Alain Badiou

DE WITTE RAAF

Editie 207 september-oktober 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een bedenksel van witte mensen

We moeten ongetwijfeld beginnen met een beroemde vraag uit het voorwoord bij Jean Genets toneelstuk Les Nègres (1958): ‘Wat is dat, een zwarte? En eerst en vooral, wat voor kleur heeft zo iemand?’

Inderdaad. Nadat wij, de zogeheten blanken van West-Europa, zwarte katten, de duistere krachten van de duivel, raven, heksen in zwarte lompen, het zwart van de dood en de donkere kanten van de ziel hadden verketterd, vonden we het ook nog eens nodig te bedenken dat de meeste bewoners van Afrika duidelijk tot een inferieur ‘ras’ behoorden, bestemd voor de slavernij, en daarna voor dwangarbeid onder koloniale bezetting, alleen omdat die enorme bevolking ‘zwart’ was. Alleen vanwege die zogenaamde kleur werden miljoenen mensen als vee naar de andere kant van de oceaan gebracht, vastgeketend in het scheepsruim, met als gevolg dat een zeer groot aantal van hen tijdens het vervoer het leven liet. De overlevenden werden verkocht aan rijke grondbezitters voor wie ze werkten in omstandigheden die perfect vergelijkbaar waren met die van de slavernij uit de oudheid. Grote Franse steden als Bordeaux en Nantes, die in de slavenhandel waren gespecialiseerd, hadden hun grote bloei daaraan te danken. In 1885, lang na de oppervlakkige ‘afschaffing van de slavernij’, zei Jules Ferry, een politicus die ook nu nog door ‘links’ op handen wordt gedragen, publiekelijk het volgende: ‘Ik herhaal dat superieure rassen een recht hebben, want zij hebben een plicht. Het is hun plicht de inferieure rassen beschaving bij te brengen.’ En ja, die ‘beschaving’ werd hun zeker bijgebracht, op de plantage, en met slagen van de karwats.

Voor de overgrote meerderheid van de gekoloniseerde Afrikanen bestond de minst gewelddadige uitweg, die maar zeer weinigen gegeven was, eruit dat je huisbediende van een koloniaal werd. Elke koloniaal had zijn ‘boy’, logisch toch? Wie beschaving brengt, verdient een degelijke bediening. Vandaag zetten ontelbare Afrikanen hun leven nog steeds op het spel om eindelijk Europa te bereiken. Om er wat te doen? De mannen eindigen als bouwvakker of bordenwasser, de vrouwen als werkster of als kindermeid. Want ja, je bent nu eenmaal ‘inferieur’ (want zwart) of je bent het niet.

In de Verenigde Staten, die befaamde democratie die de westerse wereld nog altijd aanstuurt, was de zwarte slavernij zo belangrijk geworden (er waren in 1860 meer dan drie miljoen slaven) dat er tot ver in de negentiende eeuw een gewelddadige burgeroorlog en ongeveer 800.000 doden nodig waren om haar wettelijk te kunnen afschaffen. Die afschaffing liet op alle gebieden zoveel discriminatie en zo’n diepgeworteld onderliggend racisme voortbestaan dat ‘het zwarte vraagstuk’ ook in de huidige Amerikaanse maatschappij een ongeneeslijke wonde blijft, zelfs al is de president een ‘zwarte’. Juist in de periode dat de witte mensen hun economische en militaire triomfen beleefden, werd ‘zwart’ voor de mensheid een vervloekt adjectief en een onuitroeibaar stigma.

Die instelling, die stevig verankerd zit in een hele kleurenfantasie, was en blijft erg krachtig. Ze bleek dermate doeltreffend om de vreselijkste dingen op perverse wijze te rechtvaardigen dat de Europeanen en hun koloniale producten de hele mensheid wereldwijd hiërarchisch hebben ingekleurd. Bovenaan het ‘blanke’ ras, dat van de koloniale veroveraars. Dan de geelhuiden, weliswaar erg inferieur, maar toch complexer, ‘mysterieuzer’, koppiger en lastiger om onder de knoet te houden. Vervolgens de roodhuiden, maar over hen hoeven we het nu niet meer te hebben, want die hadden de Yankees toch al zo goed als volledig uitgeroeid. En tot slot, helemaal onderaan, de ‘zwarten’, de ‘negers’. Als kind zat ik vaak te lezen in een Larousse Illustré uit de jaren dertig, in feite dus nog een boek van gisteren. Het bevatte een heel artikel met plaatjes die als een voldongen feit ‘aantoonden’ dat de schedel van een zwarte mens tussen die van de mensapen en de ‘blanken’ in stond.

