Miek Zwamborn

DE WITTE RAAF

Editie 209 januari-februari 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Strooigebied

28 november 2009 – In de zon die het zeemeer spiegelt, in de bron die het maanlicht wiegelt, als het daagt en in den nacht, zie ik u, U, u. Met de zuivere stem van Rozalie Hirs en twinkelende begeleiding door Samuel Vriezen nog in mijn oren fietste ik na een poëzieavond in Perdu via de Ruysdaelkade naar huis. Herman Gorters voluptueuze versregels bliezen me door de nacht. Voor de etalage van natuurhistorische handelsonderneming Stenelux stapte ik af om de uitgestalde naturaliën achter het raam te bekijken. Ik bewonderde ranke, fossiele visgraten, barnstenen met ingekapselde muggen en geconserveerde sporendozen van kamvarens uit het Carboon. Mijn oog viel op een groene, bijna perfecte ellips – het oppervlak als de zee van bovenaf bezien, regelmatig golvend met omslaande schuimkoppen. ‘Moldaviet’, las ik op het kaartje en vanaf dat moment kon ik de steen niet meer uit mijn hoofd zetten.

De 18 karaat moldaviet – museumkwaliteit – werd mijn metgezel op reis, antagonist bij lezingen en troef tijdens moeizame gesprekken. Tot ik de steen vorig jaar oktober ergens tussen IJmuiden en Maastricht verloor.
22 oktober 2019 – na een nacht op zee stapte ik in Amsterdam op de trein van 9 uur 35 naar Maastricht om in de werkplaats van de Jan van Eyck Academie pagina’s van een nieuwe publicatie te vergaren en in te binden. Pas de volgende ochtend, bij het herpakken van mijn bagage, merkte ik dat het doosje met de moldaviet verdwenen was.
In het kantoor van de werkplaats, waar ik mijn rugzak na aankomst in de kast had gezet, vond ik het niet terug. Ik haalde de kast leeg, spreidde alle jassen en schorten op de tafel uit en voelde tevergeefs in de zakken.
Ik wist zeker dat ik, voor ik van boord ging, de steen veilig had opgeborgen, maar dat was inmiddels ruim een dag geleden. In de tussentijd had ik half Nederland doorkruist zonder me ook maar een moment om de moldaviet te bekommeren.
In het trappenhuis kwam ik schoonmaker Eddy tegen. Hij had tijdens zijn dagelijks veegronde helaas niets gevonden. Eddy houdt van vlinders – zijn mobieltje staat vol foto’s van pijlstaarten, nachtpauwogen, uilen en spanners die hij in de buurt van Maastricht en op verre vlinderreizen met een macrolens heeft gefotografeerd. ‘Hoe ziet die steen van je er dan uit?’ vroeg hij terwijl hij me zijn telefoon overhandigde. Ik surfte door een overvloed aan moldavieten, maar geen van de beelden was representatief, tot er een grote, ovale steen op het schermpje verscheen. Hij had dezelfde kleur en omtrek, maar was minder woest van textuur. We staarden naar de digitale moldaviet in mijn handpalm, aangeboden door een handelaar in kostbare stenen. Eddy wees naar de naam van de dealer: ‘My Lost Gems’.
 De deelnemers op de Van Eyck komen alleen rond lunchtijd uit hun studio’s. Voor het middaguur hing ik daarom in de kantine een briefje boven de servieswagen met daarop een snelle schets van de moldaviet in viltstift, nog groener dan in werkelijkheid. Tijdens het uitserveren betuigden twee kunstenaars hun medeleven alsof er iemand dood was. Ik troostte me met de gedachte dat als een van de residenten de steen had gevonden, deze misschien wel in een kunstwerk terecht zou komen.
De middag verliep rommelig. Ik maakte raapfouten, vouwde slordig, liet de priem vallen en prikte de gaatjes voor de cahiersteek tot een paar keer toe naast de vouwlijn, waardoor ik drie kaften verprutste. Wat een schijnvertoning! In plaats van de achtervolging in te zetten bond ik bibliofiele boekjes. Alsof het me niets kon schelen. Resoluut schoof ik de stapels drukwerk aan de kant. Vanuit de werkplaats belde ik naar het bureau van gevonden voorwerpen van de gemeente Amsterdam. Een antwoordapparaat verwees me naar de website iLost, waar ik een ‘alert’ achterliet, nadat ik eerst alle recent gevonden voorwerpen bekeken had. Het hoge aantal op één dag geregistreerde sleutels, portemonnees, rijbewijzen, paspoorten en tassen verbaasde me. Blijkbaar liepen er heel wat eerlijke vinders rond die de moeite namen andermans eigendommen op te rapen en aan te geven. De voorwerpen die ik op de site gezien had, waren vervangbaar en hoogstwaarschijnlijk inmiddels ook al wel vervangen. Ik stelde me voor hoe al die gevonden dingen tevergeefs in het depot op hun eigenaren bleven wachten en uiteindelijk werden weggegooid.
