Alena Alexandrova

DE WITTE RAAF

Editie 212 juli-augustus 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Berlinde De Bruyckere. Engelenkeel

Meestal spreken we over emoties als fluïde, in beweging, of resonerend; ze zijn in zekere zin vormloos. Tegelijkertijd hebben ze de kracht om houdingen, gebaren en uitdrukkingen te vormen. Berlinde De Bruyckere articuleert het gewicht van deze innerlijke ruimte met materialen die in- of uitvouwen, bijeenhouden, openen, overlappen, omhullen en draperen. Haar solo-expositie in het Bonnefantenmuseum toont een selectie sculpturen, tekeningen en installaties uit de periode 2014 tot nu.

Kenmerkend is De Bruyckeres oog voor oppervlakken, waarbij ze het onderscheid tussen huiden en pelzen van mensen en dieren laat vervagen door een specifiek textuur- en kleurgebruik. De eerste groep sculpturen in de tentoonstelling, Penthesilea (2014-2015), was aanvankelijk onderdeel van de scenografie voor de gelijknamige opera van Heinrich von Kleist (1777-1811), opgevoerd in een regie van Pascal Dusapin in De Munt in Brussel. In Kleists interpretatie wordt het plot van de oorspronkelijke mythe – waarin Achilles Penthesilea doodt om er vervolgens achter te komen dat hij van haar hield – omgedraaid, en vermoordt de Amazonekrijger haar geliefde Achilles. De Bruyckere maakt vaak gebruik van grote draagconstructies – waaronder gevonden kasten, sokkels of houten balken. Penthesilea bestaat uit grote bassinachtige metalen structuren die worden ondersteund door verticale staven. Daarover zijn grote lappen die eruitzien als gevilde huiden gedrapeerd, opgehangen aan een klein haakje. Het oppervlak oscilleert tussen vacht en huid, en lijkt tegelijk vormloos als rigide. Liefde en dood, sensualiteit en moorddadige woede worden vertaald in een ontmoeting tussen het harde oppervlak van het metaal en de zachtheid van de drapage die vulva-achtige vormen aanneemt.

De Bruyckeres beeldhouwwerk is vaak geïnspireerd op religieuze iconografie. Bekende figuren als Sint-Sebastiaan en Maria Magdalena worden omgevormd tot nieuwe beelden die in dialoog treden met de traditie van de religieuze schilderkunst. Je zou kunnen zeggen dat dergelijke motieven worden opengevouwen, of zorgvuldig ontleed en weer in elkaar gezet, op dezelfde manier als ze haar materialen benadert. Sjemkel I (2020), een beeldengroep in de tweede zaal, is geïnspireerd op Giorgiones schilderij Dode Christus ondersteund door een engel (1502-1510). De vijf sculpturen zijn samengesteld uit dierenhuiden en oude dekens die daaromheen zijn genaaid en een zachte omhulling vormen. De wijze waarop de werken aan de muur bevestigd zijn, als lichamen opgehangen aan een haak, suggereert echter ook geweld, en het deels rode, deels grijzige oppervlak van de huiden, gedeeltelijk met plukjes korte vacht bedekt, impliceert dood en verval. De werken geven uitdrukking aan een ritme van vasthouden en vouwen, dood en rouw.

Boomstammen spelen een centrale rol in verschillende werken in de volgende zalen. Lichamen en hun anatomie, bomen en bloemen worden zo getransponeerd en weergegeven dat ze een medisch karakter lijken te krijgen. Infinitum (2017-2019) is een constellatie van kleine, in was gegoten boomstammen waarvan de bovenkant met op verband lijkend textiel is omwonden. De stammen zijn bedekt met glazen potten alsof ze geconserveerd moeten worden, of tentoongesteld als anatomische specimen. Poire d'amour (2017), in dezelfde ruimte, is een reeks tekeningen van genitaliën gemaakt in samenwerking met een medisch onderzoeker. De anatomisch correcte weergaven vloeien over in bloemvormen, die zowel sterk als delicaat en kwetsbaar zijn.

