Etienne Wynants

DE WITTE RAAF

Editie 52 november-december 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Neogotiek in België

In 1988 publiceerde het Katholiek Documentatiecentrum in Leuven een bundeling van essays die het ontstaan en de slagkracht van de Sint-Lucasscholen en de neogotiek opmerkelijk aan het licht bracht. Als lid van het Bethunianum, Centrum voor de Studie van de 19de eeuwse Kunst te Gent, stelde Jean van Cleven toen een werkgroep samen met als objectief een omvattende neogotiek-tentoonstelling in te richten, honderd jaar na het overlijden van voorman Jean-Baptiste Bethune. De tentoonstelling en de publikatie over dit vaak denigrerend bekeken cultuursegment uit de vorige eeuw zijn er nu. En het resultaat stemt niet eenduidig tot tevredenheid. Het weliswaar coherente vertoog is te eenzijdig opgebouwd als kunsthistorisch naslagwerk, terwijl het sociologische, ideologische en culturele cement genegeerd werd. Jammer, want juist dit raakte (gelukkig) met de tijd uitgeloogd. Bovendien had een expliciet onderzoek van de harde kern van de neogotiek een maatschappijbeeld kunnen opleveren, waarvan veel sporen tot diep in de 20ste eeuw in opmerkelijke verpakkingen verder ontwikkeld werden. 

De tentoonstelling werd opgesplitst in een chronologisch verhaal waarin de nationale ontwikkeling van de neogotiek gedocumenteerd en de Bethunes’ nalatenschap geïnventariseerd werd. De vraag rijst of deze cyclische opdeling in proto-, rijpe en late neogotiek werkbaar is: dekt deze erg ruime vlag wel eenzelfde lading? Is het met andere woorden zinvol een specifieke stijlstudie aan te houden als de diverse beoefenaars om ideologische motieven radicaal van mening en praktijk verschilden? Kan men achtereenvolgens de troubadoursstijl, de archeologische neogotiek, de neogotiek pur sang beleden door Bethune en collega’s, de reformed gothic en tenslotte de eclectische neogotiek in één beweging aan elkaar lijmen? De ambachtelijke kunde werd in Bethunes omgeving ontegensprekelijk naar een hoogtepunt gevoerd, maar is dit voldoende om ook een erkenning van de “schone kunsten” binnen te rijven? Gaat het hier niet eerder om een weliswaar historisch relevante, maar niettemin stevig reactionaire subcultuur die ook als dusdanig geïdentificeerd dient te worden?

Voorts kan men zich de vraag stellen waarom deze publikatie zovele fragmentarische kunsthistorische deelstudies bundelt. Was het niet meer aangewezen bepaalde topics uit te diepen in plaats van het studieterrein encyclopedisch te verbreden. Een stijlkritische beeldanalyse van de zogenaamd rijpe neogotiek kon wel eens getoetst worden aan de discussies die binnen de gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas, waarvan Bethune lid was, gevoerd werden. Men kan er de wereldvreemde en hiëratische stijl prima in verband brengen met het ultramontanisme en het rond 1870 uitgeroepen dogma van de onfeilbaarheid van de paus. Verder behoren tot de mogelijkheden: een studie van de toenmalige stand van de kunstgeschiedenis en de stijlenproblematiek, de urbanistische voorstellen, de receptie van het Franse en Engelse ideeëngoed in de tijdschriften, het corporatisme, zelfs kitsch en het ontstaan van de imitatie, een problematiek die men toen sterk onderkende.

Maar zoals Jean van Cleven zelf aanstipt is het studieterrein zeer ruim, en precies daarom blijft een samenwerkingsverband met andere studiecentra uiterst aangewezen. In afwachting van breeddenkender tentoonstellingen en publikaties over Bethune en die andere voorman, Joris Helleputte, kan men tot 31 december deze tentoonstelling bezoeken in het Oudheidkundig Museum van de Bijloke, Godshuizenlaan 2, 9000 Gent (09/223.34.59).