Jonas Mekas

DE WITTE RAAF

Editie 214 november-december 2021

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

New York

29 oktober 1949

Gisteren, tegen tien uur in de ochtend, voer de General Howze de Hudson op. Starend stonden we op het dek. 1352 ontheemden, Displaced Persons, starend naar Amerika. Het staat me nog steeds op het netvlies geschreven. Een gevoel, een beeld dat onmogelijk kan worden overgebracht aan iemand die het niet zelf heeft meegemaakt. De hele oorlogstijd, de naoorlogse ellende van een DP, de wanhoop en de hopeloosheid, en dan ineens sta je oog in oog met een droom.

Zo moet je New York zien, als het donker is, vanaf de Hudson, zo zie je de onbeschrijflijke schoonheid ervan. En toen ik me omdraaide naar de Palisades – ik zag het reuzenrad, helemaal in vuur en vlam, en de krachtige zoeklichten die hun lichtbundels de wolken in wierpen.

Ja, dit is Amerika, en dit is de twintigste eeuw. De haven en de pieren vol met licht en kleur. De lichten van de stad versmolten met een hemel die – zo leek het wel – door mensenhanden gemaakt was.

In het noorden een donkere wolk, en toen donderde het en de bliksem doorkliefde de wolk en lichtte hem even op, om vervolgens op de stad te vallen en zich te voegen in het New Yorkse verlichtingspatroon. Deze gigantische manifestatie van de natuur – het werd gewoon een van de vele neonlichten van de stad.

Er lag die ochtend een zware mist over de haven. De stad verscheen en verdween. Het Vrijheidsbeeld verscheen even – om ons te begroeten! – en verdween weer in de mist… Langzaam stoomde het schip op naar het hart van de stad.

De oceaan zat nog in onze oren, in ons vlees. We waren allebei duizelig, extatisch, toen we op New Yorkse bodem stapten.

Volgens onze immigratiepapieren moesten we doorreizen naar Chicago. En dat was ook onze oprechte bedoeling. We konden nergens anders heen.

Algis stond ons op te wachten om ons naar het treinstation te brengen.

We stonden op het verhoogde perron van Pier 60 naar de New Yorkse skyline te kijken. En we zeiden het alle twee, op hetzelfde moment, Adolfas en ik: ‘We blijven hier. Dit is het. Dit is New York. Dit is het centrum van de wereld. Het is idioot om naar Chicago te gaan als je in New York bent!’

Het besluit was snel en definitief.

We dachten nog even aan onze baantjes in Chicago, de bakkerij en het appartement dat op ons wachtte, en alle lieve mensen die klaarstonden om ons daar te helpen. Zekerheid versus een nieuwe sprong in het onbekende. En we keken opnieuw naar de New Yorkse skyline en we zeiden: ‘Nee, we gaan nergens meer naartoe. We hebben genoeg gereisd. We blijven hier.’

We vroegen Algis of hij ons in het appartement van zijn ouders kon onderbrengen totdat we een baan hadden gevonden en een woning voor onszelf en hij vond het goed. We gooiden onze plunjezakken in een taxi en reden naar Brooklyn, Meserole Street, in het hart van Williamsburg.

 

 

10 november 1949

Ik vraag me af: is het oktober of november? En welke dag is het? Ik raak de dagen kwijt. Het einde van mijn tweede week in Amerika.

Twee weken lang heb ik niet de tijd gevonden om te gaan zitten en schrijven. Ik ben voortdurend aan het rennen geweest. Werk zoeken, woning zoeken. Dit is niet langer het DP-kamp. Er is niemand die ons te eten geeft, of onderdak: we zijn nu op onszelf. Zo is het. Dus hebben we een hoop heen en weer gerend. En nu ben ik voor de tweede dag aan het werk. Dus het leven begint er wat normaler uit te zien. En wat lichter.

Je zou zeggen, tien dagen, dat is kort. Maar het kan soms ook voelen als een eeuwigheid.

De intensiteit van onze ervaringen, minuut na minuut, heeft deze tien dagen opgerekt tot maanden.

 

Bij de Werkbemiddeling zijn er honderden balies en honderden werkzoekenden, hun ogen gefixeerd op de prikborden, briefjes lezend met aangeboden werk. Twee weken lang hebben we op die trieste banken gezeten, we schoven van tafel naar tafel, van het ene bord naar het andere, om steeds weer te horen: ‘Niets. Kom morgen maar terug.’ Ogen worden leeg, gezichten lang, apathie neemt het over. Werk, werk, werk. Soms zit je er heel dichtbij, bijna heb je het – en dan verkruimelt het weer.

 

Nu heb ik werk. Ik ben ‘assemblagemedewerker’ bij G.M. Co. Manufacturing, 43rd Avenue 13-08, Long Island City. Mijn werknemersnummer is 431. Sinds twee dagen zet ik minispeelgoedjes in elkaar. Ik word gek van de eentonigheid. M’n vingers zitten vol putten van het schroeven van die kleine schroefjes. Vandaag, tegen de avond, kon ik ze nauwelijks nog oppakken, al m’n vingers zitten onder de blaren.

Naar de Van Goghtentoonstelling in het Museum of Modern Art geweest, ik leefde helemaal op.

 

 

16 november 1949

Weer een week voorbij. Ik werk nog steeds voor G.M. Co. Twee dagen lang heb ik schroefjes geschroefd. Nog eens twee dagen heb ik kleine gaatjes geboord. Nog eens twee dagen heb ik grote gaten geboord. De laatste uren van de dag krijgen mijn handen de aan-uitschakelaar van de boor niet meer ingedrukt. De enige manier waarop het me nog lukt is met mijn hele lichaam de schakelaar indrukken. M’n borst- en buikspieren staan in brand. Na een bepaald moment kom je in een soort automatisme terecht, een inertie. Je legt het erin, drukt op de schakelaar, duwt, legt het erin, drukt op de schakelaar, duwt – de hele dag door. Je denkt niet na. Gedachten vliegen in de rondte, als uitgedoofde vonken, zonder kern – een gedachte hier, een gedachte daar, en verderop nog een gedachte. Een minuut later weet je niet meer wat je een minuut geleden dacht.

We hebben een lunchpauze van dertig minuten. Er is een ruimte met smerige stalen rekken waar je je kleren op kunt leggen. Hier kauwen de werkers op hun boterhammen, of ze zitten in elkaar gedoken op lege tonnen, in hun vieze, vettige kleding, met hun doorroeste handen, en ze schreeuwen, de een nog harder dan de ander, ik versta er niets van, en ze spelen de hele tijd dit spelletje: ze gooien dobbelstenen en centen in het midden van een cirkel. Ik hoef alleen maar mijn ogen te sluiten en ik ben terug in de barakken van Elmshorn. [1]

 

Er werkt hier ook een horde moddervette meiden, die pakken in. Ze knippen, ze pakken, maar de meeste tijd staan ze te grinniken, ze lachen hun tanden bloot. Vlak onder m’n neus staan ze te zingen met hun schelle stemmen, en als strontvliegen lopen ze me achterna. Maar de meesten zijn zo dik en zo lelijk dat ik ze probeer te negeren of voor de gek te houden. Maar hoe meer grapjes ik maak, hoe meer ze aan me plakken. Ze zijn allemaal totaal ongeschoold, armoedige families, beroerde lijven.

