Mary Wollstonecraft

DE WITTE RAAF

Editie 214 november-december 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Is de man dus niet de tiran van de schepping?’

Toelichting van de vertaler

Mary Wollstonecraft (1759-1798) wordt met recht tot de oermoeders van het feminisme gerekend. Haar reputatie dankt zij met name aan het boek A Vindication of the Rights of Woman uit 1792 – in 2017 in het Nederlands vertaald als Pleidooi voor de rechten van de vrouw. Vrouwen moesten volgens Wollstonecraft in alle opzichten dezelfde kansen krijgen als mannen. Ze moesten beroepen kunnen uitoefenen, zoals medicus of vroedvrouw, en bedrijven kunnen vestigen. Ze vond ook dat vrouwen vertegenwoordigd hoorden te zijn in de politiek, zodat ze zich de wet niet langer hoefden te laten voorschrijven door mannelijke politici.

Wollstonecraft eiste de rechten waarvoor ze pleitte ook in haar eigen leven op. Als dienstmeisje werd ze ontslagen omdat ze geen talent had voor ondergeschiktheid; zich laten knechten in het huwelijk wilde ze niet. Ze was een geboren reiziger, in een tijd dat vrouwen nog amper hun eigen dorp of stad uitkwamen. Ze trok in haar eentje naar Ierland, Frankrijk en Portugal, en ze droomde van een reis naar Amerika, die ze vast ook gemaakt zou hebben als ze niet zo jong was gestorven. In 1795 maakte ze, enkel vergezeld door haar dienstmeisje en haar dochter Fanny (Imlay), die ze onderweg soms wekenlang alleen moest achterlaten, een lange reis door Scandinavië. Haar geliefde Gilbert Imlay, die haar kort daarvoor had verlaten voor een actrice, had haar desondanks weten te strikken om een zakelijke affaire voor hem op te knappen. Hij had een vrachtschip met een kostbare lading zilverstaven en vaatwerk gekocht en dat schip raakte onderweg naar Noorwegen zoek doordat de kapitein onbetrouwbaar was. Imlay wilde dat Mary door haar persoonlijke bemiddeling een juridische en zo mogelijk ook een financiële vergoeding zou regelen.

Wollstonecraft bracht de lastige missie naar alle waarschijnlijkheid tot een goed einde. Ze benutte de reis als materiaal voor een boek met reisbrieven: Letters Written During a Short Residence in Sweden, Norway and Denmark, dat in 1796 verscheen. Ze richt de brieven aan een man in Londen, die ze niet met name noemt, maar het is duidelijk dat het hier gaat om de (ex-)geliefde Imlay. In de zesde brief beschrijft ze hoe ze arriveert in de Noorse plaats Tønsberg. Ze laat ons meevoelen met haar eenzaamheid, haar liefdesverdriet en het gemis van haar dochter. In de achtste brief vertelt ze hoe ze herstelt van een inzinking als gevolg van haar (lange) wandelingen en roeitochten. Ze geeft blijk van grote nieuwsgierigheid en vertelt over haar ervaringen met de Noren, met nu en dan kritisch commentaar over bijvoorbeeld de manier waarop Noorse vrouwen hun kinderen inbakeren. In de negentiende brief is ze in Kopenhagen. Daar heeft net een openbare terechtstelling plaatsgevonden en Wollstonecraft maakt duidelijk dat zij daar als vrouw van de Verlichting een enorme afschuw van heeft.

Jabik Veenbaas

 

 

Zesde brief

De zee was onstuimig; maar omdat ik een ervaren loods had, vreesde ik geen gevaar. Soms, zo is me verteld, drijven schepen ver af en gaan ze te gronde. Maar ik bereken mijn kansen zelden zo precies – elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad!

We moesten tussen eilanden en grote rotspartijen door laveren, waarbij we de kust zelden uit het oog verloren, hoewel die nu en dan enkel een nevel leek die aan de waterrand grensde. De loods verzekerde me dat de talloze havens aan de Noorse kust heel veilig waren en dat de loodsboten er altijd paraat lagen. Ik hoorde ook dat de Zweedse kust heel gevaarlijk is; en er valt daar niet vaak te rekenen op ervaren hulp om boten van elders door de rotsen te leiden die vlakbij de kust onder het water verborgen liggen.

Net als in het Kattegat zijn hier geen getijden; en er is ook geen zandstrand, wat me als een gevolg daarvan voorkwam. Wellicht is dit al eerder opgemerkt, maar het viel mij pas op toen ik zag dat de golven voortdurend tegen de kale rotsen sloegen, zonder zich ooit terug te trekken en sedimenten te kunnen laten uitharden.

De wind was gunstig, totdat we overstag moesten om Larvik te kunnen binnenlopen, waar we tegen drie uur in de middag arriveerden. Het is een schone, aangename stad, met een flinke ijzerfabriek die er leven aan geeft.

Aangezien de Noren niet vaak zeereizigers zien, zijn ze heel nieuwsgierig naar wat ze komen doen en wie ze zijn – zo nieuwsgierig dat ik haast in de verleiding kwam om hetzelfde als dr. Franklin te doen toen hij door Amerika reisde, waar ze ook zo vraagziek zijn: op een papier schrijven hoe ik heette, waar ik vandaan kwam, waar ik naartoe ging en wat ik kwam doen, zodat iedereen het kon lezen. Maar waar hun nieuwsgierigheid me hinderde, deden hun vriendelijke gebaren me goed. Een vrouw die alleen reisde wekte hun belangstelling op. En ik weet niet of ik door mijn vermoeidheid een bijzonder kwetsbare indruk maakte, maar ze kwamen naar me toe om me te helpen en te vragen wat ik nodig had, alsof ze bang waren dat me iets zou overkomen en me wilden beschermen. De sympathie die ik opriep en die in zo’n vreemd land uit de lucht komt vallen, raakte me meer dan zou zijn gebeurd als mijn gemoed niet zo gekweld was als gevolg van verschillende oorzaken – door veel nadenken, piekeren tot aan de rand van de waanzin, en zelfs door een soort weke somberheid die mijn hart beklemde omdat ik voor het eerst van mijn dochter was gescheiden.

