Theodor W. Adorno

DE WITTE RAAF

Editie 212 juli-augustus 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Geen angst voor de ivoren toren

Der Spiegel: Professor, twee weken geleden leek de wereld nog in orde…

Theodor W. Adorno: Voor mij niet.

D.S.: U zei dat de gebeurtenissen geen afbreuk hebben gedaan aan uw relatie met de studenten. In uw werkcolleges werd vruchtbaar en zakelijk en zonder getroebleerde persoonlijke verhoudingen gediscussieerd. En nu hebt u toch uw college afgezegd.

T.A.: Ik heb mijn college niet voor het hele semester afgezegd, maar slechts tot nader order. Over een paar weken wil ik de draad weer oppakken. Dat doen alle collega’s als hun colleges zo massaal worden verstoord.

D.S.: Heeft men geweld tegen u gebruikt?

T.A.: Geen fysiek geweld, maar er werd zoveel lawaai gemaakt dat het college erin ten onder dreigde te gaan. Dat was duidelijk het plan.

D.S.: Is het alleen de vorm waarmee de studenten thans tegen u te hoop lopen, die u tegen de borst stuit – studenten die vroeger nog achter u stonden, of stoort u zich ook aan de politieke doelstellingen? Vroeger heerste er toch overeenstemming tussen u en de rebellen?

T.A.: Dat is niet de dimensie waarop de verschillen optreden. Ik heb onlangs in een interview voor de televisie gezegd dat ik weliswaar een theoretisch model heb opgesteld, maar dat ik niet had kunnen voorzien dat bepaalde lieden het met molotovcocktails wilden verwerkelijken. Die uitspraak is ontelbare malen geciteerd, maar hij behoeft in hoge mate interpretatie.

D.S.: Hoe zou u hem interpreteren?

T.A.: Ik heb in mijn geschriften nooit een model ontworpen voor wat voor handelingen en wat voor acties ook. Ik ben een theoretisch mens, die het gevoel heeft dat het theoretische denken haarfijn aansluit bij zijn artistieke intenties. Het is niet zo dat ik me sinds kort van de praktijk heb afgewend, mijn denken hield van meet af aan hoogstens indirect verband met de praktijk. Het heeft misschien praktische effecten gehad doordat sommige motieven tot het bewustzijn zijn doorgedrongen, maar ik heb nooit iets gezegd wat direct op praktische acties was gericht. Sinds er in Berlijn in 1967 voor het eerst ophef is ontstaan rond mijn persoon, hebben bepaalde groepen studenten steeds weer geprobeerd mij tot solidariteit te dwingen en praktische acties van mij verlangd. Dat heb ik geweigerd.

D.S.: Maar de Kritische Theorie wil de maatschappelijke verhoudingen niet zo laten als ze zijn. Dat hebben de studenten van de Sozialistische Deutscher Studentenbund van u geleerd. Maar nu weigert u, professor, daar praktisch invulling aan te geven. Beoefent u dan slechts een ‘liturgie van de kritiek’, zoals Dahrendorf heeft beweerd.

T.A.: Bij Dahrendorf voert een welgemutste overtuiging de boventoon: als je maar in het klein dingen verbetert, zal misschien ook alles beter worden. Dat uitgangspunt kan ik niet delen. Maar bij de Ausserparlementarische Opposition stuit ik steeds op de dwang je uit te leveren, mee te doen, en daar heb ik me sinds mijn prille jeugd tegen verzet. En daar is bij mij niets in veranderd. Ik probeer wat ik zie en wat ik denk uit te spreken. Maar ik kan niet bepalen wat men daarmee kan beginnen en wat daarvan terechtkomt.

D.S.: Dus wetenschap in de ivoren toren?

T.A.: Mij boezemt de uitdrukking ‘ivoren toren’ geen enkele angst in. Deze uitdrukking heeft wel eens betere tijden gekend, toen Baudelaire hem gebruikte. Maar als u het dan toch over de ivoren toren heeft: ik geloof dat een theorie veel eerder krachtens haar eigen objectiviteit praktische effecten kan sorteren, dan wanneer ze zich op voorhand aan de praktijk onderwerpt. Het ongeluk in de relatie tussen theorie en praktijk is vandaag de dag juist dat de theorie aan een praktische voorcensuur wordt onderworpen. Men wil mij bijvoorbeeld verbieden simpele dingen uit te spreken die het illusoire karakter van veel politieke doelstellingen van sommige studenten aantonen.

