Bart Keunen

DE WITTE RAAF

Editie 47 januari-februari 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het project Vertoog en Literatuur volgens ...

Cahier 3 Provincialismen/Ontworteling

De redactie van “Vertoog en Literatuur” opent elk cahier met een toelichting: “De thema’s die aan de auteurs werden voorgesteld zijn niet het eigendom van één discipline. Het zijn geen literaire of sociologische of politieke thema’s maar open thema’s, die op zeer verschillende wijzen behandeld kunnen worden. Ze zijn niet aan de actualiteit gebonden, maar raken ze- zoals uit de bijdragen zal blijken - soms diep in de flank.”  Om de nobele objectieven van het project te evalueren, lijkt het me gerechtvaardigd criteria te hanteren die even hoog gegrepen zijn. Mijn lectuur van “Provincialismen/Ontworteling” draagt de sporen van een bewondering voor het actualiteitsgebonden Duitse essay van het interbellum (Benjamin, Hessel, Krauss, Kracauer). In die traditie wordt er evenmin gekozen tussen literatuur, politiek of cultuurfilosofische reflectie; integendeel, men poogt verscheidene ‘disciplines’ in een (aan het gestelde probleem) aangepaste dosering te vermengen. Dat zulke essays steeds aanleiding geven tot nadenken is te danken aan de stimulerende vermenging van een haast literaire sensibiliteit met een sterk politiek bewustzijn. Men weigert weliswaar te kiezen tussen deze of gene maatschappelijke positie, maar dit “eeuwig weifelende” wil tegelijk fungeren als een antidotum voor politieke onverschilligheid. In tegenstelling tot de bijdragen in “Provincialismen/Ontworteling” zijn de essays van Krauss of Kracauer steevast doordrongen van een kritische houding. Hoewel zij zich zelden laten verleiden door eenduidige politieke recepten, verliezen zij de maatschappelijke en culturele horizon nooit uit het oog. 

Die vormen van ‘essayisme’ lijken op het eerste gezicht verwant aan de intenties van de redactieraad. De verantwoordelijken van het project vragen immers naar “de plaats van kunst en de manier waarop men hier met cultuur omgaat”. Toch is er een belangrijk verschil: terwijl de cahiers een verzameling vormen van verschillende tekstgenres (poëzie, kritiek, verhaal, tekstcommentaar, essay, etc.) is de essayistische tekst uit de jaren ’20 op zichzelf een ‘werkplaats’ met verschillende ingangen en (nood)uitgangen. Cahier 3 is vanuit dit perspectief een gemiste kans. Het is teveel een verzameling van academische tekstcommentaren, academische kritieken en academische essays geworden. “Vertoog en Literatuur” plaatst - letterlijk en figuurlijk - een specifieke vorm van vertoog naast de literatuur. Dat lijkt me de belangrijkste reden waarom het project geen provocatieve onderneming is geworden.

Men wenste de Vlaamse kunstwereld uit te dagen, haar te confronteren met de complexiteit van culturele vraagstukken. Dit is ook wenselijk, omdat de Nederlandstalige literatuur bijvoorbeeld elke voeling met het (oude of recente) cultuurtheoretische debat heeft verloren en omdat literatoren hier te lande alleen de (afilosofische) reflecties van hun confraters ernstig nemen. Terwijl Europese auteurs in het verleden geregeld toegaven aan het verlangen om hun artistieke werk in te bedden in het bredere kader van de cultuurproduktie, lijdt de regionale letterenscène aan een acute vorm van intellectueel provincialisme. Misschien gaat het om een internationale tendens, want de opmerkingen van Nathaniel Tarn over avant-gardeliteratuur lopen parallel met mijn onbehagen over de globale Vlaamse literaire situatie. Tarn heeft het over “incestueuze situaties waarin de enige kunstconsumenten de producenten ervan zijn en waarin elke relatie tussen de kunstproducent en het bredere publiek (ik zou zo’n traditionele verhouding een huwelijksrelatie noemen) sterk is afgenomen” (p. 47). Het fenomeen dat Tarn beschrijft is weliswaar niet nieuw - in de literatuurgeschiedenis treedt het op sinds 1850 - maar in sommige periodes manifesteert het zich sterker dan in andere. Bovendien is Tarns analyse ook van toepassing op auteurs die zich weigeren uit te laten over de rol van literatuur in de regionale of internationale cultuur. Overal waar die situatie zich radicaliseert, kunnen cultuurconsumerende buitenstaanders een tegengewicht uitoefenen.

