Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 213 september-oktober 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Re-collect

 

Op de bovenste verdieping van het Fotomuseum Antwerpen is momenteel een collectiepresentatie te zien van de werken die het museum tussen 2010 en 2020 heeft aangekocht. Met een honderdtal foto’s van zo’n vijftig fotografen is het een aardig gevulde tentoonstelling, met een breed scala aan historische en contemporaine fotopraktijken en productiemethodes, van analoog tot digitaal en van stil tot bewegend beeld.

De werken zijn niet chronologisch geordend, maar lijken eerder associatief gerangschikt. Toch kan er een zekere lijn getrokken worden: wie het parcours volgt, ziet een eerste sequentie die lijkt scherp te stellen op wat (met het nodige voorbehoud) omschreven zou kunnen worden als ‘kunstfotografie’. De bezoeker ziet achtereenvolgens werken van contemporaine fotografen als Lucas Leffler, Sébastien Reuzé, Dirk Braeckman, Wim Wauman, een digitaal videowerk van David Claerbout en enkele figuren uit de Belgische historische avant-garde zoals Willy Kessels en Roger Kockaerts. Een tweede reeks presenteert nationale en internationale fotografen die putten uit een lange en gevestigde documentaire traditie, zoals Edmond Fierlants, Harry Gruyaert, Cédric Gerbehaye, Gregory Halpern, Max Pinckers en Jan Rosseel. Een derde groep, ten slotte, bevat beelden met een uitgesproken sociaal-politieke lading, zoals die van Patrick Waterhouse, Jan Hoek, Nick Hannes, Gert Jochems, Bieke Depoorter en Zanele Muholi. Tussen deze gevestigde namen kan de bezoeker foto’s van verschillende Belgische amateurfotografen en enkele rariteiten aantreffen, van daguerreotypen tot historische Japanse fotografie, en zelfs een voorbeeld van procedurele fotografie. Zoals curator Tamara Berghmans stelt in de inleidende video: er is ‘voor elk wat wils’.

Bij iedere fotograaf hangt een summiere tekst die enige duiding van de beelden geeft, de fotograaf in een bepaalde traditie plaatst en uitleg geeft over productiewijze of gebruikte techniek. Waar echter geen uitsluitsel over wordt gegeven, is waarom deze werken werden aangekocht. Nergens lezen we wat ze precies bijdragen, welke leemte ze invullen, welke nuance ze aanbrengen, of welke nieuwe inzichten ze generen over de Belgische en/of internationale fotogeschiedenis. Er worden enkele suggesties gegeven, maar echt duidelijk wordt het nooit. De tekst bij Reflecterende Bollen (1935) bijvoorbeeld, een beeld van Georges Woumans (1892-1983), kleermaker van beroep, leert ons dat hij een amateurfotograaf was die verschillende stijlen hanteerde (welke wordt niet nader toegelicht), dat hij vooral actief was tussen 1924 en 1950, lid was van verschillende fotografieverenigingen zoals de Fotografische Kring Iris (de Gentse afdeling van de Association belge de photographie) en meerdere prijzen won. Maar dus geen antwoord op de vraag waarom de foto’s van Woumans nu precies zijn opgenomen in de collectie. Was het omdat ze van een uitzonderlijke kwaliteit getuigen; een typevoorbeeld zijn van wat een amateurfotograaf uit die periode zoal produceerde; Woumans tot een fotovereniging behoorde waarvan het museum nog niet veel beelden bezat; of omdat sommige beelden (zoals Reflecterende Bolllen) illustreren hoe het fotografisch modernisme ook in amateurkringen werd beoefend?

Wie het tentoonstellingsparcours van het Fotomuseum de afgelopen tien jaar heeft gevolgd, merkt ook nog iets anders op. Zoals de curatoren zelf al aangeven in de introductievideo, komen bijna alle hedendaagse werken uit de tentoonstellingen die het FOMU het afgelopen decennium organiseerde. De enige uitzondering zijn de twee reeksen van Dirk Braeckman die aangekocht werden om een beter beeld te kunnen geven van zijn totale oeuvre. Het afstemmen van het collectiebeleid op het expobeleid is op zich niet problematisch: het is logisch dat een collectie inzicht biedt in de werking van het museum en dat ze bevat wat het ooit belangrijk genoeg vond om te presenteren. Toch schuilt hier ook een gevaar in: het museum is beperkt in het aantal exposities dat het jaarlijks kan organiseren. En dus kan men zich de vraag stellen of de collectie werkelijk representatief is voor de hedendaagse ontwikkelingen binnen het ruime veld van de fotografie.

Re-collect toont dat het museum, vooral wat betreft het hedendaagse luik, op veilig speelt, met veel gevestigde en voorspelbare namen. Wel een beeld van de trendy Zuid-Afrikaanse Zanele Muholi bijvoorbeeld, maar niet van de minder bekende maar fotografisch veel interessantere Afro-Amerikaan Paul Mpagi Sepuya. Het museum pikt op wat reeds gekend is, en maakt geen eigenzinnige, dwarse keuzes die de collectie reliëf zouden kunnen geven. Dat meer gedurfde praktijken, waar fotografie aanschurkt tegen andere disciplines, waar er lustig op los wordt geëxperimenteerd, waar de conventies van het medium uitgedaagd en verlegd worden, structureel minder aandacht krijgen, versterkt deze indruk nog. Alleen al binnen de Belgische context, blijft het vreemd dat er van fotografen/kunstenaars als Benoît Platéus, Marc De Blieck, Sine Van Menxel of Aglaia Konrad niets terug te vinden is. Wat zegt deze collectiepresentatie over de instelling die het FOMU wenst te zijn? Wat wordt in het centrum geplaatst en wat weggezet als niche, en dus blijkbaar niet het verzamelen waard? Dat voor het enige inhoudelijke criterium voor de aankoop van nieuw werk wordt verwezen naar de eventuele sociaal-maatschappelijke betekenis ervan, suggereert dat het museum fotografie nog altijd eerder klassiek interpreteert als een bij uitstek documentair medium. Het verklaart wellicht ook de aarzeling om jong, experimenteel en grensverleggend werk aan te kopen.

 

Re-collect. Het FOMU verzamelt 2010-2020, tot 7 november in FOMU, Waalsekaai 47, Antwerpen.