Jorinde Seijdel

DE WITTE RAAF

Editie 46 november-december 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Fatale paradoxen

Over "Restauraties. Vormen van Herstel"

Als nooit tevoren staat de cultuur in het teken van koortsachtige restauratie, conservering en opslag. Er wordt alles aan gedaan om niets verloren te laten gaan, om een zo gaaf en compleet mogelijk modelerfgoed te kweken - ook het heden wordt daarin “alvast” betrokken. Zorg, redding en bescherming: dingen worden monumenten, natuur wordt reservaat, informatie wordt data, mensen en levensvormen worden prototypen, modellen of toonbeelden. De zaken stapelen zich op, de archieven puilen uit, de databanken vermenigvuldigen zich. Wat moet er veiliggesteld worden? Terwille waarvan en voor wie deze bewaar- en beschermingsmanie?

Als ik iets moest schrijven onder de titel “Restauraties. Vormen van Herstel” zou dit de synopsis van mijn bijdrage zijn. Vanuit een onverholen interesse voor het ontstaan van museale vormen, dit wil zeggen voor zowel processen van verval als voor de strategieën die proberen dat te keren of te ontkennen. En dat restauratie over verval en verlies, of over beschadiging en vernietiging gaat, staat tenminste vast. Evenals dat restauratie of herstel een poging is om iets terug te winnen. Of dat mogelijk is, is minder zeker. Al was het maar omdat de restauratie, noodzakelijkerwijs, eerder gestuurd wordt door het beschadigde dan door het ideaalmodel, dat immers niet meer in oorspronkelijke toestand bestaat. Restauratie kan daarom bijna niet anders dan paradoxaal van aard zijn: het gerestaureerde bezegelt de definitieve verdwijning van dat wat het wil herstellen. Of een restauratie dan conservatief en regressief is, of juist constructief en creatief, ligt aan wat er, waarom, door wie en voor wie wordt gerestaureerd.

In “Restauraties. Vormen van Herstel”, het zesde cahier van het programma “Vertoog en literatuur” van Antwerpen 93, wordt het thema in verschillende tekstgenres en vanuit diverse invalshoeken en vakgebieden benaderd, met erg uiteenlopende interpretaties, opvattingen en betekenissen van de notie restauratie of herstel als gevolg. We lezen cultuursociologische, literaire, semiotische, historische, kunsthistorische, politiek-economische en psychoanalytische beschouwingen over lichaamscultuur, de politieke actualiteit, een Frans meesterkok, het opkomende burgerdom in de 19de eeuw, ervaringsarmoede en passies voor het risico, het eerste schoolboek, depersonalisatie, onderdanigheid,… We lezen “De Peerdepaternoster” van de Vlaamse auteur Ernest Claes (1885-1968), en het “verslag van een reparatie” van theaterregisseur Jan Ritsema. We zien “Pourtraicture” van Nadine Tasseel. Restauratie of herstel duikt op in de context van kunst en objecten, van cultuurpolitiek, van fysieke en mentale gezondheid en verzorging. Als regressie, als progressie, als paradox, als bezwering, als katharsis, als sisyfusarbeid,… Alle bijdragen “raken” het onderwerp, maar samen lenen ze zich moeilijk voor een bespreking, daarvoor liggen de obsessies en fantasma’s van de schrijvers te ver uit elkaar, en worden ze geschraagd door te verschillende contexten en disciplines. De bespreker rest niets anders dan dat wat van belang is voor zijn eigen specifieke fascinaties eruit te lichten. Ik zocht en vond in “Het bewaren der dingen en de verkunstmatiging van het leven” van Marc Guillaume, in “Kronos en de Belvédère torso” van Lode De Clercq & Lieven De Cauter en in “De tempel van het lichaam” van Rudi Laermans & Carine Meulders.