Kon ik die dag van aankomst maar overdoen. Ik probeerde monter te blijven en belde ook naar het loket van gevonden voorwerpen van veerdienst DFDS. Vissers uit IJmuiden kunnen achterstevoren praten, maar ik weet niet of ze zichzelf dat aanleerden om iets ongedaan te maken. De dame van dienst noteerde mijn naam en telefoonnummer en verzekerde me dat als ze een steen vonden die aan de beschrijving voldeed, ik op de hoogte zou worden gesteld. Ik had nog willen vragen of er wel eens stenen bij hun lost and found-loketten werden afgegeven, maar de verbinding was al verbroken.
Nog eens ging ik in gedachten al mijn gangen na. In mijn hut had ik de moldaviet in het voorvak van mijn rugzak bij mijn reispapieren gestoken. Ik was als een van de eersten door de paspoortcontrole gegaan en in de bus gestapt. Misschien was het doosje met de steen, op weg naar het Centraal Station van Amsterdam, vanuit mijn rugzak op schoot tussen de fluwelen stoelen gevallen. Zo niet, dan kwamen de overstappen te Amsterdam, Utrecht en Eindhoven in aanmerking. Plus de aankomst op kopstation Maastricht waar ik een OV-fiets huurde. In feite zou het ook tussen de fietsenstalling en de academie kunnen zijn gebeurd. Of daarna tussen de academie en het huis aan de Mergelweg, waar ik logeerde.
Na nog een telefoontje en onlineopgave van vermissing bij de NS had ik alle mogelijke zoekmachines van het openbaar vervoer ingeschakeld. Toch stelde me dat geenszins gerust. Er zaten nog grote gaten in het vangnet. Op het politiebureau van Maastricht adviseerde de brigadier om een vindersloon uit te loven. ‘Het vergroot uw kansen in Limburg,’ verzekerde hij en dus volgde ik zijn suggestie op. Daarna fietste ik terug naar het station. De man achter het loket van de OV-fietsen had een blauw doosje gevonden, maar dat bleek al opgehaald. ‘Het was leeg’, zei hij, terwijl hij verder ging met het plakken van een band.
Achter het Academieplein bleef een heel klein gebied over waar ik tenminste zelf kon zoeken. Ik vestigde al mijn hoop op het stadspark en mijn eigen speurzin. Deze opdracht was pittig, maar niet onmogelijk, maakte ik mezelf wijs.
Het eerste half uur stroopte ik het pad dat ik de avond daarvoor ingeslagen was minutieus af. Ik keek onder struiken en bankjes en controleerde alle prullenbakken tot aan het stoplicht, omdat ik me herinnerde dat tasjesdieven tasjes en de inhoud die ze niet kunnen gebruiken vaak netjes bij het vuilnis gooien. Daarna liep ik rondom de volière en klom ik over het hek van de kuil waar meer dan vijftig jaar beren werden gehouden. Heel even meende ik de moldaviet op de bodem te zien liggen. Terug op het pad zag ik weer een glinstering. Mijn zintuigen leken op hol te slaan. Overal om me heen doemden groene, ovale silhouetten op, alsof de moldaviet zich had uitgestrooid.
Na anderhalve dag begon ik alles, zowel feiten en mogelijkheden, door elkaar te halen en veranderde ik in een wazige detective, terwijl het toch niet zo ingewikkeld kon zijn.

***

Binnen mijn mineralenverzameling was de moldaviet het oudste stuk, ongeveer 14,6 miljoen jaar geleden gevormd door de botsing van twee asteroïden met de aarde. Het was echter geen meteoriet, maar een tektiet: een glasachtig mengsel van siliciumdioxyde en aluminiumoxide. Tektieten zijn fragmenten van aardse gesteenten, die na een inslag van een meteoriet bij een temperatuur van meer dan 30.000 graden Celsius smolten, werden weggeslingerd om vervolgens in gestolde vorm als donkergroene druppels terug op aarde te vallen. Moldavieten zijn zeldzamer dan diamant en worden vrijwel alleen in Tsjechië nabij de Moldau gevonden.

