Benoît Vandevoort

DE WITTE RAAF

Editie 213 september-oktober 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Bataille & ibens

Toen in 2016 werd besloten dat de Vlaamse provincies niet langer culturele activiteiten mogen uitoefenen, moest het in 1988 opgerichte Architectuurarchief Provincie Antwerpen (APA) op zoek naar een nieuw onderkomen. Sinds 2018 maakt het deel uit van het Centrum voor Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) in het Vlaams Architectuurinstituut, dat zo plots van een eigen collectie werd voorzien en zich sterker kon profileren in de geschiedschrijving van de Vlaamse architectuur. Dat materieel geheugen wordt sindsdien expliciet uitgespeeld in de tentoonstellingsreeks Unfolding the archives. Kleine, thematische exposities maken gerichte doorsneden in het omvangrijke archief. Na een algemene openingstentoonstelling werd een editie gewijd aan het werk van Juliaan Lampens. In deze derde editie wordt het archief van Bataille & ibens uitgelicht.

Claire Bataille (1940) en Paul ibens (1939-2020) behoren tot de eerste generatie gediplomeerde interieurarchitecten in België. Hun bureau groeide sinds 1968 uit tot een referentiepraktijk, met een omvangrijk oeuvre van haast uitsluitend privéopdrachten: interieurs voor appartementen en enkele vrijstaande woningen – veelal voor een gegoede clientèle – aangevuld met ontwerpen voor meubilair, winkel- en kantoorinterieurs. Dat hun werk nooit grote internationale bekendheid heeft gekregen, ligt mede aan privacyoverwegingen omtrent de opdrachtgevers en aan de zeldzaamheid van publieke opdrachten. De moeilijkheid om interieurprojecten te documenteren en te bewaren speelt ook een rol. De keuze voor een archieftentoonstelling onderlijnt de belangrijke taak die het archief te vervullen heeft: interieurs zijn vluchtig en kwetsbaar, onderworpen aan snel veranderende trends en de wil van gebruikers. Vooral binnen de commerciële logica van winkelinterieurs lijkt die stelling op te gaan. Van de vele winkelontwerpen die het bureau vanaf de vroege jaren negentig op papier zette, bestaat het merendeel intussen niet langer in gebouwde vorm.

Unfolding the archives #3 focust niet op een exhaustieve weergave van het oeuvre van Bataille & ibens, maar poogt hun ontwerpaanpak en -ethos te vatten. Het bureau staat bekend om evenwichtige interventies en een streven naar eenvoud, wat niet zelden resulteerde in een esthetiek van minimalistische en opvallend witte (huiselijke) interieurs met een bijna museaal karakter, door het duo zelf omschreven als ‘aanwezige afwezigheid’. Dit vormt eveneens het uitgangspunt van de tentoonstelling, die daarmee deze reputatie van de ontwerpers onderstreept. De selectie is echter divers; ook minder bekende, gedurfde en speelse episodes komen aan bod.

Curator Eva Storgaard laat het gefragmenteerde archief als zodanig aan het woord: in de kleine tentoonstellingsruimte boven in deSingel moeten de plannen, tekeningen, objecten en afbeeldingen van uiteenlopende projecten vooral voor zichzelf spreken. In niet-chronologische volgorde wordt telkens met één of enkele beelden een specifiek aspect van een project getoond. De archiefbeelden en -objecten zijn op basis van zes centrale thema’s gebundeld, maar de secties worden niet duidelijk omlijnd en zijn bovendien niet van een label voorzien. Wie de tentoonstellingsgids niet openslaat, kan de beelden evengoed als één gevarieerde sequentie lezen. Op de achterste wand geeft een fotoreeks inkijk in het reilen en zeilen van het bureau, en in het midden wordt het perspectief versterkt door twee rode exemplaren van Bench (1998), de door Appart geproduceerde houten bank van Bataille & ibens; samen met de lichtgrijze muren refereert de expositieruimte daarmee aan de interieurs van het duo.

