Les Liaisons dangereuses. Marlene Dumas in het Louvre

Liaisons is de naam van een groep van negen recente schilderijen van Marlene Dumas (1953) die een vaste plek hebben gekregen in het Louvre. De reeks laat goed zien hoe het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar de laatste jaren een opmerkelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt: een beweging weg van het schilderen naar fotografisch beeldmateriaal en weg van een min of meer realistische weergave van de menselijke figuur. Op de schilderijen zijn grote, imposante koppen afgebeeld, niet van mensen van vlees en bloed, maar van wezens van onduidelijke origine en onbestemde leeftijd, soms mannelijk, soms vrouwelijk, soms ergens ertussenin. De gezichten zijn frontaal en beeldvullend weergegeven, in grote, levendige kleurvlakken en enkele trefzekere lijnen. Oog in oog met Liaisons bevinden we ons in het gezelschap van geesten, goden en andere onsterfelijken, wier krachten ons begrip en inlevingsvermogen ver te boven gaan. Onwillekeurig wekken de intense gezichtsuitdrukkingen een huivering van heilig ontzag.

De schilderijen zijn gemaakt in opdracht van Laurence des Cars, de eerste vrouwelijke directeur van het Louvre, in 2021 benoemd door president Macron. Des Cars verdiende haar sporen als expert negentiende-eeuwse schilderkunst in Musée d’Orsay. Spraakmakend was haar tentoonstelling Le modèle noir de Géricault à Matisse (2018), over de representatie van zwarte identiteit in de Franse schilderkunst. Het is niet voor het eerst dat het Louvre een eigentijds kunstenaar uitnodigt om nieuw werk voor het museum te maken. Cy Twombly, Anselm Kiefer, François Morellet en Luc Tuymans gingen Dumas voor. De muurschildering van Tuymans uit 2024 was tijdelijk. Kiefers enorme schilderij Athanor is samen met twee van zijn sculpturen te zien in het trappenhuis van de afdeling Egyptische Oudheden. De plafondschildering van Cy Twombly in de salle des Bronzes en de raaminstallatie van François Morellet in het Lefuel-trappenhuis – beide uit 2010 – zijn, net als de Liaisons van Dumas, permanent. Het is wel de eerste keer dat een vrouwelijke kunstenaar voor zo’n prestigieuze opdracht werd uitverkoren. Liaisons, inmiddels opgenomen in de collectie van het Louvre, is Des Cars’ gedroomde nalatenschap.

De opdracht is voortgekomen uit de taak waarvoor Des Cars zich bij haar aantreden zag gesteld. Het grootste en drukstbezochte museum ter wereld dreigt te bezwijken onder zijn eigen populariteit. Dagelijks drommen twintig- tot dertigduizend mensen bijeen voor de Mona Lisa. In de benauwde hoofdingang onder de glazen piramide op de cour Napoléon leiden groeiende bezoekersstromen tot opstoppingen. Het museum moest dus beter toegankelijk worden gemaakt. Om de hoofdingang te ontlasten is een tweede ingang bij de Porte des Lions, aan het westelijke eind van de Denonvleugel, verbouwd en uitgebreid. De entreeruimte bestaat nu uit een hoge hal met een open trappenhuis dat toegang geeft tot de museumzalen op de eerste etage. Daar, in de onlangs vernieuwde galerie des Cinq Continents, is kunst te zien uit alle tijden en uit alle werelddelen, van precolumbiaans aardewerk uit Latijns-Amerika en rituele objecten uit Afrika tot Fenicische dodenmaskers, Indiase godenbeelden en zelfs een stenen moai van Paaseiland. De wand boven de vestiaires in de hal, ruim tien meter breed en bijna dertien meter hoog, recht tegenover de trap, werd bestemd voor een kunstwerk van Marlene Dumas.

De kunstenaar kreeg de vrije hand – voor zover een kunstopdracht voor een publieke staatsinstelling werkelijk vrij kan zijn. Aanvankelijk speelde Dumas met de gedachte portretten te schilderen van bekende en minder bekende personen uit de Franse cultuur en media. Dat stuitte bij het museum op scepsis. Bij portretten gaat het al snel om de maatschappelijke positie of betekenis van de afgebeelde persoon en het risico op controverse is dan nooit ver weg. Geen portretten dus. In zeker opzicht betekende dat voor Dumas een bevrijding van haar gebruikelijke manier van werken. Ze kon zich nu wijden aan iets nieuws, iets wat zich al had aangekondigd in haar tentoonstellingen in Londen (Mourning Marsyas, 2024) en Athene (Cycladic Blues, 2025) en dat in Parijs voor het volle voetlicht treedt.

Een muurschildering was geen optie; Dumas vond het wandoppervlak te groot en bovendien heeft ze een voorkeur voor werk dat niet aan een locatie is gebonden. Oorspronkelijk hingen in de entreehal vier negentiende-eeuwse bas-reliëfs van Louis-Denis Caillouette, gewijd aan de muzen van de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst en de tekenkunst. Dumas nam zich voor schilderijen te maken naar sculpturen van mensfiguren en koos voor hetzelfde formaat als dat van de reliëfs, 175 bij 163 centimeter, een slag groter dan ze gewend was. De allegorische tableaus zijn inmiddels verwijderd. Op de wand prijken nu negen schilderijen van expressieve koppen, niet netjes op een rij, maar losjes gegroepeerd op een manier die veranderlijkheid en beweeglijkheid suggereert. Als deze figuren onderling betrekkingen onderhouden, zijn die ongetwijfeld vluchtig en van wisselende aard.

De meeste van de negen personages van Liaisons zijn verwant aan de antieke helden en barbaarse demonen in de galerie des Cinq Continents. Een van hen heeft dezelfde gitzwarte, amandelvormige ogen als de Egyptische koningin wier beeltenis in een van de vitrines staat. Een andere kop lijkt op het eeuwenoude Filipijnse beeldje van een Bulul, beschermgod van de rijst. Al eerder schilderde Dumas koppen naar sculpturen. Nerveuze, graffitiachtige schilderijen als Lady of Uruk en Nefertiti, beide uit 2020, zijn geïnspireerd op beeldhouwwerken uit de oudheid. De Liaisons zijn echter geen getrouwe kopieën van collectiestukken. Zoals een dj samples van uiteenlopende herkomst mixt, zo combineert Dumas hier aspecten van verschillende beelden. De buitengewoon sensuele lippen van het meisje op Split Stone bijvoorbeeld (de negen Liaisons hebben elk een eigen titel) weerspiegelen die van een beeldje van een jonge Egyptische koningin, mogelijk Kiya of Nefertiti, in de collectie van het Metropolitan Museum of Art in New York, of beter gezegd: een brokstuk van haar albasten gezicht. Door verschillen in kleur en textuur aan weerszijden van een diagonale as ontstaat de indruk dat het door Dumas geschilderde gezicht uit twee afzonderlijke helften bestaat. Veel sculpturen die door de eeuwen heen zijn overgeleverd, zijn beschadigd, incompleet, of hebben hun oorspronkelijke kleur verloren.

Geen twee van deze koppen lijken op elkaar. Elk van hen is uniek, heeft een ander soort neus, een ander soort lippen. Zoals er geen wetenschappelijke grond bestaat om de mensensoort op te delen in rassen en een strikte tweedeling op basis van gender op zijn minst aanvechtbaar is, zo mijdt Dumas elke vorm van classificatie en stereotypering. Ook de gelaatsuitdrukkingen lopen uiteen. In de smachtende blik van Blue Bataille is de extase van de heilige Theresa herkenbaar, zoals vereeuwigd in marmer door Lorenzo Bernini in de Santa Maria della Vittoria in Rome. Andere koppen lijken gevoelens van vrees of schrik te uiten. De archetypische gezichtsuitdrukkingen herinneren aan de karikaturen van Honoré Daumier en de bustes van Franz Xaver Messerschmidt: het zijn grondfiguren, die tegenwoordig een digitale vorm hebben gekregen in wereldwijd veelgebruikte emoji’s. Onderscheidend is vooral de kleur. Op elk schilderij is één kleur dominant. De kop in Bronze Moss is donkergroen, alsof hij zojuist uit een sloot vol kroos is opgedoken. Andere gezichten zijn overwegend zandgeel, roestbruin, koperrood, kobaltblauw. Paradoxaal genoeg geven de mengtinten de goddelijke verschijningen iets stoffelijks, iets aards, alsof ze volstrekt natuurlijk zijn.

Een voorloper van deze groep schilderijen is Nemesis (2024), het eerste doek dat Dumas schilderde naar een sculptuur uit het Louvre. De kop is gemodelleerd naar een sjamanenmasker uit de noordwestelijke kuststreek van Canada. Het wat kinderlijke maar indrukwekkende gezicht, met vlezige lippen en kogelronde zwarte gaten als ogen, was vorig jaar te zien op de tentoonstelling Mourning Marsyas in Londen. Een klein jaar later ontstond een tweede schilderij van hetzelfde motief, ditmaal op groter formaat en, belangrijker, op heel andere wijze geschilderd. Waar Dumas voor Nemesis nog een fotografische reproductie raadpleegde, heeft ze bij dit schilderij alle houvast laten varen: Vermilion Heat, onderdeel van Liaisons, is niet geboren uit een tekening naar een foto, maar uit een vormeloze plas verf, uit de materiële condities van de schilderkunst zelf.

De beslissing van Dumas om voor de opdracht van het Louvre te schilderen op groot formaat speelt hier een rol, net als haar ingebruikname begin dit jaar van een tweede, veel ruimer atelier, net buiten de stadsgrenzen van Amsterdam. Schaalvergroting stelde Dumas voor de vraag hoe een uitgestrekt oppervlak met één enkel gebaar te bestrijken. Een oplossing vond ze in het uitgooien van een ruime hoeveelheid sterk verdunde olieverf. Het strak opgespannen doek ligt daarbij plat op een lage, verrijdbare werktafel, speciaal voor dat doel vervaardigd, zodat de schilder er van alle kanten bij kan. Tijdens het werk moest Dumas zichzelf er voortdurend aan herinneren voldoende verf aan te maken en grotere mengbakken te gebruiken. Als reminder hangt in haar nieuwe atelier een foto van de studio van Willem de Kooning, waar altijd grote emmers verf klaarstonden voor gebruik.

Al eerder experimenteerde Dumas met deze techniek: The Origin of Painting (The Double Room) uit 2018 is een van de eerste schilderijen met uitgevloeide verf op groot formaat. Het uitgieten is spannend en lastig onder controle te houden; resultaten zijn in hoge mate onvoorspelbaar. Er vormt zich een kleurige plas die als een dunne film op het doek blijft liggen. De verf dringt niet door in het geprepareerde canvas – daarin onderscheidt Dumas’ techniek zich van Helen Frankenthalers beroemde stains. Soms tilt de schilder het doek een beetje op om het uitvloeien van de verf te sturen. Een enkele keer voegt ze verf toe in een andere kleur, brengt ze nat-in-nat enkele rudimentaire markeringen aan, of wordt overtollige verf afgeveegd of opgedept. Tijdens het drogen kan een gradueel verloop in kleurverzadiging ontstaan, dat de suggestie wekt van opgloeiend licht. Het is alsof de verf bij deze manier van schilderen meer zichzelf kan zijn, zijn eigen gang kan gaan en minder onderworpen is aan de wil van de schilder.

Je zou Dumas’ werkwijze een ‘haptische’ vorm van schilderen kunnen noemen, naar het Griekse haptesthai dat ‘aanraken’ betekent en verwijst naar de tastzin. Kijken en aanvoelen gaan hier gelijk op. Zien en aanraken vullen elkaar aan. Als de verf droog is en het doek rechtop tegen de wand staat, is nog niet duidelijk wat voor kop uit de vlekken zal ontstaan. De schilder is, zo gaf ze deze zomer aan in een ateliergesprek, ‘een beetje bang voor dat ding’, ze wil het niet ‘dood schilderen’ en houdt vooralsnog alle opties open. Maar net zo sterk als de twijfel voelt Dumas de noodzaak en verantwoordelijkheid om beslissingen te nemen. Op het doek verschijnen indicaties van een paar ogen, een kin, de onderkant van een neus – summiere aanduidingen van wat onmiskenbaar zal leiden tot een mensachtig gelaat.

Kijkend naar deze vreemde creaturen, hoog opgehangen op de enorme wand, bekruipt je soms het onbehaaglijke gevoel dat ze terugkijken. De zwarte kraaloogjes op Ceramic Silence bijvoorbeeld staren ons aan vanachter een pantser van blauw glazuur, met de lege blik van een wild dier. Het is dezelfde koude, onverschillige uitdrukking als die van Saturnus die zijn kinderen verslindt, of Medusa die al wie haar aankijkt verandert in steen, op ongeëvenaarde wijze weergegeven door Goya en Caravaggio. Ergens loopt een onzichtbare grens tussen onze wereld en het rijk van de Liaisons, dat ons grotesk en monsterlijk toeschijnt. Een grens die we niet durven, kunnen of willen overschrijden.

Hoe deze grenservaring te omschrijven? Je zou in de uitgevloeide gelaatstrekken een weerspiegeling kunnen zien van een ‘uiteenvallend zelf’, door Lieven De Cauter in een studie over de roes ooit omschreven als ‘het losser worden van het ik’ (Archeologie van de kick, 2009). In eerdere schilderijen van Dumas van mensen in kennelijke staat van dronkenschap of bedwelming, zoals Smoke (2018) en Intoxication (2018), is dat ‘losser wordende zelf’ vertaald in contouren die vervagen, in kleuren die uitlopen, in een dreigende desintegratie van de voorstelling. Gelaatstrekken verslappen, worden week, lijken op te lossen in de omgeving. Afnemende zelfbeheersing brengt fysieke aftakeling naderbij, zoals ziekte en pijn signalen zijn van de onvermijdelijke dood – ons arme lichaam is nu eenmaal voorgeprogrammeerd om ooit op te houden met leven. Onwillekeurig doen de opgedroogde verfplassen denken aan vlekken veroorzaakt door urine, bloed, kwijl of ander lichaamsvocht dat, eenmaal afgescheiden door het vege lijf, vies en onaangenaam wordt bevonden. Vloeibaarheid, onbegrensdheid en vormeloosheid worden in de Liaisons ternauwernood in toom gehouden door belijning en afbakening.

De grenservaring waar de Liaisons op zinspelen sluit aan op de destabiliserende ideeën van Georges Bataille over exces en transgressie. Grenservaringen als extreme pijn, extatisch genot of acute doodsangst maken weliswaar deel uit van het leven, maar zijn tegelijk zo anders, zo vreemd en buitenissig, dat ze ons zorgvuldig gecoiffeerde zelfbeeld behoorlijk in de war kunnen schoppen. Erotiek, het domein waar de begeerte triomfeert, mag dan een krachtig teken van leven zijn, het heeft volgens de Franse filosoof ook een donkere kant, die te maken heeft met dat wat we niet willen, durven of mogen accepteren. Voor Bataille grenst erotische verleiding aan horror, is een kus een aanzet tot kannibalisme. De extremiteit van de begeerte, schrijft hij, brengt de mens in permanent conflict met zichzelf. Julia Kristeva bouwt op deze gedachte voort. Volgens haar is het niet zozeer de confrontatie met het onbekende die verontrust, maar de vreemdheid van wat ons het meest vertrouwd is: ons lichaam. We kunnen ons nooit geheel van dat lichaam losmaken, maar vallen er ook nooit volledig mee samen. Het lichaam maakt ons aanwezig in de buitenwereld, stelt ons bloot aan de blikken van onbekenden; we leven voortdurend in het besef dat wat het meest intiem voelt ook bestaat buiten ons om. Die confrontatie met de vreemdheid-in-het-eigene heeft volgens Kristeva een ontwrichtende uitwerking op het beeld dat eenieder van zichzelf heeft.

Wat Kristeva het vreemde-in-het-eigene noemt, en de schrikbarende demonen die we volgens Bataille tegenkomen in ons driftleven, vormen het leidmotief in de negen schilderijen van Liaisons. Het gezelschap werpt stilzwijgend de vraag op in hoeverre we in staat zijn het monsterlijke in onszelf onder ogen te komen. Wie niet kan omgaan met de vreemdheid van en in zichzelf, stelt Kristeva, valt makkelijk ten prooi aan angst voor het vreemde buiten zichzelf. Zo iemand reageert zich af door anderen buiten te sluiten, te ontmenselijken, te demoniseren. De ander tot monster verklaren verschaft de legitimatie voor het gebruik van geweld tegen minderheden, stelt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, en opent de deur voor xenofobie, racisme en misogynie.

Het beeld dat de mens van zichzelf creëert, is het thema van Pareidolia en Makapansgat Pebble, twee schilderijen uit 2024 die direct aan de Liaisons voorafgaan. Ze refereren aan de atavistische behoefte van de mens aan een evenbeeld, een drang die de mensensoort onderscheidt van andere soorten. Beide schilderijen tonen het menselijk gelaat in zijn meest elementaire gedaante. De titel Pareidolia wijst op het verschijnsel dat mensen bijvoorbeeld een gezicht menen te herkennen in een willekeurige wolkenformatie, een vorm van illusoire waarneming die mogelijk verband houdt met de neiging van de hersenen relaties en patronen te zien, ook als die er niet zijn. Het motief op Makapansgat Pebble is een kiezelsteen van circa drie miljoen jaar oud, gevonden in een grot in Zuid-Afrika. De vindplaats is vernoemd naar Makapan, stamleider van de Ndebele, die met zijn mensen doodgehongerd werd nadat ze, verstopt in de grot, door een militie van Boeren werden afgegrendeld van de buitenwereld. Wetenschappers veronderstellen dat mensachtigen in de oneffenheden van het oppervlak van de kiezelsteen mogelijk een gezicht hebben herkend en de steen daarom hebben bewaard. Daarmee zou de kei het vroegste bewijs zijn van het vermogen tot symbolisch denken in de ontwikkeling van de mensheid. In haar atelier bewaart Dumas enkele oude, wat kinderlijk uitziende tekeningetjes die ze met haar destijds vijfjarige dochtertje maakte van gezichtjes in plassen verdunde inkt, de zogeheten Blobs (1993). Net als in de steen uit Makapansgat verschijnt het menselijk aangezicht in deze waterige vlekken in zijn meest basale gedaante.

Sinds de dageraad van de beschaving heeft het menselijk evenbeeld talrijke vormen aangenomen, niet alleen in tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar ook in poppen, maskers en rituele voorwerpen die een rol spelen in godenaanbidding en voorouderverering, in initiatieriten en begrafenisceremonies. Bij veruit de meeste mensfiguren die door de geschiedenis zijn overgeleverd, hebben we geen flauw idee wie ze voorstellen en wat ze precies betekenen. In zijn wonderbaarlijke beeldatlas Mnemosyne poogde Aby Warburg in de jaren twintig de migratie en de metamorfose in kaart te brengen van symbolische figuren die door de eeuwen heen in allerlei culturen opduiken, soms onder verschillende namen. De atlas bevat bijna duizend plaatjes van kunstwerken die uiting geven aan hartstocht, lijden, waanzin, devotie, verlossing, en traceert hoe zulke uitdrukkingsvormen, die diep in ons collectieve geheugen besloten liggen, via Bilderfahrzeuge (prenten, schilderijen, tapijten) langs de Wanderstraßen der Kultur van de ene in de andere cultuur terecht zijn gekomen.

Warburgs interculturele en transhistorische reflectie op artistieke creativiteit, van de farao’s in het oude Egypte tot de Hopi in Noord-Amerika, vindt steeds meer weerklank in het museum. Het Louvre, het British Museum en andere prominente kunstmusea stellen het normatieve wereldbeeld dat ze ooit zelf hebben geïnstitutionaliseerd vaker ter discussie. Er wordt gemorreld aan het hiërarchische onderscheid tussen kunst en ambacht, tussen magie en wetenschap, tussen het Westen en de rest van de wereld. Laurence des Cars, die als wetenschappelijk directeur van het Agence France-Muséums leiding gaf aan de ontwikkeling van het Louvre Abu Dhabi in de Verenigde Arabische Emiraten, pleit voor een museum als ontmoetingsplaats van culturen: ze wil een dialoog op gang brengen tussen oude beschavingen en de moderne tijd. In 2023 zei ze in een interview: ‘Ik ben ervan overtuigd dat een deel van onze taak als museum ligt in het aanbrengen van nuance en complexiteit in het publieke debat en dat we weerstand moeten bieden aan onze collectieve neiging om zaken als simpel af te schilderen.’ Het is haar overtuiging dat culturen die in tijd en plaats ver van elkaar verwijderd zijn, meer met elkaar gemeen hebben dan doorgaans wordt verondersteld. Onder de grote gemene deler van de menselijke scheppingsdrang worden uitingen van uiteenlopende culturen onderling vergelijkbaar.

De zaaltekst waarmee het Louvre de Liaisons bij het publiek introduceert, maakt gewag van ‘sporen van een gedeelde menselijkheid […] die ons uitnodigen om in de aanwezigheid van onze menselijkheid te zijn – in het museum’. Die nadruk op gezamenlijkheid heeft iets nobels, stemt positief en hoopvol. Alle Menschen werden Brüder, zoiets. De realiteit is minder harmonieus. De menselijke aard is nu eenmaal complex en vol innerlijke tegenstrijdigheden. Zoals Fernando Pessoa schreef in zijn Boek der rusteloosheid: ‘In de uitgestrekte kolonie van ons zijn bevinden zich lieden van allerlei slag, die verschillend voelen en verschillend denken.’ Voor de Portugese dichter bestaat elk individu uit verschillende ‘zelven’, een concept dat hij uitwerkte in zijn gebruik van literaire persona’s die hij ‘heteroniemen’ noemde, elk bestaande uit woorden die hetzelfde klinken, maar iets anders betekenen. In Pessoa’s persona’s schuilt een analogie met de negen koppen van Liaisons, die weliswaar allemaal menselijke trekken hebben, maar weigeren deel uit te maken van dezelfde family of man, om de titel van een beroemde fototentoonstelling uit 1955 te parafraseren. Alsof elk van hen zegt: count me out. In 1994 schreef Marlene Dumas, in de tekst ‘The Beginning of Love Stories and the End of Cultural Privacy’:

 

Identity

Don’t use the word identity in my presence.

For years a political system (in South Africa)

insisted that what they’ve done, they’ve had

to do to protect my identity.

 

Others

Yes, I am fascinated by the exotic, and the

erotic and the barbaric and the heroic.

Yes. I am scared of Black people.

Yes I am scared of white people and dead

people and sick people and especially those

who say they like my work.

 

Je niet identificeren met de groep waartoe je behoort: het is de keuze van de misfit, de outlaw, de buitenstaander, door niemand met zoveel sarcastische zelfspot verwoord als door Groucho Marx: ‘I refuse to join any club that would have me as a member.’ Het zal overigens geen toeval zijn dat de titel Liaisons gemakkelijk associaties wekt met Les Liaisons dangereuses, de brievenroman uit 1782 van Pierre Choderlos de Laclos, in 1988 verfilmd als Dangerous Liaisons – een verhaal over verboden liefdes, geheime affaires en gretig grensoverschrijdend gedrag onder de Franse aristocratie ten tijde van het ancien régime.

In het nieuwe atelier van Dumas slingert een krantenknipsel rond dat de kunstenaar mateloos fascineert. Het bericht gaat over Mamoudou Gassama, een illegale Malinese migrant in Frankrijk, die in 2018 landelijk bekend werd toen hij een vierjarig jongetje uit een brandende flatwoning had gered door langs de gevel naar boven te klimmen. De ‘Afrikaanse Spiderman’, zoals de pers hem noemde, werd voor zijn heldendaad beloond met een verblijfsvergunning. Zo werd de ‘alien’ een van ‘ons’. Dumas, zelf migrant, is vaak gevraagd of ze afstamt van de beroemde Franse schrijver Alexandre Dumas, van wie de strijdleus ‘één voor allen, allen voor één’ uit Les trois mousquetaires (1844) bekender is dan het feit dat hij zwart was. Dumas kent de wispelturige waardering van de samenleving voor de vreemdeling. Na de naturalisatie van Mamoudou Gassama eisten andere sans-papiers het Franse staatsburgerschap op, want ook zij hadden naar eigen zeggen goede daden verricht. Maar dat was buiten het zicht van de camera’s gebeurd.

 

Liaisons van Marlene Dumas is vanaf begin december te zien in het Louvre, Rue de Rivoli, Parijs.

Wanorde bestaat niet. Interview met John Baldessari

Ann Cesteleyn: Je bent begonnen als schilder, maar vanaf 1966 ben je ander, minder traditioneel werk gaan maken, zoals de schilderijen met tekstfragmenten. Vervolgens evolueerde je van dergelijke rationele werken naar sensueler en meer visueel werk, waarin ook foto’s worden hergebruikt. Neem bijvoorbeeld het tekstschilderij Everything is Purged From This Painting but Art, No Ideas Have Entered This Work (1966-1968). Beschouw je dat als conceptueel werk? Volgens Joseph Kosuth is conceptuele kunst opgebouwd uit ideeën…

John Baldessari: Om die vraag te beantwoorden moet ik Everything is Purged… in de juiste context plaatsen. Aanvankelijk was ik inderdaad schilder. In het midden van de jaren zestig was het abstract expressionisme, althans de vierde of vijfde generatie ervan, nog steeds de norm. Ik was bezorgd dat ik de rest van mijn leven niets anders zou doen dan schilderen. Daar is niets mis mee, maar in mijn wanhopigste momenten zag ik de meest simpele versie van schilderen als het arrangeren en combineren van kleuren op een rechthoekig vlak. Er was mij aangeleerd dat kunst maken neerkomt op schilderen of beeldhouwen en ik begon te denken: dat kan niet alles zijn. Het zou meer moeten zijn, maar ik wist niet zeker wat. Dat was dus de context.

A.C.: Je hebt afscheid genomen van de traditionele schilderkunst door je schilderijen te vernietigen. In 1970 maakte je The Cremation Project: een bokaal met koekjes gebakken uit de as van je verbrande schilderijen. Welke schilderijen heb je toen vernietigd?

J.B.: Dat ging om werken die ik voor 1966 op m’n eentje maakte. Ik kreeg van het crematorium negen dozen met de afmetingen van een volwassene, en dan nog twee of drie kleinere dozen, ter grootte van een baby. Ik weet niet meer om hoeveel schilderijen het ging, maar het waren er veel.

A.C.: Heb je er nooit spijt van gehad dat die werken niet meer bestaan?

J.B.: Nee, helemaal niet. Mijn kunst bewaar ik sowieso zelden bij mij thuis. Ik heb kunst van andere mensen aan de muur hangen. Ook in mijn atelier ligt niets dat is afgewerkt, alleen dingen waar ik nog mee bezig ben. Daarna moet het weg, de wereld in. Het zit in mijn hoofd en als het moet, kan ik naar foto’s kijken.

A.C.: Een paar van je vroege schilderijen bleven bewaard, toch?

