Bert Jansen

DE WITTE RAAF

Editie 45 september-oktober 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Zolang het duurt

In de tentoonstelling “As long as it lasts”, naar het gelijknamige werk van Lawrence Weiner op de Euromast, toont Witte de With, centrum voor hedendaagse kunst in Rotterdam, acht geschilderde installaties. De kunstenaars werden uitgenodigd “om met en in de tentoonstellingsruimten projecten te realiseren met de schilderkunst als uitgangspunt”. Afgezien van Weiner werden ze gevraagd omdat ze naast het maken van schilderijen, die na hun voltooiing elders blijven voortbestaan, in hun atelier of tijdens exposities aandacht besteden aan de interactie tussen de schilderkunstige ruimte en de werkelijke ruimte. Wat ze in Witte de With hebben gerealiseerd bestaat na 19 september alleen nog als een herinnering of als een in documenten en foto’s verzilverd concept. Onder de - letterlijk - superviserende blik van Weiner wordt de discussie over de mogelijkheden van de schilderkunst voortgezet, juist nu we weer gewend waren geraakt aan de idee van het schilderij als autonoom object. Wat dat betreft, is het veelzeggend, dat de tentoonstelling gelijktijdig plaatsvindt met “Der zerbrochene Spiegel” van Kaspar König en Hans-Ulrich Obrist.

 

De Zon van de Kweepereboom

“As long as it lasts” brengt nieuwe hypotheses aan het licht met betrekking tot de inmiddels dertig jaar oude discussie over de vermeende dood van het schilderij in een wereld, die overspoeld wordt door technisch vervaardigde en reproduceerbare reclame- en televisiebeelden. Schilderen zou een anachronistische bezigheid zijn en alleen dienen om een traditie in stand te houden. Overigens is de uitdrukkelijke formulering van een hypothese een typisch kenmerk van de programmatie van Witte de With. Vanaf de eerste tentoonstelling in 1990 wordt het programma van Chris Dercon ingegeven door vragen omtrent de relatie tussen kunst en expositieruimte, tussen kunst en kunstinstituut, tussen kunst en sociale werkelijkheid, tussen beeld en afbeelding en nu dan tussen schilderkunst en schilderkunstige installatie. Het programma van Witte de With vertoont bovendien een cyclische herhaling. Dercon geeft de voorkeur aan de vertragende terugblik boven de hyperventilerende jacht op nieuw, nieuwer en nieuwst. Zo ontstaat het concept voor een tentoonstelling in de overweging van eerdere projecten waarbij de vraag zich aandient in hoeverre destijds geponeerde conclusies nader kunnen worden onderzocht.

Het concept voor “As long as it lasts” is voortgekomen uit de juxtapositie van twee eerdere tentoonstellingen: “Cézanne (Enquête)” en de Kuitca-tentoonstelling. In de eerste werd met filmische en schilderkunstige middelen door Straub & Huillet, Daniel Walravens en Rémy Zaugg het kijken van Cézanne onderzocht. Tegenover de objectiverende blik, die in dat project centraal stond, propageerde Kuitca in zijn schilderijen een aan de surreële verbeelding verwante manier van kijken.

