Koen Brams

DE WITTE RAAF

Editie 58 november-december 1995

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Middelheim, 1995+…

Visies over het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst

Aan tien personen die min of meer bij het Museum Middelheim betrokken zijn, waren of konden worden, vroegen we hun visie op de toekomst van het Antwerpse Openluchtmuseum uiteen te zetten. Wij ontvingen de volgende antwoorden:

 

Eric Antonis, schepen voor cultuur, bibliotheken en monumentenzorg van Antwerpen

Als bestuurder van een stad verantwoordelijk voor onder andere cultuur, wens ik het artistieke debat over de toekomst van het Middelheim niet te bezoedelen door politieke overwegingen.

Wij schreven in het cultuurbeleidsplan van Antwerpen reeds over het Middelheim en lieten daar een ballonnetje op over mogelijke samenwerking/smelting met het MUHKA. Deze denkoefening werd terstond afgedaan als onjuist, aangezien een openluchtmuseum een wezenlijk andere taak heeft dan een ‘gewoon’ museum.

Wij zijn verheugd dat “De Witte Raaf” de discussie over de toekomst van het Middelheim stimuleert en opentrekt en zijn benieuwd naar de uitkomst van het debat.

Wat ons betreft willen we van het Middelheim een goed, nee: het beste, openluchtmuseum maken, “een culturele metropool waardig”. Daar kunnen wij aan meehelpen door een goede beheersstructuur uit te denken voor dat museum, door het op gepaste wijze te financieren en door het, zolang het van de stedelijke overheid afhangt, te voorzien van een goede leiding met een goed team medewerkers. (Kopie van de pagina over het MUHKA en Middelheim uit het cultuurbeleidsplan werd in bijlage meegestuurd, het beleidsplan is te verkrijgen op het kabinet van de Schepen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen, 03/220.82.97)

 

Guillaume Bijl

Aan uw visie, prachtig in woord gebracht en gepubliceerd in het vorige nummer, in verband met het huidige Middelheim, hoef ik niets toe te voegen. Wat de toekomst van het Middelheim betreft, zal ik het volgende trachten te nuanceren. Ik ben:…

CONTRA:

- Ambachtelijke epigonen-pseudokunst in het algemeen in het openbaar, zowel in Kunst am Bau-projecten als in ‘Openluchtmusea’.

- Inspraak van cultuurloze politiekers of administrators bij artistieke keuzes.

- Nog meer golfterreinen of industrieparken in de Randstad.

PRO:

- Historisch verantwoorde interessante kunstwerken in het openbaar, liefst in situ gerealiseerd door kunstenaars in relatie met de gegeven omgeving. Ik ben er me bewust van dat in het geval van Openluchtmusea dit na verloop van tijd een rariteitskabinet-effect kan krijgen (zelfs met werken van kwalitatieve waarde). Maar ik vind dat meestal nog véél boeiender dan de rest van de omgeving errond.

- De accentuatie van het artificiële in het artificiële (zoals onder andere in mijn persoonlijke kunstexpressie).

- Méér kunstruimten in het algemeen of in Openluchtmusea, onder gemotiveerd kunstbeleid en conservatie.

Al het voorgaande in consideratie genomen ben ik - after all - in de Middelheim-case een voorstander van het voortbestaan ervan, een Grote Kuis en zelfs voor een uitbreiding.

Een besluit: 

Meer Ruimte, maar groene.
Minder Kunst, maar goeie.
Joggers verboden, Rokers en Vrijende Koppeltjes toegelaten.

 

Bart Cassiman, zelfstandig tentoonstellingsmaker

Gent, 15 oktober 1995,

Beste Koen Brams,

Hierbij mijn bijdrage. Daar ik de afgelopen jaren op een vreemde manier tegelijkertijd als insider én als outsider met deze instelling te maken had, kan ik niet anders dan als volgt te werk gaan:

1. Wat vooraf ging

Zoals je weet, werd ik, in september ‘90 door intendant Eric Antonis aangezocht om voor Antwerpen 93 het programma Hedendaagse Kunst te concipiëren. Voorwaar een uitdaging, maar hoe pak je die aan in een stad waar de museale infrastructuur synoniem is met het MUHKA. Ik stelde dus een aantal voorwaarden, twee om precies te zijn. Primo: de site van het Middelheim diende tot de mogelijke locaties te behoren en secundo, het Koninklijk Museum moest tijdelijk ontsloten worden voor een project met hedendaagse kunstenaars.