J.B.: Voorafgaand aan de crematie heb ik de schilderijen aangeboden aan vrienden. Ze waren nauwelijks geïnteresseerd, ook al kregen ze de werken gratis. Toch zijn er inderdaad enkele schilderijen overgebleven. Ik heb er twee en mijn zus heeft er ook een paar. In de collectie van de Duitse verzamelaar Harald Falckenberg zit eveneens een klein schilderij uit 1965, The Falling Cloud. Geen idee hoe dat bij hem is aanbeland.

A.C.: In 1971 werd je eerste print gemaakt, I Will Not Make Any More Boring Art. Had je het gevoel dat dat het probleem was met je schilderijen: dat ze saai waren?

J.B.: Nee… Ik hield notities bij voor mezelf, notes to self. Een van mijn eigenschappen is dat ik makkelijk verveeld raak. Misschien is het een aandachtsstoornis, of misschien komt het omdat mijn sterrenbeeld Tweelingen is, ik weet het niet. Maar de taak van om het even welk kunstwerk – ook muziek of literatuur – is dat het interesse opwekt, anders leg je het boek neer of wandel je de concertzaal uit. Ik vermoed dat ik die overtuiging gaandeweg ontwikkelde: het is fundamenteel dat kunst de mens aanspreekt. En ik schreef het neer, om mezelf eraan te herinneren.

A.C.: Hoe kwam I Will Not Make Any More Boring Art tot stand?

J.B.: Ik gaf les aan CalArts in Los Angeles, maar in Halifax in Canada had je het Nova Scotia College of Art and Design, met een vergelijkbaar programma en met interessante mensen, zoals Joseph Beuys, Gerhard Richter en Benjamin Buchloh. CalArts en Nova Scotia waren zusterinstituten. In Halifax werd mij gevraagd een expo in te richten, maar er was geen budget om mij te laten reizen, noch om kunstwerken te transporteren. Ik moest dus echt conceptueel denken. Ik heb toen gezegd: vraag aan de studenten of ze deze zin op de muur willen schrijven, zoals in de lagere school wanneer ze…

A.C.: … straf moeten schrijven?

J.B.: Ja, wanneer ze gestraft worden. Ik dacht: die muren zullen leeg blijven, dat wordt helemaal conceptueel. Maar het sloeg aan.

A.C.: Er zijn weinig kunstenaars die saaie kunst willen maken.

J.B.: Sommige van mijn voormalige studenten laten geregeld een briefje achter op mijn tentoonstellingen: ‘Eigenlijk maak je nog altijd saaie kunst.’

A.C.: Maar hoe ernstig was die uitspraak voor jou? Je werk was niet saai vóór 1971.

J.B.: Het was heel ernstig. Iemand vroeg me onlangs of ik met dat zinnetje grappig wilde doen, maar als ik iets zou maken dat ik grappig vind, dan komt het waarschijnlijk alsnog ernstig over. Begrijp je wat ik bedoel? Ik heb een bepaalde manier om naar de wereld te kijken. Anderen vinden het grappig, ik niet. Ik hou van dingen die meerdere betekenissen hebben, double, triple or quadruple entendres.

A.C.: De eerste tekstschilderijen ontstonden in 1966. Heb je die zelf gemaakt of heb je ze laten schilderen?

J.B.: Ze zijn gemaakt door een letterschilder. Dat is de breuklijn in 1966: het moment waarop ik zelf ophield met schilderen. Ik maakte die canvassen niet, ik had enkel het idee.

A.C.: Dus dat is conceptueel?

J.B.: Ja. Maar via Everything is Purged… probeerde ik ook te spelen met collega-kunstenaars. Op een heel basaal niveau is kunst een dialoog met peers: de ene reageert op de andere. En het idee om taal en fotografie te gebruiken was op dat moment ongehoord. Er waren fotogaleries voor fotografie en voor kunst waren er kunstgaleries. Dat was dat. Het idee om alleen tekst te tonen was gewoonweg krankzinnig!

A.C.: En daarom deed je het, toch?

J.B.: Ja, precies. Het enige artistieke ‘signaal’ dat ik wilde geven, was canvas op een houten frame. Wat kan canvas op een houten frame anders zijn? Je hoeft helemaal niets te doen, het wordt vanzelf kunst, er is meteen genoeg signaal aanwezig. Het was een uitdaging om te kijken of dat soort dingen een plaats kon krijgen in een kunstgalerie. Dat was een andere motivatie, denk ik.

A.C.: Je was aan het spotten met de kunstwereld?

J.B.: Ja, dat was zeker aanwezig. Bovendien hoorde je in die periode vaak mensen zeggen, als ze naar een schilderij keken: ‘Dat kan mijn kind ook. Het betekent niets.’ Dat soort dingen. Of: ‘Ik begrijp het niet.’ Dat hoor je natuurlijk nog steeds. Maar ik dacht: wat als ik nu volstrekt populistisch zou zijn, door te zeggen dat mensen kunnen lezen en naar foto’s en tijdschriften kunnen kijken? Wat als ik op die manier aan kunst zou doen? Het werd me meer en meer duidelijk dat je zelf het werk niet hoeft te doen: de kunstenaar kan een soort kunstregisseur worden. Dat was een ander idee dat een rol begon te spelen.

A.C.: Ironie was al in dat vroege werk aanwezig, net dankzij het gebruik van taal?

J.B.: Ja, en ik denk dat er veel gevarieerde manieren zijn om taal te gebruiken en aan te wenden, in een droge, academische vorm. Maar ik ben naar de universiteit geweest, dat hoef ik niet te doen.

A.C.: Ik vind dat het vroege werk er Europees uitziet, zoals dat van Art & Language.

J.B.: Misschien kan jij me daarin helpen, want toen ik jaren geleden die dingen begon te tonen – dat was in Los Angeles en ik had geen succes – zei er iemand: ‘Weet je, jouw werk is eerder Europees.’ Ik had geen idee wat dat wilde zeggen.

A.C.: Kende je Lawrence Weiner?

J.B.: Natuurlijk, Weiner is een vriend van mij.

A.C.: Maar op dat moment, bedoel ik, midden jaren zestig.

J.B.: Ik heb hem toen ontmoet. Ik praatte met iemand uit New York en die zei: ‘Ik begrijp niet wat jij doet, maar er zijn een paar kunstenaars in New York van wie ik ook niet begrijp wat ze doen. Misschien zou je het leuk vinden om hen te ontmoeten en met hen te praten.’ Trouwens, Kosuth had zijn eerste show in de Verenigde Staten in dezelfde straat als ik, La Cienega Boulevard. Dat was heel raar. Zo heb ik Lawrence ontmoet.

A.C.: Sommige conceptuele kunstenaars vonden jouw kunst niet conceptueel genoeg omdat je beelden naast de tekst zette.

J.B.: Kosuth heeft in een artikel ooit gezegd dat ik popart maak en geen conceptueel kunstenaar ben.

A.C.: Hoe verhoud je je tot de popart? In de tentoonstelling L.A. Pop in the Sixties in 1989 in het Orange County Museum of Art in Newport Beach was je werk erg belangrijk.

J.B.: Mijn werk is in zoveel categorieën gezet…

A.C.: Dat is hoe kunsthistorici te werk gaan.

J.B.: Ik weet het. Ik geloof dat het handig is voor journalisten en schrijvers om een label te vinden als een kunstenaar net komt kijken. Maar als ik je zou vragen: noem eens een impressionist, dan is het waarschijnlijk ook een expressionist of een kubist. Wie zou jij een kubistische kunstenaar noemen?

A.C.: Braque, of Picasso.

J.B.: Zie je wel, die hebben ook veel andere dingen gedaan. Ik noemde Claes Oldenburg ooit een popartkunstenaar en toen zei hij: ‘Nee, ik ben geen popartkunstenaar, ik ben een kunstenaar!’

A.C.: Mensen krijgen niet graag een label opgeplakt. Maar soms hangt er iets in de lucht – verschillende individuen denken gelijkaardige dingen of wonen in dezelfde stad op hetzelfde moment en pikken hetzelfde op.

J.B.: Dat klopt, dat eerste moment kan belangrijk zijn. In het midden van de jaren zestig had je het minimalisme, conceptuele kunst, land art, en die kwamen voort uit een algemene ontevredenheid. Iedereen keek uit naar iets dat zou gebeuren. Wat het was, dat kon niemand voorspellen.

A.C.: De tekstschilderijen zoals Everything is Purged… geven inhoudelijk wel aan wat kunst is of zou moeten zijn.

J.B.: Er was inderdaad een moment in mijn leven waarop ik voor mezelf probeerde te achterhalen wat kunst is, en wat maakt dat iets anders geen kunst is. Het was een periode van reflectie en ik had aanvankelijk niet eens het idee dat die dingen ooit tentoongesteld zouden worden. Ten tijde van mijn eerste show in L.A. woonde ik in San Diego en mijn galeriehouder Molly Barnes zei: ‘Je moet die werken zelf naar hier brengen.’ Ik had nauwelijks geld en het was tweeënhalf uur rijden, dus ik huurde een vrachtwagen voor vijftig dollar en ik gaf haar een van de canvassen. Nu zegt ze tegen iedereen die het wil horen dat ze dat werk verkocht heeft voor 750.000 dollar en met de opbrengst een appartement in New York heeft gekocht. Je weet nooit wat er gaat gebeuren.

A.C.: De tekstschilderijen waren een manier om de kunst te bevragen, maar je wilde ook kunst maken die iedereen kon begrijpen.

J.B.: Mensen kijken naar schilderijen, wat is daar moeilijk aan?

A.C.: Je toonde altijd tekst, en geen beeld?

J.B.: Soms was er tekst met beeld. Wrong is gemaakt in dezelfde periode, tussen 1966 en 1968: ik sta voor een palmboom die zich vlak voor mijn huis bevindt, in National City.

A.C.: Dat is een van mijn favorieten! Toen de werken uit die periode werden getoond en gepubliceerd in 1996, in de expo National City en in het gelijknamige boek, waren ze niet langer in zwart-wit, maar in kleur. Hoe komt dat?

J.B.: Ik heb nieuwe versies gemaakt, want ik wilde een aantal van die werken inderdaad in kleur hebben. Ik heb nieuwe reeksen gemaakt, zoals met de palmboom in Wrong: er is een late versie en een vroege versie. Maar veel is er niet veranderd.

A.C.: Wat is er belangrijker voor jou: tekst of beeld? Of zijn ze gelijkwaardig?

J.B.: Jazeker, ik beweer dat ze heel gelijkwaardig zijn voor mij. Wat een groot deel van mijn werk drijft is… Soms kan je zowel woorden als beelden gebruiken. Een van de redenen waarom ik gestopt ben met taal te gebruiken, is omdat de strijd gewonnen leek, omdat het gelukt was om taal in galeries naar binnen te smokkelen. Tekst was geen uitdaging meer. En de strijd om fotografie was ook gewonnen, dat was evenmin nog een uitdaging. Ik vermoed dat ik taal liet vallen en mijn toevlucht nam tot beelden, maar toch wil ik altijd het gevoel hebben dat er zich een woord achter het beeld bevindt. Het is als een muntstuk dat je kunt blijven omdraaien. Ik vermoed dat ik met beelden bouw zoals een dichter met woorden bouwt. Het zijn verschillende talen, maar ik ben bezig met een soortgelijke zoektocht.

A.C.: Ik heb het gevoel dat de inhoud in sommige tekstschilderijen belangrijker wordt dan de vorm.

J.B.: Bedoel je de context of de content, de inhoud?

A.C.: Ik bedoel de inhoud.

J.B.: Als een werk echt succesvol is, dan zijn vorm en inhoud gelijkwaardig. Veel jonge kunstenaars zijn tegenwoordig meer begaan met de inhoud. Als ze iemand willen schilderen, dan schilderen ze die persoon, zonder al te veel na te denken over wat werkt in de figuur, hoe de kleur werkt, of andere formalistische overwegingen. Ik denk dat ik in mijn hart een echte formalist ben, maar ik hou er ook van om verhalen te vertellen. Ik herinner me dat ik al in de jaren zestig een primitieve, persoonlijke versie van Photoshop gebruikte. Als ik meer duisternis nodig had in een schilderij, dan wreef ik er zwarte olieverf over om zones donkerder te maken. Als je naar het werk keek, dan zou je dat nooit doorhebben. Ik kijk naar een foto als naar een arrangement van licht en donker. Op dat moment denk ik echt niet na over het onderwerp.

A.C.: Gebruik je nu Photoshop?

J.B.: Ik gebruik het tegenwoordig vaak, want in de meer recente werken probeer ik iets te bereiken dat lijkt op een dubbele belichting. Dat kan je met een camera doen, maar met Photoshop kan je het ene beeld over het andere leggen. Je kan ook de transparantie aanpassen. Het gaat gewoon sneller. De computer is een geweldig hulpmiddel.

A.C.: Is dat bijvoorbeeld zichtbaar in The Overlap Series, waar je sinds 2000 aan werkt?

J.B.: Ja, precies. Ik werk schetsen uit, ik probeer een paar dingen, en op een bepaald moment zet ik ze op de computer. Je drukt op een knop en boom, het is oranje! Ik kan allerlei kleurvarianten overlopen in tien minuten tijd. Het helpt me om na te denken. Dat is het.

A.C.: Een aantal werken uit The Overlap Series, zoals Two Palm Trees (And Person With Finger in Mouth) uit 2001, doen denken aan Mondriaan.

J.B.: Ik mag het hopen! Dat is een heel goede kunstenaar. Broadway Boogie Woogie (1942-1943) is een van de eerste schilderijen die mij aan het huilen brachten. Ik had echt tranen in mijn ogen: het is zo mooi!

A.C.: Je werk is divers, maar toch zijn er een aantal dingen die terugkomen. Wat beschouw je als een constante?

J.B.: Dat is een goede vraag. Ik denk dat je gelijk hebt: een kunstenaar heeft uiteindelijk maar een paar ideeën. Volgens Carl Andre heb je als kunstenaar zelfs maar één idee, maar dat is meer op hem van toepassing. Er zijn thema’s, maar ze keren terug op verschillende manieren. Een van de fundamentele principes van kunst is dat je een keuze maakt. Je kiest het ene en je kiest het andere niet. Je kiest die kleur, dat onderwerp, enzovoort. En dan is er iets wat Nam June Paik ooit tegen me zei – we hebben nog samen lesgegeven. Hij zei: ‘John, wat ik goed vind in jouw werk is wat je weglaat.’ Ik neig ernaar belangrijke informatie weg te laten, maar nooit genoeg, zodat je nog kan achterhalen dat er belangrijke informatie is weggelaten.

A.C.: Dat is een heel postmoderne manier van communiceren.

J.B.: Ik vermoed het, ja.

A.C.: Advertenties werken ook zo: je moet zelf de boodschap achterhalen en als het lukt, dan voel je je slim en krijg je een goed gevoel.

J.B.: Ik weet niet of ik dat doel voor ogen had: mensen zich slim laten voelen over zichzelf. Maar ik hou van het idee.

A.C.: Het heeft met timing te maken. Je moet weten welke hoeveelheid je kan weglaten. Misschien voelt de toeschouwer zich meer verbonden met het werk omdat er iets is dat nog uitgezocht moet worden.

J.B.: De toeschouwer kan meedoen. Ik vergelijk wat ik doe met het schrijven van mysterieuze verhalen. Je krijgt een kleine aanwijzing en dan ga je verder en krijg je de mededeling dat je in een doodlopende straat bent beland. Je speelt het spel, je verdwijnt en je komt terug. Dat ik op een bepaald moment de gezichten van mensen in foto’s met een cirkel ging afdekken, is ook zoiets. Ik dacht er toen niet zo bij na, maar ik gaf les in publieke scholen: tekenen naar model. We hielden sessies van drie uur en studenten begonnen met het hoofd, want daar kijken we normaal gezien naar. Tweeënhalf uur lang tekenden ze het hoofd, en in het halfuurtje dat nog overbleef probeerden ze de rest van het lichaam in orde te krijgen. Ik werd er wanhopig van, dus de eerste twee uur heb ik het hoofd van het model bedekt, zodat ze het niet konden tekenen. Ze moesten beginnen bij de voeten of bij iets anders, en in het laatste halfuur konden ze dan het gezicht tekenen. Zo gaat dat nu eenmaal, we kijken op een hiërarchische manier. Als ik tegen jou praat, kijk ik niet naar jouw schouder. Maar ik zou iemand naar jouw schouder kunnen laten kijken door je te vragen je hoofd te draaien, of door een lamp op je schouder te richten. Je moet achterhalen wat je interessant vindt aan iets of iemand, en dan doe je wat je kan om dat naar voren te brengen. Ik denk dat ik altijd een klein beetje pervers ben, dus ik probeer mensen niet te geven wat ze verwachten, maar niet in die mate dat ik hen verlies. En dat leidt dus tot een soort flirterig schilderen. Dat komt waarschijnlijk vooral door les te geven, want dan moet je de aandacht van de studenten trekken, en dat doe je niet alleen maar door college te geven.

A.C.: Waarom bedekte je de gezichten met stippen? Je had om het even wat kunnen kiezen.

J.B.: Ja, om het even wat. Natuurlijk.

A.C.: Verwijst het naar gedrukte posters? Als je van heel dicht naar posters kijkt, dan zie je kleine stipjes.

J.B.: Ben-Day dots, zoals bij Roy Lichtenstein… Ik heb in vroege schilderijen wel een keer dots gebruikt. Ik zal je vertellen hoe dat gebeurd is. Ik weet niet of het chronologisch gezien juist is, maar ik herinner me dat ik ergens heel goedkoop afgedankte foto’s uit kranten en schilderijen kon bemachtigen. Veel van die beelden kwamen uit kranten met een grootstedelijke rubriek – een foto van de burgemeester die de hand schudt van de politiecommissaris, zoiets… Je kent dat soort beelden. Ik vond ze altijd zo smakeloos, maar ik werd er toch door geïntrigeerd. Ik besefte waarschijnlijk, heel onbewust, dat dit de mensen waren die beslissingen namen over mijn leven. Ik had er niets mee te maken, ik zat daar in mijn studio, ik nam op geen enkele manier deel aan publieke processen. Ik wist niet wat ik eraan kon doen en ik herinner me dat ik een verfspuitbus nam om hun gezichten te bedekken. Toen leken ze op vroege werken van Richter. Dat leek me niet goed. Ik denk dat het te schilderkunstig leek… dat was het. Zoiets wilde ik niet. Ik heb toen met van die prijsstickers gewerkt, in verschillende kleuren en groottes, die ik gebruikte omdat ze zo grafisch zijn. Ik nam gewoon een paar van die stickers en plakte ze op hun gezichten, zodat ik ze niet meer hoefde te zien. En daar voelde ik me goed over – je weet wel, alsof ik het speelveld uitvlakte.

A.C.: En was er toen meteen een werk klaar?

J.B.: Dat was later. Ik moest een groot project maken voor een tentoonstelling, de Carnegie International in 1985. Toen pas heb ik een manier gevonden om die stippen te gebruiken. Het was een groot werk dat meteen tegen de muur werd aangebracht. Toen heb ik de dots voor het eerst gebruikt, architecturaal, maar ook zoals – hoe heet dat spelletje – dominostenen.

A.C.: De titel van dat werk uit 1985 was Buildings=Guns=People: Desire, Knowledge, and Hope (With Smog).

J.B.: Ik reduceerde die cirkels tot cijfers, op een manier, of tot bouwstenen.

A.C.: De bedoeling was dus niet enkel om de beelden anoniemer te maken, zodat toeschouwers vrijelijk konden associëren?

J.B.: Je krijgt al die verschillende poses, die ik burgerhoudingen noem. Je ziet ze in elke krant waar ook ter wereld, maar als je hun gezichten niet ziet, kunnen ze…

A.C.: … om het even wie zijn?

J.B.: Ja, het gaat niet meer om de mensen zelf, het gaat erom dat ze een kantoor opvullen, dat ze een functie uitoefenen.

A.C.: Een soort van rollenspel?

J.B.: Een vriend van mij, David Ross, werd directeur van het Whitney Museum en hij zei me: ‘Het is zo grappig hoe mensen mij nu anders behandelen. Ik ben David Ross niet meer, ik ben David Ross, de directeur van het Whitney Museum.’ Ze richten zich tot de directeur. Maar die directeur, zie je, dat kan dus om het even wie zijn. Het is niet die specifieke persoon.

A.C.: Welke beelden ontstaan er op die manier, dankzij de toevoeging van cirkels?

J.B.: De personen worden acteurs. Ik kan ze verplaatsen, bijna als schaakstukken. Ik maak mijn eigen moraliteitsspel. Je ziet hoe ze zich opstellen, hoe ze zich tot elkaar verhouden, wat ze benadrukken. Als je naar hun gezichten begint te kijken, zit je vast.

A.C.: Zodat er meer aandacht kan gaan naar de rest van het beeld?

J.B.: Om te kunnen achterhalen waar de personages zich bevinden.

A.C.: De latere werken van dit type lijken anders, zoals Hitchhiker (Splattered Blue) uit 1995.

J.B.: Ja, aanvankelijk gebruikte ik enkel wit en daarna zwart. Toen besefte ik dat ik ook kleur als identificerende code kon gebruiken. Rood kan gevaar signaleren, groen signaleert hebzucht. Het is mijn persoonlijke kleursysteem. Eigenlijk zeg ik: deze mens is een veilige mens, en die daar brengt gevaar met zich mee. Maar dat is natuurlijk enkel iets voor mezelf.

A.C.: Geel kan woede betekenen.

J.B.: Of iets heel geks. En blauw verwijst naar vrede of naar een ander ideaal. Je wordt bijna verplicht om universele betekenissen aan kleuren te verbinden, terwijl we weten dat die betekenissen niet bestaan.

A.C.: Het gaat steeds om primaire kleuren.

J.B.: Nee, primaire, maar ook secundaire kleuren: rood, geel, blauw of paars, oranje, groen, zwart, wit… Eén of twee keer heb ik grijs gebruikt.

A.C.: Het is een kleurtheorie, of zelfs een kleurfilosofie. Je hebt filosofielessen gevolgd. Hoe heeft dat je kunst beïnvloed?

J.B.: Wie zal het zeggen? Ik herinner me één moment, tijdens een introductie in het eerste jaar, toen ik mijn professor vroeg: ‘Wanneer is iets geordend en wanneer is iets niet geordend?’ Daar dacht ik toen al vaak over na. Wat betekent dat eigenlijk, als iets wanordelijk is? En die prof zei: ‘We kunnen wanorde beschouwen als een andere soort orde.’ Wanorde bestaat niet. Wat wanorde is voor de een is orde voor de ander, of voor een andere cultuur. Geef maar toe: toen je klein was, zei je moeder dat je je kamer moest opruimen. Het was een totale wanorde, maar voor jou was dat geen probleem. Zie je waar ik heen wil?

A.C.: Natuurlijk. Maar als ik het heb over filosofie, dan gaat het ook over wat anderen over jouw werk schrijven. In boeken over je werk wordt Derrida vermeld, of De Saussure. Was jij ook met hun filosofie bezig, of komt dat enkel van critici en hun interpretaties?

J.B.: Nee nee, ik herinner me dat ik die structuralisten en poststructuralisten gelezen heb. En toen ik bij Derrida aanbelandde, dacht ik: zo denk ik al jaren. Dergelijke schrijvers zeggen dingen die kunstenaars al jaren denken, maar die ze nog niet tot uitdrukking hebben gebracht.

A.C.: Zo is dat met de filosofie: dingen formuleren die…

J.B.: … iedereen al weet. Maar om preciezer te zijn: er was een periode waarin ik werk maakte dat sterk beïnvloed werd door het structuralisme.

A.C.: Om welk werk gaat het dan?

J.B.: In 1978 maakte ik de reeks Blasted Allegories: polaroidfoto’s in kleur met handgeschreven onderschriften. Die reeks gaat, filosofisch, over de relatie tussen beeld en tekst.

A.C.: Het werd ook de titel van een boek uit 1986 met geschriften van hedendaagse kunstenaars. In het werk Heel uit 1984 speel je met de verschillende betekenissen van het woord ‘heel’. Ook dat kan aan Derrida doen denken.

J.B.: Jazeker. Maar al voor Derrida was het woordspel een duchampiaanse activiteit. ‘A heel’ is ook een niet bepaald aangename persoon. Ik vermoed dat het over relaties gaat. Ik bedoel: je ziet al die hielen, in Heel, maar je ziet ook een ventiel dat wordt losgedraaid, en dus een band die op het punt staat leeg te lopen. Het lijkt uit een andere context te komen, en ik weet niet wat de kijker zal denken. Je zou kunnen denken aan lucht verliezen. Misschien zakt er iemand in elkaar – een verschrikkelijke persoon die voor je ogen leegloopt, misschien omdat er iemand commentaar op hem levert.

A.C.: De compositie van Heel lijkt ook Europees, en doet denken aan triptieken in kerken.

J.B.: Dat is onvermijdelijk zo. Toen ik begon te schilderen, besefte ik nog niet hoe tiranniek het idee van een vierkant of een rechthoek was. Dat is het kader waarmee schilders werken. Ik heb nooit een voorraad kaders aangelegd, ik maakte mijn frames uit timmerhout dat ik hier en daar aantrof. Over gulden sneden of hypothetische relaties tussen afmetingen heb ik nooit nagedacht. Pas toen ik een camera begon te gebruiken, besefte ik hoe tiranniek de rechthoek was, want alle zoeklenzen zijn hetzelfde, net als de papierformaten waarop foto’s worden afgedrukt. Er zijn verschillen, maar het zijn variaties op een en dezelfde rechthoek.

A.C.: En wat was het alternatief?

J.B.: Ik begon lange smalle dingen te maken, en driehoeken en cirkels. Waarom zou ik binnen een rechthoek een compositie moeten maken? Is er iemand die mij vertelt dat het zo moet? Toen ik mijn foto’s voor het eerst begon te tonen, wilde ik er geen kader rond. Toen raakten ze beschadigd en dus zei mijn dealer: ‘Je moet je foto’s in kaders stoppen.’ Ik wilde mijn foto’s niet keer op keer opnieuw maken, dus zei ik: ‘Kaders, oké, maar dan op een architecturale manier, als bouwblokken.’ Daarom ben ik werken als Heel gaan maken, ook omdat er op die manier een dialoog ontstaat tussen de verschillende afdelingen of kaders.

A.C.: Waarom staat er, in Heel, in het onderste beeld van het grootste kader, een rode kronkelende lijn?

J.B.: Ik maakte toen ook andere werken met foto’s van grote groepen mensen. Zelfs als die lijn er niet zou zijn, dan zou je blik nog steeds een dergelijke beweging maken. Je zou van punt naar punt naar punt gaan, toch? Ik wilde de beweging van die mensen tot een soort gebaar maken. Bovendien hou ik ervan om verschillende dingen bij elkaar te brengen als één ding – het is een soort van filosofisch gebaar. Je kan steeds verder gaan, het gaat over eenheid. In al die onderdelen van Heel is er een vorm van verval merkbaar. Het systeem breken, weet je wel? Er is iets dat niet werkt.

A.C.: Je sprak over een populistisch fundament van je werk: werken produceren die iedereen kan lezen en begrijpen. Is het ook daarom dat je boeken en edities maakt?