Je weet dat ik als vrouw bijzonder aan haar gehecht ben – ik voel meer dan de liefde en zorg van een moeder als ik nadenk over de afhankelijke en onderdrukte toestand van haar geslacht. Ik vrees dat ze gedwongen zal worden om haar hart voor haar principes of haar principes voor haar hart op te offeren. Met trillende hand zal ik gevoeligheid cultiveren en gevoelsmatige tederheid koesteren, omdat ik, terwijl ik de roos een frisse blos geef, niet tegelijk de doornen wil scherpen waarmee de borst die ik zo graag wil behoeden wordt verwond – ik vrees om haar geest tot ontwikkeling te laten komen, omdat dat haar ongeschikt zou kunnen maken voor de wereld die ze zal gaan bewonen. Ongelukkige vrouw! Wat voor lot is je beschoren!

Maar wat dwaal ik af? Ik wilde je alleen maar vertellen dat de indruk die de vriendelijkheid van die simpele mensen maakte aan mijn gezicht was af te lezen en mijn gevoeligheid op een pijnlijke manier versterkte. Ik wilde dat ik een eigen kamer had gehad, want hun aandacht en hun opmerkzaamheid verontrustten me en brachten me ontzettend in verlegenheid. Maar omdat ze me eieren gaven en koffie voor me maakten, vond ik dat ik niet kon weggaan zonder hun gevoelens van gastvrijheid te kwetsen.

Het is hier gebruikelijk voor gastheer en gastvrouw om als heer en vrouw des huizes hun gasten te verwelkomen.

Ook mijn kleren trokken de aandacht van de vrouwen; en ik moest ongewild denken aan de dwaze ijdelheid die veel vrouwen ertoe brengt om zo trots op de aandacht van vreemden te zijn en verbazing al te gemakkelijk voor bewondering te verslijten. Ze zijn erg snel geneigd om tot die fout te vervallen. Wanneer ze in een vreemd land zijn aangekomen, staart de bevolking naar hen als ze passeren. Toch is vaak het ontwerp van een hoed of de zonderlinge vorm van een jurk de oorzaak van die vleiende aandacht, waar dan naderhand een gefantaseerde bovenlaag van eigenwaan op neerdaalt.

Ik had geen rijtuig meegenomen, omdat ik iemand op de plaats van aankomst verwachtte die me er dadelijk een zou bezorgen, en werd dus opgehouden terwijl de goede mensen van de herberg al hun kennissen op zoek lieten gaan naar een vervoermiddel. Ten slotte werd een ruw soort cabriole gevonden, en een halfdronken koetsier, die alleen om die reden al gebrand was op een redelijke prijs. Ik had een Deense scheepskapitein en zijn stuurman bij me; de eerste moest paardrijden, waar hij niet erg bedreven in was, en met de laatste moest ik mijn zitplaats delen. De koetsier sprong achterop om de paarden te mennen en de zweep over onze schouders te zwaaien; hij wilde de teugels maar niet uit handen geven. Er school iets dermate potsierlijks in onze verschijning dat ik onwillekeurig ineenkromp toen ik een beschaafde heer waarnam in de groep lieden die rond de deur samendromde om naar ons te kijken. Ik had de zweep van de koetsier wel kunnen breken omdat die met zijn geknal de aandacht van vrouwen en kinderen trok; maar toen ik de veelzeggende glimlach waarnam op het gezicht dat ik eerder al had opgemerkt, barstte ik in lachen uit om hem zijn gang te laten gaan – en weg vlogen we. Dit is geen bloemrijk taalgebruik; want we reden lange tijd in volle galop, omdat de paarden uitstekend waren. Ik ben nog nooit betere postpaarden tegengekomen dan in Noorwegen; ze zijn zwaarder gebouwd dan de Engelse paarden, lijken weldoorvoed en zijn niet snel moe.

Ik zou door de meest vruchtbare en gecultiveerde landstreek van Noorwegen moeten rijden. De afstand bedroeg drie Noorse mijlen, die langer zijn dan de Zweedse. De wegen waren erg goed; de boeren zijn verplicht ze te onderhouden; en we draafden door een uitgestrekt gebied dat beter gecultiveerd was dan welk gebied ook dat ik sinds mijn vertrek uit Engeland had gezien. Toch waren er nog voldoende heuvels, dalen en rotsen over om het niet aan een vlakte te laten denken of zelfs aan het type landschap waar Engeland en Frankrijk patent op hebben. Bovendien werd het uitzicht verfraaid door water, rivieren en meren alvorens de zee trots mijn aandacht opeiste; en omdat de weg dikwijls door hoge boomgroepen liep, was het landschap mooi, hoewel het niet zo romantisch was als de landschappen die ik recentelijk met zoveel plezier had aanschouwd.

Het was laat toen ik Tønsberg bereikte; en ik was blij dat ik in een fatsoenlijke herberg kon slapen. De volgende morgen, zeventien juli, sprak ik met de heer met wie ik dingen moest regelen en kwam ik erachter dat ik drie weken in Tønsberg moest blijven; ik betreurde het dan ook dat ik mijn kind niet had meegenomen.

De herberg was rustig en mijn kamer zo prettig – ik had uitzicht op zee, een uitzicht dat werd ingeperkt door een amfitheater van hangende bossen – dat ik er wilde blijven, hoewel niemand in huis Engels of Frans sprak. Maar mijn vriend de burgemeester stuurde een jonge vrouw naar me toe die een beetje Engels sprak, en zij was bereid om tweemaal daags bij me langs te komen om mijn instructies te ontvangen en te vertalen voor de waardin.

Doordat ik de taal niet verstond had ik een uitstekend excuus om alleen te dineren, en ik wist hen zover te krijgen dat ze me dat op een laat tijdstip lieten doen; want de vroege diners in Zweden hadden mijn dagen volkomen in het ongerede gebracht. Daar kon ik niets aan veranderen zonder de huishouding van een gezin waar ik te gast was te verstoren – de logementen boden er zo weinig comfort dat ik daar noodgedwongen een uitnodiging van een privégezin had moeten aannemen. 

Tijdens mijn verblijf bij de Noren kon ik beschikken over mijn eigen tijd; en ik besloot die zodanig in te delen dat ik zoveel mogelijk van hun zoete zomer kon genieten – die kort is, dat is waar, maar uiterst aangenaam.

Ik had nog nooit een winter in dit ruwe klimaat doorgebracht; en het was dus niet het contrast, maar de werkelijke schoonheid van het seizoen die me het idee gaf dat deze zomer de mooiste was die ik ooit had meegemaakt. Er kan niets op tegen de heilzaamheid en de zoete frisheid van de westenwind wanneer je tegen de noorden- en oostenwinden beschut bent. ’s Avonds gaat ook die liggen; de espenbladeren trillen nog wat na en de tot rust gekomen natuur lijkt te worden opgewarmd door de maan, die hier een vriendelijke aanblik biedt. En als er bij het ondergaan van de zon een regenbuitje valt, ademen de jeneverbes en het kreupelhout in het bos een wilde geur uit, vermengd met duizend nameloze zaligheden, die het hart soelaas bieden en beelden in de herinnering achterlaten die de geest altijd zal blijven koesteren.

