Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 204 maart - april 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Considering Monoculture

Van cultuur zijn talloze definities te geven. Ze bevat, bijvoorbeeld, alles waarover gesproken kan worden, inclusief de manier waarop het gesprek wordt gevoerd. Een congres is dus het summum van cultuur: uur na uur bespreken intelligente sprekers alles waarvan beelden of waarover verhalen en verklaringen bestaan. Op het symposium Considering Monoculture, georganiseerd door het Van Abbemuseum, het M HKA en deBuren, ging het specifiek over monoculturen, gekenmerkt door sociale, etnische of artistieke homogeniteit. De organisatoren haastten zich om te zeggen dat ze het begrip niet alleen koppelen aan nationalistische of extremistische ideologieën; een monocultuur kan emancipatoire effecten hebben of nastreven. Het voorzichtige, zo niet omzwachtelde taalgebruik wees op gepercipieerde gevoeligheden, en zal ongetwijfeld ook het gevolg zijn van de samenwerking tussen drie instituten. Het onderwerp zal verder worden uitgewerkt in de M HKA-tentoonstelling Monoculture – A Recent History.

Een eerste spreker was Mia Doornaert, columnist en directeur van Literatuur Vlaanderen, zoals het Vlaams Fonds voor de Letteren eind 2019 werd herdoopt. Doornaert stelde zich meteen teweer tegen het centrale onderwerp, volgens haar een contradictio in terminis. Ze stelde – helaas zonder dat idee uit te werken – dat een zekere homogeniteit noodzakelijk is om een samenleving te laten floreren. Haar betoog bestond uit een uitputtend spervuur van opinies, gaande van vrouwenbesnijdenis, het verbranden van weduwen in India, autodiefstal in het Amsterdam van de jaren tachtig, de belachelijke notie van vliegschaamte, de onzinnige nadruk op ‘wit’ en ‘zwart’, het ‘openstellen’ van Europese grenzen, tot aan een pleidooi voor klassieke opvoeringen van Shakespeare en Mozart, want het verleden is immers ‘a foreign country’. Dat buitenland moet gerespecteerd worden in zijn anders-zijn, terwijl de niet-metaforische buitenlanden zich beter aanpassen aan de westerse standaard. Kortom: conservatieve strijdpunten, des te meer omdat Doornaert weigert zichzelf als conservatief te zien – ze is feminist pur sang.

Schrijver en curator Olivier Marboeuf noemde Doornaerts betoog een mooi voorbeeld van white innocence: het verlangen om gelijkheid te veronderstellen vanuit een zeer bevoorrecht perspectief. Hij benadrukte niet de stichtende, maar juist de gewelddadige werking van de (kapitalistische) cultuur, die altijd afscheidingen aanbrengt, tussen cultuur en natuur, man en vrouw, zwart en wit, niet zelden om de ‘zwart’ gemaakte pool te exploiteren. Marboeuf greep deels terug op zijn interview met Rekto:Verso uit 2019, waarin hij zijn aarzeling, zo niet weerzin uitsprak om betrokken te raken bij de wens van nationaal ondersteunde instellingen om te ‘dekoloniseren’. Hij had ze allemaal de deur gewezen, want verandering kan enkel uit de periferie komen. Grote musea en cultuurhuizen hebben de neiging om een paar mensen van kleur te benoemen, een paar tentoonstellingen te maken met gekleurde kunstenaars, om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag.

Curatoren en cultuurwetenschappers Luísa Santos en Ana Fabíola Maurício bespraken agrarische monoculturen: na de Tweede Wereldoorlog werden daarmee in Europa voedseltekorten opgelost, maar inmiddels zorgt diezelfde teelttechniek voor ecologische kaalslag. Deze metafoor is ook van toepassing op het artistieke veld, in de bemiddeling door kritiek en musea. Met ooit emancipatoire termen als feminisme, antikapitalisme en postkolonialisme worden oeuvres en werken platgeslagen en tot één simpele figuur gereduceerd. Guerilla Girls wordt bijvoorbeeld altijd weer een feministisch collectief genoemd, terwijl deze groep net zo goed tegen sociale verdrukking heeft geageerd. De poster Do women have to be naked to get into the Met. Museum? wordt telkens weer gretig getoond, ook omdat er een naakte vrouw met een spannend gorillamasker op staat afgebeeld.