J.B.: Dat maakte indertijd deel uit van de beweging. Vooral conceptuele kunstenaars maakten kunstenaarsboeken, hoewel kunstenaars dat natuurlijk al veel eerder deden. Ik heb altijd al van boeken gehouden. Ik probeerde inderdaad goedkope kunst te maken, dingen die ook studenten zich konden aanschaffen. Het kost niet zo veel, maar toch is het kunst. Toen ik in 1971 mijn eerste kunstenaarspublicatie klaar had, Ingres and Other Parables, werd mij aangeboden om er een dure editie van te maken. Ik wilde absoluut dat het boek minder dan tien dollar kostte, maar niemand wil een boek produceren dat voor minder dan tien dollar verkocht wordt. Ik heb in 1972 toch een uitgever gevonden die het wilde doen: Studio International Publications in Londen.

A.C.: Ingres and Other Parables wordt nu tweedehands voor honderden dollars verkocht.

J.B.: Dat is ook weer de ironie! Omdat kunstenaarsboeken een beperkte oplage hebben, worden ze heel kostbaar.

A.C.: Je zou dus gewoon meer edities en publicaties moeten maken, om ze goedkoop te houden?

J.B.: Ja, maar probeer maar eens iemand te vinden die meer dan tweeduizend exemplaren wil drukken. Niemand wil dat doen. Het is absurd. Ik zeg tegen mensen: ‘Het zal nog altijd verkopen’, maar vijfduizend exemplaren is de hoogste oplage die ik heb weten te bereiken. Dat is nog altijd niet zo veel.

A.C.: Je wil dus nog altijd betaalbare kunst maken voor het grote publiek?

J.B.: Zie je deze wijnfles? Ik heb het etiket ontworpen.

A.C.: Cool! Dat wist ik niet.

J.B.: Sol LeWitt heeft ook een wijnetiket ontworpen en hij zei me: ‘Je moet dat ook doen, John.’ De eigenaar van het wijndomein, Imagery Estate Winery in Californië, maakte een hele reeks, een kunstenaarseditie met wijnetiketten, telkens met een ander label. Mijn wijnfles is een hommage aan een van jullie Belgische schilders.

A.C.: Magritte is weer helemaal terug!

J.B.: Dit is wat Magritte gedaan zou hebben mocht hij een wijnetiket hebben gemaakt. Ik doe dat vaker: werk proberen maken dat eruitziet als een Matisse of een Mondriaan. De regel was dat op elk etiket een gebouw moest staan dat zich op de wijngaard bevindt. In Napa Valley in Californië hangt de lucht altijd vol wolken en ik dacht: ‘Waarom niet een grote glazen wijnfles volledig uit wolken maken?’ En dan ontsnap je natuurlijk niet aan Magritte. Geen probleem trouwens, want hij is een van mijn favoriete kunstenaars.

 

Redactie en vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

 

Ann Cesteleyn studeerde in 2003 af als kunsthistoricus aan de Vrije Universiteit Brussel met een scriptie getiteld A Different Type of Order. Schets van het traject van de deconstructie in het werk van John Baldessari, van concept art naar postmodernisme. In april 2003 bezocht ze de Amerikaanse kunstenaar in zijn atelier in Los Angeles voor een interview. In het najaar van 2006 was ze curator van de tentoonstelling John Baldessari. The Prima Facie Series in Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle.

Niet-fotograaf. Baldessari in Brussel (3)

Ik herinner mij dat de ‘reeksen’ mij in de jaren zeventig verrukten. Ik las ze bij Grijs, bij Kousbroek, op de eerste pagina’s van Les mots et les choses, en ik zag ze in musea en galeries. Een lichtheid werd in me opgeroepen, een onmiddellijk toegankelijke ironie, een bevrijdende relativering (zowel van de woorden als van de dingen). Permutatie was de sleutel. In den beginne was het woord – inderdaad. Het volstond dit woord niet als scheppend en bezitnemend te zien, maar als willekeur. Nominalisme.

John Baldessari is zo’n conceptualist. Hij werkt vooral met fotografisch materiaal. Dat hij daardoor ‘fotograaf’ wordt genoemd en dus op mijn werktafel terechtkomt, is al een ironische overwinning voor zijn werkwijze. Ironisch, omdat hij natuurlijk niet het naïeve realisme aanhangt dat hoe dan ook wezenlijk is voor het fotografische. De sentimentaliteit, het pathos van de opname (zo prachtig beschreven door Barthes) is zeker niet zijn aangelegenheid. Beelden zijn voor hem als speelkaarten: het enige dat ze moeten hebben, is dat men ze van elkaar kan onderscheiden en ze kan rangschikken.

Daarmee wordt zoveel gezegd als: foto’s hebben eigenlijk geen naam, zeggen niets, zijn sprakeloos, maar zijn wel eindeloos benoembaar. Fotografie is het domein van de virtualiteit. Alles is er mogelijk, niets is er ooit zeker. Dat stelt iedereen vast die familiefoto’s aan een vreemde laat zien; dat stelde Bertillon vast toen zijn identiteitsfoto’s onbruikbaar bleken; dat stellen reporters vast wanneer zij de onderschriften van de redactie lezen; dat stelt de fotograaf vast wanneer hij op zijn contactafdrukken op zoek gaat naar een beeld dat hij maakte, zonder precies te weten dat hij het maakte.

Deze pijnlijke paradox van de fotografie (alles wordt getoond, maar niets wordt gezegd) wordt door de conceptuele fotograaf uitgebeend. Nu heeft de fotografie niet op hem moeten wachten om zich van deze paradox bewust te worden. Dat bewustzijn loopt als een rode draad door alle fotografie sinds de jaren twintig. Men kan die paradox tweeledig opvatten: of men neemt de sprakeloosheid, of men neemt de feitelijkheid als vertrekpunt.

Laten we met de laatste mogelijkheid beginnen: een foto is dan geen beeld van, maar een feit op zichzelf, een absoluut betrouwbare lichtafdruk. Wat men in dat net heeft gevangen, zijn geen fantasieën. De onderzoeker (wie naar een foto kijkt wordt een onderzoeker) wordt door die feitelijkheid omspoeld. Hij kan niet anders dan daar tegelijk ijzingwekkend nuchter en stemoverslaand pathetisch op te reageren. Om uit die dubbele gevoelskwaliteit en bewustzijnsvorm te raken, grijpt hij naar taal. Hij wil benoemen en hij merkt meteen dat ieder woord van de glanzende pels van dit beeld afdruipt. Hij kan het beeld geen woord geven; hij kan er niet mee converseren; het praat niet terug.

Frank, Klein, Arbus, Winogrand – zij hebben de sprakeloosheid van de feiten, van het document tot uitgangspunt genomen van hun werk. Foto’s die spraakzaam lijken hebben alleen maar de feitelijkheid aan banden gelegd, geordend, ingeperkt. Ze spreken niet, ze buikspreken. Grote fotografen hebben die buikspreker met geweld omgebracht. Hun onderwerp is de taal- en ordeloosheid van hun beelden. Ze laten zien dat de feiten er zijn, maar geen naam krijgen – vondelingen, bastaards, wezen.

De niet-fotografen daarentegen (zoals Baldessari) – Nancy Foote noemt ze ‘anti-fotografen’ – zijn op geen enkele manier onder de indruk van de feitelijkheid. Geen foto is bindend, iedere foto is virtueel. Het is geen realiteit (geen feit), maar een mogelijkheid die gerealiseerd moet worden. Maar de foto wordt er geen feit, slechts een teken. In de nevenschikking van steeds meerdere foto’s (typerend voor hen!) wordt niet meer iedere opname op zichzelf, maar hun relatie geviseerd. Dat relationele is geen ‘feit’ meer, maar een begrip. De sprakeloosheid eigen aan het fotografische komt hier bijzonder goed van pas. Het laat toe een spraak te creëren: ter plekke. De series van de conceptuelen zijn echter geen verhaal, boodschap, uiting, maar slechts aanduiding van een systeem. Het is het verschil tussen een kaartspel (dat is het domein van Baldessari) en een gespeelde partij (dat is bijvoorbeeld reclamefotografie, fotomontage).

Men ziet dus dat de conceptuelen tweemaal abstraheren. Een eerste keer doen ze afstand van de feitelijkheid; een tweede keer doen ze afstand van verhaal, boodschap, geordende mededeling. De evenwichtspositie die hier uitgeprobeerd wordt is indrukwekkend: de foto’s zijn noch aan feiten, noch aan een voorbedacht script (zie Michals) onderworpen. De foto’s worden niet in de spraak binnengeleid, maar onderworpen aan een pseudo-ordening die nooit tot een uitspraak leidt. Zowel het teveel aan feiten als het teveel aan betekenis worden weggebrand. Zowel het pathos van de feiten als de banaliteit van hun interpretatie wordt een halt toegeroepen.

Rauschenberg, Rainer, Warhol hebben ook ‘met’ foto’s gewerkt. Maar wat een gevecht voerden zij niet tegen de opdringerige feitelijkheid (Rainer) en te makkelijke leesbaarheid (Warhol). Zij reageerden fysiek op het ongenaakbare icoon dat de fotografie voor hen is. Zij laten pathos ontstaan door de feiten te verwerpen (retour, aan de afzender). In dat gevecht blijkt het beeld kwetsbaar en onderworpen aan een pijnlijke fading. Een andere manier om weer te zeggen dat een foto ‘maar’ dat is.

 

Oorspronkelijke publicatie: Dirk Lauwaert, ‘John Baldessari’, in: Kunst & Cultuur. Maandblad van het Paleis voor Schone Kunsten, nr. 10, 1988, p. 56. De tentoonstelling John Baldessari. Recent Works liep van 10 september tot 30 oktober in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

De verteller vertelt niet. Baldessari in Brussel (2)

Midden jaren zestig schreef John Baldessari in een notitieboekje: ‘Kunstsprookjes bedenken. Een goede leraar zijn zoals Jezus.’ Het was een van die kernachtige aantekeningen die hij zijn hele leven bleef maken. In Bozar grepen curatoren Rita McBride, Bartomeu Marí en David Platzker deze notitie aan om een titel te geven aan de overzichtstentoonstelling die ze maakten: Parabels, fabels, en andere sterke verhalen. Ze reiken daarmee een lens aan om naar het oeuvre van Baldessari te kijken, in dezelfde lijn als de tentoonstelling The Story Underneath in 2022 bij Sprüth Magers in New York. Maar hoe moet bijvoorbeeld het videowerk I Will Not Make Any More Boring Art uit 1971 geïnterpreteerd worden als verhaal of parabel? Meer dan een halfuur lang schrijft de kunstenaar de titelzin over op een vel papier, alsof hij een straf uitvoert. De film heeft geen narratief en amper een cinematografische opbouw. Dezelfde vraag rijst bij Throwing Three Balls in the Air to Get a Straight Line (Best of Thirty-Six Attempts) uit 1973: een fotografische weergave van de twaalf meest geslaagde pogingen van het in de titel beschreven experiment. Deze conceptuele directheid wordt uitgedaagd door de titel van de tentoonstelling, die daarom net zo goed met een vraagteken zou kunnen eindigen.

Baldessari werd opgeleid als schilder. Hoewel hij zich eind jaren zestig resoluut begon af te zetten tegen de gangbare opvattingen over schilderkunst, blijft zijn oeuvre gekenmerkt door overschilderde en bewerkte foto’s, montages en de combinatie van tekst en beeld op doek. Hij bleef zijn hele carrière op zoek naar manieren om met de normen van de schilderkunst om te gaan. Baldessari maakte beelden, op alle mogelijke manieren. Dat is wat de tentoonstelling in Bozar toont: beelden – in veel vormen en formaten, in allerhande composities en bewerkingen. Maar kunnen beelden fabuleren? Vertelt een beeld een verhaal? Elk van de curatoren is eerder betrokken geweest bij projecten met of over John Baldessari, en McBride was een van zijn studenten aan CalArts. Als zij stellen dat Baldessari een verhalenverteller was, dan hebben ze ongetwijfeld gelijk. De tentoonstelling geeft echter een ander beeld. Waar zijn al die sterke verhalen?

Joan Didion schreef dat mensen elkaar verhalen vertellen om te overleven. Ze doelde op de existentiële drang om structuur en zin te geven aan het leven, door het in enigszins samenhangende narratieven te gieten en die te delen. Van die drang is weinig te merken in de kunst van Baldessari. Hij verwijst soms expliciet naar verhalen, zoals in The Pencil Story (1972-73) of in het kunstenaarsboek Close Cropped Tales (1981), twee werken die in Brussel niet aanwezig zijn. De enige duidelijke link met de tentoonstellingstitel is terug te vinden in Ingres and Other Parables (1971) en in het gelijknamige kunstenaarsboek (1972) dat al bij aanvang van de expo te zien is. Baldessari maakte tien nevenschikkingen van een korte parabel en een beeld. Hij vertelt telkens in een tiental regels een parabel over kunst, de kunstmarkt en de kunstgeschiedenis. De eerste episode gaat over een werk van Ingres dat steeds weer van eigenaar verandert, telkens een beetje aftakelt en halfslachtig wordt gerestaureerd. De documentatie die bij het werk hoort, wordt echter nauwkeurig bijgehouden. Als het werk van Ingres te koop komt op een veiling, blijkt er niets over behalve een nagel en de documentatie. Baldessari eindigt de parabel tongue in cheek: ‘In fact, it was believed to be the only Ingres nail ever offered in public sale.’ De korte tekst stelt impliciete vragen bij privaat kunstbezit, de zorg voor kunstwerken en de fetisjisering ervan op de kunstmarkt. Bovenal is het een herwerking van de paradox van Theseus: als een schip jaar na jaar steeds weer wordt gerepareerd zodat geen enkel onderdeel nog origineel is, blijft het dan nog hetzelfde schip? Baldessari benoemt in dit vroege werk een van de meest cruciale ideeën uit de conceptuele kunst, en misschien vertelt hij dus inderdaad iets over kunst in het algemeen. Elk van de tien parabels wordt weerbarstig afgesloten met een beknopte samenvatting, zoals: ‘Moral: If you have the idea in your head, the work is as good as done.’ Baldessari lijkt het nodig te vinden om deze verhalen telkens te reduceren tot een moraliserende slogan – en stelt daarmee de relevantie of de duidelijkheid van het narratieve zelf in vraag.

De onderdelen van Ingres and Other Parables resulteren vaak in een aforisme, een genre dat ook een wezenlijk onderdeel is van Baldessari’s signatuur. Zo is er A Two-Dimensional Surface without Any Articulation Is a Dead Experience (1966-67), met de titel op doek geschilderd door een letterschilder. De curatoren herinneren zich ook een aantal aforistische uitspraken van de kunstenaar, die als wandteksten midden in de tentoonstelling in Bozar terechtkwamen. ‘Grote kunst is helder denken over gemengde gevoelens.’ ‘Als ik denk dat kunst iets moet doen, dan zou ik geen kunstenaar moeten zijn.’ Nog vaker krijgen de kernachtige uitspraken de vorm van een prompt. Baldessari noteerde voortdurend opdrachten aan zichzelf en aan anderen in notitieboeken. In 1970 stelde hij een lijst op met 109 taken voor de kunstenaars die hij onderwees. ‘1. Imitate Baldessari in actions and speech. Video.’ ‘20. A sensory deprivation piece. A sensory overload piece.’ ‘34. Defenestrate objects. Photo them in mid-air.’ ‘101. Put new canvas over old paintings.’ In hun absurde eenvoud geven deze opdrachten duidelijke instructies om van te vertrekken en onmiddellijk te creëren – om een traject af te leggen dat op zich ook verhalend kan worden.

Of individuele beelden verhalend kunnen zijn, is een andere vraag. In schilderijen kunnen verschillende acties in één beeld versmelten, zoals in Bruegels De val van Icarus (1595-1600) of in Botticelli’s Vier scènes uit het vroege leven van Sint Zenobius (ca. 1500). Klassieke historiestukken beelden één kerngebeurtenis van een verhaal af, waardoor ze de facto het gehele verhaal onverteld laten. Meerdere beelden die in relatie staan tot elkaar, zoals in een beeldverhaal, verbinden gebeurtenissen. De klassieke narratologie of verhaalkunde ziet het als een van de essenties van een verhaal dat een opeenvolging van gebeurtenissen wordt weergegeven. Ze staan in een tijdsverband en kunnen dus niet in één oogopslag worden waargenomen. We luisteren geduldig naar een verhaal of nemen de tijd om het te lezen. Een verhaal heeft een begin en einde, en hoewel daaraan gesleuteld kan worden, kunnen we die moeilijk wegdenken. In sommige werken geeft Baldessari een aanzet tot zo’n opeenvolging. In A Movie. Directional Piece Where People are Walking (Version B) (1972-73) plaatst hij 23 stills in een krulvormige compositie aan de wand. Op elk beeld brengt hij een rode pijl aan die aangeeft in welke richting de centrale figuur loopt. Hij rangschikt de beelden vervolgens zodat er een pad ontstaat, geleid door de aangegeven richtingen. De pijlen sturen het oog van de kijker letterlijk van beeld naar beeld. Toch is er helemaal geen ontwikkeling of plot. Wat we zien is een serie shots, gerangschikt volgens een bepaalde logica, zonder betekenisvol begin of einde, en bovenal zonder onderscheidbare gebeurtenissen.

Baldessari doet van alles, behalve verhalen vertellen. Hij knipt, plakt, monteert, herhaalt en plaatst beelden naast elkaar. Is een tekst met losse, eerder ongerelateerde zinnen een verhaal? Het veelvuldige gebruik van montagetechnieken benadrukt dat hij niet zomaar vertelt. Montage, in de cinematografische zin, zoals in het werk en de theorie van Sergei Eisenstein, is fundamenteel gestoeld op een conflictsituatie: meerdere fragmenten worden samengebracht en vormen samen een nieuw, composiet geheel. De samenstelling is cruciaal in deze opvatting van de montagelogica. Het geheel wordt niet ‘opgelost’ in een vloeiende overgang; de relatie tussen de fragmenten blijft enigmatisch, maar er wordt iets ‘nieuws’ gecreëerd terwijl de fragmenten toch onderscheidbaar blijven. Two Kisses. Drinking/Eating/Chaotic Situation/Sidewalk/Cactus (1992) is daar een duidelijk voorbeeld van: een ingekaderde tekening, een kader met een foto van een voetpad en een foto van een agaveblad, en vijf uitsneden van gezichten en armen uit kleurenfoto’s. De kaders hangen tegen elkaar aan de wand (ze ‘kussen’ elkaar), en de uitgeknipte foto’s van armen aan een eettafel en gezichten komen als een rookpluim uit de kaders tevoorschijn. Two Kisses wekt allerhande formele, conceptuele en zelfs erotische associaties op, zonder die coherent aan elkaar te binden. Het is vol van betekenis, zonder houvast te geven en zonder zinvol te worden. Zelfs Two Figures and Two Figures (Masked) with Blue Shape (1990), dat twee verwante foto’s combineert die een duidelijke setting en onderwerp hebben, laat zich moeilijk tot een narratief herleiden. De kunstenaar combineert een ingekaderde foto van een gijzelingsdrama en een ingekaderde filmfoto met twee figuren met een papieren zak over hun hoofd. Op de onderste foto schildert hij bivakmutsen op de twee gijzelnemers en maakt hij hun lichamen zwart. De middelste figuur (de gegijzelde?) wordt herleid tot een blauw vlak. De dramatiek van dit mogelijk aangrijpende beeld wordt onschadelijk gemaakt en tegenover een komische scène gezet. Hoewel de beelden met hun zwarte kaders, tegen elkaar aan gehangen, lijken op de rechthoeken in een stripverhaal, houdt Baldessari ook hier de crux van de gebeurtenis voor zich. Structurele elementen van een beeldverhaal worden overgenomen, maar sabotage treedt op nog voor de beelden de kans krijgen zich te ontplooien tot een verhaal.

In de werken waarin beeld en tekst met elkaar worden verbonden, wordt de koude montagetechniek nog harder en enigmatischer doorgevoerd. Goya Series (1997) grijpt terug op een reeks werken die de kunstenaar in 1966 begon en waarin telkens een foto met een stuk tekst wordt gecombineerd op één canvas. Een van die werken bestaat uit een foto van een cover van het tijdschrift Artforum, met daaronder de mededeling: ‘This is not to be looked at.’ Dit tekstfragment ontleende Baldessari aan een werk van Goya, No se puede mirar, uit de serie Los desastres de la guerra (1810-1820). Op die ets staan getormenteerde figuren die om medelijden smeken en wegduiken, terwijl rechts in het beeld acht bajonetten op hen gericht zijn. Het contrast dat Baldessari oproept met het kunsttijdschrift is grimmig en kritisch, maar het heeft ook iets blasfemisch – hoe kan een nummer van Artforum ooit het equivalent van een oorlogstafereel zijn? In de Goya Series combineert hij opnieuw eenvoudige, haast documentaire beelden (een boek, een kamerplant) met een titel van Goya of met een zelfverzonnen titel à la manière de Goya. De nevenschikking die nooit echt een eenduidige link oplevert, is nog sterker aanwezig in de Tetrad Series (1999), die bestaat uit composities van vier even grote vierkanten. Het eerste vierkant is een beeld gemaakt door de kunstenaar dat één of enkele objecten uit het dagelijkse leven bevat, het tweede is een detail uit een werk van Goya, het derde is een gevonden (film)beeld, en het vierde en laatste vierkant toont een tekstfragment uit het werk van Fernando Pessoa. In de tentoonstelling in Bozar zijn drie werken uit de Tetrad Series te zien: What Was Seen, Real Shadows en All Getting On Together. Hoewel de werken narratief potentieel bezitten en veel aanleiding tot verhalen geven, blijft het eindresultaat hetzelfde: een niet te reduceren som der delen, als gevolg van een montage die te weinig structurerend werkt om verhalend te zijn.

Voor de scenografie van Parabels, fabels, en andere sterke verhalen werd OFFICE Kersten Geers David Van Severen uitgenodigd. Hun ingreep is vrij minimaal en tegelijk zeer aanwezig. De vier hoekkamers van het tentoonstellingscircuit werden bekleed met een behangpapier dat Baldessari in 1998 ontwierp, in vier varianten – roze, groen, lichtblauw en geelgroen. Het motief, in een rasterpatroon, bestaat telkens uit twee objecten die op elkaar lijken, zoals een pizza waarvan het bovenste kwart is losgesneden en een klok die drie uur aangeeft, of een aardappel en een gloeilamp. Verspreid over alle tentoonstellingszalen staan generische, aluminium terrasstoelen die de bezoeker uitnodigen om plaats te nemen en rustig naar het werk te kijken dat aan de wanden hangt. De stoelen lijken op de meubelstukken die OFFICE neerzette in het Belgisch paviljoen op de architectuurbiënnale van Venetië in 2008. Dat project heette After The Party en bestond uit een ommuurd maar leeg paviljoen gevuld met confetti… een feest dat is afgelopen, maar waar de bezoekers, enigszins ongemakkelijk, weer leven in moeten brengen. In Bozar, bij Baldessari, functioneren de vele (lege) stoelen, zeker op niet te drukke momenten, op een gelijkaardige manier: ze nodigen uit, maar creëren ook een lichte ongemakkelijkheid, en dat gevoel van onbehagen wordt nog versterkt doordat ze over de ruimtes uitgespreid zijn en dus nergens klemtonen leggen. Het resultaat is een embarras du choix: alle opties blijven open, maar er wordt aangestuurd op een eerder individuele beleving van dit oeuvre. In die zin saboteert ook OFFICE de titel van de tentoonstelling, en dus het beeld van Baldessari als verteller. Wie verhalen vertelt, doet dat meestal niet aan één persoon. Verhalen worden doorgegeven of verteld in groep, over generaties heen.

Een van de eerste werken in Bozar is Cadaver Piece (Proposal for ‘Information’ Show): ‘possibly an impossible project’, gemaakt voor de door Kynaston McShine gecureerde tentoonstelling Information in het MoMA in 1970. Baldessari wilde een lijk tentoonstellen en de belichting, het ‘dispositief’ en de positie van de toeschouwer zo organiseren dat het beeld de Bewening van de dode Christus (ca. 1483) van Mantegna zou benaderen. Hij testte op die manier de mogelijkheid om de esthetische afstand te verbreken – want een echt maar dood standbeeld is afstotelijk en taboe – en toch in stand te houden door de kunsthistorische en esthetische referentie en de totale theatrale controle. Afstotelijk maar beeldschoon. Het resultaat zou een beeld van een lijk geweest zijn dat volstrekt gecontroleerd bleef, maar waarin meteen ook alle betekenissen en verhalen verdwenen – de dood is het ultieme einde. Ook Parabels, fabels, en andere sterke verhalen biedt een indrukwekkende reeks indrukken die los van conceptuele en formele verbindingen onmogelijk te herleiden zijn tot narratieve motieven of tot een sluitend verhaal.

 

John Baldessari. Parabels, fabels, en andere sterke verhalen, tot 1 februari, Bozar, Ravensteinstraat 23, Brussel.

Eindeloze lol. Baldessari in Brussel (1)

John Baldessari zag zichzelf meer als schrijver dan als beeldend kunstenaar. De Amerikaanse vernieuwer binnen de conceptuele kunst begon als schilder, maar verbrandde in 1970 al zijn schilderijen gemaakt tussen 1953 en 1966. De kunst van het toenmalige heden, zo vond hij, werd niet gemaakt met olieverf. Digitale beelden, zoals foto’s en video stills, maar ook commerciële prints, reclameposters en gevonden objecten werden het materiaal waarmee kunst kon worden gemaakt. Uit 1971 dateren verschillende werken op basis van het handgeschreven statement ‘I will not make any more boring art’. Spannende kunst, het enige alternatief, bestond volgens Baldessari uit de verrassende samenkomst van twee radicaal verschillende elementen. Deze benadering komt daarna in vrijwel al zijn werk terug. Baldessari vond zichzelf een schrijver omdat hij beelden gebruikte zoals dichters woorden hanteren: het ging hem om het vinden van de juiste ‘botsing’ tussen het ene beeld en het andere. Door deze botsingen centraal te stellen kwam de individuele betekenis van elk beeld – elk woord – des te scherper naar voren.

In de overzichtstentoonstelling John Baldessari. Parabels, fabels, en andere sterke verhalen toont Bozar in Brussel de poëtische dynamiek die ten grondslag ligt aan bijna al het werk van de kunstenaar. Beginnend met de video Six Colorful Inside Jobs (1977), waarin Baldessari het onderscheid tussen kunstschilders en huisschilders bevraagt, laat de expositie meteen zien waar zijn werk voor staat: humor, subversie en semantische dubbelzinnigheid. Vooral dat laatste facet wordt benadrukt. De werken laten zien in hoeverre taal voor Baldessari een artistiek materiaal was, dat bovendien vaker wel dan niet als associatieve ‘lijm’ werd gebruikt. Met een enkel woord gaf hij beelden een nieuwe, vaak humoristische betekenis. In die zin doen veel van zijn werken aan als een soort memes avant la lettre: net als de grappige, soms sarcastische en ironische ‘collages’ die online worden rondgestuurd, vinden de beelden van Baldessari hun oorsprong in het recycleren van bestaande beelden. Door die beelden met een kleine aanpassing – in zijn geval met een enkel woord of teken – in een andere context te plaatsen, ontstaat er dissonantie die op de lachspieren werkt. Zijn benadering tot de collagevorm voelt opvallend vertrouwd aan voor een hedendaagse bezoeker die vertrouwd is met het remixen en monteren van alledaagse beelden op sociale media.

