Fieke Konijn

DE WITTE RAAF

Editie 212 juli-augustus 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Sluitertijd

Potential History. Unlearning Imperialism van Ariella Aïsha Azoulay

Potential History van Ariella Azoulay is een ruim zeshonderd pagina’s lange aanklacht tegen de mechanismen en instituties waarmee het imperialisme zijn macht uitoefent. Het boek is een tour de force, zoals de flaptekst vermeldt, maar wel een die het de lezer niet gemakkelijk maakt. Kern van Azoulays betoog is dat het imperialisme werkt via destructie, ontworteling en differentiatie, meer bepaald het classificeren van mensen. Het inherent gewelddadige karakter ervan kan alleen teniet worden gedaan via een grondig ‘ont-leren’ van imperiale praktijken en een terugspoelen van de geschiedenis naar een eerdere staat van samenleven. Slechts na een verwerping van de huidige status quo is volgens Azoulay een nieuwe orde te verwezenlijken waarin gedepriveerden en buitengeslotenen hun rechten (terug)krijgen.

Azoulays stellingnames komen voort uit haar persoonlijke familiegeschiedenis. Ze is in Israël geboren, maar voelt zich Palestijnse vanwege haar in Palestina geboren moeder. Haar vader kon als Algerijn de Franse nationaliteit krijgen. Haar beide ouders (en haar voorouders) waren speelbal van een koloniale en imperiale politiek die tot landroof en deportatie leidde, en uiteindelijk tot het verdwijnen van de judeo-arabische cultuur in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Haar eigen vader distantieerde zich van de Algerijnse wortels van zijn familie; uit protest daartegen nam ze de Arabische naam Aïsha van haar grootmoeder aan.

Om te verduidelijken hoe het imperialisme geweld en ontworteling produceert, gebruikt Azoulay de metafoor van de ‘shutter’. Beide betekenissen van het woord – sluiter of luik – impliceren een scheiding. De sluiter van een fototoestel controleert hoeveel licht wordt toegelaten en een luik verdeelt een ruimte in tweeën. De ‘imperial shutters’ hebben een temporeel, een ruimtelijk en een hiërarchisch effect. Zij scheiden heden en verleden, hier en daar, burger en niet-burger. In de eerste helft van Potential History richt Azoulay haar pijlen op het culturele apparaat waarmee het imperialisme zijn macht uitoefent, respectievelijk het museum, het archief en de geschiedschrijving. Deze instituties dekken volgens de auteur een geschiedenis van geweld toe door kennis als vanzelfsprekend en neutraal te presenteren. In de tweede helft van het boek ontvouwt ze haar visie op een mogelijke ‘genezing’ (healing) van de wereldorde na 1945. Ieder hoofdstuk sluit af met een sectie ‘On Strike’: een oproep aan museumwerkers, fotografen, archiefmedewerkers en burgers om in staking te gaan. Het gaat Azoulay daarbij niet om een protest tegen een concreet onrecht, maar om een algehele institutionele boycot: een oproep om het bestaande (manipulatieve) kennissysteem los te laten en alles opnieuw te overdenken.

De hoofdstukindeling van Potential History suggereert een heldere structuur, maar de tekst is eerder te typeren als een meanderende gedachtestroom met veel herhalingen. Azoulay komt door het boek heen steeds terug op twee politiek-maatschappelijke, brandende kwesties: het slavernijverleden en het Palestijns-Israëlische conflict. Daarbij blijft ze verre van een historische studie van deze zaken; ze sluit eerder aan bij een politiek-activistisch discours. Met inzet van de herhaling als stijlfiguur houdt ze een strijdlustig pleidooi voor ‘repair’ en ‘return’, voor een herstel naar een pre-imperiale en prekoloniale situatie. Problematisch is dat het imperialisme, waar het hele betoog om draait, niet nader wordt gedefinieerd en wordt voorgesteld als een door de eeuwen heen onveranderlijk gebleven systeem. Uiteindelijk blijft Azoulays oproep tot ‘unlearning’ steken in abstracties en sluit het nauwelijks aan bij recente alternatieve museale of archivalische praktijken.

