Yves Aupetitallot

DE WITTE RAAF

Editie 49 mei-juni 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Documenta X

De ietwat trouwe lezers van “De Witte Raaf” met een beetje geheugen herinneren zich wellicht nog de in 1993 gepubliceerde tekst “Het banket van Trimalcion”, en als ze zeer goed geïnformeerd zijn, lazen zij hoogstwaarschijnlijk ook het door Bart Verschaffel in “Het vel van Cambyses - Kunstkritieken tussen ‘Van nu en straks’ en Documenta IX” gepubliceerde interview met Jef Cornelis. Diens uitgangspunten zijn, zoals de zaken er nu voorstaan, een noodzakelijke voorwaarde voor het lezen van onderhavige tekst, een wat luie manier van de auteur om de argumenten tegen de ‘grote internationale tentoonstellingen’, tegen de curatoren, en inzonderheid tegen Jan Hoet en Documenta IX die erin werden ontvouwd, onvermeld te kunnen laten. De lezer vergeve het mij dat ik naar die twee teksten verwijs om het begrip, en zelfs het belang van onderhavige tekst te vergroten.

Bevestigt de intrede van Jan Hoet in de politiek aan de zijde van de Vlaamse katholieken de centrale hypothese van die twee teksten, dan moet ik daarentegen bekennen dat ik weinig scherpzinnig ben geweest met betrekking tot de paleisrevolutie die werd beraamd. Jan Hoets excessen en messianistische intenties waren in werkelijkheid slechts de laatste handelingen van een anachronistische ritus die de afzetting zou inluiden van zijn Profeet en andere voorgangers ten gunste van een geseculariseerde, comfortabel in de nieuwe kathedralen van het geloof geïnstalleerde clerus; of, eenvoudiger gezegd, die de militante pioniers en wanstaltige bouwers zou vervangen door een oligarchie van ambtenaren-curatoren, bedreven in de kunst van het kweken van rozen in pastorietuinen. Waar Jan Hoet zich met een veronderstelde zending van verlossing belastte, oefenen zijn opvolgers in het beste geval een beroep uit dat de roeping vervangt.

Maar ik moet het over Documenta hebben, over de recente actualiteit errond: Catherine David, en over de mogelijke toekomst ervan: Documenta X. Mijn eerste plan bestond erin om een journalistiek onderzoek in te stellen, van zo dichtbij mogelijk te peilen naar de voorwaarden waarin de bisschoppen werden aangewezen die in het conclaaf - het selectiecomité of de selectiecommissie - zitting hadden, naar hun besprekingen, de procedures en de inzetten die hen ertoe hebben gebracht Catherine David te benoemen, de witte rook aan te kondigen waar de dun gezaaide schare van de laatste aanhangers van die ritus naar uitkeken. Ik moest zeer concreet een aantal ‘ernstige’ inlichtingen bekomen, ze verifiëren en aan elkaar toetsen. De taak was des te moeilijker daar tal van tegenstrijdige geruchten de ronde deden en, onder de dekmantel van absolute discretie, van het gepatenteerde geheim, de gekste lijsten werden meegedeeld. Nooit had een benoeming aanleiding gegeven tot zoveel valse geruchten, tot zo’n lappendeken van in het schemerdonker van alkoven in de Romeinse paleizen gevoerde gesprekken. Om dat werk neutraal en vrij van vooroordelen te voltooien, ben ik rechtstreeks met Catherine David in contact getreden: “Sta mij toe u geluk te wensen met uw benoeming tot künstlerische Leiter van Documenta X. Ik verheug er mij ten zeerste over dat eindelijk een vrouw met een dergelijke verantwoordelijkheid wordt belast. Ik krijg een aantal verzoeken om hoofdartikels aan Documenta en aan uw persoon te wijden en moet al tegen uiterlijk 15 april een tekst voor het Nederlandstalige blad “De Witte Raaf”geschreven hebben. Het ligt niet in mijn bedoeling over de legitimiteit van uw benoeming te oordelen, maar wel zou ik graag onderzoeken wat Documenta vandaag in het algemeen en meer in het bijzonder gemeten aan uw intellectueel engagement en uw “project” voor Kassel kan betekenen. Als u daarmee instemt, zou ik graag kennis nemen van uw bio-bibliografie, van de grote lijnen van uw project, met inbegrip van het organogram van uw medewerkers. Om de grootste nauwkeurigheid na te streven zal ik u mijn tekst vóór publikatie bezorgen, zodat u alle inlichtingen en feiten die u onjuist zouden lijken, zal kunnen controleren en verbeteren. In afwachting van uw antwoord verblijf ik, geachte Catherine David, met de meeste hoogachting.”