De natuur is de hoedster van het gevoel – de ware bron van de smaak. En toch wordt er naast vervoering ook heel wat ellende voortgebracht door de plotselinge waarneming van het schone en verhevene, wanneer die plaatsvindt bij het observeren van de bezielde natuur, wanneer elk schoon gevoel en elke schone emotie een daaraan beantwoordende sympathie opwekt en de in harmonie gebrachte ziel in neerslachtigheid wordt ondergedompeld of tot extase wordt opgeheven, als een eolusharp die in beroering wordt gebracht door de draaiende wind. Maar hoe gevaarlijk is het om die sentimenten te koesteren in zo’n onvolmaakte bestaanstoestand; en hoe moeilijk om ze uit te roeien wanneer de liefde voor de mensheid of de hartstocht voor een individu enkel het opbloeien is van de liefde die alles omarmt wat groot en mooi is.

Wanneer een warm hart sterke indrukken heeft ondergaan, kunnen die niet worden uitgewist. Emoties worden sentimenten; en de verbeelding maakt zelfs vergankelijke sensaties duurzaam, door ze liefdevol te herbeleven. Niet zonder een siddering van vreugde herinner ik me de dingen die ik heb gezien en ik zal ze nooit vergeten – en de dingen die ik tot in al mijn zenuwuiteinden heb gevoeld en nooit weer zal tegenkomen. Het graf heeft zich gesloten over een dierbare vriendin, de vriendin van mijn jeugd, ze is nog altijd bij me en ik hoor haar zachte stem zingen terwijl ik over de heide dwaal.[1] Het lot heeft me gescheiden van een ander, maar het vuur van haar ogen, getemperd door kinderlijke tederheid, warmt nog altijd mijn borst; zelfs als ik over deze ontzagwekkende klippen staar, wordt mijn ziel door verheven emoties overmand. En lach niet als ik daaraan toevoeg dat de rozige gloed van de morgen me herinnert aan een glans die mijn zintuigen nooit meer zal betoveren, behalve wanneer ze terugkeert op de wangen van mijn kind. Haar zoete blos kan ik nog in mijn boezem verbergen, en ze is nog te jong om te vragen waarom er tranen vloeien die zo nauw verwant zijn aan plezier en pijn.

Ik kan op dit ogenblik niet meer schrijven. Morgen zullen we het over Tønsberg hebben.

 

Achtste brief

Tønsberg was eertijds de residentie van een van de kleine vorsten van Noorwegen; en op een aan de stad grenzende berg staan nog de restanten van een burcht die door de Zweden werd verwoest; de ingang van de baai ligt er vlak bij.

Hier zwierf ik dikwijls rond, als vorstin van de wildernis, ik stuitte maar zelden op een mens. En soms, als ik me neervlijde op het donzige mos, in de luwte van een rots, wiegde het kabbelen van de zee over de kiezels me in slaap – bang dat een ruwe satyr mijn rust zou verstoren was ik niet. De dutjes boden me soelaas en de zachte windvlaagjes verkwikten me als ik wakker werd en met vagelijk nieuwsgierige blik de witte zeilen volgde als die de klippen rondden of beschutting leken te zoeken onder de dennen op de eilandjes die zo sierlijk oprezen en de schrikwekkende oceaan schoonheid gaven. De vissers wierpen kalm hun netten uit, terwijl de zeemeeuwen boven de onbewogen diepte zweefden. Alles leek samen te vloeien in rust – zelfs de sombere kreet van de roerdomp harmonieerde met de tinkelende bellen om de nekken van de koeien, die langzaam achter elkaar aan sloften langs een uitnodigend pad in de vallei beneden, op weg naar de huisjes om te worden gemolken. Met hoeveel plezier heb ik mijn blikken niet laten gaan, en nogmaals laten gaan, waarbij mijn adem door mijn ogen stokte; mijn ziel zelf verspreidde zich in het landschap en leek een en al zintuig te worden – gleed door de amper bewegende golven, versmolt met de verfrissende bries of ging het luchtruim in op feeënwieken, naar de mistige bergen die het uitzicht begrensden, danste sierlijk over nieuwe weides die nog mooier waren dan de lieflijke hellingen op de glooiende kust voor me. Ik wacht even, opnieuw ademloos, om met hernieuwde vreugde de gevoelens te beleven die me betoverden toen ik mijn vochtige ogen van de uitgestrektheid hier beneden naar het uitspansel hierboven wendde en mijn oog door de vlokkige wolken priemde die de azuren klaarte verzachtten; en toen ik me onwillekeurig de dromerijen uit mijn kinderjaren herinnerde, boog ik voor de ontzaglijke troon van mijn Schepper, terwijl ik rustte op het voetenbankje ervan.

Je hebt je soms verbaasd, mijn lieve vriend, over de uitzonderlijke liefde die ik van nature heb. Maar dat is de gestemdheid van mijn ziel. Het is niet de levendigheid van de jeugd, de mooiste tijd van het leven. Jarenlang heb ik mijn best gedaan om een onstuimig getij tot rust te brengen – me ingespannen om mijn gevoelens in het gareel te laten lopen. Het was tegen de stroom op roeien. Ik moet warmbloedig liefhebben en bewonderen of wegzinken in droefheid. Tekenen van liefde die ik heb ontvangen hebben me in paradijselijke vervoering gebracht – en het hart dat ze betoverden gezuiverd. Mijn boezem gloeit nog na. Vraag niet brutaal, zoals Sterne dat deed: ‘Maria, is het nog altijd zo warm?’ O mijn God, het is genoegzaam afgekoeld door droefheid en onvriendelijkheid – maar de natuur verloochent zich niet – en als ik bloos bij de herinnering aan vroegere genoegens, dan is dat de blozende gloed van het plezier dat door zedigheid wordt vergroot. Want de blos van zedigheid en die van schaamte verschillen evenzeer van elkaar als de emoties waardoor ze worden opgewekt.

