Pieter T'Jonck

DE WITTE RAAF

Editie 210 maart-april 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

John M Armleder & Guests. It Never Ends

Recent opende in Kanal – Centre Pompidou in Brussel het tweede luik van It Never Ends van John M Armleder (1948). De Zwitserse kunstenaar heeft de zes etages van de showroom van de voormalige Citroëngarage naar zijn hand gezet met een tijdelijke ‘decoratie’, van voornamelijk objets trouvés; tegelijk is het een performanceproject met Armleder als curator. Het ongewoon lange parcours nodigt niet alleen uit tot een fysieke verplaatsing, maar vooral tot een mentale shift.

Het zat Armleder echter niet mee: hij nodigde, in de geest van de fluxusbeweging waaraan zijn werk verwant is, een groot aantal performers uit om een bijdrage te leveren aan zijn installatie, maar door de coronacrisis bleven die helaas weg. Veel van de getoonde objecten zijn niet van Armleder zelf, maar van bevriende (fluxus-)kunstenaars, die hij vervolgens ‘verpakt’ of ensceneert, net zoals hij dat overigens met het tentoonstellingsgebouw deed. Wanneer je via een lange hellingbaan aankomt op de tweede etage, bots je bijvoorbeeld op een kamergrote kubus bekleed met goudfolie. Daarin weerspiegelt vaag de twee etages hoge, glanzend geverfde wand die aan de voet van de hellingbaan, op de eerste etage, de werf van de voormalige werkplaatsen afsluit. Een ronde kijkopening hoog in de wand biedt vanaf de tweede etage zicht op het verbluffende spantwerk van de werkplaatsen; met een nis onderaan de wand wordt de maquette van het toekomstige museum omlijst. Armleder onthult zo het gebouw, maar sticht ook verwarring: wat is precies zijn werk en wat is gewoon werfinrichting? Om dezelfde reden heb je voordat je het weet grote delen van It Never Ends gemist. Voor een reeks van vijf even hoge, maar in breedte ongelijke doeken met een rand van glitterverf plaatste Armleder acht buisstoelen, waardoor het geheel op een hotellobby lijkt, ondanks (of omwille van) de subtiele optische effecten. Je loopt al even makkelijk voorbij aan de beiaard (2020) van Charlemagne Palestine, die je voor een kinderattractie zou kunnen slijten, of aan de tijdelijke ontvangstruimte. En wie denkt dat het opgezette wild langs de hoofdtrap daar opzettelijk is neergezet? ‘Kunst’ poseert hier als aankleding, als achtergrond.

Pas in de bovengenoemde gouden kubus – die vanbinnen kaal en wit is – krijg je ‘kunst’ te zien: een collectie dozen met miniatuurkunstwerken van fluxuskunstenaars als Dick Higgins, George Brecht en George Maciunas. Veel van de werken hebben de vorm van een reisspel, zoals een bead puzzle van Brecht of een geïmproviseerd schaakspel, maar wel telkens met de ironische draai waar fluxus het patent op had. Even ironisch zijn Armleders eigen verzameling ondersteboven opgehangen kerstbomen en Sylvie Fleury’s reuzenpaddenstoel in glasvezel en autolak uit 2008 – opgesteld naast de kubus. Stilaan tekent zich een tentoonstellingsstrategie af: kunst is hier een verstekeling die lichte verwarring zaait, maar de bezoeker ook verleidt om te spelen, rond te dollen.

Dat geldt zeker voor twee werken van Christian Marclay – met wie Armleder al vaker samenwerkte. Het eerste (Chaises musicales, 1996) is een reeks stoelen bekleed met stoffen met muzikale prints: al kun je deze stoelendans alleen in gedachten beleven. Het tweede (Ephemera, 2009) bestaat uit een reeks collages over muziek. Alsof de kunstenaar zegt: zijn concerten niet mogelijk door de coronacrisis, dan creëer je ze hier maar zelf. Intrigerender is de ‘geschenkbox’ waarin het werk getoond wordt, met name het ‘cadeaupapier’ waarin de doos is verpakt. Het gaat om paars behangpapier met repetitieve goudkleurige, ronde motieven: zeepbellen, papierkransjes voor cupcakes en complexe abstracte cirkelvormen. Aan het uiteinde van de etage blijkt dat dit derde, abstracte motief een weergave is van de drie wonderlijke bronzen bollen met zeskantige facetten die daar op een sokkel staan. Ze ontlenen hun vorm aan tekeningen van de Duitse botanicus Ernst Haeckel. Hij tekende planten op zo’n mooie manier na, dat het abstracte, decoratieve figuren werden. Opnieuw decoratie dus. Plus opnieuw lichte ironie. Tien grote discoballen contrasteren met de bronzen bollen. De rondtollende lichtvlekjes creëren een uitgelaten sfeer; hier zou je kunnen dansen, zoals Marclay al suggereerde.