Bij gebrek aan antwoord heb ik mij niet aan dat eerste plan kunnen houden. Ik zal er mij niet aan wagen dat stilzwijgen te interpreteren. Ik kan mij hooguit een ander scenario voorstellen vanuit de hypothese dat mijn reputatie die van een bijfiguur zou zijn en Artforum mijn orgaan. Toch kan ik wijzen op een aantal feiten, hun chronologische organisatie, en ze becommentariëren.

In de eerste plaats moet worden onderstreept dat de eerste besprekingen binnen de Documenta-structuur uitgingen van de vraag betreffende een mogelijke vernieuwing van de manifestatie in het licht van de evolutie van het artistieke terrein en de vaststelling van de relatieve ademnood van een reeds als historisch te kwalificeren generatie. Onder de verscheidene naar voren gebrachte hypothesen getuigt het idee de organisatie van Documenta aan een collectief van ‘jonge curatoren’ toe te vertrouwen, van het wezen van die debatten. De onderscheiden voorstellen voor het oprichten van een selectiecomité geven blijk, sommige althans, van eenzelfde bekommernis inzake verjonging. Noteren we maar meteen dat die voorstellen niet in aanmerking werden genomen. Eén van die lijsten met acht namen, bijvoorbeeld, combineerde de namen van twee directeurs van eerbiedwaardige instellingen wier loopbaan aanving in de jaren ’60, met die van jonge critici en curatoren die in de jaren ’80 zijn opgedoken. U hebt begrepen, denk ik, dat alleen de eerste twee namen werden aanvaard. In de selectiecommissie zoals ze officieel is samengesteld, ligt de klemtoon dan ook sterk op het institutionele, te meer daar enkele van de persoonlijkheden die dat belichamen, tweederangsfiguren zijn, die daarenboven een zekere middelbare leeftijd hebben bereikt. Zonder ook maar enigszins afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de leden van dat comité, leiden de voormelde karakteristieken van meet af aan tot een bepaald type keuzen, dat nog kan worden bijgesteld door rekening te houden met een relatieve consensus omtrent de noodzaak een beroep te doen op een ‘jonge’ curator, en, indien men zich de publiekelijk uitgedrukte wens van de burgemeester van Kassel wil herinneren, met het toevertrouwen van de leiding aan een vrouw. Het feit dat heel wat van de leden van het comité vijftigers zijn, is niet onbelangrijk. Dat is vanzelfsprekend geen voorwendsel om op een oneerbiedige toon van een “gerontocratie” te gewagen, maar in de mate waarin zij collegiaal een toekomstige directeur moeten aanwijzen die jonger is dan zijzelf, en gelet op het feit dat de grote meerderheid ervan deel uitmaakt van de generatie van de jaren ’60, wordt het detail dat ze nagenoeg tot eenzelfde generatie behoren, zeer betekenisvol. Sociologen hebben inderdaad enkele jaren geleden aangetoond dat de beslissers van die generatie, of het nu gaat om politiek, economisch of cultureel leidinggevende personen, de grootste moeite ondervinden om hun opvolging te verzekeren en dat opnieuw fenomenen zoals de cumulatie van opdrachten en functies, de accumulatie van macht, evenals de vorming van dynastieën via inteelt opduiken. De macht reproduceert zich meer en meer overeenkomstig het academisch patroon van de verzwakte kloon. Kronos, angstvallig wakend voor zijn troon, vreet diegenen onder zijn kinderen op die hem niet exact zijn evenbeeld weerspiegelen en hem op die wijze het voortbestaan van zijn heerschappij weigeren. Voegen wij er bij wijze van andere waarheid als een koe aan toe dat iedere directeur van een instelling vandaag voldoende in beslag wordt genomen door administratieve en andere taken, zodat de realiteit van de esthetische debatten die aan de gang zijn, en de evaluatiecriteria en drijfveren achter beslissingen van de hem voorafgaande generatie(s), hem in feite ontgaan, hoe intelligent hij ook mag zijn en van welke openheid van geest hij ook blijk mag geven. De verbinding van die twee gemeenplaatsen verscherpt het profiel van de potentiële künstlerische Leiter nog meer: jong, inderdaad, maar zich in een situatie van onmiddellijke en instemmende ouderlijke erkenning bevindend, omdat hij zich nog altijd in het familiale huis ophoudt en een trouwe drager is van de waarden van zijn familiestam. In zo’n context heeft de verloren zoon/dochter weinig kans te worden uitverkoren en wordt de wispelturige wees totaal genegeerd.