Ik hoef je vermoedelijk niet te zeggen, na je over mijn wandelingen te hebben verteld, dat mijn gestel hier nieuwe kracht heeft opgedaan, en dat ik mijn vitaliteit heb teruggekregen, ook al heb ik een kleine embonpoint ontwikkeld. Als gevolg van mijn onverstandige gedrag afgelopen winter, en van wat ongelukkige voorvallen precies in de tijd dat ik mijn kind begon te spenen, was ik tot een staat van zwakte vervallen die ik nooit eerder had ervaren. Een trage koorts plaagde me iedere nacht gedurende mijn verblijf in Zweden en nadat ik in Tønsberg aankwam. Bij toeval ontdekte ik een fraai stroompje dat door de rotsen werd gefilterd en werd opgevangen in een wed voor het vee. Het smaakte wat ijzerachtig; in elk geval was het zuiver; en het gunstige effect van de verschillende wateren die men invaliden laat drinken heeft volgens mij meer te maken met de lucht, de lichaamsbeweging en de verandering van omgeving dan met de medicinale eigenschappen. Ik besloot daarom om mijn ochtendwandelingen naar dat stroompje te richten; om mijn heil te zoeken bij de nimf van de bron en me te laven aan de drank die de bewoners van de schaduw werd aangeboden.

Het toeval leverde me ook de ontdekking op van een nieuw genoegen dat mijn gezondheid al evenzeer ten goede kwam. Ik wilde de aanwezigheid van de zee benutten en gaan baden. Maar dat was bij de stad niet mogelijk omdat er geen geschikte plek was. De jonge vrouw die ik al noemde, stelde voor om me het water over te roeien naar de rotsen; maar omdat ze zwanger was, stond ik erop om zelf een van de riemen te bedienen en te leren roeien. Het was niet moeilijk en ik ken geen prettiger vorm van lichaamsoefening. Ik raakte er al snel bedreven in en mijn gedachtegang hield als het ware gelijke tred met de riemen, of ik liet de boot meevoeren met de stroom, waarbij ik me overgaf aan behaaglijke vergetelheid of bedrieglijke hoop. Hoe bedrieglijk! En toch, zonder hoop is het voorzetten van het leven niets dan de vrees voor vernietiging – het enige waar ik ooit bang voor ben geweest – ik kan de gedachte niet verdragen dat ik er niet meer zal zijn – dat ik mezelf verlies – hoewel het bestaan vaak niets is dan het pijnlijk bewustzijn van je ellende. Nee, het komt me onmogelijk voor dat ik ophoud te bestaan, of dat deze actieve, rusteloze geest, die even ontvankelijk is voor vreugde als voor verdriet, enkel bestaat uit gestructureerde stof – klaar om de grens over te gaan zodra de veer knapt, of de vonk dooft, die die stof bij elkaar hield. Er zetelt beslist iets in dit hart dat niet vergankelijk is – en het leven is meer dan een droom.

Soms, als ik mijn riem weer opnam wanneer de zee kalm was, stelde ik geamuseerd vast dat ik talloze jonge kwallen verstoorde die net onder het oppervlak dreven. Ik had ze nog nooit eerder bekeken; want ze hebben geen harde buitenkant zoals de dieren die ik op het strand heb zien liggen. Ze zien er uit als verdikt water, met een witte rand; en in het midden hebben ze vier paarse cirkels van verschillende vormen, boven een onvoorstelbaar groot aantal draden of witte lijnen. Als ik ze aanraakte, wendde of sloot de wolkige substantie zich, eerst aan de ene en vervolgens aan de andere kant, op een heel sierlijke manier; maar toen ik er een naar boven haalde met het hoosvat dat ik gebruikte om water uit de boot te scheppen, leek die enkel te bestaan uit kleurloze dril.

Ik zag geen zeehonden, die onze boot in grote aantallen volgden toen we in Zweden arriveerden; hoewel ik van zwemmen houd, had ik er geen zin in gehad om deel te nemen aan hun capriolen.

Genoeg, zul je zeggen, over de onbezielde natuur, en de woeste dieren, om de trotse woorden van de mens te gebruiken; vertel me eens iets over de bevolking.

De heer met wie ik dingen moest regelen, is de burgemeester van Tønsberg; hij spreekt redelijk Engels en omdat het een verstandige man is, speet het me dat ik als gevolg van zijn talloze bezigheden niet zoveel van hem te weten kon komen als mogelijk was geweest als we elkaar vaker hadden gesproken. De stadsbewoners, voor zover ik de gelegenheid had om hun opvattingen te leren kennen, zijn buitengewoon tevreden over de manier waarop hij zijn ambt vervult. Hij beschikt over genoeg kennis en gezond verstand om respect af te dwingen, terwijl zijn welgemoedheid, die haast als vrolijkheid kan worden gekwalificeerd, hem in staat stelt om conflicten bij te leggen en zijn naasten goedgeluimd te houden. ‘Ik heb geen paard meer,’ zei een vrouw tegen me, ‘maar als ik iemand naar de fabriek wil sturen of wil uitgaan, leent de burgemeester me er een. Hij geeft me een uitbrander als ik het niet vraag.’  

Tijdens mijn verblijf werd er een boef gebrandmerkt omdat hij zijn derde misdrijf had gepleegd; maar de milde straf die hij kreeg bracht hem tot de verzuchting dat de rechter een van de beste mensen op de wereld was.

Ik stuurde die stumper verschillende keren een kleinigheid om mee te nemen als zijn slavendienst begon. Omdat dit meer was dan hij verwacht had, wilde hij me heel graag ontmoeten; en die wens herinnerde me aan een verhaal dat ik hoorde toen ik in Lissabon was.[2]

Een schooier die daar jarenlang gevangen had gezeten, een periode dat er lantaarns waren neergezet, werd ten slotte veroordeeld tot een wrede dood; en het enige dat hij voor zijn terechtstelling wilde was één nacht respijt om de verlichte stad te zien.

Toen ik in gezelschap van de burgemeester had gedineerd, werd ik met zijn gezin uitgenodigd om de dag door te brengen in een van de rijkste koopmanshuizen. Hoewel ik geen Deens sprak, wist ik dat ik veel zou kunnen zien; en ik ben ervan overtuigd dat ik me een zeer juiste mening over de aard van de Noren heb gevormd zonder dat ik een gesprek met hen heb kunnen voeren.

Ik had verwacht wat mensen te zullen ontmoeten, maar was een beetje van mijn à propos toen ik een vertrek vol goedgeklede lieden werd binnengeleid; en toen ik mijn ogen liet rondgaan, rustten ze op meerdere heel knappe gezichten. Blozende wangen, sprankelende ogen en lichtbruine of gouden lokken; want ik heb nog nooit zoveel haren gezien met gele tint; en met hun fraaie teint zag dat er heel bevallig uit.

