Johan Pas

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

VIII La Peinture moderne

Amédée Ozenfant & Charles-Edouard Jeanneret (Le Corbusier)

Parijs, Les Éditions G. Crès & Cie., 1925 
15,5 x 23,5 cm, 236 pagina’s, 132 afbeeldingen in het tekstdeel (waarvan 3 in kleur), 29 volblad afbeeldingen buiten tekst (waarvan 6 in kleur)
Druk: Imprimerie E. Arrault & Co., Tours

 

Na de Eerste Wereldoorlog treedt het kubisme een ‘klassieke’ fase in. Picasso herontdekt Ingres, en de schilders die het kubisme trouw blijven, zuiveren het uit tot een formele esthetica. Tijd voor een volgende stap, dachten de Franse schilder Amédée Ozenfant (1886-1966) en de Zwitsers-Franse schilderende architect Charles-Edouard Jeanneret (1887-1965), beter bekend als Le Corbusier. Ze ontmoetten elkaar in Parijs in 1917 en reeds het jaar daarop stelden ze er samen hun schilderijen tentoon. Aansluitend verscheen hun pamflet Après le cubisme, waarin ze pleitten voor een retour à l’ordre na de chaos van de oorlog. Ze streefden de conceptie van een precieze, zuivere en tijdloze kunst na, die zich focust op compositie en harmonie, en noemden dat purisme. Vanaf 1920 publiceerden Ozenfant en Le Corbusier in het nieuwe tijdschrift L’Esprit Nouveau, uitgegeven door Paul Dermée, dat functionele architectuur en een nieuwe klassieke moderne kunst propageerde. Daarmee namen uitgever en kunstenaars een standpunt in tegen het nihilisme van de dadaïsten en het productivisme van de constructivisten.

La Peinture moderne verscheen als vierde in een reeks monografieën over moderne architectuur en kunst, de Collection de l’esprit nouveau. Voordien had Le Corbusier in de reeks al drie titels uitgebracht, Vers une Architecture (1923), L’Art décoratif d’aujourd’hui (1925) en Urbanisme (1925). Ze bundelden hoofdzakelijk essays en artikels die eerder in L’Esprit Nouveau verschenen waren. Een monografie met bewerkte artikels over moderne schilderkunst complementeerde deze reeks. Daarvoor hernamen Ozenfant en Le Corbusier grotendeels teksten en ideeën uit hun artikels en vulden die aan met nieuwe teksten en beeldmateriaal. Het boek omvat een voorwoord, negen hoofdstukken en een uitgebreid deel met afbeeldingen.

Na algemene uiteenzettingen over de relaties tussen natuur en kunst en de invloed van een ‘moderne’ manier van waarnemen, is het leeuwendeel (ongeveer twee derde van het volume) gewijd aan het ontstaan en de diverse stadia van het Franse kubisme. Het is veelzeggend dat het laatste hoofdstuk, onder de noemer ‘persoonlijke ideeën’, gewijd is aan het purisme. Deze stroming vormt aldus de synthese en de conclusie van de voorgaande ontwikkelingen. De toon is zakelijk en didactisch. Het geheel oogt als een klassiek leerboek over de moderne schilderkunst, niet als een provocerend pamflet. Het lettertype is klassiek, met overdadig gebruik van kapitalen, cursieven en Romeinse cijfers. De bladspiegel staat in functie van helderheid en leesbaarheid, en straalt eveneens klassieke degelijkheid uit.

Net als de andere titels van de Collection de l’esprit nouveau verscheen La Peinture moderne als een modern ogende softcovereditie, met een centraal geplaatst fotobeeld op het monochroom groene omslag. Een dergelijk fotografisch beeld op de cover was ongewoon in de jaren twintig en suggereert moderniteit. In tegenstelling tot de coverfoto’s van de andere titels opteerden de samenstellers voor een compositie van vier reproducties, ingeschreven in een wit vierkant: een waterlelieschilderij van Monet, Le Chahut van Seurat, Christus en Maria Magdalena van Rodin en een antiek korèbeeld. De vier beelden fungeerden oorspronkelijk, samen met een schilderij van Juan Gris en een Afrikaans masker, als volbladillustratie bij het artikel ‘Sur le plastique’, in 1920 door Ozenfant en Le Corbusier gepubliceerd in het eerste nummer van L’Esprit Nouveau. De organisch ogende composities van Monet en Rodin moesten het daar ontgelden als emanaties van ‘slecht’ plastisch bewustzijn, terwijl de geometrische benadering van Gris en Seurat, het tribale masker en de Griekse sculptuur navolgenswaardig werden geacht.

Wat La Peinture moderne onderscheidt van kunstpublicaties uit de jaren twintig is de enorme hoeveelheid afbeeldingen. Met circa 160 illustraties, het merendeel reproducties van contemporaine kunstwerken, oogt het boek als een referentiewerk. Deze visuele component wordt benadrukt doordat het laatste deel van het boek bestaat uit dertig volbladafbeeldingen. Negen illustraties zijn in fraaie vierkleurendruk – voor kunstboeken uit deze periode, zeker boeken over moderne kunst, is dat hoogst uitzonderlijk. Vermoedelijk zijn dit de eerste gepubliceerde kleurenafbeeldingen van (post)kubistische werken van Picasso, Braque, Gris, Leger, Lipchitz, Marcoussis, Ozenfant en Le Corbusier.

De eerste publicaties over het kubisme, Du Cubisme van Albert Gleizes en Jean Metzinger (1912) en Les Peintres cubistes van Guillaume Apollinaire (1913), bevatten respectievelijk slechts 26 en 46 relatief schamele zwart-witafbeeldingen. De fotografische reproducties in La Peinture moderne zijn in vergelijking daarmee van hoge kwaliteit. Ze fungeren deels als ondersteuning van de tekst. In die zin worden ze didactisch aangewend, zoals op de cover en op een pagina waar een anekdotisch pompier-schilderij van Ernest Meissonier geconfronteerd wordt met een geometrische compositie van Mondriaan. Daarnaast is dit boekdeel gestoffeerd met reproducties van antieke, middeleeuwse en renaissancekunstwerken, en enkele lijntekeningen. In contrast daarmee staan de zakelijke foto’s – een handelsmerk van Le Corbusier – van moderne verworvenheden als een lichtreclame, een automobiel, een kasregister, camera’s, industriële skeletbouw en voorbeelden van moderne naaktfotografie.

Het merendeel van het beeldmateriaal documenteert de Franse schilderkunst na Monet, onder meer een uitvoerige visuele documentatie van de fasen van het kubisme. De historiserende, didactische inhoud past perfect in de tijdgeest. Ook tijdschriften als L’Esprit Nouveau en Valori Plastici [VI] waren, na het iconoclasme van futurisme en dada, een appel aan de goede smaak en respect voor de traditie. La Peinture moderne canoniseerde het purisme en het postkubisme door het te verankeren in een kunsthistorisch narratief. De klassieke vormgeving van het traktaat en de haast museale inzet van de fotografische reproducties ondersteunden dit argument. Het was de laatste samenwerking tussen beide kunstenaars. Le Corbusier legde zich na 1925 toe op zijn werk als architect en urbanist; Ozenfant bleef zelfstandig schilderen en publiceren over moderne kunst.

 

Elizabeth Cowling en Jennifer Mundy (red.), On Classic Ground. Picasso, Léger, De Chirico and the New Classicism 1910-1930, Londen, Tate Gallery, 1990.