Koen Brams

DE WITTE RAAF

Editie 45 september-oktober 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het verschil

Over de gevangenis-werken van Norbert Radermacher en Christine & Irene Hohenbüchler

Bij aankomst in de strafinstelling wordt de kersverse gedetineerde aangemaand zich te ontkleden en te ontdoen van alle persoonlijke bezittingen. Volgen: het bezorgen van het uniform en het verplichte geneeskundige onderzoek. Dat niet alleen de vrijheidsberoving en de dwangarbeid als een ondraaglijke straf ervaren worden maar vooral de onderwerping aan een extern regime dat genadeloos veralgemeent, moge blijken uit het succes van de uiterlijke tekens die aangewend worden om, zij het oppervlakkig, verschillen te markeren: de tatouage, de kledij, de haardracht… Of zoals een gevangene het onlangs nog in een BRTN-documentaire uitdrukte: “Die basketbalschoenen kun je hier kopen in de gevangenis, 2395 frank. Dat geeft je een soort persoonlijkheid. Dit trainingspak ook. Dat zijn dingen die je zelf kunt kopen. Je kunt dat aanschaffen. Je krijgt een gevoel van persoonlijkheid. Maar je mag ze alleen dragen op de wandeling.”

Moet de recente, door Foucault beschreven intocht van hulpverleners in de gevangenis - artsen, geestelijken, psychiaters, psychologen, criminologen en pedagogen - ook niet vanuit deze invalshoek begrepen worden? Staat niet naast de kapper de hulpverlener die aan een ander, in ieder geval specifiek psychologisch profiel timmert? Is het niet de hulpverlener die, eenmaal de gevangene de noodzakelijke gegevens bezorgd heeft, de biografie schrijft, de trauma’s kadert en vluchtroutes uittekent? Achter de muren van de gevangenis, wordt het lichaam inderdaad eerst van top tot teen gedesinfecteerd, van alle kwalijke exterieure elementen gezuiverd, om vervolgens een op maat geschreven persoonlijkheid te construeren. Moet ook de aanwezigheid van de kunstenaar in de gevangenis in deze zin begrepen worden? Is de kunstenaar het ultieme, alleszins het laatste verlengstuk van de corrigerende, genezende arm van de penitentiaire instelling?

 

Das Gewicht

Tegenover de Provinciale School in de Justus Lipsiusstraat en de Sigarenfabriek Vanderelst in de Nobelstraat in Leuven heeft Norbert Radermacher tweemaal hetzelfde werk in de muur van de hulpgevangenis ingewerkt. In een nis, achter glas hing hij een schietlood aan een ijzeren kettinkje. Radermachers ingreep bevestigt zowel ruimtelijke als temporele opvattingen over de gevangenis. Van de muur die de gevangenis omgrenst, toont hij de dikte. Het vierkanten kerkertje waarin het schietlood hangt, laat een minimale schatting van de dikte van de muur toe. De wand die de nis langs achteren begrenst, biedt geen zicht op de binnenplaats van de gevangenis, maar op de (dikte van de) muur die de binnenplaats van de buitenwereld afschermt. De diepte van de nis valt niet samen met de dikte van de muur, staat enkel een ruwe of kwalitatieve schatting van de dikte van de muur toe: de muur is dik, maar hoe dik?

Het voorwerp dat in de kleine met glas afgeschermde cel hangt, is niet in beweging. Na de ophanging is het langzaam en voorgoed tot stilstand gekomen. Roerloos hangt het aan een ijzeren kabeltje. Achter het glas kan dit schietlood, deze pendel niet meer beroerd, in beweging gebracht worden. Het verstrijken van de tijd (en andere onzichtbare krachten) is hij ongehoorzaam. De tijd staat hier stil. Niets gebeurt hier.

