Berthe Morisot

DE WITTE RAAF

Editie 204 maart - april 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Kritiek en complimenten

Berthe Morisot wordt geboren in een welgestelde familie in Bourges op 14 januari 1841. Vanaf haar zestiende krijgt ze samen met haar twee jaar oudere zus Edma privélessen schilderkunst. Hun leraar, Joseph Guichard, neemt hen mee naar het Louvre om Titiaan en Veronese te kopiëren. In 1863 besluiten Edma en Berthe om landschappen te schilderen, en Guichard raadt hun aan les te volgen bij Jean-Baptiste Camille Corot, die hen introduceert bij landschapsschilder Achille Oudinot. Nog in hetzelfde jaar stellen beide zussen tentoon op de Parijse Salontentoonstelling. In de lente van 1864 huren ze een landhuis in Normandië om er samen te schilderen. In 1865 laat hun vader een atelier voor hen bouwen in de tuin van het ouderlijk huis in de Rue Franklin in Parijs, en nemen ze voor de tweede keer deel aan de Salon. In 1868 ontmoet Berthe Édouard Manet, die haar vraagt om te poseren voor het schilderij Le Balcon. Begin 1869 trouwt Edma met Adolphe Pontillon, een marineofficier. Ze staakt haar schilderactiviteiten en verhuist naar het platteland. Voor het eerst moeten de twee zussen – Berthe is nu 28, Edma 30 – elkaar voor lange tijd missen, en beginnen ze een briefwisseling. Hieronder volgt een selectie uit de brieven die Berthe in de loop van 1869 aan haar zus schrijft.

 

19 maart 1869

Als we zo door blijven gaan, mijn liefste Edma, dan zijn we niets meer waard, jij huilt als je mijn brieven ontvangt en ik, ik deed precies hetzelfde vanochtend; jouw zo hartelijke maar ook zo melancholische berichten, de vriendelijke woorden van je man hebben me in huilen doen uitbarsten; maar ik zeg het je nog een keer, dit dreigt een ongezonde gewoonte te worden; we verliezen wat ons nog rest aan jeugd en schoonheid; voor mij is dat niet belangrijk, maar voor jou ligt dat anders.

Ja, ik vind dat je kinderachtig doet; dat schilderen, dat werk dat je betreurt, is de oorzaak van heel wat zorgen, heel wat gedoe, je beseft het net zo goed als ik en toch, kind dat je bent, huil je om iets dat je kortgeleden nog zo deprimeerde. Komaan, je hebt het heus niet zo slecht getroffen, er valt je heel wat genegenheid te beurt, van een toegewijd hart dat helemaal voor jou is, wees niet ondankbaar voor je lot, denk eraan dat eenzaamheid heel treurig is; wat men ook zegt, wat men ook doet, een vrouw heeft enorm veel affectie nodig; terug willen plooien op jezelf, dat is het onmogelijke proberen.

Och, wat zit ik je hier de les te spellen! Dat wou ik nochtans helemaal niet; ik heb enkel gezegd wat ik denk, wat me waar lijkt.

 

23 april 1869

Ik ben niet veel vrolijker dan jij, mijn liefste Edma, waarschijnlijk zelfs veel minder vrolijk; hier zit ik dan, gevangen door mijn ogen; dat had ik niet verwacht en ik merk dat mijn geduld heel beperkt is. Ik tel hoe de dagen voorbijgaan zonder iets te kunnen doen; ik voorzie heel wat rampen, zoals de eerste mei hier nog steeds te moeten doorbrengen met lapjes op mijn ogen.

Maar laten we het over jou hebben; het doet me plezier te geloven dat je alle redenen hebt om hoop te koesteren; ik weet het niet, maar ik geloof in je voorgevoel; in elk geval, ik verlang het met heel mijn hart, want ik begrijp dat iemand zich niet meteen kan schikken in een leven in de provincie en het hebben van een huishouden; daarvoor moet je toch enige hoop in het hart dragen. Adolphe zou zich er zeker over verbazen om mij zo te horen praten; mannen geloven nogal makkelijk dat ze het leven van een ander meteen volledig opvullen; maar ik, ik geloof, hoeveel affectie een vrouw ook kan hebben voor haar man, dat breken met het beroepsleven nooit zonder moeite gaat; gevoelens zijn allemaal mooi en wel, op voorwaarde dat je er iets aan kan toevoegen om je dagen mee te vullen; en dat iets, dat zie ik voor jou weggelegd in het moederschap.

