Mieke Rijnders

DE WITTE RAAF

Editie 212 juli-augustus 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Another History of Art

Wat maakt deze kunstgeschiedenis anders dan de bekende rij naslagwerken van Helen Gardner (Art Through The Ages, 1926), Ernst Gombrich (The Story of Art, 1950), Horst Janson (History of Art, 1962) of Laurie Schneider Adams (A History of Western Art, 1994)? Of zoals Koenraad Jonckheere het zelf formuleert in het voorwoord: ‘Valt er een kunstgeschiedenis te schrijven die geen opeenvolging is van kunstenaarslevens opgeluisterd met historische intermezzi?’. De auteur wil – zoveel is duidelijk – een andere kunstgeschiedenis schrijven in plaats van de zoveelste. Jonckheere beperkt zijn terrein, net als Gombrich en Adams, tot (West-)Europa, maar anders dan zij behandelt hij alleen de schilder- en beeldhouwkunst, vanaf de Klassieke Oudheid tot heden. Doel van het boek is om te laten zien ‘dat kunstwerken innig verstrengeld zijn met de historische dynamiek waarin ze ontstaan en de veranderende perspectieven van waaruit ze bekeken worden’.

Richtinggevend aan Jonckheeres kijk op de geschiedenis van de kunst is het besef dat de betekenis, waarneming en waardering van kunstwerken – want die staan centraal, niet hun makers – niet absoluut zijn, maar plaats- en tijdgebonden. Het perspectief bepaalt het belang. In overeenstemming met dit uitgangspunt breekt Jonckheere radicaal met de predominantie van een chronologische ordening bij zijn voorgangers, waarin de kunstgeschiedenis wordt geperiodiseerd op basis van veranderingen in vorm en inhoud. Na een inleiding met een verantwoording van de selectie en methodologie, wordt de kunst van vijfentwintig eeuwen maar liefst vijf keer opnieuw bekeken vanuit vijf verschillende perspectieven: ‘Het product kunst’, met aandacht voor de economische aspecten van het kunstbedrijf, de marktmechanismen van vraag en aanbod en hun invloed op de stijl- en onderwerpkeuzes van kunstenaars (een van de laatste taboes in de kunstgeschiedschrijving); ‘Het idee kunst’, over de invloed van kunsttheorie op kunstwerken en vice versa; ‘Kunst(en) en wetenschap’, waarin de wisselwerking tussen de kunsten onderling en tussen kunst en wetenschap centraal staat; ‘Kunst, macht en geloof’, over de uitwerking van religieuze en politieke systemen op de beeldende kunsten en omgekeerd, en ten slotte ‘Vorm en inhoud’, over deze twee pijlers van de traditionele kunstgeschiedenis en hun onderlinge verwevenheid. De korte epiloog, ‘Kunst als interactie’, wordt welsprekend afgesloten met de paradox: ‘Kunst is niet wat het is. Het is wat het wordt.’

Dertien tekstkaders verdiepen de vijf verhaallijnen met uitleg over kunsttechnieken en -praktijken, materialen en hun eigenschappen, en de invloed die deze verschillende factoren hebben op de kunstproductie en -appreciatie. Zo gaat het bijvoorbeeld over het verschil in mogelijkheden van marmer en brons, van paneel of doek, of van tempera versus olieverf. Uitgebreide onderschriften bij een groot aantal van de 577 afbeeldingen geven gedetailleerde informatie over het werk en/of de maker. Wie meer wil weten over de bestreken tijdvakken vindt een voortreffelijke wegwijzer in de rijke en actuele literatuurlijst achterin. De naamsvermelding van instituten en de datering van gebeurtenissen zijn bijzonder nauwkeurig. Van traktaten, lexica en levensbeschrijvingen wordt in veruit de meeste gevallen zowel de oorspronkelijke titel als de vertaling genoemd en voor kunsthistorische terminologie geldt hetzelfde. Als vanzelf wordt de lezer zo ingevoerd in het vaktechnisch begrippenkader. Another History of Art is in die zin een voorbeeldig handboek. Wel verdient het aanbeveling om bij een herziene druk scherper op de continuïteit te letten. Zo wordt Benedetto Varchi op pagina 153 afgeschreven als een van de mindere goden op het gebied van kunsttheorie, die buiten het bestek van het boek zou vallen, om een kleine veertig pagina’s later te herrijzen als ‘vooraanstaande humanist, taalkundige en dichter’ aan wiens inzichten een halve pagina wordt gewijd. Enigszins hinderlijk werkt ook de herhaling van gegevens wanneer dezelfde personen of instituten bij de bespreking vanuit verschillende perspectieven steeds opnieuw worden geïntroduceerd.