“As long as it lasts” zelf is ook opgezet volgens een dialectisch principe. Als these fungeert de film “El Sol del Membrillo” (De Zon van de Kweepereboom) van Victor Erice over de Spaanse schilder Antonio Lopez. Deze kunstenaar vatte het plan op om tijdens de nazomer en de herfst het kweepereboompje op zijn terras te schilderen. Het regenachtige seizoen, het steeds wisselende licht en de groei van de vruchten maken zijn onderneming echter onuitvoerbaar. Het werk is gedoemd onvoltooid te blijven waardoor het accent des te meer komt te liggen op het Cézanneske van de onderneming. De film maakt zichtbaar welke schilderkunstige middelen door Lopez worden ingezet om het continu wisselende beeld vast te leggen in een vorm. Als antithese fungeert de tekst van Lawrence Weiner die zestig meter hoog boven de stad torent. Ze zou kunnen slaan op de tantaluskwelling van Lopez, met andere woorden: op de tijd die aan de voltooiing van een kunstwerk voorafgaat. Maar eerder ligt een interpretatie voor de hand die “AS LONG AS IT LASTS” opvat als een antwoord op de vraag naar de duur van kunst, na de voltooiing van het werk. De tekst stelt de tijdelijkheid van de schilderkunstige installatie provocerend aan de orde. Beide interpretaties zijn echter slechts ten dele waar. De voltooiing van een kunstwerk is voor Weiner immers een relatief gegeven. In de tekst klinkt zijn adagium door dat een kunstwerk niet noodzakelijk uitgevoerd hoeft te worden. In 1968 besliste Weiner dat het volstaat een kunstwerk middels taal kenbaar te maken als een idee van sculptuur, als een betrekking tussen materialen, begrippen en mensen. Het moment van voltooiing ligt in het gebruik door de ontvanger, op het moment dat het werk openbaar wordt gemaakt. Zo moeten we de keuze voor Weiner als peetvader van deze tentoonstelling dan ook begrijpen. Tegenover de huidige belangstelling voor het schilderij als een voltooid en manipuleerbaar object herinnert Witte de With aan de paradoxale situatie van de schilderkunst zelf, die alleen tot doel lijkt te hebben om met iedere apotheose (Mondriaan, Malevich, Newman, Reinhardt, Ryman) haar eigen bestaan te verlengen. Dat is ook het onderwerp van de lezing “Ixion paints a picture” die Jean-Pierre Criqui op 19 september zal geven als afsluiting van de tentoonstelling.

 

Acht installaties

Hoe hebben de overige acht deelnemers gereageerd op de opdracht om hun werk te laten spreken als een schilderkunstige performance, binnen de gegeven limieten van plaats en tijd?

De oudste is Raoul De Keyser. In zijn minimale schilderijen verwijst de ruimtelijke illusie binnen het schilderij niet naar iets daarbuiten. In zijn zaal heeft De Keyser zestien schilderijen gehangen volgens een strenge compositie. De kleur van de muren is beige, de som van alle gebruikte kleuren in de schilderijen. Zo is de ruimte dienstbaar geworden. Het tegenlicht van de oorspronkelijk witte muren is verdwenen waardoor alle aandacht geconcentreerd wordt op het oppervlak van de schilderijen, die als spiegels de lichtconditie lijken te reflecteren.

De jongste deelnemer is Rob Birza. Waar De Keyser de scheiding in stand houdt tussen schilderijen en ruimte en beide laat zien als een manifestatie van licht, wil Birza het onderscheid bezweren door alle muren, inclusief de pijlers, als het te beschilderen oppervlak te beschouwen. Hij heeft een jungle geschilderd en die gecombineerd met reële objecten, gebloemde kussens bijvoorbeeld. Birza’s benadering herinnert aan de flower power-tijd, toen hippies hun huizen van boven tot onder beschilderden als een mellow yellow-totaalervaring.

Philippe van Snick kreeg met deze uitnodiging de kans om zijn werk, dat altijd als een propositie of een maquette wordt gepresenteerd, op een schaal van 1:1 te realiseren. Van Snick houdt zijn vocabulaire strikt beperkt tot de kleuren goud, zilver, rood, geel en blauw, gecombineerd met de binaire tegenstelling van een ijlblauw voor de dag en een diepzwart voor de nacht. Het daglicht in zijn ruimte in Witte de With valt samen met de lichtblauwe, lange wand tegenover de ramen. Haaks daarop staat een korte zwarte muur. Twee rood geschilderde muren verschillen in intensiteit naast de dag- en de nachtkleur, “asymmetrisch” zoals Van Snick het noemt, maar perfect in evenwicht met de ongelijke lengte van de vlakken.

Fons Haagmans heeft een rode vloerbedekking aangebracht die de sfeer van zijn installatie bepaalt. Er is een interieur ontstaan, waarin de drie Tarot-figuren voor Misère, Chagrin en Maladie die in zwart-wit op de muren zijn geschilderd optimaal hun metaforische zeggingskracht uitoefenen. 