Huil niet om de schilderkunst; ik geloof niet dat ze het waard is om spijt over te hebben.

 

25 april 1869

Ik heb er spijt van dat ik je geschreven heb op zo’n vervelende en ontmoedigende manier. Vandaag, nu ik mijn oog weer voorzichtig kan openen, krijg ik opnieuw een beetje zin in het leven en ik verwijt het mezelf dat ik me zo heb laten gaan, met die voor mij zo typische manier om te gaan klagen.

Ik zie na je brief van gisteren dat jullie van dezelfde zon genieten als wij en dat jullie ervan weten te profiteren; de lente is iets prachtigs en laat zich heerlijk voelen, zelfs in een smal hoekje van de aarde zoals de tuin; de seringen staan in bloei, de kastanjebomen bijna; ik zou ze meteen bewonderen; mijn vader die naar me luisterde heeft mijn enthousiasme in de kiem gesmoord door onmiddellijk op het einde van al die pracht te zinspelen. Ik vraag me af wat ik van mijn zomer zal maken; ik kom graag bij je langs op voorwaarde dat ik (1) jullie niet stoor; (2) de mogelijkheid vind om te werken.

Mijn lediggang begint me zwaar te vallen; ik kijk ernaar uit om iets te maken dat een beetje goed is; ziedaar een zorg waar jij verlost van bent! Sinds je vertrek heb je geen schilder meer gezien. Eigenlijk leef ik even ver van Parijs als jij. Morgen is de opening van de tentoonstelling van de kring; ik wou een briefje schrijven naar Manet om hem te vragen me een kaartje te sturen; ik heb lang getwijfeld of ik dat zou doen en nu blijkt dat het toch volslagen nutteloos was geweest omdat mijn ogen me niet eens toestaan het huis te verlaten… Ik verplaats me vaak genoeg in jullie kleine woonkamer en ik probeer erachter te komen of je blij bent of triest; een beetje van de twee, lijkt me; heb ik ongelijk?

 

2 mei 1869

Het eerste wat we gezien hebben [op de vernissage van het Salon] toen we de grote trap opgingen was het schilderij van [Pierre] Puvis [de Chavannes]; dat zag er goed uit. Jacquemard stond ervoor en hij leek het oprecht te bewonderen; wat hij minder leek te bewonderen, dat was mijn persoon – niets erger dan oude aanbidders! Hij heeft mij dus snel laten staan; daarna hebben we Carolus Duran ontmoet samen met zijn vrouw; hij begon meteen uit alle macht te blozen; ik heb hem de hand gedrukt en hij durfde me zelfs geen woord te zeggen. Zijn echtgenote is een grote en mooie vrouw. Hij toont een portret van haar, dat, denk ik, een succes zal worden, hoewel het nogal vulgair is. Het is niet barslecht, maar ik vind het geaffecteerd en plat. Je begrijpt dat het een van mijn eerste zorgen was om me naar zaal M te begeven. Daar trof ik Manet aan, hoed op zijn hoofd in het volle zonlicht, met een verbijsterde blik; hij smeekte me om zijn schilderij te gaan bekijken want hij durfde zelf geen stap vooruit te zetten. Nooit eerder heb ik zo’n expressieve gelaatsuitdrukking gezien; hij lachte, zag er ongerust uit, en verzekerde me dat zijn schilderij zeer slecht was maar dat hij tegelijkertijd veel succes zou hebben. Ik vind echt dat hij een charmant karakter heeft, dat me oneindig goed bevalt. Zijn schilderijen wekken zoals steeds de indruk van wild fruit, dat zelfs nog een beetje groen is. Het is niet zo dat ze me niet bevallen, maar ik hou meer van het portret van Zola.

Ik ben [op het schilderij Le Balcon van Manet] eerder raar dan lelijk [afgebeeld]; het schijnt dat het epitheton femme fatale onder de nieuwsgierigen de ronde heeft gedaan… Maar ik besef dat als ik je over alles tegelijk vertel, over de mensen en over de schilderijen, dat ik al mijn papier zal opgebruiken, dus ik beloof je dat ik mijn impressies over de schilderkunst voor een andere keer zal houden, vooral omdat ik de werken niet goed heb kunnen bekijken; ik heb wel naar onze vriend [Henri] Fantin[-Latour] gezocht; hij slaat een enigszins triest figuur met een kleine onbeduidende schets die op een ongelooflijke hoogte is opgehangen; ik heb hem ontmoet; hij is verdwenen nog voor ik een woord kon zeggen over zijn tentoonstelling; ik weet niet of hij mij in het bijzonder ontvluchtte of dat hij zich bewust was van de geringe kwaliteit van zijn werk. Ik geloof beslist dat zijn herhaalde bezoeken aan het Louvre en aan de kliek van juffrouw Dubourg hem geen goed doen.

