Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 36 maart-april 1992

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hemel en aarde, werelden van verbeelding

Bespreking van de essaybundel

Van 24 november 1991 tot en met 23 februari 1992 toonde het Maastrichtse Bonnefantenmuseum een grote expositie: “Hemel & Aarde, Werelden van verbeelding”. De tentoonstelling was een proeve van samenwerking van een museum met twaalf semiotici. Hen werd gevraagd om een invalshoek te kiezen die interessant is voor nadere beschouwing van het thema “Hemel en Aarde”, als onderwerp voor een afdeling van de tentoonstelling en als thema voor een essay. In het hiernavolgend artikel komt Dirk Lauwaert tot enkele kritische conclusies.

 

“Hemel en Aarde” is een tentoonstelling en een boek. Naar de tentoonstelling zal slechts terloops verwezen worden, want in het boek wil men iets beargumenteren. Een tentoonstelling kan beelden (gelukkig!) niet herleiden tot voorbeelden, tot een stap in een argument; ze behouden hun eigenzinnige autonomie.

“Hemel en Aarde” verbindt een thema met een methode (de semiotiek), zoals de recente fotografietentoonstelling “De Vierde Wand” een thema (het theatrale) verbond met een these (de fotografie ‘is’ theatraal). Het verschil in intellectueel gehalte tussen beide is opvallend: argumenten en eruditie in de eerste, slogans en gebrek aan argumenten in de tweede. Maar anderzijds: je wist waar “De Vierde Wand” naartoe wilde, eigenlijk kom je dat niet te weten in “Hemel en Aarde”. Er is geen these, noch een welomschreven domein dat men wil onderzoeken: het boek als geheel “zweeft”. Het heeft daardoor de charme van de vrijblijvende oefening, de geamuseerde meditatie, een ‘capriccio’ voor semiotici. Prachtige vondsten en verbindingen komen te voorschijn, het intellectuele genoegen is tonifiërend. En toch, deze lezer mist na het terzijde leggen van de essaybundel precies die kwaliteiten die zijn belangstelling voor semiotiek blijvend maken, namelijk een denkdiscipline en een stuurse, methodische nukkigheid.

Maar er blijkt meer aan de hand. Het betreft minder de afzonderlijke bijdragen, dan het hele concept. Ik zie twee problemen en grondige bezwaren in verband met deze “Hemel en Aarde”, twee punten waarop ik de tentoonstelling die semiotici aan het woord en het werk wil laten, de mist zie ingaan. Het eerste bezwaar heeft te maken met het realisme dat met name Dubois in verband met fotografie aanhangt. Het tweede bezwaar geldt de nadrukkelijke aandacht voor de ‘inhoud’ die aan “Hemel” en “Aarde” gegeven wordt in de mythische constructies ervan.

Voor alle duidelijkheid: ik protesteer niet tegen de kwaliteit van de bijdragen (die vaak erg boeiend zijn), maar stel vragen bij het geafficheerd semiotisch karakter ervan. Verre van mij te pleiten om deze onderzoekers uitsluitend aan semiotiek te willen zien doen, maar je moet, als je het niet doet, ook niet vertellen of laten vertellen dat je dat wel doet. Neem de tekst van Dubois, zelf zou ik vele van zijn argumenten durven gebruiken en lijken me zijn beschrijvingen van luchtfotografie en hemelopnames overdenkenswaard, maar het is geen semiotiek!

In de opbouw van de essaybundel en tentoonstelling neemt het onderdeel van Dubois een strategische plaats in. De auteur zet met zijn tekst het hele project eigenlijk buiten haar eigen semiotische ambities. Waar gaat het over? Dubois conceptualiseert het probleem van “Hemel” en “Aarde” meteen vanuit het perspectief, dus vanuit een plaats in de ruimte (buiten het beeld) waar fotograaf en camera hebben gestaan. Het gezond verstand doet ons dat spontaan zeggen en denken. Maar juist tegen dat gezond verstand ageert de semiotiek. Voor Dubois is een foto door iemand gemaakt (de fotograaf), vanuit een bepaalde plaats (zijn standpunt in de ruimte), van een object (wat zich voor de camera bevindt). Iedereen weet dat het zo is, maar, zegt de semiotiek, dat zien we nu net nooit! We zien alleen een rechthoekig oppervlak met grijsgradaties. Als we daar een fotograaf, een plaats en een motief aan verbinden, dan alleen omdat we die in het beeld vinden! Voor Dubois refereert de fotografie naar werkelijkheid (van het motief, van de fotografische handeling); deze evidentie is nu juist radicaal anti-semiotisch. De foto zo herhaalt Floch steeds fanatiek, refereert niet, maar betekent. De foto leiden we niet af uit haar ontstaangeschiedenis (waar we geen weet van hebben), maar omgekeerd, het is uit de foto dat we een ontstaangeschiedenis kunnen reconstrueren als onderdeel van haar zinsconstructie. Radicaal: voor Dubois bestaat de fotograaf los van het beeld, voor de semiotiek is de fotograaf de resultante van het beeld. Het perspectief is dus in de semiotiek niet funderend, maar een pure constructie, door en in termen van het beeld.

