Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 209 januari-februari 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jan De Vylder en Inge Vinck

Omdat architecten vaak niet veel tijd meer hebben om te schrijven (of te lezen) – ze moeten vooral projecten in de wacht slepen en gebouwen realiseren – heeft het maken van tekeningen in vele gevallen het denken of het reflecteren vervangen, en dus ook het opstellen van een eigen theorie. Door te tekenen – en vooral door veel te tekenen – ontwikkelen architecten niet alleen een consistente blik op de wereld, ze bedenken meteen ook manieren om in die wereld in te grijpen. Tekeningen komen relatief snel tot stand, ze kunnen in één oogopslag gedeeld en begrepen worden, en ze onderhouden bovendien een schijnbaar onmiddellijke relatie met de werkelijkheid – door te imiteren wat bestaat, of door vooruit te wijzen naar wat zou kunnen bestaan.

Oktober vorig jaar verscheen in de reeks kunstenaarspublicaties Posture Editions een lijvige verzamelbundel met handgemaakte tekeningen van architect Jan De Vylder, die een decennium lang deel uitmaakte van architecten de vylder vinck taillieu, een samenwerkingsverband dat in 2019 uiteenviel in een duo (Jan De Vylder en Inge Vinck) en een eenmanspraktijk (Jo Taillieu). Posture Editions bestaat ondertussen ook bijna tien jaar – het boek van De Vylder is nummer 38 in de reeks – maar het is voor het eerst dat er werk van een architect wordt gepubliceerd. Dat betekent echter niet dat deze tekeningen autonome kunstwerken worden, en De Vylder een artiest. De meer dan driehonderd tekeningen in dit boek kunnen niet anders bekeken worden dan als de creaties van een architect, en dus van iemand die de wereld bekijkt – het klinkt negatiever dan het is – als een haast oneindig grote verzameling opportuniteiten.

De teksten in het boek zijn geschreven door Els Roelandt en door het Zwitserse curatorenduo Fredi Fischli en Niels Olsen. Hun bijdrage is getiteld ‘Diefstal is zien’: ‘De Vylders rusteloze blik’, zo schrijven Fischli en Olsen terecht, ‘volgt een dérive die inherent verbonden is met een verlangen om te maken.’ Dat verlangen vertrekt echter altijd van wat reeds bestaat, net zoals de architectuurprojecten waar De Vylder aan meewerkte. Een gebouw is altijd een verbouwing; zelfs als de kavel helemaal leeg is, valt er ergens nog wel iets te vinden waar het nieuwe ontwerp aan kan vastgeknoopt worden. Het is niet meer dan consequent dat De Vylder tekeningen maakt in cahiers met ruitjespapier. In onze overvolle en volgebouwde wereld is het lege blad een romantische illusie; in alles wat we doen, denken, verlangen of tekenen, schemert een culturele achtergrond door, als een haarfijn licht raster dat je vaker wel dan niet vergeet.

De Vylder schetst snel, gejaagd zelfs, met vaak wilde strepen – langer dan een tiental minuten is er waarschijnlijk niet aan een tekening gewerkt. Hij gebruikt balpennen (rood, zwart, groen en blauw) of kleurpotloden, en in sommige gevallen beide. De selectie, gemaakt door Nikolaas Demoen en Katrien Daemers van Posture, is gevarieerd. Soms gaat het om perspectiefschetsen of plannen die zo in een projectbundel passen, en die door De Vylder in een legende bij elke tekening achteraan in het boek ook met een ontwerp verbonden worden. In andere gevallen zijn de tekeningen abstracter: groene dikke lijnen, bijvoorbeeld, als een massa wanordelijk gerangschikte, rechtopstaande lucifers – ‘Het loutere tekenen. Altijd maar dat loutere tekenen’, aldus de toelichting – maar ook in dit geval kan er iets in herkend worden, zoals een stug heidelandschap, of een hoeveelheid bouwmateriaal die op verwerking wacht.

