Kuniko Mukoda

DE WITTE RAAF

Editie 209 januari-februari 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Op zoek naar handschoenen

Tweeëntwintig was ik, geloof ik, toen ik een hele winter doorbracht zonder handschoenen.

Ik werkte in die tijd voor een bedrijf in Yotsuya, dat educatieve films maakte. Hoog kon je het maandloon niet noemen, maar het had wel moeten volstaan om in mijn eigen onderhoud te voorzien. Dat ik toch geen handschoenen droeg, was omdat ik er geen kon vinden die me bevielen.

Destijds was het een stuk kouder dan nu, komt het me voor. De oorlog was nog niet zo lang achter de rug en met de voedselvoorziening was het nog pover gesteld, vandaar wellicht. We waren ook niet overal voorzien van verwarming zoals tegenwoordig, zodat het op het station en in de tram of de trein bitterkoud was. De mensen droegen allemaal dikke kleren, met daarover nog eens een dikke jas. En ze hadden handschoenen aan. Vandaag de dag is het juist chic en modieus om zonder handschoenen en zonder jas rond te lopen, maar toen was het vanwege de schaarste die ook op vestimentair vlak heerste, gewoon een direct bewijs van het zielige feit dat je geen geld had.

Zielig wilde ik er niet uitzien en daarom weigerde ik ostentatief mijn handen in mijn zakken te stoppen of ze tegen elkaar te wrijven en erop te blazen. Ik zette parmantig mijn weg voort, als om te zeggen: ik heb het niet koud, hoor, ik doe dit met opzet. Maar zo zonder bescherming waren mijn handen uitgedroogd en voortdurend verkleumd van de kou.

Nu ik erop terugkijk, is het vreemd dat ik me helemaal niet kan herinneren wat voor handschoenen ik eigenlijk zó graag wilde dat ik er die volharding voor opbracht, maar in elk geval moet ik hebben gedacht: liever geen handschoenen dragen dan er dragen die me niet bevallen.

Mijn omgeving dacht eerst dat het een grap was. Maar toen het ertoe leidde dat ik een verkoudheid opdeed, was mijn moeder uiteindelijk zo ontzet dat ze me een flinke uitbrander gaf.

‘Hou toch op met dat dwaze gedrag. Wat ga je doen als je ernstig ziek wordt?’

Ik hield vol dat mijn verkoudheid niet te wijten was aan de handschoenen. En eigenzinnig als ik was, bleef ik ondanks de koorts ook naar mijn werk gaan, zonder één dag vrij te nemen. Tegen die tijd begonnen mensen om me heen bezorgd te vragen wanneer ik nu toch handschoenen zou kopen, zodat ik het gevoel kreeg dat er nu zeker geen weg terug meer was.

En toen, op een dag.

Ik moest overwerken en een superieur in het bedrijf, die een zwak voor me had, maakte van de gelegenheid gebruik om me wat goede raad te geven. Die man was toen vijf- of zesendertig. Hij liet twee luxeporties soba leveren, die hij uit eigen zak betaalde, en terwijl hij op zijn stoel een eindje van me vandaan de noedels uit de stomende kom naar binnen slurpte, zei hij: ‘Wat jij nu doet, draait niet louter om die handschoenen, hè?’

Ik schrok.

‘Voor een man geeft het niet. Maar een vrouw mag dat niet doen. Zo verspeelt ze haar kans op geluk.’ En toen voegde hij er met een lachje voor de duidelijkheid aan toe: ‘Als je het nu niet rechtzet, zul je dat voor de rest van je leven betreuren, ben ik bang.’

Ik had twee tegenstrijdige gevoelens: enerzijds wilde ik eerlijk toegeven dat hij gelijk had en anderzijds was ik niet in staat dat hardop te zeggen. Die avond besloot ik om niet de trein te nemen, maar te voet huiswaarts te lopen, tot ik een bevredigende verklaring vond voor die gevoelens van me. Ik woonde destijds in Kugayama, op de Inokashiralijn, en dus liep ik vanaf het station Yotsuya via de laan langs de spoorlijn richting Shinanomachi. Mijn vingertoppen, die net nog door de kom soba waren opgewarmd, waren zonder handschoenen meteen weer verkleumd.