Waarom twee identieke, op vrijwel dezelfde plaats - telkens in het midden van de lengte van de haaks op elkaar staande muren - ingewerkte schietloden? Loop je de hoek om, kom je vanzelf hetzelfde beeld tegen. Tegen het roerloze lood breng je het bedwingen van de afstand in stelling. Tegen zijn onbeweeglijkheid het ritme van de tred en de tijd. Het wandelen langs de muur, het wegtikken van de tijd, het bereiken van de hoek - halfweg - het achter zich laten van de hoek, het verstrijken van de tijd, genoeg om de herinnering die het beeld inmiddels is geworden te confronteren met… het beeld. In dat parcours tussen afdruk en beeld zit je gevangen, de luttele veroverde seconden ten spijt. Net zoals het wegkijken van de ene helft van een tweeling naar de andere genoeg tijd in beslag neemt om alle eventuele verschillen te doen vervagen, lijkt een wandeling van het ene schietlood naar het andere enkel “hetzelfde” op te leveren. Beide schietloden markeren een verstikkende ruimte waarin het verstrijken van de tijd strikt gerantsoeneerd is. 

 

De Berg

In haar selectie voor “Sonsbeek 93” wilde Valerie Smith een bijzondere aandacht schenken aan “samenwerkingsprojecten”, projecten “die rechtstreeks het idee van een afzonderlijke artistieke identiteit ter discussie stellen en de collectieve creativiteit huldigen.” Eén van de door Smith geselecteerde kunstenaarsgroepen bestaat slechts uit twee leden: de eeneiïge tweeling Christine en Irene Hohenbüchler. In een discussie over de “afzonderlijke artistieke identiteit” kan een eeneiïge tweeling zeker als intrigerende, maar ook als kritische ondergrens gelden. Beschikkend over hetzelfde erfelijke materiaal, opgegroeid in dezelfde sociale omgeving kunnen de geringste verschillen tot heftige speculaties aanleiding geven. Misschien willen de Hohenbüchlers deze bespiegelingen forceren want om verschillen zit de tweeling niet verlegen. Wat meer is, het differentiëren lijkt een strategie. “We waren als kind nooit hetzelfde aangekleed. Ik herken mezelf op foto’s aan wat ik aan heb,” zegt Christine Hohenbüchler in het gesprek dat zij en haar zus met Elfriede Jelinek hadden en dat afgedrukt staat in de catalogus. Voor een artikel in Metropolis M werd de tweeling apart benaderd. Zelf schreven ze afzonderlijk brieven (met voorstellen en ideeën) aan Valerie Smith. Ook in hun projecten liggen duidelijk individuele klemtonen: “Christine is de ambachtelijke figuur, Irene werkt met de computer.” Het is niet overdreven te stellen dat het werk van de Hohenbüchler-tweeling in het teken staat van het verschil. In hun werk worden twee, afzonderlijk van elkaar ontwikkelde ideeënwerelden met elkaar in confrontatie gebracht.

Christine en Irene Hohenbüchler bouwden drie met koperen koepeltjes overdekte kooien, die er alle drie anders uitzien, maar duidelijk teruggaan op hetzelfde type. Het dak van het al bij al gammele bouwsel mimeert de grote koepel van de Arnhemse penitentiaire inrichting De Berg, in Arnhem beter bekend als de koepelgevangenis. Vlakbij de gevangenis staan twee cellen, een ander bevindt zich in het park Sonsbeek, in de onmiddellijke nabijheid van Villa Sonsbeek. De precies op mensenmaat ontworpen kooi, een ambachtelijk vervaardigd, nauwsluitend harnas kan niet betreden worden. Het opdringerige licht dat op de raampjes van de kooi kaatst met de handen afschermend, de ogen tegen het glas gedrukt krijg je inzage in wat zorgvuldig beschermd wordt: houten objecten, talloze ruw geschilderde paneeltjes; kreten uit de gevangenis; het tastbare resultaat van een intense samenwerking tussen (vooral Christine) Hohenbüchler en gevangenen. “Cocaïne” staat in haastig gekrabbelde letters op een doek in de kooi vlakbij Villa Sonsbeek te lezen. Sexuele fantasieën, drugs en geweld komen in agressieve vormen en harde kleuren aan bod in de schilderijen. In de kooien die letterlijk in de schaduw staan van de gevangenis, als was de ontsnappingspoging - het communiceren van de ondraaglijke tijd - slechts op het nippertje tot een goed einde gebracht, staan houten objecten te kijk: keurig in elkaar getimmerd, streng ogend, het ascetisch regime van de gevangenis weerspiegelend. “Uitstalkasten voor de gedachten en verlangens van de mensen daarbinnen,” omschrijft Christine Hohenbüchler de bouwsels in een voorbereidende brief. De hutten van Hohenbüchler functioneren niet als etalages. De door Christine en Irene Hohenbüchler tentoongestelde voorwerpen en paneeltjes worden niet vrijgemaakt maar opgesloten. In hun cel brengen ze associaties op gang die volstrekt voorspelbaar zijn, en zonder moeite overgedragen kunnen worden op dat monolitische scherm, de koepelgevangenis zelf. De toeschouwer blijft van alle vanwege de voorwerpen (achter glas) beraamde listen gespeend. De toeschouwer ziet wat hij weet.