***

Mag ik nu eigenlijk nog wel mijn moldaviet zeggen? En ben ik de eigenaar geweest? De Willamette-meteoriet in Oregon – ooit het thuis van een van zijn land verdreven Chinookstam – werd in bezit genomen door een nabij wonende boer, genaamd Ellis Hughes. Hij en zijn tienerzoon eigenden zich de 15,5 ton zware meteoriet toe door hem dwars door het bos naar huis te brengen. Ze bouwden een robuuste houten kar met wielen gemaakt van schijven boomstam, hesen het gevaarte op, en tuigden kabels van de kar naar een geïmproviseerde kaapstander die aan bomen was verankerd en door een oud paard werd voortbewogen. Boom voor boom rolde de meteoriet in de richting van het erf van Hughes die, toen de zware klus geklaard was, een hut over het gesteente heen timmerde en 25 cent toegangsgeld vroeg, althans tot de meteoriet werd opgeëist door een ijzer- en staalbedrijf.

***

Tot voor kort dacht ik dat meteorieten zeer zeldzame stenen waren. Stuk voor stuk het gevolg van een botsing in het heelal. Inmiddels weet ik dat een meteoriet nooit alleen valt. Buitenaards gesteente komt als een hagelbui neer in een zogenaamd strooigebied. Rondom inslagen kunnen duizenden meteorieten in variabele grootte worden geraapt of opgegraven. Veel grote meteorieten zijn daarnaast door de mens versplinterd en verhandeld. In het begin reisden ze over land en per schip naar hun nieuwe bestemming, maar sinds we kunnen vliegen, hebben veel meteorieten ten minste één, maar wellicht meerdere luchtreizen gemaakt.

***

De Schotse Katie Paterson maakte een replica van een fragment van de Campo del Cielo-meteoriet, die in 1576 in Chaco, Argentinië ontdekt werd, maar waarschijnlijk zo’n vijfduizend jaar eerder op aarde insloeg. Door een mal van de 120 kilo wegende ijzermeteoriet te maken, het metaal te smelten en de meteoriet vervolgens in die mal (van zichzelf) te gieten, fabriceerde Paterson een kunstmatige en toch ook authentieke meteoriet. De samenstelling is gelijk aan die van het origineel en bevat dezelfde metalen, sterrenstof en steentjes. Tegelijkertijd is het een totaal ander object, zij het meer in mentale dan in fysieke zin. Paterson liet haar sculptuur in een onbemand voertuig naar het internationale ruimtestation ISS brengen. Voordat Campo del Cielo op reis gestuurd werd, moest de sculptuur, zoals elke goede astronaut, een jaar van uitvoerige testen en voorbereidingen ondergaan. De ESA was bezorgd dat de meteoriet zou gaan roesten, waardoor de luchtfilters verstopt konden raken. De gezondheid van de ruimtevaarders zou hierdoor in gevaar gebracht kunnen worden. Een van de voorgestelde oplossingen was om het kunstwerk goed afgesloten te houden in een zak met ritssluiting – onooglijk, maar effectief. In plaats daarvan koos de ESA ervoor om de sculptuur te bekleden met een heldere lak die was samengesteld uit niet-giftig silicium van ruimtekwaliteit. De auteurs van de ESA-blog schreven: ‘Wie had gedacht dat we zo diep in een interplanetair kunstproject verwikkeld zouden raken?’ Het proces van het voorbereiden van de ruimterots voor een tweede buitenaardse vlucht omvatte het verwijderen van corrosie en stof, en het vacuüm verwarmen van de sculptuur tot 100 graden Celsius, om er zeker van te zijn dat er geen vocht op het oppervlak zat voordat de beschermende coating werd aangebracht. Na het bakken was de meteoriet officieel klaar om op te stijgen, en om te gaan naar waar nog geen kunstwerk is geweest.

***

In de zomer van 2013 verscheen er een artikel in Journal of Archaeological Science waarin een internationaal team de uitkomsten deelde van een onderzoek naar drie ijzeren kralen, gevonden in een van de langs de westoever van de Nijl gelegen Gerzeh-graven. De kralen werden gedateerd tussen 3100 en 3400 voor Christus, zo’n tweeduizend jaar voordat werd ontdekt hoe je ijzer uit ijzererts kunt winnen. Ze bleken nikkel te bevatten en dus gesmeed uit ijzermeteorieten. Waarschijnlijk plette de maker de in de woestijn gevonden meteorieten. Lamel voor lamel werden de ijzervelletjes opgestapeld, boven een vuur verwarmd en tot kraal opgerold.