Meneer [Edgar] Degas leek tevreden, maar raad eens voor wie hij mij heeft laten staan? Voor juffrouw Lille en juffrouw Loubens! Ik geef toe dat ik wat gepikeerd ben om te zien dat een man die ik als een grote geest beschouw me achterlaat om een beetje fideel te gaan doen tegen twee dwaze wichten.

Ik begon het gevoel te krijgen dat deze bijeenkomst te wensen overliet; een uur lang sleurde Manet zijn vrouw, zijn moeder en mij van hot naar her, tot ik plots tegen Puvis de Chavannes opbotste. Hij leek verrukt me te zien, en hij zei me dat hij vooral omwille van mij was gekomen, omdat hij bang begon te worden dat hij me niet meer zou aantreffen bij de Stevens, en hij heeft toestemming gevraagd om mij een ogenblik te vergezellen. Ik wou zijn schilderijen bekijken; hij zei me met veel nadruk: ‘Ik smeek u, laten we gewoon wat babbelen, we hebben nog tijd genoeg om schilderkunst te bekijken!’ Zo’n gesprek zou me misschien hebben kunnen bekoren als ik me niet op elk moment omringd zag door bekende gezichten; bovendien had ik de Manets volledig uit het oog verloren, waardoor ik in nog grotere verlegenheid verkeerde; het leek me weinig gepast om in m’n eentje rond te lopen. Toen ik Manet eindelijk weer terugvond, heb ik hem gezegd wat ik van zijn gedrag vond; hij heeft mij geantwoord dat ik wat hem betrof op alle mogelijke toewijding kon rekenen, maar dat hij er niet aan dacht om ooit de rol van babysit te spelen.

Je vraagt je waarschijnlijk af wat er in de tussentijd van moeder is geworden; zij vreesde dat ze hoofdpijn zou krijgen en ze is op een sofa een beetje gaan rusten, waar ik haar van tijd tot tijd even kwam opzoeken. Ik heb Puvis aan haar voorgesteld; ze genoot al van een gesprek met vadertje Riesner. We zijn allemaal samen nog eens naar het schilderij van Manet gaan kijken, en daar troffen we meneer [Achille] Oudinot aan, die een spreekbeurt aan het geven was. Het leek alsof hij ons niet zag, maar vind je niet dat deze ontmoeting nogal speciaal was? Ik heb over alles gepraat, behalve over de schilderijen; heb geduld, ik zal op mijn manier verslag uitbrengen over de Salon. Ik moet maandag terug; ik heb bijna zoiets als een rendez-vous met Puvis; wij hebben afscheid genomen met een handdruk en hij heeft beloofd mij op te zoeken.

 

5 mei 1869

Ik heb maandag Carolus Duran ontmoet; het leek me stom om hem niet te complimenteren met zijn schilderij, dat een zeker succes gehad lijkt te hebben. Maar hij leek heel verbaasd over mijn vriendelijkheid en hij reageerde met een stroom van complimenten over het schilderij van Manet. Meneer Degas heeft een heel mooi klein portret van een heel lelijke vrouw in het zwart gemaakt, met een hoed op haar hoofd terwijl ze haar sjaal laat vallen; dit alles tegen een schijnbaar heel heldere achtergrond met een hoek van een schouwmantel in halftinten; het is heel subtiel en gedistingeerd. Antonin maakt geen slechte indruk hoewel zijn werk vreselijk slecht gepositioneerd is, maar de landschappen vervelen me; al heb ik er één gezien van [Stanislas] Lépine dat me heel erg beviel; het toont, zoals altijd, de oevers van de Seine langs de kant van Bercy. Die van meneer Oudinot heb ik niet gezien. Die van vader en zoon Daubigny vervelen me en lijken me banaal en zwaar, etcetera, etcetera… Corot is zoals steeds poëtisch; ik denk dat hij die studie die we bij hem thuis zo bewonderd hebben, in het atelier verprutst moet hebben.

