Hilde D'haeyere

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

XIV Filmgegner von Heute – Filmfreunde von Morgen

Hans Richter

Berlijn, Verlag Hermann Reckendorf, 1929
Octavo (25,5 x 19 cm), 128 pagina’s waarvan 125 genummerd; 209 zwart-witillustraties
Vormgeving: Hans Richter i.s.m. Werner Gräff
Druk: Werbedienst G.m.b.H., Kommanditgesellschaft, Berlijn-Spandau; binder: Fritzsche-Hager A-G., Berlijn-Schöneberg

 

Filmgegner von Heute – Filmfreunde von Morgen (Filmtegenstanders van vandaag - filmvrienden van morgen) van de Duitse kunstenaar Hans Richter (1888-1976) is een vurig pleidooi voor de waardering van het medium film als kunstvorm. Samen met Werner Gräffs Es kommt der Neue Fotograf! begeleidde deze publicatie de toonaangevende tentoonstelling Film und Foto, georganiseerd door de Deutsche Werkbund in Stuttgart in 1929. De auteur van het ene boek is telkens de coauteur van het andere. Beide boeken, uitgebracht door de Berlijnse uitgever Hermann Reckendorf, lijken sterk op elkaar: octavo hardcovers met linnen bekleed, de ene rood, de andere oranje, daarop de titel in blauwe letters, op de papieren omslagen een fotomontage in contrastrijk zwart-wit. Beide uitgaves verschenen tegelijkertijd in een oplage van 5.000 en werden verkocht voor dezelfde prijs (7,50 Rijksmark). Een tweede editie kwam er niet omdat de uitgever ondertussen failliet was gegaan. 

In de boektitel weerklinkt urgentie: vertrekkend van de (volgens hem) bedroevende kwaliteit van de films in bioscopen, stelt Richter zich tot doel de lezer in te wijden in de artistieke mogelijkheden van cinema. Voor deze missie was hij de juiste man. Actief als kunstenaar, schilder, schrijver, graficus en filmmaker, bleef hij zich in de eerste plaats beschouwen als ‘een schilder die films maakt’. Na een opleiding tot architect en schilder in Berlijn en Weimar sloot hij zich aan bij de dadaïsten in Zürich, waar hij in 1918 de Zweedse avant-gardekunstenaar en filmmaker Viking Eggeling ontmoette. Hun samenwerking bepaalde zijn artistieke ontwikkeling: Richter raakte begeesterd door de mogelijkheden van film, destijds een relatief nieuw medium in de kunstwereld. Samen met Eggeling ontwikkelde hij een universele taal van abstracte tekens die geordend werden op lange stroken papier. Van deze rolschilderijen realiseerde Richter een reeks ‘absolute’ films waarvan Rhythmus 21 (1921), Rhythmus 25 (1924) en Filmstudie (1928) de bekendste zijn.

De kennis over montage, ritme, beweging en beeldrijm die hij in zijn filmwerk had verworven, vindt een grafische toepassing in Filmgegner. Het boek was baanbrekend doordat het ‘filmische’ middelen gebruikt om het over cinema te hebben. De uitgave is rijkelijk geïllustreerd; uitvoerige beeldenreeksen demonstreren steeds de korte stukken tekst. De meeste beelden komen uit de avant-gardefilms die Richter selecteerde voor het randprogramma van Film und Foto, de reizende tentoonstelling die voor het eerst het werk van fotografen uit de Nieuwe Visie samenbracht met recente ontwikkelingen in de filmwereld. Zijn selectie van meer dan zestig stille films is een eigenzinnige verzameling van avant-gardefilms, auteursfilms uit het commerciëlere circuit en enkele wetenschappelijke en educatieve films, met werk van onder anderen Marcel Duchamp, Fernand Léger en Dudley Murphy, Charlie Chaplin, Joris Ivens, Alexander Dovzenko, Dziga Vertov, Viking Eggeling, Man Ray, Walter Ruttmann, Lotte Reiniger, G.W. Pabst en Germaine Dulac. Voor de publicatie koos Richter voornamelijk illustraties uit eigen werk, vanwege de moeilijkheid om bruikbaar beeldmateriaal te bemachtigen, zoals hij in het boek meedeelt.

Het mooist is de beeldredactie: de vele inventieve manieren waarop grafische uitwerkingen filmische principes verbeelden. Deze vertaalslag legt meteen een verband tussen fotografie en film, wat precies de ambitie was van de FIFO-tentoonstelling. In een frisse bladspiegel met veel witruimte en een schreefloos font trekken vooral de beeldcombinaties de aandacht. Vaak worden 35mm-filmstroken op ware grootte afgedrukt, zodat de opeenvolging van frames een filmische beweging schept. Onder de hoofding ‘Jetzt der Rhythmus’ reconstrueert de ingenieuze paginaopmaak het montageritme in Rennsymphonie (Hans Richter, 1928), waarbij shots en overvloeiers uit elkaar schuiven in twee verticale rijen. De kerngedachte van Richters benadering komt aan bod in het hoofdstuk ‘Assoziationen bilden!’, waarin nauwelijks tekst nodig is om het principe van beeldrijm te duiden. Elke pagina combineert twee filmstills waartussen een visueel verband gelegd wordt door gelijkende of juist contrasterende vormen, grijswaarden of gestiek. Met dank aan de dialectische montageprincipes van Sergei Eisenstein ontstaat hier, door de botsing tussen individuele, stilstaande beelden, de verbeelding van abstracte begrippen. Zo creëert een rokende schoorsteen plus een zwetende arbeider het idee ‘arbeid’, en een groep soldaten gevolgd door een skelet het begrip ‘dood’ – allebei voorbeelden uit Vertovs De man met de camera (1929). Associaties leiden tot beeldspraak – voor Richter het middel bij uitstek tot filmische poëzie.

Dit boek is een vurig pamflet tegen commerciële cinema naar Amerikaans en Duits model. Zulke cinema leunt te veel op steracteurs en het overdreven gebruik van mimiek, kostumering, make-up en sets, ten nadele van cinematografische middelen en montagemogelijkheden. Ook dit betoog beargumenteert Richter vooral visueel, met afbeeldingen van enorme filmsets, groteske acteursportretten en striemende persknipsels. Als een eerbetoon aan de visuele zeggingskracht van cinema drukt het boek de namenlijst af van de cameramensen van alle films, waar men eerder de regisseurs zou verwachten, maar zij staan in de bijschriften. Het boek sluit af met een opmerkelijke oproep tot weerwerk: nu het oog van de kijker aangescherpt is, rest enkel het appel aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de vakmensen zodat allen ijveren voor betere films. De filmhaters van vandaag zijn cinema’s hoop op een betere toekomst.

Met dit boek ontplooit Richter de theoretisch-educatieve stem die hij zal uitwerken wanneer hij in 1941 emigreert naar de Verenigde Staten en doceert aan het City College in New York. Daar wordt hij collega-docent (later directeur) van beroemdheden uit de filmwereld als Robert Flaherty, John Grierson en Joris Ivens, en zal hij lesgeven aan latere avant-gardefilmmakers als Shirley Clarke, Maya Deren en Jonas Mekas. Als sluitstuk van zijn lange en belangwekkende carrière publiceert hij Dada, Kunst und Antikunst (1964), nog steeds een referentiewerk.

 

Timothy O. Benson, Hans Richter. Encounters, New York, DelMonico Books, 2013.

Helma Schleif, Film und Foto. Eine Ausstellung des Deutschen Werkbunds, Stuttgart 1929, Berlijn, Freunde der Deutschen Kinemathek, 1988.