De ijzeren dolk uit het graf van Toetanchamon blijkt eveneens uit buitenaards materiaal vervaardigd. De dolk vertoont nagenoeg geen gebruikssporen en men neemt aan dat het wapen een zuiver ceremoniële functie had. De 4300 jaar oude piramideteksten – ’s werelds oudste religieuze documenten, die staan gekerfd aan de binnenkant van verschillende piramides met als doel de overleden koning of koningin te begeleiden naar het hiernamaals – bevatten verschillende referenties naar ‘ijzer uit de hemel’. Die hemel zagen de Egyptenaren als een enorme plas water, omhuld door een ijzeren vat waar soms stukjes van afbrokkelden.

***

Met de moldaviet nog in mijn zak passeer ik tijdens de Bokmässan 2019 (de boekenbeurs van Göteborg, eind september) Ghayath Almadhoun, de flamboyante Palestijns-Zweedse dichter en filmmaker. We worden door de Nederlandse ambassadeur aan elkaar voorgesteld, maar moeten allebei door naar een volgende lezing. In Almadhouns gedichten wemelt het van onnatuurlijke inslagen. In De hoofdstad (vertaald uit het Arabisch door Djouke Poppinga) beschrijft hij Antwerpen:

Deze stad implodeert, als een zwart gat.

Ik bedoel een groen gat.

En de straat rent angstig weg.

***

Ik stel me de boog voor die de brokstukken maakten. Elk vliegt een andere kant op. De lucht vol sissende parabolen: gloeiend hete bakstenen en glasscherven.

***

Jef Geeraerts voert in zijn roman Diamant een ruwe diamant op als protagonist en laat deze vanuit de mijn in Zaïre door de handen (en spijsverteringskanalen) van verschillende personen de wereld over smokkelen.

***
Alles overhebben voor een steen en de steen dan kwijtraken. Het is al zo vaak gebeurd.

***

Pierres, het mooiste boek over stenen, is geschreven door filosoof en schrijver Roger Caillois. Op de eerste pagina’s van zijn lofzang omschrijft hij de opdracht die hij aan zichzelf stelt (in de vertaling van Jacq Vogelaar en Arnan Oberski): ‘Ik spreek van stenen ouder dan het leven, stenen die, zo er al leven mocht ontluiken, erna op de bekoelde planeten zullen achterblijven. Ik spreek van stenen die zelfs niet op de dood hoeven te wachten en die niets anders te doen hebben dan zand, regen of branding, storm en tijd langs zich heen te laten glijden.

Caillois kruipt als het ware door de stenen heen en vat hun binnenwereld in uiterst precieze, lyrische zinnen. Daarnaast verzamelde hij ook verhalen over legendarische stenen in de klassieke oudheid.
In Het leven van Apollonius van Tyana beschrijft Philostratus een pentarbos. De pentarbos trekt van ver andere stenen aan die als een zwerm bijen om hem heen hangen. ’s Nachts schittert hij, overdag verblindt hij. De steen bevat zoveel wind dat de aarde erdoor opzwelt en scheurt. De steen verdampt in de handen van degene die hem probeert te bemachtigen.
Caillois verwijst ook naar het orfische gedicht van de Lithica, waarin sprake is van een steen die door Phoebus aan Helenus gegeven werd. Men behandelde de steen als een klein kind, en kleedde, waste en wiegde hem tot hij uiteindelijk zijn stem liet horen.
In de Aziatische wereld is een innige relatie met stenen evenmin uitzonderlijk. Guo Xu schilderde in 1503 een portret van Mi Fu, een elfde-eeuwse kalligraaf. Mi Fu geloofde dat sommige rotsen een eigen ziel hadden en boog naar hen in het voorbijgaan bij wijze van respect.

***

De grootste inslag op aarde tot dusver – door een meteoriet zo groot als de binnenstad van Amsterdam – voltrok zich in Zuid-Afrika. Met een straal van honderdvijftig kilometer geldt de Vredefortkrater niet alleen als het in omtrek ruimste inslagbekken, maar met oorspronkelijk zeventien kilometer heeft het ook de diepst uitgeholde kom. Door de inslag werden lagen steen naar buiten en omlaag gedreven, waardoor er concentrische ringstructuren ontstonden. Op de satellietbeelden kun je de impact op het landschap nog goed zien. Het oppervlak rondom doet denken aan water dat rimpelt nadat je er een steen in hebt geworpen. Vreemd genoeg bleven die ringen staan, maar is de reusachtige steen spoorloos verdwenen. De inslag wordt ook wel Vredefort Dome genoemd: een naam die vanuit de lucht gegeven lijkt; de kuil wordt als het ware tot koepeldak uitgedeukt.

