Marc Holthof

DE WITTE RAAF

Editie 56 juli-augustus 1995

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Stereogrammen en de Parijse politie

Of hoe je in drie dimensies voorbij een beeld kunt kijken

1. The Magic Eye

Men noemt ze ‘SIRDS’ (‘Single Image Random Dot Stereograms’) of ‘SIS’ (‘Single Image Stereograms’) of ook wel eens ‘Hollusions’. Zij raakten bekend toen in september 1993 het boek “The Magic Eye” verscheen. Nu zijn ze populair, ja een rage. Stereogrammen prijken nu zelfs als tombola op flesjes Schweppes Tonic: als u na lang staren op een bloemetjespatroon een driedimensionaal kruis ziet, hebt u gewonnen. Een stereogram kan heel simpel zijn: wat kruisjes en nulletjes of letters op een blad waar toch een driedimensionaal beeld in verborgen zit - zoals in bijgaand voorbeeld. Of het kunnen de vreemde, gekleurde, abstracte beelden zijn waarmee men in publikaties als “The Magic Eye” of “Stereograms” het 3D-beeld verbergt.

Stereogrammen zijn zo gemaakt dat onze hersenen diepte menen te zien in een ééndimensionaal beeld. Elk van onze ogen zendt een lichtjes verschillend beeld naar onze hersenen. Op basis van de afwijkingen tussen die twee beelden berekenen onze hersenen dan de ‘diepte’. Zeker met een computer is het niet moeilijk om een stereogram te fabriceren: je neemt een beeld van een object en drukt het twee keer boven elkaar af als een stippenpatroon, maar met een (berekende) verschuiving tussen de informatie. Het is precies die verschuiving die door het oog als diepte-informatie waargenomen wordt. Er bestaat een (relatief) eenvoudige truc om het beeld van een SIRD te zien (in twee dimensies), zonder je ogen suf te proberen instellen op de juiste diepte: je kopieert het beeld tweemaal op een transparant, legt die transparanten keurig over mekaar en verschuift die dan horizontaal een paar centimeter tot het verborgen beeld te voorschijn komt.

 

Van Wheatstone tot Julesz

In feite gaat de nieuwste generatie stereogrammen terug op de stereoscopische beelden die in 1832 uitgevonden werden door Charles Wheatstone en die onder meer een groot succes waren op de eerste wereldtentoonstelling in Crystal Palace in 1851. Bij stereoscopische beelden worden twee lichtjes verschillende beelden door een stereokijker bekeken wat een indruk van diepte veroorzaakt. In een stereogram moet je zonder kijker met twee ogen een verborgen driedimensionaal beeld decoderen dat in één beeld verborgen zit. Het is, als je wil, gezichtsbedrog in de tweede graad, een verborgen illusie. 

Bela Julesz, een onderzoeker op het gebied van visuele perceptie, was in de jaren ’60 de eerste om met de computer 3D-beelden te genereren die enkel opgebouwd waren uit willekeurige zwart-wit stippenpatronen. Hij bestudeerde daarmee onze diepte-perceptie. Omdat zijn stippen geen enkele andere informatie (kleur, vorm, perspectief) bevatten, was hij zeker dat als zijn proefpersoon het verborgen beeld opmerkte, die ook de 3D-illusie zag. In een artikel uit maart 1962 - “Automatic stereoscopic presentation of functions of two variables”(“Bell System Technical Journal”, 41) - toonden Julesz en zijn collega Miller aan dat enkel op basis van stereopsie - de beeldverschuiving tussen twee verder identieke beelden - onze hersenen besluiten de voorgestelde voorwerpen of tekens dan maar in drie dimensies te zien. Maar terwijl Julesz en Miller hier de theoretische basis legden voor de latere single image-stereogrammen, lieten ze hun 3D-stippenbeelden nog op de traditionele manieren bekijken: met een stereokijker of rood/blauw anaglyfisch brilletje. Pas rond 1990 begon men de eerste single image-stereogrammen of SIRDS te ontwerpen. Al snel werden ze een rage in de V.S. die dankzij het boek “The Magic Eye” ook Europa in de ban heeft gekregen. 