Een belangrijk moment in heel deze geschiedenis is zeker de treffend genoemde ‘Code noir’ die de Franse koninklijke administratie in de zeventiende eeuw had opgesteld om de slavernij in de Franse Caraïben te reguleren. In tegenstelling tot wat men soms beweert, had dit wetboek, dat natuurlijk een gruwel was op het vlak van slavernij, toch een zekere ‘voorsprong’ op mijn republikeinse Larousse uit de jaren dertig. De ‘Code noir’ bekrachtigde de slavernij en het erfelijke karakter ervan. Maar dezelfde wet veroordeelde ook het zogenoemde ‘vooroordeel op basis van kleur’, de stelling dat zwarte mensen vanzelf inferieur zijn. Er stond in dat een ‘zwarte’ na zijn vrijlating dezelfde rechten had als een ‘blanke’. Zo zien we dus hoe het moderne koloniale racisme, dat in principe tegen de slavernij is gekant, een verwerpelijke vorm van sociale relatie op basis van kleur (een mens kan worden gekocht en andermans eigendom worden omdat hij zwart is) heeft vervangen door een gebiologiseerde relatie, het racisme, dat mijns inziens nog verwerpelijker is (een mens is vanzelf inferieur aan een ‘blanke’ omdat hij zwart is, en niet door zijn sociale positie).

Het verzet tegen de hiërarchische stigmatisering van een deel van de mensheid vanwege zijn veronderstelde kleur, in dit geval zwart, kan twee verschillende vormen aannemen.

De eerste vorm bekrachtigt de rol van kleur. Men zegt dan dat een deel van de mensheid inderdaad zwart is, maar de waardehiërarchie wordt ontkend of zelfs omgedraaid: zwarte mensen zijn perfect gelijk aan witte mensen of aan wie dan ook, of nog, zwarte mensen zijn zelfs mooier, sterker, intelligenter, sexyer en leniger, ze staan dichter bij de natuur, ze hebben meer gevoel voor ritme, ze behoren tot een ouder volk, ze beschikken over een meer ontwikkelde symbolische orde, ze zijn poëtischer dan witte mensen enzovoort. Kortom: black is beautiful.

De tweede vorm ontkent ieder verband met welk waardesysteem dan ook. Dat betekent dat eender welk globaal oordeel over een veronderstelde ‘gemeenschap’ van kleur rationeel gesproken onbruikbaar is, zowel in positieve als in negatieve zin. Kleur is dan wel een objectieve bepaling, maar die mag vervolgens geen enkel symbolisch verlengstuk krijgen.

Ik kan van die tweede zienswijze nog een radicalere versie voorstellen. Ik aanvaard er uiteraard de universalistische consequenties van, maar ik ga nog een stap verder: er bestaat zelfs niet zoiets als een objectief oordeel over kleur. In feite kunnen we geen enkel menselijk individu een kleur toekennen, geen zwart, maar ook geen wit of geel, of welke gekleurde identiteit dan ook. We kunnen een individu alleen maar het predicaat ‘zwart’ toekennen en tot de categorie ‘zwarte mensen’ rekenen als we dat doen op een grove en nutteloos approximatieve manier.

De eerste zienswijze, in haar radicaalste vorm, kende vooral haar barden van ongeveer de jaren dertig tot de jaren tachtig. Toen bezongen de dichters wat men de ‘négritude’ noemde, wat betekende dat zij hun zwart-zijn claimden en bezagen als het kloppende hart van zowel de Afrikaanse mensheid als van het deel daarvan dat naar Amerika was gedeporteerd. Men bezong kortom de grootsheid van de zwarte mens.

Helaas heeft iedereen gehoord hoe witte mensen nog steeds het gore lef hebben om zich te beklagen over alle gebreken, onwetendheid en achterstand, zeg gerust alle barbaarsheid, die zij de Afrikaanse ‘zwarten’ blijven aanwrijven. We hebben onlangs nog gezien hoe een onderontwikkeld ventje als Sarkozy de Afrikanen ongegeneerd de les spelde en hun met zijn onvervalste koloniale paternalisme wist te vertellen dat ze ‘in de marge van de Geschiedenis’ zijn blijven steken! Welnu, al die ‘evidenties’ die witte mensen eeuwenlang over ‘de zwarten’ hebben uitgekraamd, al die clichés, heeft de stroming van de négritude – zonder ook maar enige moeite te nemen om ze ter discussie te stellen en het ware van het valse te onderscheiden – als basis genomen om er de onvoorwaardelijke, ja zelfs exemplarische rol van de zwarte mensen in het heden en verleden van de mensheid mee uit te bouwen. De zeer grote dichter Aimé Césaire heeft die visie nog het indringendst verwoord:

 

mijn négritude is geen dove steen die afketst tegen het rumoer van de dag

mijn négritude is geen vlek dood water op het dode oog van de aarde

mijn négritude is toren noch kathedraal

 

ze gaat diep in het rode vlees van de bodem

ze gaat diep in het brandende vlees van de lucht

en duistere moedeloosheid doorboort ze met recht geduld

 