Deze vrouwen lijken een mengeling van indolentie en levendigheid; ze wandelen haast nooit en verbaasden zich erover dat ik dat wel deed, voor mijn genoegen; toch zijn ze uitzonderlijk dol op dansen. Omdat ze zich natuurlijk gedragen en geen verfijndheid pretenderen, leidt hun eenvoud er vaak toe dat ze een heel gracieuze indruk maken als ze hun best doen bij iemand in de smaak te vallen – wat hier het geval was. Door de eenzaamheid van mijn situatie, die ze vreselijk vonden, waren ze me zeer sympathiek gezind. Ze kwamen om me heen staan, zongen voor me, en een van de mooiste, die ik met enige hartelijkheid de hand drukte om haar in de ogen te kunnen kijken, kuste me heel teder.

Tijdens het diner, dat zich kenmerkte door grote gastvrijheid, hoewel we te lang aan tafel bleven zitten, zongen ze verschillende liederen, onder meer vertalingen van wat Franse patriottenzangen. Met het vorderen van de avond werden ze vrolijk en begonnen we door middel van gebaren zo’n beetje met elkaar te praten. Omdat ze volstrekt onontwikkeld waren, miste ik er niet veel aan dat ik ze niet kon begrijpen – misschien kwam het me eerder ten goede, want mijn verbeelding vulde de ontbrekende delen van het beeld vermoedelijk in hun voordeel op. Hoe dan ook, ze wekten mijn sympathie; en ik voelde me zeer gevleid toen ik de volgende dag hoorde dat ze hadden gezegd dat het een genoegen was om naar me te kijken omdat ik zo’n blijmoedige indruk maakte.

De mannen waren veelal scheepskapiteins. Verscheidene spraken heel redelijk Engels, maar het waren steevast nuchtere kerels die maar over een zeer beperkt waarnemingsvermogen beschikten. Het viel me niet mee om van hen wat over hun eigen land te weten te komen, als de tabakswalmen me al niet op afstand hielden.

Ik werd nog voor wat andere diners uitgenodigd en beklaagde me dan steevast over de hoeveelheid eten en de tijd die men nam om dat te verorberen, want het zou niet passend zijn om hier te spreken van verslinden, aangezien alles zo kalm en netjes verliep. Het personeel bedient je even traag als de meesteressen snijden.

De jonge vrouwen hier hebben net als in Zweden doorgaans slechte tanden, wat ik toeschrijf aan dezelfde oorzaken. Ze zijn dol op mooie kleren, maar besteden niet genoeg aandacht aan zichzelf om hun schoonheid daarmee minder vergankelijk te maken dan een bloem; en daarvoor komt zelden de boeiende conversatie in de plaats die alleen gevoel en ontwikkeling kan bewerkstelligen.

Het eten van het personeel is al even slecht; maar hun meesters mogen hen niet ongestraft slaan. En hun meesteressen ook niet, zou ik daaraan kunnen toevoegen, want het was een klacht van deze aard die aan de burgemeester werd voorgelegd en die me dit duidelijk maakte.

De lonen zijn laag en dat is met name onrechtvaardig omdat kleding hier zoveel duurder is dan voedingswaar. Een jonge vrouw die min is voor de waardin van de herberg waar ik verblijf, krijgt maar twaalf dollar per jaar en betaalt er tien voor het zogen van haar eigen kind; de vader was ervandoor gegaan om aan die kosten te ontkomen. Iets in dit uiterst pijnlijke weduwschap wekte mijn medeleven op en bracht me tot overpeinzingen over de vluchtigheid van zelfs de meest vleiende geluksvoornemens die buitengewoon pijnlijk waren, tot ik me ten slotte begon af te vragen of deze wereld niet geschapen was om alle uitwassen van droefenis te etaleren. Ik stelde deze vragen aan een hart dat sidderde van pijn, terwijl ik luisterde naar het treurige deuntje dat dit arme meisje zong. Het was te vroeg voor je om in de steek te worden gelaten, dacht ik, en ik haastte me het huis uit om mijn eenzame avondwandeling te maken – en hier ben ik weer, om over van alles en nog wat te spreken, behalve over de kwellingen die voortvloeien uit de ontdekking van verdwenen liefde en uit de eenzame droefheid van een verlaten hart.

De vader en moeder, als althans kan worden vastgesteld wie de vader is, moeten het levensonderhoud van een onwettig kind gezamenlijk betalen; maar als de vader zich uit de voeten maakt, het land in of de zee op gaat, moet de moeder het kind zelf onderhouden. Maar ze laten zich door dit soort ongeluk niet van trouwen weerhouden, en het is dan niet ongebruikelijk dat ze hun kind of kinderen mee naar huis nemen; daar worden ze zeer coulant met hun kroost opgenomen.

Ik probeerde te achterhalen welke boeken er oorspronkelijk in hun taal waren geschreven; maar voor betrouwbare kennis omtrent de toestand van de Deense literatuur moet ik wachten tot ik in Kopenhagen arriveer.

De taal heeft een zachte klank, omdat een groot aantal woorden op klinkers eindigt; en bepaalde zinswendingen die voor me vertaald werden bevatten een bepaalde eenvoud die me beviel en interesseerde. In het land gebruiken de boeren gij; ze doen het beleefde meervoud van de steden niet op door elkaar op de markt te treffen. Het lijkt me erg onhandig dat ze geen markten houden in de grote steden. Wanneer de boeren iets willen verkopen, brengen ze dat naar de dichtstbij gelegen stad en venten ze het uit van deur tot deur. Het verbaast me dat de inwoners niet begrijpen hoe ongemakkelijk dit gebruik voor beide partijen is en dat ze er niet iets aan doen. Ze zien het wel degelijk; want als ik het onderwerp ter sprake bracht, erkenden ze dat het hun dikwijls ontbrak aan de noodzakelijke levensbehoeften omdat er geen slagers waren, en dat ze vaak gedwongen waren om te kopen wat ze niet nodig hadden. Maar het was de gewoonte; en het veranderen van gewoontes die ver teruggaan vereist op dit moment nog meer energie dan zij bezitten. Ik kreeg een vergelijkbare reactie toen ik de vrouwen ervan probeerde te overtuigen dat het ongezond voor hun kinderen was om ze te warm in te pakken. Het enige waarmee ze mijn argumenten pareerden was dat ze het net zo moesten doen als andere mensen. Kortom: als je over verandering begint, maken ze daar een eind aan door te zeggen dat ‘de stad zou gaan kletsen’. Iemand met gezond verstand en een groot vermogen, om respect af te dwingen, zou hier heel nuttig kunnen zijn, door ze aan te sporen hun kinderen en hun zieken beter te behandelen en voedsel te eten dat simpeler was opgemaakt; de vrouw van een graaf bijvoorbeeld.