Het selectiecomité is enkele keren bijeengekomen, heeft veel getelefoneerd, de socialistische burgemeester van Kassel werd niet herkozen, de Geschäftsführer, verliet het toneel…; tal van subtiele gebeurtenissen hebben zich voorgedaan tot op zaterdag 12 maart 1994 de uiteindelijke beslissing viel. Jean-Christophe Ammanns persoonlijkheid heeft de jury heel duidelijk gedomineerd zonder dat Nick Serota de rol van tegenwicht kon of wilde spelen: “Gesteund (Catherine David) onder meer door een van de leden van de raad van bestuur, Jean-Christophe Ammann…” (“Libération”, maandag 14 maart 1994, p. 42). Voor elke buitenstaander lijkt het zeer verbazingwekkend dat Kasper König het laatste selectieniveau niet heeft gehaald, dat hij geen deel uitmaakte van de groep van vier kandidaten bij de laatste ronde. Was zijn project zo zwak, zo onbetekenend dat het die uitschakeling wettigde? Je moet wel erg naïef zijn om te geloven dat op dat niveau van de besluitvorming enkel objectieve criteria inzake de geldigheid van de voorstellen de keuzen van een jury bepalen. Königs gezag, ervaring en formaat verdienden een andere behandeling, tenzij het van in den beginne duidelijk de bedoeling van de jury was om een beroep te doen op een directeur van veertig jaar én daarenboven van het vrouwelijk geslacht. Hoe is het anders uit te leggen dat in dat laatste stadium de voorkeur uitging naar Catherine David in plaats van naar de directeur van Witte de With? Chris Dercon behoort niet tot mijn vrienden, en ik koester spontaan zeker meer sympathie voor Catherine David. Maar in het geval van een besluitvorming stoelend op een ernstig onderzoek van ieders loopbaan, van hun respectieve plaats binnen eenzelfde kunstscène, kan het feit dat de keuze op Catherine David viel, enkel op grond van haar vrouwelijke identiteit worden gerechtvaardigd. Ik wil mij geenszins onhoffelijk tegenover haar opstellen, maar de aankondiging van haar benoeming heeft tal van reacties van ongeloof, van hilariteit, en zelden van spontane goedkeuring teweeggebracht. Die belangrijkste reacties waren afkomstig van zoveel verscheidene groepen, generaties en landen dat er rekening mee kan worden gehouden. Mij troffen steeds weer terugkerende overwegingen in de zin van: “zij heeft (nog) niets gedaan”, “zij heeft nooit de verantwoordelijkheid gedragen voor een instelling, hoe kan zij instaan voor de leiding van Documenta?”, “zij kan niet accrocheren”, … enzovoort. Aan die op zich al bittere kritiek worden in Frankrijk nog wredere commentaren toegevoegd. Misschien wordt hier een geschil uitgevochten waarvan de oorsprong moet worden gezocht in een vermeende verklaring van Catherine David te Toronto, waar zij zou hebben gesteld dat er in Frankrijk, op enkele zeldzame gevallen na, geen kunstenaars zijn. Ik geloof dat al die opmerkingen zeer onterecht zijn, en al voorbijgestreefd in de mate dat de hamvraag is te weten wat zij zal doen. Als bij toeval al die kritiek voor goede munt moet worden aangenomen, zouden we ze ook op tal van andere curatoren moeten toepassen en moeten erkennen dat wij niet ophouden te verwijzen naar de mythe van Documenta, dé referentietentoonstelling bij uitstek die de meest hedendaagse scheppingen en haar beste vertegenwoordigers onder de leiding van de meest verdienstelijke curator rechtvaardigt. Dat ressorteert allemaal onder het absolute domein van het fantasma en van de historische manipulatie. Geen enkele Documenta-manifestatie, zelfs niet die van Szeemann, heeft ooit aan die fantasmagorische projectie beantwoord. De keuze van de volgende directeur is dan ook een andere waard.