Het format van de perspectiefwisseling met focus op de historische (en religieuze, economische, sociale, politieke en kunsttheoretische) dynamiek maken Jonckheeres kunstgeschiedenis inderdaad anders, meer aansprekend, zeker voor de achttienjarige student kunstgeschiedenis, die hij, blijkens een opmerking tijdens een boekpresentatie op 12 mei, als ideale lezer voor ogen had. Een van de sterke punten is dat hij verbanden legt tussen het heden en verleden. Zo onderscheidt Jonckheere al in de zestiende eeuw een vorm van ‘crossmediaal’ denken ­– waarmee hij een link legt met de hedendaagse beeldcultuur – terwijl de stijl van de huidige politieke macht in het oude Rome wortelt. Kunstgeschiedenis is geen voltooid verleden tijd maar leeft.

Wie vijf keer vijfentwintig eeuwen doorloopt moet scherpe keuzes maken, want de ruimte is beperkt. De nuance verdwijnt daarbij soms naar de achtergrond en het beeld raakt vertekend. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het vroege verzamelen dat – terecht – meermaals aan de orde wordt gesteld vanwege de nauwe banden met kunsthandel, mecenaat en wetenschap. Het onderscheid tussen studiolo, rariteitenkabinet en vorstelijke Kunst- und Wunderkammer komt te weinig tot uiting, terwijl ze qua functie, samenstelling en toegankelijkheid geen gelijkwaardige fenomenen waren. Voor de verschillende categorieën voorwerpen die deze verzamelingen naast schilder- en beeldhouwkunst bevatten is ‘curiosa’ een te grove noemer, nog afgezien van de huidige negatieve connotatie van het begrip. Hier had een tekstkader uitkomst kunnen bieden.

Niet van deze tijd is de ruimte die het werk van vrouwen is toebedeeld: vijf (!) werken in totaal. Artemisia Gentileschi mag de invloed van Caravaggio illustreren; Judith Leyster figureert als voorbeeld van het vrijemarktmechanisme in de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw; Angelika Kauffmann verschijnt niet als pionier van het neoclassicisme – die rol krijgen Anton Raphael Mengs en Jacques-Louis David – maar als schilder van het portret van Winckelmann, de inspirator van deze kunststroming. Verder komt Maria Sibylla Merian even om de hoek kijken omdat zij de empirie die Francis Bacon propageerde in praktijk bracht in haar gedetailleerde tekeningen van planten en insecten, en wordt Marina Abramović in één adem genoemd met Gilbert & George als voorbeeld van performancekunstenaars die hun lichaam voor hun werk gebruiken.

Ze zijn er natuurlijk wel degelijk: toonaangevende en succesvolle vrouwen, die de gekozen perspectieven hadden kunnen versterken. In dit opzicht is Jonckheeres overzicht geen andere kunstgeschiedenis, maar de zoveelste. Maar afgezien hiervan niets dan lof voor deze auteur, die dankzij zijn bijzondere invalshoeken, zijn scherpe observaties, de schat aan gegevens en zijn enthousiasmerende, levendige taal niet alleen de student kunstgeschiedenis, maar iedereen met belangstelling voor Europese schilder- en beeldhouwkunst zal weten te boeien.

 

• Koenraad Jonckheere, Another History of Art. 2.500 jaar Europese kunstgeschiedenis, Veurne, Hannibal Books, 2020, ISBN 9789463887526.