De stank van staal en ijzer doordringt de hele ruimte. Ik draag die geur mee de straat op en soms lijkt het alsof heel New York naar staal ruikt. Staal heeft een geur. Staal is niet eeuwig, zeker niet. Staal sterft, net als hout, net als gras. Staal en ijzer vergaan tot stof.

Vanmorgen vroeg leunde ik in de metro tegen een ijzeren paal en een stalen koelte trok door mijn lijf. Even later zag ik een man op straat liggen op een stapel Daily Mirrors, op cement en staal, het staal was zijn bed. Hij lag daar, opgekruld, tegen het staal aan geschurkt, op het beton.

 

 

5 december 1949

Nog steeds bij G.M. Co. Ik zet scharen in elkaar, tangen, schroevendraaiers, maar meestal weet ik niet eens wat ik in elkaar zet. Als we een bestelling boren krijgen, staan de blaren in m’n handen, ik kan niks meer aanraken, zelfs niet met handschoenen. Ze laten de werkers steeds van tafel wisselen, maar het haalt niet veel uit.

De vingers werken volautomatisch. Ze leiden hun eigen automatische leven. Ik laat ze maar. Wie maakt zich druk over de vingers. Ik laat ze hun gang gaan. Ze gaan maar door en door. Om niet gek te worden, probeer ik aan iets te denken. Ik begin met iets dichtbij, een voorwerp of een beweging ergens om me heen en die volg ik met mijn ogen. Op een bepaald moment stijg ik op, en begin ik te denken aan gisteren, of eergisteren of waag ik me nog verder weg. Dan betrap ik mezelf er ineens op dat ik zit te dromen, plannen zit te maken, totaal onbewust van de handelingen van mijn vingers. Ik heb geen idee wat zij in de tussentijd gedaan hebben. Misschien hebben ze iemand gewurgd. Ik zou het niet weten. Ik ben absoluut niet verantwoordelijk voor mijn vingers. Ik ben een ruimtereiziger.

Ik stijg weer op! Naast mijn knieën kookt de radiator. Ik sta aan een lange tafel, met mijn rug naar de andere arbeiders. De radiator sist. Achter mijn rug een monotone dreun. In een andere hoek een paar zingende vrouwen, hele hoge stemmen. Dat is hun vorm van tijdreizen. Ze moeten ergens naar op weg zijn.

Naar Firebird geweest (Balanchine).

 

 

15 december 1949

Ze hebben me laten gaan. Niet genoeg bestellingen. Nu doorkruis ik Brooklyn opnieuw, Noord en Zuid, Oost en West, en ver Manhattan in, en Long Island, op zoek naar nieuw werk. Van fabriek naar fabriek, van winkel naar winkel. Ik ben ook naar een paar musea gegaan, misschien hadden ze wel zaalwachters of schoonmakers nodig. Botanische Tuinen geprobeerd. Maar het is moeilijk net voor Kerstmis, dat is wat ze me allemaal zeggen. Er zijn er te veel zoals ik. Waar ik ook naartoe ga, er loopt altijd iemand voor me, met een verkreukelde krant in de hand, op zoek naar hetzelfde huisnummer.

 

 

17 december 1949

Via de YMCA – een hele slimme zet: ik zei dat ik lid was van de Europese tak van de YMCA maar dat ik mijn kaart kwijt was – heb ik een baan gekregen bij Emerson Plastics, 567 East 38th Street.

Het is in de kelder en het staat bomvol, van vloer tot plafond: plastic reclameborden van Pepsi Cola. Ik moet lijm aanbrengen op de binnenkant van het bord, er een label opplakken en het doorgeven aan de volgende man.

De werktafel is zo breed dat ik nauwelijks bij de andere kant kan, waar ze mij voortdurend met nieuwe Pepsiborden voeden. Ik moet mezelf met mijn rugspieren in evenwicht houden als ik ze aanneem. Na twee uur werken kan ik me nauwelijks nog bewegen. De andere twee werknemers blijven maar tegen me vloeken en tieren. Het zijn echte klootzakken. Ze gaan sneller en sneller en ik kan die verdomde labels niet zo snel vastplakken. Ik hou m’n kiezen op elkaar, ben witheet, het plaksel zit overal, op m’n handen, m’n overhemd, het stroomt over m’n broek. Maar ze gaan geen stap langzamer. Het zijn echte klootzakken.

 

 

19 december 1949

Ontslagen. Ontslagen omdat ik die twee klootzakken heb ingehaald. Vanmorgen heb ik ze ingehaald. De ene na de andere klote Pepsiplaat stapelde ik voor hun neus op, gewoon uit wraak. Ik kon niet geloven dat ik het kon. Het lukte me uit woede. Er is voor alles een techniek. Je laat gewoon je vingers hun gang gaan en dan worden ze onderdeel van een fantastische machine. Je hebt er een zekere mate van intelligentie voor nodig, maar ik wist dat ik ze kon verslaan. Ik wist dat ze uiteindelijk het onderspit zouden delven. Dat wilde ik die twee klootzakken laten zien. Ik heb bewezen dat ook ik, als ik onder druk wordt gezet, een beest kan worden…

Hoe dan ook, ze werden kwaad. Ze vertelden de eigenaar, waar ik bij stond, dat ik lui was, dat ik alleen maar deed alsof ik hard aan het werk was, dat ik hun tempo eruit haalde. Dus gaf de eigenaar me een envelop met twaalf dollar voor mijn drie dagen keihard werken en zei me goeiedag. Ik spuugde op de stapel Pepsi-Colaborden en liep de deur uit. De straten waren vol kerstdrukte, een kille wind vanuit de East River.

 

 

21 december 1949

Was bij een Duits bemiddelingsbureau op 74th Street. Probeerde door te gaan voor een Duitser, speelde de emotionele snaar, een nieuwe truc. Ik merkte dat ze geen Duits spraken, dus ze herkenden mijn accent niet. Maar er zijn te veel mensen die werk zoeken. Het kantoor had niks. We leven op melk en brood. En een sinaasappel. Af en toe een bord soep. Ze zeggen dat je niet veel nodig hebt als je niet werkt. Dat is niet waar. Na een dag baan-zoeken voel ik meer uitputting dan na een dag houthakken.

Vanmorgen zag ik een advertentie van het Roxy Theater, ze zoeken zaalwachten. Ik was er vroeg, maar er stonden al een stuk of twintig anderen voor de deur. Zij kennen New York. Ze stonden tegen de muur geleund met kranten onder hun arm, in hun winterkleren – net als in films uit de jaren dertig.