Dichter Emma Crebolder stond plotseling op de bodem van de krater, nadat zij instinctief een weggetje insloeg tijdens een rondreis door de provincie Vrijstaat. Jaren later verscheen het nabeeld van deze ervaring in haar bundel Opsnuiven:

 

Een meteoriet drong 2 miljard jaar
geleden in het raadselrijk van grijs
geperst graniet en kristallijn gesteente.
Uit de bodem werd ook goud omhoog
gestuwd. Schachttorens staan als iele
speeltoestellen langs de weg richting
Vaalrivier. De verre kraterranden
reiken naar de hemel. Ik buk en
raap dooraderd kwarts, ruik
het blakeren van gras.

***

Een inslag van meteorieten gaat behalve met waanzinnig veel licht en hitte altijd gepaard met kabaal. Gregory uit Tours rapporteerde in 580 na Christus een geluid als van vele bomen die tegen de grond slaan. Chinese annalen aan het eind van de negende eeuw maken gewag van het lawaai als van een vlucht overvliegende kraanvogels. Andere verslagen omschrijven het als razen, suizen, zwiepen, ploppen, gonzen, zoemen en knetteren van de lucht.

***

Aan de achterzijde van Albrecht Dürers paneel De Heilige Hiëronymus in de wildernis bevindt zich een in vluchtige toetsen geschilderd stervormig lichaam. Het feloranje object in het midden van woelige cumulonimbuswolken straalt naar alle kanten uit met in lengte ongelijke punten. Centraal in die oranje ster zette Dürer een ferme gouden stip die van de linkerzijde lijkt te komen aanvliegen en de hemel oplicht. Rechtsboven, bijna buiten het kader, kijkt een rode maan of planeet toe op het vuurwerk.

Het tafereel, dat gedateerd is rond 1496, oogt zo dynamisch en is zo uitgesproken van kleur dat kunsthistorici menen dat Dürer een van de ooggetuigen was van de Ensisheim-inslag in de Elzas op 7 november 1492. En zo niet, dan moet hij zich hebben laten inspireren door twee afbeeldingen op papier: de houtsnede van een meteoor in de Liber Chronicarum, een wereldkroniek uit de stad Neurenberg (1493), of de ets van een vallende meteoor in 1493, vastgelegd in The Edinburgh Encyclopaedia van Sir David Brewster.

Een afgehakt stukje van de ‘Donnerstein’, die men in een korenveld nabij de ommuurde stad Ensisheim vond, werd door de burgemeester opgestuurd naar het Vaticaan ter attentie van kardinaal Piccolomini, de latere Paus Pius II, met daarbij het door Sebastian Brant geschreven gedicht Losse bladen betreffende de val van de meteoriet, waarin hij het object een ‘omen’ noemt. Het doet er niet toe of Brant zelf geloofde dat de Ensisheim-meteoriet een soort orakel of talisman was. Hij wist dat zijn laatmiddeleeuwse publiek dat wel deed. In zijn vers refereert hij onder andere aan de hemelwonderen die Plinius optekende. In de oude wereld kon er van alles uit de lucht vallen: vissen, vlees, wol, bloed, ijzerkorrels en nog veel meer.

Dankzij een vlugschrift van Brant kon de Ensisheimse meteoriet verder in de tijd en ruimte om zich heen slaan. Geworteld in mythen en historische annalen, doordrenkt van ondergang en verlossing, maakten andere meteorieten al snel hun debuut in de kunsten.

***

Op 13 december 1795 boorde een meteoriet zich in een veld in Yorkshire dat James Shipley net aan het ploegen was. Niet alleen de boer had de meteoriet zien vallen. Ook andere mensen in de buurt zagen, nadat ze ‘de hemel hoorden openbreken’, een zwart voorwerp door de lucht vliegen dat rokend neerkwam. Dichter, toneelschrijver en journalist Lord Edward Topham, eigenaar van het aan het veld grenzende landgoed én de krant The World, ving een grondig onderzoek aan. Hij interviewde de ooggetuigen, liet de steen tekenen, stelde de meteoriet tentoon en publiceerde een artikel waarin hij aandrong deze inslag als doorslaggevend bewijs te zien in het vraagstuk waar de opmerkelijk zware, lukraak over de aarde verspreide, ijzerhoudende stenen vandaan kwamen. Na duizenden jaren speculeren werd de herkomst van meteorieten eindelijk erkend. Geoloog James Sowerby kocht de meteoriet voor tien guineas en beschreef de steen in zijn British Mineralogy (1806) als ‘uit het luchtruim geboren’. Na duizenden jaren gissen was er eindelijk bewijs genoeg verzameld. Op de plek waar deze Wold Cottage-meteoriet neerkwam liet Topham vier jaar later een obelisk bouwen, een pijlvormig monument om deze doorbraak in de wetenschap te vieren.

