Ed Taverne

DE WITTE RAAF

Editie 213 september-oktober 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Victor Bourgeois

Iwan Strauvens kolossaal ogende boek vraagt – in de terminologie van Michel de Montaigne – om een suffisant lecteur: een lezer die meer parels uit de tekst weet te halen dan er feitelijk zijn neergelegd. Als die al te vinden zouden zijn, dan zijn het de prachtige foto’s van Maxime Delvaux. Het betoog van Strauven vraagt daarentegen enig doorzettingsvermogen om er de glans van architect Victor Bourgeois’ eigenzinnig modernistisch project in te ontdekken en om het te doorgronden.

Strauven schrijft in de inleiding te willen breken met de historiografische splitsing van het leven en werk van Bourgeois (1897-1962) in twee perioden vóór en na de Tweede Wereldoorlog, en stelt voor om zijn bezigheden als architect, stedenbouwkundige en docent in hun totaliteit te beschouwen. Die ambitie wordt enigszins in de wielen gereden door de chronologische indeling van het oeuvre in zes hoofdstukken: de beginjaren (1914-1922); de Cité Moderne en het Belgische architectuurdebat in de jaren twintig; Bourgeois’ rol en reputatie binnen de Moderne Beweging en CIAM; stedelijke planning en stedenbouw; projecten na de Tweede Wereldoorlog en, ten slotte, zijn onderwijs aan La Cambre. Het zijn zes op zichzelf staande essays die verbonden worden door de focus op een drietal sleutelbegrippen: moderniteit, traditie en neutraliteit.

Met dergelijke meerduidige concepten als uitgangspunt, verwacht je architectuurtheoretische diepgang en een bijna ‘semiotische aandacht’ voor de continuïteiten, breuken, tegenspraken en betekenisverschuivingen waar het werk van Bourgeois rijk aan is. Maar daar schiet de biografie van Strauven op cruciale momenten in tekort. Bijvoorbeeld als het gaat om de precisering van het begrip ‘neutraliteit’, dat zowel een strategische houding kan aanduiden als een architectonisch vormconcept. Strauven maakt dit onderscheid niet en hanteert het in grote lijnen als synoniem voor pragmatisme. Bourgeois’ oorspronkelijke term indifférence, zoals hij die gebruikte in het manifestnummer van het avant-gardetijdschrift 7 Arts (1922), is veel complexer. Onverschilligheid is bij Bourgeois een positieve kwalificatie die, zoals Manfred Bock het omschrijft, verwijst naar een ‘bovenpersoonlijke architectuur die haar stijl ontleent aan het collectief en de stedelijke context’. Bourgeois ontwikkelde het concept in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, een periode waarin hij in contact kwam met de internationale avant-gardes en nieuwe ideeën over stedenbouw en planning voor een modern België.

‘Architectuur begint met ellende,’ schreef hij in zijn eerdergenoemde manifest. Het begin van de moderne architectuurbeweging in België viel samen met de enorme destructie en het grote woningtekort na 1918, en met de hervonden waardering voor soberheid, eenvoud en het ‘innig vlakke’ als economische grondslagen voor een nieuw bouwtype: de sociale woning. Het Beaux-Artsacademisme, als ontwerpdoctrine maar ook als universeel onderwijssysteem, werd resoluut afgewezen. Bourgeois ontwikkelde een bijna Koolhaasachtige weerzin ten aanzien van de architectuur; tegen iedere vorm van ‘gevoelsbouwkunst’ die decoratief met zichzelf bezig is (‘Belgische esthetiekstijl’) en ‘de harmonie van de stedelijke sfeer’ verstoort. Deze aversie groeide uit tot een constante in zijn denken en was daarmee de drijfveer achter zijn concept van een ‘architecture indifférente’. Architectonische ‘onverschilligheid’ betekende voor Bourgeois echter geenszins architectonische vormloosheid – vandaar dat Strauven de voorkeur geeft aan het minder beladen bijvoeglijk naamwoord ‘neutraal’. Daarbij gaat hij echter voorbij aan de dubbele bodem van de term ‘onverschilligheid’ en ziet niet de radicaliteit van het door Bourgeois gehanteerde begrip.

Bourgeois’ eerste en bekendste woningbouwproject La Cité Moderne in Sint-Agatha-Berchem (1922-1925) is een instructief voorbeeld. De door Strauven grondig gedocumenteerde en geanalyseerde Cité Moderne is een leerstuk voor de werking van civisme in de toenmalige sociale woningbouw, waarin idealen van burgerzin, solidariteit en sociale gelijkheid tussen de bewoners met architectonische middelen – geometrische volumes, kleurstelling, groenvoorziening en abstracte glasramen – deel van het dagelijkse leven werden. Solidariteit was volgens de hervormingsgezinde kringen waarin Bourgeois verkeerde slechts mogelijk als die gepaard gaat met vormvernieuwing. Het ging daarbij niet zozeer om vormgeving, maar om vormvinding: het vinden van de juiste vorm op de juiste plek in de juiste situatie, zelfs als dat betekent dat een vormentaal moet worden verlaten om de sociale werking van het ruimtelijk ensemble te versterken. Zo wordt in de Cité Moderne het ‘kubistische’ regiem van scherpe hoeken, harde lijnen en platte daken in de bebouwing van de buitenste ring losgelaten en het vertrouwde beeld van woningen met schuine daken opzettelijk hersteld, waardoor een harmonieuze overgang ontstaat tussen de woningen van de Cité en de nabijgelegen bebouwing. In de Cité Moderne brengt Bourgeois zijn ‘architecture indifférente’ in praktijk, niet als een uiting van pragmatisme, maar om architectuur scherp te stellen als ‘rustpunt’ in een urbane omgeving.