De grote [Frédéric] Bazille heeft iets gemaakt dat ik erg goed vind; het is een klein meisje in een heel lichte jurk, gezeten in de schaduw van een boom waarachter een dorp te ontwaren valt; er is veel licht en veel zon. Hij zoekt waar wij zo vaak naar gezocht hebben: een figuur in de open lucht plaatsen, en deze keer lijkt het me dat hij daarin geslaagd is.

Nu hou ik ermee op, en ik moet lachen om mijn kritiek. Ik vermoed dat onze vrienden nog harder zouden lachen als ze zagen hoe ik kritiek en complimenten uitdeel. Ik heb [Félix] Bracquemond ontmoet, die heel beminnelijk was, die mij heeft gecomplimenteerd met mijn tentoonstelling verleden jaar en me heeft verweten dat ik dit jaar niet meedeed; het schijnt dat ook hij een schilderij toont; ik zal het gaan bekijken en je mijn mening geven.

Het werk van Fantin is overduidelijk zwak; het heeft iets weg van Veronese en het coloriet moet van nabij gezien een zekere kwaliteit hebben, maar het hangt zo hoog dat je slechts kunt oordelen over de betekenisloosheid van de compositie: het is een vrouw omgeven door andere fantasiekostuums à la Titiaan of Veronese, en het heet Le lever. De Tissots dreigen geheel de Chinese toer op te gaan en de Toulmouches zijn niet om aan te zien.

 

11 mei 1869

Ik heb mijn kans [op een huwelijksaanbod] laten schieten, liefste Edma, en je mag me feliciteren dat ik me zo snel van al die gemoedsonrust heb verlost. Ik denk dat ik ziek zou zijn geworden als ik op dat ene moment juist voor meneer D- zou hebben gekozen. Gelukkig heeft die meneer zich van zijn meest groteske kant laten zien; ik verwachtte dat niet en ik was erg geschrokken, maar helemaal niet teleurgesteld!!! Omdat ik me nu van elke zorg bevrijd heb, kan ik mijn reisprojecten weer oppakken, die ik om eerlijk te zijn nooit had opgegeven. Ik reken nu beslist op mijn verblijf in Lorient om iets waardevols te kunnen doen. Ik heb helemaal niets gedaan sinds je vertrokken bent en daar begin ik nu spijt van te krijgen. Nooit hebben mijn schilderijen me zo tegengestaan als in de afgelopen dagen. Ik zit op mijn sofa en ik word misselijk van al dat geklieder. Ik ga proberen om moeder en [zus] Yves te schilderen achteraan in de tuin; je ziet, ik doe niet meer dan steeds weer hetzelfde opnieuw te beginnen. Gisteren heb ik een boeket van papavers en sneeuwballen klaargezet, en ik kon het niet opbrengen er een begin mee te maken.

Op basis van wat je gezegd hebt, begrijp ik dat de bloemen die je geschilderd hebt zeer goed moeten zijn. We zijn woensdag bij de familie Stevens geweest. Yves heeft haar zinnen gezet op meneer Degas; hij heeft haar toestemming gevraagd om haar portret te schilderen. Hij praat voortdurend over jou, vraagt naar nieuwtjes en hij permitteert het zich te suggereren dat ik je op de hoogte zou houden over zijn nieuwe favorieten. Als je denkt dat ik je een bespreking hebt aangereikt van de tentoonstelling, dan is dat niet meer dan vriendelijkheid van jouw kant. Mijn zicht erop is zo slecht dat het me moeilijk lijkt er rekenschap over af te leggen. Vrijdag heb ik met interesse de twee doeken van juffrouw Callart bekeken; ze leken me minder goed dan die van verleden jaar, hoewel het onderwerp ongeveer hetzelfde is.

Nog niet één keer ben ik naar het Salon geweest zonder meneer Oudinot te ontmoeten in zaal M; laatst, toen we hem passeerden, vroeg Puvis me met verbazing of hij niet mijn oude leraar was; ik vermoed dat hij daarover roddels heeft opgevangen. Je hebt groot gelijk te denken dat hij niets bijzonders heeft; ikzelf zie absoluut niets anders dan middelmatigheden, maar misschien ben ik te streng? Ik hoor deze heren van tijd tot tijd hun bewondering uitdrukken zonder dat ik het ermee eens ben, zonder dat ik er ook maar iets van begrijp. Heb je het grote artikel van Charles Blanc gelezen over [Paul] Chenavard? Ik zal je maar geen beschrijving geven; het is zeker het werk van een intelligente man, maar veel te klassiek voor mij. Meneer Riesner bewondert er bepaalde aspecten van. Ik ben thuis de enige die van de schilderijen van Puvis houdt; de anderen vinden ze vervelend, koud, enfin, je zal ze zien in Marseille en me je mening geven. Wat me doet geloven dat mijn smaak niet helemaal is geperverteerd, is dat ik gehoord heb dat Fantin ze ook erg bewondert. Ik kom hem nergens tegen, die lieve Fantin, en met hem een beetje babbelen zou me nochtans goed doen, om toch een beetje meer zin in het leven te krijgen!!!

