David Rijser

DE WITTE RAAF

Editie 205 mei-juni 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Caravaggio – Bernini. Barok in Rome

Het is tegenwoordig spookachtig in het Rijksmuseum. De meesterwerken uit de Romeinse barok die er zo gracieus waren neergestreken zijn alleen; geen elegante belichting bespeelt het glinsterende marmer, geen spannende pasteltinten roepen de veelkleurige setting van de Romeinse kerken op nu het duister is in de heilige hallen van Kuypers, en stil. En ze leken al zo verdwaald, misplaatst in het koude protestantse Amsterdam: de bustes van Bernini, Duquesnoy en Algardi, de doeken van Caravaggio, Poussin en Reni. De COVID-19-quarantaine zet dit contrast nog eens aan. Nooit eerder verzorgde het Rijksmuseum zo’n enorme katholieke, Italiaanse tentoonstelling zonder gereformeerde of nationalistische rechtvaardiging. We zagen het al met wat neergeteld werd voor Rembrandts Marten en Oopjen in 2016: het Rijksmuseum wil niet meer bij de zwartkousen horen, maar haalt de glittering prizes in huis.

Het gedachte-experiment om in het gesloten museum virtueel door de tentoonstelling te dwalen, reveleert hoe extravert de vroege Romeinse barok uit het eerste kwart van de zeventiende eeuw is, hoe afhankelijk van de interactie met een publiek. De openende klaroenstoten, Bernini’s Medusa uit de Capitolijnse musea en Caravaggio’s Narcissus uit het Palazzo Barberini, spreken boekdelen: Medusa doet wie haar ziet nu eenmaal verstenen, en Caravaggio’s knaap vraagt om interactie juist doordat hij er, tot zijn eigen ondergang, onbereikbaar voor blijft. De Narcissus blijkt ook hier weer een opmerkelijk goed schilderij, waarvan de toeschrijving overigens al lang omstreden is. Bij elkaar gezet hebben deze werken een grote zeggingskracht.

Zo zien we meteen dat schilderkunst en beeldhouwkunst vergelijkbare doelen hebben en gelijksoortige verhalen vertellen. Ook zien we dat het in de barok boven alles om de oudheid gaat. Maar vooral krijgt de bezoeker hier een introductie op het tentoonstellingsconcept dat is opgehangen aan thema’s rond emotionele respons. Het is alleen jammer dat dat in een pompeus Italiaans moet: ‘Meraviglia & Stupore’, ‘Orrore & Terribilità’, ‘Passione & Compassione’, ‘Moto & Azione’, ‘Vivacità’ en ‘Scherzo’, horen en lezen we. Het krijgt zo allemaal een wat hoog Sissi-gehalte. Het project is dan ook voor een belangrijk deel vormgegeven door het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waar het eerder te zien was.

Maar het gaat hier niet alleen om de meraviglia (zoals de catalogus het noemt), de ekplèxis van de antieke retorische theorie: het kijken naar afbeeldingen, zo komt uit de eerste twee werken naar voren, is tegelijkertijd fascinerend, verslavend en gevaarlijk. De cultuurhistorische achtergrond hiervan is duidelijk: de katholieke wereld wilde laten zien dat via het grote theater van de Kerk het wonder van de openbaring kon worden getoond, om zo de kijker te inspireren die weg te volgen. De weg naar de hemel, kortom, liep via de kunsten. Religie functioneerde in Rome in een traditie die doordesemd was van retorica, kunsttheorie en filosofie uit de oudheid. Dit alles in schril contrast met het appel op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de Reformatie, met haar nadruk op contemplatie, en, niet te vergeten, de beeldenstorm. En toch, zo suggereert de tentoonstelling, kon ook bezuiden de Alpen de noodzaak tot kijken niet zonder de waarschuwing voor het gevaar van het kijken.

Niet alle bijdragen in de catalogus denken de consequenties van het historisch perspectief dat de tentoonstelling oproept even genuanceerd door. Zo ontbreekt bij de telkens herhaalde – en op zich terechte – observatie dat ‘emotie’ en ‘beweging’ van dezelfde Latijnse stam (movere – bewegen) komen het besef dat het hier een reprise betreft. Reeds in diverse poëticale traktaten uit de vroege zestiende eeuw wordt de idee geformuleerd dat het perfecte kunstwerk de waarheid op verschillende niveaus en manieren tegelijkertijd laat zien, zoals het kunstwerk van God: de schepping. Misschien is de abstractie van die vroegzeventiende-eeuwse poëtica ook wel een tandje te hoog voor een breed publiek. Niettemin bevat de nadruk op ‘moderne’ elementen als emotie, beweging, spanning en sensatie de suggestie dat de ‘barok’ de basis legt voor de smaak van onze eigen tijd. Niets is minder waar.

Zowel het werk als de presentatie van de tentoonstelling zijn een lust voor het oog. Misschien niet eens per se de blikvangers, Caravaggio en Bernini – de titel van de tentoonstelling lijkt, net als eerder bij Rembrandt en Velázquez, vooral ingegeven door de gedachte dat alleen grote namen verkopen. De ster van de aanzienlijke en kwalitatief superieure sculptuurafdeling van de tentoonstelling is de Brusselaar Frans Duquesnoy (geen verrassing voor de aandachtige Romereiziger, wel voor het grote publiek). Indrukwekkend is de nar van hertog Charles de Créquy, die een sensatie in Rome werd, de stad waar zijn baas een gevoelige diplomatieke missie vervulde. Het kereltje is gedeeltelijk all’antica, met een diagonale band om zijn tuniek die je normaal bij Diana vindt. De buste is een voltreffer te midden van de vele voorbeelden van geïdealiseerde, ‘eeuwige schoonheid’, want de dwerg heeft een krankzinnige kop. Hij speelde ongetwijfeld de rol van nar, die we op exact hetzelfde historische moment ook elders in Europa steeds weer zien, bij Shakespeare, Cervantes, Velázquez.

Maar ook die narren van de barok zijn erfgenamen van voorgangers uit de hoogrenaissance, getuige Erasmus’ Laus Stultitiae bijvoorbeeld. Daarmee een laatste punt. De directeur van het Rijksmuseum lichtte in de belangrijkste talkshow in Nederland de tentoonstelling toe alsof de Romeinse barok voor het eerst ‘kunstlicht’ had gebracht in een door cultuurbarbarij verduisterde wereld. Het is wel vaker de neiging van liefhebbers van de zeventiende eeuw om over het hoofd te zien dat negentig procent van wat er dan gebeurt een herneming is van thema’s uit de periode van rond 1500. Een kniesoor die erop let: dit is een fantastische tentoonstelling, vol relatief onbekende parels, die des te meer glans krijgen door het vaak mindere werk dat ernaast staat.

 

• Caravaggio – Bernini. Barok in Rome, tot 13 september in het Rijksmuseum, Museumstraat 1, Amsterdam.