Jyoti Mistry vertelde over de fantastische tijd die ze doorbracht in het New York van de jaren negentig. Het lukte haar de film B.E.D. geproduceerd te krijgen, over een man die zijn eigen bed timmert en zo een bedding in zijn leven vindt. Na de première werd haar gevraagd waarom ze, als zwarte vrouw, een film over een witte man had gemaakt. Waarom vergooide ze tijd en budget aan een bevoorrechte groep die al zoveel aandacht kreeg? Mistry was er, zoveel jaar later, nog steeds onthutst over, en diende de vragensteller van toen alsnog van repliek met behulp van James Baldwin en diens roman Giovanni’s Room – Baldwins uitgever opperde dat hij beter over Harlem dan over homoseksualiteit kon schrijven. Voor haar, een Zuid-Afrikaanse kunstenaar die de afschaffing van apartheid meemaakte, had B.E.D. een volledig andere betekenis.

In een laatste sessie ging het over de taal die de monolinguïstische basis vormt voor internationale congressen, of die nu door het bedrijfsleven of door musea worden georganiseerd. Filosoof Philippe Van Parijs haalde Bart De Wevers boek Over identiteit aan, en weersprak de stelling (ontleend aan John Stuart Mill) dat democratische instituties enkel functioneren bij gratie van een volk dat één en dezelfde taal spreekt. Van Parijs erkende het territorialiteitsprincipe (het is niet meer dan redelijk dat je de taal leert spreken van het land waarin je leeft), maar pleitte tegelijk voor een omarming van het Engels als de lingua franca om binnen België én Europa overleg te kunnen voeren. Vertaalcomputers kunnen bij schriftelijke communicatie uitkomst bieden. In zijn (aanstekelijke) optimisme leek Van Parijs weinig oog te hebben voor de mogelijkheid dat het Engels de monoculturele eigenschap bezit andere talen te marginaliseren en verarmen.

Kunstenaar Nicoline van Harskamp benadrukte het belang van emancipatie van sprekers, zoals zijzelf, voor wie het Engels geen moedertaal is. Zij zouden zich nóóit op een conferentie moeten excuseren voor hun taal, want dat bevestigt alleen maar de linguïstische dominantie. Er is maar één ding erger dan zulke excuses, namelijk het compliment van een native speaker dat een anderstalige ontzettend goed Engels spreekt. Zelf heeft Van Harskamp naar het voorbeeld van universitaire multinationals een gratis, en prachtig gefilmde onlinecursus opgezet, een MOOC, waarmee deelnemers leren over linguïstische dominantie, fonetiek, en de zin en onzin van International Art English, maar ook hun Engels (beter gezegd: hun Englishes, in meervoud) en hun talige zelfvertrouwen kunnen verbeteren. De belangstelling is groot, en terecht. In april organiseert Van Harskamp bij Kunst-Werke Berlin een bijeenkomst over deze kwestie.

Considering Monoculture, dat werd afgesloten door Chantal Mouffe, bracht een divers gezelschap sprekers samen, met een verscheidenheid aan perspectieven en onderzoeksvelden. Dat hier niet alleen wetenschappers spraken, maar ook kunstenaars, curatoren en auteurs, droeg bij aan de kwaliteit ervan. Dat zo’n evenement ook sprekers trekt die het centrale onderwerp eerder vermijden dan bespreken, is een gegeven. Het uithoudingsvermogen van luisteraars tijdens symposia wordt gewoonlijk op de proef gesteld. Maar na gezamenlijke doorstane ontberingen ontstaat – tijdens de pauzes bij de koffietafel – gemeenschappelijkheid, of een beter inzicht in het meningsverschil.

 

• Understanding Monoculture vond plaats op 28 en 29 februari bij deBuren, Brussel. Monoculture – A Recent History zal te zien zijn in het M HKA, Antwerpen, van 29 mei tot 13 september.