Wat meteen opvalt in Bozar is de lak aan chronologie. Zowel de ingang als de uitgang van de expositie worden geflankeerd door videowerken uit de jaren zeventig, van Six Colorful Inside Jobs vlak na de ticketcontrole tot een vierluik van video’s, waaronder I Will Not Make Any More Boring Art (1971), bij het verlaten van de tentoonstelling. De zalen zelf lijken vrij associatief te zijn ingevuld, op basis van technieken eerder dan van periodes. Regelmatig worden de bezoekers heen en weer geslingerd tussen de jaren zeventig en het eerste decennium van deze eeuw. Om het associatieve karakter van de expositie compleet te maken, zijn de zalen niet voorzien van duidende teksten. Wel zijn er spraakmakende citaten van Baldessari op de muren gekleefd, om een indicatie te geven van de denkwijze achter zijn activiteiten als kunstenaar, maar ook als docent. Hoewel de afwezigheid van historische context oningewijden aan het dobberen kan brengen – waar reageren deze werken nu eigenlijk op? – past de losse presentatievorm perfect bij het oeuvre van Baldessari. Met het volgen van regels hield hij zich evenmin bezig.

In die zin is Six Colorful Inside Jobs een treffende opener. Voor deze video huurde Baldessari een huisschilder in om een kleine kamer een week lang te schilderen, elke dag in een andere kleur. Door het beperkte formaat van de kamer was het haalbaar om de ruimte telkens binnen één werkdag te transformeren. De huisschilder wordt van bovenaf gefilmd en het beeldmateriaal wordt versneld afgespeeld, zodat het project dat een week in beslag nam op beeld maar een halfuur duurt. Het werk is bevredigend om naar te kijken, als een soort visuele ASMR, maar inhoudelijk leest het als een subversie van het kunstenaarschap. Wat is feitelijk het verschil tussen een academisch opgeleide kunstschilder en een ‘doodgewone’ huisschilder? Door een huisschilder aan het werk te zetten in een artistieke context, bevraagt Baldessari de waarde die de specificatie ‘kunst’ aan een schilder toekent. Six Colorful Inside Jobs kan gelezen worden als een kritiek op distinctie en op het bestaan van een artistieke ‘klasse’. Hetzelfde geldt voor Clement Greenberg (1966-68), een doek met een citaat van de gerenommeerde kunstcriticus over het onwillekeurige en absolute van esthetische oordelen, uit het essay ‘Problems of Criticism II. Complaints of An Art Critic’, dat in 1967 in Artforum verscheen. Je kan, aldus Greenberg, niet kiezen of je van een kunstwerk houdt, net zomin als het een keuze is dat suiker zoet smaakt of citroenen zuur. Baldessari huurde ook voor dit werk een vakman in, namelijk een reclameschilder, en vroeg hem met klem om het schilderij ‘niet te artistiek te maken’. Met deze gezagsondermijnende werken leek hij de beeldende kunst uit het domein van de elite te willen halen, en juist de (uitnodigende) banaliteit van de westerse beeldeconomie te benadrukken.

Baldessari groeide op in de jaren dertig en veertig in National City, een geïsoleerd stadje ten zuiden van San Diego, Californië. Zijn vader en moeder waren immigranten uit respectievelijk Tirol en Denemarken, en deelden geen moedertaal met elkaar, noch met hun zoon, die vanaf zijn geboorte Amerikaans Engels leerde. De vader van Baldessari onderhield zijn vrouw en kinderen – Baldessari had een oudere zus – door te handelen in metalen. Regelmatig ging de jonge kunstenaar mee op pad om bruikbare materialen uit pas gesloopte gebouwen te jutten: een jeugdherinnering waaraan hij zijn interesse in merkwaardige objecten toeschreef. Alhoewel Baldessari na de middelbare school meteen naar de kunstacademie ging, durfde hij niet van een carrière als kunstenaar te dromen. ‘Ik dacht altijd dat ik leraar zou worden op een middelbare school,’ vertelde hij in 2013 aan Interview. ‘Mijn eigen kunst zou hooguit iets voor het weekend zijn.’ Zijn vader had liever gezien dat hij architect werd, zodat het artistieke oog van zijn zoon toch nog een beetje geld zou opleveren. In 1970, kort nadat Baldessari zijn schilderijen verbrandde, sloot hij zich als docent aan bij CalArts, een private kunstacademie in het zuiden van Californië. Daar zou hij invloedrijk blijken: hij gaf les aan onder anderen Mike Kelley en David Salle, net als aan Rita McBride, die samen met Bartomeu Marí, David Platzker, Zoë Gray en Alberta Sessa de expo in Bozar cureerde. Als docent hield Baldessari niet van abstract gefilosofeer over kunst. Hij zag zichzelf als een artistieke huisarts, die zijn studenten konden benaderen wanneer ze het gevoel hadden vast te zitten. ‘Dokter’ Baldessari dacht dan samen met hen na over manieren om het werk opnieuw open te breken.

Voor Baldessari was het belangrijk dat zijn werk toegankelijk was. Omdat er een taalbarrière bestond tussen hem en zijn vader, die nooit vloeiend Engels leerde, begreep hij al op jonge leeftijd dat het beter was in korte, heldere zinnen te spreken. Naar eigen zeggen heeft dit besef zijn interesse in semantiek gemotiveerd. Baldessari zag beelden en woorden in gelijke mate als communicatiemiddel, en het voelde natuurlijk aan om de twee samen te brengen. In een interview met Art21 in 2008 zei hij dat tijdschriften en kranten hem inspireerden. ‘Mensen kijken dagelijks naar de combinatie van foto’s en teksten op het nieuws, dus het voelde logisch om hetzelfde te doen in een kunstwerk. Wat mij betreft kan een woord net zo goed een beeld zijn, en andersom. Ze zijn inwisselbaar voor mij.’

In Parabels, fabels, en andere sterke verhalen wordt geëtaleerd hoe Baldessari zijn syntactische benadering tot beeldtaal telkens weer innoveerde. Humor is een constante factor. In de vroege foto-installatie A Movie. Directional Piece Where People Are Walking (1972-73) zette Baldessari foto’s van wandelende mensen op een rij, verbonden met pijltjes. Zo lijkt het alsof de figuren in de foto’s, alhoewel ze duidelijk van elders komen, allemaal dezelfde kant op gaan, ‘geleid’ door Baldessari’s aanwijzingen. In ander werk experimenteerde hij met de wisselwerking tussen beeld en ondertitel, zoals in de Blasted Allegories (1978), maar ook in de Goya Series (1997), Tetrad Series (1999) en Elbow Series (1999). Een beeld krijgt woorden toebedeeld die ogenschijnlijk niets met het beeld te maken hebben. Die vervreemdende combinatie zet een associatief proces in gang dat niet per se tot een concrete uitkomst leidt: de werken van Baldessari bevatten nooit een uitgesproken boodschap, en daarin ligt zowel hun kracht als hun zwakte.

Een soortgelijk associatief proces vormt de basis van Prima Facie (2005), een reeks waarvan in 2006 een ruime selectie te zien was in Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. ‘Prima facie’ betekent ‘op het eerste gezicht’, en voor de serie verzamelde Baldessari close-ups van filmgezichten. Bij elke gezichtsuitdrukking zette hij een frase die, volgens hem, de getoonde expressie getrouw samenvatte. ‘Amour’ staat bij een foto van een extatisch vrouwengezicht; ‘dog’s ear’ bij het gezicht van een ietwat aarzelende man. Alhoewel de correlatie tussen de woorden en de beelden niet eenduidig is, blijft Prima Facie – alsook Baldessari’s andere reeksen – makkelijk te consumeren omdat de combinaties zo grappig zijn. De Goya Series bevat een zwart-witfoto van een verse bos bloemen in een bolronde glazen vaas, met de zin ‘there isn’t time’. Die bloemen zullen inderdaad over niet al te lange tijd doodgaan, maar als een van de vele visuele puns binnen het oeuvre van Baldessari is dit werk zeldzaam omdat het als melancholisch kan worden gelezen – een modus die elders afwezig blijft.

Ondanks de geringe variatie in affect is het bijzonder om te zien hoe er met relatief spaarzame middelen zulke rijke beelden tot stand werden gebracht. Het bewijst het succes van Baldessari’s formule: leg twee losstaande elementen bij elkaar en componeer ze op zo’n manier dat ze een geheel vormen. Zelf sprak Baldessari van ‘kussen’, naar het advies dat hij van een kunstdocent kreeg: ‘Voor een geslaagde compositie moeten de betreffende elementen ofwel overlappen, ofwel een duidelijke tussenruimte hebben. Die tussenruimte creëert een zekere spanning, net als twee mensen die op het punt staan om te gaan zoenen.’ Het lijkt een van de weinige lessen waaraan Baldessari trouw is gebleven, want over het algemeen stond hij sceptisch tegenover compositorische regels, die hij al in de vroege fotoreeks Wrong (1967) aan zijn laars lapte. Het is uit den boze om een man te fotograferen die zich vlak voor een hoger object bevindt, omdat het dan lijkt alsof dat object uit zijn hoofd ‘groeit’. Baldessari vond dit een grappig idee en hij liet zich fotograferen bij een palmboom. Onder elk van de beelden zette hij het woord ‘wrong’: het beeld ‘klopt’ niet, en kunst ontstaat door het negeren van de regels van de kunst.

Na een rondje door de tentoonstelling Parabels, fabels, en andere sterke verhalen valt de conclusie te trekken dat humor inderdaad het voornaamste facet van dit oeuvre is. Dat komt mede door de videowerken die te zien zijn aan het einde van de expo: I Will Not Make Any More Boring Art, maar ook Baldessari Sings LeWitt (1972), The Way We Do Art Now and Other Sacred Tales (1973) en Teaching a Plant the Alphabet (1972). In die zeer geestige video van ruim achttien minuten houdt Baldessari steeds één letter van het alfabet omhoog. Die letter leest hij herhaaldelijk voor aan een plant, die zich in de toekomst elke letter zal kunnen herinneren. De passie waarmee Baldessari elke letter opdreunt, gecombineerd met het beeld van de dwaze plant, is zodanig komisch dat ik er hardop om moest lachen. Juist door de absurditeit blijkt een historische context overbodig: het werk is zodanig ontwricht van de alledaagse wereld dat het tijdloos wordt.

Die vermeende tijdloosheid heeft echter ook een schaduwkant, en die heeft te maken met de afwezigheid van een politiek karakter. Uiteraard zit in elke suggestie van een apolitieke houding het bewijs van het tegendeel: wie kan zich immers nog een dergelijke lens permitteren? Toch blijft het opmerkelijk hoe Baldessari het voor elkaar kreeg om een carrière lang semantische spelletjes te spelen zonder openlijk te reflecteren op de wereld om hem heen. Het roept de vraag op in hoeverre de tijdloosheid van zijn oeuvre te wijten is aan de expliciete vermijding van actualiteiten en historische gebeurtenissen. Hoe vermakelijk de woordspellen ook zijn, ze lijken in een temporaal vacuüm te bestaan en krijgen, ondanks of net dankzij de verrassende composities, iets nietszeggend. Six Colorful Inside Jobs en Clement Greenberg zijn uitzonderingen, omdat ze een wereld buiten het werk introduceren, waarin sommige mensen zich kunstenaar mogen noemen en anderen niet. Het resulteert in vragen over makerschap, economische klasse en creatieve autonomie. In ander werk overheersen visuele woordgrappen die koddig zijn, maar niet per se aanzetten tot diepe gedachten. Misschien was het Baldessari daar net om te doen, ook met het oog op de toegankelijkheid van het werk, maar moet de artistieke toepassing van taal daarvoor echt worden losgerukt van enig politiek kader?

Andere kunstenaars die binnen soortgelijke media werken, slagen er wel in om een behapbare visuele taal samen te brengen met politiek. Barbara Kruger (1945), min of meer een tijdgenoot, combineert fotocollages met taal om een activerend effect teweeg te brengen. Ze verwijst naar de beeldtaal van twintigste-eeuwse propaganda zoals die van de Sovjet-Unie, om de kijker bewust te maken van hoe populaire media dragers van politieke boodschappen zijn. Op materieel niveau nog radicaler is Jenny Holzer (1950), die haar even verontrustende als hoopvolle boodschappen in allerlei voorwerpen etst, van granieten bankjes tot neon reclameborden. Zo laat ze zien hoe systemische denkbeelden over het alledaagse leven daadwerkelijk in het materiaal van het alledaagse terugkomen. Wellicht is het oneerlijk om Baldessari te vergelijken met deze twee kunstenaars, die een stuk jonger zijn en op een ander moment in de geschiedenis tot professionele wasdom zijn gekomen. En toch is het opvallend dat hij gedurende zijn leven, waarin tientallen significante politieke aardverschuivingen plaatsvonden, geen enkel spoor van die temporale leefwereld in zijn werk stopte – op de technische apparatuur die hij gebruikte na.

De laatste grote overzichtstentoonstelling van Baldessari, die in 2009 zowel het LACMA in LA aandeed als Tate Modern in Londen, had als titel Pure Beauty, naar het gelijknamige werk uit 1968: een wit schilderij met twee woorden in drukletters in zwarte verf. De curator, Leslie Jones, noemde dit werk een van de vroegste voorbeelden van Baldessari’s interesse in tekst en beeld. In Bozar is het niet te zien, maar toch is het veelzeggend dat Baldessari de oudbakken discussie over ‘schoonheid’ als primair artistiek afzetpunt koos. ‘Schoonheid’ is een reliek uit de negentiende eeuw, en een categorie die na de ontwikkelingen van de twintigste eeuw – zowel politiek als artistiek, voor zover die twee van elkaar verschillen – een nogal magere motivatie lijkt voor het kunstenaarschap. Is die focus op dat concept en alles wat het vertegenwoordigt ook bedoeld als knipoog? Of bestempelde Baldessari zijn oeuvre oprecht als een moderne interpretatie van deze notie?

De semantische spellen die in Bozar op de voorgrond treden, lijken dat te suggereren. Het wordt evident in werken als One Figure (With Qualities)/Two Figures (Without Qualities) (1990), Baldessari’s fameuze fotocollages van mensen wier gezichten zijn afgeplakt met gekleurde stippen. Van alle nieuwe benaderingen tot beeldtaal die Baldessari in zijn decennialange carrière ontwikkelde, zijn deze fotowerken met stippen veruit het meest iconisch. In het gesprek met Ann Cesteleyn elders in dit nummer van De Witte Raaf vertelt de kunstenaar dat hij op een dag prijsstickers op de gezichten van politici in kranten begon te kleven. ‘Ik nam gewoon een paar van die stickers en plakte ze op hun gezichten zodat ik ze niet meer hoefde te zien. En daar voelde ik me goed over – je weet wel, alsof ik het speelveld uitvlakte.’

Door politici op persfoto’s te anonimiseren wilde Baldessari hun macht ondermijnen. Dit past bij de subversieve lijn in zijn werk, maar het getuigt ook van een zekere drang tot vermijding. We hebben allemaal geregeld geen zin meer in het nieuws, en toch heeft het iets decadents om van het ‘wegstippen’ van het politieke heden een artistieke praktijk te maken. Het suggereert een professionele desinteresse in de buitenwereld, alsook in de sociale en economische ontwikkelingen die hun weerslag hebben op de materialiteit van het alledaagse. Niet alle kunst hoeft uitgesproken geëngageerd te zijn, en het kwajongensachtige van Baldessari’s oeuvre bezit een grote charme. Maar er spreekt ook een nonchalance uit die moeilijk te rijmen valt met het materiaal waar hij zijn levenswerk van maakte: de beeldeconomie van de twintigste eeuw in combinatie met de macht van taal.

Dat Bozar het oeuvre van Baldessari op een zo objectief mogelijke manier presenteert is prijzenswaardig, maar toch voelt Parabels, fabels, en andere sterke verhalen ook als een wandeling door een statische archiefkast zonder al te veel duiding of beschouwing. Het blijft nochtans aantrekkelijk om te zien hoe zijn werk benadrukt in welke mate beelden kneedbaar en dus kwetsbaar zijn. Elke nieuwsfoto kan in een andere context een andere betekenis krijgen. Baldessari begreep dat als geen ander, en net daarom is het jammer dat hij zich van elke politieke kadrering distantieerde. Het hebben over de economie van beelden – van de vorige eeuw of van de huidige – is onmogelijk zonder ook over macht, autonomie en eigendom te praten. Waarin ligt het onderscheid tussen een verteller en een moppentapper? In de afstand die een mens zich permitteert tot de eigen leefwereld?

 

John Baldessari. Parabels, fabels, en andere sterke verhalen, tot 1 februari, Bozar, Ravensteinstraat 23, Brussel.

‘Telkens vindt het beeld de wereld voor je uit’. Interview met Dirk van Bastelaere

Christophe Van Gerrewey: Jouw debuutbundel Vijf jaar uit 1984 – en dus je oeuvre – opent met een zwart-witfoto. Twee andere citaten, van Beckett uit Waiting for Godot en van Matthew Arnold uit Empedocles on Etna, vormen het tweede en het derde motto. In Vijf jaar staan nog citaten, als motto’s bij reeksen of bij gedichten, van Joy Division (drie keer), van Sylvia Plath (twee keer), van Gottfried Benn, Margaret Atwood, John Cale, Hugues C. Pernath, George Eliot, Rainer Maria Rilke, Georg Trakl en Charles Baudelaire.

Dirk van Bastelaere: Ik ben van 1960, dus toen ik aan die bundel begon was ik 21. Laat ons zeggen dat ik een stem zocht, beïnvloed door wat ik zoal las: Claus, Pernath, Plath, maar ook postexperimentelen zoals Wilfried Adams, Leopold M. Van den Brande, Michel Bartosik, en natuurlijk de Pink Poets, die een erg kokette omgang met citeren hadden. Citeren is iets wat je onvermijdelijk doet, maar ik heb dat altijd expliciet willen maken.

C.V.G.: De titel van de bundel is ook een citaat.

D.v.B.: Ja, die titel is ontleend aan een song van David Bowie, ‘Five Years’, van op The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars uit 1972. Ik las ook de essays van schrijver en criticus Henri-Floris Jespers, wiens essay ‘Maniërisme en moderne sensibiliteit’, over onder anderen Paul van Ostaijen en Maurice Gilliams, deels aan het begin lag van de Pink Poets. Via Jespers leerde ik het werk van Gustav René Hocke kennen: Die Welt als Labyrinth (1957) en Manierismus in der Literatur (1959). Jespers zag het maniërisme als een transhistorisch en cultureel principe van dubbelzinnigheid, vormspel en esthetische overdaad dat tot in de moderne kunst doorwerkt. Hij transporteerde die ideeën naar de Vlaamse context en beschreef, simpel gezegd, maniërisme als een zelfbewuste, hypergecultiveerde houding in de poëzie, een vorm van zelfreflectie die kitsch met metapoëzie verknoopt. Dat boeide mij toen mateloos, zeker ook door mijn fascinatie voor de populaire cultuur zoals je die in de Europese cinema en new wave terugvond. Bij de Pink Poets kwam dat neomaniërisme terug als taalexperiment en stijlbewustzijn, in een poëtica die balanceerde tussen schoonheid, ironie en artificiële perfectie. Ik had graag gedebuteerd bij Pink Editions & Productions, maar via Clara Haesaert kwam het typoscript van mijn debuut bij Henri-Floris Jespers terecht. Hij werd mijn uitgever binnen het fonds van Walter Soethoudt, waar Vijf jaar in 1984 is verschenen.

C.V.G.: Het beeld bij aanvang is een foto van een bronzen piëta, een wandsculptuur met een zopas overleden Jezus, met Maria die zijn linkerhand vasthoudt en met de apostel Johannes die zijn schouders ondersteunt.

D.v.B.: Het is een foto van een familiegraf die ik gemaakt heb op de begraafplaats van Tereken in Sint-Niklaas. De invloed van Closer van Joy Division was daar niet vreemd aan. Voor de cover van die elpee uit 1980 had grafisch ontwerper Peter Saville een foto gebruikt van een familiegraf op de begraafplaats van Staglieno in Genua: vier vrouwen die de dode Jezus bewenen. Saville had die foto, gemaakt door Bernard-Pierre Wolff, opgemerkt in het Franse tijdschrift Zoom. Samen met enkele vrienden was ik toen in de ban van dergelijke doodsemblematiek. Met Erik Spinoy heb ik in 1982 R.i.P. gemaakt, een ‘tijdschrift voor literatuur en stijl’, toen we studeerden aan de KU Leuven.

C.V.G.: Het beeld in Vijf jaar blijkt te worden toegeschreven aan de Belgische beeldhouwer Sylvain Norga, maar het is vorig jaar, samen met veertig andere bronzen kunstwerken, gestolen en hoogstwaarschijnlijk vernietigd. In elk geval is het nagenoeg onopgemerkt gebleven, terwijl je debuutbundel vaak is besproken. Alleen Hans Groenewegen heeft er in 2001 in DW&B over geschreven. In het essay ‘Lyriek contrecoeur’, opgenomen in zijn boek Schuimen langs de vloedlijn uit 2002, vergelijkt hij Vijf jaar met je bundel Hartswedervaren uit 2000. ‘Beide bundels’, schrijft Groenewegen, ‘zijn in relatie gezet tot een kernverhaal van de Europa dominerende christelijke cultuur. Vijf jaar opent met een visueel motto. […] Daarop buigen Maria en Johannes zich over het dode lichaam van de net van het kruis afgenomen Christus. Verlies en het ontbreken van een geheel zijn thema in de bundel. Het motto suggereert welk geheel verloren is gegaan.’

D.v.B.: Dat is geen onzinnige interpretatie.

C.V.G.: Groenewegen verbindt de piëta met de slotregels van het gedicht ‘De vergissing’ uit Vijf jaar: ‘[…] hij heeft geloofd – / In oplossingen. Daarom lijdt hij // Verlies.’ Hij schrijft: ‘Met het visuele motto als betekenissturende kracht op de achtergrond worden geloof en lijden verzelfstandigd. Dit verlies zet zich in de bundel door tot zelfverlies, leegte en de prikkelloosheid die daarmee samenhangt.’ Het essay besluit met een kritische opmerking over de veelheid aan motto’s en citaten in Vijf jaar, maar ook in je poëzie in het algemeen: ‘Zo door de dichter bij de hand genomen, vraag ik mij wel eens af waarom hij zijn prachtige poëzie niet vrijgeeft voor meer misinterpretatie.’ De motto’s – tekstueel, of in dit geval visueel – zijn paratekstueel, en in die zin spreekt er een vrees uit dat het gedicht, de tekst zelf, het werk niet alleen kan doen.

D.v.B.: Er zijn motto’s of paratekstuele elementen die het gedicht opentrekken, en de mogelijkheden voor de lezer net vergroten. Tegelijkertijd is het zo dat een gedicht altijd intertekstueel is, en dat het onvermijdelijk verwijzingen bevat die de lezer al of niet kan vatten. Maar het klopt dat ik gedichten heb geschreven met een paratekst die de intertekst beperkt, gewoon om de mogelijkheden voor de lezer enigszins te minimaliseren. Als je minder metaforisch geladen, minder lyrisch geladen gedichten schrijft, die minder expliciet verwijzen, dan wordt de tekst automatisch geslotener: er staat wat er staat.

C.V.G.: Dan heb je het over je latere werk, dat minder citaten bevat dan Vijf jaar?

D.v.B.: Ik heb het dan over werk waarin minder nadrukkelijk citaten zijn opgenomen, want ik citeer structureel en principieel. Je kan redelijk dwingende en gesloten teksten maken waarin de openheid elders ontstaat, dankzij de nevenschikking, de parataxis, van gesloten zinnen. Er vallen gaten in de tekst doordat de inferentie vaag is of ontbreekt. Het is dan de ontwikkeling van de tekst die mogelijkheden aan de lezer aanreikt, eerder dan de zinnen afzonderlijk.

C.V.G.: In je tweede bundel, Pornschlegel en andere gedichten, in 1988 verschenen bij De Arbeiderspers, staat de reeks ‘Een bolronde spiegel’. Die bestaat uit zes gedichten met telkens een kunstwerk als titel, van Jan van Eyck, Velázquez, Léon Spilliaert, Vito Acconci, Octave Landuyt en Liliane Vertessen. De reeks besluit met een zevende gedicht, ‘Zelfportret in vallend serviesgoed’. De zes kunstwerken worden genoemd, maar de afbeeldingen ontbreken.

D.v.B.: Het was niet gebruikelijk om in een doorsnee poëziebundel afbeeldingen op te nemen, wellicht vanwege de beeldrechten. De zes gedichten die je noemt, zijn in wezen traditionele beeldgedichten – een genre op zich, als een gedicht geïnspireerd door beeldende kunst. Maar ook hier: de verwijzing naar beelden is in de gehele bundel impliciet aanwezig. Pornschlegel is een bundel over beeldcultuur.

C.V.G.: In het titelgedicht is het gelijknamige hoofdpersonage suppoost in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen: ‘Dat hij hier schaduwen van verf bewaakt / (Cranach, Memlinc, Patinir) is hem zijn brood.’

D.v.B.: Ja, en het schilderij Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, rond 1450 gemaakt door Jean Fouquet en onderdeel van de collectie van het KMSKA, speelt een belangrijke rol.

C.V.G.: De reeks ‘Een bolronde spiegel’, die net aan het gedicht ‘Pornschlegel’ voorafgaat, handelt over zelfportretten, en over de manier waarop de maker – het lyrische ik – al of niet in het werk aanwezig is. Die thematiek is verwant, zoals de titel aangeeft, met het gedicht en de bundel Self-Portrait in a Convex Mirror van John Ashbery uit 1975, dat als één heel lang beeldgedicht valt te beschouwen bij het Zelfportret in een bolle spiegel van Parmigianino, van rond 1524. Het is wat dat betreft ironisch dat de reeks ‘Een bolronde spiegel’ uit gedichten met vrij klassieke verzen is opgebouwd, terwijl je vlak daarna in ‘Pornschlegel’ een vrijere versvorm hanteert. Dat gedicht lijkt vormelijk door Ashbery beïnvloed, de reeks ‘Een bolronde spiegel’ enkel inhoudelijk.

D.v.B.: Er is ook de uiteenzetting met Nijhoff. ‘Pornschlegel’ is een reactie op diens gedichten ‘Awater’ en ‘Het uur U’, als een lyrisch-narratieve analyse die redelijk keurig en conventioneel blijft. Die bundel uit 1988 heeft een raar, sociologisch te verklaren kantje. Mijn debuut werd uitgegeven door de Antwerpse uitgeverij van Walter Soethoudt. Ik heb tijdens het werken aan Pornschlegel en andere gedichten onder andere de poëzie bestudeerd van de dichters die bij De Arbeiderspers in Amsterdam werden gepubliceerd. Dat waren mensen als Benno Barnard en Ad Zuiderent, die op dat moment vaak in kwatrijnen of sonnetten schreven. Ik heb mij daar, half tegen mijn zin, aan aangepast, ook omdat ik per se in Nederland uitgegeven wilde worden.