“Vertoog en Literatuur” had alle troeven in handen om de gedroomde knuppel in het hoenderhok der letteren te worden. Omdat de auteurs zowel buiten de literaire produktie als buiten de literaire kritiek staan, leken zij uitverkoren voor de rol van intrigant. Wanneer men echter de bijdragen bekijkt, blijkt dat de provocatie weinig om het lijf heeft. De reden voor die zwakheid ligt bij de onevenwichtige keuze voor ‘buitenstaanders’ die deel uitmaken van een al even parochiale sector van het cultuurleven: de academische wereld. Men heeft zich al te zeer gefixeerd op de hegemonie van een afilosofisch klimaat en daar tegenover een trots statement willen poneren. Met opgeheven hoofd wil men aan bod brengen wat in de meeste artistieke disciplines ontbreekt: reflectie. De bekende slogan van Antwerpen 93 parafraserend, zou men de vraag van “Vertoog en Literatuur” kunnen omschrijven als “Kan intellectuele reflectie de culturele wereld redden?”. Indien de intellectuele reflectie zich aan de eisen van het academische vertoog houdt, lijkt dit bij voorbaat uitgesloten. Nu wil ik de noodzaak van academische reflectie over cultuur niet in vraag stellen, veeleer gaat het me om de vaststelling dat de meeste bijdragen in Cahier 3 er niet in slagen om uit te stijgen boven de enge grenzen van het specialisme. Nochtans lijkt me juist dat de vereiste om tot cultuurkritische essays te komen.

Cahier 3 bevat enkele bijdragen die de geest van het cultuurkritische essay uitdragen. De teksten van György Konrád, Pierre Mertens en Rudolf Boehm bieden persoonlijke reflecties op een heet hangijzer: de toekomst van de democratie in het nieuwe, door nationalismen geplaagde Europa. Toch zijn zij te weinig doordrongen van wat ik het “eeuwig weifelende” noemde. De essayistische tekst uit het interbellum steunde op de gelijkberechtiging van twee schijnbaar tegengestelde strategieën: de esthetische aandacht voor het concrete detail en de theoretische interesse in historische en maatschappelijke ontwikkelingen. De subjectieve blik - die Benjamin omschreef als “het spoor van de verteller” - is een wezenlijk bestanddeel van de essayistische provocatie. Die persoonlijke stem is echter meer dan een persoonlijke ‘mening’. Voor Benjamin is de wandeling de grondvorm van het essayistische schrijven, omdat zich in de verstrooide aandacht van de flaneur  verbazingwekkende details en storende kleinigheden openbaren. Geen van de drie genoemde auteurs hanteert de methode van de wandeling; zij houden zich aan de eisen van het ‘Verlichte’ essay. Zonder de waarde van ‘Verlicht’ gedachtengoed te betwijfelen, geloof ik dat het Benjaminiaanse essay een alternatief kan bieden voor de diepgaande, maar ietwat steriele analyses van grote politieke problemen. Aan de oppervlakte van de Europese cultuur vindt men heel wat betekenisvolle verschijnselen die een ‘diep’ inzicht in de westerse cultuur mogelijk maken. Ik denk hier aan het paradoxale samengaan van grootstads- en discotheekeuforie met de hang naar (ecologische en fysieke) gezondheid. Zulke observaties kunnen cultuurproducenten eventueel aansporen tot filosofische reflectie, of hen op zijn minst confronteren met andere dan psychologische of estheticistische problemen.