Terwijl ik over deze vooroordelen nadacht greep ik terug op de wijsheid van wetgevers die instellingen vestigden voor het welzijn van het lichaam, onder het voorwendsel dat ze de hemel en het heil van de ziel dienden. Strikt genomen zouden we dit als vrome bedriegerijen kunnen aanmerken; en ik heb bewondering voor het Peruaanse tweetal dat beweerde dat ze afkomstig waren van de zon, omdat ze met hun gedrag bewezen dat ze een achtergebleven land wilden verlichten maar zich alleen maar van de gehoorzaamheid of zelfs maar van de aandacht van hun onderdanen konden verzekeren door middel van ontzag.[3]

Tot zover over het overwinnen van de inertie van de rede; maar als die eenmaal in beweging is, kunnen legendes die eens als heilig werden beschouwd voorwerp worden van spot; en heilig waren ze toen ze de mensheid ten nutte waren. Prometheus stal in zijn eentje het vuur om de eerste mens te bezielen; het nageslacht van die eerste mens heeft geen bovennatuurlijke hulp nodig om zijn soort te laten voortbestaan, hoewel liefde doorgaans met een vlam wordt aangeduid. En misschien is het binnen afzienbare tijd niet meer nodig om ervan uit te gaan dat mensen door de hemel worden geïnspireerd tot plichten die speciale genade vereisen en worden ze er dan door de rede van overtuigd dat zij het gelukkigst zijn die het edelste werk verrichten.

Over enkele dagen vertrek ik naar het westelijke deel van Noorwegen en vervolgens keer ik over land terug naar Gotenburg. Als ik eraan denk dat ik deze plaats moet verlaten, doet me dat verdriet. Ik spreek eerder over de plaats dan over de inwoners, hoewel er in hun ongekunstelde vriendelijkheid een tederheid schuilt waardoor ik aan hen gehecht ben geraakt; maar het verdriet dat uit deze gehechtheid voortvloeit verschilt zeer van het verdriet dat ik voelde toen ik vanuit Hull naar Zweden vertrok. Het huiselijk geluk en de luchthartige vrolijkheid van de beminnelijke familie waar ik en mijn Frances zo gastvrij werden ontvangen zouden al hebben volstaan om ons de tederste herinnering mee te geven – ook zonder dat die gestimuleerd zou worden door de gezellige avonden waarbij goede manieren waardigheid aan de sympathie en esprit en enthousiasme aan de rede gaven.

Adieu! Ik krijg net te horen dat mijn paard al een kwartier klaarstaat. Ik wil nu eens alleen rijden. De torenspits fungeert als oriëntatiepunt. Ik ben een of twee keer verdwaald, toen ik in mijn eentje wandelde en niemand de weg kon vragen. Ik moest toen door heggen en over sloten heen om bij de torenspits of de windmolen te komen.

 

Negentiende brief

Toen ik vanmorgen een paar mijl de stad uit moest om iets af te handelen, stuitte ik tot mijn verbazing op een menigte met allerlei soorten mensen; en toen ik een bediende die Frans sprak naar de reden vroeg, vernam ik dat er twee uur geleden een man was terechtgesteld en dat het lichaam naderhand was verbrand. Ik keek onwillekeurig met afschuw om me heen – de velden verloren hun groen – en keerde me vol walging af van de opgedofte vrouwen die met hun kinderen van dit gebeuren terugkeerden. Wat een vertoning voor de mensheid! Toen ik die schare ijdele gapers zag, bracht dat me tot een reeks bespiegelingen over de verderfelijke gevolgen van valse rechtsideeën. En ik ben ervan overtuigd dat terechtstellingen ons even gruwelijk moeten voorkomen als ze zijn; in plaats van, zoals het nu is, als amusante voorstelling te fungeren voor de starende menigte, die haar sympathie al snel laat overgaan in nieuwsgierigheid.

Ik ben altijd van mening geweest dat het een immorele invloed op het publiek heeft wanneer je acteurs op het toneel laat sterven; maar die invloed valt in het niet wanneer je hem vergelijkt met de gewelddadigheid die wordt opgewekt wanneer we de werkelijkheid als schouwspel opvatten; want ik krijg de indruk dat het in alle landen zo is dat het gewone volk terechtstellingen bezoekt om te zien hoe de arme stumper zijn rol speelt; niet om mee te leven met zijn lot en nog veel minder om te denken aan de aantasting van de moraal die hem zo ellendig aan zijn eind heeft gebracht. Daarom ben ik ervan overtuigd dat terechtstellingen echt niet als nuttige voorbeelden voor de overlevenden fungeren, maar juist het tegenovergestelde effect hebben, doordat ze het hart verharden dat ze zouden moeten afschrikken. Bovendien heeft de vrees voor een infame dood volgens mij nog nooit iemand van het plegen van een misdaad afgehouden, omdat de geest daarbij door de omstandigheden van het moment tot handelen wordt aangezet. Het is een gokspel, waarbij iedereen verwacht dat de worp met de dobbelsteen in zijn voordeel uitvalt en geen ogenblik nadenkt over de kans op ondergang totdat die een feit is. In feite ben ik er, op grond van wat ik in de burcht in Noorwegen heb gezien, meer en meer van overtuigd dat dezelfde persoonlijke energie waardoor iemand een vermetele schurk wordt hem ook nuttig voor de samenleving had kunnen maken als die samenleving beter was ingericht.[4] Als een sterke geest niet door ontwikkeling wordt bijgeschaafd, wordt hij door zijn gevoel voor onrecht onrechtvaardig.

Terechtstellingen vinden echter in Kopenhagen maar zelden plaats; want alle handelingen van de huidige regering worden verlamd door vreesachtigheid – niet zozeer door barmhartigheid. De boosdoener die vanmorgen stierf zou in een andere periode waarschijnlijk niet met de dood zijn bestraft. Maar een brandstichter wekt algemene weerzin op, en omdat het merendeel van de bevolking nog steeds van slag is door de recente grote brand, werd het absoluut noodzakelijk geacht om een voorbeeld te stellen, ook al is het vuur naar ik heb vernomen bij toeval ontstaan.