Wat het Middelheim betreft: Hans Nieuwdorp was het project onmiddellijk zeer genegen. Hij ving op die manier twee vliegen in één klap. Het langs alle kanten rammelende voorstel voor de Biënnale van ‘91 werd afgeblazen en het Middelheim zou in ‘93 een centrale rol spelen. Bob Cools, stak stante pede zijn schouders onder het project, en ik ben blij dat ik hier nog eens kan onderstrepen dat de ‘Nieuwe Beelden’ zonder de niet aflatende steun van Bob Cools er niet zou gekomen zijn. Wat de vraag naar de oorzaak van de lethargie in de jaren ‘80 moeilijk te beantwoorden maakt. Lag het aan de desinteresse van het stadsbestuur? Of lag het aan de ingesteldheid van de verantwoordelijken van het Middelheim? Het project ‘Nieuwe Beelden’ was structureel van aard. A93 trad op als verzamelaar, een taak die in elk museum als essentieel wordt beschouwd, maar in het Middelheim door evenveel omstandigheden als alibi’s niet meer au sérieux werd genomen. Om weer bij deze wezenlijke museale taak aan te knopen, stelde ik eind ‘90 voor om de Biënnales op te schorten en in de plaats daarvan een tentoonstelling annex aankoop te realiseren, van werken van een tiental belangrijke internationale kunstenaars: Richard Deacon, Isa Genzken, Per Kirkeby, Harald Klingelhöller, Bernd Lohaus, Matt Mullican, Juan Munoz, Panamarenko, Thomas Schütte en Didier Vermeiren. Bij de selectie van de kunstenaars werd rekening gehouden met de specifieke verzamelgeschiedenis van het Middelheim. Zoals je weet waren de aardverschuivingen die de kunst aan het einde van de jaren ‘60 en het begin van de jaren ‘70 kende, aan het Middelheim voorbij gegaan. Op uitzondering van een zeldzaam spoor, nagelaten door de tijdelijke aanwezigheid van een Bïennale, is er in geen velden of wegen iets te bekennen van die kunstenaars die op dat scharniermoment de artistieke bakens hebben uitgezet. Nauman, Beuys, Judd, André, Merz, Kounellis, Fabro, De Maria, Smithson, Serra, Buren, Graham, e.a. Ze vielen op door hun afwezigheid. Ook de vruchtbare generatie die opdook in de jaren ‘80 was aan het Middelheim niet besteed. Elders - ik denk aan Sonsbeek ‘86 en aan Münster ‘87 - hadden verschillende van deze kunstenaars nochtans duidelijk in hun kaarten laten kijken. Deze dubbele blinde vlek die een periode van bijna 25 jaar overspande, met één initiatief inkleuren, was en blijft onmogelijk. Er waren twee mogelijkheden: we konden met de beschikbare fondsen twee of drie grootheden van het einde van de jaren ‘60 of het begin van de jaren ‘70 uitnodigen om een nieuw werk te maken of we konden ons richten op wat ik zou noemen de generatie Munoz-Schütte. De keuze was snel gemaakt. Voor de invulling van de namen van de kunstenaars hielden we rekening met verschillende parameters. De kwaliteit van het oeuvre en de verscheidenheid in de aanpak van een dergelijke uitnodiging (een permanente sculptuur in een openluchtverzameling) wogen het zwaarst door. Zowel uitgesproken site-specifieke uitgangspunten (type Matt Mullican) als de sculptuur als autonoom gegeven (type Deacon) dienden aanwezig te zijn. Daarnaast fungeerden Kirkeby, Panamarenko en Lohaus als bruggehoofden naar de periode (jaren ‘60) waarin het Middelheim er het verzamelbijltje bij had neergelegd.

2. Wat nu?

Er zou een beleidsplan moeten bestaan in elk museum die naam waardig. Op die manier zou men tenminste over een instrument beschikken waarop men ten gepasten tijde kan terugvallen. Nu schieten de verantwoordelijken van het Middelheim maar wat lukraak in het rond. Wat zijn de opties voor pakweg de komende 5 jaar? Het museum dient ook een andere structuur te krijgen, zo lijkt mij. Er zou een afspraak moeten komen dat het Middelheim over een jaarlijks budget kan beschikken zodat in overleg met de adviesraad en terugvallend op een goedgekeurd beleidsplan, ideeën worden ontwikkeld. Nu is het steeds wisselende budget afhankelijk van moeilijk te traceren variabelen en elke activiteit moet door het Middelheim worden voorgelegd aan het college. Deze versnipperde manier van werken is niet alleen tergend traag en zeer tijdrovend, ze is daarenboven ook volledig contraproduktief. Tot zover het structurele deel van de Middelheim-problematiek. Al besef ik natuurlijk heel goed dat dit bij voorkeur kadert in een totale aanpak en herstructurering van de musea in Antwerpen, maar dit valt buiten deze denkoefening.