 

Van kleins af aan was ik ijdel en kieskeurig. Ik hield van kwaliteit en verlangde het onmogelijke. Ik was niet tevreden met de middelmaat en keek altijd rusteloos om me heen, op zoek naar nog iets beters. Of het nu om speelgoed of om truien ging, ik zeurde om het beste, ook al had ik er dan minder van. Ik herinner me ook dat volwassenen afkeurend zeiden dat ik wel erg brutaal was voor een kind.

Op de koop toe was ik stiekem best wel trots op die torenhoge verwachtingen van me, ook al was ik dan maar een kind. Ik denk, kortom, dat ik een onuitstaanbaar wicht was. Ook toen ik de twintig voorbij was, leerde ik mijn slechte gewoonten niet af: ik beet nog steeds op mijn nagels en had nog even hoge verwachtingen. Ik had zelfs het gevoel dat het alleen maar erger werd. Achteraf beschouwd lijkt er volgens de leer van Freud geen twijfel over te bestaan dat ook mijn nagelbijten zijn oorzaak had in onvervulde verlangens en voortkwam uit ergernis omdat ik niet kon krijgen wat ik wilde. Toen ik zeventien, achttien was, las ik om te kalmeren gewoonlijk een boek en dan druppelde er voor ik er erg in had weleens bloed op dat boek.

Jazeker, ik was geïrriteerd.

Het bedrijf waar ik werkte was klein; er was amper een tiental werknemers, maar daarbij zaten een fotograaf, een schilder en een muzikant, die me van alles bijbrachten wat ik op school niet had kunnen leren. De baas en zijn vrouw waren ook lief voor me en ze gaven hun pasgeboren dochter zelfs dezelfde naam als ik had. Het ontevreden geklaag over zo’n baan uit de mond van een nog ongehuwd jong meisje moet in andermans ogen echt wel een luxeprobleem hebben geleken.

Ik was jong en gezond. Ik had het getroffen met mijn ouders en mijn broer en zussen, en ik kwam niets tekort in het leven. Ik had vriendjes en twee, drie keer deed er ook eentje een aanzoek. Achteraf bekeken waren ze stuk voor stuk een uitstekende partij, als man en ook als mens, en met wie van hen ik ook was getrouwd, ik had ongetwijfeld ‘het simpele geluk’ kunnen vinden.

Toch was het iedere dag echt balen.

Wat wil ik?

Wat ligt mij?

Wat moet ik doen en hoe doe ik het? Hoe laat ik ten minste deze knagende onvrede verdwijnen? Zolang zelfs dat niet duidelijk is, blijft alles vaag, en ik wil niet meer zo doorgaan, het zit me dwars... Zo maakte ik me boos om onvervulde dromen die aan me voorbijgingen, om een werkelijkheid die onbereikbaar was ook al stond ik op mijn tenen. De handschoenen waren inderdaad niet louter handschoenen.

Ik kreeg een hekel aan mijn eigen karakter.

Ik dacht: als het zo doorgaat, zal mijn verdere leven één lange klaagzang zijn. Ik dacht: zal ik niet alleen deze winter maar ook de hele volgende winter zonder handschoenen doorbrengen? Ik dacht: zo begaafd of aantrekkelijk ben ik nu ook weer niet, en toch mik ik steeds hoger en ken ik geen ‘dankbaarheid’ of ‘rust’, nee, ook al trouw ik, met zo’n karakter lukt het nooit.

Nu je het zegt, ook van mijn vader kreeg ik de wind van voren.

‘Nu je jong bent, gaat het nog. Dankzij je natuurlijke charme vergeeft je omgeving het. Maar naarmate je ouder wordt, zul je jezelf met zo’n instelling alleen maar in moeilijklijkheden brengen.’

Ik moest me hier serieus over bezinnen.

Ik moest me herpakken.

Die avond nog, op dat eigenste moment.

Ik liep door de achterstraatjes van Yotsuya. De geur van avondeten, gehuil van een baby, het geluid van een radio, en toen, wellicht omdat iemand het bad had laten leeglopen, steeg uit de goot de stank van kalkaanslag op, wat me vreemd genoeg naar gezelligheid deed verlangen. Wat was er mis met zo’n leven? Mijn uiterlijk en mijn talent konden ermee door, dus zolang ik een baan en een partner van mijn niveau koos en voortaan omlaag en naar voren keek in plaats van omhoog, zou ook mij ongetwijfeld een zekere mate van geluk wachten. Het zou tevens een daad van piëteit zijn tegenover mijn ouders, die uitkeken naar het huwelijk van hun oudste dochter.