Het is dit ‘rechte geduld’ dat de zwarte mens, althans volgens de négritude, tot de voornaamste getuige op aarde maakt van wat het betekent om tot de menselijke soort te behoren. Voor anderen, met name in de Verenigde Staten, was het integendeel een zaak van het grootste ongeduld, van honger naar onmiddellijke actie en van schitterende woede, dingen die ooit werden toegejuicht, en nog steeds worden toegejuicht, als manieren waarop zwarte mensen de categorieën van het dominante Westen kunnen overstijgen. Een van de bewegingen uit die tijd was bijvoorbeeld de Black Panther Party, een naam die direct aansloot bij de dialectiek van het zwarte: de zwarte panter is de dierlijke schoonheid zelve, maar ook de lenigste en grimmigste van alle katachtigen, een dier dat ’s nachts als een vreselijke, onbewuste dreiging rondwaart in de fletse dromen van witte mensen. Tegenover de witte mens kan de zwarte dan volkomen prat gaan op zijn zwart-zijn en zich beroemen op zijn aangeboren superioriteit.

Dat zijn heel begrijpelijke ideeën: aangezien de witte mensen ons ‘zwarten’ hebben genoemd, waarom zouden we het dan niet omdraaien en met die naam tegen hun macht ingaan? De kleurendialectiek is hier buitengewoon compact. Zwart is een stigmatiserende categorie binnen de witte overheersing, en de slachtoffers eigenen zich die categorie opnieuw toe om er de strijdvlag van hun opstand van te maken. De zwarte mens komt zo tussen twee witte mensen in te staan: de witte mens die de zwarte bedenkt om hem te kunnen knechten en te segregeren, en de witte mens als mikpunt van de onafhankelijkheidsopstand van de zwarte.

Dat zijn de onomkeerbare verworvenheden van de jaren zestig en zeventig, de rode jaren waarin ook de zwarte revolutionair werd heruitgevonden, een figuur die reeds in het kielzog van de revolutie van 1789 haar glorieuze en vrijwel definitieve vorm had gekregen met Toussaint Louverture. Dat gebeurde, zoals we zonet hebben gezien, in de Verenigde Staten, en ook in Afrika, waar een hele generatie revolutionaire leiders kon spreken over de condities waarin hun onderdrukte volk echte vrijheid kon vinden: Nkrumah, Lumumba, Um Nyobé, Amílcar Cabral… Ze werden ook allemaal omgebracht of afgezet, door de geheime diensten van koloniale mogendheden, door interventielegers of door huurmoordenaars van een marionettenregime. Maar van Toussaint Louverture tot al die moderne leiders hebben we kunnen leren dat ‘zwart’ in ieder geval niet hetzelfde betekende als slavernij, onderdanigheid of collaboratie.

Vandaag moeten we ongetwijfeld een stap verder zetten. Of liever, vandaag moeten we het elders gaan zoeken. Niettegenstaande uitdrukkingen zoals ‘black power’ was de dominante visie van de Amerikaanse zwarte militanten, net als die van Toussaint Louverture en van de revolutionaire leiders in Afrika, niet segregationistisch in hun politieke handelen. Ze omvatte weliswaar de tijdelijke noodzaak van een onafhankelijke zwarte organisatie zonder witte leden. Maar dat was alleen maar om de breuk aan te duiden, om de ‘zwarten’ te verlossen van alle restanten van een onderdanige mentaliteit en hen te laten wennen aan de leidinggevende taken en ideeën die nodig waren om de opstand te organiseren. Gezamenlijke acties met organisaties met een ‘witte meerderheid’ waren trouwens veeleer regel dan uitzondering. De radicaalste ‘witte’ organisatie, de Weathermen, verrichtte bijvoorbeeld hand-en-spandiensten voor de Black Panthers. De geleidelijke ontbinding van de hele zwart-witdialectiek in het voordeel van politiek universalisme was toen al aan de gang, ook al was het een werk van lange adem, dat bovendien een belangrijke periode inhield waarin zwarte mensen hun bestaan in eigen handen konden nemen zonder dat ze de vormen en rituelen van de witte dominantie nog hoefden na te bootsen.

In feite had de eerste opstandige benadering, die van de trotse négritude, de tweede voorbereid: er zijn uiteraard gemeenschappen, waaronder de zwarte, maar al die gemeenschappen moeten over strikt gelijke rechten beschikken. Uiteindelijk moet gelijkheid ook betekenen dat alle kleuren gelijk zijn. En zo komen we uit bij een typisch Amerikaanse bekommernis: de samenleving als patchwork van raciale, seksuele, gekleurde, professionele, nationale gemeenschappen, en ga zo maar door. Het beste wat we dan kunnen hopen, is dat al die gemeenschappen in vrede samenleven en over dezelfde rechten beschikken. Op die manier eindigt de politieke kwestie uiteindelijk in een juridische kwestie. De gelijkheid van politieke actie en creatie, in de jaren zestig en zeventig nog zo brandend actueel, verstart uiteindelijk in de wetgeving, onder het toeziende oog van een staat die het zogezegd goed voorheeft. En kleur blijft, onder de noemer ‘culturele verschillen’, het voorwerp van de vaderlijke aandacht van de postkoloniale studies.