Om tien uur ging de deur open en lieten ze ons binnen. Ergens in de donkere diepten van het theater, ik had geen idee waar, bespeelde iemand het orgel. Het klonk heel hard, het geluid vulde het hele theater. We moesten in een halve cirkel gaan staan. Een man, een soort manager, ging voor ons staan en nam ons minutieus op. Het orgel speelde door. De muziek was verheffend, groots. Misschien Bach.

De man bracht z’n hand omhoog en wees met z’n vinger een paar van ons aan. Die moesten uit de rij stappen. Zeven, zei hij, hij had er maar zeven nodig. Met een theatraal gebaar, als was hij de dirigent, maakte hij de rest van ons duidelijk het theater te verlaten. Aangezien de magische vinger niet bij mij was gestopt, liep ik met de anderen mee naar buiten.

Om preciezer te zijn was dit wat er gebeurde: toen we daar in die cirkel stonden, en de vinger van de manager de rij langsging, en mij langzaam naderde – toen ineens, zonder enige goede reden, begon mijn neus te jeuken en krabde ik eraan. Dat was het, dat was mijn fatale beweging. Die klote neus. De vinger van de manager ging aan mij voorbij.

 

Bij de bemiddelingsbureaus van Warren Street zwermen de mensen rond. Maar voor Kerstmis is alle werk opgedroogd. De managers staan in de deur van hun bedrijfjes, ze laten je niet eens binnen: ze hebben ons niks te bieden. Ze halen hun schouders op, ze kunnen er ook niks aan doen, ze voelen met ons mee, al was het alleen maar als automatisme.

Ik stond naar ze te kijken. Het is niet eerlijk om ze van automatisme te beschuldigen, bedacht ik. Deze managers, zoals ze hun mechanische gebaren afwerken, steeds weer belaagd door nieuwe werkzoekenden, steeds weer overspoeld door deze zee van hongerige, haveloze, wanhopige mensen – hun automatisme krijgt licht menselijke trekjes, ze worden heel subtiel vermenselijkt. Zelfs machines verwerven stilaan een hart en ogen als ze aan zoveel ellende worden blootgesteld.

 

 

26 december 1949

Ellendigste Kerst ooit.

Ging de straat op. Kon niet thuisblijven – te eenzaam. De straten waren leeg en koud. Grand Street was leeg en koud. De wind waaide kranten rond. Stukken droog gras. Niemand had het over sneeuw. Er was geen sneeuw.

We gingen naar Ginkus’ Candy Store. We dachten, misschien is daar nog een levende ziel te bekennen. Maar nee. Alleen twee of drie vrouwen die kaarsen kochten en kerstcadeaupapier.

Maar Ginkus was er.

‘Naar iets speciaals op zoek?’

‘Nee,’ zeiden we, ‘we zaten ons te vervelen thuis, we komen eens kijken of er nog iets te beleven valt.’

Ginkus, God zegene zijn hart, gaf ons een biertje, en we dronken op zijn gezondheid. Het bier was koud, we zaten en we dronken, en we keken in de spiegelwand achter de bar, naar de vrouwen, naar het snoepgoed, en we waren verveeld.

De straat was koud. Flarden van kerstliedjes, van de radio, of misschien een platenspeler, werden vanuit een raam aan de overkant door windvlagen naar ons toe gebracht, ergens in Brooklyn, aan het absolute einde van de wereld.

 

 

27 december, 1949

Twee uur lang heb ik van hot naar her Williamsburg doorkruist, in een poging ergens wat geld te lenen. We moeten eten, Kerst of geen Kerst. We moeten, uiterlijk vandaag, 10 dollar betalen voor onze kamer.

Ik gaf het op.

Gedeprimeerd liep ik door Grand Street.

Voor Ginkus’ Store zag ik een meisje in een rode jas. Ik herkende haar, we maakten de overtocht op hetzelfde schip.

Ze hield haar pas in en vroeg hoe het met me ging. Slecht, zei ik.

‘Kom mee,’ zei ze.

We gingen naar haar kamer en ze leende me twaalf dollar. Twaalf dollar!

‘Ik krijg donderdag betaald, dus geen probleem, pak aan.’

Ik bracht tien dollar naar de huisbaas.

‘Mijn hemel, wat zie je er moe uit. Je hebt vast de hele stad bezichtigd, een hoop gezien, geweldige stad hè.’

 

 

geen datum, 1949

Beste Leo,

Als je een gewone, gemiddelde arbeider was, dan zou ik je schrijven: ga naar Australië, of Brazilië, waar dan ook. Vergeet Amerika, streep erdoor. Wil je in bemiddelingsbureaus zitten en naar alle mensen kijken die op zoek zijn naar werk, zich vastklampen aan de advertenties? Eén dag werk is als een klompje goud, het betekent brood. Met zes of zeven dollar kun je een week lang overleven.

Maar er is geen werk. De markt krimpt. China is verdwenen. De handel is ingezakt. Voor degenen die hier al jarenlang zijn is het beter. Ook als ze werkloos zijn, krijgen ze geld van de vakbonden. Maar voor ons, de nieuwe immigranten, is het één grote ellende. Dus vergeet Amerika en ga naar een ander land waar de economie niet gebaseerd is op de export. Ga naar Australië.

 

Dat zou ik tegen een gewone arbeider zeggen.

Maar jij bent een dichter. Dus ik zeg:

Kom naar Amerika! Je zult de ellende meemaken van de grote droom: het kapitalisme. Het is het waard. In Europa voelde ik me op een of andere manier altijd een buitenstaander, ik was nooit zoals iemand anders. Ik was of een DP, of een Litouwer, of een dichter. Hier, of ik nu in een rij sta, in een doorrookt bemiddelingsbureau op Warren Street, of opga in de mensenmassa in 42nd Street, ben ik ineens een van de vele werkloze arbeiders. Precies hetzelfde als iedereen. Een van de velen. Een van de vele miljoenen die elke avond, terug thuis zonder baantje, zijn jas in de hoek gooit, op het bed neervalt, en de krantenartikelen over vakanties in Florida doorbladert…

 

 

5 januari 1950

Van half acht in de ochtend tot vijf uur in de middag gewerkt voor de Bebry Bedding Co., mijn nieuwe baan. Rechtstreeks vanuit het werk, ik zat nog helemaal onder het fabrieksvuil, nam ik de metro naar 13th Street en Fifth Avenue, om Blood of a Poet te zien.[2] Voor de voorstelling nam ik even een hotdog in een lunchroom vlakbij de Fifth Avenue Cinema. Iedereen zat me aan te staren, als was ik een vieze rat.

Ik liep de boekwinkel naast het theater in, een schone nette boekwinkel, oude boeken. Ik voelde me een surrealistische indringer tussen de keurige New Yorkse studenten, boeken, meisjes, in de blauwe DP-jas die ik nog steeds draag. Ik heb nog niet genoeg geld verdiend om m’n garderobe te vernieuwen.