Azoulay zet musea en bloc in de beklaagdenbank. Met voorbijgaan aan de lange, en zeker niet eenvormige geschiedenis van westerse musea, en zonder te differentiëren tussen verschillende collecties en de manier waarop ze worden beheerd, stelt ze dat deze instituten miljoenen objecten bezitten die onder het imperialisme zijn geroofd, waardoor overheerste volken tot op heden van hun materiële cultuur zijn afgesneden. Het universele museum (denk aan het British Museum) met een wereldomspannende collectie – een product van de door Azoulay versmade Verlichting – geeft de bezoeker volgens haar ten onrechte de illusie dat hem objecten uit alle tijden en culturen ter beschikking staan. Bij de musealisering is de band van deze voorwerpen met hun makers of gebruikers verloren gegaan, en daarmee ook de oorspronkelijke betekenis. Experts plaatsen ze in een tijdlijn en voorzien ze van labels als ‘oud’, ‘primitief’ of ‘kunst’. Deze handelingen zijn verre van onschuldig. Musea zuiveren objecten bij het documenteren, klasseren en catalogiseren van hun gewelddadige herkomst en maken zo deel uit van de imperiale macht. De dekolonisatie heeft daarin volgens de schrijfster sindsdien niet veel verandering gebracht, want het geroofde bleef afgesloten (want gehistoriseerd) van een gemeenschap van levende makers; het bleef koloniaal erfgoed.

Azoulay is sceptisch over de corrigerende mogelijkheden van restitutie, omdat daar meestal ten onterechte allerlei voorwaarden aan worden verbonden. Ze vindt het paternalistisch wanneer repatriatie naar voormalige koloniën bijvoorbeeld gepaard gaat met de eis een museum te bouwen, of, daaraan gekoppeld, de eis het voorwerp als ‘kunst’ te presenteren, en niet als ritueel voorwerp. Ten onrechte denken westerse musea in deze zaken als scheidsrechter te kunnen optreden – terwijl ze nota bene dader zijn.

Benadeling bij restitutie beperkt zich overigens niet tot voormalige koloniën, ze treft ook oorspronkelijke gemeenschappen in westerse landen. Het leeuwendeel van door nazi’s geroofde kunst, zo brengt Azoulay in herinnering, ging na de Tweede Wereldoorlog niet terug naar de individuele bezitters, maar naar instituties in de VS en Israël. De enige mogelijkheid volgens haar om tot healing te komen, is om de gestolen objecten bij wijze van ‘legitimatiebewijs’ in te zetten bij de asielverlening aan migranten. De objecten die zich in (koloniale) musea bevinden, behoren de immigranten immers als gevolg van de onrechtmatige verwerving rechtens toe. Door ze als een soort toelatingsbewijs te gebruiken – Mexicaanse objecten in Noord-Amerikaanse musea zouden bijvoorbeeld het verblijf van Mexicanen in de VS legitimeren – komt een hereniging tot stand met de oorspronkelijke makers en gebruikers.

Azoulays voorstel is tekenend voor het utopische karakter van haar activisme. Buiten beschouwing blijft het praktische bezwaar dat het herkomstland van een migrant lang niet altijd zal overeenkomen met het geografische verzamelgebied van de objecten. Opmerkelijk is verder dat het boek nergens refereert aan het actuele museale discours over dekolonisering, of aan de herdefiniëring van musea en collecties, of aan het debat over restitutie, of het streven naar inclusiviteit, net zomin als aan de vele recente praktijken om tot verandering te komen. Sinds James Cuno in Who Ownes Antiquity? (2008) een behoudend pleidooi hield tégen teruggave, met als argument dat deze objecten (in dit geval uit de Oudheid, bijvoorbeeld de Parthenonsculpturen) de hele mensheid toebehoren, heeft de museumwereld warempel niet stilgezeten.

