het hoort bij een grafische techniek – onvoorspelbaar is. Zeker in het begin kan de oplage mislukken; Knust gebruikt de misdrukken als behang. Daarnaast verschillen de afdrukken onderling van elkaar, waardoor het nooit louter duplicaten zijn, maar als duplicaat vermomde originelen. En omdat er in een oplage wordt gedrukt, hoeven de afzonderlijke drukken niet duur te zijn. De betaalbaarheid (in dit geval zelfs buitengewoon lage prijzen) is een voorwaarde van het collectief. Verzamelaar Géza Perneczky (1936), destijds docent kunstgeschiedenis aan een gymnasium, vertelt in een van de vijftig interviews die het lopende verhaal flankeren dat hij graag meer had betaald voor het kleurrijke, bezielde werk van Knust, maar dat ging niet, want druiste in tegen het zelfbeeld van de groep.

Knust maakt boekjes, kaarten, kalenders en zogenaamde zines. Niet ieder product is echter als zodanig te benoemen. Sommige boeken of zines verschijnen als cassettebandje, weer andere in filmblik of hoedendoos. Het collectief beheerst ook de kunst van het vouwen en knippen en oprollen. De mogelijkheden zijn legio en Knust experimenteert er lustig op los. Het woordspelniveau is hoog, nu eens flauw, dan weer treffend. Speels zijn de titels van enkele tijdschriften die zijn afgeleid van de kleuraanduiding off-white: Afgrijs, KwartZwart, Half wit. Hoewel er ook schrijvers betrokken zijn bij het collectief (Jeroen Scheifes alias Irun S (1957), en meer zijdelings Rob van Erkelens (1963)) gaat het vooral om de visuele kant. De vaste kern wordt gevormd door Jan Dirk de Wilde en Joyce Guley. Af en toe komen er ook studenten van de Enschedese kunstacademie AKI of leerlingen tehatex (tekenen, handvaardigheid, textiele werkvormen) bij.

Nu en dan is er in het boek aandacht voor de conflicten in de woon- en werkgemeenschap. Dan vliegt er aan tafel bijvoorbeeld ineens een vork door de lucht, maar dergelijke anekdotes blijven helaas steevast tussen de schuifdeuren hangen. De boeken, de zines, de beelden spreken voor zich. Zoals de zwart-wittekening met daarop een aantal jongeren in de hal van De Westland, een expressief beeld in een wat nerveuze lijnvoering dat qua atmosfeer aan Leben? Oder Theater? van Charlotte Salomon doet denken, en zijdelings ook aan het grafische werk van Bruno Schulz (1892-1942), of Alfred Kubin (1888-1959). Of die ene pagina uit de Westland(ge)bode waarin je de invloed van Georges Rouault (1871-1958) kunt ontwaren. Verder zijn er ook veel comicachtige afbeeldingen en sommige uitgaven zou je zelfs als voorlopers van de graphic novel kunnen zien.

In 1987 vertrekt het collectief noodgedwongen uit het pand in de St. Annastraat en vindt een nieuw onderkomen in de Tweede Walstraat, in het Nijmeegse centrum. Daar worden tentoonstellingen en festivals georganiseerd, daar wordt ook muziek gemaakt. Deze activiteiten vinden plaats onder de naam Extrapool. Langzaam maar zeker opereert het collectief steeds professioneler. Een aantal medewerkers krijgt een gesubsidieerde baan, een zogenaamde melkertbaan. Ook komen er nieuwe stencilmachines bij. Vanaf 1992 wordt er niet meer alleen analoog gedrukt maar half analoog, half digitaal. Eerst op een machine van Gestetner, daarna op een Japanse stencilmachine, de Risograaf. Teksten en beelden kunnen nu via de computer worden opgemaakt en doorgestuurd, in de machine wordt hier vervolgens een stencil van gemaakt. De Risograaf gebruikt washipapier met daarop een plastic coating. Waar de inkt moet worden doorgelaten, wordt de plastic laag weggebrand. Daarna kan er worden gedrukt. De wals van de machine duwt de inkt door het stencil heen op bij voorkeur ruw papier. De risografie is, net als de zeefdruk, een zogenaamde vlakdruktechniek. Kenmerkend voor de afdrukken zijn de heldere kleuren en de mooie, egale tint. De inkt droogt namelijk niet óp het papier, maar trekt erin.

Knust krijgt intussen nationaal en zelfs internationaal aandacht. Uitgaven van het collectief worden gepresenteerd op boekenbeurzen, worden verzameld of belanden in een museale collectie, zoals het MoMA en het Victoria & Albert Museum. Er komen gasten uit het buitenland om met de stencilmachine te werken, zij slapen aanvankelijk nog in een provisorisch ingericht hok op het dak van het pand, later wordt dit optrekje echter met subsidie van de gemeente omgetoverd tot een volwaardige kunstenaarsresidentie.

Knust en Extrapool zijn volwassen geworden en hebben navolging gekregen. De grafische, ambachtelijke technieken zijn terug van weggeweest en laten zich verbinden met de digitale techniek. De Risograaf is inmiddels helemaal ‘in’. Verschillende grafische ateliers bezitten er een, zoals het AGA LAB in Amsterdam (Knust geeft daar nu workshops) of de Jan van Eyckacademie in Maastricht, die een ‘Riso’ in het Charles Nypels Lab heeft staan. Een groep die in de naargeestige jaren tachtig met stencilen begon, die zich aanvankelijk tegen de maatschappij afzette en nauwelijks geld wenste te ontvangen voor haar drukwerk, heeft de grafische wereld een nieuwe impuls gegeven. Risoën is zelfs een werkwoord geworden.

 

• Jack van der Weide & Alfred Boland Inktvingers. De stencilkunst van KNUST 1983-2019 verscheen in 2019 bij Vantilt, ISBN 9789460044311.