Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 209 januari-februari 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Vlaanderen excelleert!?

In de herfst van 2019, het lijkt een eeuwigheid geleden, kondigde de destijds nieuwe Vlaamse regering (NV-A, CD&V, Open Vld) drastische kunst- en cultuurbezuinigingen aan: een korting van zestig procent in één keer op projectsubsidies, naast zes procent op de structureel ondersteunde instellingen, per direct door te voeren. Het protest daartegen, op gang getrokken door het platform State of the Arts, was massaal en goed georganiseerd. Nu maken de afdelingen cultuur van vakbonden ABVV-ACOD en ACV in Vlaanderen excelleert!? de balans op, door enkele gepubliceerde opiniestukken (van onder meer Luc Tuymans en Tom Lanoye) en protestspeeches (Michaël Pas, Alix Konadu) met nieuwe teksten (onder anderen Gaea Schoeters, Fikry El Azzouzi, Charlotte De Somviele) in één boek samen te publiceren.

In een artikel gebaseerd op een themanummer van rekto:verso verbreedt Wouter Hillaert (initiator van burgerbeweging Hart boven Hard) het blikveld door over de grens te kijken. Hij laat vier constanten zien in het cultuurbeleid van rechtse, vaak neoliberaal georiënteerde regeringen. Deze beleidsmakers hebben allereerst oog voor grote, prestigieuze kunstinstellingen, wat ten koste gaat van middelgrote of kleinere initiatieven. Het idee is dat grote kunsthuizen meer (nationale) roem en geld genereren, en op de achtergrond speelt ook de overtuiging dat ze politiek beter te sturen zijn. Hillaert brengt daar tegenin dat (Australisch) onderzoek leert dat kleinere instellingen bij elkaar genomen meer publiek trekken dan de grootste huizen, en doorgaans relatief gezien minder kostbaar zijn. Ten tweede vindt er onder een rechtse regering vaak een budgetverschuiving plaats van hedendaagsekunstproducties naar erfgoed. Laten we niet vergeten, stelt Hillaert, dat het cultuurbudget in Vlaanderen op hetzelfde niveau bleef, het geld werd alleen anders verdeeld, bijvoorbeeld met extra subsidies voor het openluchtmuseum Bokrijk. Ten derde is er de neiging van rechtse politici om te benadrukken dat kunstenaars te afhankelijk zijn geworden van subsidies, en dat ze meer moeten ondernemen, hoewel politieke partijen zelf net zo goed – en meer dan de kunsten – gebruikmaken van overheidsfinanciering; dit soort argumenten kunnen dus als hypocriet terzijde worden geschoven. Ten vierde hebben vooral nieuwrechtse overheden de neiging kunstinstellingen ideologisch te muilkorven. Hongarije en ook Polen zijn daar schrikwekkende voorbeelden van. Hillaert stelt dat het in Vlaanderen bij wet geregeld is (in het zogeheten Cultuurpact) dat afgevaardigden van de verkozen politieke partijen naar evenredigheid zitting nemen in de besturen van culturele instellingen, en dat de politiek in die zin altijd medezeggenschap heeft. Vlaanderen is nog ver verwijderd van het Hongaarse illiberale model – Jan Jambon is geen Viktor Orbán. Maar er zijn voorbeelden van Vlaamse cultuurhuizen met een rechtse mandataris in de bestuursraad die de directie om uitleg heeft gevraagd over artistieke keuzes. En de publieke omroep VRT wordt onder druk gezet vanwege een zogenaamd linkse berichtgeving. Hier komt de voor een democratie wezenlijke vrijheid wel degelijk onder druk te staan. Dat minister-president Jambon óók minister van cultuur is geworden, duidt erop dat de NV-A kunst en cultuur wil inzetten voor een nationalistisch project.

Waar Hillaert afweegt hoe de regering Jambon in het nieuwrechtse kader past, zoekt Robrecht Vanderbeeken van ABVV-ACOD Cultuur de confrontatie op met de NV-A, en met name met Bart De Wever, burgemeester van Antwerpen, maar ook al zestien jaar zonder enige concurrentie voorzitter van deze partij. Vanderbeekens militante betoog galmt van woede en verontwaardiging. Als De Wever het woord ‘onthechte cultuurdragers’ in de mond neemt, leest Vanderbeeken entartete Kunst, en als het woord volk valt, dan denkt Vanderbeeken hardop aan het Herrenvolk. Het is niet alleen zo dat rechtse populisten vooralsnog wel varen bij zulke suggesties, of dat de verhitte argumentatie het niveau heeft van een laat op de avond geplaatste Facebookpost, het problematische is dat Vanderbeeken een huidige of komende ‘cultuurstrijd’ zo dik in de verf zet, dat er voor de kunsten geen ontkomen meer aan lijkt. Valt zo’n culture war te winnen? En blijft er in dat geschetste oorlogskader ruimte over voor kunst zonder evidente politieke boodschap?

Ine Hermans zoekt namens ACV Puls een ander perspectief: ze laat de sociale schade zien die een terugtredende overheid veroorzaakt. Achter de schermen van theaters, musea en concertzalen werken lichttechnici, bibliotheekmedewerkers en productieleiders. Zij lopen grote kans bij een bezuinigingsoperatie, als ze in vaste dienst zijn, op straat te belanden. De situatie in Nederland, legt Hermans uit, is wat dat betreft alarmerend. Veel cultuurwerkers zijn actief als zelfstandigen, in vaak precaire omstandigheden: in moeilijke tijden drogen opdrachten gewoonweg op.

Pogingen om zelf sociale vangnetten te organiseren, bijvoorbeeld in zogeheten broodfondsen, zijn hard nodig, maar blijven symptoombestrijding in een systeem dat postbezorger, ouderenhulp en decorbouwer in de rol van kleine ondernemer dwingt. Waar het om gaat is een kunstsector met goede sociale statuten – en een budget om die statuten waar te maken. Dat zou je haast vergeten in debatten over het kunstbeleid, die nogal eens verzanden in de vraag wat kunst allemaal vermag.

In Vlaanderen hebben cultuurwerkers met een ‘zelfstandigheidsverklaring’ een voordeel ten opzichte van Hollandse zzp’ers, zelfstandigen zonder personeel die niet verplicht zijn een pensioen op te bouwen, meestal geen arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, maar wel een (binnenkort sterk verminderde) belastingvrijstelling krijgen. Vlaamse cultuurwerkers kunnen gebruikmaken van werkeloosheidsvoorzieningen als ze een tijdje zonder werk zitten – ze hoeven dan niet meteen op hun spaargeld te teren. En werkloosheidsuitkeringen worden in België via de vakbonden uitgekeerd, wat een verklaring is voor de sterkere syndicale positie. Het loont om lid te zijn, en bijgevolg zijn de kunstvakbonden, en daardoor de kunstenaars, beter georganiseerd.

De projectbesparingen van zestig procent werden uiteindelijk vanwege het uitbreken van de coronapandemie uitgesteld en in oktober 2020 vervangen door het ‘corona-relanceplan’. Momenteel is de situatie in het kunstenveld, en daar niet alleen, dramatisch. Tal van instellingen hebben ondanks tijdelijke overheidssteun werknemers moeten ontslaan (en freelancers uitgezwaaid); niemand weet wanneer het publiek mag terugkomen, en of het dat dan gretig en massaal zal doen. Eén ding is duidelijk geworden: excelleren doe je nooit in je eentje.

 

 Ine Hermans, Robrecht Vanderbeeken (red.), Vlaanderen excelleert!?, Berchem, EPO, 2020, ISBN 9789462672055.