Nora Veerman

DE WITTE RAAF

Editie 211 mei-juni 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

III. She spins the thread, she measures the thread, she cuts the thread

Mila Lanfermeijer (1988), Ana Navas (1984) en Evelyn Taocheng Wang (1981) leerden elkaar kennen tussen 2012 en 2014 tijdens het residentieprogramma van De Ateliers in Amsterdam. Formeel gezien vormen ze geen collectief – ze hebben ieder een individuele kunstpraktijk – maar er is een sterke persoonlijke en artistieke verwantschap, gestoeld op gedeelde interesses, en eenzelfde gebruik van materialen en methodes. Een belangrijke gemene deler is de belangstelling voor appropriatie en re-iteratie. Het voortborduren op werk van anderen wordt door de kunstenaars ingezet als onderzoeksmethode om een genealogie van de vorm, functie en betekenis van objecten, woorden en ruimtes bloot te leggen. In hun tentoonstelling in Nest onderzoeken ze wat er gebeurt als kunstenaars niet alleen collega’s, maar ook vrienden en leerlingen van elkaar zijn.

De titel van de expositie verwijst naar de Griekse schikgodinnen Klotho, Lachesis en Atropos, die volgens de mythologie de levensdraad respectievelijk spinnen, meten en knippen. Enerzijds duidt de metafoor op de verweven levens van Lanfermeijer, Navas en Taocheng Wang. Anderzijds zijn zij zelf afwisselend Klotho, Lachesis en Atropos, al spinnen ze geen levens maar ideeën, die ze doorgeven, wegen, delen of afserveren. Bovendien vormt de fysieke draad – het gebruik van textiel – een formele overeenkomst in hun werk.

Voorafgaand aan de tentoonstelling sorteerden Lanfermeijer, Navas en Taocheng Wang hun werk aan de hand van gemeenschappelijke thema’s. Een daarvan was ‘huiselijkheid’, een motief dat onder meer naar voren komt in een interesse voor de materialiteit en het gebruik van objecten uit de huiselijke sfeer, zoals kleren, dekens, sieraden en stofzuigers. Architect Donna van Milligen Bielke werd gevraagd om de tentoonstelling op basis van dit thema vorm te geven. Haar praktijk kenmerkt zich eveneens door nadrukkelijke appropriatie, met name door referenties aan structuren uit de architectuurgeschiedenis. In Nest creëerde ze met tussenwanden een ‘huis’ met zeven kamers. Het vloerplan is afgeleid van de plattegrond van Villa Tasch (1875-1876) in Dresden, ontworpen door Bernhard Schreiber naar het voorbeeld van een Romeinse villa, met een centrale vestibule waar de andere kamers in een krans omheen liggen. Zoals in dergelijke villa’s gebruikelijk is, sluiten de ruimtes aaneen in enfiladesfilum is Latijn voor ‘draad’ – met deuropeningen in elkaars verlengde, zodat een doorkijk naar andere zalen ontstaat.

De kamers kregen elk een naam die de functie van de ruimte verbindt met een van de thema’s. De namen zijn gebaseerd op een reeks woordkunstwerken van Taocheng Wang en bestaan uit een radix en het achtervoegsel -er. Zo werd de vestibule ‘Moth-er’ genoemd: het hart van het huis en het begin van de expositie. Van alle drie de kunstenaars wordt in deze zaal werk getoond uit series waar ze doorlopend aan werken. Aan weerszijden hangen twee banieren van Taocheng Wang met enkele van de talloze woordkunstwerken die ze de afgelopen jaren maakte. Van Navas zien we twee kleine tableaus, een minuscule huiskamerscène en een verzameling van bekende en minder bekende logo’s ‘geschilderd’ met gevonden sieraden, kralen en fournituren. Waar Taocheng Wang de herkomst en constructie van woorden bestudeert, neemt Navas de parentage van vormen en symbolen uit onze leefwereld onder de loep. Vanaf de achterwand kijken twee cirkelvormige textielsculpturen van Lanfermeijer als blauw-bruingestreepte irissen de zaal in. In de achterliggende zaal hangen twee vergelijkbare halfronde werken in rood en wit, afgezet met ritsen en haakjes, waardoor ze eruitzien als plat opgehangen kledingstukken: kragen, mantels of rokken misschien. De vraag die Lanfermeijer bezighoudt, is waar het kunstwerk ophoudt en het gebruiksobject begint, en vice versa.

Het spel met taal en symboliek, de ambiguïteit tussen (be)kleding en sculptuur, en de appropriatie van bestaande voorwerpen komen ook in de rest van de expositie naar voren. In ‘Inn-er’, de ‘slaapkamer’, staan een aantal alledaagse objecten ingepakt in stoffen beschilderd met trompe-l’oeils. De silhouetten van een stofzuiger en een rolkoffertje zijn nog net te herkennen. In hoeverre representeert de buitenkant wat zich aan de binnenkant bevindt? De politieke lading van deze vraag komt tot uiting in een gele blouse met de tekst ‘Green Tea Bitch’: een denigrerende benaming voor Chinese vrouwen die zich onschuldig zouden voordoen maar eigenlijk sluw en berekenend zijn. In de salon, met de titel ‘Form-er’, wordt gemijmerd over dat wat geweest is en de manier waarop dingen vorm krijgen door toe-eigening en re-iteratie. Op een kleed in het midden van de ruimte staat een reproductie van Brâncuși’s Vogel in de ruimte (1923-1940) – waarvan zestien ‘originele’ versies in verschillende materialen bestaan – en er hangen geschilderde studies van Griekse amfora’s aan de wand. De andere zalen zijn ‘Draw-er’, de tekenstudio of opslag; ‘Fing-er’, de bibliotheek; ‘Flatt-er’, de kleedkamer en ‘Care-er’, de eetzaal.

De zichtlijnen van de enfilades suggereren formele en inhoudelijke verbanden die steeds weer andere dimensies naar boven brengen. Het is alsof een web van onzichtbare draden door het huis gesponnen is. Bezoekers worden verder niet of nauwelijks in hun interpretatie gestuurd: er is geen looproute, er hangen geen bordjes met titels of jaartallen, en zelfs tussen de kunstenaars wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt. Er is geen vaste ordening, geen hiërarchie, slechts wisselwerking. Dat stimuleert tot meedenken en associëren, alsof de toeschouwer onderdeel is van de conversatie. Maar soms gaat er ook iets verloren. Bijvoorbeeld in een werk van Navas, een lichtblauwe deken die verticaal van het plafond hangt met daarop afgedrukt een brief waarin de kunstenaar zich verdedigt tegen beschuldigingen van het ‘kopiëren’ van werk van anderen: ‘Alle kunstenaars zien wat andere kunstenaars doen. Het wordt onderdeel van hun intelligentie. […] We gebruiken allemaal elkaars ideeën – ideeën zijn alleen goed als ze doorgegeven kunnen worden.’ De tekst lijkt een van de grondslagen van de tentoonstelling wel erg expliciet te maken. De titel van het werk, Sol LeWitt Letter, maakt duidelijk dat het een kopie betreft van een brief van LeWitt. Een pientere zet, die de meeste bezoekers waarschijnlijk zal ontgaan omdat zowel titel als toelichting in de tentoonstelling ontbreken, en die daarom iets heeft van een inside joke. Ook in dit uitnodigende huis val je af en toe net buiten het gesprek.

 

• III. She spins the thread, she measures the thread, she cuts the thread, tot 27 juni in Nest, De Constant Rebecqueplein 20b, Den Haag.