Arnaud De Sutter

DE WITTE RAAF

Editie 214 november-december 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

verbinDING

Het Design Museum Gent, sinds 1922 gevestigd in het achttiende-eeuwse Hotel de Coninck in het centrum van de stad, is de afgelopen vier decennia stelselmatig uitgebreid. Begin jaren tachtig werd een aanpalend zestiende-eeuws pand aangekocht, om er de kantoren te vestigen; in 1986 transformeerde Charles Vandenhove, als onderdeel van Chambres d’Amis, een klein gedeelte van de gevel. In 1992 werd de achtervleugel van het Hotel vervangen door nieuwbouw – een ontwerp van de Gentse architect Willy Verstraete, die begin deze eeuw ook het Marriott Hotel ontwierp, vlakbij aan de Korenlei gelegen. Het bont allegaartje van architecturale typologieën verzamelt zich rond de binnentuin van het museum, die door vier eenvormige gevels omgord wordt. Deze rechthoek creëert een idyllische plek in het historische stadsweefsel. Slechts twee gevels geven toegang tot gebouwen, de andere twee verhullen circulatieruimte. De noordelijke gevel grenst aan bebouwing, de zuidelijke gevel aan een braakliggend perceel, en is daardoor een monumentale blinde wand. Sinds 2004 wordt dat stuk grond verbijzonderd door een toiletvleugel, in de vorm van een monumentale wc-rol, een kunstobject door Lode Van Pee, waarvoor een andere bestemming wordt gezocht.

In 2018 kwam de zoektocht naar een sluitstuk voor het museumcomplex in een stroomversnelling. Er werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven, voorgezeten door de Vlaams Bouwmeester. Aan vijf teams werd gevraagd om het ontbrekende puzzelstuk op de site te ontwerpen: een gebouw dat de andere delen van het complex moet verbinden, maar ook los van het museum kan functioneren. De nieuwe vleugel zou een derde ruimte worden, die tussen stad en museum ligt en de verbinding vormt tussen die twee. Het gebouw moet ruimte bieden aan diverse ‘drempelverlagende’ nevenactiviteiten om ‘de burger’ bij het museum te betrekken. De naam van dit geheel werd DING – Design IN Gent. 

De tijdelijke maatschap Trans – Carmody Groarke – Re-st won de Open Oproep. Het team wist het uitgebreide programma op het kleine perceel – 372 vierkante meter – in te passen en met de bestaande gebouwen te integreren. Pieter T’Jonck schrijft in de tentoonstellingsbrochure: ‘Het bijzondere van het ontwerp van DING is dat het niet inzet op het ding zelf […], maar op het samenspel van nieuw en oud. […] De nieuwe vleugel en de oude gebouwen vervolledigen elkaar.’ De volumineuze, hoge vleugel past in het straatbeeld, gekenmerkt door een grote variëteit aan bouwstijlen, hoogtes, dieptes en materialen, maar in tegenstelling tot andere gebouwen in de straat geeft DING prijs wat er schuilgaat achter de gevel, dankzij grote, geaccentueerde raampartijen. Het team van ontwerpers interpreteerde de notie van verbinding ook op een maatschappelijke manier, door te trachten het gebouw zo duurzaam en circulair mogelijk te maken. Hiertoe werden, naast een makkelijk demonteerbare houten draagstructuur, verschillende bouwmaterialen – vooral verschillende types baksteen – op basis van gerecycleerd Gents afval ontworpen.

De tentoonstelling, gecureerd door de architecten, speelt in op deze meervoudige benadering van verbinding. De opzet wordt al duidelijk bij het betreden van de zaal, dankzij de eenvoudige opstelling. Op een tafel die bijna de gehele ruimte vult, zijn diverse documenten uitgestald en daarrond zijn tekeningen en teksten aangebracht op de muren. Onder meer maquettes, diverse types tekeningen, bouwmaterialen en foto’s tonen het ontstaan van het project, en hoe het toekomstige gebouw kan worden gebruikt. Door om de tafel heen te lopen, maakt de bezoeker kennis met het ontwerpvraagstuk en met de diverse antwoorden erop, inclusief het winnende ontwerp en het team dat ervoor verantwoordelijk is. Circulariteit wordt plastisch uitgelegd door het uitstallen van materialen, en door te vermelden hoe en vooral waarmee ze zijn gemaakt.

De tentoonstelling legt de klemtoon op het proces dat de uitbreidingsplannen hebben doorgemaakt en maakt gebruik van de persoonlijke invalshoeken van de ontwerpers. Door de aanwezigheid van werkmaquettes en schetsen kan de bezoeker ontwerpkeuzes reconstrueren. Afgaand op het materiaal (en op de schetsboeken van Kevin Carmody en Andy Groarke) wordt het auteurschap eenzijdig aan het Britse Carmody Groarke toebedacht, en niet aan het Gentse bureau Trans. Er wordt geen rolverdeling binnen het team benoemd, maar dus wel gesuggereerd.

Doordat de tentoonstelling zich in de kelder van de bestaande vleugel uit 1992 bevindt, is het moeilijk de toekomstplannen te verbinden met de museumtuin – de toekomstige bouwsite. Die connectie had een meerwaarde betekend, maar door het opzet van de expositie en het getoonde materiaal, kan de bezoeker zich wel een compleet beeld vormen van het ontwerp. Er is sprake van talloze verbindingen, op maatschappelijk, logistiek, materieel, technisch en ontwerpmatig vlak. De stedenbouwkundige verbinding blijft echter onderbelicht. Zoals gezegd moet DING als een ‘derde ruimte’ functioneren tussen stad en museum. De ontwerpers maken een tactiel gebouw met een uitgesproken materialiteit, dat zich inpast in de stedelijke context, maar ze tonen voornamelijk maquettes waarin DING alleen staat. Ook de schetsen tonen het gebouw bijna uitsluitend op zichzelf. De keuze om de bouwmaterialen afzonderlijk te tonen draagt bij aan die soms te enge focus op het gebouw als ding. Enkele digitaal geproduceerde beelden en maquettes van eerdere voorstellen voor een museumuitbreiding – vreemd genoeg niet de andere ontwerpen uit de Open Oproep – tonen wel hoe een set van diverse gebouwen kan samenwerken als museumcomplex. Kortom: de tentoonstelling viert DING als object, terwijl het architectuurontwerp een dergelijke opvatting deels tegenspreekt.

 

verbinDING. Van concept tot plan, tot 5 maart 2022, Design Museum Gent, Jan Breydelstraat 5, Gent.