 

Restauratie als politieke strategie

De Franse econoom en publicist Marc Guillaume, directeur van het IRIS te Parijs, doet een meer dan geslaagde poging om de essenties van het verlangen naar een patrimonium te onthullen. Hij beschouwt de passie voor het conserveren als een moderne uitvinding en als een politieke strategie waarin het bewaren voorgesteld wordt als een transhistorische evidentie. De hartstocht voor het verleden is in werkelijkheid de pijnlijke echo van de onderwerping aan de economische imperatief van de vernietiging: kapitalistische maatschappijen zijn gedoemd tot vernietiging van wat ze voortbrengen (daar vernieuwing de voorwaarde tot de vraag is), tot de versnelde economische veroudering, tot consumptie van het voorbijgaande. Bij het opbouwen van een reserve worden dingen uit het heden, de bewaarde voorwerpen van de toekomst, als voorwerpen uit het verleden behandeld. Werd voorheen het verleden vooral symbolisch bewaard, in de moderne tijd manifesteert zich een heterologische vorm van conservering, waarin de symbolische, onzichtbare aanwezigheid van het verleden in het heden verworpen wordt, ten gunste van de accumulatie van materiële overblijfselen. Door het zichtbaar maken mondt deze vorm van conserveren juist uit in het uitsluiten van het verleden. Aldus wordt het verleden het op een afstand geplaatste “andere”. Precies daaraan ontleent het patrimonium zijn eenheidsprincipe. “Alle resten, alle sporen die bedolven waren in het grootste geheim en die, in dat opzicht, deel uitmaakten van ons symbolisch kapitaal zullen opgegraven worden, zullen verrijzen, zij zullen niet aan ons doorzicht ontsnappen; van iets wat bedolven en levend is zullen wij iets zichtbaars en doods maken, van het symbolische kapitaal zullen wij een museaal en folkloristisch kapitaal maken,” aldus Jean Baudrillard, aldus Guillaume. Het patrimonium als een ideologisch apparaat van het geheugen: pedagogisch, toeristisch, een voorwendsel voor economische rentabiliteit en voor het experimenteren met spitstechnologieën. Maar bewaren is volgens Guillaume niet per se een politiek: het patrimonium zou ook een herinnerings- en rouwdimensie kunnen hebben (zoals in de symbolische samenleving) in dienst van het collectieve geheugen. Echter, in het moderne patrimonium functioneren die dimensies slechts schijnbaar. Door de moderne weigering om te vernietigen, om de vernietiging zijn natuurlijk beloop te laten gaan, werd vernietigen een kunstmatige aangelegenheid waaraan de kunstmatige bewaring door musea beantwoordt. Vernietiging en bewaring zijn gedelegeerd, aan de handelseconomie en aan overheidsapparaten. Tenslotte gaat Guillaume ook in op genetische manipulatie en biotechnologie als ontwikkelingen die het levende willen bewaren en beheersen, en die de toenemende verkunstmatiging van het natuurlijke illustreren. Het “bewaren van mensen”, terwille van een artificiële onsterfelijkheid, zou ook vanuit een heterologische stellingname gebeuren. Als het leven herleid wordt tot (het bewaren, herstellen,… van) het lichaam - de implicatie van die stellingname - staat de mens op het punt zich te laten beroven van zijn ziel. Een ijzingwekkende gedachte.

 

Zichtbare restauratie

Guillaume heeft het over conserveren, een notie die niet altijd gelijk maar wel volledig verstrengeld is met die van restaureren. Bovendien bekijkt hij de kwestie vanuit een meta-standpunt. Lode De Clercq, als kunsthistoricus gespecialiseerd in monumentenzorg en restauratie van monumentale kunstwerken, en Lieven De Cauter, filosoof en kunsthistoricus, blijven in hun gesprek over de paradoxen van het herstel iets dichter bij de kunsthistorische connotaties van de term. Zij onderscheiden een aantal vormen van restauratie. Allereerst is, of was er de mythische restauratie, waarin her-stellen het ritueel herhalen van de oorsprong betekent, en restaureren instaureren veronderstelt. Anders van aard en intentie is de restauratie als herschepping, die een veronderstelde discontinuïteit in de geschiedenis poogt te dichten. Deze vorm van restaureren manifesteert zich ten volle in de 19de eeuw, en in nauwe samenhang met de ontwikkeling van het verzamelen, bij de proliferatie van de burgerlijke maatschappij die zich een verleden moest aanmeten. In die tijd ontwikkelen zich vervolgens twee opvallende ideeën over restauratie: enerzijds het idealiserende restaureren, dat uitmondde in corrigeren en zelfs in vervalsen, en anderzijds een romantische opvatting, die de esthetiek van de ruïne en de natuurlijkheid van het verval verdedigde. Een statisch model van restauratie dat de ideaaltoestand van het monument wil herstellen, tegenover een dynamisch model dat uitgaat van de lotgevallen van het werk en dat de sporen van de tijd juist zichtbaar wil laten. In een toonaangevende contemporaine visie bestaat het origineel als statisch ideaaltype evenmin: er is alleen een drager met een eindeloze reeks van (betekenis) lagen, waar de restaurateur voorzichtig een laag, waarvan de eigentijdsheid niet verhuld hoeft te worden, aan toevoegt. Deze contextuele benadering opteert voor zichtbare restauraties en voor reversibiliteit… Maar uiteindelijk blijft restauratie, ook voor De Clercq en De Cauter, een paradoxale activiteit: de geschiedenis die in haar werveling de objecten vernietigt en de restauratie die, tegen beter weten in, herstelt en fixeert. Restauratie als sisyfusarbeid. De ideale, en onmogelijke “restauratie zou een cesuur zijn in de prosodie van de geschiedenis; een korte nauwelijks merkbare stilte, die toch de ordening van het geheel handhaaft”.