 

Wall- or cross-eyed

Bij het bekijken van stereogrammen moet je je ogen niet scherpstellen op het vlak van het beeld maar op een punt dat (afhankelijk van de berekeningswijze) er meestal dubbel zover voorbij ligt. Een eenvoudige truc bestaat erin om op een stereogram een glazen plaat te leggen en je ogen scherp te stellen op je eigen spiegelbeeld. Dat gaat enkel bij zogenaamde wall-eyed-stereogrammen, de meest voorkomende soort. Er bestaan echter ook cross-eyed-stereogrammen (en zelfs combinaties van beiden) waar je je ogen moet scherpstellen op halve afstand, dus op een punt dichter dan de eigenlijke afbeelding.

Toch lukt het niet iedereen om de driedimensionale beelden te zien: Richards (“Experimental Brain Research”, 10, 1970) deed een onderzoek met 150 studenten van het Massachusetts Institute of Technology en merkte dat “…about 4% of the students are unable to use the cue offered by disparity, and another 10% have great difficulty and incorrectly report the depth of a Julesz figure relative to the background.” Geen gevoel voor stereopsie hebben blijkt erfelijk te zijn. U mag het echter niet te vlug opgeven: het kan tot een maand duren voor je ogen en brein geoefend zijn om drie dimensies te zien in een stereogram! Dit spelelement, het mysterie van het ‘zien’ van het verborgen driedimensionale beeld heeft zeker veel bijgedragen tot de recente hype.

 

2. De metafysica van de Parijse Sûreté

In het midden van de 19de eeuw was de beroemdste politie ter wereld niet de LAPD, Miami Vice of de jongens van Hill Street. Zelfs niet Scotland Yard, dat slechts in 1829 gesticht werd. Het belangrijkste politiekorps uit de vorige eeuw was de Sûreté, de Parijse politie, met grote namen als Fouché (de politieminister die het Directoire, consul en keizer Napoleon, Louis XVIII, opnieuw Napoleon en opnieuw Louis XVIII zonder problemen overleefde - onder meer dankzij zijn bezwarende politiefichiers) en de beroemde Vidocq.

In “Graham’s Magazine” van het jaar 1841 verscheen Edgar Allan Poe’s eerste detectiveverhaal “The Murders in the Rue Morgue”. C. Auguste Dupin - de allereerste fictieve detective (Oedipos niet meegerekend) - filosofeert daar als volgt over de methodes van de Parijse politie: “Vidocq for example was a good guesser, and a persevering man. But… he erred continually by the very intensity of his investigations. He impaired his vision by holding his object too close. He might see, perhaps, one or two things with unusual clearness, but in so doing, he necessarily, lost sight of the matter as a whole. Thus there is such thing as being too profound. Truth is not always in a well. In fact, as regards the more important knowledge, I do believe she is invariably superficial. The depth lies in the valleys where we seek her, and not upon the mountaintops where she is found. …By undue profundity we perplex and enfeeble thought…”

Ontdekken (bijvoorbeeld de sleutel voor een moord) is kijken. Maar niet te dicht bij je neus. En niet te intens. Diepzinnigheid, stelt Poe, is ongewenst. De waarheid zit altijd aan de oppervlakte verborgen. De meest beroemde toepassing van Poe’s kritiek op de Parijse politie is natuurlijk zijn derde (en laatste) detectiveverhaal, het vaak becommentarieerde “Purloined Letter”. Daar zit de gestolen compromitterende brief van de koningin niet verborgen in één of andere ingenieuze schuilplaats zoals een matras of een holle stoelpoot (waar de Parijse politie hem zoekt) maar ligt hij open en bloot (zij het binnenste buiten) op de schouw van de minister die hem gestolen heeft. Het is ook in die “Purloined Letter” dat Poe zich vrolijk maakt over de dwaze manier van kijken van de Parijse prefect G.:

“‘Perhaps it is the very simplicity of the thing which puts you at fault,’ said my friend.