Na de film maakte ik een lange wandeling door de straten downtown. Ik liep te denken, ik speelde de afgelopen week voor mijn geestesoog af. Het leek alsof die hele week achter me lag uitgestrekt als een enorme witte leegte. Ik zou hem het liefst uit mijn leven willen wegkrassen. De toren is aan het vallen, vallen. Ik weet niet wanneer hij echt neerstort.

 

 

ongedateerd, 1950

Vanmorgen hoorde ik Bach op de radio. Ik zat te luisteren naar de grootse klassieke muziek die mijn kamer vulde. Ik wilde dat mijn leven was zoals deze muziek, één grote fuga.

Dat is de kracht van kunst.

Imitatie van de Kunst. Imitatie van Christus.

 

 

ongedateerd, 1950

Nu begint alles langzaamaan helder voor me te worden.

De afgelopen twee nachten heb ik goed geslapen. Ik heb zovele jaren geen enkele nacht goed geslapen; de laatste keer dat ik goed geslapen heb, was in de koele kamer van mijn kinderjaren.

Toch twijfelde ik gisteren nog aan alles. Er was niets dat in balans was en ik bleef maar vallen, vallen, zonder neer te storten…

 

 

januari 1950

Beste Vladas,

Ik kan alle nieuwe ervaringen nog steeds niet verwerken. De stroom van het leven is te snel gegaan, de veranderingen waren te radicaal. Het is allemaal heel rauw. In mijn ogen zinderen nog steeds de beelden van het laatste najaar in Europa waar ik door de ramen van een voortsnellende trein naar keek.

Na drie maanden in Amerika – ik ken Amerika nog niet, en ik kan er maar een paar woorden over schrijven.

Eerst hebben we in een restaurant gewerkt (Adolfas), daarna in een plasticfabriek waar ze me hebben bestolen van de helft van mijn salaris. We zijn al vijf keer verhuisd. We hebben minstens een maand zonder werk gezeten, op zoek naar een baan. We hebben al meer schulden bij elkaar vergaard dan we betaald hebben gekregen. Ik heb duizenden mensen gezien op zoek naar werk, die niets hebben gevonden. Ik heb met ze op de bankjes gezeten waar we de advertentiepagina’s van de New York Times doorvlooiden, armoedzaaiers lagen naast me, gewoon op de stoep, en een eindeloze stoet auto’s stroomde door de straat en niemand trok zich ergens iets van aan. Het is hier of je een ladder opklimt: de mensen op de hogere treden zien de lagere treden niet meer, ook al stonden ze er gisteren zelf nog op.

We hebben hier geen droom gevonden, nog niet. Om de droom te kunnen zien, moet je weten waar en wanneer je moet kijken. Het kan gebeuren in het sportstadion, of misschien in een nachtelijke bar, op Times Square, of in een straatje in Brooklyn. Je ziet hem niet als je er naar op zoek bent. De droom is niet voor de toeristen. Je kunt hem alleen zien in de krantenkoppen of in de verzen van de dichters. Wat we hier zien is vies en monotoon, en heel erg niet-bijzonder. Het is in Europa dat er kauwgom wordt gekauwd. Hier zie ik arbeiders zitten, met lege gezichten, en onhandige handen die de pagina’s van de Daily Mirror omslaan. En dan haasten ze zich naar de metro om naar huis te gaan.

 

 

22 februari 1950

Hagel en natte sneeuw in m’n gezicht, en een scherpe wind. Maar het was goed om zo te lopen, en de wind en de sneeuw op m’n gezicht te voelen. Ik ging een kleine lunchroom in en bestelde een kop koffie. Ik keek naar het natte raam. Het voelde goed. Toen ging ik Bedford Avenue weer op. Het sneeuwde nog steeds.

Ik keek naar de met sneeuw bedekte kerktoren. Ineens overviel me een groot verlangen de kerk in te lopen. Ik liep naar binnen en knielde neer in een houten kerkbank. De priester deelde de communie uit en gaf iedereen een askruisje op het voorhoofd. Ah, het moet Aswoensdag zijn. Ik ben me niet zo bewust van de kerkelijke feestdagen.

Ik bleef lange tijd in de kerk zitten. Hij was inmiddels leeg, iedereen had zijn plicht gedaan en was verdwenen. Ik stond op de kerktrappen en keek uit over de straat. Daar, de straat, daar, de sneeuw, en de auto’s, en de wind, allemaal helemaal echt, werkelijk. Williamsburg, Brooklyn, Amerika.

Ik liep verder, en de hagel en de sneeuw bleven mijn gezicht bestoken, maar het gaf helemaal niets, de tijd niet, de wind niet, de kou niet. Ik was compleet gelukkig, ik liep maar door, en af en toe duwde ik de sneeuw met mijn voet vooruit, om hem te voelen, als een schooljongen.

Ik liep door de Brooklynse nacht.

 

 

ongedateerd, 1950

In Lorimer Street, waar we nu wonen – met een boom voor ons huis – we krijgen inwoning maar geen kost – heeft de huisbaas een heel speciale manier om ons te kwellen.

Elke ochtend, precies om zes uur, als we naar beneden lopen om ons gezicht te wassen en ons te scheren, zit hij daar in de hoek van de keuken, in zijn matrozentrui, met zijn ellebogen op tafel, terwijl wij doen wat we moeten doen, tegen ons aan te praten. Het is altijd een monoloog, wij zeggen geen woord terug.

‘Ah, ik weet er alles van, het is zoveel beter om van je werk terug thuis te komen dan naar je werk toe te gaan...’

‘Ah, jullie moeten ook op zaterdag werken…’

Hij praat de hele tijd over werk, hoe zwaar het is om te werken, en hoe fijn het is om gewoon thuis te zitten. Ik word daar soms zo kwaad over dat ik de neiging krijg een schoen naar z’n kop te gooien.

 

 

Maart 1950

‘Was wir ‘Illusionen’ nennen, ist vielleicht eine seelische Tatsächlichkeit von überragender Bedeutung. Die Seele kümmert sich wahrscheinlich nicht um unsere Wirklichkeitskategorien. Für sie in erster Linie scheint wirklich zu sein was wirkt…’ Carl Jung [3]

 

Ik hoop dat ik ooit meer werkelijk word. Hoe kan ik het ook vermijden, in dit tijdperk van de realiteit… Hoe zou ik kunnen blijven voortleven met mijn onwerkelijkheid? Ik hoop dat ik op een goede dag op deze aarde loop, op z’n minst één stap zet, en kan zeggen: oh, nu voel ik het echt, ik loop echt op de aarde, ik ben niet aan het dromen…

 

 

22 maart, 1950

Nadat ik in het cafetaria iets had gegeten, bleef ik nog een poosje hangen, de mensen bekijken. Het voelde goed, het leven voelde een stuk frisser. Zonder erover na te denken begon ik een melodietje te neuriën.

Ik werd uit mijn dagdroom gewekt door de stem van een man die aan het tafeltje naast me zat.

‘Aan het zingen?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei ik, ‘mijn buikje gevuld, ik ben gelukkig, waarom dan geen liedje zingen?’