Overigens werd me wel in alle ernst verteld dat afgezanten van de heer Pitt op de juiste afstand van elkaar brandbare materialen plaatsten, en om dat feit te bekrachtigen houden veel mensen vol dat de vlammen in verschillende delen van de stad tegelijk uitbraken en dat de wind op dat punt niet van invloed kan zijn geweest.[5] Tot zover over de intrige. Maar de bedenkers van intriges in alle landen baseren hun gissingen op de ‘grondloze stof van een droombeeld’, en er lijkt zelfs een soort poëtische gerechtigheid te bestaan in het feit dat deze minister, die in eigen land intriges de kop indrukt die hij zelf in het leven heeft geroepen, er op het vasteland en in het noorden met even weinig reden van wordt beticht dat hij de wereld in brand wil steken.[6]

Ik vergat je nog te vertellen dat ik van een geloofwaardig man hoorde dat er twee mensen naar de brandstapel kwamen om een glas bloed van de misdadiger te drinken, bij wijze van onfeilbare remedie tegen een hersenbloeding. En toen ik in het gezelschap waar dit ter sprake kwam kritiek leverde op dit gruwelijke en tegennatuurlijke gedrag, werd ik zeer fel berispt door een Deense vrouw, die vroeg hoe ik kon weten dat de ziekte zo niet kon worden genezen en daaraan toevoegde dat alles geoorloofd was als het om je gezondheid ging. Je kunt je voorstellen dat ik geen discussie aanging met iemand die zo’n vulgair vooroordeel aanhing. En ik vermeld dit niet alleen om de onwetendheid van het volk aan te tonen, maar ook om de regering te laken omdat die geen moeite doet om taferelen te voorkomen die het blazoen van de mensheid bezoedelen.

Kwakzalverij is niet iets dat alleen in Denemarken voorkomt; en ik zou niet weten hoe je het moet uitroeien, ook al is het een overblijfsel van de achterhaalde hekserij, totdat het verweven van algemene kennis over de bestanddelen van het menselijk lichaam deel wordt van het openbaar onderwijs.

Sinds de brand zijn de inwoners van de stad zeer vlijtig bezig geweest met het zoeken naar eigendommen die tijdens de verwarring werden verdonkeremaand; en het is verbazingwekkend hoeveel mensen die tot dan toe een goede naam bezaten gebruikmaakten van de algemene paniek om te stelen wat door de vlammen werd gespaard. Anderen, die wisten hoe ze lood van oud ijzer moesten scheiden, verborgen wat ze vonden en deden vervolgens geen moeite om naar de eigenaar te informeren, hoewel ze alleen in de puinhopen naar buit durfden te zoeken.

Eerlijker zijn dan de wetten vereisen, wordt door de meeste mensen beschouwd als iets dat niet direct tot de zedelijke plichten behoort; en door de mazen van de wet glippen heeft altijd aantrekkingskracht uitgeoefend op avonturiers die op een snelle manier rijk willen worden. Schurkenstreken die geen persoonlijk gevaar opleveren vormen een kunst die tot grote volmaaktheid is gebracht door de staatsman en de zwendelaar, en kleinere boeven treden al snel in hun voetsporen.

Bepaalde vormen van commercieel bedrog die plaatsvonden gedurende de huidige oorlog hebben me het bloed onder nagels vandaan gehaald. Om kort te gaan: vanuit welk standpunt ik de samenleving ook bekijk, ik heb het idee dat de verering voor eigendom de wortel is van alle kwaad. Hier maakt die verering de mensen niet ondernemend, zoals in Amerika, maar spaarzaam en voorzichtig. Ik ben dan ook nog nooit in een hoofdstad geweest waar ik zo weinig tekenen zag van actieve nijverheid. En wat de vrolijkheid aangaat: ik zocht tevergeefs naar de levendige tred van de Noren, die de Denen in ieder opzicht de loef lijken af te steken. Dit verschil schrijf ik toe aan het feit dat ze meer vrijheid bezitten – een vrijheid die ze rechtens denken te hebben geërfd, terwijl de Denen, wanneer ze zich laten voorstaan op hun beperkte geluk, dit altijd als een gunst beschouwen van de vorst, die weer onder het wijze toezicht staat van graaf Bernstorff. Toch is er steeds minder sprake van leenmanschap in het koninkrijk, en daarmee zal ook die vuige gierigheid verdwijnen die nu eenmaal het gevolg is van iedere vorm van slavernij.

Als het voornaamste nut van eigendom in macht bestaat, in de hoedanigheid van het respect dat dat eigendom oplevert, hoort het dan niet tot de meest onbegrijpelijke inconsequentheden van de menselijke natuur dat mensen behagen scheppen in het oppotten van eigendommen die ze aan andermans noodzakelijke levensbehoeften ontvreemden, zelfs als ze ervan overtuigd zijn dat het gevaarlijk is om zo’n benijdenswaardige superioriteit tentoon te spreiden? En is dat niet de toestand van horigen in alle landen? En toch lijkt de roofzuchtige hang naar het ophopen van geld sterker te worden naarmate de nutteloosheid ervan groter wordt geacht.

Rijkdom lijkt bij de Denen niet iets dat erg wordt nagestreefd, met het oog op de verwerving van de fijne luxeartikelen van het leven; want het gebrek aan smaak is in Kopenhagen zeer opvallend, in die mate zelfs, dat ik niet verbaasd was toen ik hoorde dat de arme Mathilde de stijve lutheranen aanstoot gaf toen ze hun genoegens wilde verfijnen.[7] De verfijning die zij wilde introduceren werd als wulpsheid geafficheerd; toch vind ik niet dat de afwezigheid van galanterie de vrouwen kuiser of de mannen trouwer maakt. De liefde lijkt hier de moraal te bederven zonder de manieren bij te schaven, door vertrouwen en waarheid uit te bannen, die de charme en tevens het cement van het huiselijk leven vormen. Een heer die enige tijd in deze stad doorbracht, verzekert me dat het hem aan woorden ontbrak om een idee te geven van de grove uitspattingen waartoe de onderste regionen van het volk vervallen; en de promiscue affaires die de mannen uit de middenklasse er met hun meiden op nahouden haalt beide groepen in buitensporige mate omlaag en doet afbreuk aan iedere vorm van genegenheid binnen het gezin.

Overal trof me één karakteristiek verschil in het gedrag van de twee seksen. Vrouwen worden over het algemeen verleid door hun meerderen en mannen afgewezen door hun minderen; vrouwen hebben ontzag voor positie en manieren, mannen worden onderworpen door geslepenheid en wellust; ambitie sluipt in de hartstocht van de vrouw, tirannie geeft kracht aan die van de man; want de meeste mannen behandelen hun maîtressen zoals koningen hun gunstelingen behandelen. Is de man dus niet de tiran van de schepping?

