Marc Dubois

DE WITTE RAAF

Editie 55 mei-juni 1995

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Van Casino tot Museum

In zijn boek “Architettura della città” maakt architect Aldo Rossi de vergelijking tussen een stad en een menselijk lichaam. De huizen waarin we wonen, vormen het weefsel; gebouwen met een collectief programma zijn de organen. Stations, stadhuizen en musea zijn ook de artefacten waarmee wij de steden in ons geheugen vasthouden. We bouwen, verbouwen en slopen continu. Onze gebouwde omgeving is een genadeloze spiegel van onze samenleving, zij visualiseert de verhouding tussen individu en gemeenschap. De plaatsen waar gebouwen worden opgetrokken, zijn dan ook de resultaten van opeenvolgende opties die we hebben genomen. Daardoor krijgen bepaalde locaties in steden een complexe geladenheid.

Een dergelijke site in Gent is het Citadelpark, eens een open gebied buiten de stad. Tijdens het Hollandse bewind bouwt men er één van de grootste en modernste bolwerken in Europa. De militaire constructie met een vijfhoekig grondplan was reeds achterhaald toen zij werd opgeleverd. De inplanting definieerde echter de aanleg van een stadspark met daarrond een nieuwe stedelijke uitbreiding. Aan de rand van dit stadspark bouwde het stadsbestuur in 1900 haar Museum voor Schone Kunsten naar een ontwerp van de stadsarchitect Charles Van Rysselberghe. Een magistraal gebouw, een meesterlijke variant op het 19de-eeuwse museumtype. De wijze waarop de zalen met elkaar zijn verbonden en de perfecte lichtbeheersing maken dit gebouw tot een monument. Veel mensen weten niet eens dat het complex in twee fasen werd opgetrokken. Het gedeelte waar het Museum van Hedendaagse Kunst sinds 1975 een tijdelijk onderkomen heeft gekregen, dateert uit 1912. Alleen al in het ruimtelijk raffinement tussen deze twee bouwfasen toont Van Rysselberghe dat hij een groot bouwmeester was. 

De ambitie van Gent om in 1913 een grote internationale tentoonstelling te organiseren is bepalend geweest voor de toekomst van het Citadelpark. Het Floraliënpaleis, opgetrokken naar een ontwerp van Oscar Vande Voorde, zat letterlijk geklemd binnen de vijfhoek van de militaire omwalling. In de loop der jaren onderging het complex ingrijpende transformaties zonder een globale visie, om uiteindelijk haar oorspronkelijke bestemming definitief te verliezen met de bouw van Flanders Expo. Het zoeken naar een nieuwe bestemming stond in de jaren ’80 herhaaldelijk op de agenda van het Gentse stadsbestuur.

Sinds de oprichting in 1957 van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst wordt in Gent gepleit voor een volwaardige huisvesting. Vanaf 1975 wordt het museum voorlopig ondergebracht in het Museum voor Schone Kunsten. Deze cohabitatie heeft zwaar te lijden onder een nijpend plaatsgebrek. Reeds bij de aanvang was het voor iedereen glashelder dat het samenwonen van twee musea in een te klein gebouw een onhoudbare situatie zou worden. Met de tentoonstelling “Museum zoekt museum” in 1983 gaf Jan Hoet een overzicht van de recent in Europa gebouwde musea en toonde hij een aantal banale ontwerpen van vader en zoon Bontinck voor de Gentse musea. Met deze expositie wilde Hoet ook de politieke besluitvorming beïnvloeden, het was een expliciete vraag naar een autonome huisvesting. Concreet leverde deze protesttentoonstelling niets op, met vage beloftes werd Hoet het bos ingestuurd. Nieuwe hoop leefde op in 1987 toen op initiatief van professor Vermeersch van de Gentse Universiteit het initiatief werd genomen om een meervoudige wedstrijd te organiseren. De architecten Aldo Rossi, Tadao Ando, Frank O. Gehry zegden hun deelneming toe, de budgetten waren voorzien maar in extremis werd het opzet door Hoet geaborteerd. Hoet liep naar eigen zeggen met het idee rond een kunstenaar te vragen als ontwerper. Ervaarde Hoet de samenwerking met architecten met enige faam als een bedreiging? Het heeft er alle schijn van. Vervolgens ontstond het idee om de Sint-Pietersabdij te verbouwen, een voorstel dat gelukkig vlug werd gekelderd. Het was weer even wachten op een nieuwe locatie voor het Museum. Met het Casino - onderdeel van het Floraliëncomplex - lijkt die nu eindelijk in zicht. Eind december werd het verbouwingsproject van architect Koen van Nieuwenhuyse goedgekeurd door het stadsbestuur. Op 4 maart werd het aan de pers en belangstellenden gepresenteerd.