Maar uiteindelijk besliste ik: laat ik maar doorgaan zoals ik bezig ben.

Als onmogelijk hoge verwachtingen koesteren een vervelende karaktertrek van me is, laat ik die vervelende trek dan maar ten volle omarmen. Dat besliste ik. Van toen ik twee, drie jaar oud was tot nu ik de twintig voorbij was, hadden ouders en leraren me gewaarschuwd, en ik had ook zelf best wel geprobeerd te veranderen, maar er veranderde niets. Zou ik deze kwaal hoe dan ook niet tot mijn dood met me meedragen?

Ik had daar en dan een compromis kunnen sluiten en vrede nemen met schappelijke handschoenen, maar als ze me niet echt bevielen, zou ik ze uiteindelijk niet hebben gedragen. Ik had kunnen doen alsof ze me bevielen, maar dat zou niet meer zijn geweest dan een goedkoop toneelstukje om bij mezelf in het gevlij te komen. Het had niets veranderd aan mijn eigenlijke onvrede. Integendeel zelfs: mijn onvrede verdoezelen en het doen voorkomen alsof ik het enorm naar mijn zin had, was volgens mij een dubbele, ja een driedubbele leugen.

Het is gênant om dit te zeggen, maar ik ben iemand met extreem sterke wereldlijke lusten. Ik wil goeie spullen dragen, ik wil lekkere dingen eten, ik wil mooie schilderijen. Als ik een zwarte kat wil, wil ik die tot elke prijs. En ik blijf mopperen en zeuren tot ik ze heb.

Toen ik jong was, geneerde ik me wel degelijk voor deze tekortkoming van me en streefde ik naar een ‘geestelijk’ leven. Maar vergeleken bij de geestelijke structuur van grootse figuren over wie ik in boeken lees, zal ik wel aardser in elkaar zitten. Als mijn kleren, voeding en woonplaats niet aan mijn eigen smaak voldoen, raakt ook mijn geest verstoord en word ik een gemeen mens. Wat moest ik aanvangen met mijn nare zelf? Ook daarover dacht ik na.

En toen... nam ik een beslissing.

Ik zou ophouden met al die bezinning...

Hoewel ik een perfectionist ben, zie ik er vreemd genoeg tegen op echt moeite te doen om mezelf op de vingers te tikken. Ik ben sluw genoeg om ad hoc heel eenvoudig enig zelfonderzoek te doen. Ook al vind ik diep in mijn hart niet dat ik iets onvergeeflijks heb gedaan, als ik denk dat excuses mezelf of mijn omgeving vooruit zullen helpen, excuseer ik me probleemloos, bezin me over mijn daden en maak mezelf wijs dat ik door dit zelfonderzoek mijn zonden heb uitgewist, waardoor ik geen enkel schuldbesef heb, een dag later ben vergeten waarover ik me heb bezonnen en weer dezelfde fouten bega.

Kwam dit er niet op neer dat ik mijn geweten een flatterende spiegel voorhield en stroop smeerde bij mijn eigen ijdele hart? Want ik vroeg me af: de dagelijkse boekhouding van mijn geest vertoont dan wel kleine schommelingen in de balans, maar als ik het bekijk op de langere termijn van ‘een heel leven’, is het dan niet zo dat er geen enkele verandering is en me eigenlijk alleen de zelfvoldoening rest dat ik me elke dag bezin?

Ik veronderstel dat er ook mensen zijn die zich echt uit de grond van hun hart bezinnen en de resultaten daarvan omzetten in de praktijk. Mijn bezinning was echter puur plichtmatig.

Dus nam ik me slagvaardig voor: als het zo zit, geen halfslachtige bezinning meer om mijn geweten te sussen. Als het geen bezinning is uit het diepst van mijn ziel, als ik geen wroeging heb waardoor mijn lijf gaat trillen van schaamte, ook al ziet niemand me, ook al ben ik in het donker, wat voor bezinning is dat dan? Alleen in mijn dagboek noteren dat ik aan bezinning heb gedaan, bezinning als een soort ritueel voor het slapengaan, dat is niet anders dan schijnheiligheid, zo meende ik.