Ludger Gerdes verdeelde de muren in vakken, waarop steeds opnieuw een vicieus ronddraaiend verfspoor werd herhaald. Op de plafonds staan formules geschreven: “a observeert b”, “b observeert c”, etcetera, tot en met “z observeert a”. Onder die autistische tekst stelt Gerdes de vraag: “...en wie behoedt de mens voor de mens?”

Voor Henri Jacobs is een dergelijke vraag het vertrekpunt. Bij hem breekt een labyrintisch patroon van lijnen en vlakken open tot een doorkijk in een huis met veel kamers, waarin mensen met elkaar en met zichzelf bezig zijn.

Voor de constructie van een stellage, die dwars in de ruimte staat, werden door Jessica Stockholder middels het aanbrengen van gaten in de muur twee zalen onderling verbonden. De voorzijde is naar het licht gekeerd. Het hellende vlak is dakpansgewijs bedekt met doorgezaagde badkuipen. Op een groene ondergrond is een plas oranje verfmaterie uitgegoten die op de vloer is gestold, vermengd met stukken gekleurd textiel. De oranje verf, het gekleurde licht en de gele elektriciteitssnoeren lijken de ruimte in te zijn geslingerd als een metafoor voor de ongeremde energie waarmee Stockholder te werk is gegaan bij de transformatie van de ruimte.

Van Marien Schouten herinner ik me tekeningen uit 1985 met ornamentele, architecturale vormen op een oranje ondergrond. Voor Schouten is de ruimte van het papier nooit een neutraal gegeven geweest. Zijn oeuvre laat een voortgaande reeks radicale ingrepen zien waardoor de tekening zich manifesteert in een architecturale dimensie. De ruimte van atelier en expositiezaal worden met schilderkunstige middelen, een wanddecoratie of een stalen hek als raster bijvoorbeeld, tot onderdeel van het werk verklaard. In Witte de With heeft Schouten de buitenwereld buitengesloten door een scherm geribbeld kathedraalglas voor de ramen te plaatsen. Alleen het licht wordt toegelaten. Ook voor een muur met twee schilderijen staat zo’n scherm waardoorheen de expressie van de groenzwarte verf transformeert tot vibrerend licht. Het ingehouden gevoel voor drama in de installatie van Schouten culmineert in een zwart-wit schilderij, waarin met zwaar ijzerwerk een compositie van vallende kruisen wordt samengehouden.

De installaties van Schouten en Stockholder illustreren het grote bereik aan mogelijkheden dat het uitdagende concept van Witte de With bood. Als kunstenaars hun werk tijdelijk tonen in een zelfbepaalde samenhang met de ruimte, resulteert dat in uitgesproken statements. De opdracht impliceert namelijk dat problemen aan de orde worden gesteld aangaande de montage van een werk, de verhouding tot de architectuur en de aanwezigheid van de kijker. Die aspecten, die van een schilderij ook een schouwspel maken, blijven inherent aan de 20ste-eeuwse schilderkunst, ook al lijken ze in de nieuwe belangstelling voor het ezelschilderij op de achtergrond te raken. 

Na de tentoonstelling verschijnt een publikatie waarin de gerealiseerde werken fotografisch zijn vastgelegd. Naast de inleidingen van Chris Dercon, Benjamin Buchloh en Victor Erice bevat het boek tekstbijdragen van de kunstenaars.

 

Mogelijk blijft ”AS LONG AS IT LASTS” van Lawrence Weiner op de Euromast behouden, de acht installaties in Witte de With zelf worden echter zeker overschilderd. Op 19 september, de laatste dag van de tentoonstelling, vindt de lezing van Jean-Pierre Criqui plaats. Cahier #1 wordt op 6 oktober voorgesteld. Op de Frankfurter Buchmesse presenteert Witte de With het door haar en Portikus (Frankfurt) geproduceerde kunstenaarsboek van Stanley Brouwn. Vanaf 15 oktober tot 28 november loopt de volgende tentoonstelling in Witte de With, “Wat eten wij vandaag?”, van Jef Geys. Meer informatie: Witte de With, Witte de Withstraat 50, 3012 BR Rotterdam (010/411.01.44).