In maart vorig jaar verscheen er nog een ander boek met tekeningen die De Vylder maakte samen met Inge Vinck: Verveling / Verveeling / Vervelling. Het gaat om het eerste nummer van Gallery Magazine, een initiatief van Jonathan Robert Maj en Johannes Ströhmenger Berry. Het boek bij Posture Editions heeft nog iets weg van een half ironische, half frenetieke pastiche van het klassieke schetsboek van een gevierd groots architect (genre Álvaro Siza, Frank Gehry of Le Corbusier), maar deze publicatie is erg ongewoon en raar. De tekeningen zijn namelijk noch met de hand gemaakt, noch met de gebruikelijke computerprogramma’s die architecten hanteren, zoals AutoCAD, SketchUp of ArchiCAD. De Vylder en Vinck tekenen, wanneer ze geen potlood bij de hand hebben maar wel een computer, met Microsoft Excel, een programma voor rekenbladen, gebaseerd op een raster, dat in 1985 op de markt werd gebracht. Uiteraard is dat een vorm van oneigenlijk gebruik, en hoewel dat altijd iets romantisch of wereldvreemds heeft, draait het in dit geval ook uit op niets minder dan een hommage aan deze software. Excel blijkt, althans in de handen van De Vylder en Vinck, een programma met ongekende mogelijkheden – zelfs dieptewerking en perspectief weten ze, bijvoorbeeld in de geveltekening voor een recent huis in Gent, weer te geven aan de hand van deze spreadsheet. In de meeste gevallen wordt echter de totale abstractie dichter benaderd dan in de handgemaakte tekeningen – er staan ruitjespatronen in het boek die geproduceerd lijken door een computerscherm waarvan de grafische kaart als het ware is gesmolten, of die (integendeel) de onopvallende en alledaagse rust benaderen van een even fris als ouderwets tafelkleedje (wat aantoont dat architect-kunstenaar René Heyvaert een belangrijk voorbeeld is voor De Vylder, zoals ook al bleek uit de documentaire Het koninkrijk van René Heyvaert van Canvas uit 2018).

Karl Marx beschreef in 1867 in Das Kapital hoe technologie mensen werkloos en overbodig dreigt te maken, omdat ze slechts over vaardigheden beschikken die machines sneller en goedkoper te gelde kunnen maken. Het bedienen van die machines wordt al snel afstompend, en maakt concepten als arbeidsvreugde, kunde en talent tot een aanfluiting. ‘Samen met het arbeidswerktuig’, schreef Marx, ‘gaat ook de virtuositeit van de arbeider bij het hanteren van dit werktuig over op de machine.’ Door met plezier en inventiviteit tekeningen en schetsen te maken met het computerprogramma dat daar het minst van al geschikt voor lijkt, herwinnen De Vylder en Vinck iets van de virtuositeit die door de meer gebruikelijke architectuursoftware is opgeslokt – en die misschien tot steeds gesofisticeerdere tekeningen heeft geleid, maar ook tot een meer voorspelbare en gereguleerde bouwproductie. Zo wordt tekenen niet alleen een manier om grafisch over architectuur na te denken, maar ook om onvermoede uitwegen, onvervalste arbeidsvreugde en onbenutte kansen te ontdekken, in de echte wereld zowel als in de tools waarover architecten beschikken. Er is een tekst van Boris Groys, over het werk van Raymond Pettibon, die ‘The Drawing Rescues Poetry’ heet. Naar analogie daarmee zouden deze boeken onder één titel uitgegeven kunnen worden: ‘Het tekenen redt de architectuur’.

 

 Jan De Vylder, Wat. Is. Dit. Waar. Was. Dat. Wanneer. Zal. Het. Wat. Was. Het. Wanneer. Is. Dit. Waar. Zal. Dat., Gent, Posture Editions, 2020, ISBN 9789491262395; Jan De Vylder, Inge Vinck, Verveling / Verveeling / Vervelling, Gent, Art Paper Editions, 2020, ISBN 9789493146495.