Steyn Bergs

DE WITTE RAAF

Editie 212 juli-augustus 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Die dag werd ik activist’. Citoyenne Reprise van Jeremiah Day

Citoyenne Reprise is een solotentoonstelling die niet of nauwelijks een solotentoonstelling te noemen is, en waarvan de titel verwijst naar een werk dat in de tentoonstelling een cruciale rol speelt, maar dat niet getoond wordt. Citoyenne is een documentairefilm van Youth for Climate-activist Gilles Vandaele waarin (naar verluidt) een intiem portret geschetst wordt van een groep activisten die in de buurt van Aarlen probeerde te verhinderen dat een natuurgebied vernield zou worden. Omwille van privacyoverwegingen kon de film over deze ZAD of Zone à défendre niet vertoond worden; in plaats daarvan is aan een groep van veertien kunstenaars gevraagd om te reageren op Citoyenne, en om het verhaal van de bezetting op een andere manier onder de aandacht te brengen.

Het resultaat is bij Netwerk Aalst te zien op de benedenverdieping. Het collectieve en collaboratieve deel van de tentoonstelling staat op een zekere afstand van Jeremiah Days eigen artistieke werk, waarin bevraagd wordt hoe, waar, wanneer en waarom mensen politiek actief worden, en wat hen drijft om te ageren tegen machtsverhoudingen en -asymmetrieën, en de daarbij horende vormen van ongelijkheid. Day heeft een sterke band met het werk van Hannah Arendt: in 2017 promoveerde hij aan de Vrije Universiteit Amsterdam met een proefschrift waarin haar politieke filosofie centraal staat, met als titel A Kind of Imagination that has Nothing to Do with Fiction. Art in Public Life. In het kader van de huidige tentoonstelling vond er bovendien een publiek gesprek plaats tussen Day en Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Institute aan de VUB en de UA (en tot eind 2019 directeur van Kazerne Dossin in Mechelen). Die intieme band met Arendt is opmerkelijk te noemen, aangezien haar denken steevast opereert vanuit veronderstellingen die bedoeld of onbedoeld geproblematiseerd worden in Days werk. Op het eerste gezicht zijn er wel degelijk affiniteiten met Arendt (met name met haar ideeën over burgerschap), maar bij nader inzien doet Day de grondvesten van haar oeuvre daveren. Kort gezegd: vaker wel dan niet, en in weerwil van bijvoorbeeld haar boek over revolutie, is Arendts project een apologie voor een liberaal-democratisch politiek systeem compatibel met een kapitalistische vrijemarkteconomie. Days project is dat niet. In tegenstelling tot wat de kunstenaar wellicht zelf zou beweren, springt ook bij Citoyenne Reprise vooral het contrast en het conflict met Arendts politieke denken in het oog.

Arendt was een fervent aanhangster van het idee van een afzonderlijke en min of meer autonome politieke sfeer of ruimte, die institutioneel begrensd en besloten moest worden.[1] Vandaar ook de nadruk, in haar magnum opus The Human Condition, op het belang van het onderscheid tussen de publieke en de private sfeer. De publieke sfeer behelst die aspecten van het bestaan die met anderen gedeeld worden, en is voor Arendt dan ook de ‘juiste’ of ‘gepaste’ context voor politieke actie. De private sfeer wordt door Arendt gezien als de tegenhanger van de publieke sfeer, en is bijgevolg apolitiek van karakter. Het model voor de politieke sfeer is de polis, het model voor de private sfeer het huishouden.[2] Arendts onderscheid tussen het publieke (politiek) en het private (apolitiek) is al te rigide, en door het voor te stellen als karakteristiek voor ‘de menselijke conditie’ dreigt ze historisch contingente omstandigheden te naturaliseren, en de bestaande orde als paradigma in te beitelen.

Het verschil tussen het publieke en het private is niet los te koppelen van Arendts uiteindelijk erg beperkte en normatieve begrip van ‘de politieke sfeer’. Ze onderschat de mate waarin de grenzen van het politieke beweeglijk zijn, en hoe ze zelf de inhoud vormen van politieke discussie en strijd. Dit leidt tot een onvermogen om het handelen van degenen die geweerd werden uit de instellingen die autoriteit en macht representeren, als politiek legitiem te erkennen. Dit wordt bijvoorbeeld pijnlijk duidelijk wanneer Arendt het heeft over de Amerikaanse studentenbewegingen van de jaren zestig, en over de rol van zwarte studenten binnen die bewegingen in het bijzonder. In On Violence stelde ze bijvoorbeeld dat geweld zich binnen de protesten slechts manifesteerde na de intrede van de Black Powerbeweging, en dat zwarte studenten ‘zonder de nodige academische kwalificaties’ erop uit waren om de ‘academische normen’ te verlagen.[3] 

Het is niet de bedoeling van deze al te korte kritische excursie om Arendt in diskrediet te brengen. Fred Moten, die in zijn boek The Universal Machine uit 2018 Arendts denken fel bekritiseert, erkent bijvoorbeeld nog steeds de mogelijkheid van een waardevolle lezing van haar werk, die haar plaatst ‘binnen het dominante intellectuele apparaat, passend bij de conjunctuur waarin antiabolitionisme en het einde van de ideologie samenkomen’.[4] Mijn punt is eerder dat Jeremiah Days werk relevant (en bezielend, en ontroerend) is precies voor zover het indruist tegen de principes van het politieke denken waardoor het geïnspireerd is.