Hoewel elke meteoriet die op aarde wordt gevonden ooit uit het luchtruim is gevallen, spreekt men in de wetenschap enkel van ‘gevallen’ wanneer er ooggetuigen van een inslag zijn, en de gebeurtenis werd opgetekend. Alle overige meteorieten werden en worden geregistreerd als ‘gevonden’.

***

Hoogstwaarschijnlijk was Walt Whitman getuige van een meteorietinslag in de nacht van 20 juli 1860. In het gedicht ‘Year of Meteors’, geschreven aan de vooravond van de Amerikaanse burgeroorlog, blikt hij zingend terug op een roerig jaar, zichzelf opdragend niets ervan te vergeten.

 

Nor the comet that came unannounced, out of the north,
flaring in heaven,
Nor the strange huge meteor procession, dazzling and
clear, shooting over our heads,
(A moment, a moment long, it sail’d its balls of unearth-
ly light over our heads,
Then departed, dropt in the night, and was gone;)

 

Troostend sluit hij af:

 

Year of comets and meteors transient and strange!—lo!
even here, one equally transient and strange!
As I flit through you hastily, soon to fall and be gone,
what is this book,
What am I myself but one of your meteors?

***

Dezelfde meteoor werd waargenomen door de Amerikaanse landschapschilder Frederic Church. Church probeerde de fysiognomie van het landschap vast te leggen. Geïnspireerd door Alexander von Humboldt – die in Kosmos schreef over de onderlinge verbondenheid van wetenschap, de natuurlijke wereld en spiritualiteit, en beeldend kunstenaars aanmoedigde om de diversiteit van de natuur te verbeelden – ondernam hij vele expedities naar moeilijk toegankelijke gebieden, waar hij schetsen maakte van bijvoorbeeld arctische ijsschotsen, de waterval van Niagara en vulkanen in Colombia. In zijn studio werkte hij ze verder uit. Church’ schilderijen vonden gretig aftrek. In precies het jaar 1860 kon hij het zich veroorloven een boerderij te kopen met uitzicht over de Hudson-rivier. Church trouwde dezelfde zomer nog en in de huwelijksnacht van 20 juli zagen hij en zijn vrouw vanuit het raam om 21 uur 49 een rijtje vuurballen hoog over de Catskill Mountains voorbijschieten. De meteoren hadden ongeveer dertig seconden nodig om de nachtelijke hemel over te steken van De Grote Meren naar de staat New York, waarna ze boven de Atlantische Oceaan verdwenen.

Op ‘The Meteor of 1860’ laat Church een stoet van vuurballen tegen een donkere lucht zien. Ze lichten zo sterk op dat hun gloed wordt weerspiegeld in het meer eronder. Church stelde het doek echter niet tentoon. Het werk hing tot het eind van zijn leven in zijn slaapkamer. Pas honderdvijftig jaar later, in 2010, ontdekten natuurkundigen Donald Olson en Russell Doescher, de Engelse professor Marilynn Olson en promovendus Ava Pope het verband tussen de in olieverf bewaarde inslag van Church en het gedicht van Whitman, toen zij op rapporten stuitten met datum en tijdstip van de spectaculaire meteorenprocessie.

***

In 2016 leende ik de moldaviet uit aan mijn hartsvriendin. Ze voelde zich nogal somber en ik wilde haar graag wat hemelse kracht geven. Toen we elkaar kort daarna spraken, vertelde ze bevlogen over de ontmoeting met een nieuwe buurvrouw. ‘Je kent haar moeder wel, en zo niet, dan stuur ik je een van haar gedichten.’ En zo laaide door geleiding van de moldaviet vanuit Broek in Waterland een vers van Elisabeth Eybers op.

 

Toekoms

Die duisendjarige ryk
so troosryk en fiktief
dui onweerlegbaar aan
Iemand het ons lief...

Ons aardbewoners aap
genade en almag na
wat geen beskeidenheid
of feitendwang verdra:

die twee-en-sestigjarige
Mafia-voorman weet
hy mag nou honderd jaar
lang tronkspagghetti eet.

En jy en ek? Ons laat
ons oë en hande raak
asof die melkwegstoet
sy skittering nooit sal staak.

***

Ontelbaar veel meters vislijn zijn sinds de uitvinding van nylongaren aan kunstvoorwerpen geknoopt om ze te laten zweven. Steeds opnieuw wordt de glimmende draden opgedragen er niet te zijn. Kijkers geloven maar al te graag in de illusie van de in de lucht geworpen sculpturen. Op de academie hoefde niemand dat te proberen. Visdraad is voor amateurs, leerden we. Serieuze kunstenaars binden de strijd met de zwaartekracht aan en vinden zelf wel een oplossing voor de neiging tot vallen. Het is me zo diep ingeprent dat ik aan draden gehangen werk in een museum nog steeds afkeur.

