Greet Paulissen

DE WITTE RAAF

Editie 40 november-december 1992

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een intiem schrijn in gevaar?

De uitbreiding van het Van Abbemuseum

Tot 8 november kan u in het Van Abbemuseum inzage krijgen in de inmiddels door de gemeenteraad van Eindhoven goedgekeurde plannen voor de “verbouw/nieuwbouw” van het museum. Greet Paulissen bezocht de tentoonstelling en analyseert de plannen.

 

Sinds jaar en dag klaagt de directie van het Van Abbemuseum dat het te eng behuisd is om nog op een verantwoorde manier haar taak als museum van hedendaagse kunst te kunnen uitvoeren. Jarenlang is de beslissing tot een definitieve uitbreiding op de lange baan geschoven. In 1978 kwam er wel een nieuwe vleugel aan de achterkant van het museum, maar deze annex kon maar weinigen met vreugde stemmen: de op een zeshoekig patroon gebaseerde ruimten zijn nogal amorf en de geboden bijkomende oppervlakte blijkt nog steeds ontoereikend voor een gelijktijdige presentatie van een tijdelijke tentoonstelling en een representatief deel van de eigen collectie. Ook voor de nodige publieksruimten (bibliotheek, restaurant, boekenwinkel en auditorium) is er te weinig plaats.

In 1990 werd uiteindelijk aan de Amsterdamse architect Abel Cahen gevraagd een uitbreiding te ontwerpen. Zijn project, dat op 28 september door de Eindhovense gemeenteraad werd goedgekeurd, is op dit ogenblik te zien in het museum. Allen daarheen! Het is immers een unieke gelegenheid om het Van Abbemuseum - dit intieme schrijn - nog in zijn ongereptheid te aanschouwen. Naar alle waarschijnlijkheid beginnen de nieuw- en verbouwwerken immers vanaf oktober 1993.

Het in de jaren dertig door A. J. Kropholler ontworpen gebouw is volledig gesloten, op de ingang en enkele smalle ramen na. Een torentje geeft de inkom aan, die toegang geeft tot een bescheiden hal en een suite van neutrale, zenitaal verlichte tentoonstellingszalen. De opdrachtgever stelde er prijs op de eigen sfeer van deze bestaande zalen te behouden: de maatvoering, de lichtinval en de heldere plattegrond maken het museum bij veel kunstenaars geliefd. Enkel de uitbreiding van 1978, die op geen enkel vlak voldeed, wordt volledig afgebroken. Aan het oorspronkelijke interieur wordt in het voorliggende ontwerp niet geraakt. Door de plaats van de inkom te handhaven kon zelfs het parcours door de zalen behouden blijven. Maar om dit mogelijk te maken wordt de hal opgeofferd: zij wordt chirurgisch verwijderd en vervangen door een kolossale prothese, die de vorm heeft van een omgekeerde ziggurat. In het centrum hiervan komt de toren in negatief terug: een over de hele hoogte van het gebouw lopende vide, waarlangs men kan opklimmen naar de verschillende tentoonstellingsniveau’s. Waarschijnlijk zal de bezoeker eerder omgekeerd één van de twee liften naar de bovenste etage nemen en van daaruit naar beneden komen. Hij kan zo een duidelijk parcours volgen langs zalen, waarvan de maatvoering en de verlichting op die van de oude ruimtes gebaseerd is.

In het voorontwerp was dit nog niet het geval: Cahen had hier een eigen ruimtelijke organisatie geconcipieerd: de zalen van de drie bovenste niveau’s, afwisselend vóór en achter de centrale kern met liften en trappen gelegen, keken in split-level op elkaar uit. De verschillende uitkragingen zijn hier nog een vormelijke restant van. De onderlinge indringing die de buitenvorm suggereert is echter schijn: elke zaal is enkel op zichzelf betrokken. Het ligt duidelijk in de opzet de museumruimten zelf zo neutraal mogelijk te houden, ten einde de aandacht op de tentoongestelde werken te richten.

Er werd van de architect verwacht ruimte te scheppen om kunst ten toon te stellen, geen dominerende architectuur te maken. Cahen heeft zich blijkbaar naar deze voorwaarden geschikt en zich geconcentreerd op de secundaire ruimtes. Kantoren, bibliotheek, restaurant en vooral de hoge inkomhal boden hem meer kans op architecturale uitdrukking. Op architecturaal vlak is deze laatste ruimte dan ook de boeiendste. Ze vormt niet alleen een functionele maar ook een visuele band tussen de etages. Op zijn wandeling langs de kunstwerken belandt de bezoeker steeds weer in deze hal, waar hij telkens op een andere manier uitkijkt om zich in een andere richting voort te bewegen. Hij kan er even verpozen en zijn positie in het gebouw inschatten vooraleer zich opnieuw op de kunst te concentreren.

De andere museale functies zijn duidelijk van de expositieruimtes gescheiden: technische ruimtes liggen netjes verborgen in het souterrain maar auditorium, bookshop, restaurant, bibliotheek en kantoren liggen rond het oude museum uitgesmeerd.

De schroom die Cahen ten aanzien van de museumzalen aan de dag legt, laat hij echter geheel achterwege ten overstaan van de buitenzijde.

Het museum dat zich als een cabinet voor kostbaarheden slechts even boven de omringende wereld verheft, wordt door deze uitbreiding brutaal overmand en aan het gezicht onttrokken. Het is kennelijk de bedoeling het gebouw van Kropholler nieuw leven te injecteren, maar het is de vraag of het de gewelddadige manier waarop dit gebeurt wel zal overleven.

 

Naast de presentatie van de maquette en tekeningen van het ontwerp van Cahen, loopt tot 8 november ook nog een tentoonstelling met werk van Niek Kemps in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, 5611 NH Eindhoven, 040/38.97.30. Vanaf 14 november tot 10 januari organiseert het museum een tentoonstelling met de publicaties en edities van Yves Gevaert.