Voor zijn onvolprezen Documenta IX te Kassel deed Jan Hoet een beroep op de Gentse architecten Paul Robbrecht en Hilde Daem. De wijze waarop zij Hoets concept van “displacement” in de tijdelijke Aue-paviljoenen architectonisch hebben geïnterpreteerd, getuigt van een intelligent architectonisch inzicht. Het leek in de lijn van de verwachtingen te liggen dat Hoet voor de verbouwing van zijn nieuwe behuizing eveneens een beroep zou doen op deze talentvolle architecten die ondertussen een internationale waardering genieten met hun werk. Om onverklaarbare redenen schuift Hoet hen nu echter terzijde en neemt hij genoegen met een ontwerper-ambtenaar die door het stadsbestuur wordt opgelegd. Architect Koen Van Nieuwenhuyse realiseerde de verbouwing van de Gentse bibliotheek, toch geen voldoende referentie om een belangrijke opdracht als een museum te verwerven. Met deze beslissing verloochent het stadsbestuur ook haar eigen beleidsverklaring. In het verkiezingsprogramma van de huidige burgervader Frank Beke staat letterlijk te lezen dat men voor de belangrijkste projecten zal opteren voor een architectuurwedstrijd en dat men aandacht zal besteden aan architectonische kwaliteiten. Zelfs de verplichte Europese norm om bij grote projecten wedstrijden te organiseren lapt het stadsbestuur aan haar laarzen. Door de opdracht toe te vertrouwen aan een stadsambtenaar bekent men eigenlijk deze opdracht slechts als een onbenullige klus te beschouwen die door om het even welke architect geklaard kan worden.

Dat men het Casino tot een museum wil verbouwen is verdedigbaar. Het Museum van Hedendaagse Kunst blijft bovendien in de directe nabijheid van het Museum voor Schone Kunsten, een boeiende optie. Tijdens de presentatie van het ontwerp op 4 maart bleek duidelijk dat het voorontwerp zware onvolkomenheden omvat. Jan Hoet gaf openlijk toe dat het probleem van het daglicht in de centrale ruimte niet is opgelost. Men kan begrip opbrengen voor Hoets standpunt om vanaf het begin het publiek te informeren, anderzijds is het onbegrijpelijk dat een ontwerper een voorstel publiek toelicht waaruit blijkt dat de meest elementaire zaken qua licht en ruimte niet eens voldoende zijn bestudeerd. In zijn ontwerp wil Van Nieuwenhuyse teruggrijpen naar de oorspronkelijke toestand van het Floraliënpaleis. Hij introduceert twee torenvolumes met een cirkelvormig grondplan om de symmetrisch geordende zalen op de hoeken met elkaar te verbinden. Hiermee refereert hij aan de cirkelvormige zaalverbindingen van Van Rysselberghe. Wie echter het bestaande museum goed bekijkt, zal vaststellen dat niet overal cirkels zijn toegepast en dat dit nooit gebeurt ten koste van de aanpalende ruimtes. Bij Van Nieuwenhuyse ligt dit compleet anders, de cirkels zijn zo dominerend dat er bij de kleinere zalen veeleer restruimtes ontstaan. Zijn oplossing staat veraf van de subtiliteit die Van Rysselberghe wist te bereiken. Het verhaal van de ontwerper bij de presentatie was schraal en getuigde van weinig visie op het gebouw. Van een goed ontwerper verwacht men dat hij de negatieve aspecten weet om te buigen in zijn voordeel. In het op 4 maart gepresenteerde ontwerp is dit zeker niet het geval, het laat weinig goeds vermoeden. Meer valt er niet te vertellen over het ontwerp!