In het archief is de shutter volgens Azoulay op eenzelfde manier werkzaam als in het museum: hij scheidt mensen van documenten. Wat eerst een plaats in de wereld had, wordt nu ondergebracht in een classificatiesysteem. Dat suggereert objectiviteit – archivarissen werken doorgaans op de achtergrond – maar sanctioneert uitsluiting, deportatie en slavernij. Het imperialisme vernietigde eerdere systemen van archivering en benaming, en schoof er zijn eigen taxonomie overheen. Een illustratie daarvan zijn de Spaanse namen (Trinidad, bijvoorbeeld) die Columbus gaf aan de gebieden waar hij landde.

Azoulay bekritiseert – en generaliseert, dat moge duidelijk zijn – het conservatieve karakter van het archief en degenen die daar werkzaam zijn. Archivarissen zouden niet anders willen dan vastleggen, groepen opdelen en documenten inpassen in een tijdlijn, waardoor processen gefixeerd worden tot een gebeurtenis met een begin en een einde. Nodig is een compleet andere positie van de onderzoeker, aldus Azoulay. Die onderzoeker moet afzien van zijn ambitie om vooral vondsten in het archief te doen, en moet niet vanuit een externe positie opereren, maar in een ‘present continuous mode’ met het verleden treden. Dat is ook het principiële verschil met kritische stromingen binnen de geschiedwetenschap zelf, waarin men zich volgens Azoulay evengoed bezondigt aan ontdekkingsdrang. Het alternatief dat Azoulay hiertegenover stelt is een activistische, emancipatorische herschrijving van de geschiedenis, met inzet van artistieke strategieën.

Hoe archiefmateriaal en foto’s los te koppelen zijn van hun opgelegde betekenis demonstreert Azoulay aan de hand van ‘ontoegankelijke foto’s’ en ‘niet genomen foto’s’. Arabisch fotomateriaal is op grote schaal in beslag genomen en onderworpen aan de autoriteit van het staatsarchief van Israël. Op sommige foto’s in dit archief, met name van de verdrijving van Palestijnen uit het toenmalige Mandaatgebied Palestina in 1947-1949, de zogeheten Nakba (ramp), rust echter een embargo. De beelden zijn ontoegankelijk voor Palestijnen. Azoulay omzeilt het verbod op reproductie door ze over te tekenen en corrigeert de zogenaamd neutrale, versluierende bijschriften. Het bijschrift bij een bejaarde Palestijn spreekt bijvoorbeeld van een ‘prisoner of war’, maar zou volgens haar moeten gaan over het feit dat de man, omringd door militairen, weigert om zijn land te verlaten. En het bijschrift bij een stoet vrouwen en kinderen zou niet ‘repatriation’ moeten zijn, maar ‘deportation’.

Bij het opnieuw lezen (re-coderen) van foto’s wil ze niet vanuit een objectieve positie, als professioneel historicus, opereren, maar zich als ‘mede-burger’ opstellen. Die methode demonstreert ze door de geschiedenis van de massaverkrachtingen in Berlijn na de val van het Derde Rijk te reconstrueren aan de hand van ‘niet genomen foto’s’. Bij ontstentenis van beelden die de verkrachtingen vastleggen, tonen foto’s van de verwoeste stad het decor waarin deze misdaden plaatsvonden – die beelden kunnen als substituut gebruikt worden. Ze leest de gebeurtenissen van deze foto’s af door ze te combineren met fragmenten uit het anonieme dagboek A Woman in Berlin. Eight Weeks in the Conquered City, a Diary (aanvankelijk, in 1954, in Amerika uitgegeven, pas later in het Duitse origineel in Duitsland) van een misbruikte vrouw. Azoulay legt uit dat foto’s altijd meer registreren dan je zou denken, zelfs als het ‘visibly invisible’ is. Bij het re-coderen laten ze informatie over (imperialistisch) geweld los. Op die manier zou de autoriteit van het archief én van de positivistische wetenschap te ondergraven zijn.

