Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 208 november-december 2020

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

XXV Vision in Motion

László Moholy-Nagy

Chicago, Paul Theobald and Company, 1947
28,5 x 22 cm, 371 pagina’s, 440 afbeeldingen
Grafisch ontwerp: László Moholy-Nagy, productie: Otto Maurice Forkert

 

Vision in Motion is de laatste publicatie van de Hongaars-Amerikaanse beeldhouwer, schilder, fotograaf, ontwerper, auteur en docent László Moholy-Nagy (1895-1946). Het boek verscheen een jaar na zijn dood, onder redactie van zijn weduwe Sibyl. Moholy-Nagy werkte van 1923 tot 1928 aan het Bauhaus in Weimar en Dessau. Hij vestigde zich in 1937 in Chicago en richtte daar The New Bauhaus op, in 1944 omgedoopt tot het Institute of Design. Vanaf 1943 begon hij materiaal te verzamelen voor een boek over zijn recentste ervaringen. Wekelijks, zo schreef Sibyl in Moholy-Nagy. Experiment in Totality, gaf hij meer dan twintig uur les. ’s Avonds verdiende hij de kost als vormgever en schilder; op zondag werkte hij aan Vision in Motion.

Bij alles wat Moholy deed, stond het overstijgen voorop van de restricties van een medium – de verondersteld vaste eigenschappen van sculpturen, foto’s, films, schilderijen, objecten, maar ook van boeken, en van de wisselwerking, op papier, tussen tekst en beeld. ‘Nooit schrijf ik nog een ander boek’, zo zei hij tijdens het werken aan Vision in Motion. ‘Het is een ondraaglijke verleiding om naast penselen, verf en canvas te zitten, en om dan een potlood in de hand te houden. Hoe ik opbloei tijdens het zien, en hoe die gehele vreugde verdort wanneer ik het zien in woorden moet vertalen! Dit boek is de grootste opoffering die ik me ooit voor mijn studenten getroost heb. Het is een soort visueel testament, iets waar ze op kunnen steunen wanneer ik dood ben.’ Zijn theorie – combinaties van uiteenlopende waarnemingen, door moderne technologie versterkt, zouden leiden tot nieuwe menselijke ervaringen – werd niet alleen neergeschreven, maar ook in de praktijk omgezet dankzij het grafisch ontwerp, inclusief de cover. Uit een oranjerood vlak is een zwarte rechthoek weggescheurd – de rafelranden zijn zichtbaar. In de vrijgekomen opening, dus ‘in’ de diepte van het boek, houden zich schimmige, witte, kraakbeenachtige objecten op, bijna als mechanische, beweeglijke spoken.

In de inleiding vatte Moholy zijn doeleinden samen. De industriële revolutie – met de introductie van techniek en media – heeft zich in onvoldoende mate voltrokken, en heeft de mens niet fundamenteel beïnvloed. ‘De uitdaging voor onze generatie’, aldus Moholy, ‘is de intellectuele en emotionele, de sociale en de technologische componenten samen te brengen in een evenwichtig spel; leren om ze in relatie te zien en voelen. Zonder deze verwevenheid blijft enkel de afzonderlijke technische vaardigheid over waarmee menselijke aangelegenheden worden behandeld, een starheid die biologische en sociale impulsen verstikt; een uit het hoofd geleerd, en geen geleefd leven.’ Ook lezen kan in dat opzicht als achterhaald worden beschouwd – een activiteit die vervangen dreigt te worden door het kijken naar (bewegende) beelden, terwijl lectuur net zo goed verrijkt kan worden door beelden.

Om die verrijking was het Moholy te doen. Dankzij de ‘generositeit van de uitgever’, zo schreef hij in het voorwoord, ‘ben ik in staat geweest om vooruitgang te boeken in de richting van een nieuwe boekvorm waar ik al vijfentwintig jaar mee experimenteer. Ik heb altijd vooropgesteld dat – voor een betere visuele communicatie – tekst en illustratie aan elkaar gelast zouden moeten worden. Illustraties zouden de tekst moeten vergezellen in plaats van dat ze moeten worden opgezocht.’ De afbeeldingen in Vision in Motion staan daarom vlak naast de passages waarin ze aan bod komen: ofwel in de marge, ofwel op groter formaat (zodat het tekstblok kleiner wordt), ofwel afzonderlijk op de tegenoverliggende pagina. ‘Het resultaat (of dat was althans de bedoeling)’, schreef hij, ‘is een functionele vloeibaarheid en een grotere leesbaarheid, dat wil zeggen, een betere communicatie.’ In het eerste hoofdstuk, ‘Analyzing the Situation’, worden de illustraties vervangen door gecursiveerde opmerkingen of citaten (van bijvoorbeeld Goethe of bioloog Julian Huxley), zodat het discours wordt ontdubbeld. De drie volgende hoofdstukken reageren op de bestaande situatie, door innovaties en experimenten voor te stellen, zowel in het onderwijs als in de kunsten. De allereerste foto toont een vijftal alternatieve handvaten gemaakt aan het Institute of Design, met een kritisch onderschrift waarin de tekst, lager op de pagina, wordt samengevat, samen met de boodschap van Vision in Motion: ‘Door een eigenaardige traagheid imiteren de commerciële handvaten in plastic voor werktuigen nog steeds de oude houten handvaten, gedraaid op de werkbank.’ De vijfde afbeelding is, paginagroot, een foto uit 1928 van de afdruk van de rechterhand van Kandinsky: het is belangrijk om de subtiele eigenschappen van de menselijke hand te kennen; technologie kan die kennis aanreiken maar ook bruikbaar maken voor ontwerpers.

De wisselwerking tussen tekst en beeld communiceert dus niet enkel de boodschap, ze is er een manifestatie van. Hoewel het ontwerp van Vision in Motion vandaag vanzelfsprekend lijkt, werd het boek in 1947 als innoverend beschouwd, ook door de auteur zelf – als iets wat voorheen niet mogelijk was door druktechnische beperkingen, die de dichte nabijheid van tekst en beeld bemoeilijkten. In 1925 publiceerde Moholy bijvoorbeeld het boek Malerei, Photographie, Film [X], waarin pagina’s bedrukt werden met afbeeldingen (inclusief onderschriften), met tekstblokken, of met constructivistisch ogende bladspiegels waarin dikke zwarte lijnen worden gecombineerd met kleine afbeeldingen en losstaande alinea’s. Vision in Motion is meer beheerst, toegankelijk en pedagogisch: het traditionele, continue lezen blijft mogelijk, maar op haast elk moment van de lectuur kan een afbeelding de boodschap van de auteur helpen onderschrijven.

 

Sibyl Moholy-Nagy, Moholy-Nagy. Experiment in Totality, Cambridge/Londen, MIT Press, 1969, pp. 218-23.

Alain Findeli, ‘Moholy-Nagy’s Design Pedagogy in Chicago (1937-46)’, Design Issues, nr. 1, 1990, pp. 4-19.

Pepper Stetler, ‘The New Visual Literature: László Moholy-Nagy’s Painting, Photography, Film’, Grey Room, nr. 32, 2008, pp. 88-113.