Het ‘Verlichtingspathos’ is in de andere essays niet te bespeuren. Evenmin vindt men er het persoonlijke verhaal van de kritische essayist. Afgezien van de duidelijk subjectieve fascinatie voor originele en authentieke theoretische problemen, moet men vaststellen dat de blik in deze teksten niet gedragen wordt door vertellers. Zij dragen veeleer het spoor van de academicus. De teksten analyseren weliswaar op heldere en erudiete wijze diverse aspecten van het thema: het vertoog van het politieke nationalisme (Jean-Yves Guiomard), de antropologische vraagstelling omtrent centrum en periferie (Rudi Visker), de filosofische (ont)wortelingsvertogen van Heidegger en Levinas (Dirk De Schutter), de literaire metafoor van de wortel en de literaire worsteling met decadentie (Viviane Liska), de spanningsverhouding tussen de aarde en het sublieme in de romantische lyriek van Wordsworth (Ortwin De Graef) en de narcistische heimweegevoelens die uit een psychoanalytische zelfanalyse opborrelen (Rudolf Bernet). Maar op deze bijdragen kan men nauwelijks anders dan academisch reageren: men is voortdurend geneigd bemerkingen neer te schrijven in de (bewust ruim opgevatte?) marge van het boek.

Enkele teksten stijgen uit boven het academische specialisme of het politieke verlichtingsdenken omdat zij de gevoelige snaar van onze culturele mythes raken. Zo vindt de Poolse auteur Marian Pankowski in herinneringen aan het Poolse platteland de sporen van een historisch geworteld anti-semitisme. Nathaniel Tarn spreekt - duidelijk beïnvloed door Franse denkers - over de insluitings- en uitsluitingsstrategieën die door cultuurproducenten worden aangewend om hun rijk af te schermen van provinciale indringers. Voor het imago van de Amerikaanse cultuurproducent stond dezelfde Odysseus model die Deleuze ooit definieerde als de eeuwige “homo universalis”: het blanke, heterosexuele, welopgevoede en relatief godvrezende en mannelijke subject. Tarn problematiseert dit imago door zich af te vragen hoe dit cultuurideaal zich kan handhaven in een samenleving die al lang geen smeltkroes, maar veeleer een patchwork van minderheden is geworden. Pierre Sansot concentreert zich op de belangrijkste maatschappelijke basis van het provincialisme: de mythomanie.

Toch ontberen ook de analyses van Sansot, Tarn en Pankowski voeling met actuele affecten. Zij verleiden de lezer er niet toe om bepaalde ontwikkelingen als lijflijk ervaarbare en concreet waarneembare problemen op te vatten. Essays zijn volgens de literatuurwetenschappelijke specialisten (Rohner, Kähler, Bachmann) familie van het rethorische vertoog. Een prikkelend essay verstaat de kunst om een dialoog te openen aan de hand van persoonlijke ervaringen. Niet de dialoog met andere specialisten, maar het poneren van een ‘mening’ die de communicatie met een breder publiek van cultuurproducenten en -consumenten op gang brengt: “Meningen zijn voor het reuzeapparaat van het maatschappelijke leven wat olie is voor machines. Men plaatst zich niet voor een turbine en overgiet hem met machineolie; men spuit een beetje in de verborgen voegen en plooien die men kent” (Benjamin). De essayist is voor Benjamin zowat de strandjutter van het maatschappelijke leven. Tijdens de essayistische wandeling verzamelt de auteur “documenten”, gestolde culturele expressies die in de tekst het uitgangspunt zullen vormen van de persoonlijke reflectie. Vaak gaat het om maatschappelijke of historische trauma’s: het verlies van symbolische waarden, het gedwongen collaboreren met de ruilwaarde, de medeplichtigheid van de cultuur met de ‘onderdrukkers’, de zucht naar goedkope sensaties, etc...  “Voyage à Paris”, het filmessay van Jef Cornelis en Rudi Laermans (opgenomen in “Nouvelle Synthèse d’Anvers”) illustreert zulke fenomenen uitstekend. “Voyage à Paris” geeft prioriteit aan de documentaire blik. Hoewel men zeker in enkele essays iets terugvindt van de “kennis van plooien in de maatschappelijke machinerie”, wordt er teveel aan de creativiteit van de lezer overgelaten. Een ijverige lezer kan de gegevens die in de verschillende bijdragen uitgestrooid werden, combineren en hieruit enkele interessante problemen distilleren. Het is boeiend om de grondige studie van de romantische fundamenten in Wordsworths poëzie (Ortwin De Graef) te verbinden met de analyse van het Poolse nationalisme (Marian Pankowski) en met de ideeënhistorische hypotesen van Jean-Yves Guiomar. Alleen al het feit dat dit mogelijk is, versterkt mijn overtuiging dat Cahier 3 een gemiste kans is.