Daarnaast - en dit is zeer essentieel - is het de hoogste tijd dat de verantwoordelijken van het Middelheim zich eens serieus bezinnen over het profiel van hun instelling. Keuzemogelijkheden te over, zo lijkt mij: a) een park, b) eerder een park, c) een park met sculpturen, d) eerder een openluchtmuseum, e) een openluchtmuseum.

Dit betekent niet dat ik niet van mening ben dat een openluchtmuseum enkel moet openstaan voor de geïnteresseerde in kunst. Nee, ook de recreant moet aan zijn trekken kunnen komen. Maar men moet weten dat de in kunst geïnteresseerde met andere bedoelingen naar het Middelheimpark gaat dan de jogger of wandelaar. En dat beseft men in het Middelheim amper.

Dat in een park het gras wat lang staat, kan niet echt een reden tot bezorgdheid zijn. Als het gras echter de ‘leegte’ onder een sculptuur - een ‘leegte’ die essentieel deel uitmaakt van de sculptuur - groen kleurt is dit een nefaste aanslag op de mogelijke ‘lectuur’ van het werk. Als een rododendron ‘te groot’ wordt in een park, who cares. Maar als er tegen die struik een sculptuur staat die door de groene massa dreigt verzwolgen te worden, is er een probleem. Als Matt Mullican een aantal schetsen schenkt om jaarlijks in zijn ‘bloembak’ een andere bloementekening te realiseren, is het meer dan ongepast en uiterst verwarrend om elke zomer een aantal gekleurde stippen in een bak vol onkruid aan te treffen. Als er een werk in restauratie is, plaatst men in alle musea ter wereld een bordje met een mededeling die dat duidelijk maakt. Niet in het Middelheim. Zo is het voor niet geïnformeerden onmogelijk om in te zien dat Panamarenko’s werk uit iets meer bestaat dan een drie meter hoge boomstam op de rand van een grasveld. Als deze elementaire zaken niet gebeuren, en het gebeurt dat deze niet gebeuren, schaadt men op een flagrante wijze alle regels van het fatsoen. Zo gaat men niet om met kunst en kunstenaars. Het getuigt van een grenzeloos gebrek aan respect. Ik vraag mij zelfs af waar de grens ligt tussen een dergelijke nonchalante attitude en vandalisme.

Beste Koen Brams, ik stop er mee. Al valt er nog veel te zeggen. Over de noodzaak dat een instelling die zichzelf respecteert permanent zou moeten getuigen van een reflexieve houding en zou moeten nadenken over haar bestaansreden, haar rol en functie (die in de loop der jaren kan veranderen). Over de interessante en blijvend actuele problematiek van de sculptuur in de openbare ruimte. Over de rol die het Middelheim eigenlijk kan spelen buiten de grenzen van haar territorium. Over de mogelijkheden die het heeft met haar schat aan informatie en haar bibliotheek die officieel Studiecentrum - stel je voor - Lode Craeybeckx heet… enz. Maar ik wil jullie ook nog wat laten. Groeten.

 

dossier TV Middelheim - Bénédicte Jacobs

1°-Lego doos 6409 “Paradisa” (bevattende: werkplaat, drie zakjes met blokjes, instructieboekje).

2°-Le parc des habitués ou Middelheim par beau temps et par mauvais temps (tweede versie in voorbereiding).

3°-dr. Désire een verlangen in verglijding: A/HORTUS • terug naar klooster binnentuin en alchemie • vredesovereenkomst - pauze - vrijblijvendheid • d’Or: bronzen terugsmelten; B/LUDUS • vrije speelruimte - autopsie overblijfselen Kunst/Natuur • fris/wit; C/KACHOZE • jonge denneboompjes • Sanfte Strukturen • Local Economy • Dich mein (tweede versie in voorbereiding).

 

Menno Meewis, als Wetenschappelijk Assistent verbonden aan het Middelheim

Luchtkastelen

De vraag van de redactie van “De Witte Raaf” naar een toekomstvisie op Middelheim, liefst zo beknopt mogelijk en maximaal 1 A4, leidt makkelijk tot retoriek. Liever geef ik enkele concrete toekomstplannen, met bijhorende prioriteiten en noodwendigheden, die deel uitmaken van een toekomstvisie. Eerst echter de opmerking dat Middelheim een stedelijk museum is en dus het college van burgemeester en schepenen beslist over de toekomst.