Wat kan de inhoud van Documenta X worden? Bij ontstentenis van een antwoord van Catherine David biedt enkel het bestuderen van haar tentoonstellingsprogramma en haar teksten mij de mogelijkheid enkele algemene kenmerken af te leiden. Ze lijkt zich meer thuis te voelen bij de geklasseerde kunststromingen dan in de behandeling van een brede actualiteit die de jaren ’80 en het begin van het aan de gang zijnde decennium zou omvatten. Merkwaardigerwijze is een belangrijk deel van haar tentoonstellingen gewijd aan kunstenaars die al gestorven zijn. Antwoordde zij niet op de vraag van Chantal Pontbriand over de selectie van de kunstenaars van “Désordre” (Tunga, Mike Kelley, Jana Sterbak, Nan Goldin,…): “Een zekere moeheid…”, of nog, in de interviewtekst van “L’époque, la mode…”: “Als je de jongste tien jaar overschouwt, is het anderzijds interessant op te merken dat het begrip actualiteit op apegapen ligt…”? Na de lectuur van haar gesprek met Chantal Pontbriand zou ik geneigd zijn te verklaren dat haar standpunten in hun geheel genomen symptomatisch zijn voor een bepaald conformisme, zelfs voor een bepaald “links” cultureel conservatisme. Kijkt het voornamelijk panamerikaans solidariteitsgevoel met de Derde wereld waarvan zij blijk geeft, nog naar de werken? (Chantal Pontbriand: Tunga heeft een Zuidamerikaanse gevoeligheid. Mike Kelley is Amerikaan van Ierse afkomst. Jane Sterbak is van Tsjechische afkomst…); in haar recentste tentoonstelling komt de jonge, Iraanse kunstenares - of van Iraanse afkomst - in werkelijkheid over als een sub-Bertholin. In 1988 reageerde zij nochtans zeer heftig op Jean-Hubert Martins “Magiciens de la Terre”: “Gisteren Indië en Japan, vandaag de Russen van de glasnost en de Spanjaarden van de movida, binnenkort Brazilië… om niet met nobele bedoelingen in de minder nobele kaarten van allerlei nationalismen en kolonialismen te spelen…”. Wedden dat zij vandaag beter de ateliers van de jonge Braziliaanse kunstenaars kent dan die van jonge Franse of Duitse kunstenaars. De verwijzing naar het lichaam, misschien een teken van New Age, is voortdurend aanwezig (“Ik denk dat Nauman nooit een minimalist is geweest. Als er één stroming is waarmee hij geïdentificeerd kan worden, dan is het de body art…”), evenals de afwijzing van een bepaald type hedendaagse cultuur die schatplichtig is aan het “communicationele”, aan de design, aan alles wat tot het domein van de Low Culture behoort. De arme Serge Daney fungeert dan als figuur van de waarheid. Indien de kunst een nieuw sediment zou moeten krijgen, zou dat moeten gebeuren via contact met twee nobele uitdrukkingsvormen: de Literatuur en de Film (“Der Spiegel”, nr. 12, 21 maart 1994: “Ik zal dat (een kunstsupermarkt-Documenta) beletten, geef mij de gelegenheid u te verrassen. De zogenaamde grensgebieden van de kunst, de literatuur, de film, enzovoort, kunnen zich plots in het centrum bevinden.”). Zou zij feministe zijn? Ja, misschien, hoewel zij dat niet als zodanig claimt; wij merken dat ternauwernood hier en daar, tussen de regels door. Maar dat feminisme is zeker niet het feminisme van de Guerilla Girls. Ik kan mij voorstellen dat, behoudens verrassing, Documenta X zich rond die enkele algemene trekken zal afspelen, tenzij de directeur ons van het tegengestelde overtuigt! Veel geluk met Documenta X, Catherine, en vooral met wat na Documenta komt.

 

Vertaling: Willy Devos