D.S.: Maar die studenten hebben kennelijk heel wat aanhangers.

T.A.: Het lukt een kleine groep steeds weer loyaliteitsdwang uit te oefenen, waar de overgrote meerderheid van de linkse studenten zich niet aan weet te onttrekken. Maar ik hecht eraan nog een keer te zeggen dat ze zich daarbij niet kunnen beroepen op actiemodellen die ik hun zou hebben aangereikt, om me er later van te distantiëren. Van zulke modellen kan geen sprake zijn.

D.S.: Niettemin is het zo dat de studenten zich soms heel direct, soms indirect op uw maatschappijkritiek beroepen. Zonder uw theorieën zou de studentenprotestbeweging misschien niet eens zijn ontstaan.

T.A.: Dat wil ik niet ontkennen; en toch valt dit verband voor mij moeilijk te overzien. Ik wil bijvoorbeeld best geloven dat de kritiek op de manipulatie van de publieke opinie, die ik ook in haar demonstratieve vormen als volstrekt legitiem beschouw, zonder het hoofdstuk ‘Cultuurindustrie’ in de Dialectiek van de Verlichting van Horkheimer en mij niet mogelijk was geweest. Maar ik geloof dat men zich het verband tussen theorie en praktijk vaak te direct, te kort door de bocht voorstelt. Als men twintig jaar zo intensief heeft gedoceerd en gepubliceerd als ik, dringt daarvan vast wel iets tot het algemene bewustzijn door.

D.S.: En daarmee vermoedelijk ook in de praktijk?

T.A.: Onder bepaalde omstandigheden – maar dat is niet noodzakelijk het geval. In ons werk wordt de waarde van zogenaamde individuele acties sterk ingeperkt door de nadruk op de maatschappelijke totaliteit.

D.S.: Maar hoe wilt u de maatschappelijke totaliteit veranderen zonder individuele acties?

T.A.: Daarmee word ik overvraagd. Op de vraag: ‘Wat moet men doen?’ kan ik doorgaans toch echt alleen antwoorden: ‘Ik weet het niet .’  Ik kan slechts proberen nietsontziend te analyseren wat is. Daarbij wordt mij dit verwijt gemaakt: als je dan kritiek uitoefent, ben je ook verplicht te zeggen hoe men het beter moet doen. Maar dat beschouw ik als een burgerlijk vooroordeel. Het is in de geschiedenis ontelbare malen voorgekomen dat juist werken die puur theoretische doelen beogen het bewustzijn en daarmee ook de maatschappelijke realiteit hebben veranderd.

D.S.: Maar u hebt in uw werk de Kritische Theorie toch afgezet tegen andere theorieën. Zij moest niet louter empirisch de werkelijkheid beschrijven, maar juist ook over de juiste inrichting van de maatschappij nadenken.

T.A.: Daarbij ging het me om kritiek op het positivisme. Let wel: ik heb gezegd ‘erover nadenken’. Die uitspraak impliceert toch niet dat ik me zou aanmatigen te zeggen hoe men moet handelen.

D.S.: Maar u heeft een keer gezegd dat de Kritische Theorie ‘de steen moet oprapen waaronder de misstand broedt’. Als de studenten nu met deze steen gooien – is dat dan zo onbegrijpelijk?

T.A.: Onbegrijpelijk is het zeker niet. Ik geloof dat het activisme in de kern tot wanhoop te herleiden valt, omdat de mensen voelen hoe weinig macht ze feitelijk hebben om de maatschappij te veranderen. Maar ik ben er evengoed van overtuigd dat deze individuele acties tot mislukken gedoemd zijn. Dat is ook bij de Meirevolutie in Frankrijk gebleken.

D.S.: Maar als individuele acties zinloos zijn, blijft er dan niet alleen nog ‘kritische onmacht’ over, zoals de SDS u heeft verweten?

T.A.: Er bestaat een uitspraak van Christian Dietrich Grabbe, die luidt: ‘Want niets dan wanhoop kan ons redden.’ Dat is provocerend, maar helemaal niet dom. Ik kan er geen verwijt in zien als men in de wereld waarin wij leven wanhopig, pessimistisch en negatief gestemd is. Mensen die krampachtig proberen de objectieve wanhoop door de hoerastemming van de directe actie te overschreeuwen, om het zich psychologisch gemakkelijker te maken, zijn toch een stuk bekrompener.