‘Maar dat lied klinkt niet alsof u gelukkig bent,’ zei de man.

Ineens realiseerde ik me dat ik inderdaad een van de verdrietigste volksliedjes die ik kende zat te zingen, ‘Oi varge, varge, vargeli mano’, zo gaat het, ‘Wat een ellende, wat een ellendig leven, wanneer zal het voorbij zijn, wanneer zal het eindelijk voorbij zijn…’

Mijn hemel, zei ik tegen mezelf, die Litouwse liedjes, die zijn altijd zo triest. Er zit altijd een traan in. Zelfs als je denkt dat je je geluk aan het uitzingen bent, zelfs dan zijn het geen vrolijke liedjes. Litouwers hebben altijd hun grote buren in de weg gestaan, die hebben altijd over ze heen gelopen. Daardoor heeft zelfs ons geluk een andere tint gekregen, altijd gekleurd door een traan. Zie mij nou, ik blaak van geluk, en die vent naast me zit te denken: ‘Waarom zou die man zitten te huilen, waarom zingt hij zo triest? Er moet hem iets vreselijks zijn overkomen…’

 

Gisteren hadden we een afspraak bij Professor P. Hij zei dat hij de opdracht had gekregen onderzoek te doen naar de gebroeders Mekas: zij zouden waarschijnlijk communisten zijn. Wij zeiden tegen hem dat het ons niet meer uitmaakte wie wat over ons zei, we waren eraan gewend geraakt communisten te worden genoemd, gekken, en wat niet al.

Terug naar huis in de regen. De straten nat, vol plassen.

Veel gelezen. Eisenstein.

 

Vandaag zagen we in het Museum of Modern Art vier avant-gardefilms. Ik was vooral ingenomen met La souriante Madame Beudet van Dulac.

Joyciaans in z’n concentratie.

Verder zagen we Ballet Mécanique, Entr’acte en Ménilmontant.

 

 

29 maart, 1950 

Het regent dat het giet. We werken buiten. IJzeren platen en steenkool uit vrachtwagens laden.

’s Middags, terug naar de machines, binnen.

Carl werkt aan de machine naast me. Een Estse immigrant, een DP.

Hij is aan het denken. Voortdurend. Ik kan het zien aan zijn gezicht. De hele dag kijk ik naar zijn gezicht, en ik zie hoe het verandert, naargelang van wat hij denkt. Soms trekt hij heel rare gezichten, met z’n lippen, z’n wenkbrauwen. Dat weet hij niet. Hij gaat helemaal op in zijn werk, hij is in trance, net als ik. Alleen zit ik wel die film van hem te bekijken, van z’n gezicht, bedoel ik. Hij weet niet dat ik naar hem kijk. Als hij aan het werk is ziet hij niks, hoort niks.

Ineens begint hij te praten. Mijn hemel, het wordt een geluidsfilm.

‘Ik ben heel benieuwd of ze nou getrouwd is of niet.’

‘Ik weet het niet,’ zeg ik. Ik snap niet waarom ik hem serieus neem.

‘Het zou stom zijn om niet te trouwen. Meisjes zoals zij moeten echt niet lang wachten,’ zegt hij.

Ik heb geen idee, hij praat over z’n verloofde, z’n dochter, of z’n buurvrouw. Hoe dan ook, ze zit in Estland, en hij is hier, aan deze klotemachine.

Nu is hij weer stil, heel lang. Hij kauwt weer op z’n lippen, fronst, trekt z’n ogen tot spleetjes, zit ergens aan te denken. Dan begint hij weer te praten.

‘Mijn hemel, wat ben ik benieuwd hoe ze er nu uitziet. Wat denk jij, is ze getrouwd of niet?’

Stomme vraag. Zelfs voor een immigrant. Maar ik moet iets zeggen.

‘Al mijn vriendinnetjes zijn lang geleden al getrouwd, daar ben ik van overtuigd. Het zou behoorlijk stom zijn om te wachten totdat ik terugkom, grijs haar, geen tand meer in m’n mond,’ zeg ik.

Nu zwijgt hij weer. Een zwijgende film.

 

De favoriete grap hier is om iemand op te sluiten in de wc en de deur te barricaderen. Ze brullen het uit. Héél erg humoristisch. Stomste grap ooit. Degene die binnen zit moet door het raampje naar buiten klauteren, ze maken de deur niet open.

Soms zien ze iemand naar binnen gaan en dan lopen ze naar het raam en gooien water op het arme slachtoffer. Het erge is dat ze het door het plafond doen, recht op je hoofd, er zit een gat in het plafond.

Zo’n soort plek is het hier.

 

 

1 april, 1950

Het wordt warmer. Overdag regent het. De nachten zijn fris. Als ik naar mijn werk ga, heb ik een sjaal nodig.

Altijd als het regent, beland ik in een depressie.

Ik vraag mezelf steeds maar af: waar is dit allemaal goed voor? Wat is het nut van mijn leven hier, waarom doe ik wat ik doe? Leef ik om te werken? Dit werk brengt me helemaal niks. Het is alsof ik in een werkkamp zit, in Elmshorn. De tijd gaat voorbij, week na week verdwijnt in het niets, en dat zal zo blijven doorgaan terwijl ik me hier als een slaaf loop af te beulen in de fabrieken, de machinewerkplaatsen, waar ik koperstof inadem en wegzink in een eindeloze eenzaamheid. En geen enkele Britse soldaat die me komt bevrijden…

Mijn teksten? Waarom schrijven als niemand het zal gaan lezen?

En als ik door deze gedachten word overmand, ga ik aan tafel zitten, hulpeloos, mijn armen hangen naar beneden, of ik loop door de straten. Het kan me allemaal niks schelen, niks heeft nog betekenis voor me. De mensen zijn idioot, grauw, cynisch, dof. Ik zie hoe ze zich door de straten haasten, langs me heen snellen, één enorme, blinde, modderige, menselijke rivier. Ik kijk naar hun lippen en ogen en zie de sensuele en stupide trekken. Werk. Brood. Seks. Dat is hun wereld en dat vinden ze best. Dit is hún wereld, niet de mijne. Absoluut niet! Welke prijs ben ik aan het betalen om een van hen te worden? Wat ben ik aan het verraden? Zal ik in staat zijn om me hiertegen te weren?

Maar vandaag voel ik me vredig en wil ik hier allemaal niet aan denken.

 

 

ongedateerd, 1950

In een Litouws restaurant, in Union Street, in Williamsburg.

‘Hé, hij kwam na mij en hij wordt eerder bediend…’

‘Ik vind hem aardiger.’

’Dus je vindt mij niet aardig?’

‘Zeg het maar.’

‘Kool, bieten, spaghetti. En daarna…’

‘Nee, eerst: wat voor soep?’

‘Heb ik je al gezegd.’

‘Wat bedoel je? Je hebt me niks gezegd.’

‘Koolsoep. Hé, jou moet je ook alles zeggen, en nog eens zeggen en nog eens.’

