Etienne Wynants

DE WITTE RAAF

Editie 47 januari-februari 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Third Text

Van het in België relatief onbekende, driemaandelijkse tijdschrift “Third Text” zijn sinds 1987 24 nummers verschenen. Het wordt uitgegeven door het Londense Kala Press, dat ook boeken uitbracht met sprekende titels als “A certain Lack of Coherence” van Jimmie Durham en “Making Myself Visible” van Rasheed Araeen.

Vanuit de vaststelling dat de westerse hedendaagse kunst, cultuur en haar kritisch apparaat weinig aandacht schonk aan de activiteiten van kunstenaars in of afkomstig uit Zuid-Amerika, Afrika en Azië, richtte Rasheed Araeen deze uitgeverij op om een forum te verlenen aan geestesgenoten die de theoretische en historische legitimiteit van deze stand van zaken in vraag stellen. Hiernaar verwijst de ondertitel van het tijdschrift:”Third World Perspectives on Contemporary Art and Culture”. Het doorlichten van culturele discussies, kunstkritiek en kunstgeschiedenis in een postkoloniaal tijdperk is de ambitie. Artikels en interviews worden gewijd aan kunstenaars (Lygia Clark, Eugenio Dittborn, Jimmie Durham, David Medalla, enzovoort), culturele contexten komen uitgebreid aan bod, en tenslotte worden sommige nummers integraal gewijd aan een centraal thema, zoals de tentoonstellingen “Magiciens de la Terre” en “The Other Story: AfroAsian Artists in Britain” en onderwerpen als de Rushdie-affaire, culturele identiteit, kunst en immigratie. Opvallend in de colofon is de mededeling dat standpunten van medewerkers niet noodzakelijkerwijze deze van de redactie zijn.

Het ons toegestuurde zomernummer, samengesteld door Olu Oguibe en vast redacteur Jean Fisher, bundelt een tiental artikels over de dubbelzinnige omgang met de Afrikaanse culturele erfenis en hedendaagse cultuur. Oguibe somt een aantal ongerijmdheden op. Zo stelt hij het bestaan van een Afrikaanse identiteit in vraag; dit veronderstelt immers een onmogelijke geografische afbakening - net onder de Sahara - , een ontkenning van Arabische en Negro-interacties, de uitsluiting van de blanke en Aziatische aanwezigheid, enzovoort. Als “ontdekking” wordt Afrika op een andere manier ingevuld dan als constructie; het “ontdekte” Afrika staat borg voor een massa mythes, die de culturele verscheidenheid verhullen, terwijl Afrika als “constructie” deze verscheidenheid moet erkennen om een gemeenschappelijk standpunt te kunnen formuleren. Om bijvoorbeeld de intrede van het moderne in de Afrikaanse cultuur te omschrijven, moet men eerst deze cultuur en haar verscheidenheid definiëren.

De vraag naar een omschrijving of herdefiniëring van begrippen en van herinterpretatie, los van een Europees en koloniaal perspectief - een tautologie - is een steeds weerkerende eis, die onder andere Rhoda Rosen herhaalt in verband met kunsthistorische interpretaties. Zij analyseert de kunstkritische receptie van Azaria Mbatha, een Zulu die rond 1960 in een rurale Lutheraanse missie terechtkwam. Hij leerde er lino’s snijden, vervolmaakte zich in Zweden dankzij een studiebeurs en keerde terug. Mbatha’s christelijke taferelen oogstten veel succes en worden in kunsthistorische en kunstkritische teksten beschouwd als authentieke etnische Zulu-kunst.

Deze vorm van geschiedschrijving en -interpretatie en een gekleurd gebruik van termen als etnisch, ruraal, authentiek, tribaal wordt ook door David Koloane becommentarieerd in “The Identity Question”. In de Zuidafrikaanse townships  werd de beoefening van etnische muziek, dans en plastische expressie in groepsverband, van overheidswege sterk aangemoedigd. Hierbij werd steeds gewezen op het behoud van de inheemse cultuur en op het gevaar van verbastering. De assimilatie en vernieuwing binnen de blanke cultuurbeoefening daarentegen was geen uiting van verbastering, wel een bewijs voor creatieve verscheidenheid.

De ambiguïteit van de westerse blik blijkt ook uit de bestudering en de conservatie van het cultureel erfgoed. Terwijl het westers cultureel erfgoed in musea van schone kunsten door kunsthistorici bestudeerd wordt, treft men het Afrikaans patrimonium in musea van etnologie. De in Antwerpen wonende Everlyn Nicodemus bespreekt “Negerplastik”, Carl Einsteins boek uit 1915. In dit boek benadert Einstein de Afrikaanse sculptuur als een esthetisch object - kunst - en formuleert hij hoe hij tot deze definitie komt. Einstein was zich bewust dat hij andermans cultuur penetreerde. Het ontlenen van formele elementen door toenmalige kunstenaars gebeurde volgens hem minder bedachtzaam. De lezing van dit boek bracht Nicodemus tot het inzicht van de ambivalentie in de westerse blik, haar gebrek aan kennis van haar eigen geschiedenis en de moeilijkheden om deze te achterhalen. Paradoxaal genoeg kwam Everlyn Nicodemus uitgerekend tijdens haar verblijf in Europa tot deze inzichten.

De overige medewerkers aan dit nummer behandelen de ontvoogdingsstrijd vanuit hun verschillende ervaringen. Invloeden van het commerciële kunstcircuit en van verzamelaars en moedwillige interpretatieverwarring van artistieke en culturele concepten blijken schering en inslag. Uitschieters vormen John Pictons relaas over zijn ervaringen als curator van het Lagos Museum, en het artikel “Masking Magic” van Abdul Simone en David Hecht over onder meer het SAPE-fenomeen (Société des Ambianceurs et des Personnes Elégantes) in Zaïre.

Het administratieve adres van Third Text: PO Box 3509, Londen NW6 3PQ (071/372.08.26)