D.S.: Uw collega Jürgen Habermas, ook een pleitbezorger van de Kritische Theorie, heeft onlangs in een artikel toegegeven dat de studenten ‘fantasierijk provocerend gedrag’ hebben vertoond en werkelijk iets willen veranderen.

T.A.: Wat dat betreft kan ik volledig met Habermas instemmen. Ik geloof dat de hervorming in het universitaire onderwijs, waarvan we overigens nog niet weten hoe ze zal uitpakken, zonder de studenten helemaal niet op gang was gekomen. Ik geloof dat er zonder de studentenbeweging nooit zoveel aandacht was geweest voor de verdommingsprocessen, die in de huidige maatschappij prevaleren. En ik geloof ook – om iets heel concreets te noemen – dat alleen door het onderzoek naar de moord op Benno Ohnesorg, dat is uitgevoerd door de studenten in Berlijn, deze hele gruwelijke geschiedenis tot het publieke bewustzijn is doorgedrongen. Ik wil daarmee zeggen dat ik geenszins mijn ogen sluit voor praktische consequenties, als ze voor mezelf transparant zijn.

D.S.: En wanneer waren ze voor u transparant?

T.A.: Ik heb aan demonstraties tegen de noodtoestandswetten deelgenomen, en ik heb op het gebied van de hervorming van het strafrecht gedaan wat ik kon. Maar het is toch een verschil van dag en nacht of ik zoiets doe of dat ik zou deelnemen aan een nu echt al semiparanoïde praktijk en stenen gooi naar universiteitsinstituten.

D.S.: Waaraan zou u afmeten of een actie zinvol is of niet?

T.A.: Enerzijds hangt de beslissing daarover in hoge mate af van de concrete situatie. Anderzijds maak ik hoe dan ook het grootst mogelijke voorbehoud tegen het gebruik van geweld. Als ik niet zou weigeren mee te doen met de eeuwige cirkel van het gebruik van geweld tegen geweld, zou ik mijn hele leven – mijn ervaringen onder Hitler en wat ik van het stalinisme heb waargenomen – moeten verloochenen. Ik kan me een zinvol veranderende praktijk alleen als geweldloze praktijk voorstellen.

D.S.: Ook onder een fascistische dictatuur?

T.A.: Er zullen zeker situaties zijn waarin dat er anders uitziet. Op een daadwerkelijk fascisme kan men slechts met geweld reageren. Ik ben op dat punt allesbehalve star. Maar wie vandaag de dag, na de moord op talloze miljoenen mensen in totalitaire staten, nog geweld predikt, weiger ik te volgen. Dat is de drempel, die geeft de doorslag.

D.S.: Is die drempel overschreden toen studenten probeerden door zitstakingen de distributie van kranten van het Springerconcern te verhinderen?

T.A.: Ik beschouw die zitstaking als legitiem.

D.S.: Werd deze drempel overschreden toen studenten uw college met lawaai en seksuele provocaties verstoorden?

T.A.: Juist bij mij, die zich altijd tegen elk soort erotische repressie en tegen seksuele taboes heeft gekeerd! Met mij de spot drijven en door drie als hippies opgedofte meisjes worden belaagd! Ik vond het stuitend. Het hilarische effect dat men daarmee sorteert was toch in feite de reactie van het burgermannetje, dat ‘hihi!’ giechelt als hij een meisje met blote borsten ziet. Natuurlijk was deze zwakzinnigheid gecalculeerd.

D.S.: Moest die excentrieke daad misschien uw theorie verwarren?

T.A.: Het komt mij voor dat het bij deze acties tegen mij niet zozeer om de inhoud van mijn colleges te doen is. Het gaat de extreme vleugel veel meer om de publiciteit. Ze zijn bang in vergetelheid te raken. Daardoor worden ze de slaaf van hun eigen publiciteit. Een college als dat van mij, dat door ongeveer duizend mensen wordt bijgewoond, is uiteraard een fantastisch podium voor propaganda door de daad.

D.S.: Kan ook deze daad niet als actie van wanhoop geïnterpreteerd worden? Misschien voelden de studenten zich in de steek gelaten door een theorie die zij op zijn minst in staat achtten te worden omgezet in een praktijk die de maatschappij zou veranderen?

