Josefien Magnus, Sophie Suykens

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

XVI Les Trésors de la peinture française de ses origines à nos jours. Des primitifs au XVIe siècle

Parijs, Jacques-Emile Blanche, Elie Faure, Maurice Raynal, Albert Skira en E. Tériade, 1934
38,5 x 28,5 cm (met kaft); 38 x 28 cm (zonder kaft), 68 pagina’s, 32 kleurafbeeldingen
Druk: Les Fils de Victor-Michel, Parijs (gravure van de clichés); R. Coulouma, Argenteuil (drukwerk)

 

In 1928 richtte Albert Skira (1904-1973) uitgeverij Skira op in Zwitserland. Drie jaar later gaf hij een eerste boek uit, een heruitgave van de Metamorfosen van Ovidius geïllustreerd door Picasso. In 1934 gaf hij samen met de Franse kunstcriticus en uitgever E. Tériade (1889-1983) Des primitifs au XVIe siècle uit, het eerste kunstboek in de reeks Les Trésors de la peinture française de ses origines à nos jours. Deze reeks zal lopen tot 1952 en omvat achtenveertig volumes.

In het voorwoord leggen Skira en Tériade de tweeledige opzet van de reeks uit. Ten eerste betrachtten ze de geschiedenis van de Franse schilderkunst te illustreren aan de hand van een selectie van kunstwerken en kunstenaars die tekenend zijn voor bepaalde periodes en stromingen. Ten tweede stelden ze zich tot doel om deze selectie van kunstwerken uit te brengen met kleurenreproducties van de allerhoogste kwaliteit.

In de reeks Les Trésors de la peinture française kunnen drie perioden onderscheiden worden. De eerste periode bevat slechts twee volumes, Des primitifs au XVIe siècle (1934) en XVIIe siècle (1935). De pagina’s zijn ongenummerd en de katernen ongebonden. De auteurs bespreken een thema of kunstenaar, en de teksten zijn royaal geïllustreerd met afbeeldingen. De plaatsing van de afbeeldingen lijkt voornamelijk een esthetische keuze te zijn geweest: ze zijn volgens een stramien ingevoegd, zonder de volgorde waarin ze besproken worden strikt na te volgen. De twee volumes bevatten enkel kleurenreproducties, met de hand gelijmd op de daarvoor voorziene plaats in de tekst of op de rectozijde van een los blad. De afbeeldingen tonen meestal het volledige kunstwerk zonder lijst, en details komen zelden voor. De grootte en de onderlinge verhoudingen van de afbeeldingen komen niet overeen met het werkelijke formaat. Soms volgen de omtreklijnen van de foto de originele vorm van het gefotografeerde kunstwerk. De afbeeldingen zijn voorzien van een beknopte legende (nummer, kunstenaar, titel, bewaarplaats; en in 1935 ook: afmetingen, datum en handtekening); achteraan is een afbeeldingenlijst opgenomen die eveneens dienstdoet als inhoudstafel.

De tweede periode loopt van 1937 tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Om de verkoop van kunstboeken te promoten, zag Skira zich genoodzaakt om de omvang van zijn uitgaven te reduceren. Deze ‘verbeterde’ versie speelt met het idee van het portfolio. De kunstboeken behandelen telkens slechts één kunstenaar, en bestaan uit een twintig- à dertigtal losse en niet-gepagineerde bladen. Een inleiding, geschreven door een specialist, wordt gevolgd door acht tot zestien ongenummerde kleurenreproducties op de rectozijde van glanzend, stevig papier. Dit papier, verschillend van het papier gebruikt voor het tekstgedeelte, doet de kleuren beter uitkomen. De legende is het enige onderdeel dat uitgebreid werd tegenover de vorige periode: vanaf 1937 worden ook de geboorte- en sterfdatum van de kunstenaars en de afmetingen van het gereproduceerde kunstwerk vermeld.

De derde periode ging van start in 1946. Het enige verschil met de tweede periode is dat de publicaties uitsluitend gewijd zijn aan hedendaagse kunstenaars, van wie de werken niet besproken worden door kunsthistorici, maar door schrijvers en dichters, volgens Skira uiterst geschikt om kunstenaars in een nieuw licht te plaatsen.

Gedurende de tweede (1937-1945) en derde periode (1946-1952) geeft Skira binnen deze reeks ook enkele omvangrijkere volumes uit, zoals Les Peintres de fêtes galantes. Le portrait et le paysage (1938) en Monet, Sisley, Pissarro (1939). In deze volumes wordt een periode of stroming besproken aan de hand van verschillende kunstenaars. Soms bevatten deze kunstboeken ook zwart-witreproducties van grafische werken, rechtstreeks gedrukt in de tekstgedeeltes.

In Les Trésors de la peinture française experimenteerde Skira met het drukprocedé en het materiaalgebruik, in nauwe samenwerking met technici van de drukkerij. Mooie kleurenreproducties vormden voor hem een onmisbaar onderdeel van ieder kunstboek. Het doel was om kunstboeken aantrekkelijker te maken voor het grote publiek. Daarbij moesten de kleurverhoudingen van het originele kunstwerk echter getrouw weergegeven worden, om zo de ‘ziel’ van het kunstwerk over te brengen. Dit streven naar perfectie ging ver: de graveur bezocht musea om de kleuren van de eerste proefdruk te vergelijken met de kunstwerken, en bracht ter plaatse retouches aan. Hij hield dan zoveel mogelijk rekening met kleurvariaties in het schilderij als gevolg van fluctuerende lichtomstandigheden. Het belang van kwalitatieve kleurenreproducties vormt een rode draad in Skira’s carrière als uitgever. En hij aarzelde niet om de lezer daar herhaaldelijk op attent te maken: ‘Spreken over schilderkunst zonder kleur, dat is ongeveer als enkel de woorden van een lied uitspreken.’

 

Albert Skira. The Man and his Work, New York, Hallmark Gallery, 1966.

Corisande Evesque, Albert Skira et ses livres d’art (1948-1973). Histoire, s.l., 2015, s.p.

Albert Skira en Paul Eluard, Vingt ans d’activité, Genève, Skira, 1948.