C.V.G.: Dat is gelukt.

D.v.B.: Het was een periode waarin veel Vlamingen naar Nederland trokken. Erik Spinoy debuteerde in 1986 bij Manteau, maar zijn tweede bundel, Susette, verscheen in 1990 ook bij De Arbeiderspers. Mijn derde boek, Diep in Amerika, met gedichten geschreven tussen 1988 en 1991, werd door Theo Sontrop van diezelfde uitgeverij afgewezen omdat hij het onbegrijpelijk vond, wat eigenlijk bewijst dat ik al met Pornschlegel niet geheel op m’n plaats zat binnen zijn fonds. Het heeft geduurd tot Diep in Amerika, dat pas in 1994 bij Atlas verscheen, vooraleer ik mij grotere vrijheden permitteerde. Diep in Amerika is mijn eerste belangrijke bundel. Het heeft me veel tijd gekost om te begrijpen dat ik een afkeer van lyriek heb. Ik vind het een verschrikkelijk genre, hoewel ik me er best in kan uitleven. Ik probeer het op allerlei manieren te saboteren of te ironiseren, wat natuurlijk absurd is, want ondertussen zit je wel in dat lyrische keurslijf.

 

De Mulder

C.V.G.: Diep in Amerika is inderdaad een heel andere bundel dan Pornschlegel, die ook weer verschilt van Vijf jaar.

D.v.B.: Wat mij altijd heeft gefascineerd in David Bowie is dat hij bij iedere elpee niet alleen een ander persona aannam, maar ook een ander concept en een andere stijl bedacht. Low uit 1977 is totaal verschillend van Station to Station uit 1976 of Young Americans uit 1975. Dat wilde ik ook doen, dat vond ik interessant. Waarom zou je een nieuwe bundel publiceren als die niet anders is dan je vorige?

C.V.G.: Ook in Diep in Amerika staan geen foto’s.

D.v.B.: Inderdaad! Maar een aantal gedichten uit die bundel zijn bij foto’s geschreven. Eerdere versies van vijf gedichten stonden in 1989 in een brochure, uitgegeven door de Academie voor Schone Kunsten van Sint-Niklaas, bij een tentoonstelling met werk van de leraars fotografie. De teksten zijn geschreven op verzoek van de academie. Fotograaf Raf De Smedt, met wie ik sindsdien bevriend ben, was de go-between. Het is mede dankzij hem dat ik me intensief voor fotografie ben gaan interesseren. Het gedicht ‘De glans van de taart’ in Diep in Amerika kan je bijvoorbeeld perfect lezen als een onderschrift bij een foto van de Gentse fotograaf Walter De Mulder.

C.V.G.: Ik heb het opgezocht: het gaat om een zwart-witfoto, gemaakt in Hamburg in 1978, van de Duitse fotograaf Norbert Denkel, die een grote foto vasthoudt, wit omkaderd, van een man met een verjaardagstaart. Het is informatie die valt te achterhalen omdat het archief van De Mulder zich in het Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis in Gent bevindt, maar het zijn feitelijke gegevens die in het gedicht niet aan bod komen.

D.v.B.: Met de foto erbij wordt ‘De glans van de taart’ een vorm van ekfrasis of een interpretatie van wat het beeld toont, zonder inderdaad die feitelijke gegevens, die ik niet kende. Dat had als voordeel dat ik de personen kon ‘anonimiseren’. ‘De man in de foto houdt voor de holte / van het met geen reden te verzinnen lichaam / een foto op waarin een man, met het hoofd gestut / op de glimlachende handen, / tracht te wennen aan de gloed van het ogenblik.’ Het verzoek om gedichten bij die foto’s te schrijven was een mooie aanleiding om iets uit te proberen. Ik maak wel vaker gebruik van invitaties en gelegenheidsgedichten om te experimenteren, om uitwegen te vinden om poëzie te schrijven. ‘Diep in de schouwburg’, het openingsgedicht van Diep in Amerika, is geschreven bij een foto van Colette Vander Stricht. ‘Je naam die gevaar loopt’ is geschreven bij een foto van Mark De Fraeye. In de catalogus uit 1989 is dat een geversificeerd gedicht, in de bundel wordt het een prozagedicht: ‘Uit de blikken trom die hier niet is, draait een klank zich door de lucht heen als een rookspiraal uit een keuken, ergens verdunnend in de immaterialiteit van lente in Indochina.’

C.V.G.: Het gaat als volgt verder: ‘Telkens vindt het beeld de wereld voor je uit […].’ Je beschrijft de methode die je bij deze reeks hanteert.

D.v.B.: Ja, hoewel er in dit geval meer meespeelt dan enkel het beeld op zich: De Fraeye had mij verteld dat hij reizen had gemaakt naar Korea, dus die informatie speelt een rol in mijn beschrijving.

C.V.G.: Mochten de foto’s deel uitmaken van Diep in Amerika, dan zouden de lectuur en dus de receptie van die bundel totaal anders geweest zijn. In je bekendste theoretische tekst, ‘Rifbouw (een klein abc)’, verschenen in 1989, in het nummer van Yang waarin zeven dichters hun poëtica presenteerden, schreef je: ‘Poëzie is geen afgeleide, maar een constituante van de werkelijkheid. Geen mimesis, maar performantie.’ Dat pleit ervoor om een link tussen een gedicht en een foto onvermeld te laten, omdat het verwijzende karakter van de taal sowieso problematisch is. Maar in ‘Rifbouw’ schrijf je ook: ‘Het gedicht is in zichzelf verdeeld. Door god weet wat wordt de lineariteit verbroken. Door de temporaliteit, door de retorische natuur van de taal allicht, door de polyfonie van geruchten, teksten, stemmen, rumoer en codes.’ Kan een foto die lineariteit eveneens verstoren, en op die manier het aantal interpretaties verhogen?

D.v.B.: Zoals ik al zei: foto’s in dichtbundels of in prozaboeken zijn vandaag vanzelfsprekender dan dertig of veertig jaar geleden. Maar mocht bij ‘De glans van de taart’ de foto van De Mulder gepubliceerd zijn, dan zou het weer een traditioneel beeldgedicht geworden zijn. Het zou de lezer meer houvast hebben gegeven en het gedicht, denk ik, meer gesloten hebben gemaakt – een minder ‘open werk’, in de betekenis van Eco. Misschien zou Theo Sontrop de bundel dan toch hebben uitgegeven, met de foto’s erbij… Tegelijkertijd bestaat het eerste deel van Diep in Amerika uit nog meer gedichten die niet bij foto’s geschreven zijn, en in die context heeft ‘De glans van de taart’ de foto niet nodig.

C.V.G.: Je hebt één academiejaar in Amerika doorgebracht, van september 1991 tot de zomer van 1992, als writer in residence aan de University of Wisconsin. In het boek Het beroep van dichter. Vlaanderen en zijn letterenbeleid uit 1993, waaraan onder anderen Paul de Wispelaere, Carlo Van Baelen en Marc Reynebeau hebben bijgedragen, heb je daarover geschreven, vooral over de administratieve rompslomp en de subsidieproblematiek die daarbij kwam kijken. ‘Madison, Wisconsin,’ zo schrijf je in die tekst. ‘Diep in Amerika.’

D.v.B.: Het beroep van dichter is gepubliceerd in een periode waarin ik meewerkte aan de totstandkoming van een professioneel letterenbeleid in Vlaanderen, en uiteindelijk van een Fonds voor de Letteren. Je kon in die periode subsidies aanvragen, maar er zat geen enkele systematiek in, zoals ook bleek toen ik werd uitgenodigd door het kabinet van Patrick Dewael, toenmalig minister van Cultuur, om naar Wisconsin te gaan. Maar de bundel Diep in Amerika was klaar kort voor ik die uitnodiging kreeg.

C.V.G.: Je hebt dat boek geschreven voor je eerste reis naar de Verenigde Staten?

D.v.B.: Ja. Wat mij toen meteen opviel, bij dat eerste bezoek: ik vond de Amerikaanse realiteit minder echt dan wat ik kende uit de beeldcultuur. Alles wat we zien op tv of in films en boeken is intenser, semiotisch verdicht en enhanced. Als je daar staat, herken je veel dingen, maar je denkt ook: het is toch allemaal net een beetje anders. Het simulacrum is sterker dan de realiteit.

C.V.G.: Het kan eigen zijn aan de moderne ervaring en het menselijk verlangen. Toen Freud als volwassen man in 1904 de Akropolis bezocht – iets waar hij als kind al naar had uitgekeken – viel dat tegen, en had hij er moeite mee die plek als echt te ervaren. In 1936 heeft hij daarover geschreven: ‘Volgens het getuigenis van mijn zintuigen sta ik nu op de Akropolis, en toch kan ik het niet geloven.’ Wat je omschrijft is niet noodzakelijk typisch voor Amerika of voor het fin de siècle. Het sluit ook aan bij een andere shift in je werk. Vijf jaar was, mede dankzij het openingsbeeld, een reflectie op de Europese katholieke cultuur. In Diep in Amerika, zoals de titel aangeeft, verhuist de hegemonie naar de Verenigde Staten. Die verplaatsing voltrekt zich in de twee delen van de bundel: een Europees deel, met onder meer het gedicht ‘Dit kerkhof Europa’, en een Amerikaans deel, met het titelgedicht met als openingsregels: ‘Diep in Amerika leeft het einde / van het geheim […].’

D.v.B.: Voor mij is zowel de Amerikaanse als de Duitse of Duitstalige cultuur altijd belangrijk geweest, meer nog dan de Franse literatuur, hoewel ik in 1989 ben afgestudeerd met een scriptie over Barthes en Blanchot. Duitsland en Amerika zijn twee sterke culturen, de ene met een historische en literaire traditie, de andere met die gigantisch aparte omgang met ruimte en met resources. Het gaat twee keer om een totaal ander semiotisch universum.

 

Fabre

C.V.G.: Diep in Amerika verscheen zonder foto’s, maar heb je grafische beelden ooit een plaats gegeven in een boekconcept?

D.v.B.: Nadat mijn essaybundel Wwwhhoooosshhh. Over poëzie en haar wereldse inbedding in 2001 was verschenen bij Vantilt in Nijmegen, heb ik uitgever Marc Beerens voorgesteld om een groot, dik en heterogeen boek te maken, een mix van essays, poëzie en foto’s – whatever, alles naast elkaar. Beerens zag dat niet zitten. Hij zei dat iemand anders in zijn fonds al iets dergelijks geprobeerd had, denk ik. Ik weet niet meer wie, maar het was geen succes geworden. Ook mijn teksten over beeldcultuur en fotografie, verspreid verschenen in de jaren negentig, hadden in dat boek opgenomen kunnen worden. Waarschijnlijk is ook dat vandaag anders en kan er op dat vlak meer. Als je ziet wat iemand als Anne Carson in één boek weet te combineren…

C.V.G.: Wwwhhoooosshhh is de titel van je essaybundel, maar ook van een lang gedicht dat in 1994 in DW&B verscheen. Omdat al je bundels een interne coherentie moeten hebben, is dat gedicht pas twaalf jaar later in boekvorm verschenen, in ‘De voorbode van iets groots’ uit 2006.

D.v.B.: Het oorspronkelijke plan was dat gedicht mee op te nemen met de foto’s en de essays in dat ‘vakantiealbum’, zoals ik het tweede boek bij Vantilt noemde. Maar het paste inderdaad niet in de volgende bundel, Hartswedervaren uit 2000.

C.V.G.: ‘Wwwhhoooosshhh’ werd in 1994 gepubliceerd in een themanummer van DW&B over het werk van Jan Fabre, met een essay van Rudi Laermans en met gedichten van Stefan Hertmans en Anneke Brassinga. Bij de publicatie in ‘De voorbode van iets groots’ in 2006 wordt die aanleiding niet vermeld, en evenmin in de verzamelbundel Turkooizen scheepje van verschil, die in 1997 bij Prometheus verscheen, door Peter Ghyssaert werd samengesteld, en die een titel kreeg die aan een gedicht uit Pornschlegel is ontleend. Is ‘Wwwhhoooosshhh’ geschreven bij werk van Fabre of was het een gedicht dat goed leek te passen bij zijn oeuvre? Ik vraag het ook omdat een licentiaat in de Germaanse talen, Els van Heddegem, in 1998 aan de Universiteit Gent een afstudeerscriptie over ‘Wwwhhoooosshhh’ heeft gemaakt, en zij noteerde terecht: ‘Wie niet weet dat ‘Wwwhhoooosshhh’ geschreven werd ‘ter ere van’ Jan Fabre, zou er nooit thema’s of symbolen van de kunstenaar in herkennen.’

D.v.B.: Het gedicht is niet ter ere van Fabre geschreven, maar er zit een principe achter. De uitnodiging voor dat themanummer van DW&B kwam van Sigrid Bousset. Ik heb toen naar een aantal voorstellingen van Fabre gekeken, ook op video, zoals The Sound of One Hand Clapping uit 1990. Ik heb ook best wat teksten over zijn werk gelezen. In de kritiek werden de performances misschien niet letterlijk fascistisch genoemd, wat betreft tonaliteit en structuur, maar toch dirigistisch, dwingend en enigszins totalitair. Ik was op dat moment Gilles Deleuze en Félix Guattari aan het lezen: L’Anti-Oédipe uit 1972 en Mille Plateaux uit 1980, die samen één boek vormen: Capitalisme et Schizophrénie. Ik vond dat er in hun denken een interessante wisselwerking optrad tussen enerzijds het paranoïde van een totalitaire structuur, en anderzijds het schizofrene subject dat zich in zijn schizofrenie uit die dwang probeert te bevrijden. Wat mij daarbij vooral fascineerde, was dat de schizofrene figuur bij Deleuze en Guattari niet als pathologisch wordt begrepen, maar als een model van subjectiviteit dat weigert zich te laten vastzetten binnen welke orde of structuur dan ook. Het is een subject dat de controle van het gezin, de staat of de moraal ontwijkt, en dat voortdurend ontsnappingslijnen zoekt uit de systemen die het subject proberen te bepalen. In die zin wordt het schizofrene subject een vorm van verzet: het laat het verlangen stromen over alle grenzen heen, voorbij identiteit en hiërarchie, voorbij elke autoriteit die het wil fixeren of representeren. Die dynamiek, dat zoeken naar een ontregeling die tegelijk bevrijdend werkt, meende ik bij Fabre terug te zien en heb ik als basisdynamiek voor ‘Wwwhhoooosshhh’ gebruikt. In zekere zin is dat gedicht een poëtisch-essayistische reflectie op zijn werk. Het gedicht heeft een dwangmatige structuur, zowel wat het aantal regels betreft als het aantal woorden per regel: regels met drie woorden, dan een reeks regels met twee woorden, enzovoort. Het gaat om de ontwikkeling van een subject dat het schizo-analytische spoor volgt van Deleuze en Guattari. De tekst steunt ook op een narratief element uit een film van Philip Ridley uit 1990, The Reflecting Skin. In die film is er een vaderfiguur die benzine drinkt, zich met benzine overgiet en zich vervolgens in de fik steekt.

C.V.G.: Wwwhhoooosshhh!

D.v.B.: De bevrijding van de schizo, die zichzelf losmaakt van alle dwang en structuur…

C.V.G.: Nog explicieter zijn de verwijzingen naar Blade Runner van Ridley Scott uit 1982, bijvoorbeeld in dit stuk prozagedicht: ‘Alleen blijft de vraag of je hier, nu keelpijn hebt, haar geschoren venusheuvel streelt, benzinelucht ruikt, de katten te eten geeft of als Harrison Ford in Blade Runner in ongewisheid verkeert over je ‘leven’.’

D.v.B.: Ja ja, heel zeker. De eerste sectie van ‘Wwwhhoooosshhh’ bestaat uit louter citaten. Elke woordgroep komt van bij iemand anders – DeLillo, Hadewijch, Stevens, Benjamin, Virilio, Pynchon – ‘De oven waarvoor je werd vetgemest loeit’ komt uit Gravity’s Rainbow: ‘The Oven we fattened you for will glow.’ Het is een pure montage van citaten. Ik wilde voor mezelf bewijzen dat je een stuk tekst dat best coherent is kunt opzetten door alleen maar te citeren.

C.V.G.: In theorie is elk stuk tekst een montage van citaten.

D.v.B.: Ja, dat is de algemene intertekst van Julia Kristeva: alles wat we zeggen is een citaat uit andere linguïstische omgevingen. En dat besef leidt tot een andere manier van werken, met beelden, citaten en tekst, dan wanneer je een klassiek beeldgedicht maakt. Hugo Brems, die hoogleraar was aan de KU Leuven toen ik studeerde, doceerde een vak waarin we alleen maar beeldgedichten analyseerden en bespraken – Roland Jooris die een gedicht schrijft ‘bij’ een Raveel. Ik zocht naar iets dat veel minder een-op-een is, binnen een minder harmonieus, maar toch helder en rationeel wereld- en literatuurbeeld, en waarmee je de complexiteit van de werkelijkheid laat spelen, al dan niet discursief. Teksten zijn vervolgens een carve-out, een uitsnijding, van die werkelijkheid.

 

Arbus

C.V.G.: In de late lente van 1995 heb je een tentoonstelling gemaakt in de Academie voor Schone Kunsten in Sint-Niklaas: Dubbel spel – Buiten kennis. De eerste zinnen van het ‘perscommuniqué’ vatten de opzet samen: ‘Hoe ongepast is de aanwezigheid van woorden in een foto? Hoe ongewenst? Hoe brutaal? Hoe sexy? Hoe politiek? Hoe verontrustend?’ Er wordt permanent taal bij beelden geproduceerd, in de zin dat woorden altijd door de werkelijkheid worden geprovoceerd. Maar die expo ging over het letterlijk voorkomen van woorden, van tekst, in, buiten of bij een fotografisch beeld, en bevatte werk van onder anderen Robert Barry, Victor Burgin, Astrid Klein, Karen Knorr, Hans Haacke, Jochen Gerz, Les Krims, Duane Michals en Barbara Kruger. Jan Baetens selecteerde voor de expo een vijftigtal romans-photos, van bijvoorbeeld James Agee en Raymond Depardon.

D.v.B.: Het idee voor die tentoonstelling kwam, net als de meeste fotografen van wie werk getoond werd, uit de Verenigde Staten. Al vanaf de jaren tachtig had je daar een groep critici die onderzoek deden naar de ‘discursieve ruimten van de fotografie’, zoals Rosalind Krauss het omschreef. Als je een foto hebt, staat daar in veel gevallen een titel bij. Die titel laadt het beeld met een bepaalde betekenis en framet het. De openheid van de interpretatie wordt daardoor ingeperkt. Als je daar verder over nadenkt, worden ook foto’s zonder titel geframed, omdat ze in een boek staan, deel uitmaken van een tentoonstelling, omdat er op de achterzijde iets geschreven staat, of omdat ze onvermijdelijk te situeren zijn in een cultuurhistorische en politieke context. De fotografen op de expo Dubbel spel – Buiten kennis maken dat expliciet, door tekst in het beeld te trekken of aan het beeld toe te voegen, waardoor die tekst onderdeel wordt van het werk.

C.V.G.: Het is inderdaad een explicitering van culturele mechanismen die jouw poëzie kenmerkt: iets bewust expliciet maken dat zich altijd al voordoet, als vanzelf, zoals intertekstualiteit. Er verscheen in april 1995 een themanummer van DW&B bij die tentoonstelling, met theoretische teksten van onder anderen Victor Burgin en Kerstin Jäger. Een bijdrage van André Gervais over tekst en beeld bij Duchamp, die het nummer niet haalde, kwam terecht in De Witte Raaf, nr. 54. Zelf schreef je in DW&B een essay met als titel: ‘Het geframede frame framen’. Je conclusie is verregaand: ‘Nooit zal nog duidelijk worden wat intrinsiek tot de foto behoort en wat erbuiten valt.’

D.v.B.: Ik heb in die tekst in DW&B geprobeerd om dat duidelijk te maken aan de hand van een foto van Diane Arbus uit 1967 – een foto die ik ook gebruikte toen ik doceerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, onder meer voor een vak met als titel ‘Fotografie in de beeldvorming’. Ik vroeg aan mijn studenten: wat zie je nu? En dan begonnen ze te speculeren, meestal op basis van wat ze hadden geleerd over compositie en camerastandpunt.

C.V.G.: De foto toont een vrouw op middelbare leeftijd. Ze ziet er redelijk voornaam uit en zit in een fauteuil, met het ene been gekruist onder het andere. Het is pas door het onderschrift, door Arbus bij de originele publicatie in Esquire geplaatst, dat de foto volledig verandert: ‘The Transsexual Operation. In 1958, at the age of fifty-two, this man became a woman, legally and physically.’

D.v.B.: Wat redelijk vreemd is, want zelfs in 1967, dus negen jaar na de operatie, noemt Arbus die vrouw nog steeds een man. Waar het om gaat is dat elke foto een talig tekort heeft, en om taal of een frame vraagt, en die taal of dat frame onmiddellijk krijgt zodra er iemand naar het beeld kijkt.

C.V.G.: Je hebt het in je tekst over een ‘encyclopedisch frame’ waarover elke toeschouwer beschikt: iedereen beschikt over kennis waarmee een beeld wordt geïnterpreteerd. Het is een fundamentele kwestie die met kunst of beeld in het algemeen te maken heeft: kan een beeld bestaan zonder taal? Kan je überhaupt niet-talig kijken? Het doet denken aan Museum Insel Hombroich in Neuss, dat in 1990 werd op- en ingericht door verzamelaar Karl-Heinrich Müller en waar kunstwerken door elkaar zijn gezet zonder enige duiding. Het is een museum, nota bene op het terrein van een voormalige Belgische legerkazerne, waarin de taal ontbreekt. De verwachting is dat je net daarom ‘het werk zelf’ te zien krijgt…

D.v.B.: Jaaaa, maar ‘het werk zelf’ bestaat helemaal niet! Dat is een discussie die ik vaak gehad heb toen ik doceerde aan de kunstacademie. Collega’s als Johan Pas en Bruno Van Dijck die mij kwamen zeggen: je hebt geen taal nodig, want het gaat over beeldende kunst. Theoriedocenten waren de interne vijand. Maar zodra je je ogen opent begint het. Zodra je begint te kijken, produceer je taal. De explicitering van die taal is een gevolg van het feit dat het discours, als supplement van het beeld, uiteindelijk het hart van dat beeld gaat uitmaken. Derrida heeft dat letterlijk zo omschreven. Tegelijkertijd is het discours ook meer: het wordt een eigenstandige tekst, het wordt een lectuur en kritiek van het beeld, soms wordt het een parodie van de parodieën die beelden vaak al zijn, vaak krijgt het een simulacraal karakter, enzovoort.

C.V.G.: ‘Welkom in de wondere wereld van de grenzeloze semiosis,’ schrijf je in het essay ‘Het geframede frame framen’. Die wereld probeer je ook met je poëzie tot stand te brengen.

D.v.B.: Ja, en die dynamiek tussen verschillende semiotische systemen kan van poëzie een superieur spel maken, vind ik.

 

Richter en Fontcuberta

C.V.G.: Een ander kunstwerk waarbij je gedichten hebt geschreven, is de vijftiendelige reeks schilderijen October 18, 1977, die Gerhard Richter in 1988 maakte over de Baader-Meinhof-groep. Ulrike Meinhof en Andreas Baader waren leden van de Rote Armee Fraktion die vermoedelijk vermoord werden terwijl ze in de Duitse gevangenis zaten.

D.v.B.: Dat is een schitterende reeks, over wat er in de jaren zestig en zeventig in de Duitse politiek en samenleving is gebeurd, de zogeheten ‘Deutscher Herbst’.

C.V.G.: Jouw gedichten verschenen voor het eerst in Raster in 2000: ‘18 oktober 1977’, en werden in hetzelfde jaar opgenomen in de bundel Hartswedervaren.

D.v.B.: Die reeks van Richter is in de kunstgeschiedenis een benchmark over hoe je omgaat met een politiek en nationaal verleden, en met al die traumatische gebeurtenissen die daarin plaatsvinden. Daarmee vergeleken zijn mijn gedichten jammerlijke mislukkingen, hooguit kanttekeningen bij dat kunstwerk. Ik heb die reeks nadrukkelijk in het hart van Hartswedervaren geplaatst, centraal in dat boek waarin een soort cultuurhistorisch embleem – ‘het hart’ – wordt geïroniseerd en gedeconstrueerd. In het hart daarvan zit de politieke geschiedenis die de socioculturele productie drijft. In de externalisering van wat de zetel van ons gemoed wordt genoemd, bevindt zich dat politieke hart.

C.V.G.: Bij de voorpublicatie in Raster staat een motto van Jürgen Habermas, uit een lezing uit 1985 met als titel ‘Keine Normalisierung der Vergangenheit’: ‘Zelfs vergeten kent de beperking van het niet-vergeten-kunnen; dit noemen we verdringing.’

D.v.B.: Ik denk dat ik dat motto te expliciet politiek vond, en het daarom heb weggelaten in Hartswedervaren. Om het met Hans Groenewegen te zeggen: door het citaat van Habermas weg te laten, heb ik deze reeks vrijgegeven voor meer misinterpretatie. Ik wilde geen afsluiting van betekenis; ik wilde de reeks midden in het boek dumpen, zonder context, om te zien of lezers in staat zouden zijn de positie van die reeks over Richter te begrijpen.

C.V.G.: En wat was het resultaat?

D.v.B.: Als ik het me goed herinner, is over ‘18 oktober 1977’ nauwelijks geschreven.

C.V.G.: Dirk De Geest heeft in een bespreking in Ons Erfdeel verwezen naar deze regels uit de reeks, die inderdaad veel samenvatten: ‘Restplaats, als daad van herinnering’. En Arie van den Berg suggereerde in NRC Handelsblad dat de cyclus gaat ‘over dingen die [Van Bastelaere] ter harte gaan’. Maar hij schreef ook: ‘Indrukwekkend vind ik de RAF-cyclus omdat Van Bastelaere het engagement theatraal op afstand houdt.’ Hij noemt de openingsregels van het negende vers, ‘Aan de grenzen’, ‘een goed voorbeeld van die distantie’: ‘Het is een kwestie – / geen vertelling // in vijftien beelden – de aandacht / herroepen – een vorm van / vroomheid in Duitsland / het vergeten / een schaar, zegt Kierkegaard, waarmee het onbruikbare / zich wegsnijden laat, tot in de hoeken van de kamer reizend / stof, haar, snippers, pluizen / waarin we stinken / aan de grenzen van het zijn.’

D.v.B.: Dat was de bedoeling, engagement op afstand houden. Er zitten citaten in van teksten van de RAF zelf, maar in datzelfde gedicht ook van de procureurs op het proces dat tegen de Baader-Meinhof-groep werd ingericht. In toon en in stijl blijkt er tussen die discoursen nauwelijks verschil te bestaan. Je moet je als lezer daarom afvragen: wat lees ik hier nu, en wat is de waarde van de woorden die naast elkaar worden geplaatst? Welke agent zit er achter welk discours?