Als je bloemen probeert te schikken, snap je goed hoe moeilijk het is een tak te verbuigen. Je bent uiterst voorzichtig om hem niet te breken en neemt ruim de tijd om zijn richting stukje bij beetje aan te passen, maar als je even niet oplet, of na verloop van tijd, keert de tak toch terug naar zijn natuurlijke staat, als om te spotten met de hoogmoed van de mens. Is het dan niet gepaster dat je een tak in zijn oorspronkelijke staat schikt zodat hij zijn eigen leven kan leiden, ook al is die staat dan niet meteen van een uitmuntende schoonheid, zo meende ik.

Ik haat de uitdrukking ‘nette armoede’.

En ook het woord ‘bescheidenheid’ kan me niet bekoren.

Dat komt ook doordat er om me heen nooit iemand is geweest die me het gevoel gaf dat deze woorden mooi waren. Het is een beetje cru gesteld, maar als ik mijn gevoelens eerlijk verwoord: nette armoede is de martelaar uithangen.

En bescheidenheid komt op mij onvermijdelijk over als hoogmoed en schijnheiligheid.

Hebberigheid ligt meer in mijn aard dan nette armoede, en als iemand me het gevoel geeft dat hij ondanks zijn nederigheid naar erkenning hengelt, of verdacht zijn best doet om me te kennen te geven hoe deugdelijk hij wel is, is dat genoeg om een hekel aan hem te krijgen. Geef mij maar vrienden die, zonder enige schroom of schone schijn, eerlijk zeggen: ik wil geld, ik wil status, ik spreek vlot Engels.

Uiteindelijk liep ik die avond tot het station van Shibuya, om daar de Inokashiralijn te nemen. Maar in de trein nam ik me het volgende voor: laat ik vanaf morgen bij wijze van test alles doen wat me tot nu toe stoorde aan mijn karakter en volgens mij zeker moest worden gecorrigeerd.

De volgende ochtend begon ik de vacatures in de kranten te doorlopen. Ik reageerde op een advertentie voor redactrice in de rubriek ‘vrouwelijk personeel gezocht’ in de krant De Asahi en werd aangenomen. Als ik meteen zou vertrekken bij het bedrijf in Yotsuya waar ik tot dan toe werkte, zou dat problemen geven en een poosje ging ik daarom na mijn dagtaak in Nihombashi nog naar Yotsuya, om daar ’s avonds mijn lopende opdrachten af te handelen.

Terwijl ik de redactie deed van filmtijdschriften gespecialiseerd in westerse cinema, won ik in één keer tweeëntwintig jaar van halsstarrige ontzegging terug.

Genoegen nemen met middelmatige spullen omdat ik anders het verwijt kreeg dat ik op luxe was ingesteld, dat deed ik niet langer. In deze periode besteedde ik bijvoorbeeld drie maandsalarissen aan één Amerikaans badpak. Dat salaris stelde natuurlijk niet veel voor, dus dit soort luxeaankopen betekende: niet uitgaan om iets te drinken, mijn zelfgemaakte lunch meenemen naar het werk en verder geen nieuwe kleren.

Ik had het elastische badpak, gemaakt voor wedstrijdzwemmen, gezien in een Amerikaans tijdschrift. Het was zwart, zonder enige versiering. Ik wilde ermee zwemmen in een staalblauwe zee. Drie maanden in armoede leven om dit verlangen te vervullen was dwaas in andermans ogen, maar mij kostte het niet de minste moeite. Integendeel, ik vond het verkwikkend. Ik gebruikte dit badpak tien zomers lang, en gaf het toen door aan een vriendin die prat ging op haar zwemkunsten en zeurde dat ze het zo graag wilde, zodat het daarna nog een hele poos zijn nut zal hebben bewezen.

Bemachtigen wat je wilt, vergt geduld en pijn. Maar omdat ik het doe zonder mijn zelfzucht te verbuigen, zeur ik er niet over en zoek ik geen uitvluchten. En ik heb ook ontdekt dat het bijzonder goed is voor mijn geestelijke gezondheid, zo mag ik wel stellen.