‘En daarna?’

‘Daarna? Eh… hoe heet het ook al weer…’

‘Hoe ziet het eruit?’

‘Met deeg aan de buitenkant en binnenin vlees, je weet wel…’

‘Dumplings?’

‘Misschien kan ik beter even gaan kijken. Ik ga even kijken. Ik moet zien wat het is.’

Hij loopt de keuken in. Komt terug.

‘Dumplings inderdaad. Geef me er heel veel. Ik heb een ontzettende honger. Ik heb sinds gisteren niks substantieels meer gegeten. Zie je hoeveel eer ik je kookkunsten aandoe? Het is als een communie…’

‘Ja, ja, hou nou je mond maar. Ik kom het je brengen. Ga zitten. Niet meer rondlopen nu.’

 

EEN KORT VERHAAL

Er was eens een man die steeds maar op zoek was naar een melodie die hij ooit, lang geleden, gehoord dacht te hebben.

Eindelijk – hij vond hem.

Het was maar één noot, één toon.

Eén toon, één noot die hij één keer gehoord had:

Het was zijn eigen schreeuw in een droom.

 

Beste mevrouw S.,

Het spijt me dat ik u niet eerder heb geschreven. Enige tijd geleden ontving ik uw brief, maar ik kon de tijd niet vinden om u terug te schrijven.

We zijn heel veel aan het filmen geweest. U begrijpt wat dat in ons geval betekent, ik hoef het u niet uit te leggen. In Hollywood is het veel eenvoudiger: je doet het met geld. Er zijn daar gewoon geen problemen die je niet met geld kunt oplossen. Maar wij proberen het te doen met ons laatste wisselgeld, in de paar minuutjes dat we vrij zijn. De meeste mensen hier denken dat we gek zijn. Ze zeggen dat de cinema ons gek heeft gemaakt. Maar vandaag de dag, als je jezelf niet voor geld wilt verkopen en als je werkt werkt werkt (voor geld geld geld) (niet lang geleden las ik ergens dat Hoover heeft gezegd: ‘If you want to make money you cannot make anything else.’ Gouden woorden.) – en als je er bovendien van droomt om een kunstenaar te zijn – dan kun je dat alleen maar doen door gek te worden. Er is geen andere manier. Dus het gaat heel langzaam. We hebben geprobeerd om geld te lenen van een paar rijke lokale Litouwers hier. Niks ervan. Ze kijken ons glazig aan en ze vragen: ‘Wat wil je kopen? Ik leen je het geld. Wil je een huis kopen? Een auto?’ ‘Nee,’ zeiden we, ‘geen huis, geen auto. We willen een film maken.’ ’Een film? Een film? Hollywood maakt films, daar worden ze gemaakt, niet hier, jullie zijn gek.’ Geen geld dus.

 

 

ongedateerd, 1950

Beste mevrouw S.,

Het leven gaat z’n gangetje. Niets nieuws, maar we zijn heel druk. De fabrieken, en onze filmobsessie.

We hebben ons bij een aantal experimentele filmclubs aangesloten, gewoon om uit te zoeken wat er allemaal gebeurt en om mensen te ontmoeten. We hebben zelfs wat van ons materiaal aan hen voorgedraaid. Robert Flaherty, wiens woorden veel meer voor ons betekenen dan van wie dan ook in Hollywood, heeft ons script gelezen en was er enthousiast genoeg over om ons een aardig briefje terug te schrijven. Geld kan hij ons niet geven: zelfs zijn eigen films wil niemand tegenwoordig nog steunen, zegt hij.

Tot zover de cinema. Waar we eigenlijk het meest naar hunkeren, is naar sneeuw. We beloofden u te bezoeken als het zou sneeuwen. Maar de sneeuw komt niet. We rennen iedere morgen naar het raam – maar het is regen! Smog, mist, regen – alles, behalve sneeuw. Als ik naar de New Yorkse hemel kijk, kan ik die eigenlijk nooit echt doorgronden. Hij is zo theatraal, de hemel boven New York. Soms lijkt het sneeuw-grijs, zo van ‘het komt, het komt!’ Maar nee, het zijn alleen maar de neonlichten, het zijn alleen maar mijn verwarde oogballen.

Maar ik hou van New York, van z’n hemel en z’n theatraliteit, alles past zo perfect in deze stad.

Adolfas werkt nog steeds in de beddenfabriek. Het enige verschil is dat hij nu niet meer zomaar een arbeider is: hij is gepromoveerd tot voorman van de gehele afdeling. Wat mij betreft: ik ben weer werkloos, sinds gisteren, en ik breng het grootste deel van mijn tijd door in Warren Street, waar de bemiddelingsbureaus zijn. Maar ik heb meestal wel geluk bij het zoeken naar werk, omdat het me niet kan schelen wat ze me aanbieden. Ik neem alles aan. Ik weet bijna zeker dat ik morgen wel weer een ander – meestal zeer eigenaardig – baantje heb. Ziet u, dat zijn de privileges als je geen beroep hebt…

Ik moet lachen als ik aan de opmerking denk die B. laatst maakte, dat sommige van ons ‘kunstenaars gedwongen zijn een ander beroep te kiezen’.  Waar heeft hij het over? Hoe zou een kunstenaar ooit een ‘ander beroep’ kunnen kiezen als hij er om te beginnen helemaal geen heeft? Dichter zijn is geen beroep: het is idiotie. Charlatans, die kunnen een ander beroep kiezen.

Hoe dan ook – mijn strategie hier is om ‘aan de gang’ te blijven, van de ene plek naar de andere, van het ene baantje in het andere, en ondertussen het leven en de mensen bestuderen. Blijven kijken, blijven ervaren. Zonder vooropgesteld plan loop ik door de straten van New York, tussen de auto’s en de lichten en de mensenmassa’s en de herrie. Het is zeker waar dat dit gedoe van het zoeken naar een baantje zeer deprimerend kan zijn. Maar ik ervaar nog steeds zo’n enorm gevoel van vrijheid. Ik kan weggaan wanneer ik wil, of ervoor zorgen dat ze me ontslaan – ik ben niet bang dat ik geen ander baantje kan vinden. Ik ben een zeer bedreven baantjeszoeker geworden. Ga en zie de wereld, zei mijn oom. En dat is precies wat ik aan het doen ben.

 

 

20 april, 1950

Ik maak een lange avondwandeling, om de fabrieksdag van me af te schudden.

Ik loop en dool door het netwerk van straten, neonlichten en het nachtelijke uitgaanspubliek.

Die vrouw op de hoek, ze schreeuwde naar me: ‘Hé, jij daar, waarom ben je zo triest?’

O, nachtvlinder, je hebt me nooit echt triest gezien. Ik ben op dit moment in een opperbeste stemming.

Ik loop door. Hoe zou ze de werkelijke dieptes van mijn droefenis gewaar kunnen worden?