C.V.G.: Wat wordt er precies in herinnering gebracht, volgens jou, met die reeks gedichten? Gaat het om het verdwijnen van de mogelijkheid van een revolutie of van een andere maatschappij?

D.v.B.: Het gaat er mij om hoe een kunstenaar als Richter een complexe problematiek als terrorisme in de Bondsrepubliek Duitsland artistiek weet te benaderen, als een superieure vorm van rouwarbeid. Het maken en schilderen van die vijftien schilderijen krijgt een fysieke, contemplatieve dimensie. Richter rouwt voor Duitsland en de Duitse staat. Ik denk dat die reeks een louterend effect heeft gehad op de Bondsrepubliek, en daarom toont wat je de samenleving met kunst kunt bieden: je helpt de maatschappij om met zichzelf in het reine te komen. Bijvoorbeeld: ‘Gedenk // de onomkeerbaarheid / geschiedenis genaamd // Functioneel / de negatie’. Ik heb geprobeerd om daar zo onlyrisch mogelijk kanttekeningen bij te maken, en op die manier ook inzicht te verwerven in de positie van mijn eigen werk. Wat ik daar doe, en vaak ook elders, kun je net zo goed als rouwarbeid beschouwen.

C.V.G.: Is die rouwarbeid gebaseerd op een fundamenteel pessimisme over het mislukken van de geschiedenis, en tegelijkertijd op de noodzaak om dat in herinnering te brengen?

D.v.B.: Het is een poging om politiek-historische relevantie te gunnen aan poëzie en kunst, door terug te kijken en door een selectie te maken van wat je bewaard wil zien, als een ruïne van de goede bedoelingen die ten grondslag liggen aan de menselijke samenleving.

C.V.G.: Je kan het ook minder dramatisch zien, en erop wijzen dat iets fundamenteels als de semiotiek in jouw werk heel belangrijk blijft. Nagaan hoe we tekens lezen, hoe woorden en beelden samen bestaan, hoe we de wereld interpreteren en op basis van welke aannames en invloeden – dat gebeurt natuurlijk nog, maar minder expliciet en bewust, en vaak oppervlakkiger dan in jouw poëzie. Het is niet zozeer een manier om naar de wereld te kijken die behouden blijft, als wel de noodzaak om het kijken naar die wereld zelf te blijven ondervragen.

D.v.B.: Die semiotiek is de laatste jaren jammer genoeg weggedeemsterd, samen met de gehele kritische en vooral poststructuralistische theorievorming, hoewel daar weinig redenen toe zijn. In zekere zin is het allemaal belangrijker dan ooit. Ik wissel met vrienden als Serge Delbruyère soms whatsapps uit als ‘Hoe zou het nog met het simulacrum zijn? Beter dan met de bijen of de Italiaanse dijken?’ En hij antwoordt dan: ‘Serieus: sinds de semiotiek als kritische tool op de schop ging en alles wat schil, laag, genre, intermediëring et cetera betreft mee sneefde, is er om over het simulacrum te spreken geen talige ruimte meer over…’

C.V.G.: Op het omslag van Hartswedervaren staat een foto van zo’n simulacrum: Lavandula Angustifolia uit 1984 van Joan Fontcuberta, een werk uit de reeks Herbarium 1982-1985. Het is je enige boek met een kunstwerk op de cover. Fontcuberta manipuleerde en creëerde beelden van imaginaire exotische planten: Lavandula Angustifolia lijkt een koolachtige plant waarvan de bladeren zich openplooien, maar wat tevoorschijn komt lijkt op de snavel, in onderaanzicht, van een eend of iets dergelijks. De Latijnse titel, en de aan Blossfeldt herinnerende manier van fotograferen, suggereert dat het allemaal echt en wetenschappelijk is.

D.v.B.: Ik heb dat beeld zelf gekozen. Het past ook bij het semiotische exces waaraan het hart in onze cultuurgeschiedenis werd onderworpen: het openbarsten en uitrukken van het hart, Christus die zijn ‘heilig hart’ toont, in kerken en collegegangen, de uitstulpingen. Zoals in de reeks ‘Fabels van het heilig hart’: ‘Haveloos als de staat van zijn uitverkiezing / trok Jezus in de witte, marmeren glorie / van zijn gestalte twee ribben uiteen en toonde, terwijl het / bloed uit zijn borstkas kolkte als een modderstroom die een / bergdorp verwoest, zijn Heilig Hart aan de tv-kijkende natie.’

 

Newman en Baldessari

C.V.G.: Waarom heb je, een jaar na Hartswedervaren, besloten om een bundel aan Barnett Newman te wijden? De wind uit het elders – in praise of Barnett Newman verscheen in 2001 bij Druksel in Gent.

D.v.B.: Ik doceerde aan de Academie een vak over het sublieme en de kunsten, en daarin was Newman een belangrijke case.

C.V.G.: Newman heeft in 1948 een essay gepubliceerd met als titel ‘The Sublime is Now’, en Jean-François Lyotard heeft dat in de jaren tachtig weer opgepikt in zijn theorievorming rond het sublieme.

D.v.B.: Ja, dat was zeker belangrijk. In 2000 verscheen ook een boek van John Golding: Paths to the Absolute. Mondrian, Malevich, Kandinsky, Pollock, Newman, Rothko, and Still. Daarin wordt aangegeven hoe Newman zich verhield tot Mondriaan, die zowel verticalen als horizontalen gebruikte in zijn werk. Voor Newman creëerden die horizontalen een illusie van driedimensionaliteit in het vlak, en dat was een probleem. Door die horizontalen weg te laten ervaar je de ruimte van de kleur beter, op voorwaarde dat je dicht genoeg bij het doek gaat staan. Er bestaat een zwart-witfoto van Newman waarop hij zich, samen met een onbekende vrouw, voor Cathedra bevindt. Hij geeft aan wat de ideale afstand is voor die ervaring van de kleur als ruimte. Als je de horizontaal weglaat, verdwijnt ook de referentie naar de horizon, wat voor de illusie van driedimensionaliteit belangrijk is.

C.V.G.: Het elfde gedicht uit de reeks, ‘Een foto’, gaat daarover: ‘Het doek als ectoplasma / dat zich tot zijn eigen toeschouwers kneedt.’

D.v.B.: In de eerste regel van het vijfde gedicht heb ik het over die relatie met Mondriaan. ‘Wie is bang voor rood, geel en blauw?’ Mondriaan dus, omdat hij die kleuren in een raster opsluit: hij is bang om de kleuren ruimte te geven. Hij sluit ze keurig op in een rasterpatroon. Door die kennis, die vergelijking met Mondriaan, ben ik het werk van Newman fascinerend goed gaan vinden.

C.V.G.: Het is je meest kunstkritische bundel, in die zin dat je opmerkelijk dicht bij het werk blijft. Een aantal gedichten hebben titels van werken van Newman. In een recensie van de bundel in De Tijd heeft Daniël Rovers dat aangeduid: ‘Beelden durven te scheppen die een opening naar het soms angstaanjagende elders creëren: dat is de taak van de kunstenaar. In De wind uit het elders onderzoekt Dirk van Bastelaere aan de hand van Barnett Newman eerder de mogelijkheidsvoorwaarden voor dergelijke openingen, dan dat hij ze zelf schept. In die zin is dit zowel de meest verwijzende als de meest gesloten bundel die de dichter ooit schreef.’

D.v.B.: Dat sluit aan bij de problematiek van het beeldgedicht en het citaat. Maar het komt waarschijnlijk ook voort uit mijn diepe fascinatie voor dit oeuvre – ik begrijp de agressie die het kan opwekken.

C.V.G.: Ook dat komt in de bundel aan bod: Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue III uit 1967 werd in 1986, in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een stanleymes kapotgesneden. De dader werd gestraft, maar hij sloeg kort daarna weer toe, door Cathedra te beschadigen. In het openingsgedicht ‘Anna’s Light’ schrijf je: ‘Als het wit aan het einde / van het rood niet aan het einde van de wereld zat / was het een haal met een mes / dat in de snee het geopende sluit / een sluiting met de kracht van –’.

D.v.B.: Al die gedichten zijn deels tongue in cheek – er zit een ernst in dat werk…

C.V.G.: Bij deze bundel heb je een motto gekozen van Virginia Woolf (‘Lines and colours almost persuade me that I too can be heroic.’) en van Newman zelf: ‘The self, terrible and constant, is for me the subject matter of painting.’ Een van de uitgangspunten van jouw poëzie is net dat het zelf, het subject, zwak is en niet constant kan zijn.

D.v.B.: Dat is helemaal waar, maar het neemt niet weg dat ik dergelijke absolute claims wel mag. Het geeft mij als schrijver het voordeel dat ik daar gedeeltelijk in kan meegaan, en me er tegelijk van kan distantiëren. Dat is een beetje laf, misschien. Ik doe het ook in mijn recentste bundel, met het werk van John Baldessari.

C.V.G.: Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver verscheen in september naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling van John Baldessari in Bozar in Brussel.

D.v.B.: De invitatie om over Baldessari te schrijven kwam van Tom Van de Voorde, programmator literatuur bij Bozar, en ik vond dat een superfijne opdracht. Het werk van Baldessari is fundamenteel ironisch, maar in het laatste gedicht van de bundel, ‘De afschaffing van de hand en de promotie van de neus tot handelend subject’, ga ik zelfs met die ironische omgang ironisch om. De manier waarop Baldessari de neus als beeldmateriaal afzondert, biedt daar alle gelegenheid toe. Ik kon me laten gaan in diverse posities tegenover een werk waar ik fundamenteel van hou. Ik kon me ironisch opstellen tegenover de stof waarmee hij werkt, tegenover zijn biografie, zijn manier van werken, maar ook tegenover de manier waarop media werken, of de manier waarop zijn werk is ontvangen.

C.V.G.: Het gedicht ‘French Horn Player (With Three Contexts – One Uncoded)’ is geschreven bij het gelijknamige werk van Baldessari uit 1994. Dat werk bestaat uit een kolom van vier kleurenfoto’s – een satelliet in de ruimte, een bospad, een trombonespeler, een meer voor een gebergte – waarvan er drie van een typische Baldessari-cirkel voorzien zijn, alleen de foto in de ruimte niet. Jij geeft in het gedicht aan dat die laatste foto niet gecodeerd is, maar of dat werkelijk zo is, of Baldessari het ook zo bedoeld heeft, weten we niet.

D.v.B.: Dat is natuurlijk mijn interpretatie. Ik wilde ook een beeldgedicht in de bundel hebben, en dat leek me relatief makkelijk bij French Horn Player (With Three Contexts – One Uncoded).

C.V.G.: De revolver uit de titel komt vaker terug in de bundel, maar dan zonder dat hij met één werk te verbinden is. Baldessari heeft veel revolvers afgebeeld, en pistolen ook. In het openingsgedicht, ‘Geologie en pistolen’, schrijf je: ‘Een revolver in een vierkante opening is een revolver zonder gevolg, net als de volgende revolver’.

D.v.B.: In die regel neemt de taal zelf het over, zoals dat in poëzie zo vaak het geval is. Tegelijkertijd verwijst die regel naar Kiss/Panic uit 1984, waarin Baldessari revolvers en pistolen contextloos rond foto’s van een kussend koppel en straatrellen heeft geplaatst.

C.V.G.: Newman wordt in de bundel bij Baldessari één keer genoemd, in de regel ‘Een scheur in de actie / als vanuit het hiernamaals waarachter het ontzag in de keel van Newman oplicht, / een stralenbundel als door een engel iconografisch bijeengeroepen […]’. Een regel in ‘No Paragraphs on Instagram for John Baldessari’ lijkt ook naar hem te verwijzen, naar zijn essay ‘The Sublime is Now’: ‘Het nu is now. Yeah, right.’

D.v.B.: Dat doe ik in deze bundel wel vaker: mijn ‘eigen’ tekst permanent becommentariëren, in dit geval door dat tussenwerpsel Yeah. Het doet de lezer denken: hé, hier zouden weleens twee verschillende posities naast elkaar kunnen spelen. Het gaat erom op het juiste moment bepaalde codes te introduceren in een gedicht, zodat je je afvraagt: wie zegt dat nu? Wie spreekt hier? Een ander voorbeeld, in ‘De afschaffing van de hand en de promotie van de neus tot handelend subject’, zijn deze drie regels: ‘Dat leidt vaak tot verslaggeving. / ‘Wat een spektakel!’ / Wie zegt het!’ Dat geeft een laag aan de tekst die er voordien niet was. Je kijkt tegen de code van de nieuwsverslaggeving aan, door die interruptie, door die uitroep ‘Wat een spektakel!’

C.V.G.: In de nieuwe bundel is er veel dat je vroeger niet deed, zoals woorden tussen vierkante haken zetten, of woorden doorstrepen – het sous rature van Derrida, om aan te geven dat ze niet geschikt zijn, maar toch noodzakelijk.

D.v.B.: Mijn werk geeft zichzelf een steeds grotere poëtische vrijheid. Tijdens het werken aan ‘De voorbode van iets groots’ uit 2006 begon ik te beseffen dat er geen andere regels meer gelden dan de regels die je bereid bent te volgen, dat je bijvoorbeeld in een woord probleemloos hoofdletters kan introduceren, zoals in het gedicht ‘De Noir’: ‘zoals daar zijn: de mist, geWELddadig optreden of het niet / aflatende zwart van De Regen in San Francisco’. In de bundel Fallicornia, in 2015 bij Druksel verschenen, is dat ook zichtbaar. Dat is natuurlijk allemaal elders al eens beter gedaan, maar ondertussen is alles denkbaar, alles kan. De grafische ingreep, die focus op de materiële dimensie van de letter, dat is voor mij een spel met wat ik als ‘de transfrastische grom’ heb omschreven, in een essay over het werk van Hugues C. Pernath, ‘Een verrekte zon’ in Wwwhhoooosshhh. Bij Pernath is het een grom, gegenereerd door klankrepetitie over woorden en zinnen heen, bij mij kan het elke keer opnieuw iets anders zijn.

C.V.G.: Je kan doen wat je wil.

D.v.B.: Iedereen kan doen wat-ie wil, en dat is uiteindelijk ook een probleem.

C.V.G.: De discipline werkt niet disciplinerend meer – er is geen literaire discipline meer, niet als vakgebied, maar ook niet als een reeks van gedragsnormen en regels.

D.v.B.: Jaja. Spijtig.

C.V.G.: En waarom is dat spijtig?

D.v.B.: Het is een beetje het Trump-effect. Trump denkt dat hij een expert is in alles, en dat mensen die wel expert zijn daarom moeten zwijgen. Het is een populistische reactie op wat als de elite wordt beschouwd. Climate change is a hoax, vaccins zijn gevaarlijk… Dat is het politieke equivalent van het wegvallen van de poortwachtersfunctie in samenleving en cultuur.

C.V.G.: En in afwezigheid van poortwachters stel je dus je eigen criteria op.

D.v.B.: Ja, maar er is weinig common ground, je bent niet of nauwelijks deel van een club die een bepaald discours formuleert, zoals je dat in the latter days met tijdschriften kon doen, ook op basis van kennis van de geschiedenis. De discussie tussen diverse clubs maakte dan de ontwikkeling van literatuur of van cultuur in het algemeen mogelijk, in positieve zin. Op het moment dat iedereen zogezegd gelijk kan hebben, valt die ontwikkeling weg. Je kan niet doen alsof het 1894 is, gewoon omdat je niet weet wat er in de twintigste eeuw is gebeurd – of dat nu is op het vlak van de poëzie, de kunst of de politiek.

C.V.G.: We bereiken het punt waarop dat het geval wordt: dat die voorkennis, die geschiedenis, volledig wegvalt, en dat je iedere dag om het even wat kan doen of beweren zonder dat er een grond is om het te weerleggen.

D.v.B.: Populisme is anti-intellectualistisch, dat kan je wel zeggen, maar dat het de hoofdtoon gaat voeren, daar zal ik me tot mijn laatste snik tegen verzetten. Cenakels blijven noodzakelijk, ook al zijn het dan cenakels. Uiteraard heeft dat allemaal met de totale versplintering te maken die het internet en vooral sociale media teweegbrachten. Maar op een bepaald moment overleeft een medium zichzelf. We hebben vroeger zitten kankeren op televisie, maar wisten wij veel dat er een nog veel groter kwaad zou opduiken. De tv is obsoleet geworden, maar ergens zullen we toch benchmarks moeten zetten voor wat we waardevol vinden.

C.V.G.: Begrijp je dat de indruk kan ontstaan dat de bundel over Baldessari je meest cultuurpessimistische werk tot nog toe is?

D.v.B.: Waarom denk je dat?

C.V.G.: Zoals je zelf zegt, wend je het werk van Baldessari onder meer aan om cultuurkritiek te bedrijven. Een van die aspecten of fenomenen van de hedendaagse cultuur heeft bijvoorbeeld met die versplintering en, concreter, met Instagram te maken, wat in de bundel terugkomt als ‘het vierkante beeld’ of ‘het vierkante subject’. In het gedicht ‘No Paragraphs on Instagram for John Baldessari’ schrijf je: ‘Je weet zo dat het fout afloopt, de wereld als vierkant.’

D.v.B.: Ik heb echt een bloedhekel aan dat medium.

C.V.G.: Is tekst het verschil tussen Instagram en Facebook?

D.v.B.: Ik vind die hele Meta-winkel van Zuckerberg abject. Als je het hebt over cultuurpessimisme in Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver, dan zou ik eerder denken aan de ecologische lading die in de bundel zit. Neem bijvoorbeeld het eerste gedicht, ‘Geologie en pistolen’: ‘Die vlek daar, dat is een dode zee / met rottende vissen en straten alleen zichtbaar / op Google Maps en geothermische pekel. Wat jij hier / penetrant noemt, komt elders vandaan.’ Dat gaat over Salton Sea in Californië, een dood en volledig vervuild meer.

C.V.G.: De degeneratie van het landschap speelde al eerder een rol in je werk. In De wind uit het elders staat het gedicht ‘Vir heroicus sublimis’, dat als volgt opent: ‘Die in schilderijen zijt, / in ons werd gebouwd / een somber panorama, / met verkeersaders, stranden, chemische grond, / drinkplaatsen, eindeloos / rangerende treinen in ondergrondse stations / dag en nacht van binnen / verlicht door elektronica, / waarin golven die men muzak noemt / diffuus het plafondlicht betrekken en ik denk aan andere dingen / want alles is verpletterd, in een keer, / en we staan in de bloedstollende blik / van het rood dat zich met de chaos bindt’.

D.v.B.: Die bekommernis zit trouwens ook al in ‘Wwwhhoooosshhh’. Ik ben daar heel pessimistisch over.

C.V.G.: Vooral wat ecologie en klimaat betreft?

D.v.B.: Wat betreft andere ontwikkelingen ook, maar over politieke of sociale zaken durf ik nauwelijks te schrijven, dat zou al snel te plat of te naïef worden, vrees ik. Het lijkt me heel moeilijk om het in poëzie bijvoorbeeld over demografische ontwikkelingen te hebben. Misschien dat ik het in toekomstige gedichten zal proberen – ik werk al een tijdje aan een reeks Berliner Elegien, waarvan er in 2023 een aantal in DW&B zijn verschenen… De degeneratie van de westerse infrastructuur, dat is toch wel wat. Er is een gigantische staatsschuld, maar de investeringen zijn nooit de juiste. In openbaar vervoer moet geld worden gepompt, maar dat gebeurt niet.

C.V.G.: Zou het kunnen dat er in je werk uit de jaren negentig vaak een combinatie van fascinatie en afkeer optreedt, een mengeling van plezier en misprijzen – à la Barthes en Baudelaire? Fenomenen, nieuwe, moderne ontwikkelingen, zijn enerzijds vreselijk, maar anderzijds kan je ze lezen, kan je erdoor vervoerd raken en ervan genieten. Misschien is die dialectiek in recenter werk weg, en kantelt alles nu in de richting van walging?

D.v.B.: Er is nog steeds de theorie van het mathematisch sublieme, waardoor iets subliem en groots wordt, gewoon door het onoverzichtelijke, onvatbare aantal. Maar er zit de laatste tien jaar ergens een ontsporing in het ecosysteem, en in de maatschappelijke en geopolitieke structuren, die het inderdaad steeds moeilijker maakt om daar nog op een of andere manier plezier aan te beleven. Wat dan overblijft is een vorm van redding, van Rettung, zoals Benjamin dat noemde, binnen de Destruktion, waarin je probeert een erfenis aangereikt te krijgen door die opnieuw te interpreteren. De ruïne als redding van de geschiedenis en de poëzie als redding van de redding.

C.V.G.: Het is een positie die als conservatief kan worden weggezet, hoewel het in een letterlijke vorm gaat om conserveren en verwerken tegelijkertijd.

D.v.B.: Absoluut. Het is een noodzakelijk cultuurconservatisme. En het is ook een vorm van bewaararbeid en van rouwarbeid. Dat is het gevoel dat ik nu heb, en ik weet niet of je het positiever zou kunnen omschrijven.

 

 

Dirk van Bastelaere, Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver. Notities bij John Baldessari, het balanseer, Gent, 2025, ISBN 9789083499994. De bundel wordt gepresenteerd op woensdag 19 november in Bozar, Ravensteinstraat 23, Brussel.

bOb Van Reeth (1943-2025)

bOb Van Reeth was de enige echte starchitect van Vlaanderen. In zijn geval heeft dat begrip nauwelijks negatieve connotaties. Hij heeft zijn positie als Bekende Vlaming – nog voor die term na de eeuwwisseling helemaal ridicuul werd – enerzijds kunnen inzetten om projecten gerealiseerd te krijgen en architectuur tot een maatschappelijk onderwerp te maken, en anderzijds om mee een architectuurbeleid in de steigers te zetten. Het idee om hem in 1998 als de eerste Vlaams Bouwmeester aan te stellen kwam van Wivina Demeester, in die periode Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Welzijn en Gezin voor de toenmalige CVP. Zoals Van Reeth meermaals heeft aangegeven, was er niemand minder geschikt voor die functie, die hij zes jaar lang zou uitoefenen: ‘Zet mij nooit in een administratie!’ En net daarom lukte het, dankzij die weerbarstigheid, de op een oeuvre gebaseerde autoriteit, dat (Antwerpse) parler-vrai, samen met zijn ‘branie én timiditeit (de combinatie die charisma produceert)’, zoals Mil De Kooning het omschreef. Het is onwaarschijnlijk en vermoedelijk onherhaalbaar: een langgerekt oeuvre tot stand brengen en tegelijkertijd, op een dergelijke manier, cultuurpolitieke invloed uitoefenen – macht hebben en zichtbaar zijn, en toch gedoogd of zelfs ondersteund worden door de politieke machthebbers.

Tegenstellingen en ogenschijnlijke toevalligheden bepaalden eveneens zijn architectuur. Sprezzatura ligt niet alleen aan de basis van zijn nom de plume, die enkel – zoals het een vormgever betaamt – visueel van aard was. Van Reeth studeerde architectuur aan Sint-Lucas in Schaarbeek. In zijn tweede jaar, in 1964, werkte hij mee aan een studententijdschrift dat met ‘wrijfletters’ werd gezet. Toen de inhoudstafel aan de beurt was, bleken de letters bijna op, waardoor zijn bijdrage aan ‘bObvr’ moest worden toegeschreven. Volledig vrije keuzes zijn er niet – de kunst bestaat erin de kaarten die je gedeeld krijgt uit te spelen alsof je ze zelf hebt geselecteerd. Nog als student debuteerde hij als architect met de verbouwing van een juwelierszaak op de Paardenmarkt in Antwerpen – een persoonlijke invulling, onder meer door de als diamanten geslepen betonnen puien, van het toen in zwang zijnde brutalisme. Nieuwe of creatieve architectuur heeft Van Reeth nooit nagestreefd. Zijn werk, van de jaren zestig tot het eerste decennium van deze eeuw, getuigt van een soort serieel en hoogstpersoonlijk epigonisme, dat hij telkens, in afzonderlijke projecten en bouwwerken, wist te overstijgen. Het was een methode die in lijn lag met het wegvallen van de grote functionalistische verhalen in de architectuur, maar die ook uitermate geschikt bleek voor een even eclectische als individualistische context als Vlaanderen, zonder een noemenswaardige architectuurgeschiedenis. ‘Ik heb nog nooit geprobeerd om origineel te zijn,’ zo zei hij in een interview met Herman De Coninck en Leo De Haes in het Nieuw Wereldtijdschrift in 1993. ‘Ik ben een spons, die gelukkig een hoop geschiedenis heeft opgeslokt, en als je daar heel hard op knijpt, komen daar druppeltjes uit.’ In een monografie die in 2000 bij Ludion verscheen, omschreef Geert Bekaert dat als volgt: ‘Het spontane verzet tegen de vorm is een verzet tegen eenvormigheid en gewenning, en uiteindelijk tegen de dood. Vandaar de gevoeligheid van bOb Van Reeth voor de mode, niet in de zin van modieusheid, want dat is juist de dictatuur van de vorm, maar voor de mode als het continue doorbreken van die dictatuur. […] Er zijn geen grenzen aan de architectuur. De hartstocht van het op-zoek-zijn kent nooit een einde.’

Het heeft geleid tot honderden realisaties, waarvan enkele zowel iconisch als canoniek zijn geworden. In lijn met wat Aldo Rossi – de belangrijkste voorganger, zeker in de tweede helft van Van Reeths carrière – al in 1966 schreef in L’architettura della città, was hij erop uit fatti urbani te bouwen, stedelijke, onweerlegbare feiten, met een stille of net opvallende aanwezigheid, die zowel vernieuwing als continuïteit garanderen. Zelfs als het om privéopdrachten ging, bepaalde zijn architectuur mee het publieke karakter van steden als Mechelen (Kazerne Dossin), Oostende (Marie-Joséplein), Hasselt (Vlaams Administratief Centrum), Brussel (Koning Boudewijnstadion), Kortrijk (Leieboorden) en – vooral – Antwerpen (Onze-Lieve-Vrouwecollege, woning Van Roosmalen, het Zuiderterras, Lombardia). Ook in meer virtuele domeinen was het werk van Van Reeth zichtbaar: tussen 1989 en 1994 werd het Nederlandstalige televisiejournaal in België uitgezonden vanuit een studio die hij ontwierp – een donker decor met zwartgroene tinten, marmer en een gerasterd kamerscherm, dat de diepte van een interieur suggereerde, en van waaruit nieuwsanker Bavo Claes op 10 november 1989 de Val van de Muur aan de Vlaamse huiskamers meedeelde. Ook in Nederlandse steden zoals Utrecht, Amsterdam, Maastricht en Dordrecht werden even grote als kalme gebouwcomplexen gerealiseerd – een praktijk die A.W.G., het bureau dat Van Reeth in 1976 oprichtte, voortzet.

 

Van 20 tot 29 november wordt in Centrum VANDENHOVE van de Universiteit Gent een tentoonstelling georganiseerd ter ere van bOb Van Reeth. Vernissage met filmvertoningen op donderdagavond 20 november, finissage met lezingen op zondagmiddag 30 november. VANDENHOVE, Centrum voor architectuur en kunst, Rozier 1, Gent.