Je hamert nog steeds op hetzelfde aambeeld, zul je uitroepen. Maar hoe kan ik het onderwerp vermijden, terwijl de meeste strubbelingen van mijn veelbewogen leven het gevolg waren van de onderdrukte positie van mijn sekse? Hoe krachtiger we voelen, hoe dieper we redeneren.

Maar laten we ons weer tot de rechte weg van de waarneming bepalen. De sensualiteit die hier zo de boventoon voert, komt naar mijn idee eerder voort uit traagheid van de geest en verdoofde zintuigen dan uit de vitale uitbundigheid die dikwijls het hele karakter tot bloei brengt wanneer de levendigheid van de jeugd in kalmere geestkracht begint over te gaan.

Ik heb eerder al gezegd dat de mannen huistirannen zijn wanneer je hun rol als vader, broers of echtgenoten in ogenschouw neemt; maar er bestaat hier een soort interregnum tussen het bewind van de vader en dat van de man dat de enige periode van vrijheid en genot vormt die voor vrouwen is weggelegd. Jonge mensen die met instemming van hun vrienden aan elkaar gehecht zijn, wisselen ringen uit en mogen samen een zekere mate van vrijheid ervaren die ik in een ander land nog nooit heb gezien. Zo wordt de verlovingstijd opgerekt, tot het volstrekt geschikte ogenblik om te trouwen is aangebroken. Er is dikwijls sprake van zeer tedere intimiteit; en als de minnaar het privilege van echtgenoot verwerft, gebeurt dat maar half in het geheim, omdat de familie zich welbewust blind houdt. Het komt maar zeer zelden voor dat deze verlovingen op erewoord worden ontbonden of veronachtzaamd, aangezien er op het schenden van dit vertrouwen een grotere smet van oneer rust dan op het breken van de huwelijksgelofte, ook al wordt dat laatste als een groter misdrijf gezien.

Vergeet niet dat ik in mijn algemene notities geen beschrijving probeer te geven van een nationaal karakter, maar enkel van de huidige staat van zeden en gedrag, op zoek naar de manier waarop de vooruitgang van de wereld zich voltrekt. Want het ging me er tijdens mijn verblijf in verschillende landen vooral om zo onpartijdig naar mensen te kijken dat ik een goed beeld kreeg van de aard van de mens. En om eerlijk tegen je te zijn, geloof ik dat ik minder streng had geoordeeld over de ijdelheid en verdorvenheid van de Fransen als ik voordat ik in Frankrijk kwam naar het Noorden was gereisd.[8]

Het boeiende beeld dat er vaak van de deugden van dit volk in opkomst wordt gegeven is, naar ik vrees, onjuist, uitgezonderd dan de verhalen over de geestdrift die zijn strijd bij verschillende gelegenheden heeft opgewekt. We spreken over de verdorvenheid van de Fransen en beklemtonen dan de ouderdom van het land. Maar waar werd ooit meer deugdzame geestdrift tentoongespreid dan door het gewone Franse volk en het Franse leger gedurende de afgelopen twee jaar? Soms voel ik me gedwongen om de talloze voorbeelden op te roepen die ik zelf heb waargenomen of uit betrouwbare bron heb vernomen, om tegenwicht te bieden tegen de verhalen over gruweldaden die helaas ook maar al te waar zijn. Ik ben dan ook geneigd om te geloven dat de grove gebreken die ik altijd heb zien samengaan met simpel gedrag voortkomen uit onwetendheid. 

Wat is, om een voorbeeld te noemen, vroomheid in het heidense of christelijke systeem anders geweest dan het blinde geloof in dingen die strijdig zijn met de beginselen van de rede? En zou die arme rede aanzienlijke vooruitgang kunnen boeken wanneer het als de hoogste graad van de deugd werd beschouwd om zijn dictaten geweld aan te doen? Lutheranen die hervorming predikten hebben hun reputatie van heiligheid op dezelfde fundering gebouwd als de katholieken; toch heb ik niet de indruk dat hun regelmatige aanwezigheid bij de eredienst en hun andere rituelen hen ook maar een greintje oprechter in hun liefde of eerlijker in hun persoonlijke affaires maakt. Het lijkt even gemakkelijk om uitvluchten te zoeken voor religieuze vermaningen als voor menselijke wetten wanneer de mensen er niet door middel van hun rede toe worden gebracht om zelfstandig principes te verwerven die als maatstaf kunnen fungeren voor alle principes die ze van anderen ontvangen.

Als het reizen, als voltooiing van een liberale opvoeding op rationele gronden zou worden beoefend, zouden de noordelijke landen vóór de meer verfijnde delen van Europa moeten worden bezocht, om op die manier onderdeel te worden van onze kennis van zeden en gebruiken – kennis die we alleen kunnen opdoen wanneer we ons in verschillende landen in de nuances verdiepen. Maar wanneer we verafgelegen streken bezoeken, mag de sociale sympathie van het ogenblik geen invloed uitoefenen op de conclusies van ons verstand; want gastvrijheid brengt reizigers, vooral wanneer ze op zoek zijn naar genot, al snel in de verleiding om een verkeerde inschatting te maken van de deugden van een land – deugden die, naar ik nu denk te weten, precies in verhouding staan tot hun wetenschappelijke vooruitgang.

 

 

Noten van de vertaler

1 Het gaat hier om haar vriendin Fanny Blood, die in 1785 was overleden in Portugal.

2 Daar had ze in 1785 Fanny Blood opgezocht.

3 Wollstonecraft verwijst hier naar de Incakoning en zijn vrouw die een rol speelden in John Drydens toneelstuk The Indian Queen (1664).

4 In de dertiende brief vertelt ze over een bezoek dat ze in Christiana bracht aan een burcht die als gevangenis fungeerde.

5 William Pitt jr., van 1783 tot 1801 premier van Engeland.

6 De ‘grondloze stof van een droombeeld’: citaat uit The Tempest van William Shakespeare.

7 Caroline Mathilde van Wales trad in 1776 in het huwelijk met de Deense koning ChristiaanVII.

8 Wollstonecraft liet zich uit over de aard van het Franse volk en de Revolutie in A Historical and Moral View of the Origin and Progress of the French Revolution and the Effect it Has Produced in Europa, dat verscheen in 1794.

 

 

Vertaling uit het Engels: Jabik Veenbaas.

 

Brief zes, acht en negentien verschenen oorspronkelijk in: Mary Wollstonecraft, Letters Written During a Short Residence in Sweden, Norway, and Denmark, Londen, J. Johnson, 1796.