Griet Bonne

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

XXIV Degas et son œuvre. Volume I-IV

Paul-André Lemoisne

Parijs, Arts et Métiers Graphiques
1946-1949
33 x 25,7 cm, 1292 pagina’s, 126 illustraties (I) + 1466 illustraties (II-III), diverse fotografen Druk: Les Fils de Victor Michel (illustraties) en L’Imprimerie Kapp (tekst)

 

Degas et son oeuvre, op groot formaat en genummerde oplage, is uitzonderlijk binnen de categorie bibliofiele publicaties. De initiatiefnemers voor deze vierdelige oeuvrecatalogus zijn de kunsthandelaars Paul Brame en César Mange de Hauke. De Hauke trok in 1925 naar New York om er de Amerikaanse kunstliefhebber vertrouwd te maken met de Franse (post)impressionisten. Bij zijn terugkeer in 1939 ontstond een intensieve samenwerking met Brame, zoon van een bekende Degas-handelaar. De heren gaven onder de titel Les Artistes et leurs oeuvres drie monografische catalogi uit. Ruim tien jaar na Degas verscheen Seurat et son oeuvre van de hand van De Hauke zelf, die in de introductie reeds twee opvolgers in de reeks aankondigde. De Hauke overlijdt in 1965 en het duurt opnieuw tien jaar vooraleer Toulouse-Lautrec et son œuvre wordt uitgebracht. Als ook Brame sterft in 1971, wordt het plan voor de catalogus over Henri Fantin-Latour begraven.

De drie luxe-edities volgen eenzelfde opzet die het midden houdt tussen kunstgeschiedschrijving en kunsthandel. Hoewel de publicaties getuigen van verregaand wetenschappelijk connaisseurschap, lijken ze toch ook op veilingcatalogi die de authenticiteit en dus ook de waarde van kunstwerken moeten aantonen. Treffend is hoe in Seurat et son oeuvre onder de titel ‘De schandpaal’ een geïllustreerd hoofdstuk gewijd wordt aan foutieve toewijzingen en vervalsingen. De eerste publicatie, Degas et son oeuvre, onderscheidt zich in zekere zin nog van deze marktgerichtheid. De auteur, Paul-André Lemoisne, conservator van het prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale de France, wijdde zich vanaf 1942 aan het onderzoek ter voorbereiding van de oeuvrecatalogus. In de inleiding wordt aangegeven dat dit omvangrijke werk niet de pretentie van volledigheid of perfectie heeft. Het is kenmerkend voor de bescheidenheid van Lemoisne, wiens onderzoek tot op heden geldt als referentie voor Degas’ pastellen en schilderijen.

Het belang van de kunsthistorische analyse van Degas blijkt vooral uit het eerste deel uit 1946. Lemoisne maakt een gedetailleerde analyse en interpretatie van Degas’ leven en werk, uitvoerig geïllustreerd met foto’s van de kunstenaar op verschillende momenten in zijn leven, van paginagrote details die techniek en stijlevolutie weergeven, en van werken uit zijn privécollectie die tot inspiratie dienden. Het volume vormt een volwaardige en op zichzelf staande monografie, die aandacht besteedt aan technieken en media die niet werden opgenomen in de oeuvrecatalogus, zoals Degas’ tekeningen, monotypes en sculpturen.

De oeuvrecatalogus neemt het volledige tweede en derde deel in beslag en biedt een genummerd, strikt chronologisch overzicht van 1466 schilderijen en pastellen, met op de linkerpagina de technische specificaties, een aanvullende beschrijving, tentoonstellings- en eigendomsgeschiedenis, bibliografie en eventuele voorstudies. Op de rechterpagina worden alle reproducties van de werken weergegeven, uitsluitend vergezeld van het bijhorende catalogusnummer. De schikking is georganiseerd op basis van een aantrekkelijke compositie, waardoor de werken op de bladspiegel met elkaar in dialoog treden. De vrij rigide structuur van de catalogus verleent het geheel een zekere rust en elegantie. Toch is elke pagina uniek door een steeds wisselend patroon van reproducties, ingegeven door formele karakteristieken en onderlinge schaalverhoudingen. Dat Degas motieven hernam of figuren en poses in verschillende media uitwerkte, zorgt voor een interessant spel op de bladspiegel: ballerina’s gaan in stop-motion aan het dansen, en paarden galopperen Muybridge-gewijs over de pagina. Grote afwezige in deze publicatie – en in de gehele reeks – is kleur. Hoewel de oeuvres van Degas, Seurat en Toulouse-Lautrec met rijke pasteltinten en vibrerende kleurschakeringen worden geassocieerd, koos men hier voor de klassieke drukkwaliteit van contrastrijke heliogravures, die binnen het bibliofiele opzet moet worden begrepen. Daarenboven resoneert Degas’ atypische kadrering in zwart-wit nog treffender met de ‘fotografische blik’ van deze schilder van het moderne leven.

Het vierde en laatste deel bestaat uit tabellen die de werken van Degas opdelen volgens thema, afgebeelde figuren of de geografische spreiding in collecties. De keuze om een apart volume aan het register te wijden is uniek en wordt niet doorgezet in de overige publicaties van Les Artistes et leurs oeuvres. Het 157 pagina’s tellende volume getuigt dan ook van de rol van bibliothecaris Lemoisne. Zijn systematische opdeling in categorieën maakt van dit boek niet alleen een uiterst bruikbaar wetenschappelijk document, ze nodigt de kijker ook uit om Degas’ oeuvre in achronologische configuraties te denken. Het louter typografische spel van tabellen en lijsten getuigt daarnaast opnieuw van een uitzonderlijke aandacht voor grafische vormgeving, die niet alleen een esthetische meerwaarde biedt, maar ook de leesbaarheid van de catalogus ten goede komt. De verfijnde, uniforme vormgeving van de vier volumes, op luxe ongestreken papier, is een staalkaart van Arts et Métiers Graphiques, opgericht in 1927 als uitgever van een kunst- en literatuurtijdschrift over fotografie, typografie, vormgeving en luxe-edities. Vanaf de jaren dertig begon Arts et Métiers Graphiques bibliofiele uitgaves te publiceren. De uitgeverij overleefde het magazine, dat al in 1939 zijn laatste nummer uitgaf. In 1973 publiceerde Arts et Métiers Graphiques een catalogus over Degas’ gravures en monotypes, waarvan de radicale vormgeving en de confrontatie van details treffend het speelse karakter van Degas’ late, grafische oeuvre weergeven.

 

François Chapon, Le peintre et le livre. L’âge d’or du livre illustré en France, 1870-1970, Parijs, Flammarion, 1987.

Sébastien Chauffour, ‘Selling French Modern Art on the American Market. César de Hauke as Agent of Jacques Seligmann & Co., 1925-1940’, in: Lynn Catterson (red.), Dealing Art on Both Sides of the Atlantic. 1860-1940, Leiden, Brill, 2017, pp. 227-45.

C.M. de Hauke, Seurat et son œuvre, Parijs, Gründ, 1961.

Kristof Van Gansen, ‘Une page est une image. Text as Image in Arts et métiers graphiques’, Journal of European Periodical Studies, nr. 2, 2017, pp. 61-76.