Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 210 maart-april 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Lieux de Papier. Adrien Tirtiaux en Jef Geys

In 1988 wordt Jef Geys (1934-2018) door toenmalige curator Franz Kaiser uitgenodigd om een tentoonstelling te maken in Le Magasin in Grenoble. De staalstructuur van Le Magasin werd gefabriceerd in de ateliers van Gustave Eiffel. Na gebruikt te zijn als expositiehal op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs, werd de structuur gedemonteerd, naar Grenoble verhuisd, en weer in gebruik genomen als metaalfabriek. In 1986, als onderdeel van de grands travaux van Mitterrand, werd het gebouw heropend als kunsthal – een van de eerste keren dat industrieel erfgoed in Frankrijk tot cultuurplek werd omgetoverd.

Geys is gefascineerd door deze situatie, maar naar goede gewoonte ook sceptisch: in een fabriekshal waar metaalarbeiders hun slecht betaalde werkzaamheden verrichtten, mogen voortaan kunstenaars hun ding doen, zodat er ook ver van Parijs aan cultuur kan worden gedaan. Het is de vraag of de plaatselijke bevolking daarop zit te wachten. Le Magasin bevindt zich op de rechteroever van de Drac; aan de andere kant van de rivier staat een appartementsgebouw uit de jaren zestig. In de editie van 25 februari 1989 van het Kempens Informatieblad, waarin Geys zijn werk documenteert sinds 1965, tikt hij in drukletters op een foto van deze ‘habitation à loyer modéré’: ‘que savent-ils du ‘magasin’?’. Weinig of niets, zo blijkt uit een rondvraag.

Geys besluit een passerelle aan te brengen in Le Magasin, een smalle loopbrug aan de binnenkant van de vier muren, zoals die zich ook bevindt aan de buitenzijde van het tegenoverliggende appartementsgebouw. Van daaruit kunnen bezoekers niet alleen de wijde omgeving zien, ze kijken ook neer op de witte volumes die de Franse architect Patrick Bouchain in de grote hal heeft geplaatst om het functioneren van dit nieuwe instituut te faciliteren. In hetzelfde nummer van het Kempens Informatieblad schrijft Geys: ‘Een passerelle bevindt zich altijd op een zekere hoogte en laat de gebruiker toe om van boven naar beneden te kijken (te consulteren). […] Een passerelle biedt aan de gebruiker een nieuw uitzicht (groter) op de entiteiten die zij verbindt.’ Het doet denken aan wat Roland Barthes schreef over een andere realisatie van het atelier van Eiffel, de Eiffeltoren (1889): elke bezoeker kan tijdens een beklimming een structuralist worden, die door naar beneden te kijken kan begrijpen hoe de dingen en de plaatsen geordend zijn en wat ze betekenen – ‘je kennis worstelt met je perceptie, en in zekere zin is dat nu juist intelligentie’.

Kaiser wordt echter door Bouchain aangeraden het plan niet eens in overweging te nemen: te gevoelig (in een historisch gebouw), onrealiseerbaar (op constructief vlak) en onveilig (kinderen zouden naar beneden kunnen vallen of springen). Geys besluit zijn voorstel dan maar te documenteren, en dat tentoon te stellen in Le Magasin. Recentelijk ontdekte Sofie Dederen, die door de erfgenamen van Geys gevraagd werd zijn archief te beheren, dat er in 1989 een nooit op de markt gebrachte editie, getiteld De passerelle en passerelle, aan het werk in Grenoble werd gewijd – een map met plannen, foto’s, tekeningen en fotokopieën, op vijftien exemplaren. Dederen opende begin dit jaar, samen met Wim Viaene, in Antwerpen een galerieruimte: Otty Park. De openingstentoonstelling, Lieux de Papier, nam deze editie als vertrekpunt voor de presentatie van een aantal werken en projecten van de Belgische kunstenaar Adrien Tirtiaux (1980), die in 2018, net als Geys, werd uitgenodigd werk te maken in Le Magasin, ditmaal door de huidige directrice Béatrice Josse.

