Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 211 mei-juni 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Art of the United States, 1750-2000. Primary Sources

Anthologieën zijn een moeilijk genre. Zeker wanneer het een breed onderwerp betreft. De samenstellers van het volume Art of the United States, 1750-2000. Primary Sources moeten dan ook voor een schier onmogelijke taak hebben gestaan. Hoe vat je 250 jaar kunst en geschiedenis van een land ter grootte van een continent in één volume? Kun je wel recht en eer doen aan een verleden dat per definitie veel complexer en gelaagder is dan de geselecteerde bronnen ooit kunnen overbrengen? Hoe schenk je aandacht aan historische spelers die in de bestaande, dominante narratieven nog geen plaats hebben gekregen? En kun je de erkende spelers van weleer moedwillig terzijde schuiven? In een tijd waarin processen van canonisering stelselmatig bevraagd worden, getuigt het van enige durf om een boek samen te stellen over de ontwikkelingen en lotgevallen van kunst en kunstenaars in de Verenigde Staten sinds het ontstaan in het midden van de achttiende eeuw. Op economisch, politiek en militair vlak groeide het land in tweeënhalve eeuw uit van een lappendeken van koloniale buitenposten tot een absolute grootmacht in de tweede helft van de twintigste eeuw, en in datzelfde tijdvak ontwikkelde het zich van een cultureel en artistiek ontwikkelingsgebied tot gidsland. Maar het geraakte in het midden van de negentiende eeuw ook verwikkeld in een bloedige burgeroorlog tussen de Zuidelijke en de Noordelijke staten met als inzet de afschaffing van de slavernij – een tweespalt die zich nog altijd op gewelddadige manier manifesteert.  

Art of the United States, gemaakt in opdracht van de Terra Foundation for American Art, gaat deze kwesties niet uit de weg, integendeel. De samenstellers – de gereputeerde kunsthistorici John Davis en Michael Leja – laten verstaan dat dit boek geen verheerlijking wil zijn van ‘Amerikaanse kunst’, maar een blik wil bieden op de complexe historische, culturele en sociale contexten waarin kunst tot wasdom is gekomen in dit niet altijd even ‘verenigd’ land. De anthologie brengt geen monolitisch narratief over wat kunst over de eeuwen heen ‘Amerikaans’ maakt, maar laat zien hoe ze in een jonge democratie mee uitdrukking probeert te geven aan de identiteit van een natie, en later eveneens poogt een stem te geven aan historisch gemarginaliseerde groepen. Terwijl de kunst er initieel de politieke en sociale elite bedient en representeert, zoekt ze al snel ook inspiratie in populaire en vernaculaire cultuur.

Zoals de ondertitel aangeeft, betreft het geen tekstboek pur sang, maar een volume dat verschillende type ‘primaire bronnen’ bijeenbrengt en contextualiseert. Elk van de chronologisch georganiseerde hoofdstukken bevat een selectie historische teksten – gaande van brieven, kunstenaarsgeschriften en dagboeknotities tot interviews en kritische essays. Voorafgegaan door een korte maar heldere situering van het tijdvak in een breder cultureel, politiek en sociaal perspectief, biedt elke selectie inzicht in de artistieke bekommernissen en debatten van die tijd. Het is veelbetekenend dat de titels van de hoofdstukken geen kunsthistorische ontwikkelingen thematiseren, maar telkens rechtstreeks ontleend zijn aan het breder maatschappelijk kader. En toch werken ze vaak wonderwel in twee richtingen. Zo heeft de titel van het eerste hoofdstuk ‘Building Patronage and Institutions 1750-1830’ betrekking op de strijd voor zowel politiek als cultureel draagvlak die er in de jonge jaren van de Verenigde Staten gevoerd werd. Het valt verder op dat de samenstellers in de titulatuur elke vorm van nationalistische zelfverheerlijking hebben geschuwd. De hoofdstukken gewijd aan de naoorlogse periode hebben titels als ‘War and Cold War, Anxiety and Influence 1939-1960’ en ‘Political Polarization, Counterculture and Reaction 1960-1980’. Ze bevestigen niet langer de stelling dat Amerikaanse kunstenaars het roer van de Europese avant-garde overnamen en de wereld veroverden, maar benadrukken het turbulente karakter van die decennia in eigen land. Het beeld dat geschetst wordt, is niet enkel dat van internationaal succes en artistiek imperialisme, maar net zo goed van kunstenaars die een positie moesten zoeken in een land verdeeld door raciaal geweld, culturele verschillen en economische ongelijkheid.

Elk hoofdstuk wordt aangevuld met een selectie van een zevental zorgvuldig besproken sleutelwerken uit de bewuste periode, waarbij telkens gepoogd is om een divers palet aan te reiken. Zo wordt er een meer dan verdienstelijke poging gedaan om de rol en het aandeel van zowel de inheemse als Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap in de bredere culturele en artistieke ontwikkeling van de Verenigde Staten te duiden en van voorbeelden te voorzien. Er is bovendien gezocht naar een meer gelijkwaardige verdeling op vlak van gender. Tekenend is de keuze voor het controversiële schilderij Penn’s Treaty with the Indians (1771-1772) van de Amerikaanse maar in London gevestigde Benjamin West als allereerste illustratie in het boek. Het schilderij verbeeldt het sluiten van het verdrag uit 1683 tussen het Lenni-Lenape volk en William Penn, de stichter van Pennsylvania, als een vredevolle uitwisseling tussen de inheemse Amerikanen en Britse quaker kolonisten, maar negeert daarmee de vele bloedige conflicten die zich nadien tussen beiden hebben voorgedaan. De rol van kunst in een ontluikende natiestaat, zo geven de samenstellers al bij aanvang van het boek aan, is meerduidig en complex. Uit circa 1855 selecteerden ze een fotografisch portret van Frederick Douglass, een overtuigd abolitionist die zelf aan de slavernij was ontsnapt. Douglass was een begenadigd en veelgevraagd spreker en wellicht een van de meest gefotografeerde Amerikanen in de negentiende eeuw. Voor zijn portret verkoos hij fotografie boven elk ander medium, omdat hij zo de karikaturisering van Afrikaanse Amerikanen kon ontwijken. De aandacht voor diverse perspectieven wordt consequent doorgetrokken in de delen over de twintigste eeuw. Voor de jaren 1960 en 1970 wordt niet enkel werk van usual suspects als Andy Warhol, Donald Judd, Roy Lichtenstein en Sol LeWitt getoond, maar ook van Romare Bearden, Eva Hesse en Adrian Piper. En in het hoofdstuk over de laatste twee decennia komen naast Cindy Sherman, Martha Rosler, Hans Haacke en Robert Mapplethorpe, ook kunstenaars als Maya Lin, Jean-Michel Basquiat, David Hammons, Coco Fusco, Fred Wilson en Kara Walker aan bod. 

Aan het eind van het boek plaatsten de samenstellers een rijkelijk geannoteerde tijdslijn met zowel nationale als internationale gebeurtenissen. Voor historici is het historisch relaas wellicht te schetsmatig en voor kunsthistorici de selectie kunstenaars te smal, maar voor een publiek dat wil kennismaken met de bredere historische ontwikkeling van kunst in de Verenigde Staten, biedt Art of the United States, 1750-2000. Primary Sources een rijk geschakeerd en genuanceerd perspectief.

 

• John Davis en Michael Leja, Art of the United States, 1750-2000. Primary Sources, Chicago/Illinois, Terra Foundation for American Art, 2020, ISBN 9780932171689.