Pieter T'Jonck

DE WITTE RAAF

Editie 213 september-oktober 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Composite presence

De titel van de architectuurbiënnale van Venetië, How will we live together?, gecureerd door de Libanees-Amerikaanse architect en academicus Hashim Sarkis, suggereert torenhoge ambitie. Uitgangspunt zijn crises zoals groeiende economische ongelijkheid, agressief nationalisme en klimaatverandering; het groeiende belang van technologie; en verschuivingen in de denk- en belevingswereld: meer individualisme, minder ideologische vooringenomenheid, meer (gender)fluïditeit, maar ook een hang naar nieuwe verbanden, naar commons, op lokale én planetaire schaal. Wat deze weinig originele analyse met architectuur te maken heeft? Deze diepgaande wijzigingen smeken om een nieuw ‘sociaal contract’ en daarvoor zijn nieuwe ruimtes nodig. De centrale vraag ‘hoe zullen we samenleven’ wordt zo een zaak van architecten en ontwerpers, die als een ouderwetse voorhoede worden geacht de wereld te verbeteren met social engineering. Reyner Banham wees er in de vorige eeuw al meermaals op dat het zowel zinsbegoocheling als zelfoverschatting is om te denken dat architectuur een vorm is van good design die het menselijk lot ten goede kan keren. Architectuur is slechts een detail in de wereldwijde bouwproductie, zij het met een hoog cultureel prestige, dat uiteraard kan bijdragen aan een gunstig leefklimaat. Er gaapt echter een enorme kloof tussen de missie die architecten als Sarkis zichzelf toedichten en de reële impact ervan.

De overtrokken ambities van de hoofdtentoonstelling staan in schril contrast met de genuanceerde reflecties die het Belgische paviljoen biedt. Composite presence, een project van Dirk Somers (Bovenbouw Architecten), kan beschouwd worden als een contre-projet voor dat van Sarkis. Ook Somers heeft het over ‘samenleven’ in ‘diversiteit’, maar niet zozeer van mensen als wel van gebouwen. Hij selecteerde vijftig recente projecten verspreid over Vlaanderen en Brussel, niet enkel stedelijke, maar ook uit het ‘buitengebied’. In de meeste gevallen gaat het om woningen (nieuwbouw of renovatie), maar de selectie omvat ook scholen, kantoren, fabrieken en zelfs een kerk en een containerpark. Samen geven ze een goed beeld van de architectuurpraktijk in Vlaanderen.

Van elk ontwerp werd door een team rond Gosia Olchowska een zeer gedetailleerde, kleurrijke maquette in hout en plaatmateriaal gemaakt op de verbluffend grote schaal van 1:15. Somers assembleerde de maquettes tot een denkbeeldige stad, met compacte bouwblokken in het centrum en rafelige uitlopers aan de randen. Doordat ze op ooghoogte staan op tafels met grote tussenruimtes, te vergelijken met eilanden in de Venetiaanse archipel, zien bezoekers de straten en gebouwen – en zelfs de binnenruimtes – tot in het detail. De straten zien er bijzonder realistisch uit, ondanks de fellere kleuren en het ontbreken van groezeligheid. Het verschil met doorgaans uniform witte, stedenbouwkundige maquettes op een veel kleinere schaal en van bovenaf bekeken, is opvallend; je ervaart haast fysiek de maat en de materialiteit van deze eilandengroep.

Deze stad is als een lege scène, een podium, wachtend op acteurs, zoals het stedelijk decor in het Teatro Olimpico van Scamozzi en Palladio. Somers spreekt over een capriccio, naar Canaletto’s schilderij uit circa 1756-1759 dat een fictieve Canal Grande weergeeft, met zowel gerealiseerde als onuitgevoerde projecten van Palladio. Maar je herkent er ook onmiskenbaar andere fictieve, ‘onzichtbare’ steden in, gebaseerd op fragmenten en gebouwen van reële omgevingen, zoals Campo Marzio (1772) van Piranesi of, eigentijdser, de ‘analoge stad’ die Aldo Rossi in de jaren zestig en zeventig ontwikkelde, of Collage City (1978) van Colin Rowe en Fred Koetter. Zeker Rossi’s denkbeeldige stad diende als manifest tegen modernistische stedenbouw: elke stad heeft een eigen vorm, als resultaat van topografie en ‘stedelijke feiten’, waarin een cultuur en een geschiedenis oplichten. Als een bijna zelfstandige realiteit absorbeert de stad maatschappelijke ontwikkelingen.

Toch wijkt Composite presence op een essentieel punt af van de denkbeelden van Rossi of Rowe. De projecten mogen dan samen een overtuigend stedelijk beeld oproepen, het leeuwendeel is uit een context geplukt waarin de historische stad een schim is van zichzelf, of geheel ontbreekt. Vlaanderen en Brussel zijn doorweven met non-lieux, als gevolg van een ongelukkige kruising tussen verkavelingen en gebrekkige planning. De projecten in Composite presence verbeteren deze lamentabele condities door op soms onooglijke (of haast onmogelijke) percelen met een combinatie van pragmatiek en verbeelding toch samenhang te verlenen aan pleinen en straten, die ze redden van de hopeloze banaliteit. Somers leunt sterk op wat architectuur historisch gezien te bieden heeft, als denkvorm. Hij verdedigt een opvatting van de ‘Vlaamse’ hedendaagse architectuur als een intelligent spel dat teert op moeilijke, zelfs treurige condities die vrijelijk worden geciteerd, geparodieerd of geïntensiveerd, met royaal veel allusies – tongue in cheek – op de traditie van het vak. Het is de architectuur die de stad redt en zelfs maakt, in plaats van andersom. Uit Composite presence spreekt zo eerder de geest van Robert Venturi dan van Aldo Rossi. 

Dat neemt niet weg dat de compositie van deze ‘misplaatste’ en heterocliete projecten een spetterend spektakel biedt, als een verhaal dat zich losgezongen heeft van zijn context en alleen zichzelf celebreert. Dat is weliswaar een overdrijving, een spel, maar met een hoge inzet: de installatie doet een uitspraak over de rol van architectuur in het leven. De assemblage zegt zo goed als niets over wat er achter de gevels gebeurt of zou moeten plaatsvinden. De gevels fungeren eerder als persona’s, als maskers die gebeurtenissen deels verhullen. Somers creëert een scherpe cesuur tussen de publieke en de private functie van architectuur. Aan de publieke zijde wordt de omgeving geordend, door een fictieve samenhang te creëren – zij het op ironische wijze, met vrijpostige referenties aan historische, typisch architecturale beelden die in de loop van de twintigste eeuw in allerhande contexten toegeëigend werden. Wat zich achter dat decor afspeelt is daarentegen van geen tel – op uitzondering van de kerk na, waarvan het gehele interieur zichtbaar is, maar dat is een bij uitstek publieke ruimte.

Somers beeldt de architectuur uit als een beschutting van de intimiteit, die gewaarborgd wordt door de gevel. Diezelfde gevels vormen vervolgens het decor dat de publieke ruimte maakt, als een reeks herkenbare gebaren die in de eerste plaats een architecturale betekenis hebben. De publieke ruimte kan met zorg en met oog voor complexiteit vormgegeven worden, zonder dat architecten moeten of kunnen bepalen wat er al dan niet zal gebeuren. Het is een positie die de poten wegzaagt onder de oproep van Sarkis tot een nieuwe, open en transparante architectuur die het samenleven wil sturen.

 

Composite presence, tot 21 november in het Belgisch paviljoen op de architectuurbiënnale van Venetië. De tentoonstelling wordt volgend jaar hernomen in Z33 in Hasselt.