Harm Lux

DE WITTE RAAF

Editie 48 maart-april 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Brainstorming

Hoe ga je met jonge kunstenaars om? Eigenlijk ben ik niet op zoek naar jonge kunstenaars. Ik heb zeer lang het tegenovergestelde beweerd, en gebruik soms nog deze versleten formule om niet opgesloten te geraken in het logge tentoonstellingsapparaat of me te bevrijden van verstikkende structuren.

Tijdens de voorbereiding van mijn tentoonstellingen voel ik me steeds weer verplicht enkele maanden te reizen, te kijken en te luisteren, en aandachtig te zijn voor veranderende of nieuwe vormen, betekenissen en houdingen van jongere kunstenaars. Zo organiseren Sue Cramer en John Nixson, curators en kunstenaars, voor mij atelierbezoeken in Melbourne en Sidney, en introduceren Yuko Hasegawa en Kenjiro Okazaki, eveneens curators en kunstenaars, me in ateliers in Tokyo. Ze letten er op dat het programma niet overladen is, laten altijd twee of drie dagen open, voor kunstenaars waarvan de namen tijdens onze gesprekken vallen, voor dansgroepen, voor schrijvers, voor een bezoek aan de departementen sociologie en filosofie van plaatselijke universiteiten waar we in contact trachten te komen met actuele visies en discussies.

Afgelopen week bezocht ik twee kunstenaars die uitgenodigd werden om een jaar in Künstlerhaus Bethanien te Berlijn te werken. Het werk van de uit Chicago afkomstige, tweeëntwintigjarige kunstenares Jennifer Friedrich leek sterk beïnvloed door von Sacher-Masow en Francesca Woodman. Ik dacht dat haar werk ook schatplichtig was aan het oeuvre van het duo Perlman/Dunning, waarvan zij gedurende twee semesters in 1989 en 1990 de cursus “Law, Language and Perversion” onderwezen kreeg. Ook dit was een totaal verkeerde inschatting. Kort daarop sprak ik de achtentwintigjarige Duitser Olav Westhalen, die aan de universiteit van San Diego doceert. Hij bereidt zijn master degree voor en maakt utopische, fluxusachtige werken vanuit een analytische background. Enkele jaren geleden had ik beide onmiddellijk voor een tentoonstelling uitgenodigd. Nu koop ik alleen enkele werkjes voor mijn eigen collectie en geef ik niet meer zo snel toe aan deze innerlijke drang om hun werk meteen te tonen.

Waarom jonge kunstenaars niet onmiddellijk meer tonen? Een kunstenaar, een kunstenares die je ten zeerste waardeert, slorpt enorm veel tijd op. Je moet hun werk onder controle hebben, je moet gelezen hebben wat zij gelezen hebben. Men dient op alle niveaus correcties aan te brengen, en suggesties te doen. Als curator ben je dienstverlenend bezig, je observeert, je houdt ook rekening met het werk van andere kunstenaars en die afstand geeft je de mogelijkheid het werk te toetsen aan veranderende wereldbeelden en evoluerende opvattingen. Dat geeft je het recht om in te grijpen. Je bent tot op zekere hoogte medewerker. Wie als curator niet ingrijpt, wie niet actief meedenkt, wie klakkeloos accepteert wat de kunstenaars leveren - ook al is hij of zij relatief bekend - heeft de verkeerde job gekozen.

Laten we wel wezen, vele kunstenaars worden een beetje vervelend als ze langere tijd op de kunstscène actief zijn en alleen nog voor een klein groepje - de kenners - werken (wat overigens hun goed recht is). De meesten produceren meer van hetzelfde, of alleen nog maar minimale verschillen (en houden daarmee gelijke tred met de doorsnee maatschappelijke ontwikkelingen), bevestigen alleen de verhoudingen zoals ze zijn. Zij hebben na verloop van tijd dan ook wat te verliezen omdat zij zich onbewust de gehele tijd met het gangbare systeem geïdentificeerd hebben.

Een kunstwerk dat jou, mij, ons allen aangaat, dat is waar ik naar op zoek ben. Iedere categorisering doet afbreuk aan deze idee. Ik zoek substantiële werken, vitale werken, werken die ons iets geven, werken waarmee wij verder kunnen werken, die ons verder kunnen ontwikkelen. Hoeveel beelden die iedere dag op de markt komen, en die men kunstwerken noemt, zijn dat?

 

Classic Place Bangkok 2.2.94.