In tegenstelling met Guillaume plaatsen De Clercq en De Cauter het restaureren niet in het licht van een dubbelzinnige, overkoepelende, politieke strategie. Ze maken het restaureren niet verdacht. Maar aan het einde van het gesprek lanceert De Cauter, die meer de neiging heeft om op de loop te gaan met het onderwerp dan de man van de praktijk De Clercq, het beeld van monumentenzorg als cargo cult of cargo care: door, en voor het universele toerisme verliezen de monumenten hun oorspronkelijke boodschap en context, worden ze bewaard en begaapt als fetisjen. Als dit effect niet beantwoordt aan de intenties van de restaurateur, moet er dus ook nog een andere kracht werkzaam zijn. En zo zou je toch weer bij Guillaume terechtkomen…

 

De omslag

Het idee van herstel als nutteloze en hopeloze sisyfusarbeid ligt ten grondslag aan “De tempel van het lichaam” van de cultuursociologen Rudi Laermans en Carine Meulders. Zij hebben het over de strijd om het eigen lichaam proper, gezond en jong te houden. De strijd voor het zuivere lichaam zou een strijd zijn tegen het natuurlijke lichaam, het biologische organisme. Hun overigens prikkelend verhaal riep bij mij de vraag op of er geen fase is, waarin lichaamsonderhoud geen herstel of restauratie betekent, maar juist in dienst staat van de natuurlijke groei en van het leven. Misschien geldt dit ook voor objecten: een gebouw in gebruik wordt waarschijnlijk op een totaal andere manier onderhouden dan 100 jaar later, als het een beschermd monument is geworden. Mogelijk is er een moment van omslag, waarop natuurlijk onderhoud ontaardt in kunstmatige restauratie, in een cultus van het lichaam, of in bredere zin, in een herstelcultuur.

Restauratie: een politieke strategie, een mythische activiteit, cargo care, utopisch streven of sisyfusarbeid? Zoveel motieven om de materie te onttrekken aan de tijd. Nu is het wachten op beschouwingen over digitale en genetische restauratie en opslag. Door de nieuwste (bio)technische ontwikkelingen wordt het kunstmatige geheugen immers oneindig uitgebreid,… Zou het delirerende voor- en achteruit lopen op de zaken en de tijd ooit stranden in een fatale paradox?

 

“Restauraties. Vormen van Herstel” bevat bijdragen van David le Breton, Lieven De Cauter & Lode De Clercq, Ernest Claes, Jean-Marie Floch, Marc Guillaume, Anne-Marie Houdebine-Gravaud, Assen Ignatov, Rudi Laermans & Carine Meulders, Chaké Mattosian, Paul Moyaert, Philippe Perrot, Jan Ritsema, Eduardo Subirats, Nadine Tasseel, Dubravka Ugresic. Het boek telt 221 pagina’s. De reeks van zes cahiers verschijnt onder redactie van Bart Verschaffel & Mark Verminck, Kritak/Meulenhoff 1993. “Vertoog en literatuur” is een initiatief van Antwerpen 93, Grote Markt 29, 2000 Antwerpen (03/234.11.88).