Steven Jacobs

DE WITTE RAAF

Editie 37 mei-juni 1992

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Museum transformed, Design and Culture in the post-pompidou Age

Bespreking van de publikatie van Douglas Davis

Douglas Davis, THE MUSEUM TRANSFORMED, DESIGN AND CULTURE IN THE POST-POMPIDOU AGE; Foreword by Jack Lang; Abbeville Press Publishers; New York, 1990, 238 pp.; 1.980 fr. Dit boek kan nabesteld worden bij Exhibitions International (zie advertentie).

 

Gedurende het laatste decennium deed zich in de Westerse wereld een immense groei voor in de bouw en verbouwing van musea. Elk architect die zichzelf au sérieux neemt, kan voortaan zijn carrière slechts als geslaagd beschouwen wanneer hij een museum aan zijn palmares heeft toegevoegd. Het museum werd iets prestigieus, niet alleen als instituut maar ook als gebouw. Het wordt naar voor geschoven als de kathedraal van onze tijd, de stenen belichaming van onze tijdgeest. Het is dan ook niet te verwonderen dat over dit onderwerp om de haverklap colloquia georganiseerd worden en publikaties verschijnen. Een van de meest monumentale recente studies hieromtrent is ongetwijfeld het boeiende boek van Douglas Davis die de museumboom, die halverwege de zeventiger jaren op gang kwam met het Parijse Centre Pompidou, concreet analyseert aan de hand van een aantal spraakmakende realisaties van architecten als Rogers & Piano, Aulenti, Meier, Isozaki, Pelli, Stirling, Eisenman, Pei, Moneo, Gehry, Kahn, Hollein, Simounet, Maki, etc. - kortom, alle klinkende namen die de recente architectuurgeschiedenis in meerdere opzichten beïnvloed hebben. Het ligt voor de hand dat deze architecten er verschillende visies op na houden, bijvoorbeeld met betrekking tot de wijze waarop plattegronden moeten georganiseerd worden. De voorkeur voor dag- of kunstlicht blijkt al een even grote twistappel. Maar ook ideologisch gaan deze architecten een eigenaardig instituut als “het museum”, waarvan Paul Valéry ooit zei dat alleen een beschaving zonder wellust en zonder verstand in staat is dergelijke gebouwen vol onsamenhangende dingen te bouwen, totaal verschillend benaderen.

Het museum is inderdaad misschien een eigenaardig verschijnsel maar daarbij voegt zich het paradoxale feit dat de museumbouwhausse zich voordoet op een moment dat men van een “crisis” in het museumwezen gewag maakt. Zo is de hedendaagse kunstpraktijk eigenlijk voor een groot gedeelte als een reflectie op, of zelfs tegen het museum in ontstaan. Kunstenaars zoeken, sinds de ontwikkeling van de avantgarde, de straat of zelfs ongerepte woestijnen en schier onbereikbare bergketens op. Het vergankelijke, en dus niet duurzaam tentoon te stellen kunstwerk, of het kunstwerk als idee, als concept, waar nog op een meer radicale manier wordt afgestapt van het kunstwerk als een materieel en dus verkoop- en tentoonstelbaar artefact, zijn alternatieven voor een museumkunst die heel wat sporen hebben nagelaten in ons denken over de produktie en receptie van beeldende kunst. Ook de razendsnelle ontwikkeling van reproduktiemethodes, zoals eertijds Walter Benjamin beweerde, zou de verdwijning van het “auratisch” karakter van het unieke kunstobject met zich meebrengen. Nu moet worden opgemerkt dat het fetisjisme van de waar  met betrekking tot kunstwerken nog nooit zo’n hoge toppen scoorde als in diezelfde jaren tachtig. De implosie van de kunstmarkt tengevolge van de Golfcrisis lijkt daar weinig verandering in te hebben gebracht.

Men zou mogen veronderstellen dat deze wijzigingen op het gebied van de kunst zelf en haar socio-economische context de vormgeving en functie van de musea drastisch beïnvloed hebben. Davis maakt ons echter (impliciet) duidelijk dat de transformatie die de nieuwe musea hebben ondergaan slechts in minieme mate teruggrijpt op ontwikkelingen in de kunstpraktijk. Veranderingen blijken in eerste instantie een gevolg van het feit dat musea door het publiek niet alleen bezocht worden om te kijken of te leren, maar ook om te lezen, kopen, babbelen, slenteren, ontmoeten, eten en drinken. Het toevoegen van deze functies heeft als belangrijkste gevolg dat het oude museumtype niet langer een adequaat antwoord is op de huidige complexe programma’s. Voor de architect is dit een onmogelijke taak, stelt Davis - niet voor niets heet het eerste hoofdstuk van zijn boek The Museum Impossible. De oude museumfunctie, to make artworks work  (Nelson Goodman), lijkt onverzoenbaar met de nieuwe functie die inhoudt dat een massapubliek zijn weg vindt in de paleizen van de vermaakindustrie. Maar in tegenstelling tot iemand als Baudrillard, die in zijn L’effet Beaubourg  stelt dat een instelling als het Centre Pompidou in plaats van kunst te tonen massa’s produceert en dat de massa de kunst tot spektakel reduceert, is in het oordeel van Davis geen misprijzen of onthutsing te bespeuren. Dit alles is voor deze laatste gewoonweg een aspect van onze cultuur waar we niet onderuit kunnen. Het is precies deze onmogelijkheid, deze utopie die het museumontwerp voor een architect zo interessant en zo zwaar maakt als het maken van kunst zelf. Deze paradox is ook terug te vinden in Davis’ opvatting over de zin en betekenis van het museum in onze samenleving. Het is precies de toenemende vulgariteit en oppervlakkigheid rondom ons die ons doet verlangen naar de schoonheid van en in het kunstmuseum. Of zoals Jack Lang, op een wijze die we niet vlug van een Vlaams cultuurminister moeten verwachten, in het voorwoord schrijft, is het het museum die de toeschouwer van de banaliteit van de massamedia isoleert en hem getransformeerd, na het opdoen van een unieke ervaring, terug in de dagdagelijkse wereld stuurt. De architectuur van het museum, niettegenstaande haar nieuwe eisen, blijft dus voor Davis het middel bij uitstek om aan kunst een noodzakelijk aparte plek te bezorgen. Het museumgebouw is er als een onvermijdelijke noodzaak (cfr. Adorno’s tekst Valéry Proust Museum); maar toch nuanceert de auteur aan het eind van zijn boek: “Since this book charts the shift of architectural focus and practice away from the museum-as-temple and toward a broader, more complex set of functions, it is tempting to speculate about the end, in every sense, of shape. If we cannot imagine a time when no one will be interested in building or extending museums of art, science, or history, either could priests and parishioners imagine the end of church building barely one century ago”.