De vraag is wat Azoulay met haar methode toevoegt, want er is al uitvoerig en gedegen historisch onderzoek verricht naar deze complexe periode. Azoulay lijkt zich met haar speculatieve interpretatie van het bronnenmateriaal zó ver van wetenschappelijke analyse te verwijderen dat deze eerder als een participerende heropvoering van de geschiedenis is te typeren. Ze borduurt met deze casus trouwens voort op een tentoonstellingsproject van haar hand – als vorm veel beter geschikt om te tonen wat vaak onzichtbaar bleef.

Azoulays kritiek op de geschiedwetenschap is drieledig. Historici werken volgens haar nog steeds met een lineair en progressief concept van tijd. Wat mensen hebben meegemaakt, raakt bijgevolg opgesloten in het verleden, terwijl Azoulay juist de ‘present continuous mode’ benadrukt. Ten tweede bestaat er een exclusieve focus op het (‘objectieve’) document teneinde de geschiedenis te ‘lezen’: geschiedwetenschap is volgens haar te zeer verengd tot archiefonderzoek. En ten slotte overheerst de notie dat het nieuwe als katalysator de geschiedenis aandrijft, wat een kloof creëert tussen generaties en gemeenschappen. Door van dit vooruitgangsnarratief uit te gaan, fungeert de wetenschap, aldus Azoulay, als apparaat van het imperialisme.

Al met al is dat vooral een karikatuur: alsof ‘de wetenschap’ een homogeen georganiseerde club zou zijn, en alsof er geen grote diversiteit van methoden en standpunten binnen de geschiedschrijving bestaat. Haar verwijt dat ‘de geschiedenis’ er te veel op is gericht om het onontdekte boven water te krijgen, staat bovendien op gespannen voet met haar eigen praktijk: het decoderen van de foto’s van de Palestijnse Nakba en het Berlijn van na de oorlog. Als een nieuwe visie altijd neerkomt op imperialistisch toe-eigenen, hoe ontsnapt haar eigen wens tot een totale revisie daar dan aan?

Potential History biedt ontegenzeggelijk veel stof tot nadenken en prikkelt tot introspectie. Azoulay wil breken met de status quo, en dat houdt in dat ze het imperialisme ongedaan wil maken door terug te keren naar de periode voor 1492. Zo’n tabula rasa lijkt niet alleen onmogelijk, maar ook onwenselijk. Is onderzoek naar de jaren ná 1492 niet belangrijker voor de verwerking van het koloniale en imperiale geweld dan een terugkeer naar een veronderstelde paradijselijke staat?

In de museumwereld wordt ondertussen wel degelijk nagedacht over het (problematische) begrip neutraliteit. Musea en archieven zijn zich er gaandeweg bewust van geworden dat bijschriften nooit waardevrij zijn, en hebben daarvoor bijvoorbeeld de gids Woorden doen ertoe. Een incomplete gids voor woordkeuze binnen de culturele sector (2020) opgesteld. En wat betreft objecten wordt niet zo essentialistisch gedacht als Azoulay laat uitschijnen. Zijzelf veronderstelt een eenzijdige relatie tussen maker(s) en cultuurgebied, en dreigt daarmee een verdeling van de wereld in afzonderlijke en essentiële naties en culturen juist te bevestigen. Op grond van The Inbetweenness of Things (2017) van Paul Basu zou je kunnen beargumenteren dat objecten juist tússen werelden bewegen, en dat ze tijdens hun diaspora een gelaagde culturele biografie verwerven. In plaats van een totale omkering van de geschiedenis na te streven, zouden dergelijke – te schrijven – biografieën wel eens meer kunnen bijdragen aan het ont-leren van het imperialisme dan de oproep tot een totale boycot van instituties.

 

Ariella Aïsha Azoulay, Potential History. Unlearning Imperialism, Londen, Verso, 2019.