De Bruyckeres verbeelding van lichamelijkheid roept herkenning en empathie op ten aanzien van zowel mensen, dieren als bomen. In San S II (2017-2019) wordt de bast van een boomstam ter grootte van een menselijke torso doorboord door twee metalen staven die een kruis vormen. De titel is een directe verwijzing naar Sint-Sebastiaan, wiens beheerste volharding van zijn martelingen wordt uitgedrukt in de stille aanwezigheid van de boomschors. Embalmed-Twins II (2017) is een grote boomstam bedekt met rozige was die eruitziet als vlees. De takken zijn afgezaagd en verbonden met oude dekens. De tijd en het leven lijken zich te hebben ingeschreven in de oppervlaktestructuur van de oude boom met zijn uitsteeksels, vraatsporen, wondachtige openingen en zachte plooien. No Life Lost II (2015) is een sculptuur bestaande uit een glazen kast waarin de samengebonden, verstrengelde lichamen van drie paarden op en over elkaar liggen. Hun benen steken door de open kastdeuren naar buiten. Een van de paarden is geblinddoekt met een verband.

Het bedekken van het gezicht, of het verwijderen van het hoofd, komt terug in vele sculpturen. Het motief suggereert anonimiteit: de anonimiteit van slachtoffers – de geblinddoekte figuren doen kwetsbaar aan, of lijken pijn te lijden – maar ook het troostende gebaar van het naar binnen gekeerd zijn, alsof de figuren zichzelf vasthouden. Per Benedetto (2009), een hommage aan de Italiaanse renaissancebeeldhouwer Benedetto da Maiano (1442-1497), toont een menselijke figuur zonder hoofd die zich voorover buigt alsof hij zich wil beschermen tegen het geweld bekeken te worden. Er zit altijd enig geweld in het kijken van de toeschouwer. Misschien suggereert ​​De Bruyckere om dat ‘microgeweld’ om te zetten in empathie of gedeelde aanwezigheid.

Dekens die omhullen, beschermen en verwarmen, zijn andere hoofdrolspelers. Courtyard of Tales (2017-2018) is een grote sculptuur gemaakt van tweedehands dekens die maandenlang werden blootgesteld aan de elementen. De gelaagdheid van oude en gescheurde dekens suggereert het bedekken van oude wonden, maar wijst ook op groei en proliferatie. Aletheia on-vergeten (2019) is een grote constellatie van houten pallets met stapels dierenhuiden. De metaforische iconografie wordt hier vervangen door een bijna letterlijke reconstructie van de manier waarop huiden worden bewaard en geconserveerd in industriële leerlooierijen. Alles in de kamer is bedekt met een laagje zout, wat een bevroren winterlandschap oproept, levenloos en koud, als een zinspeling op de wreedheid van de industrieën die dierenhuiden vellen om er leer van te maken.

Lichamen smelten samen, vormen worden doorkliefd, ledematen worden takken, stammen worden torso's, huid wordt pels, genitaliën worden bloemen. In het onontkoombare proces van ontbinding en bederf na de dood worden de grenzen van het lichaam opgeheven. De sculpturen van De Bruyckere hebben een Vanitas-motief, maar ze spreken ook over het geleefde leven dat zich heeft ingeschreven in het materiaal, over de viscerale herinnering aan emoties en pijn, en over de manier waarop alles en iedereen verbonden is. De werken lijken uit te drukken dat lichamen altijd een bewustzijn hebben van pijn, en van het gewicht van emoties. En toch kondigt de titel van de tentoonstelling de lichtheid van een engel aan.

(vertaling uit het Engels: Noortje de Leij)

 

• Berlinde De Bruyckere. Engelenkeel, tot 26 september in het Bonnefantenmuseum, Avenue Ceramique 250, Maastricht.