Sinds ik het oeuvre van de Britse Cornelia Parker leerde kennen, ben ik wat minder streng in de leer geworden. Parkers werken krijgen van haar vaak de opdracht mee te drijven, vallen, zweven of stollen, en daarbij bezuinigt ze allerminst op draad. Sterker nog, in Subconscious of a Monument maakt ze slim gebruik van zijn weerkaatsende eigenschap. Een regen van uit het plafond neergelaten metaalgarens houdt 7800 kluitjes droge aarde op gelijke hoogte. Die aarde werd in 2001 door ingenieurs weggebeiteld van de fundatie van de Toren van Pisa, met als bedoeling de helling te corrigeren. De draden markeren het traject dat de brokjes vanuit de hemel lijken te hebben afgelegd, als een bundeling staartsterren. Elk stukje aarde krijgt door de draad waaraan het hangt snelheid mee.

Net boven de vloer houdt het vallen abrupt op. Wanneer je je hoofd naar beneden brengt tot onder de asteroïdengordel en vanuit kikvorsperspectief de ruimte onder de gefragmenteerde aardmassa betreedt, is de spanning tussen de vloer en zwevende installatie bijna duizelingwekkend. De kluitjes hangen niet meer, ze stijgen op!

Parker heeft verschillende meteorieten in haar oeuvre aan het werk gezet. Eind jaren tachtig maakte ze een serie werken waarbij ze een flinter van de Gibeon-meteoriet – lang geleden gevallen en in 1836 in Namibië gevonden en geclassificeerd – roodgloeiend stookte en op de uitvergrote plattegrond van Londen en andere gebieden liet vallen. De meteoriet brandde steeds een gat door het papier. De door Parker gekozen locaties van ‘inslag’ gaf de werken hun naam: Meteorite lands on Buckingham Palace, Meteorite Lands on the Houses of Parliament, Meteorite Lands in the Middle of Nowhere – Hitting: Bagdad (Louisiana).  

Op 26 maart 2000 liet Parker een vuurwerk ontsteken vanaf het dak van winkelcentrum Rotunda in Birmingham. Het explosieve mengsel voor deze happening bevatte onder andere poeder van een verpulverde meteoriet die in het jaar 1516 in het Chinese Natan viel. De verbranding van de meteoriet – een verwijzing naar een apocalyptische kracht van een natuurlijk fenomeen als vuur – stond in schril contrast met de koopjesjagende menigte die onder de meteorietenregen door winkelde.

Een mooi stil werk ontstond in juni van datzelfde jaar. Op 27 en 28 juni wierp Parker twee meteorieten in twee verschillende meren nabij Boston. De volgende dag plaatste ze bordjes in het water met daarop onder meer de woorden:

 

AT THE BOTTOM OF THIS LAKE
LIES A FRAGMENT OF A STAR

at one fifteen am
on 28th of June in the year 2000
a chondrite meteorite
fell into Leverett Pond

 

Het lijkt een lichtvoetig gebaar, tot ik erachter kom dat het werk ook een toespeling is op het gedicht ‘The Freedom of the Moon’ van Robert Frost. Net als Frost plukt Parker een fragment van de maan uit de lucht. Bij het lezen van het bordje zie ik dat ze de meteoriet vasthoudt, tussen haar vingers rondwentelt en na een tijdje bijna speels in het water laat plonzen, waarmee ze als het ware de dichtregels in het water stanst en op de bodem van het meer laat landen.

*** 

 De door Parker ter ruste gelegde meteorieten deden me nadenken over de ideale plek voor mijn moldaviet. Het verlangen de steen weer te kunnen vasthouden bestaat nog steeds, maar de vraag waar de steen kwijtraakte is naar de achtergrond verdwenen. Steeds vaker zie ik mezelf de moldaviet ergens verstoppen. Bijvoorbeeld onder een met (sterren)mos begroeide steen in het bos, onder een winterharde struik in de tuin, in een van de naburige zeegrotten, in een van de open poriën van het graniet.

***

In 1988 produceerde Sigmar Polke een serie van vijf werken getiteld The Spirits That Lend Strength Are Invisible I-V, geïnspireerd op de verbintenis tussen inheemse volkeren van Amerika en het land dat hen huisvest. Bij het tweede doek in de serie strooide Polke een kilo vermalen Tocopilla-ijzermeteoriet uit over het met kunsthars geïmpregneerde canvas. Het resulteerde in een peilloos, glinsterend, goudgeel vlak met grijze nevels dat ons als het ware uitnodigt om door de verschillende lagen heen te kijken. Alle vijf met zeldzame pigmenten bestreken doeken veranderen naar gelang de temperatuur en luchtvochtigheid in de ruimte, als een sfeer-ring. Via deze alchemistische, abstracte schilderijen biedt Polke ons de mogelijkheid om voor even in transcendente materie op te gaan.