 

De muur

Het is geen toeval dat zowel het werk van Norbert Radermacher als de bijdrage van Christine en Irene Hohenbüchler zich op de grens ophouden. De muur fascineert omdat hij, zij het op een weinig subtiele wijze, differentieert. Achter de muur - zowel vanuit, als met betrekking tot de gevangenis - wordt heftig gespeculeerd en zo hoort het, of beter, zo wil de bepaling van zijn functie het. Op de muur projecteert de bewoner van de gevangenis zijn verlangen naar vrijheid (dat een bijdrage tot zijn genezing moet leveren). Aan de andere kant van de muur staat de ondoorzichtigheid van het scherm, waarachter de misdaad opgeborgen is, garant voor angstige nieuwsgierigheid (die de misdaad moet afraden).

“Das Gewicht” articuleert de muur als ruimtelijke ingreep in het stedelijk weefsel. Aan die uiterste grens, eigenlijk in de membraan zelf situeert Radermacher zijn uitspraak. Zelfs met zijn inkepingen blijft de muur intact, meer nog, de ingreep versterkt de betekenis van de muur. De realisatie van de Hohenbüchlers volgt een hieraan tegengestelde logica, een volstrekt omgekeerd parcours. De objecten die zij afgedwongen, buitgemaakt hebben op de “onverschilligheid”, de “roes” en de “verveling” van de bewoners van de gevangenis, zetten zij te kijk in van de gevangenis afgeleide paviljoentjes. In plaats van tegen de muur - en het onbegrip waarvoor hij staat - op te botsen, breken zij uit de gevangenis, doorheen de muur, en nog wel in het bezit van “bewijsmateriaal”. Wat brengt deze operatie meer aan het licht dan de doorlaatbaarheid van de muur? De tolerantie en de breeddenkendheid van de gevangenisdirectie? De permissiviteit van het ministerie van justitie? Iedereen die toegang tot de gevangenis verleend wordt, krijgt een van bovenaf gecontroleerde en goedgekeurde rol toebedeeld. Ook de kunstenaar wordt in deze controlerende, corrigerende, straffende instelling ten nutte gemaakt. Norbert Radermacher toont en benadrukt de grens van de artistieke activiteit die inderdaad samenvalt met de muur van de gevangenis; Christine en Irene Hohenbüchler treden deze grens met voeten en trappen in de door de penitentiaire macht reeds sinds eeuwen gespannen valstrik.

 

“Das Gewicht” van Norbert Radermacher kan permanent in de Justus Lipsiusstraat en de Nobelstraat in Leuven bezichtigd worden. Deze ingreep werd gerealiseerd in het kader van een tentoonstelling van Norbert Radermacher in Galerie Transit van 18 april tot 23 mei. In de galerie stelt van 5 september tot 3 oktober Allart Lakke tentoon. Het adres: Tiensevest 39, 3000 Leuven (016/22.62.44).

Norbert Radermacher neemt deel aan de manifestatie “Gegenbilder” die nog tot 31 oktober in Münster plaatsvindt. Radermacher werkte in de Apostelkirche, de Lambertikirche en de Überwasserkirche. Meer info: 0251/25.687.

Het werk van Christine en Irene Hohenbüchler maakt deel uit van Sonsbeek 93. Meer inlichtingen: Telefoonstraat 3, 6811 AS Arnhem (085/42.90.60).