Je boft wel dat je Rosbras weer bezocht hebt, mijn liefste Mamie; ik, ik zie niets terug behalve de regen die in bakken naar beneden valt; ik loop rondjes; ik zeg wel twintig keer per dag dat ik me verveel. Ziedaar mijn leven: het is beschamend hoe zwak mijn geest is, maar wat kan ik doen? Ik heb net mijn papieren op orde gebracht, een pakje brieven van meneer Oudinot herlezen; sommige zijn echt om je te bescheuren zo grappig; ik had het niet kunnen geloven dat hij zo komisch kon zijn. Ik zou graag mijn antwoorden hebben; met de volledige correspondentie zou je je eenvoudigweg kapotlachen. Dit soort afleiding laat zich helaas niet elke dag herhalen, ze heeft me (vroeger) heel wat tranen gekost. Nu, nu vind ik me eerder dwaas, nogal onnozel, om zoveel over zo weinig gehuild te hebben. Er zitten zinnen vol wanhoop tussen die gewoon grotesk zijn en die ik toch heel ernstig nam. Mijn god, wat zijn vrouwen dom! Maar ik geloof dat ik op dat vlak alle records gebroken heb… Heeft de reis naar Rosbras je niet te veel vermoeid? Het spijt me dat ik daar niet samen met jou kon zijn. Ik hou van die streek, maar ik zou Corentin gemist hebben. Het verbaast me te horen dat onze schilderijen niet zo slecht zijn, daar heb ik nogal over gepiekerd. Is de kunstliefhebber in Pont-Aven de man die we ook zagen bij Stevens? Je zegt niets over het weer; wij hebben hier angstaanjagende onweders; ’t is alsof we aan de kust zitten, en je hoort over niets anders praten dan over rampen.

 

18 mei 1869

Wat je vriend Degas betreft, ik vind hem allesbehalve een aantrekkelijk figuur; hij is geestig, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Manet zei me gisteren heel puntig: ‘Het ontbreekt hem aan naturel; hij is niet in staat om van een vrouw te houden, en nog minder om het haar te vertellen of om er iets aan te kunnen doen.’ Die arme Manet zit in de put; zijn tentoonstelling wordt zoals gewoonlijk door het publiek nauwelijks op prijs gesteld, maar dat blijft voor hem altijd weer een nieuwe bron van verbazing; en toch heeft hij mij gezegd dat ik hem geluk breng, en dat er een bod is gedaan op Le Balcon; ik wens het hem toe, maar ik ben bang dat alles waar hij op hoopt voor de zoveelste keer op niets zal uitdraaien.

Meneer Degas heeft een schets gemaakt van Yves, die ik maar middelmatig vind; terwijl hij die schets maakte, heeft hij heel de tijd zitten babbelen, heeft hij zijn vriend Fantin uitgelachen, die zogezegd beter nieuwe krachten zou opdoen in de armen van de liefde, want momenteel bevredigt de schilderkunst hem allesbehalve. Hij was in een heel spottende bui; hij heeft me over Parvis verteld, en hem vergeleken met de condor in de Plantentuin.

 

13 augustus 1869

Manet leest me de les en biedt me altijd weer diezelfde juffrouw [Éva] Gonzalès aan als voorbeeld; zij heeft de juiste houding én doorzettingsvermogen, zij weet iets tot een goed einde te brengen, terwijl ik, ik ben tot niets in staat. In afwachting is hij voor de vijfentwintigste keer aan haar portret begonnen; ze poseert alle dagen en iedere avond wordt haar hoofd met zwarte zeep gewassen. Dat spoort wel aan, moet ik zeggen, om ook iemand te vragen om te poseren.

