Etienne Wynants

DE WITTE RAAF

Editie 56 juli-augustus 1995

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Delirious New York

Na studies aan de Architectural Association School in Londen en daarna bij Mathias Ungers en Peter Eisenman in de U.S.A. sticht Rem Koolhaas samen met medestudenten van het eerste uur Madelon Vriesendorp, Elia en Zoe Zenghelis het architectenbureau Office for Metropolitan Architecture. Sindsdien staat OMA voor theoretisch en praktisch onderzoek naar de relaties tussen architectuur en hedendaagse culturele fenomenen in het postindustriële tijdperk. Koolhaas’ publikatie uit 1978, “Delirious New York, a retroactive manifesto for Manhattan”, wekte zozeer de aandacht, dat het boek tot een waar verzamelobject uitgroeide. Het boek is vorig jaar door 010 Publishers eindelijk heruitgebracht.

In de inleiding verklaart Koolhaas de ondertitel als een dankbare kruising van twee observaties: een heersende afgunst tegen manifesten wegens een inherent gebrek aan bewijsmateriaal versus het bestaan van een overvloedig aantoonbare metropolitische cultuur in Manhattan, zonder expliciet manifest. Lang na de feiten herkent de auteur op dit eiland een -isme: een stad die onbewust een cultuur van opstopping in de hand werkte, terwijl de ontwerpers ervan dachten het tegengestelde na te streven. Bondig samengevat ordent Koolhaas het avontuur van Manhattan in vier hoofdstukken: een voorspel in het amusementspark op Coney Island, de geboorte van de wolkenkrabber op Manhattan, de emanatie ervan in het Rockefeller Center en tenslotte hoe de Europeanen Salvador Dali en Le Corbusier er hun opwachting maakten.

Een “pre-historie” introduceert de protagonisten die op het eiland zullen inwerken; de tot programma verheven cyclische vernieuwingsdrang, het standvastig ordeningsprincipe vertaald in het in 1811 in rechthoeken opgedeelde stadsplan, de fascinatie voor het kunstmatige en voor de architectonische exponenten toren en sfeer

Coney Island, de clitoris van de New Yorkse haven - dixit Koolhaas - wordt rond de eeuwwisseling het laboratorium waar deze principes worden uitgetest. Aanvankelijk een grasland met stranden, ontvangt het eiland zoveel recreanten uit Manhattan dat men voor hen ter plaatse attracties gaat creëren. Het worden meerdere rivaliserende pretparken waarin de wonderen uit de wereld worden geënsceneerd en de natuur boven het vertrouwde peil wordt uitgelicht. Men kan er ‘s nachts baden bij elektrisch licht, deelnemen aan mechanisch voortgedreven paardenrennen, kuieren in het bonte architecturale ensemble van een plezierstad. In “Dreamland” wordt het themapark, als een van de realiteit afgesneden illusionair schouwspel, ten top gedreven. Het park programmeert in verschillende sectoren de dagelijkse opvoering van onder meer de ondergang van Pompeji, de kanalen van Venetië, onderzeeboottochten, Lilliputland met een eigen parlement. Coney Island bood dankzij een doorgedreven programma en technologische vernieuwingen een pakket bovennatuurlijke sensaties aan die men in de stad miste; een financiële kluif voor investeerders. Manhattans permutatie lonkte.

Daar belichaamt de wolkenkrabber het doorbreken van de waarschijnlijkheidsgrens op architecturaal en cultureel vlak. De toren wordt van louter signaalfunctie verruimd tot “gebouw”; met een staalskelet kan men het grondvlak naar wens in de hoogte vermenigvuldigen. De technologie uit de pretparken - liften, waterpompen, leidingen, elektriciteit, luchtverversing… - wordt hier pragmatisch aangewend: het geoptimaliseerd gebruik van een bouwoppervlakte. Men ontwikkelt in de hoogte wat men tevoren horizontaal over het bouwblok had uitgespreid. Aangepord door de gestegen bouwkosten resulteert dit in torens met handelsruimten op het gelijkvloers, kantoren met de nodige horeca en congreszalen (om te buigen tot schouwburgen) en tenslotte appartementen als toetje. Deze formule slaat aan en concurrentie tussen vastgoedontwikkelaars zorgt voor de nodige dynamiek in ambitieuze verwezenlijkingen die dingen naar de gunsten van het massaal toestromend publiek.

Stap voor stap beent Koolhaas de op elkaar inwerkende factoren uit, met een speciale aandacht voor het doorbreken van de culturele patronen in dit proces. Immers, uit de fundamentele omwenteling van een samenlevingsmodel zal hij het “manhattanisme” kristalliseren. De hoogbouw evolueert naar de wolkenkrabber, zo hoog en omvangrijk dat men de notie van monumentaliteit overstijgt. Het bouwwerk is geen monument meer, maar automonument; het verwijst enkel naar zichzelf. Eens gebouwd worden er, inspelend op omstandigheden, wel veranderingen in het gebouw doorgevoerd, maar zonder drastische gevolgen voor de andere verdiepingen noch voor het omhulsel van het bouwwerk. Het veranderlijke leven binnenin wordt extern ontkend; lobotomie noemt de auteur dit fenomeen. Het voortdurend doorbreken van culturele patronen resulteert ook meer algemeen in muterende gedrags- en perceptieregels. Koolhaas werkt onder meer veranderingen in het theater uit: van het klassieke genretoneel naar grootse spektakels zonder noemenswaardige plot, behalve de demonstratie van theatrale effecten.

Bouwkundige exponenten als het Waldorf-Astoria Hotel, de Downtown Athletic Club en tenslotte Rockefeller Center (“How perfect perfection can be”) geven een indringend beeld over het manhattanisme. Citaten uit toenmalige reclameteksten en voornemens, portretten van de ontwerpers en participanten en de verwezenlijkte Babylonische stapelingen ontbloten het woekerende virus. De som van haar delen culmineerde in iets onvoorziens, een uniek nieuw totaalspektakel, waar de makers alleen maar iets van voorvoelden. Theoreticus Harvey Wiley Corbett spiegelde Venetië voor: de verbindingslanen zijn kanalen, overspannen door luchtbruggen die de afzonderlijke bouweilanden met elkaar in verbinding brengen.

Elke omschrijving van “Delirious New York” valt onontkoombaar samen met deze titel. In de verwerking van zijn gegevens maakt uiteindelijk ook Rem Koolhaas zich medeplichtig aan het door hem omschreven manhattanisme. Zijn gedegen architectuur- en cultuurstudietaal wordt opgeluisterd door een kruisbestuiving van onacademisch en metaforisch proza. De tekst is opgedeeld in korte paragrafen, die steeds voorafgegaan worden door een kernwoord, getrouw aan Manhattans blokmatig uitgebouwd stadsplan, zoals hij zelf expliciet aangeeft in het voorwoord. De kwaliteit van dit boek stelt alvast hoge verwachtingen met betrekking tot de voor dit jaar aangekondigde megapublikatie “S, M, L, XL” over de ontwerpen van OMA. 

 

• “Delirious New York, a retroactive manifesto for Manhattan” werd als paperback heruitgegeven door 010 publishers, Watertorenweg 180, 3063 HA Rotterdam (010/433.35.09)