Much Ado About M HKA. Een gesprek over twee architectuurwedstrijden

 

Ganzenbord

Christophe Van Gerrewey: De architecturale voorgeschiedenis van het M HKA is bekend. Het Museum van Hedendaagse Kunst werd in 1985 opgericht in Antwerpen en opende in 1987, in een voormalig pakhuis met graansilo uit 1922. Dat complex werd tussen 1990 en 1993 verder uitgebreid, maar de architectuur ervan werd vaak bekritiseerd.

Pieter T’Jonck: De Vlaamse Gemeenschap heeft die gebouwen destijds gekocht van een investeerder, die plannen had om er een discotheek in onder te brengen. Voor die dancing was al een architect aangesteld, Michel Grandsard, en hij mocht meteen het nieuwe museum ontwerpen. Al van bij aanvang was duidelijk dat het gebouw daar niet voor geschikt was.

C.V.G.: ‘De problemen om het licht te integreren in het interieur van een silo kunnen nauwelijks opgelost worden, wat mocht blijken uit Grandsards ontwerp,’ schreef Marc Dubois in 1993 (De Witte Raaf, nr. 44).

Beatriz Van Houtte Alonso: De lichtinval is vaak vreemd, het interieur is desoriënterend en complex, de akoestiek is slecht, maar toch heeft het huidige gebouw kwaliteiten, vind ik. Ik zie in elk geval niet in waarom je er geen goede tentoonstellingen zou kunnen realiseren.

C.V.G.: In 2001 werd Bart De Baere directeur van het M HKA, en in 2003 werd de inkomhal heringericht door Robbrecht en Daem architecten. De recentste verbouwingswerken dateren uit 2017, toen Axel Vervoordt en Tatsuro Miki een collectietentoonstelling ontwierpen, maar ook een nieuwe inkomhal en een ‘basisinfrastructuur’ voor het Centrum Kunstarchieven Vlaanderen – gezien de kostprijs van 1,3 miljoen euro door Dirk Pültau omschreven als ‘de duurste reclamecampagne ooit uit de geschiedenis van de Vlaamse kunstwereld’ (De Witte Raaf, nr. 189). Desondanks ontstonden er al in 2013 plannen om een nieuw M HKA voor te bereiden, met Sven Gatz als Vlaams cultuurminister en Peter Swinnen als Vlaams Bouwmeester. Pas in 2019, onder Vlaams cultuurminister Jan Jambon, werd er een Open Oproep gelanceerd, met als Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck en als Antwerps stadsbouwmeester Christian Rapp. Toen werd ook beslist dat het M HKA zou verhuizen, naar een plek even verderop. Het nieuwe museum zou de plaats innemen van het hof van beroep, een gebouw dat in 1974 werd gebouwd boven op de voormalige Zuidersluis.

P.T.: En die wedstrijd in 2019 liep helemaal fout.

C.V.G.: Op 20 maart 2020 blies Jan Jambon de wedstrijd inderdaad af. In De Standaard zei het kabinet van de minister tegen Geert Sels dat ‘de ambities van het museum veranderd zijn’. Leo Van Broeck sprak van ‘voortschrijdend inzicht. Het museum dat men wou, kwam niet meer overeen met wat er gevraagd was.’ En Bart De Baere zei: ‘Als je publieke middelen inzet, moet je zeker zijn van een goede uitkomst. Het is als bij een ganzenbord, waar je op een vakje terechtkomt en een aantal stappen terug moet zetten.’

P.T.: Dat spelletje ganzenbord heeft zo’n half miljoen euro overheidsgeld gekost – een dergelijke wedstrijd organiseer je niet gratis.

Inigo Custers: Weten we wie er toen in de jury zat?

C.V.G.: Officieel niet, want er is nooit een juryverslag gepubliceerd. Op 24 juni 2020 verscheen er een artikel in Knack, waarin vermeld werd dat de jury bestond uit negen stemgerechtigde leden, onder wie Dirk De Meyer en Wouter Davidts, hoogleraren architectuur aan de Universiteit Gent.

P.T.: Dat artikel geeft aan dat de wedstrijd niet goed georganiseerd werd, en dat is een understatement. Er werd nochtans al begin 2015 een studie gepubliceerd door Labo A van de Universiteit Gent, op vraag van Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen. In dat document werd duidelijk gesteld dat een mondiale toppositie, zoals die van het Centre Pompidou in Parijs, geen haalbare kaart was voor het M HKA. Gezien de versnipperde middelen van de vele Vlaamse musea kan één Antwerps instituut niet alle taken op zich nemen. Vervolgens maakte 51N4E een ruimtelijke vertaling van een haalbaar museumprogramma. In het kielzog van die studies besloot een stuurgroep dat het M HKA gezien de museumcollectie het best geplaatst was om een ‘overzichtsmuseum’ van hedendaagse kunst in Vlaanderen te worden. De stuurgroep oordeelde dat daar een nieuw gebouw voor nodig was, terwijl het bestaande gebouw ingezet kon worden als een centraal Vlaams depot voor hedendaagse kunst, ten dienste van alle musea. Het ‘overzichtsmuseum’ zou worden aangevuld met zalen voor thematische tentoonstellingen, met een studiebibliotheek en een forum. Die verruiming van de taakstelling resulteerde in de projectdefinitie voor de Open Oproep in 2019. Bij de jurering van de inzendingen doken echter nieuwe beleidsplannen op waar noch de ontwerpers, noch de juryleden van op de hoogte waren. Bart De Baere, die als directeur van het M HKA het proces aanstuurde, beweerde zelfs dat een beleidsplan nog niet voor meteen was: het bestek en de projectdefinitie van de Open Oproep omschreef hij als ‘niet definitief’. Plots was er sprake van een beleidsdocument, een ‘routeplan’ voor het M HKA, goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 7 oktober 2019, zonder dat de jury daar kennis van had.

C.V.G.: De teams die geselecteerd werden voor de Open Oproep waren het Brusselse 51N4E met Caruso St John (VK), het Brusselse Baukunst met Made In (CH), het Japanse SANAA met Jaspers-Eyers uit Brussel, Thomas Phifer uit New York, en Marie-José Van Hee met Wim Goes, beiden werkzaam in Gent.

P.T.: Na een gesprek over de ontwerpen en een puntentelling onder de juryleden bleek er één winnaar naar voren te komen. Er werd een duidelijke voorkeur uitgesproken voor het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, maar De Baere en stadsbouwmeester Christian Rapp wilden absoluut dat de keuze viel op het project van SANAA en Jaspers-Eyers. Om dat te verantwoorden werd er geschermd met dat nieuwe ‘routeplan’. Het leidde tot een patstelling binnen de jury.

C.V.G.: Pieter, jij hebt in een artikel, gepubliceerd op de website van A+ op 10 juli 2020, de kwaliteiten van het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uiteengezet. Wat was er zo goed aan?

P.T.: Het blijft een superslim voorstel: een structuur waarin volledig open, hoge vloeren voor tentoonstellingen afwisselen met lage vloeren voor kantoren en technische installaties, die als een ruimtevakwerk de enorme overspanning mogelijk maken, over de gehele lengte en breedte van de site. Op de hoeken bevinden zich circulatiekokers en sassen voor de art handling, die ook de dwarse stabiliteit verzekeren. Op de begane grond ontstaat een enorme open ruimte, een ontvangsthal, met een doorkijk naar het ondergrondse, historische dok.

C.V.G.: Van de vijf ontwerpen die werden ingediend voor de wedstrijd van 2019 is dat van 51N4E en Caruso St John het meest inventief. Er is niet alleen de bouwstructuur en de organisatie van het museum, maar ook een glazen koepel, als een wolk op het dak die dienstdoet als bovenste verdieping voor allerlei publieke activiteiten.

I.C.: Ook de gevel is bijzonder: die zou worden opgebouwd uit afgeschreven containers en prefab loodsen uit de Antwerpse haven, versneden en hergebruikt.

P.T.: Het is een nogal zotte gevel met een opmerkelijk patroon, maar het basismateriaal bestaat uit gerecupereerde geplooide staalplaten. Ondanks de decoratieve expressie van de gevel gaat het om circulaire architectuur.

B.V.H.A.: Het resultaat is een beetje decoratief: een gigantische silo met een regelmatig golvende gevel. Die gevel associeer ik eerder met het werk van Caruso St John dan met dat van 51N4E. Wat mij opvalt in de wedstrijden, zowel die van 2019 als die van 2024, is hoe er vooral van buitenaf naar het museum wordt gekeken. De ervaring in het interieur en de aanwezigheid van daglicht komen minder vaak aan bod. Dat is wel het geval in het ontwerp uit 2019 van Marie-José Van Hee en Wim Goes. Zij citeren in hun ontwerpbundel Michaël Borremans: ‘Daglicht kan je savoureren. Als het licht in een museum goed zit, hoef je er alleen maar het kunstwerk aan toe te voegen.’

C.V.G.: Het ontwerp van SANAA uit 2019 zet bijna volledig in op daglicht: het is als het ware een stapel glazen dozen – weinig inventief of avontuurlijk, maar wel heel duidelijk.

P.T.: Het is het New Museum in het groot, het gebouw dat SANAA in 2007 realiseerde in New York. Dat is een knap gebouw, maar het is kleiner, en het werkt beter.

I.C.: Een ander verschil tussen het New Museum en het M HKA van SANAA zijn een aantal schijven, die als monumentale volumes in de hoge interieurs hangen, bijvoorbeeld om er een caféterras op te organiseren.

B.V.H.A.: Waarom waren sommige juryleden zo wild van het voorstel van SANAA?

C.V.G.: Dat is de vraag. Naar een antwoord kunnen we enkel gissen, want er is geen juryverslag. Het ontwerp van SANAA biedt in elk geval veel kolossale zichten op de stad Antwerpen, en dat wordt in de bundel benadrukt. Het is een kijkmachine waarin de kunst nevengeschikt wordt gemaakt aan het adembenemende uitzicht op de stad, 360 graden in het rond.

I.C.: Wat het ontwerp van SANAA vooral uitzonderlijk maakt, en misschien ook uitzonderlijk aantrekkelijk, is dat het 80 meter hoog is.

C.V.G.: Inderdaad: alle andere voorstellen uit 2019 zijn slechts 53 meter hoog, wat merkwaardig genoeg ongeveer de hoogte is van het New Museum van SANAA in New York.

P.T.: Bij die eerste wedstrijd was 53 meter de maximaal toegestane hoogte. Dat werd zo bepaald in het ruimtelijk uitvoeringsplan, het RUP, dat de bouwvoorschriften vastlegt. Het ontwerp van SANAA, 80 meter hoog, kon op het moment van de wedstrijd wettelijk niet gekozen worden, laat staan uitgevoerd!

C.V.G.: Een hoger gebouw is groter. Toen de wedstrijd in 2020 werd geannuleerd, was er sprake van een ‘ambitieniveau’ dat is geëvolueerd. Misschien heeft de museumdirectie samen met de stadsbouwmeester dankzij het ontwerp van SANAA beseft: het M HKA kan en moet groter en hoger worden.

I.C.: En duurder.

P.T.: Net dat is contradictorisch. Als je kijkt naar het ontwerp van 51N4E en Caruso St John, en naar de andere ontwerpen uit 2019 – met uitzondering van dat van SANAA – dan zie je dat een volgebouwd bouwblok van 53 meter hoog helemaal niet minder vloeroppervlakte realiseert. In een toren verlies je veel plaats aan liften en dubbele trappen, die nodig zijn vanwege de strenge brandvoorschriften. Je wint in zekere zin niks met een toren, dus die nood aan extra oppervlakte kan niet verklaren waarom per se het ontwerp van SANAA gekozen moest worden.

 

Bouwrijp

C.V.G.: Na de mislukte wedstrijd is er begin 2024 een nieuw RUP opgemaakt, waarin de toegestane hoogte van het M HKA met 30 meter toenam. Dit plan definieerde de voorwaarden voor het nieuwe museum en voor de tweede wedstrijd, maar het is zodanig opgesteld dat het ontwerp van SANAA uit 2019 er alsnog door naar voren lijkt te worden geschoven.

B.V.H.A.: Het ligt iets complexer, bijvoorbeeld omdat het RUP is gebaseerd op een Hoogbouwrapport uitgevoerd door Sweco, dat dan weer is gebaseerd op de Hoogbouwnota van de stadsbouwmeester van Antwerpen uit 2013. In dat rapport wordt gesteld dat een toren van maximaal 80 meter mogelijk is, op voorwaarde dat die toren is opgebouwd uit een plint van 30 meter hoog, met daarop een toren van nog eens 50 meter.

I.C.: Zo staat het letterlijk in het RUP uit 2024: ‘De slanke toren laat toe het gewenste programma op de site te voorzien, zonder de draagkracht van de site te overschrijden. In de toren kan een geleding van het volume in de hoogte voorzien worden.’ Er is ook sprake van ‘harmonie’ met de reeds bestaande gebouwen aan de kant van de Schelde, omdat de plint dezelfde hoogte heeft. Dat is de verantwoording: als de toren voldoende terugwijkt, ‘past het gebouw in zijn omgeving’. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk waar.

P.T.: Het is een klassieke of classicistische logica.

I.C.: En het is een logica die enkel telt voor het M HKA, dat als uitzondering wordt aangeduid. Alle andere gebouwen in de nabije omgeving mogen de volumetrische logica van het nieuwe M HKA niet volgen.

B.V.H.A.: Omgekeerd is het zo dat door dat nieuwe RUP een ontwerp als dat van 51N4E en Caruso St John niet meer mogelijk was in de tweede wedstrijd, omdat het zowel aan de kant van de Schelde als aan de kant van de stad 53 meter hoog is. Is dat niet bizar, dat een RUP al zoveel vastlegt, op basis van een ontwerp uit een vorige wedstrijd?

C.V.G.: Het is bizar en toch is het consequent, want het kadert binnen plannen voor de wijdere omgeving en voor de rest van het Antwerpse Zuid. Nieuw Zuid, een paar honderd meter van het toekomstige M HKA verwijderd, is een residentiële stadswijk van 20 hectare groot, die nagenoeg volledig het eigendom is van één projectontwikkelaar, Triple Living. Sinds 2010 worden daar veertig nieuwe gebouwen neergezet, en ook voor die appartementsblokken is 80 meter de magische hoogte. Een aantal sociale woonblokken, aan de kant van Nieuw Zuid het dichtst bij het M HKA, werden in 2021 afgebroken om vervangen te worden door de zogenaamde Tower Zero, ook 80 meter hoog en ontworpen door de Zwitserse architect Peter Zumthor.

I.C.: Ja, maar een aantal buurtbewoners hebben zich ondertussen tegen de bouw van die toren verzet, waardoor de omgevingsvergunning in april 2024 is vernietigd.

B.V.H.A.: Het zijn nota bene buurtbewoners die in een gebouw wonen van Robbrecht en Daem architecten, dat in Nieuw Zuid in 2023 werd voltooid. Zij vrezen dat ze geen zon meer zullen hebben, en die kans lijkt me groot.

C.V.G.: Toch is die Tower Zero niet van de baan. De toenmalige schepen voor Stadsontwikkeling, Annick De Ridder (N-VA), reageerde op de vernietiging van de vergunning, in een artikel in Gazet van Antwerpen van 26 april 2024: ‘Het is jammer dat dit topproject, ontworpen door een wereldvermaarde architect, vertraging oploopt. Onze diensten analyseren nu het arrest.’ En in datzelfde artikel zei iemand van Triple Living net hetzelfde: ‘We bestuderen intern het arrest en denken na over de volgende stappen.’ Dat ook het M HKA 80 meter hoog moet worden, lijkt een expliciete wens van het stadsbestuur, van de stadsbouwmeester én van de projectontwikkelaar, die uit één mond spreken. Moet Antwerpen bouwrijp worden voor torens van 80 meter hoog?

B.V.H.A.: Ik heb de indruk dat de omgeving één gebouw van 80 meter hoog kan verdragen. Als je de ene toren naast de andere zou zetten, dan krijg je een nieuwe Noordzeekust. Het neemt niet weg: Nieuw Zuid is donker en schaduwrijk. Er is een aangrenzend park, maar de dichtheid aan relatief hoge woongebouwen op een beperkte oppervlakte is beklemmend. De hele wijk heeft iets unheimisch; kwaliteitsvolle gebouwen bij elkaar zetten leidt niet per se tot een kwaliteitsvolle buurt.

C.V.G.: Je kan het een proeve van contextueel ontwerpen noemen, maar het blijft opmerkelijk dat een publiek museumgebouw als het M HKA mede bepaald wordt door een private ontwikkeling van dure appartementsblokken vlakbij. Bovendien: nog in 2022 werd door Triple Living verkondigd dat SANAA het ‘slotgebouw’ van Nieuw Zuid zou realiseren, helemaal aan de andere kant van de stadswijk…

I.C.: Er zijn veel architectenbureaus die werken op Nieuw Zuid, wat niet verwonderlijk is als er veertig gebouwen opgetrokken moeten worden. Het bureau van Daniel Rosbottom en David Howarth (DRDH), dat deelnam aan de tweede wedstrijd voor het M HKA in 2024, heeft al in 2022 een toren gebouwd met 160 appartementen, ook van 80 meter hoog.

P.T.: Je kan je inderdaad afvragen of torens van 80 meter de bouwstenen van het toekomstige Antwerpen moeten worden, en of de wedstrijd voor het M HKA is ingezet om dat publiek aanvaardbaar te maken. Maar zoals ik in het artikel in 2020 al schreef: dat is een achterdochtig idee, op het paranoïde af. Bovendien blijft de vraag: wat had Bart De Baere daarbij te winnen? Waarom wilde ook hij een gebouw van 80 meter? En waarom moest het van SANAA komen?

B.V.H.A.: Er is de agenda van de stad en van de bouwpromotor, maar er is ook de agenda van het museum. In de opdrachtomschrijving voor de tweede wedstrijd is er bijvoorbeeld voortdurend sprake van ‘neutrale’ en ‘flexibele’ ruimtes. Daar spreekt geen duidelijke ambitie of een strategie uit. Wat wil het museum eigenlijk doen met al die oppervlakte in zo’n toren?

C.V.G.: Die vraag sluit aan bij het institutionele en cultuurpolitieke aspect van deze wedstrijd. Wat voor een museum is het M HKA? Wat voor een museum moet het worden? Er is vaak gespeculeerd over fusies van het M HKA met andere Vlaamse musea, in Antwerpen of in Vlaanderen. Het M HKA zou dan kunnen uitgroeien tot het Grote Vlaamse Museum, in de hoofdstad van Vlaanderen, door het SMAK in Gent en MuZee in Oostende op te slokken. In dat geval zou een wolkenkrabber nog beter zijn dan een toren.

I.C.: In de eerste wedstrijd in 2019 is er sprake, ook in de ontwerpbundels, van het VMHK – het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst. In 2024 wordt dat het TMHK – het Toekomstig Museum voor Hedendaagse Kunst.

P.T.: Het is een lastig probleem. Al in 2015 stond in de studie van Labo A dat het M HKA nooit het enige Vlaamse museum voor hedendaagse kunst kan worden: het SMAK heeft bijvoorbeeld een even belangrijke collectie. Maar het SMAK kan niet getransformeerd worden in het Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst, want het wordt beheerd door de Stad Gent, en niet door de Vlaamse overheid. Net als M in Leuven is het een stedelijk museum. Ik denk dat het idee van één centraal museum in Antwerpen ondertussen is losgelaten, ook als je ziet hoe ingrijpend de nieuwe plannen voor MuZee in Oostende zijn.

C.V.G.: Toch wordt er meteen van uitgegaan, in de opdrachtomschrijving in 2024, dat het museum, hoe groot het ook wordt, te klein zal zijn. ‘Het TMHK’, zo staat er, ‘wordt ook een belangrijke wetenschappelijke instelling voor hedendaagse kunst. De onderzoekstaken worden gebundeld in een apart onderzoekscentrum, op een andere locatie.’ Tegelijkertijd wordt er benadrukt: ‘Ook het onderzoekscentrum maakt integraal deel uit van de toekomstige werking van het museum, hoewel dit zich op een andere locatie zal bevinden.’ Ofwel is er weinig enthousiasme voor – en dat zou goed kunnen, want in Vlaamse kunstmusea heeft onderzoek zelden een volwaardige plek gekregen – ofwel wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe toren vol genoeg zal zitten.

I.C.: Dat is toch jammer, dat er geen fysieke link is tussen museum enerzijds en bibliotheek, archief en onderzoek anderzijds?

B.V.H.A.: Het heeft te maken met hoe het M HKA zich wil definiëren. In het projectdossier wordt die vraag niet duidelijk beantwoord. Enerzijds willen ze zich opstellen als een professioneel instituut met internationale allure, anderzijds is er een zekere trots over de eerder anti-institutionele logica van het voormalige ICC, waaruit het M HKA is voortgekomen. Ook wordt de ambitie uitgesproken om verankerd te blijven in de Antwerpse kunstscene.

P.T.: Het is de spanning tussen kunstgeschiedenis en kunstactualiteit. In de projectbundel en in de ontwerpdossiers wordt er vaak verwezen naar kunstenaars als Joseph Beuys en Gordon Matta-Clark. Beuys stierf in 1986, Matta-Clark in 1978. In die zin is het M HKA een historisch museum, met een voornamelijk historische collectie.

C.V.G.: De meeste kunstmusea – het Stedelijk in Amsterdam of Kunsthaus Zürich – combineren de functie van historisch museum met die van een kunsthal. Natuurlijk is die combinatie niet meer vanzelfsprekend. Naoorlogse kunst is lange tijd hedendaagse kunst geweest, terwijl actuele kunst zich vandaag vaak in een ander universum lijkt op te houden, en ook letterlijk in een ander tijdperk wordt gemaakt.

B.V.H.A.: Die breuk komt terug in het onderscheid dat gemaakt wordt, in het projectdossier voor de tweede wedstrijd, tussen de collectie en de tijdelijke tentoonstellingen. Alle architectenbureaus respecteren dat onderscheid en maken het op een ruimtelijke manier zichtbaar.

 

Procedures

C.V.G.: De tweede wedstrijd vond plaats na de zomer van 2024. Dit keer namen zes bureaus of samenwerkingsverbanden deel: Christ & Gantenbein (CH) met het Antwerpse bureau Bovenbouw, Nauta Bedaux (NL) met Feilden Fowles (VK), het in Londen en Antwerpen gevestigde DRDH met Jamie Fobert Architects (VK), de Brusselse noAarchitecten met Sergison Bates (VK) en EM2N (CH), OFFICE Kersten Geers David Van Severen uit Brussel met SO–IL (USA), en tot slot Robbrecht en Daem uit Gent met Dierendonckblancke en Laura Muyldermans. Zoals gezegd werd er een duidelijk gebouwvolume naar voren geschoven, of een maximale gebouwenveloppe: een sokkel van 30 meter met een slanke toren van in totaal 80 meter, en met een maximaal gebouwvolume van 100.000 kubieke meter. Is het niet raar dat er een wedstrijd wordt georganiseerd, maar dat de bouwheer – of in dit geval de stadsbouwmeester, Christian Rapp – van tevoren vastlegt welke vorm dat gebouw zal hebben, en hoe het eruit zal zien?

I.C.: Dat gebeurt vaker, maar meestal gaat het om een kader waarin het gebouw moet passen, gemaakt op basis van voorstudies. Het aantal beslissingen dat door het RUP wordt genomen nog voor de wedstrijd begint, ligt hier wel heel hoog.

P.T.: Dat is zeker zo. Wat ik vooral absurd vind, is dat beslist werd dat er twee afzonderlijke loskades moeten zijn, een voor kunsttransport en een voor logistiek transport.

C.V.G.: Waarom vind je dat absurd?

P.T.: Als je een dergelijk groot gebouw ontwerpt, dan spreekt het vanzelf dat je de omliggende straten een invulling geeft, of althans de profielen ervan bepaalt. Door dat al vast te leggen, sluit je uit dat een bureau eigen ideeën of oplossingen kan bedenken.

I.C.: Nochtans is het een van de redenen waarom Christ & Gantenbein en Bovenbouw de wedstrijd gewonnen hebben.

C.V.G.: Zo staat het inderdaad in het juryrapport, dat dit keer wel is vrijgegeven, met uitzondering van de passages over de raming en de prijs, en zonder de samenstelling van de commissie te vermelden. Maar een juryverslag is een juridisch document dat achteraf wordt opgesteld om een beslissing te beargumenteren.

I.C.: Het team van Bovenbouw voorziet in elk geval een loskade voor kunstwerken aan de De Gerlachekaai, langs de Schelde, en een aparte loskade voor logistiek transport aan de Visserskaai, loodrecht daarop. Alle andere bureaus doen dat niet en ontwerpen een gezamenlijke loskade, wat dus niet conform het RUP is.

C.V.G.: Het is regelneverij, maar je kan zeggen dat de wedstrijd dit keer tot in de puntjes is voorbereid. Alles is op alles gezet om het niet te laten mislukken zoals in 2019.

I.C.: En toch is het ook een manier om te krijgen wat je al in gedachten had, als bouwheer, en om verrassingen uit te sluiten…

P.T.: … of om discussies af te blokken. Je kan heel helder zeggen wat je niet wil, en vooral ook wat niet mag. De procedure was geen Open Oproep georganiseerd door de Vlaams Bouwmeester, zoals dat de eerste keer het geval was. De Vlaams Bouwmeester, Erik Wieërs, zat wel in de jury. Dat is dus ook belangrijk: het ging in 2024 om ‘een mededingingsprocedure met onderhandeling’.

C.V.G.: Wat is het verschil?

P.T.: In het eerste geval kies je een ontwerper op basis van een schetsontwerp dat nog kan veranderen. In het tweede geval kies je een ontwerp. Je kan daar in beperkte mate aan sleutelen, maar de hoofdlijnen liggen vast. Dat heeft voordelen voor de ontwerper, die niet zomaar gevraagd kan worden om opnieuw te beginnen, maar ook nadelen: alle partijen zijn gebonden door een parti pris.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat je gaandeweg niets meer mag veranderen. Er wordt in deze procedure een bouwteam gekozen, niet enkel een architect. Dat geeft meer macht aan de aannemer. In een aantal ontwerpbundels wordt dit trouwens uitdrukkelijk – en terecht, vind ik – in vraag gesteld.

C.V.G.: De belangrijkste beslissingen zijn in het RUP al genomen door de stadsbouwmeester en de beslissingen achteraf worden genomen door de aannemer. Is dat niet nefast voor een wedstrijd? Wie bijziend is en van een afstand de zes maquettes naast elkaar ziet staan, merkt geen verschil.

B.V.H.A.: Dat lijkt me sterk uitgedrukt. De zes ontwerpen zijn erg verschillend.

I.C.: Binnen de beperkingen die er waren, hebben de teams de vrijheidsgraden ten volle benut. Het was mogelijk om op de vooropgestelde volumemaquette te variëren, en een aantal bureaus hebben dat gedaan.

C.V.G.: Dat klopt, en het valt op in het juryrapport: twee teams – OFFICE en SO–IL enerzijds, Christ & Gantenbein en Bovenbouw anderzijds – worden geprezen omdat ze vermeden dat het museum eruit zou zien als een toren met een plint. De vier andere architecten hebben min of meer het voorontwerp gevolgd van Christian Rapp, om het zo maar eens te noemen.