 

11 september 1869

Ik wou je gisteren schrijven, eergisteren, kortom alle voorbije dagen, maar de schilderkunst is de reden voor mijn stilzwijgen. Nadat jij het goede voorbeeld hebt gegeven, heb ook ik mijn pruimen en mijn bloemen willen schilderen, alles op een wit doek, wat me afgrijselijk veel moeite heeft gekost, met onbeduidend resultaat. Dit soort oefening verveelt me enorm…

Ik heb je vriend Fantin gezien en die heeft naar je gevraagd, hij is kwaadaardiger en lelijker geworden dan ooit tevoren. Toen ik hem zowat iedereen te kakken hoorde zetten, moest ik denken aan wat meneer Degas over hem heeft gezegd en ik vond dat hij geen ongelijk had door te beweren dat Fantin even zuur wordt als een oude vrijster… We hebben donderdagavond samen doorgebracht bij Manet, die een dolle bui had; hij debiteerde honderden buitenissigheden, de ene nog komischer dan de andere. Een kwartier lang heeft hij al zijn bewondering toegespitst op juffrouw Gonzalès, maar zijn portret van haar vordert nog altijd voor geen meter; hij heeft me gezegd dat ze al voor de veertigste keer poseert en dat hij haar hoofd alweer heeft uitgewist; hij is de eerste om daar om te lachen…

Ik heb vandaag bezoek ontvangen van Puvis de Chavannes; hij heeft gezien wat ik in Lorient gemaakt heb en hij leek het niet te slecht te vinden; zeg aan Adolphe dat toen hij de pier bestudeerde, Puvis me complimenteerde met mijn kennis van het perspectief en dat ik natuurlijk zijn lof heb toegezwaaid aan wie er recht op heeft…

De Manets zijn ons dinsdagavond komen bezoeken, en we hebben het atelier bezocht; tot mijn grote verbazing en tevredenheid heb ik de grootste loftuitingen ontvangen; het ziet er naar uit dat het beslist beter is dan Éva Gonzalès. Manet is veel te rechtuit om daarover misverstanden te laten ontstaan, en ik ben zeker dat het hem erg beviel; alleen herinner ik me ook wat Fantin gezegd heeft: ‘Manet vindt de schilderijen van mensen die hij graag ziet altijd goed,’ en daarna zei hij me dat ik mijn schilderijen af moet maken, maar dat vind ik makkelijker gezegd dan gedaan… Hij overdrijft natuurlijk altijd, nadat hij me heel onaangename dingen heeft verteld, kondigt hij het succes aan voor mijn volgende tentoonstelling… Nadat er mij gezegd is dat ik zonder het te weten meesterwerken heb geproduceerd in Lorient, heb ik ernaar staan staren, en nu voel ik me tot niets meer in staat. De kleintjes van Delaroche zijn driemaal daags gekomen om te poseren; het is een nachtmerrie, daarna heb ik niets meer over hen gehoord en daarom hoop ik dat ze in Houlgate zijn en dat ik mijn pogingen kan staken. Het is duidelijk dat ik veel te nerveus ben om iemand te laten poseren, het maakt niet uit wie, en al die raadgevingen van iedereen, daar raak ik door geobsedeerd, en dan walg ik van alle dingen, zelfs nog voor ze op hun plek staan…

Manet heeft mij op het hart gedrukt om het portret dat ik van jou gemaakt heb een beetje te retoucheren, dus zodra je hier bent, zal ik je vragen om te poseren zodat ik het hoofd opnieuw kan tekenen en om een paar details toe te voegen aan de zoom van de jurk, en dat is dan alles. Hij verzekert me dat mijn tentoonstelling zal slagen en dat ik me niet zo mag kwellen, en onmiddellijk daarna voegt hij eraan toe dat ik geweigerd zal worden; ik wou dat ik me over al dat gedoe geen zorgen meer moest maken.

 

In 1874 neemt Berthe Morisot deel, als enige vrouw, aan de eerste tentoonstelling van de impressionisten. In december treedt ze in het huwelijk met Eugène Manet, de broer van Édouard. In 1878 wordt haar enige kind Julie geboren. Morisot blijft schilderen en stelt tot 1886 tentoon op haast alle exposities van de impressionisten. Ze overlijdt op 2 maart 1895. In 2018 en 2019 was een retrospectieve van haar werk te zien in Québec, Philadelphia, Dallas en Parijs.

 

Inleiding en vertaling uit het Frans: Christophe Van Gerrewey

 

Een selectie uit de briefwisseling van Berthe Morisot verscheen in: Denis Rouart (red.), Correspondance de Berthe Morisot avec sa famille et ses amis Manet, Puvis de Chavannes, Degas, Monet, Renoir et Mallarmé, Parijs, Éditions des quatre chemins, 1950.