Raf Wollaert

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

VII Der Naumburger Dom und seine Bildwerke aufgenohmen durch Walter Hege, beschrieben von Wilhelm Pinder

Wilhelm Pinder

Berlijn, Deutscher Kunstverlag, 1925
23,5 x 31cm, 52 pagina’s met 18 afbeeldingen (Hege en anderen; offsetdruk), afbeeldingskatern met 87 afbeeldingen (duo-toondruk)
Druk: A. Wohlfeld, Maagdenburg; boekbinder: Georg Schäfer, Maagdenburg; ontwerp cover en titelpagina: Ernst Böhm

 

‘Een bouwwerk heeft vele gezichten. Maar welk is het eeuwige?’ De woorden waarmee Walter Hege (1893-1955) in 1930 terugblikte op de vele maanden die hij had uitgetrokken om de Acropolis te fotograferen, zouden evengoed op hun plaats zijn om Heges jarenlange obsessie met de kathedraal van het Thüringse provinciestadje Naumburg te typeren. Hege, in de schaduw van de Dom opgegroeid, legde het middeleeuwse bouwwerk achtereenvolgens met potlood, foto- en filmcamera vast. Der Naumburger Dom und seine Bildwerke zou de voornaamste vrucht van deze fascinatie worden. Met negen oplagen en haast 40.000 exemplaren tussen 1925 en 1952 was het boek behoorlijk populair.

De omstandigheden tijdens de eerste uitgave waren niet bepaald gunstig: de Eerste Wereldoorlog had in Duitsland een economische en morele krater achtergelaten. Toch dankt het boek daar indirect ook zijn bestaan en populariteit aan. Hege, opgeleid als portretfotograaf, begon de Dom intensief te fotograferen bij gebrek aan betaalde opdrachten. En de verscheurde natie deed in haar zoektocht naar een nieuwe identiteit graag een beroep op een geromantiseerd beeld van de middeleeuwen. In deze context vroeg Burkhard Meier, uitgever bij het nieuwe Deutscher Kunstverlag, Hege om het fotoboek te realiseren dat aan het begin stond van de bekende reeks Deutsche Dome (ca. 1925-1942), waaraan ook Albert Renger-Patzsch zou bijdragen.

Voor de begeleidende tekst bij Heges foto’s werd kunsthistoricus Wilhelm Pinder (1878-1947) benaderd. In de geest van de tijd schreef hij een essay dat bol staat van völkische motieven en geformuleerd is in een geëxalteerd register. De samenwerking met Pinder, die zou uitgroeien tot een van de ‘huiskunsthistorici’ van het nazibewind, heeft bijgedragen aan de smet die sinds de jaren zestig op het oeuvre van Hege rust. Zijn opnames van de Naumburger Dom – ook de beelden die losstonden van de samenwerking met Pinder – werden binnen de nationalistisch en racistisch georiënteerde cultuurpropaganda van de jaren dertig en veertig geïntegreerd – iets waartegen de fotograaf zich niet verzet lijkt te hebben.

Essay en fotokatern functioneren onafhankelijk van elkaar. Heges foto’s vormen het leeuwendeel, maar het is niet Pinders oogpunt om ze van commentaar te voorzien. De opnames zijn evenmin bedoeld als illustraties bij zijn argumentatie, hoewel hij wel een beroep doet op enkele afbeeldingen (ook van derden) in zijn tekst. Uit de ondertitel van het boek, Aufgenommen durch Walter Hege, beschrieben von Wilhelm Pinder, blijkt dat tekst en beeld gelijkwaardig werden geacht.

De manier waarop Heges foto’s zijn gerangschikt, roept een bezoek aan de kathedraal in herinnering. Met buitenopnames waarin de Dom met karakteristieke waterspuwers uittorent boven Naumburgs historische stadsweefsel wordt de toon gezet. Via het monumentale portaal wordt de blik van de toeschouwer het schip binnengeleid, waarna detailopnames van geornamenteerde kapitelen afgewisseld worden met axiale aanzichten van het oostelijke en het westelijke koor. Daar bevindt zich de apotheose van Heges fotografische vertelling: een dertiende-eeuwse sculptuurpartij. De koorafsluiting met een achtdelig reliëf beeldt het passieverhaal uit, een monumentale calvarie vormt de eigenlijke toegang tot het westkoor, waar zich ook de twaalf levensgrote, geïdealiseerde beelden van de ‘stichters’ van de kathedraal bevinden. Deze sculpturen gelden als hoogtepunten uit de gotische beeldhouwkunst, waarbij de beeltenis van Uta de kroon spant.

Naast een verhalende montage gebruikte Hege ook de mogelijkheden van de bladspiegel, kadrering en belichting om het fotoboek van een haast filmisch elan te voorzien. Het stramien van één (meestal staande) foto per bladzijde biedt de mogelijkheid om detailopnamen van de kapitelen en het passiereliëf van de koorafsluiting als een parallelmontage te ensceneren, een camerazoom en -zwenk rond de calvarie te ensceneren én dialogen tussen de beelden van de stichters te suggereren. Met behulp van dramatische uitsnijdingen met de allure van close-ups versterkt Hege deze effecten en schept hij een evocatief ruimtegevoel, dat versterkt wordt door het spatiale middelpunt tussen twee opnames bewust weg te laten. De contrastrijke belichting, hoewel gemilderd door de duotoondruk, vormt het sluitstuk voor Heges expressieve en psychologiserende benadering van kathedraal en beeldhouwwerken.

Omdat Heges opnames op subjectief-artistieke leest geschoeid zijn, en niet op een objectief-wetenschappelijke, is Der Naumburger Dom und seine Bildwerke meermaals op de korrel genomen door kunsthistorici, onder wie Erwin Panofsky. De fotograaf was het om Einfühlung te doen: het verlangen om de waarneming van de historische bouwers van de kathedraal zo getrouw mogelijk te capteren en zo de hedendaagse blik te sturen. De lezer die het boek vandaag ter hand neemt, maakt kennis met de culturele dynamiek in Weimar-Duitsland, in plaats van het ‘eeuwige gezicht’ van de Naumburger Dom te zien.

 

Angelika Beckmann, Walter Hege (1893-1955) und das fotografische Abbild der Naumburger Stifterfiguren im Wandel der Zeit. Zum Stellewert der Fotografie in der Kunstgeschichte, Berlijn, Freie Universität Berlin, 1990.

Walter Hege, Angelika Beckmann en Bodo von Dewitz, Dom, Tempel, Skulptur. Architekturphotographien von Walter Hege, Keulen, Agfa Foto-Historama, 1993.

Friedrich Kestel, ‘Walter Hege (1893-1955). Race Art Photographer and/or Master of Photography’, in: Helene E. Roberts (red.), Art History Through the Camera’s Lens, Londen, Gordon and Breach Publishers, 1995, pp. 283-316.