Het badpak is maar één voorbeeld van hoe mijn onmogelijke verlangens steeds sterker en mijn verwachtingen steeds hoger bleken te worden in die periode dat ik redactiewerk voor filmtijdschriften deed.

Films gemaakt door anderen voorstellen en recensies geschreven door critici opnemen gaf me geen voldoening. Ik wilde ook zelf dingen creëren en zo volgde ik zelfs een jaar lang privéles hoeden maken.

Aan het eind van mijn twintiger jaren begon ik per toeval een baantje als tekstschrijver voor een radiodeejay. Tot nu toe had ik in de wereld van het geschreven woord gezeten en was muziek een hobby geweest, maar nu kwamen deze twee dingen samen. Ik vond het boeiend hoe geschreven woorden klanken werden en vrij in het rond huppelden. Drie jaar deed ik dit met hart en ziel, zonder me door iets anders te laten afleiden. Maar ook dit werk wende en ik vond de beperking van vijf minuten per keer een beetje onbevredigend. Tegen de tijd dat mijn gebruikelijke ongenoegens en hogere verwachtingen langzaamaan de kop opstaken, kwam een baan als reportageschrijver voor een weekblad op mijn pad.

Een tijdlang vertrok ik ’s ochtends om negen uur naar de uitgever, werkte tot de middag naarstig aan mijn bureau, keek na een haastige lunch een voorvertoning, ging naar de tearoom (waar je per uur betaalde) in de kelder van het gebouw van De Asahi, schreef daar mijn teksten voor de radio, sprong ’s avonds binnen op de redactie van het weekblad in Tsukiji en sloot me vervolgens tot na middernacht op in een herberg in de buurt om weer teksten te schrijven. Zo’n soort leven leidde ik.

In die periode stak ik op een dag het kruispunt van Ginza Yonchome over, toen ik me ineens afvroeg: waarom al die hectiek, waar ben ik in godsnaam mee bezig? Ik moest lachen om mezelf. Een vriendin betrapte me daarop en vroeg met een serieus gezicht: ‘Wat is er zo grappig?’

Is er niet iets wat me nog meer boeit?

Nog meer, nog meer... Uit pure nieuwsgierigheid dwaalde ik de rest van mijn twintiger jaren rond als een hongerige wolf. En je oogst wat je zaait. Ik ontving ooit van drie bedrijven tegelijk een maandloon en als ik niet uitkeek sliep ik amper. Maar misschien was die spanning juist goed, want ik werd gelukkig niet ziek, en later, zoals zich een rivier vormt wanneer genoeg water samenstroomt (zo voelde ik het zelf aan), gaf ik mijn vaste baan op, stopte met de radio en legde me uitsluitend toe op scenario’s voor tv-films, wat me persoonlijk het meest boeide. En dat doe ik nu al zeven jaar.

Die winteravond toen ik tweeëntwintig was...

Wat als ik niet was getrakteerd op een kom soba? En wat als ik die warme raad niet had gekregen? Ik denk niet dat ik dan met diezelfde verbetenheid over mijn vervelende karakter zou hebben nagedacht. In elk geval ben ik persoonlijk, eerder dan conceptueel of abstract, bijzonder pragmatisch ingesteld.

De raad van mijn superieur toen had een averechts effect.

Welbeschouwd waren zijn woorden een voorspelling van mijn huidige ik.

De ik die, hoewel al een flink eind in de veertig, niet getrouwd is en zonder enige werkzekerheid scenario’s voor tv schrijft.

Bovendien heb ik nog steeds niet de voldoening dat ‘dit het nu is’ en spartel ik tegen zonder van ophouden te weten, me afvragend of er toch niet ergens iets is wat me nog meer boeit, of er voor mij toch niet nog iets anders is weggelegd.

Misschien citeer ik het niet helemaal correct, want het is al zeven, acht jaar geleden, maar in een boek van Tatsuzo Tachikawa las ik een passage in de zin van: ‘Tegenwoordig noemen ze een vrouw die niet wil aanvaarden dat het genoeg is geweest een kreng.’

Ik vond dat rake woorden.

Onlangs bekeek ik een album uit mijn kindertijd en kwam tot de vaststelling dat ik niet één foto had waarop ik glimlachte als een lief meisje.