Days werk draait, zoals eerder gezegd, om de vraag naar de omstandigheden waaronder en de manier waarop mensen gepolitiseerd worden, en dus ook om politieke ‘liminaliteit’, het uiteindelijk onbeslisbare onderscheid tussen wat wel of niet politiek zou zijn, en de voortdurende strijd over wat wel of niet mag gelden als een legitiem politiek gebaar of statement. Twee werken te zien op de bovenste verdieping van Netwerk zijn daar uitstekende voorbeelden van. De video Non-Cooperation with the Status Quo (2021) is een registratie van een publiek gesprek tussen Gilles Vandaele en burgerrechtenactivist Joanne Bland, die (net als Vandaele) op erg jonge leeftijd politiek actief werd. In 1965 nam Bland deel aan de door Martin Luther King geleide protestmarsen tussen haar geboortestad Selma en Montgomery, de hoofdstad van Alabama. Non-Cooperation with the Status Quo documenteert een intergenerationele uitwisseling over politiek verzet, en over de condities die verzet niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk maken. Zo vertelt Bland een aangrijpende anekdote over hoe ze op negenjarige leeftijd inzicht kreeg in het politieke onrecht van rassensegregatie toen ze vernam dat ze niet aan de toonbank mocht zitten in de plaatselijke ijssalon. ‘Die dag werd ik activist,’ zegt ze stellig. Voor Bland, en op een andere, maar niettemin vergelijkbare manier ook voor Vandaele, is het dagelijks leven doordrongen van het politieke. Gezien de urgentie van de problemen die de aanleiding vormden van hun engagement, en gezien de (mogelijke) impact van die problemen op alle facetten van het bestaan, is een al te hermetische afbakening van de politieke naast de private sfeer voor Bland en Vandaele mogelijk noch wenselijk.

De multimedia-installatie What Would You Do for the Love of Country (The Sivens Example) (2020) behandelt een geval van burgerlijke ongehoorzaamheid dat weliswaar ‘succesvol’ was (in die zin dat het vooropgestelde doel bereikt werd), maar ook tragische gevolgen had. De Sivensdam, genoemd naar een gelijknamig bos, zou gebouwd worden in Zuid-Frankrijk, en zou een groot waterrijk natuurgebied doen verdwijnen. Al vanaf 2011 stuitte het project op plaatselijk verzet, en in 2013 werd de site door activisten tot zone à défendre omgevormd. In 2014, toen de bouw daadwerkelijk van start moest gaan, namen spanningen met de politie toe. De conflicten culmineerden in de moord op de 21-jarige activist Rémi Fraisse, die door een flitsgranaat van de politie om het leven kwam. Een golf van verontwaardiging en protest volgde, waardoor het hele bouwproject afgeblazen werd.

Days installatie bestaat uit posters en ander printmateriaal, en foto’s van de Sivens-site waarop handgeschreven persoonlijke reflecties zijn aangebracht. Diezelfde reflecties worden gedeeld in twee performances die Day in de buurt van Sivens uitvoerde, en waarvan filmopnames eveneens in de installatie getoond worden. De eerste performance is een coproductie met Claire Filmon, die net als Day beoefenaar is van Simone Forti’s choreografische logomotion-methode – een soort contactimprovisatie, waarbij Filmon en Day reageren op elkaars bewegingen (maar ook op het publiek) en tegelijkertijd op een associatieve, maar niettemin verhalende manier in dialoog gaan over de gebeurtenissen bij Sivens. In de tweede performance treffen we Day aan, in de openlucht, in het gezelschap van een klein stuk rots dat hij aan de oever van een meer heeft aangetroffen. Opnieuw verbaliseert hij zijn bedenkingen en gemengde gevoelens bij wat er in Sivens is gebeurd, en maakt hij verbindingen met andere verhalen over politiek verzet. Wat drijft mensen ertoe hun leven in het teken te stellen van een politiek doel? Loont het de moeite jezelf op te offeren voor politiek activisme, terwijl er zelden tastbare resultaten zijn? Is Rémi Fraisse gestorven voor een nobel doel? En wat betekent het dat er schijnbaar bloed vergoten moet worden vooraleer zulke (zogenaamd?) nobele doelen bereikt worden?