Na al die opsmuk oogt Quicksand op de vierde etage kaal. De installatie bestaat uit twee meterslange, parallelle rijen rekken uit de werkplaatsen van Citroën. Her en der staan of liggen spullen die verwijzen naar auto’s, zoals een achterklep of verkeerskegels. Verder ogen de rekken leeg. Er liggen stapels oude tijdschriften over woningdecoratie en exotische reizen, een catalogus uit de jaren zeventig van de Duitse modelbaanbouwer Faller, en een brochure van Kanal uit 2019. We zien afgeschreven apparatuur, flesjes, pluchen beesten, plastic speelgoed en huishoudelijke prullaria. De collectie lijkt op wat rest na een grote opruimbeurt: dingen waarvan niemand het over zijn hart kreeg om ze weg te gooien. Toch klopt die anekdotische lezing niet helemaal. Op enkele plaatsen werpen gele en roze plexiglasplaten, die tegen de rekken zijn geschroefd, een zonnig licht op de spullen, wat suggereert dat ze juist met zorg gekozen en geëtaleerd zijn. De verzameling bevat ook een ‘sub-collectie’: ouderwetse televisieschermen tonen tweederangs (softporno) sciencefictionfilms uit de jaren vijftig en zestig. De mallotige decors en kostuums zien eruit als afdankertjes van andere films. De acteurs zijn knullig; denk aan Roger Vadim op een slechte dag. Het plot krijg je niet mee, want de klankband is vervangen door Hawaïaanse muzak. De muziek lijdt aan hetzelfde euvel als de films: ze teert ongeïnspireerd op vage verlangens van de luisteraar.

Het lange parcours langs de rekken sorteert effect: het confronteert de bezoeker met artefacten en beelden die ooit moesten bijdragen aan een sfeer van luchthartig optimisme. Achtergelaten in halfvolle rekken ‘werken’ ze nauwelijks nog, bij gebrek aan enscenering. Onwillekeurig doet de installatie denken aan de Wirtschaftswerte (1980) van Joseph Beuys, op het cruciale verschil na dat het hier niet om fundamentele materialen en waarden gaat, maar om dingen voorbij hun houdbaarheidsdatum, dingen op de dool, mislukkingen. De kunstenaar brengt geen boodschap over, maar nodigt enkel uit om deze objecten een tweede blik te gunnen.

Armleder wil niets ‘ontmaskeren’ of ‘beweren’. Er hangt melancholie over deze tocht langs objecten die zich bevinden in het vagevuur tussen kunst en decoratie, opwinding en mislukking, in een tochtige, afgedankte showroom, slechts opgefleurd met de schaarse, beschikbare middelen. Bij wijze van contrast – of hoogtepunt en sourdine – laat Armleder alles dan toch flonkeren op de hoogste etage. Met dezelfde banale materialen van Quicksand – tl-buizen, lichtgevende stenen, spiegeltjes en laserlicht – schept hij een kinderlijk-feeërieke ambiance. Een kleine verzameling fluxusfilms voegt daar een dosis uitgelaten zin voor experiment aan toe. Het is vederlichte kunst, zonder autoritaire gebaren, waarmee Armleder de rommelige wereld waarin we leven bijna teder uit zijn hengsels licht. Die kleine verplaatsing zindert na.

 

•  John M Armleder & Guests. It Never Ends, tot 25 april in Kanal – Centre Pompidou, Saincteletteplein 21, Brussel.