De essayistische houding werd door Kracauer, Benjamin, en Adorno beschouwd als de noodzakelijke vooronderstelling voor elke artistieke reflectie binnen de kapitalistische of gerationaliseerde samenleving. Prioritair voor een cultuurfilosofische studie was de reflectie op de “abstract geworden levensvoorwaarden van de moderniteit”. Indien die vorm van nadenken het doel van “Vertoog en Literatuur” was geweest, was men er misschien in geslaagd de culturele reflectie in Vlaanderen te olieën. Het thema bood daartoe in ieder geval alle kansen. Dat Cahier 3 op geen enkele manier de culturele conditie van de Westerse wereld in beeld brengt, getuigt van een crisis bij de Vlaamse intellectueel die ernstiger is dan het door de redactieraad betreurde gebrek aan culturele reflectie. “Vertoog en Literatuur” is zelf een symptoom van een cultuurcrisis die alle sectoren (parochies) van het culturele leven aantast: men heeft de persoonlijke voeling met de problemen en trauma’s binnen het maatschappelijke veld verloren. Een diep ‘gewortelde’ politieke ervaringsarmoede weerhoudt intellectuelen ervan om cultuurkritiek af en toe prioriteit te verlenen. Misschien is dit te verklaren als een overspannen reactie op de naïeve roep om ‘geëngageerde kunst’. De provocatieve kracht die het cultuurkritische essay kan ontwikkelen is echter niet gelegen in expliciete statements omtrent grote maatschappelijke veranderingen -  het overgieten van de turbine met smeerolie is namelijk zinloos - maar in de manier waarop de verstrengeling van maatschappelijke en individuele ervaringen wordt getoond.  Het ontbreekt “Vertoog en Literatuur” aan moed. De moed om te spreken over maatschappelijke crisiservaringen waarover de intellectueel - wars van de overtuiging dat het zijn specialiteit te buiten gaat - iets wil vertellen omdat hij erdoor wordt uitgedaagd. Het zijn zulke reflecties die literatoren kunnen stimuleren om naast hun schoenen te lopen, om zich te wenden tot die affecten die cultuurfilosofische relevantie bezitten. Gilliams vormde het uitgangspunt voor het derde cahier en me dunkt dat het ook het eindpunt is geworden: “Ik verplaats me niet graag meer; ik laat me niet graag meer verplaatsen. Mijn stad krimpt als het ware tezamen; mijn melancholie hoort nog maar thuis in een steeds kleiner wordend aantal straten. Ik zal ermee eindigen mijn woning niet meer te verlaten.” (p. 11) Indien het essay in het beste geval de vorm aanneemt van een wandeling, dan zou de stadswandeling model kunnen staan voor een kritisch nadenken. De stad als symbool voor een moderne samenleving kan als referentiepunt fungeren om zich vragen te stellen over de plaats van de kunst en de kunstenaar in die moderne cultuur. Ontworteling en provincialisme kunnen pas effectief worden omschreven door essayisten die in de stad op wandel gaan. Zo beschouwd zijn de bijdragen over dit thema in het derde cahier eerder huiskameroefeningen.

 

“Provincialismen/Ontworteling” bevat bijdragen van Rudolf Bernet, Rudolf Boehm, Ortwin De Graef, Dirk De Schutter, Maurice Gilliams, Jean-Yves Guiomar, Nedim Gürsel, Martin Heidegger, György Konrád, Viviane Liska, Pierre Mertens, Marian Pankowski, Pierre Sansot, Nathaniel Tarn en Rudi Visker.