***

Ik laat de moldaviet vallen. De steen licht op tegen een donkere achtergrond en tuimelt als een vertraagd esdoornzaadje in een eindeloze spiraalgang naar beneden zonder de grond te raken.

***

De Mental Meteorites (1993) van Paul Goede zijn minuscuul en opgehangen tegen een gevel tijdens de tweejaarlijkse beeldenroute door Amsterdam-Zuid. Geen wonder dat ze me eerst ontgaan. In de onderste meteoriet, afkomstig uit Siberië, herkende Goede de kat van Marcel Broodthaers. De tweede meteoriet, ook uit Siberië, die lijkt op een wegvliegend vogeltje, plaatste hij vlak daarboven. Samen vormen ze een bijna geheime scène, want wat de kijker ziet als hij naar de gevel staart zijn niet de twee meteorieten. De tussenruimte is hier veel belangrijker: een mogelijkheid en uitnodiging om de vierde dimensie te verkennen. Met het zeer bescheiden karakter van de sculpturen activeert, beter gezegd kalibreert Goede onze zintuigen. Coulant duwt hij tijd en ruimtelijke bebakening open. Tevoorschijn komt pure ruimte; het is leegte die ademt. Deze oneindigheid heeft niets met een vacuüm te maken. Integendeel, het is er best vol. Zoals in het Japanse Noh-theater spelers elkaars rol in kunnen nemen en zich dwars door verleden, heden en toekomst kunnen bewegen, zo stuurt Goede zichzelf en zijn publiek de onbegrensde tijd en ruimte in.

Zijn praktijk begint in de zestiger jaren, wanneer hij experimenteert met extreem kleine formaten in reactie op de steeds grotere schilderijen en sculpturen van tijdgenoten. Hij zoekt naar een zo ijl mogelijk materiaal, wil zelf de plek en het publieke moment bepalen, en stelt zijn werken tentoon in de niet-museale buitenlucht. Vanaf 2000 concentreert Goede zich op seances. De compositie van deze seances is opgebouwd uit twee klanken: een uiterst laag gezongen M gevolgd door een extreem hoge C. De M denkt en zingt hij met gesloten mond, de C met gesloten ogen. Goede noemt dit ‘het exploiteren van de ruimte’; behalve zijn stem en zijn lichaam heeft hij niets anders nodig om een volume op te bouwen. In zijn bijzijn wordt de ruimte een luchtige, elastische plek zonder opgelegde regels, waarin gedwaald kan worden op het ritme van de twee klanken en alles wat daartussen ligt.

Via het werk van Paul Goede besef ik dat het niet de moldaviet was die ik kwijtraakte: die ligt sowieso verankerd in de tijd. Ik verloor vat op de omtrek. De moldaviet is misschien wel meer dan voorheen in mijn bijzijn.

***

In De reis naar de maan in 28 dagen en 12 uren loopt Jules Verne ver op de daadwerkelijke ruimtevaart vooruit. Hij laat de leden van de ‘Gun-club’ halverwege hun reis naar buiten kijken, door het enige raam van het ruimteveer waarmee ze reizen. Een van de bemanningsleden ziet parallel aan het ruimteveer een voorwerp meevliegen. Het schijnt onbeweeglijk te zijn, zodat het zich, concluderen ze, op gelijke snelheid voortbeweegt. Kort daarop beseffen ze dat wat ze zien, het stoffelijk overschot van hun hond Wachter is, die zij na zijn plotselinge overlijden overboord hebben moeten zetten. ‘Wachter is wachter geworden’, heet het hoofdstuk.

Na deze trieste conclusie volgt een fantastisch besef. Alles wat de bemanning buiten het ruimteveer werpt, blijft hen door de weggevallen zwaartekracht op hun reis naar de maan vergezellen: boeken, instrumenten, gereedschappen en wat dies meer zij. Het is een prachtig beeld dat ik liggend in bed terstond adopteer. Ik zie mijn moldaviet in de baan rondom mijn eigen lichaam zweven.

***

Willem Frederik Hermans laat Alfred Issendorf aan het einde van zijn roman Nooit meer slapen gedesillusioneerd achter. ‘Hier zit ik, in elke hand een manchetknoop, aan elke manchetknoop een halve meteoriet. Samen een hele.’