Het leidt in de jaren daarna tot een systematisch onderzoek waarin gestreefd wordt naar een radicale zuivering van de woonarchitectuur in de stedelijke omgeving – een ontwerpproces dat door Strauven zorgvuldig wordt gedocumenteerd. De eigenhandige onttakeling van Bourgois’ eigen woonhuis in Koekelberg is een provocatief product van deze purificatie. Ook het woonhuis op de Weißenhofsiedlung in Stuttgart (1927), dat in eenvoud enkel wordt overtroffen door de monastieke Co-op-interieurs van Hannes Meyer, is typerend voor deze periode. Om deze architectonische zuivering zoals Strauven op te vatten als een stilistische operatie, als een bevrijding van ‘bepaalde Nederlandse invloeden van decoratieve origine’, is echter een simplificatie. Het gaat hier veeleer om een wetenschappelijk ontwerponderzoek naar de elementaire vorm van de woning als algemeen type. Eind jaren twintig mondde dit uit in twee stedenbouwkundige voorstellen voor Groot en Nieuw Brussel, waarin massawoningbouw tot element van een universeel toepasbare stedenbouw werd gemaakt: proefmodellen voor functionele zonering die door hun wetenschappelijke aanpak onmiskenbaar vooruitliepen op het CIAM-model van de Functionele Stad (1933), maar met het wezenlijk verschil dat er een moedwillige confrontatie werd gezocht met de historische stad – met geschiedenis, kunst en cultuur.

1930 is een ‘symbolisch jaar’ in de biografie van Victor Bourgeois. Hij is dan actief betrokken bij tal van internationale intellectuele, artistieke en architectuurbewegingen die zijn denkbeelden over de verhouding tussen stedenbouw en wetenschappelijke data, en over de harmonische samenhang van gebouwen in de stedelijke, regionale en zelfs mondiale omgeving aanscherpten. Hoe hij zich te midden van deze pandemie van theorieën, utopieën en projecten als gezaghebbend wist te profileren, wordt door Strauven overtuigend ontrafeld in de centrale hoofdstukken over de theorie en praktijk van zijn architectonische, stedenbouwkundige en planologische arbeid vanaf de jaren dertig. Op het moment waarop binnen CIAM (1930 en 1933) afscheid wordt genomen van de tuinstad als oplossing voor stedelijke uitbreiding en sociale woningbouw (en wetenschappelijk bedreven stedenbouwkunde furore maakt als ‘uitvoerende macht’ van de sociale hervormingsbeweging), begint Bourgeois aan een alternatieve vorm van stadsonderzoek. Eerst binnen de Belgische afdeling van CIAM, waarbij objectieve en beeldende statistiek plaatsmaakt voor de empirische, observerende blik van de flaneur, met meer oog voor historische en regionaal gegroeide vormen van stedelijkheid. Later, tijdens en na de oorlog, verschuift de aandacht geleidelijk naar de gebouwde stadsvorm van Brussel als context voor het eigentijdse architectuurproject. Bij dit onderzoek kwam naast woningbouw ook de publieke architectuur in het blikveld: stadhuis, postkantoor, scholen en andere gebouwen voor sociale en culturele dienstverlening.

Strauven wijst er terecht op dat Bourgeois hiermee weer aansluiting zocht bij kunsttheoretische stellingnames uit het prille begin van zijn carrière. Zijn naoorlogse onderzoek is uiteindelijk een systematische verdieping van een van de sleutelbegrippen uit zijn denken: dat van een ‘architecture indifferente’ die haar kracht ontleent aan kennis over vorm en condities van de urbane omgeving die haar omringt. Kennis is daarbij een strategisch devies waarmee de krachten die ter plaatse werkzaam zijn niet alleen zichtbaar maar ook – als elementen van het architecturale project – hanteerbaar worden gemaakt.

Strauvens imposante monografie biedt gedegen kunsthistorisch speurwerk en levert een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van het ‘andere modernisme’ van België. Doordat hij echter tekortschiet in theoretische diepgang, komt de specificiteit van Bourgeois’ bijdrage aan deze geschiedenis onvoldoende uit de verf. Het is wachten op een editie van de geschriften van Victor Bourgeois om een volgende stap te zetten naar een kritische geschiedschrijving van zijn totale oeuvre.

 

Iwan Strauven, Victor Bourgeois. Modernity, Tradition & Neutrality 1897-1962, Rotterdam, nai010 Publishers, 2021, ISBN 9789462084605.