‘What nonsense you do talk!’, replied the Prefect, laughing heartily.

‘Perhaps the mystery is a little too plain’, said Dupin. …’A little too self-evident.’”

Het kan vreemd lijken maar ondanks Lacan, Derrida, Milner, etcetera heeft de “Purloined Letter” - en de drie Dupin-verhalen in het algemeen - niet de aandacht gekregen die het verdient. Misschien is het mysterie ervan “a little too plain, a little too self-evident”. Want Poe formuleert hier - onder het mom van zijn afkeuring van de Parijse politie - niet alleen een aanval op politiepraktijken maar evenzeer, of meer, een kritiek op de hele westerse metafysica met zijn hang naar pseudo-diepzinnigheid. En Poe doet dat lang voor Nietzsche, Wittgenstein, Lacan of Derrida zich waagden aan kritiek op de filosofische Vidocqs die de waarheid zoeken in matrassen en holle tafelpoten. De oplossing voor het raadsel, stelt Poe, ligt aan de oppervlakte. De oppervlakte is betekenisvol, niet de diepte die alleen bestaat in het hoofd van een Parijs prefect of een westers filosoof.

 

Gezichtsbedrog

Maar Poe gaat verder (en daar heeft Lacan in zijn beroemd “Séminaire sur ‘La lettre volée’” natuurlijk de aandacht op gevestigd). Niet alleen ligt de oplossing aan de oppervlakte, ze ligt in de orde van de betekenaars, van de gebruikte elementen: de brieven op de schouw in de “Purloined Letter”, of de willekeurige stippen in de 3D-testen van Julesz, of de letterpatronen in bovenstaand tekst-stereogram. Een element krijgt betekenis - niet door de relatie met enig dieperliggende waarheid - maar door de ordening, herhaling, verschuiving van de elementen aan de oppervlakte. Het 3D-effect ontstaat niet door het bekijken van twee lichtjes verschillende beelden die de weerspiegeling zijn van een bestaand driedimensionaal object - zoals in de stereokijker van Wheatstone (in feite het visueel equivalent van het ‘Idee’ van Plato), maar gewoon door de verschuiving van op mekaar lijkende stippen aan de oppervlakte van een stereogram.

Elk stereogram is dan ook een “Purloined Letter” (vaak ‘letterlijk’: letters, tekens, woorden zijn omwille van hun eenvoud de meest gebruikte ‘verborgen’ 3D-beelden). En er zijn dan ook twee manieren om een stereogram te lezen. Die van de perverse politieprefect G. die maanden zoekt voor hij het beeld ziet, of die van de no-nonsense detective Dupin die de twee beelden over mekaar legt, ze eventjes verschuift, en hop daar is het mysterie. Niet in de holheid van de driedimensionale illusie, maar gewoon aan de oppervlakte: in de ordening van de stippen of beeldpunten.

Toch moeten wij de Parijse politie iets toegeven: de grote aantrekkingskracht van een stereogram ligt niet in het verborgen beeld, maar in de truc, de handigheid, de ascese, de extase, de quasi-mystische onthechting die nodig is om het beeld in drie dimensies te ‘zien’. Elk mysterie, elke diepzinnigheid, elke penetratie van het grote geheim is natuurlijk seksueel gekleurd. (Nergens is dat duidelijker dan bij de neoplatonici of mystici voor wie het ontsluieren van het verborgen mysterie in hoge mate een seksuele activiteit was). Een stereogram bekijken is dan ook een vorm van profane mystiek en/of (maar dat is hetzelfde) seksuele activiteit. Driedimensionale beelden zoeken in stippen is een mysterieuze, libidineuze activiteit voor stereopsie-lijders.