Op amper vijf jaar van zijn afscheid wil Jan Hoet vlug zijn droom realiseren, zelfs al moet hij veel compromissen sluiten. Het blijft een open vraag waarom Hoet, toen hij in de internationale belangstelling stond als künstlerische Leiter van Documenta, niet harder met zijn vuisten op tafel heeft geklopt om zijn museum te bekomen. Het is ook onbegrijpelijk dat hij in 1987 de architectuurwedstrijd liet annuleren terwijl hij herhaaldelijk waardering betuigde voor Rossi en Gehry. Het argument dat men in Gent maar beperkte budgetten heeft, gaat niet op. Beide architecten toonden dat zij in hun kleine projecten groot zijn; intrinsieke kwaliteit heeft niets met schaal te maken. Voer voor psychologen is ook Hoets uitgesproken afkeer voor architecten, terwijl de directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht wel een open dialoog met Rossi wil en kan aangaan. Het is alsof Hoet architecten met visie als een bedreiging ziet voor zijn collectie of voor kunst in het algemeen. Hij heeft gelijk wanneer hij stelt dat veel architecten opzichtige gebouwen maken waarin de kunst elke levensruimte wordt ontnomen. Anderzijds weet hij ook dat een gebouw met een sterk ruimtelijk concept, zoals het gebouw van Van Rysselberghe, evenzeer potenties bezit om inventief om te gaan met kunst. Na jaren wachten en veel beloften moet hij nu de zaak klaren met een stadsambtenaar die in zijn werk niet voldoende blijk heeft gegeven van architectonisch inzicht.

Het meest pijnlijke in dit verhaal is de houding, zelfs het misprijzen van het stadsbestuur. De keuze is niet enkel een aanfluiting van haar eigen beleidsopties, zij etaleert een eng provincialistische attitude. Een stadsbestuur, dat met het megalomane Urbis-gedrocht aan Gent-Zuid staat te pronken op een internationale beurs te Cannes, en gelijktijdig een museumopdracht doorschuift naar een ambtenaar geeft blijk van een visieloos beleid op het vlak van architectuur. In geen enkel buurland wordt een museumopdracht binnenskamers geregeld, ofwel organiseert men een wedstrijd ofwel zoekt men naar een talentvolle ontwerper. Hopelijk ziet de volgende Minister van Cultuur in dat een stadsbestuur dat zo lichtzinnig omgaat met belangrijke openbare gebouwen geen overheidssteun hoeft te krijgen. In de Vlaamse regeringsverklaring staat te lezen dat architectuur een wezenlijk deel is van cultuur. Gent maakt er een lachertje van, een schaamteloze vertoning, een Europese stad onwaardig.

Dat men in Vlaanderen belangrijke publieke opdrachten geeft aan architecten die met hun werk niet eens de grenzen van de provincie overschrijden is een schrijnende vaststelling. Zowel de verbouwing van een graansilo tot het MUHKA - een creatie van Michel Grandsard waarvan de keuze begrepen was in de aankoop van het gebouw - als de aanpassing van Eysselincks S.E.O.-warenhuis ten behoeve van het PMMK kunnen bezwaarlijk succesvol genoemd worden. In een tijd met een overvloed aan informatie blijft men in Vlaanderen blind voor architectonische kwaliteit. Voorbeelden van intelligente verbouwingen zijn er voldoende en zij tonen ook aan dat begaafde ontwerpers tot zeer boeiende oplossingen kunnen komen, en dit met beperkte budgetten. Stichting De Pont in Tilburg is maar één voorbeeld, een beheerst ontwerp van de architecten Benthem en Crouwel.

Door Hoets inzet bezit Gent een boeiende collectie hedendaagse kunst, terwijl voor de toekomstige huisvesting alles wijst op een grijze middelmaat. Het bouwen of verbouwen van een museum is geen alledaagse opdracht. De kwaliteit van de culturele infrastructuur is essentieel omdat ze een deel wordt van ons toekomstig bouwkundig erfgoed. Het is zelfs de morele plicht van het beleid om voor publieke gebouwen gerealiseerd met gemeenschapsgelden op zoek te gaan naar de meest begaafde architect en hem/haar een kans te geven het patrimonium op een intrinsieke wijze te verrijken. De houding van het stadsbestuur getuigt ofwel van een bekrompen provincialistische kruideniersmentaliteit ofwel van onwil of onvermogen een onderscheid te maken tussen de ontwerpkwaliteiten van architecten. Een stadsbestuur dat in het jaar tweeduizend nochtans de grootheid van Keizer Karel wil vieren, verdrinkt in een bekrompenheid zonder toekomst.