 

 

1 mei, 1950

We zijn naar het Metropolitan Museum geweest, met Algis. We hebben door de zalen gelopen alsof het een warenhuis was. Verbaasd dat we zo weinig zagen wat we nodig hadden. Het is gewoon een Macy’s. Wel even blijven plakken bij Velázquez en Cézanne.

Het regent. We hebben door het lege park gelopen, uithalend naar eekhoorns.

We namen de dubbeldekker over Fifth Avenue naar 42nd Street, keken wat er in de bioscopen draaide, niks van onze gading gevonden, naar huis gegaan.

In de fabriek vandaag komt de Fransman op me af en zegt:

‘Hoe komt het toch dat jij er altijd zo ontevreden over alles uitziet?’

‘Tja, waarom niet?’ zei ik. De waarheid is dat ik verbaasd was over zijn vraag. Ik dacht dat ik mijn ware gevoelens heel goed verborgen hield. ‘Ik ben inderdaad ontevreden over alles,’ zei ik. ‘Over de fabriek, over hoe het met de wereld gaat, en over hoe het op dit moment met mijn leven gaat.’

Zegt hij:

‘Ach, je weet niet hoe echte ontevredenheid voelt – de ontevredenheid over je eigen vrouw. Dat is pas echt erg. Maar nu gaan we uit elkaar. Ik zal haar 2500 dollar moeten betalen.’

Eindelijk, zaterdag hebben we onze echte Bolex 16 gekregen. Klybas heeft ons tweehonderd dollar geleend. Kavolis twintig dollar. Tot nog toe gebruikten we een gehuurde camera.

Drie uur lang hebben we naar de Loyalty Parade staan kijken…

 

Op de lagere school werd ik altijd geplaagd, ik werd ‘het meisje’ genoemd, omdat ik toen zo’n tenger lichaam had. Als meisjes hulp nodig hadden, kwamen ze ook altijd naar mij, ze identificeerden zich met mij. Ik dacht altijd dat ik met de jaren wel ‘mannelijker’ zou worden. Maar nu zie ik dat die ‘kinderlijke’, die ‘meisjesachtige’ trekken karakteristiek voor mij zijn… Het is een vorm van sensibiliteit, van gevoel. Heeft niks te maken met mannelijkheid.

 

 

4 juni, 1950

De depressie van deze week gaat gewoon door.

Ik heb geprobeerd Poedovkin te lezen, maar ik moet hem na dertig pagina’s alleen laten. Ik kan me niet concentreren. Geprobeerd Mistral te lezen. Daarna aan Lost Lost Lost gewerkt, maar alles gelaten voor wat het was.

Waartoe, waartoe? vraag ik me steeds af.

Ik heb de radio aangezet – de muziek is pijnlijk. Ik heb muziek altijd pijnlijk gevonden, ze breekt altijd mijn hart.

Naar een restaurant gegaan, maar ik heb mijn bord niet aangeraakt, geen eetlust. Ik heb geen idee wat er met me aan de hand is. Ik heb al twee dagen niets gegeten. Er zit iets dwars, onder mijn borstkas, waardoor ik niet kan slikken. Afgelopen maand ben ik meer dan twee kilo afgevallen. Dat is heel ongebruikelijk voor mij. Normaal gesproken weeg ik altijd hetzelfde, 68 kilo, hoe veel of hoe weinig ik ook eet.

Ik verliet het restaurant. Misschien kon ik wel een uurtje bij Algis stukslaan. Dus ik daar naartoe. Kom ik er Adolfas tegen. Maar Algis was naar Manhattan, en Gisela, zijn zus, was druk bezig met haar vriendje. Dus gingen we met z’n tweeën weer naar buiten en hulpeloos stonden we midden op straat, midden in Brooklyn, niet wetend wat nu te doen. Hé, misschien splijt de aarde wel open en slokt ze ons op. Waarom, waarom zijn we niet net als alle andere immigranten, waarom zijn we niet tevreden met hun pleziertjes en vreugdes?  Hier staan we dan, midden in Brooklyn, twee verloren zielen.

We namen een metro naar Manhattan. Keken rond op Fifth Avenue, als een kip naar het onweer. Liepen naar Central Park. Heet. Mensenmassa’s die door de stinkende vogelkooien lopen, starend naar beesten. Al die bankjes bezet met oude mannen en vrouwen met kranten en boeken op hun schoot. Met dode ogen kijken ze naar de voorbijgangers.

Ik keek naar die mensen en ik voelde me verschrikkelijk. Ik vroeg me af: wil ik echt zo zijn als alle andere mensen? Wil ik echt tot zo’n soort wereld behoren? Dit zijn de allemannen.

Ik kan me goed voorstellen dat dit niet hun eerste weekend op deze bankjes is. Zo zitten ze elke zondag, met dezelfde verveling, dezelfde kranten, dezelfde koetjes en kalfjes.

 

Tegen vijf uur keerden we huiswaarts. We gingen nog even bij Algis langs, waar we onze regenjassen hadden laten liggen. Algis’ moeder zei:

‘Gaan jullie nog ergens naartoe? De natuur in?’

We gingen naar huis. Ik werkte aan Lost Lost Lost. Ik heb gelezen. Ik heb in een paar manuscripten wat overgetypt. Om de dag te doden, wachtend tot hij voorbij was.

 

 

HERINNERING

Ah, die lentedagen, als de lucht begint te zinderen en het hout dat tegen de wand van de schuur is opgestapeld door de hitte begint te kraken. Wit, het is zo wit als ik er naar zit te staren, zo wit.

Ik ben een klein kind, en ik zit in de opdrogende lentetuin, en ik kijk naar de witte stapels hout.

 

 

7 juni, 1950

Aan de machine, in de fabriek, heb ik heel veel tijd om na te denken. Of liever, om te broeden. Er zijn dagen dat het werk zwaar is, en dat er heel veel van is; wanneer je absoluut niet kunt denken, wanneer je je moet concentreren op wat je aan het doen bent. Maar meestal zetten ze me aan de boutenmachine, dat werk is licht, voor de eenvoudigen van geest, de handen werken vanzelf, automatisch, en het hoofd heeft niets te doen. Dus denk je aan alles, aan elk klein detail, je neemt de hele dag door, dan ga je nog verder, je gaat helemaal op in dromen, in plannen.

Vandaag denk ik aan mijn eigen onevenwichtigheid. Mijn ups en downs. Al zo ver als ik me kan herinneren. Ik blijf maar terugvallen in deze periodes van depressie, ik loop rond in m’n eentje, ik ontwijk vrienden. Of als ik toevallig wel tussen vrienden zit, dan zit ik in een hoekje, te zwijgen.

 

Mijn vriend S. schrijft me een brief, vanuit Frankrijk. ‘Waarom zit je in hemelsnaam in Amerika, in dat land van staal, fabrieken, zakendoen, gangsters?’ Hij, wiens familie en vrienden vermoord of uit elkaar gedreven zijn naar alle vier de windstreken van Europa. Stalin is Europa. Hitler is Europa. 