Meisje of niet, ik staarde de fotograaf uitdagend aan of keek nukkig, een van beide. En ik trok een onrustig gezicht, alsof ik voortdurend ‘naar iets op zoek was’.

Als ik me destijds had bezonnen over mijn vervelende karakter, met die hoge verwachtingen en onmogelijke verlangens, als ik dankbaar was geweest voor bescheiden geluk en dagelijkse rust niet had gewantrouwd, met wat voor gezicht zou ik dan eigenlijk sindsdien de helft van mijn leven hebben geleid?

Ik ben God niet, dus ik weet het niet.

Maar tenzij ik word herboren, is plastische chirurgie van mijn geest uitgesloten, veronderstel ik.

Uit eigenliefde en ijdelheid, precies wat me het meest stoorde aan mezelf, was ik onwillig mijn eigen gebreken te verbeteren, maar ik heb kordaat gezegd: maak hier dan je geestelijke noemer van.

Het voordeel daarvan is dat ik, als je het louter formeel bekijkt, op mijn bescheiden manier als vrouw op mijn eigen benen sta, neem ik aan. In de ogen van de goegemeente ben ik dan weer iemand die nog steeds niet is gesetteld met man en kinderen en bij haar overlijden helemaal alleen zal zijn. Of je dit als een geluk of een ongeluk ziet, zal afhangen van mens tot mens. Ook als je mij persoonlijk vraagt welk van beide het is, moet ik je het antwoord schuldig blijven.

Ik kan alleen dit zeggen.

Als ik toen – die avond toen ik tweeëntwintig was – ook maar het minste compromis had gesloten, zou ik dan, mijn eigen aard in acht genomen, uiteindelijk toch niet hebben geklaagd en gezeurd over mijn manier van leven?

Toegegeven, over mijn huidige ik klaag ik ook.

Ik ben boos op mezelf omdat ik met de jaren omzichtiger en sluwer ben geworden.

Ik erger me omdat mijn lichaam niet volgt als mijn geest op volle toeren draait.

Ik heb misprijzen voor mezelf omdat ik uitbazuin dat ik muziek wil studeren en talen wil leren, terwijl ik te lui ben om een serieuze inspanning te doen.

En ik voel me minderwaardig vanwege mijn karige talenten.

En toch, als ik één dierbare eigenschap van mezelf kan noemen, is het dat ik ook nu nog ‘op zoek ben naar handschoenen’.

Wat voor handschoenen wil ik?

Dat weet ik zelf ook niet.

Maar hoe dan ook, persoonlijk ben ik nog nooit op een boek gestoten waarvan ik kan zeggen: dat zal ik zelfs op een onbewoond eiland nooit moe worden, noch ken ik een plaat waarvan ik zeg: zolang ik deze maar heb, hoef ik geen andere muziek... En hetzelfde geldt voor een man als levensgezel.

Waarschijnlijk verlang ik echt het onmogelijke. Iets wat ik mijn hele leven niet te pakken krijg ook al loop ik tot ik erbij neerval, zoals bij Don Quichot en zijn windmolens. Maar tegenwoordig ben ik toch ook een beetje trots op mijn levenswijze, hoe ik op deze leeftijd nog altijd, zonder handschoenen die bij me passen, zo min mogelijk zoete broodjes bakkend bij de god van het lot, een tikje uitdagend, als een voddenraper toch weer nog wat verder loop, terwijl ik rusteloos omhoog en om me heen kijk, op zoek naar wat ik wil.

Ik weet ook wel dat wat ik heb geschreven een verwaande poging tot zelfrechtvaardiging is. Maar wat ik aan de hand van dit verhaal over mijn eigen paradoxale snoeverij probeer te vertellen is gewoon dit: zorg je er in je jeugdige onschuld door al dat verbeten zelfonderzoek niet voor dat je de tak met je persoonlijkheid – en ik vind dat dit zich gaandeweg eerder openbaart als een zwakte dan als een sterkte – onherroepelijk verbuigt?

 

Vertaling uit het Japans: Luk Van Haute

 

Afbeeldingen: Nikolaas Demoen, A Possible Journey, video in loop, 2010 

 

Oorspronkelijk verschenen als ‘Tebukuro o sagasu’ in Yonaka no bara (Een roos in de nacht), Tokio, Kodansha, 1981.