T.A.: De studenten hebben helemaal niet geprobeerd met mij te discussiëren. Wat mij in de omgang met studenten tegenwoordig zo zwaar valt, is het primaat van de tactiek. Mijn vrienden en ik hebben het gevoel dat we alleen nog objecten zijn in nauwkeurig gecalculeerde plannen. De gedachte aan het recht van minderheden, die immers constitutief is voor de vrijheid, speelt helemaal geen rol meer. Voor de objectiviteit van de zaak sluit men de ogen.

D.S.: En geconfronteerd met zulke dreigingen ziet u af van een verdedigingsstrategie?

T.A.: Mijn belangstelling gaat in toenemende mate uit naar de filosofische theorie. Als ik praktische adviezen zou geven, zoals Herbert Marcuse tot op zekere hoogte heeft gedaan, zou dat alleen maar afbreuk doen aan mijn productiviteit. Men kan heel veel tegen de arbeidsdeling inbrengen, maar zelfs Marx, die haar in zijn jeugd uiterst fel heeft bestreden, verklaarde zoals bekend later dat het zonder arbeidsdeling ook niet ging.

D.S.: U heeft dus voor het theoretische deel gekozen, anderen kunnen zorgdragen voor de praktijk, ze zijn daar al mee bezig. Zou het niet beter zijn als de theorie tevens een reflectie zou zijn van de praktijk. En daarmee ook van de huidige acties?

T.A.: Er zijn situaties waarin ik dat zou doen. Maar op dit moment lijkt het me veel belangrijker eerst maar eens na te denken over de anatomie van het actievoeren.

D.S.: Dus weer alleen theorie?

T.A.: Ik ken op dit moment aan de theorie meer betekenis toe. Ik heb – vooral in de Negatieve dialectiek – deze dingen allang aangevat, voordat het tot dit conflict kwam.

D.S.: In de Negatieve dialectiek staat deze geresigneerde vaststelling: ‘Filosofie, die ooit achterhaald leek, blijft in leven omdat het ogenblik van haar verwerkelijking werd verzuimd.’ Wordt zo’n filosofie – die zich buiten alle conflicten uit – niet een soort ‘zotternij’? Een vraag die u uzelf heeft gesteld?

T.A.: Ik geloof nog altijd dat men juist onder de algemene praktijkdwang van een functionele, pragmatisch geworden wereld moet vasthouden aan de theorie. En ik laat me ook door de recente gebeurtenissen niet afbrengen van wat ik heb geschreven.

D.S.: Tot dusver, zo formuleerde uw vriend Habermas het een keer, heeft uw dialectiek zich, in de ‘zwartste passages’ van de resignatie, overgegeven aan de ‘destructieve zuigkracht van de doodsdrift’.

T.A.: Ik zou eerder zeggen dat de krampachtige neiging tot het positieve uit de doodsdrift voorkomt.

D.S.: Dan zou het de deugd van de filosofie zijn het negatieve onder ogen te zien, niet om het tij te keren?

T.A.: De filosofie kan van zich uit geen directe maatregelen treffen of veranderingen aanbevelen. Ze verandert juist doordat ze theorie blijft. Ik denk dat men zich toch een keer zou moeten afvragen of het niet ook een vorm van verzet is als een mens het soort dingen denkt en schrijft zoals ik ze schrijf. Is theorie in zo’n geval niet ook een echte vorm van praxis?

D.S.: Zijn er geen situaties, zoals bijvoorbeeld in Griekenland, waarin u, afgezien van de kritische reflectie, actie zou bepleiten?

T.A.: In Griekenland zou ik uiteraard elk soort actie goedkeuren. Daar heerst een totaal andere situatie. Maar vanuit je comfortzone mensen aanraden ook eens een revolutie te beginnen, is zo ridicuul dat je je ervoor zou moeten schamen.

D.S.: Dus u beschouwt de verdere analyse van de maatschappelijke verhoudingen nog altijd als uw meest zinvolle en noodzakelijke activiteit in de Bondsrepubliek?

T.A.: Ja, en om me in heel bepaalde, particuliere fenomenen te verdiepen. Ik geneer me in het geheel niet om in alle openheid te zeggen dat ik werk aan een groot boek over esthetica.

D.S.: Professor Adorno, wij danken u voor dit gesprek.    

 

Vertaling uit het Duits: Mark Wildschut