Hoe kan ik al die keren vergeten dat we als verloren zielen ronddoolden tussen de monumenten van Europa. We hadden de cultuur, de musea, de bibliotheken en eindeloos veel dichtbundels, maar we voelden ons volledig verloren als we in de geweerlopen van de stalinisten en de nazi’s keken. Ik herinner me de nacht, net voordat ik Vilnius verliet, toen ik voor het raam stond, met Leonardas, en we luisterden naar de voetstappen van honderden Joden die in de vroege ochtend door de lege straten werden geleid. Die naar hun graf werden geleid. Ze zongen, terwijl ze liepen.

Of die keer toen ik, in de verte, naar een lange lange trein keek – ramen en deuren dichtgetimmerd – die door het landschap trok, naar de verre uithoeken van Rusland. Tien wagonladingen vol met onze buren, ook boeren, mijn klasgenoten, en anderen die ik nooit leerde kennen. Mijn leslokaal was die ochtend half leeg. Ja, zij zaten in die trein. De politieke instructrice nam me terzijde en smeekte me ‘niet te hard te praten’, maar dat hoefde ze ons niet te vertellen…

Een kleine groepje van ons, leerlingen, zat die avond bij elkaar, en we spraken over de kunst van Europa, over zijn musea en zijn muziek, en over dat er maar één ding was wat we wilden: een meer menselijke mens. Die wagonladingen vol boeren, en onze klasgenoten en kinderen, stoppen. Die honderden mensen bevrijden. Die voetstappen in de vroege ochtend tegenhouden.

Dat herinner ik me ook nu allemaal weer, als ik naar mijn vrienden luister die Amerika bekritiseren. ‘Oh, Amerika is verschrikkelijk. Wij, Europeanen, wij zijn humaan, wij zijn groots. Amerika is alleen maar staal en ijzer en glas. En geld misschien.’

Natuurlijk, er is de muziek en er zijn de dichtbundels. En de dichters hebben altijd gelijk. Zij blijven ons herinneren aan het beste in ons. Maar de boeken, de cultuur, de muziek – dat is één ding. En jullie, mijn beste vrienden, jullie zijn een ander ding… Jullie luisteren niet naar wat de boeken & muziek & kunst jullie vertellen… Jullie gaan gewoon je gang en verzieken de wereld. Ja, ja, dat is wat jullie doen. Jullie doen je eigen ding.

Hitler en Beethoven. Hitler hield van Beethoven…

Misschien deed hij dat echt. Maar stel je eens voor hoeveel slechter hij was geweest als hij niet van Beethoven had gehouden!

Beste vrienden: hebben we niets geleerd? Ik wil echt niet zeggen dat Amerika zo humaan is. Ik heb niet genoeg van Amerika gezien om daar iets over te kunnen zeggen. Het enige wat ik wil zeggen is dit: ik geef de voorkeur aan een mens die verliefd is op staal, boven een nazi met een bloem in zijn revers. Of boven Stalin, ronddrentelend in een bloementuin, zoals ik hem in een recente Sovjetfilm zag.

 

De mens heeft zich niet van God afgekeerd, de mens heeft zich van de mens afgekeerd, hij keert zich af van de mens.

 

Men zegt dat er geen nachten zijn in New York, dat het alleen maar verlichting is,  neonlichten… Maar oh! ik heb hier zulke mooie nachten gezien…

 

De mensheid heeft perioden gekend van nomaden en van vestigers. Die kenmerken heeft de mens tot op de dag van vandaag behouden. Ikzelf bijvoorbeeld, ik ben op vele gebieden, zoals religie, ideeën en levensstijl, een nomade. Terwijl de meeste mensen om mij heen vestigers zijn, op alle drie deze gebieden.

 

De geur van nat mos… Spreek het uit, breek het op in ruimtelijke eenheden. ‘Bloemen ruiken in Alley Park.’ Hun geur vervloog, verspreidde zich in onzichtbare ruimtes, verdween met al hun kleine satellieten in de binnenste banen.

Soms raak je bij toeval een steen, een toon – en alles weerklinkt met ongelooflijke nuances door alle ruimten heen.

Zoals Dostojevski zei, komen wij tot leven in de glimpen, de korte ogenblikken, dat de zielen werkelijk spreken, elkaar werkelijk ontmoeten, werkelijk zien.

 

 

18 juli 1950

Vandaag liep ik te wandelen en ik dacht: hoe ben ik zo geworden? Waarom moet ik voelen dat ik niemand van deze mensen nodig heb? Ik kan zonder hen leven. Ik hou niet van ze, noch van hun levens. Ik kijk veel liever naar de schilderijen van Van Gogh…

Tegelijk doet het ook pijn dat er hier niemand is met wie ik werkelijk kan praten, buiten twee of drie oude vrienden. Leo, Algis, Adolfas – we hebben elkaar niets meer te zeggen, we zitten zwijgend bij elkaar, als drie steile bergen, we hebben elkaar alles al gezegd.

Dus ga ik de straat op, hopend op genade.

Het is moeilijk. Het doet pijn om alleen te wandelen.

Gisteren heb ik de hele avond op de stenen trap voor het huis gezeten, naar de straat gekeken, naar de verre lichten in de haven, de roze avondwolken, de smerige voortuin. Ik nam de avond in me op, in een poging de wurgende pijn te stillen. Ik wist wel dat dit een gemiddelde, smerige buurt was. Dat die niets te maken had met wat het leven echt is. Maar ik hunkerde echt naar een vorm van leven. Zoals een gore kop koffie drinken in een groezelige lunchroom.

Het leek alsof mijn eenzaamheid opsteeg uit elk object, uit de vieze zwarte daken, de lucht, de snippers papier op straat.

Ik kon door deze straten blijven lopen, langs de rivierkade, doelloos en gevoelloos – zoals ik zovele avonden hier had gedaan – gewoon ik en de stad. Geen geleste dorst, een en dezelfde eenzaamheid.

Maar vanavond, deze avond, wilde ik dat niet weer gaan doen. Ik zat hier gewoon en ik staarde, zonder werkelijk iets te willen zien. Staren – dat is oké. Een bevroren pijn. Ik wilde geen gedachten denken.

 

 

Noten van de vertaler

1 Mekas werd in juli 1944 tewerkgesteld in een Duits werkkamp in Elmshorn, een voorstad van Hamburg.

2 Jean Cocteau, Le sang d’un poète, 1930.

3 ‘Wat wij illusies noemen, is voor de ziel misschien wel een feitelijkheid van het allergrootste belang. De ziel bekommert zich niet om onze werkelijkheidscategorieën. Voor de ziel is gewoon datgene werkelijk, wat werkt.’

 

Vertaling uit het Engels: Céline Linssen.

 

Afbeeldingen: Jonas Mekas, Lost Lost Lost, 1976.

 

Oorspronkelijk verschenen als het hoofdstuk ‘New York’ in: Jonas Mekas, I Had Nowhere to Go, New York, Black Thistle Press, 1991, pp. 293-321.