What Would You Do is een erg persoonlijk werk, dat er toch in slaagt tegelijkertijd de complexiteit van de concrete situatie over te brengen, en te koppelen aan meer algemene en abstracte vragen over wat het betekent politiek te handelen en te leven. De impuls achter de recentste installatie Citoyenne Reprise, aan het begin van de tentoonstelling, is min of meer vergelijkbaar, alhoewel de aanpak meer pluralistisch of polyfoon is. In plaats van een minigroepstentoonstelling binnen Days solo gaat het eerder om een collectieve installatie, aangezien de individuele kunstenaars grotendeels afstand lijken te doen van hun auteurschap. Hoewel hun namen in de tentoonstellingstekst kenbaar gemaakt worden, is het onduidelijk welke bijdrage precies van wie afkomstig is. Deze keuze voor anonimiteit (of, positiever gesteld, voor groepsidentiteit) is duidelijk ingegeven door een verlangen om de artistieke coöptatie of recuperatie van politieke strijd en activisme te bemoeilijken en te vertragen.

Je zou relatief makkelijk kunnen beargumenteren dat dit in Citoyenne Reprise niet of nauwelijks lukt. De kwestie is uiteraard niet de eigenlijke beslissing een collectieve installatie over de ZAD bij Arlon te maken, en de aparte bijdragen aan die installatie (die onder meer tekstfragmenten, diaprojecties van de site, audiodocumentatie, beschreven gele hesjes en een tentje omvat) zijn evenmin problematisch. Het is eerder dat coöptatie en recuperatie binnen een kunstinstelling tot op zekere hoogte onvermijdelijk zijn; dat het dispositief van de white cube politieke inhoud enigermate esthetiseert en neutraliseert is zo goed als onontkoombaar.

Het is echter nog maar de vraag of dit een onderneming als Citoyenne Reprise diskwalificeert of er juist het belang van aantoont. Het is vrij evident dat politiek geëngageerde of activistische kunst (in al haar manifestaties) een eerder beperkte actieradius heeft; dat de impact relatief bescheiden is; dat collectiviteit altijd precair, beperkt en beladen is; en dat de Zadisten wellicht aan het kortste eind zullen trekken. Wie genoegen neemt met het wijzen naar dergelijke contradicties of problemen, beperkt zich tot het verwoorden van wat iedereen intuïtief allang aanvoelt of ervaart. Day en de gastkunstenaars in Citoyenne Reprise pretenderen geen antwoorden of oplossingen te hebben, maar weten in ieder geval wel het volgende: onder de huidige omstandigheden kan kunst niet niet contradictoir of problematisch zijn. Net zoals de moderne neiging tot het begrenzen en afzonderen van ‘de politieke sfeer’ onophoudelijk betwist en ondermijnd moet worden, is het ook nodig om de tendens tot artistieke autonomie voortdurend uit te dagen. En dat lukt niet als je je distantieert van de instituties die deze autonomisering in de hand werken. Zoals Day zelf zei aan het einde van zijn gesprek met Christophe Busch: juist in een wereld die door en door onrechtvaardig is, verlangen we dat kunst en haar instellingen wél rechtvaardig zijn. Dat verlangen is even onmogelijk als noodzakelijk, maar wordt door tentoonstellingen als Citoyenne Reprise wel aangewakkerd.

 

Foto’s: Iwein De Keyzer

 

Citoyenne Reprise, tot 25 juli in Netwerk Aalst, Houtkaai 15, 9300 Aalst.

 

Noten

[1] Zie bijvoorbeeld de conclusie van het essay ‘Waarheid en politiek’, vertaling Bert Schreurs, in: Tussen verleden en toekomst. Vier oefeningen in politiek denken, Leuven/Apeldoorn, Garant, 1994, p. 161: ‘[De politieke sfeer] wordt beperkt door die dingen die de mens niet naar goeddunken kan veranderen. En het is enkel door zijn eigen grenzen te eerbiedigen dat dit domein, waarin we vrij zijn om te handelen en te veranderen, intact kan blijven, zijn integriteit kan bewaren en zijn beloften kan houden.’

[2] Hannah Arendt, ‘Het publieke en het private domein’, in: De menselijke conditie, vertaling C. Houwaard, Amsterdam, Boom, 2009, pp. 28-76.

[3] Hannah Arendt, Over geweld, vertaling Rob van Essen, Amsterdam, Olympus, 2004, pp. 43-44: ‘Ernstig geweld dook pas op toen de Black Powerbeweging op de universiteiten verscheen. Zwarte studenten, waarvan de meerderheid was toegelaten zonder dat ze over de nodige academische kwalificaties beschikte, zagen en organiseerden zichzelf als een belangengroep, de vertegenwoordigers van de zwarte gemeenschap. Hun belang was de verlaging van academische normen. [...] Zwart geweld kan dan ook worden vergeleken met het arbeidersgeweld in het Amerika van een generatie geleden; en [...] het lijkt erop dat het academische establishment in zijn merkwaardige neiging de eisen van de zwarte studenten, ook als ze uitgesproken onzinnig en buitensporig zijn, eerder in te willigen dan de belangeloze en gewoonlijk hogelijk morele eisen van de blanke rebellen, langs dezelfde lijnen denkt, en zich meer op zijn gemak voelt wanneer het met belangen plus geweld wordt geconfronteerd, dan wanneer het om geweldloze ‘participerende democratie’ gaat.’

[4] Fred Moten, The Universal Machine, Durham, Duke University Press, 2018, p. 93.