Het tweede bezwaar nu: “Hemel” en “Aarde” zijn mythisch sterk geladen begrippen - uiteraard, maar daar heb je geen semiotiek voor nodig om dat te beseffen en te overdenken! Religieuze en andere wereldbeelden hebben de hemel-aarde-polariteit opgevuld. Maar de vele essays die hier het probleem langs hun mythische kant bekijken, maken vooral een inventaris van de mythische inhoud. Zingeving wordt hier als inhoudelijke vulling gezien. Opnieuw neemt de semiotiek hier een ander, en zeker niet het meest evidente standpunt in: die inhoudelijke invulling is er niet eerst, wel de vormelijke polariteit. Waar de “Hemel” en de “Aarde” voor staan in de loop van de cultuur- en geestesgeschiedenis is een valabel onderzoek dat los van semiotiek gebeurt. De semiotiek vraagt naar de koppelingsvorm van beide anti-podes: “Hemel” en “Aarde” worden geconstrueerd volgens hun verbondenheid-in-tegenstelling (zie Parret, blz. 230; de opstellen van Fabbri en Marin). Dat de mythische of ideologische “inhoud” gecapteerd, gevangen wordt in deze polariteit zien we krachtig geïllustreerd door Floch in zijn essay over de logo van Crédit du Nord - helaas leverde dit in de tentoonstelling de zwakste zaal op. De vormelijke polariteit is er eerst; pas daarna kan de inhoud zich manifesteren en articuleren, tot klankrijkdom gebracht worden op de gespannen snaar van de polariteit. Maar, zoals gezegd, dat wordt in de vele essays achterwege gelaten of onvoldoende uitgewerkt.

De semiotiek komt vertekend uit het boek te voorschijn. Ze verliest haar eigenheid, die uiteraard essentieeel is om ze te verdedigen als eigenzinnige methode naast de vele andere disciplines. Haar vormelijk karakter geraakt verdoezeld achter naïef realisme, achter ideologische inhoud, achter geschiedenis - er worden immers nogal wat essays op de chronologische as gelegd. De originaliteit van de semiotiek bestaat er juist in dat zij van dit alles afstand neemt. Vaak heb ik tijdens het lezen dan ook de indruk gehad dat de semiotiek eventjes met vakantie werd gestuurd.

 

Alexandrescu, Parret en Quik, HEMEL EN AARDE; John Benjamins uitgeverij; Amsterdam, 1991, 330 pp.; f 49,90. Inhoud: Philippe Dubois: De verticale blik; Hubert Damisch: De dienst van de wolken; Omar Calabrese: Imaginaire fotografie; Umberto Eco: Over de onmogelijkheid de kaart van het Rijk te construeren op schaal 1:1; Manar Hammad: Aardse tuinen, hemelse tuinen, tuinen van elders; Gerard van den Broek: De Goddelijke analogie: iconiciteit als wereldverklaring; Jean-Marie Floch: Een ster als logo; Claude Bérard: ... en de hemel trok zich terug als een boekrol die wordt dichtgerold; Sorin Alexandrescu: Tekens en openbaring; Louis Marin: Val, incarnatie en elevatie; Herman Parret: Drempels, horizonten, overbruggingen en omkeringen; Paolo Fabbri: Afgrond en duizeling.

In het Bonnefantenmuseum loopt van 12/04/92 tot 06/09/92 een tentoonstelling met schilderijen van Ray Smith en een presentatie van Aldo Rossi’s ontwerpen van de nieuwbouw van het Bonnefantenmuseum (Dominikanerplein 5, 6200 AS Maastricht, Nederland, 043/25.16.55).