Aan de hand van de thema’s wordt gepoogd een aantal kwaliteiten van het oeuvre te duiden. Zo toont ‘licht en perspectief’ via een aantal foto’s en perspectieftekeningen onder meer de toepassing van zenitale lichtinval. Zowel in de Antwerpse winkel Migosha (1994) als in het klooster van de Zusters van de Heilige Familie in Sint-Job-in-’t-Goor (1968) werd op die manier de simpele, naakte wand benadrukt. Dat het (dag)licht ruimtelijk wordt uitgespeeld, bewijst ook de lichtstudie voor Appartement O in Knokke (1988): drie foto’s illustreren het samenspel van zon- en kunstlicht op verschillende momenten van de dag. ‘Ordening en verhouding’ legt de getallensystemen bloot die instructief zijn geweest voor Bataille & ibens’ dimensionering van ruimtes en meubilair. Ze dienden tevens als basis voor het patroon van een serie tapijtontwerpen uit 1980, waarvan de tekeningen in het Vlaams Architectuurinstituut als abstract-geometrische werken worden getoond. Enkele deurklinken getuigen onder de noemer ‘verwevenheid en detail’ van de zin voor detaillering en doorgedreven integratie. In één adem noemt de tentoonstelling ook de samenwerking met kunstenaars als Peter Downsborough, wiens karakteristieke zwarte lijnen en letters meermaals in Bataille & ibens’ interieurs werden opgenomen.

De thema’s reiken interessante ontwerpeigenschappen aan, maar ze blijven noodgedwongen erg algemeen. Storgaard maakt er een punt van lijnen te trekken door het gehele oeuvre van het in 2012 ontbonden bureau, waarbij materiaal uit verschillende decennia wordt samengebracht. Het informatiefst wordt de tentoonstelling wanneer een enkel ontwerp de leidraad vormt: ‘knoop en module’ belicht 78 Plus, een gepatenteerd, modulair bouwsysteem uit 1978 dat de structurele basis vormde voor latere projecten. De knoopverbinding die Bataille & ibens voor het systeem ontwikkelden, kon op uiteenlopende schaal worden toegepast, als constructieve verbinding van de ruwbouw van prefabwoningen en wooncomplexen tot de in serie geproduceerde H2O-bureautafel van Bulo (1994).

Er is veel aandacht in de expositie voor de systematische en structurele aanpak in Bataille & ibens’ praktijk. Vooral hun begrip van interieurarchitectuur als zelfstandige ruimtekunst wordt onderlijnd, zonder in te gaan op samenwerkingen met architecten en ingenieurs. De plan- en perspectieftekeningen zijn, ondanks de thematisering van het ontwerpproces, niet in ontwikkeling maar steeds volledig afgewerkt – op een enkel schema van de Stille Ruimte (2006) van de Antwerpse universiteit na. De afbeeldingen tonen verlaten interieurs waar niet in wordt gewoond of gewerkt, en die het vormelijke resultaat zouden zijn van een vaste reeks ruimtelijke principes. De portrettering van Bataille & ibens als consistente en rationele ontwerpers werd mede door de ontwerpers zelf in het leven geroepen. Op de overzichtstentoonstelling die ze in 2003 in het Design Museum Gent samenstelden, opteerden ze voor een eerder esthetiserende presentatie, waarbij de context van het ‘wonen’, die wel degelijk centraal stond in hun praktijk, maar ook de delicate relatie tussen interieurontwerp en commercie, bijna geheel buiten beschouwing werden gelaten (De Witte Raaf, nr. 103). In het VAi lijkt een nadruk op de autonome kwaliteiten van het oeuvre vooral te willen illustreren dat deze praktijk niet moet onderdoen voor die van architecturale tegenhangers, en dus een plaats in de reeks archieftentoonstellingen verdient.

 

Unfolding the Archives #3. Bataille & ibens, tot 26 september in Vlaams Architectuurinstituut, deSingel, Desguinlei 25, Antwerpen.