Het wedervaren van beide kunstenaars in Grenoble toont op geconcentreerde wijze de evolutie van de institutionele kritiek, als er van die term nog sprake kan zijn. Zoals Tirtiaux vaker doet, heeft hij zijn avonturen in Grenoble weergegeven in een stripverhaal, dat ook als editie verschijnt, en waarvan de originele tekeningen op Lieux de Papier aan de muur hangen. Zijn eerste voorstel was om Le Magasin tijdelijk te laten overstromen met water van de Drac, iets wat de directrice maar niks vond. Daarna bedenkt hij – Tirtiaux studeerde architectuur – een ingrijpende aanpassing van de ruimtes die meer dan dertig jaar geleden gebouwd werden. Ditmaal is de directrice enthousiast, en ze spreekt over een ‘retournement de situation’ die symbolisch zou kunnen zijn voor de toekomst van Le Magasin. Dan duikt Patrick Bouchain weer op: voor hem is het voorstel uiteraard geen probleem, maar hij wijst er fijntjes op dat de stad moeite zal hebben met een wijziging van de architectuur, wat inderdaad het geval blijkt: het is verboden om iets aan de ruimtes van Le Magasin te veranderen. Wat wel mag, en wat Tirtiaux uiteindelijk voorstelt, is de muren zodanig bewerken dat er sporen aan het licht komen van dertig jaar tentoonstellen, door bijvoorbeeld lagen verf cirkelvormig weg te schuren – iets wat Pierre Huyghe in 1999 ook al deed in de Secession in Wenen – of door panelen uit te breken zodat de voormalige toestand zichtbaar wordt.

Geys bekritiseerde Le Magasin door te wijzen op de kloof met de lokale bevolking, en maakte de arrogantie of de hypocrisie van de macht (en van de architectuur) voor iedereen zichtbaar vanaf een passerelle. Om de eigen interne contradicties te onthullen heeft een instituut zulks nu niet meer nodig. De gebouwen van Le Magasin worden al jaren aan hun lot overgelaten, politici zijn niet meer geïnteresseerd in de emancipatie van de periferie, en de lokale bevolking kent het instituut ondertussen maar al te goed, zij het als een plek waar een ‘radicale eco-feministe’ belastinggeld verkwist, zoals de website Grenoble Le Changement (een lokale Breitbart) het eind februari van dit jaar nog omschreef. Tirtiaux lijkt zich van deze evoluties bewust, maar eerder dan ze aan te kaarten of in vraag te stellen, neigt hij – zo toont vooral het stripverhaal – tot medelijden met alles wat de gedesillusioneerde medewerkers van dit noodlijdende instituut moeten doormaken.

Ook uit ander werk van Tirtiaux van het afgelopen decennium dat op Lieux de Papier wordt getoond, blijkt een meer voorzichtige en zelfs wankelmoedige positie vergeleken met de wat norse, contradictorische maar altijd zelfzekere strijd van Jef Geys. Zijn ruimtelijke interventies en kunstwerken zijn speels, maar bevatten ook een kinderlijke naïviteit die ironie uitsluit. In 2016 bracht hij bijvoorbeeld in het stadspark van Leuven houten constructies aan over de tuinmuren die aan het park grenzen, zodat openbare en private ruimte samensmelten – de ingreep wordt op Lieux de Papier tentoongesteld in de vorm een maquette die deels uit legoblokken, deels uit karton bestaat. Uit 2020 dateert een onvolledige legpuzzel van een tekening uit De Dulle Griet van Suske en Wiske, getiteld Vlaamse kanon. De brandstof van het oeuvre van Geys – verontwaardiging over het gescheiden bestaan van kunst en de ‘gewone’ wereld, hoewel beide op ongelijkheid zijn gebaseerd – is in de bezigheden van Tirtiaux verdampt, maar zijn toegankelijke vondsten en voorstellen blijven desondanks kleine vonkjes veroorzaken.

 

•   Lieux de Papier. Adrien Tirtiaux en Jef Geys liep van 22 januari tot 6 maart in Otty Park, Laar 54, Antwerpen.