Ik geloof dat we nog een stap verder moeten zetten en de ‘harde’ versie van de tweede benadering moeten volgen. De stelregel is dan dat we ermee moeten ophouden om naar veronderstelde kleuren te verwijzen, in alle vormen van overleg en collectief handelen. Voor eens en voor altijd moeten we stellen dat emancipatiepolitiek niets met kleur te maken heeft. Natuurlijk op het vlak van normen en hiërarchieën, maar ook in alle objectiviteit.

Op Genets vraag ‘wat is de kleur van een zwarte?’ past het antwoord dat er voor wat de hele mensheid betreft in feite geen enkele kleur bestaat, en wit net zomin als zwart.

Probeer maar eens werkelijk iemands huidskleur te bepalen. Is een witte mens wit? Hoegenaamd niet! Ik ken alleen maar witte clowns, met bepoederde gezichten, vertegenwoordigers van een ietwat dwaze wijsheid in vergelijking met hun collega August, die je voornamelijk aan zijn rode neus kunt herkennen. Een ‘witte mens’ is in feite iemand die wat bleker is dan een vermeende ‘zwarte mens’, met tussenin een oneindig aantal gradaties. Het varieert dan bijvoorbeeld van sommige Zweden tot sommige Mauretaniërs, via een aantal Aziaten. Sommige Tamils zijn trouwens beduidend donkerder dan veel ‘zwarte’ Afrikanen, ook al worden ze niet tot de categorie ‘zwarten’ gerekend. Veel Afrikanen hebben een donkere huidskleur zonder dat je kunt zeggen dat ze zwart zijn, en veel Europeanen zien er veel te donker uit om nog redelijkerwijs ‘wit’ te kunnen worden genoemd. Aziaten, die allesbehalve geel zijn (want wie is er nu geel? iemand met een leverziekte misschien?) zijn vaak bleker dan een heleboel Zuid-Europeanen, en als je de zwartste mens die er is zou vergelijken met zwarte verf of zelfs een stukje houtskool, ziet hij of zij er al direct niet meer zwart uit.

De eigenschap van de mens is in feite dat hij wellicht in meer of mindere mate donker is en ondertussen veel verschillende tinten kan aannemen, maar in werkelijkheid geen enkele bepaalde kleur heeft. Hoe dat komt? Omdat de mens geen pels, geen verenkleed en geen pantser heeft, omdat hij het enige dier is dat van nature naakt is en zijn huidskleur niet vaststaat maar alleen variaties kent.

Puur qua uitzicht is dat het opvallendste verschil tussen het menselijke dier en de mensaap. Van ver gezien lijkt een zittende gorilla die met een stok speelt door zijn houding en motoriek als twee druppels water op ons. Maar hij is écht zwart, want het haar dat hem volledig bedekt is zwart. Zo lijkt een orang-oetang op een oud mannetje, met dat verschil dat een orang-oetang helemaal roodharig is.

Het duidelijkste objectieve kenmerk van het menselijke dier is dat het geen enkele kleur bezit. En, meer in het bijzonder, dat het onmogelijk zwart kan zijn, écht zwart, net zomin als wit, en nog minder geel of rood (behalve bij ernstige zonnebrand).

Laten we zeggen dat mensen wat hun voorkomen betreft geleidelijk variëren van een ietwat gebroken bleek ultrawit naar een donker infrazwart, en dat de onnoemelijke oneindigheid van al die tinten geen enkele classificatie toelaat.

‘Zwarten’, ‘geelhuiden’, ‘roodhuiden’ en in nog grotere mate ‘blanken’ vormden alleen maar een valse ‘objectieve’ basis voor onderdrukkende classificaties, dubieuze symbolische berekeningen, minachting en ellendige zelfgenoegzaamheid.

We moeten dus uitkijken voor iedere vorm van symbolisering, voor alle collectieve waardeoordelen, voor alle politieke ondernemingen en alle generalisaties op basis van welke kleur dan ook.

In de universele orde die de mensheid nastreeft hebben wit noch zwart bestaansrecht. De mensheid als zodanig heeft geen kleur.

 

Vertaling uit het Frans: Piet Joostens

 

Oorspronkelijk verschenen in: Alain Badiou, Le Noir. Éclats d’une non-couleur, Parijs, Éditions Autrement, Collection Les Grands Mots, 2015, pp. 107-122.