M’n toekomstvisie heeft alles te maken met de ontwikkelingen die sedert drie jaar het museum gaande houden. In 1992 werden enkele belangrijke beleidsbeslissingen genomen voor de toekomst. De biënnales werden opgeschort om de nadruk te leggen op collectievorming. Het nieuwe aankoopbeleid zou gericht worden op het verwerven van hedendaags, monumentaal openluchtwerk van internationaal niveau. Helaas heeft Middelheim nog steeds geen aankoopbudget, hoewel hier al meer dan een decennium voor geijverd wordt.

In 1993 werden tien werken aangekocht met de opgespaarde budgetten van twee biënnales en sponsorgelden; in 1994 werden twee werken verworven dankzij een begrotingswijziging die op de valreep goedgekeurd werd; in 1995 wordt één werk aangekocht met een subsidie van het provinciebestuur en in 1996 wordt, tot hiertoe, één aankoop gepland die bekostigd wordt door de vzw Middelheim Promotors.

Deze financiële onzekerheid verhindert elke planning op lange termijn en dwarsboomt een beleid met bijvoorbeeld aankopen van kleinere kunstwerken voor het Braempaviljoen. Wel is het een stimulans om uit te kijken naar langdurige bruiklenen.

Vanaf 1994 wordt een tentoonstellingsprogramma op jaarbasis uitgewerkt. Hier is wel een jaarlijks budget beschikbaar, namelijk de helft van het vroegere budget voor de biënnales. Het gaat om tentoonstellingen die breken met de traditie van biënnales en in nauw overleg met de kunstenaar verwezenlijkt worden. Twee van de vier exposities begeleidden een aankoop (Guillaume Bijl en Luciano Fabro), één toonde werk van een kunstenaar die vertegenwoordigd is in de collectie (Per Kirkeby) en de vierde bracht experimenteel openluchtwerk (Berlinde De Bruyckere). Deze reeks wordt verdergezet en uitgebreid, onder andere met tentoonstellingen moderne kunst al of niet in samenwerking met andere musea. De organisatie van beperkte groepstentoonstellingen wordt hierbij natuurlijk niet uitgesloten, hoewel Middelheim plaatsgebrek heeft. Het huidige tentoonstellingsbeleid wordt mee bepaald door het feit dat het vroegere biënnale-terrein de nieuwe verzameling hedendaagse kunst huisvest en er geen specifieke ruimte meer is voor exposities. Elke tentoonstelling gaat dus een confrontatie aan met de collectie. In de toekomst kan dit veranderen, als er terreinen naast het Middelheimmuseum vrijkomen (onder andere de stedelijke heesterkwekerij).

De prioriteit blijft de komende jaren liggen op het aankoop- en tentoonstellingsbeleid. De beperkte en vaak onzekere financiële middelen zullen hoofdzakelijk aangewend worden voor hedendaagse kunst. Dit heeft tot gevolg dat andere zaken moeten wachten, zoals het uitzuiveren van de verzameling moderne kunst. In 1993 werd een eerste herschikking doorgevoerd en wanneer Middelheim eindelijk over een volwaardige depotruimte zal beschikken, kan een selectie uit de collectie moderne kunst op een museaal verantwoorde wijze getoond worden.

De volgende jaren komen ook initiatieven aan bod die het museum publieksvriendelijker moeten maken. Dit jaar werd de aanzet gegeven tot een educatieve dienst met een lessenpakket voor het middelbaar onderwijs. Dit aanbod wordt in de toekomst uitgebreid met onder andere workshops voor het lager onderwijs, op voorwaarde dat er voldoende personeel en middelen komen.

De vroegere dienstwoning moet verbouwd worden tot een onthaal met bookshop en cafetaria.

De bibliotheek en het documentatiecentrum kampen met plaatsgebrek en ook daar zoeken wij oplossingen voor.

Sponsoring en subsidies kunnen helpen, maar het initiatief moet wel uitgaan van het stadsbestuur.

Zoals ik in het begin schreef, heb ik me beperkt tot enkele concrete toekomstplannen. Ik had een idealistische toekomstvisie kunnen geven, maar ik denk dat Middelheim de volgende jaren minder behoefte heeft aan luchtkastelen, dan wel aan een onafgebroken streven naar kwaliteit en integriteit. Het kader waarbinnen dit gebeurt en met welke middelen, is afhankelijk van politieke beslissingen. Het is de bedoeling dat het Middelheimmuseum, binnenkort vijftig jaar oud, een actief en internationaal centrum blijft voor moderne en hedendaagse monumentale openluchtbeeldhouwkunst.