Anne Ruygt

DE WITTE RAAF

Editie 204 maart - april 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Decolonising the Camera. Photography in Racial Time

Dekoloniseer de universiteit, het museum, de kunstgeschiedenis. Ook in de kunstwereld klinkt de stem van activisten steeds luider. Maar in hoeverre is er sprake van structurele verandering? En wat zijn de verschillen met eerdere revisies van de kunstgeschiedenis vanuit postkoloniale, feministische en queer invalshoeken? Het Britse tijdschrift Art History legde deze vragen onlangs voor aan zo’n dertig invloedrijke kunsthistorici. Veel van de ondervraagden benadrukten het belang van een bredere, kritische blik op kunst: kennis van de sociaal-politieke context is onmisbaar om het werk en de praktijk van een kunstenaar te begrijpen. De focus van kunsthistorici zou meer moeten liggen op de maatschappelijke factoren die van invloed waren op de productie en receptie van het kunstwerk, zoals discriminatie of fundamentele ongelijkheid. En dat is precies wat Mark Sealy doet in Decolonising the Camera. Photography in Racial Time, de handelseditie van het proefschrift dat hij in 2016 verdedigde aan Durham University.  

Als curator en onderzoeker is Sealy geïnteresseerd in de relatie tussen fotografie, geweld en mensenrechten. Sinds 1991 leidt hij het Britse fotoagentschap en de bijbehorende galerie Autograph ABP (Association of Black Photographers). Hij maakte spraakmakende tentoonstellingen als Human Rights Human Wrongs (2015), schreef met Stuart Hall een boek over fotografie en zwarte identiteit (Different, 2001) en in 2013 ontving hij een MBE-award om zijn uitmuntende bijdrage aan de fotografie. Een opvallend detail, aangezien Decolonising the Camera een harde aanklacht is tegen het Britse rijk en de Europese imperialistische geschiedenis.

In zes hoofdstukken behandelt Sealy de geschiedenis van de fotografie tegen de achtergrond van de politieke ontwikkelingen in Europa, de Verenigde Staten en Afrika. Die geschiedenis is niet los te zien van het imperialisme en koloniale machtsverhoudingen, zo stelt Sealy. Het boek is chronologisch opgezet en voert van het kolonialisme, de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende onafhankelijkheidsstrijd tot aan de emancipatie van zwarte Britse fotografen in de jaren tachtig en negentig.  

Decolonising the Camera past in een bredere trend om de uitvinding van de fotografie niet vanuit artistiek of technologisch oogpunt te beschouwen, maar als onderdeel van de negentiende-eeuwse politieke geschiedenis. Daar is ook het onlangs verschenen Potential History. Unlearning Imperialism van Ariella Azoulay een goed voorbeeld van. In vergelijking met het theoretisch-filosofische betoog van Azoulay is het verhaal van Sealy veel toegankelijker. Elk hoofdstuk is opgehangen aan een zorgvuldig gekozen casestudy die hij gedetailleerd analyseert en weegt. Sealy richt zich op de constructie van ras en de scheve machtsverhoudingen in de westerse documentaire traditie. Hij zoomt in op enkele problematische fotografieprojecten, en trekt harde conclusies over de motivaties en vooroordelen van de makers. Decolonising the Camera is een aangrijpend betoog over de schaduwkanten van de fotografiegeschiedenis, en een belangrijke aanvulling op de bestaande (overwegend kunsthistorische) kennis van de fotografie.

Sealy maakte gebruik van verschillende beeldarchieven van mensenrechtenorganisaties als Anti-Slavery International, fotoagentschap Magnum en het Imperial War Museum. Het resultaat is een mix van iconische beelden en relatief onbekende (of vergeten) series, gaande van politiek gemotiveerde reportages tot individuele kunstprojecten. Sealy begint zijn betoog met een kritische analyse van het werk van de Britse missionaris en fotograaf Alice Seeley Harris (1870-1970). Aan het begin van de twintigste eeuw fotografeerde zij de verschrikkingen in Congo-Vrijstaat en Belgisch-Congo. Samen met haar echtgenoot en de Britse Congo Reform Association wilde zij het Belgische schrikbewind in de kolonie internationaal onder de aandacht brengen. Seeley Harris’ diaserie wordt gezien als de eerste, zeer succesvolle campagne voor mensenrechten in Afrika. Maar dat is niet het hele verhaal. In een uitgebreide analyse laat Sealy zien hoe het project diende om het Belgische regime in een kwaad daglicht te stellen. Niet vanuit het idee van solidariteit met de Congolese bevolking, maar om de superioriteit van het ‘beschaafdere’ Britse rijk aan te tonen. Koloniale onderdrukking an sich werd niet ter discussie gesteld. En zo bouwt Sealy zijn betoog verder uit. Het gaat hem niet zozeer om goed of slecht, maar om het verhaal achter dit soort reportages zo volledig mogelijk te reconstrueren. Wat waren de intenties van de maker, wat was de impact van de foto’s en welke denkbeelden spreken eruit? Juist de meervoudige, ambivalente betekenissen van de casestudy’s maken van Decolonising the Camera zo’n interessant boek.

Belangrijk is dat Sealy beweert geen afgesloten verleden te beschrijven. Hij benadrukt hoe koloniale denkbeelden en verhoudingen doorwerken in het heden. Decolonising the Camera is zijn poging om de fotografie te verlossen van deze erfenis, middels een kritische deconstructie van het verleden. Zoals hij in de inleiding stelt, is het ‘noodzakelijk om fotografie te erkennen als een actieve agent van de westerse koloniserende autoriteit op het lichaam van de Ander, zowel in het verleden als in het heden. Alleen hierdoor kunnen we de complexiteit en politieke impact van foto’s in visualisaties van geracialiseerde onderwerpen volledig gaan herkennen.’

Het werk van Sealy is dan ook niet af. Vooral het laatste hoofdstuk ‘Rights and Recognition’ leest als een aanzet tot verder onderzoek. In dit deel beschrijft Sealy de opkomst van een kritisch tegengeluid in de late jaren tachtig, als reactie op het door Europese fotografen bepaalde beeld van Afrika. Hij schetst de ontwikkeling van Black British Photography aan de hand van fotografen als Rotimi Fani-Kayode, Ingrid Pollard en Joy Gregory, en theoretici als Stuart Hall en Kobena Mercer. In ditzelfde hoofdstuk beschrijft Sealy hoe het Westen in de jaren negentig de Afrikaanse fotografie ontdekt. Ook deze – parallelle – ontwikkeling houdt hij kritisch tegen het licht. Als voorbeeld gebruikt hij de herontdekking van de Afrikaanse studiofotografie uit de jaren veertig tot zestig. Verschillende westerse musea kochten de charmante portretten van Malick Sidibé en Seydou Keïta in een poging hun collecties te verbreden. Ondanks de kwaliteit van het werk merkt Sealy op dat deze studiopraktijken vooral de zachte kant van de koloniale tijd laten zien.

Het zijn dit soort analyses die hoognodig zijn in het debat over documentaire fotografie, de canon en de lacunes in museumcollecties. Decolonising the Camera kan opgevat worden als een uitnodiging tot verder onderzoek en tot een kritische omgang met de fotografie.

 

• Mark Sealy, Decolonising The Camera. Photography in Racial Time, Londen, Lawrence & Wishart, 2019, ISBN 9781912064755.