B.V.H.A.: Dat vond ik ook opvallend: die bureaus doen wat hun gevraagd wordt, en ze worden erop afgerekend.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het zo dat die vier ontwerpen op een klassieke, haast academische manier lijken op een toren met een plint – genre Lever House in New York, in 1950 ontworpen door Gordon Bunshaft en Natalie de Blois van SOM. Het ontwerp van DRDH en Jamie Fobert wordt in het juryrapport ‘bureaucratisch’ genoemd, en dat is niet zo vergezocht, gewoon omdat we een dergelijk gebouw met kantoren associëren. Op een gelijkaardige manier wordt het project van het team rond Robbrecht en Daem als ‘bezadigd’ omschreven en dat van het team rond Nauta Bedaux als ‘neoklassiek’, terwijl van het torenvolume van noA & co. wordt gezegd dat het ‘weinig geleding’ vertoont.

I.C.: Ik denk dat Christ & Gantenbein en Bovenbouw, net als OFFICE en SO–IL, vooral geprobeerd hebben om dat gebouwtype te nuanceren, en om het monolithische karakter ervan te omzeilen en te fragmenteren.

C.V.G.: OFFICE en SO–IL gaan daar nog iets verder in dan Christ & Gantenbein en Bovenbouw: de drieledige opbouw verdwijnt bijna volledig, en het resultaat is een soort ziggoerat die uit een tiental onderdelen bestaat.

B.V.H.A.: En toch blijft ook hun ontwerp eruitzien als een toren met een plint.

I.C.: Dat lijkt me onmogelijk te vermijden, gezien de uitgangspunten van de wedstrijd.

B.V.H.A.: In elk geval: het valt op hoeveel aandacht er besteed wordt aan het silhouet en het exterieur van het gebouw. Zowel in de omschrijving van de opdracht als in het juryverslag en de communicatie over de winnaar valt het woord ‘beeld’ voortdurend. Er is gezocht naar een ‘beeldbepalend’ gebouw. Er worden, in de beoordeling, onophoudelijk vergelijkingen gemaakt, vanuit de vrees dat het ontwerp niet op een museum zal lijken, maar op een winkelcentrum, een woontoren, een kantoorgebouw…

C.V.G.: Vind je dat opvallend? Het gaat om een groot publiek gebouw dat zeer aanwezig zal zijn in het stadsbeeld. Een gebouw van 80 meter hoog wordt automatisch iconisch.

B.V.H.A.: Uiteraard, maar het valt op dat het zoveel aandacht krijgt, en dat het doorslaggevend is in de besluitvorming. Wieërs zei een aantal keer dat de wedstrijd niet ‘over spektakelarchitectuur’ mocht gaan, maar het is de vraag of dat, gezien de ambities, de opdracht en de hoogte van het gebouw, te vermijden valt.

 

Wandelen

C.V.G.: De architecten werd gevraagd om een museum te ontwerpen in een toren, maar het staat lang niet vast of zoiets mogelijk is. Eén probleem is dat de wandeling van de bezoeker voortdurend onderbroken wordt, omdat je iedere keer van verdieping moet wisselen, naar boven of naar beneden. Er zijn niet veel voorbeelden van musea of kunstplekken in een toren. In 2021 opende The Tower van LUMA in Arles, ontworpen door Frank Gehry: 56 meter hoog, met een kleine tentoonstellingszaal per verdieping, en met ook een sokkel met een groter vloeroppervlak. Het Museum aan de Stroom in Antwerpen, geopend in 2011 en ontworpen door Neutelings Riedijk Architecten, is 60 meter hoog, en het is een stapeling van gesloten zalen die verbonden zijn met roltrappen.

I.C.: Het Munchmuseum in Oslo, uit 2021, zit ook in een toren met een plint, 60 meter hoog, ontworpen door Herreros Arquitectos.

C.V.G.: Het extreemste voorbeeld is M+ in Hongkong, geopend in 2021 en ontworpen door Herzog & de Meuron: een plint met een dunne toren, 94 meter hoog, en bekleed met 140.000 keramiektegels waarin ledlampen verwerkt zijn, met als resultaat een gigantisch digitaal scherm. Als de wedstrijd voor het M HKA als een wetenschappelijk experiment wordt beschouwd, is dan bewezen dat het kan, een museum in een toren?

B.V.H.A.: Veel heeft te maken, zoals je al zei, met de wandeling door het gebouw. Het team dat daar expliciet op inzet, is dat van Robbrecht en Daem.

C.V.G.: Het is op dat vlak inderdaad een aantrekkelijk voorstel, en het is – letterlijk – het minst vermoeiend: als je het museum binnenkomt, neem je de lift helemaal naar boven, en dan loop je traag naar beneden langs de collectie en de tentoonstellingen.

I.C.: Dat ontwerp wordt in het juryrapport omschreven als ‘een zeer klassiek gebouw voor kunst van vandaag en gisteren, maar niet voor kunst van morgen en andere media’. Dat klopt niet, denk ik, en het heeft waarschijnlijk, opnieuw, meer te maken met het exterieur dan met de werking binnenin.

B.V.H.A.: Terwijl zij, net als Van Hee en Goes in 2019, net heel sterk inzetten op daglicht.

P.T.: Ik was niet zo onder de indruk van het interieur van Robbrecht en Daem & co. Het gaat om tentoonstellingsvloeren die deels overlappen, met in het midden meestal halfhoge ruimtes. Het maakt dat je in de toren min of meer dezelfde soort lokalen hebt, met vides afwisselend links of rechts, waarin het uitzicht bepalend wordt.

I.C.: Ze beseffen dat ze die repetitie in de wandeling naar beneden moeten onderbreken, door te werken met ‘rustpunten’ met een hoger plafond. Er is sprake van ‘50 à 60 verschillende uitzichten op Schelde en stad die elkaar afwisselen’, wat natuurlijk relatief is, want meer dan vier windrichtingen zijn er niet.

P.T.: Eerder dan de verticale circulatie is de horizontale doorgang in veel ontwerpen belangrijker – de organisatie van de sokkel. Veel bureaus stappen mee in de retoriek van het hypertoegankelijke museum. Van de gelijkvloerse verdieping wordt gesuggereerd dat het de meest drukke en publieke ruimte van Antwerpen moet worden. Vooral in het ontwerp van het team rond noA is dat zo. Zij voorzien in een hoge ‘hangar’ op de begane grond, omschreven als ‘een gastvrij gebaar naar de stad’, als ‘een directe en vrije ontmoeting met kunst’.

C.V.G.: Met de Turbine Hall van Tate Modern in Londen als voorbeeld…

B.V.H.A.: En Kanal in Brussel, dat door hetzelfde ontwerpteam wordt verbouwd. Maar daar gaat het natuurlijk om een bestaande hal van een andere schaal.

P.T.: Ze geven op die manier een invulling aan wat er onder actuele kunst kan worden verstaan. Dit is een plek voor performances, voor festivals, optredens en dj-sets.

C.V.G.: Het is wat in het museumdiscours als een third place wordt omschreven – een plek waar iedereen zich welkom voelt, ondanks het feit dat ze deel uitmaakt van een museum.

P.T.: Je kan er mensen ontmoeten, maar je moet niet consumeren. Het is gratis. Sergison Bates is daar con brio in geslaagd met hun ontwerp voor de Podiumkunstensite in Leuven, waarvan de uitvoering binnenkort zou moeten starten. Ook dat is een soort hangar, maar kleiner. Het concept sluit beter aan bij de podiumkunsten dan bij beeldende kunst, en de third space die zij bedachten voor de begane grond in Leuven is bijzonder interessant. Door hetzelfde te proberen doen voor het M HKA, overschreeuwen ze zich een beetje, vind ik.

C.V.G.: Tegelijkertijd is het niet onzinnig om de gelijkvloerse verdieping van het museum te zien als een verlengstuk van het nieuwe Zuidpark, dat opende in 2023.

P.T.: De meeste bureaus zien de inkomhal als een doorgang tussen twee parken, want langs de Schelde, aan de andere kant van het museum, begint het park langs de Scheldekaaien. Ze willen een grote brede doorgang creëren, maar dat resulteert – bijvoorbeeld bij het team rond Robbrecht en Daem – in een lange strook, loodrecht op de Schelde, met dienstruimtes en circulatie. Dat creëert problemen in de toren, omdat die strook niet tot boven kan worden doorgetrokken. Trappen en liften gaan loodrecht naar omhoog. Enkel Bovenbouw en Christ & Gantenbein hebben zich daar niks van aangetrokken. Dat is de grote verdienste van hun ontwerp: zij zetten de hele ‘stijgmechaniek’ dwars op de lange richting, dus evenwijdig aan de Schelde, en dat resulteert in volledig andere zalen in de toren. Het is een compleet andere logica, die minder gewrongen in elkaar zit, ook op constructief vlak. Je kan nog steeds door het gebouw lopen, van de ene naar de andere kant, maar het wordt niet benadrukt.

I.C.: Zij leggen de hoofdingang aan het park. De ingang langs de Schelde wordt secundair.

B.V.H.A.: Het nadeel is dat de uitzichten minder royaal zijn, net als de daglichttoetreding. Bovenbouw en Christ & Gantenbein concentreren zich op het kijken naar kunst, in eerder gesloten dozen. De uitzichten en de ramen lijken minder belangrijk.

I.C.: De theatrale zichten zijn gereserveerd voor een aantal exclusieve ruimtes, die ze zelf pompeus de sky rooms noemen: het restaurant, de kantoren en de seminarieruimtes. De zichten vanuit de tentoonstellingsruimtes zijn daarentegen zeer beperkt.

B.V.H.A.: Net daarom vind ik het gevelconcept van OFFICE en SO–IL prikkelend. Zij hebben een systeem bedacht dat in verschillende gradaties altijd daglicht toelaat, en altijd zichten naar buiten garandeert. Ze voorzien in driedubbel glas van een claustra – baksteenroosters met openingen – en gluurmetselwerk. Je krijgt een gevel uit twee lagen, of glas met een soort gordijn van bakstenen, en met variaties in doorzichtigheid en lichtdoorlatendheid.

C.V.G.: Het leidt tot een variatie op de white cube, omdat de wanden van de tentoonstellingsruimte als een patroon variëren. De muren zijn nooit zomaar volledig gesloten of volledig open. Dat lijkt me een uitvinding: je kijkt nooit alleen maar naar kunst, de buitenwereld wordt ook – gefilterd – toegelaten.

I.C.: In het juryrapport wordt het gevelconcept negatief geëvalueerd: ‘Overdag zorgen schaduwen van de claustra voor hinder en ’s avonds wordt je blik belemmerd door reflecties.’ Er is veel materiaal voor nodig, het lijkt moeilijk realiseerbaar, en het onderhoud zal ‘duur en moeilijk’ zijn.

P.T.: Dat lijkt me een stok om een hond mee te slaan. Ze werken samen met ingenieursbureau Bollinger+Grohmann, dus waarom zou het niet uitvoerbaar zijn?

B.V.H.A.: Die passages in het juryrapport tonen hoe nadenken over kijken, horen, voelen – het beschouwen van kunst op een bepaalde plek – niet aan de orde lijkt, hoewel het toch de essentie is van een museum. Het komt nauwelijks aan bod, en bureaus die er wel op inzetten – ook de ploeg van Robbrecht en Daem bijvoorbeeld – worden erop afgerekend omdat ze te traditioneel te werk zouden gaan.

 

Duurzaamheid

C.V.G.: De architecten werd natuurlijk ook gevraagd hoe het museum geconstrueerd zou worden, en met welke materialen. Wat veranderd is ten opzichte van pakweg tien jaar geleden is het ecologisch besef – architectuur speelt een rol in de klimaatcrisis, en architecten moeten zich daar rekenschap van geven als ze een nieuw gebouw ontwerpen. Het staat zo in het persbericht waarmee de winnaar van de tweede wedstrijd werd aangekondigd: ‘Sinds de vorige procedure in 2019 […] kwam duurzaamheid nog hoger op de agenda te staan.’

B.V.H.A.: De twee teams die bouwtechniek en ecologie tot een belangrijk onderwerp hebben gemaakt, zijn daarvoor alleszins niet beloond. De groep rond DRDH stelde voor om onderdelen en materialen uit het af te breken hof van beroep te hergebruiken, terwijl de groep rond Nauta Bedaux een CLT-structuur ontwierp, met cross-laminated timber (grote, massieve houten panelen met meerdere lagen) en met natuursteen en koolstofarm beton.

I.C.: De jury wilde daar duidelijk geen risico’s in nemen. Houtskeletbouw ‘in een hoogbouwcontext’ wordt in het rapport omschreven als ‘een uitdaging op het vlak van brandveiligheid en akoestiek’. Hergebruik wordt ‘risicovol’ genoemd omdat ‘het niet gegarandeerd is dat dit daadwerkelijk uitvoerbaar blijkt’.

P.T.: Dat begrijp ik. Toen ik de projectbundel van het team rond DRDH las, vroeg ik me af: hoe gaan ze dat doen? Het is heel ambitieus. Ze willen meer dan zeshonderd betonnen gevelpanelen uit het hof van beroep hergebruiken, maar ook bakstenen en glasplaten. Elementen die niet hergebruikt kunnen worden, willen ze vermalen om er dekvloeren en gevelonderdelen van te maken. Ook de leeszaal van Axel Vervoordt in het huidige M HKA willen ze verhuizen naar de nieuwe locatie. Delen van de fundering van het hof van beroep blijven behouden, maar tegelijkertijd willen ze een fundering plaatsen onder de Zuidersluis, zodat die volledig behouden kan blijven. De kans dat al die voorstellen slagen, is klein.

B.V.H.A.: Maar het is spannend, toch?

C.V.G.: Is het winnende project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw duurzaam – en duurzamer dan de andere ontwerpen?

P.T.: Het zal in elk geval lange tijd kunnen dienen, als het goed wordt uitgevoerd. Maar om nu te zeggen dat het een lage ecologische voetafdruk heeft…

I.C.: Het winnende team zet er veel minder op in dan bijvoorbeeld de groep rond DRDH en Nauta Bedaux, en eigenlijk ook minder dan OFFICE en SO–IL, die wel aangeven CO2-negatieve stenen te zullen gebruiken: stenen die uitdrogen in plaats van gebakken te worden, en die daardoor CO2 absorberen tijdens het uithardingsproces.

P.T.: Robbrecht en Daem kijken vooruit naar hergebruik van het gebouw in de toekomst. ‘Werkplekken, woonentiteiten – het zou zomaar kunnen,’ schrijven ze in hun bundel. Maar daarvoor heb je natuurlijk een robuuste betonnen structuur nodig.

B.V.H.A.: Duurzaamheid wordt vaak als argument gebruikt in het juryrapport, en sommige bureaus worden erop afgerekend omdat ze er te weinig aandacht aan besteden, terwijl andere teams worden bekritiseerd omdat ‘de focus […] te weinig ligt op duurzaamheid als onderdeel van de ontwerpopgave’. Ik vind dat soms inconsequent. Er wordt een groot gebouw voor dit nieuwe museum gesloopt en het resultaat moet een toren van tachtig meter zijn: is het dan niet hypocriet van een bouwheer om architecten te verwijten dat duurzaamheid geen ‘onderdeel van de ontwerpopgave’ is? Het is een belangrijk museum, het is een royale publieke ruimte, het is nieuwbouw – own it!

C.V.G.: Het kan zijn dat al die retorische aandacht voor duurzaamheid een manier is om de aandacht af te leiden van wat werkelijk een rol heeft gespeeld in de besluitvoering. Waarom hebben Christ & Gantenbein en Bovenbouw deze wedstrijd echt gewonnen?

B.V.H.A.: Ik denk dat de volumetrie van hun project opvallender en extraverter is, het zet in op contrasten, en het is misschien ook aantrekkelijker voor een breed publiek. Wat ik wel grappig vind, om terug te komen op de opmerking van Wieërs over ‘spektakelarchitectuur’, is dat er uiteindelijk gekozen is voor een gebouw dat letterlijk een gigantische billboard is.

I.C.: Ik heb het gevoel dat het nek aan nek was tussen dit project en dat van OFFICE en SO–IL. Waarom heeft het team van Bovenbouw en Christ & Gantenbein uiteindelijk gewonnen?

P.T.: OFFICE en SO–IL hebben zich echt ver gewaagd door een gaas van stenen rond het gebouw aan te brengen. Dat is té bijzonder, het kan meer geld kosten dan voorzien, en het wordt als risicovol ervaren, terwijl de hele wedstrijd er net op gericht was elk risico te vermijden. Dat is een gevolg van de procedure: het ontwerp dat wordt gekozen, moet worden uitgevoerd.

C.V.G.: Je krijgt dus een wedstrijd waar veel gedoe aan voorafgaat – voorontwerpen, studies, regels, RUP’s – om dan een ontwerp te kiezen dat het liefst zo weinig mogelijk gedoe oplevert. Het project van Christ & Gantenbein en Bovenbouw is professioneel en realistisch, en de Zwitsers hebben al bewezen musea van deze schaal aan te kunnen.

B.V.H.A.: Je mag evenmin vergeten dat het Brusselse bureau Jaspers-Eyers deel uitmaakt van hun equipe. Zij zijn officieel verantwoordelijk voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Iemand heeft mij ooit gezegd dat Jaspers-Eyers bij opdrachtgevers functioneert als glijmiddel: ze garanderen dat alles smooth, binnen het budget en binnen de deadline wordt afgerond.

I.C.: Het zorgt ervoor dat Jaspers-Eyers het enige bureau is dat aan beide wedstrijden heeft deelgenomen, in 2019 met SANAA, en in 2024 met Christ & Gantenbein en Bovenbouw… En eigenlijk hebben ze twee keer gewonnen.

 

Safe

C.V.G.: Met een lichte overdrijving is dit de belangrijkste architectuurwedstrijd in België van de afgelopen vijftig jaar – sinds de competitie voor het Sea Trade Center in Zeebrugge in 1989, dat weliswaar nooit is uitgevoerd. De wedstrijdcultuur is sindsdien danig veranderd, en alles is complexer geworden. Je moet samenwerken met een ander bureau omdat je anders geen kans maakt én je moet in zee gaan met zowel een aannemer als een bureau voor ‘risicobeheer’ en ‘budgetcontrole’. Je moet ervaring hebben met het type gebouw dat gevraagd wordt. Er is al een voorontwerp gemaakt op basis van allerlei voorstudies, en er zijn talloze technische, budgettaire en ecologische aspecten waarvoor je zal worden geprezen of die tegen je gebruikt zullen worden.

P.T.: Er is zeker een sterke bureaucratisering merkbaar, die maakt dat risico’s worden vermeden, waardoor echt avontuurlijke ontwerpen zeldzaam geworden zijn. Vorm, ontsluiting, beeld, hoogte – dat is allemaal uitgeschreven, dat staat zwart op wit op papier. Maar waar het M HKA naartoe gaat – wat voor een museum het is, ook binnen het Vlaamse landschap, met welke collectie – dat blijft onduidelijk. Toch is het onmiskenbaar zo dat een museum werkelijk belangrijk wordt dankzij de collectie en de expertise. Het is een beetje dwaas om te geloven dat een museum belangrijk zal worden door de architectuur ervan, al zeker niet op deze gewrongen locatie.

C.V.G.: Net die aspecten komen door de reglementering en de retoriek weinig aan bod.

P.T.: De reglementering moet de inhoudelijke vaagheid verstoppen en de indruk wekken dat er goed over is nagedacht. Waar ik mij aan geërgerd heb bij het doornemen van de ontwerpbundels is de aandacht die noodgedwongen gaat naar al die dingen die niks met kunst te maken hebben: een restaurant, een cafetaria, een auditorium, ontmoetingsplekken, een museumshop… En dan worden sommige architecten bekritiseerd omdat ze iets ontworpen hebben dat op een winkelcentrum lijkt, terwijl daar in het programma net om gevraagd wordt!

I.C.: Daar hadden we het al over: van een museum wordt vandaag verwacht dat het veel meer is dan een plek waar je naar kunst kan kijken. Het moet een gebouw zijn waar iedereen, om heel uiteenlopende redenen, naartoe wil komen – iedereen is welkom, dat soort retoriek. Het wordt beschouwd als een doorslaggevend argument, vermoed ik, om een dergelijk groot en duur gebouw te kunnen realiseren.

P.T.: Ik vind dat geen goed argument. Het percentage tentoonstellingszalen, ook in het winnende ontwerp, is bovendien relatief klein. Wat zal daar te zien zijn? Welke kunst gaan ze tonen? Welke tentoonstellingen gaan ze maken?

B.V.H.A.: Dat zijn vragen waar de architecten niet op kunnen antwoorden.

P.T.: Nee, maar ze zouden kunnen ingaan tegen de uitgangspunten van de wedstrijd, en een contre-projet maken. Door te stellen: het is best mogelijk wat jullie vragen, maar wij doen een voorstel dat toont waar een belangrijk museum vandaag op neerkomt. Alle deelnemers aan de wedstrijd, ook Christ & Gantenbein en Bovenbouw, ook OFFICE en SO–IL, zijn daarin heel opportunistisch.

C.V.G.: Ze willen de wedstrijd winnen, wat – als je een architectuurbureau in stand wil houden – niet onbegrijpelijk is.

P.T.: Natuurlijk. Maar je kan als architect je eigen voorwaarden stellen, en het programma herschrijven.

C.V.G.: Het toont dat het probleem structureel en maatschappelijk is: de bouwheer wil geen gedoe, maar de architect ook niet. Iedereen speelt op safe. Voor gedoe is er vandaag geen geld, geen tijd, geen energie, geen zin.

B.V.H.A.: Ik denk dat er wel nog architecten zijn die risico’s durven te nemen. Maar het is zeker minder aan de orde: er is gewoon niet genoeg werk.

I.C.: Er wordt op alle beleidsniveaus bespaard. Ik denk dat architecten wel nog zin hebben om risico’s te nemen, maar ze hebben misschien gewoon die luxe niet meer.

C.V.G.: Bij de Belgische bureaus zal vast ook het idee hebben gespeeld: dit is de laatste kans. Een publiek gebouw in de vorm van een toren van 80 meter: welke overheid zal daar deze eeuw nog geld voor overhebben?

B.V.H.A.: We zijn nog maar een kwart ver in de eenentwintigste eeuw, ik zou niet wanhopen.

P.T.: Ik vrees dat het museum in Antwerpen, zodra het er staat, snel zijn glans zal verliezen, of binnen de kortste keren niet goed meer zal functioneren, ook omdat de kunst zal veranderen. En wat dan? Daarom vond ik het ontwerp van 51N4E en Caruso St John uit de wedstrijd van 2019 zo goed en zo logisch: een eenvoudige doos met neutrale open vloeren, waar je in principe om het even wat in kan onderbrengen.

I.C.: Zullen het succes en het voortbestaan van het M HKA niet vooral afhangen van het team en van de toekomstige directeur? Zodra het nieuwe gebouw klaar is, zal het museum zichzelf moeten heruitvinden en herdefiniëren.

P.T.: Maar ook dat kan je omkeren. Bart De Baere gaat volgend jaar met pensioen, na 25 jaar. Waarom mocht net hij over die nieuwbouw beslissen? Ze hadden beter een nieuw team vijf jaar laten proefdraaien in het oude gebouw, om dan met een echte projectdefinitie en een duidelijke toekomstvisie een nieuw museum te realiseren.

I.C.: Bovendien heeft De Baere uiteindelijk gekregen wat hij wou, al zijn er dan twee wedstrijden voor nodig geweest en heeft het meer dan zes jaar geduurd.

 

De ontwerpbundels voor de architectuurwedstrijden voor het M HKA van 2019 en 2024 kunnen geconsulteerd worden op de website van de Vlaams Bouwmeester.

 

PS

Deze gedachtewisseling over de architectuurwedstrijden voor het M HKA vond plaats in de kantoren van De Witte Raaf in Brussel op 22 augustus. De tekst werd afgewerkt op 2 oktober. Op vrijdag 3 oktober stuurde Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen Caroline Gennez (Vooruit) een persbericht de wereld in: ‘Gezien het beleid en de werking van het M HKA momenteel onvoldoende sterk staan, en gezien de groeiende onzekerheid over de bouwkosten, hebben we de beslissing genomen het project nu stop te zetten.’

Drie dagen later, op 6 oktober, werd een ‘Conceptnota hertekening landschap eigen museale instellingen en van de beeldende kunsten’ vrijgegeven. In dat document wordt de oprichting aangekondigd van een ‘nieuw Vlaams museum voor hedendaagse en actuele kunsten’ in Gent, ter vervanging van het SMAK én van het M HKA, dat ‘een andere opdracht’ krijgt. Het nieuwe museum zou samen met ‘het toekomstige KMSKA’ (waaraan Museum Hof van Busleyden uit Mechelen wordt ‘toegevoegd’) uitgroeien tot de ‘twee bakens’ ‘in het museale veld’, met MuZee in Oostende ‘als scharnier, als verbinder’. Na tien dagen van verzet en talloze opiniestukken tegen deze plannen zei minister Gennez op 16 oktober in het Vlaams Parlement: ‘Hou toch op met fakenieuws te verspreiden. Het M HKA gaat niet weg. Er komen voor zes miljoen euro investeringen om de huidige infrastructuur tot een broedplek voor actuele kunst te maken. Het M HKA en het SMAK gaan samen de Vlaamse kunstcollectie versterken.’

Het plan om de Vlaamse publieke kunstverzamelingen samen te smelten is nieuw noch onzinnig, maar dat wil niet zeggen dat het per oekaze kan worden afgekondigd. Een succesvolle fusie kost bovendien geld en is juridisch niet vanzelfsprekend. De Vlaamse kunstmusea in Gent, Antwerpen en Oostende kregen hun huidige vorm in de jaren tachtig, onder leiding van respectievelijk Jan Hoet, Flor Bex en Willy Van den Bussche. Het ging, letterlijk nog meer dan figuurlijk, om provinciale instituten. De museumdirecteurs mochten hun zin doen en volgens persoonlijke voorkeuren kunst aankopen. Tot coherente collecties heeft dat niet geleid, zoals in 1995 al in De Witte Raaf werd vastgesteld. De drie ‘conservatoren’ hadden bovendien een hekel aan elkaar, wat ertoe leidde dat de federalisering van het cultuurbeleid aan het eind van de twintigste eeuw voor een groot deel aan de beeldende kunsten voorbij is gegaan. Als één veld om middelen vragen aan het ‘nieuwe’ Vlaanderen – zoals de podiumkunsten, de letteren en de architectuur wisten te doen – is de beeldende kunst niet gelukt. In 2004 stelden Rudi Laermans en Pascal Gielen in hun boek Een omgeving voor actuele kunst reeds vast dat het geleid heeft tot een sector die als los zand aan elkaar hangt en – vooral – over een ontoereikende subsidiëring beschikt.

De voorbije decennia is die situatie er allesbehalve op verbeterd. Het nieuwe triumviraat – Philippe Van Cauteren, Bart De Baere en Phillip Van den Bossche – probeerde de voorgangers nog te overtreffen en leek op mysterieuze wijze voor het leven benoemd, met uitzondering van Van den Bossche, die in 2019 zelf ontslag nam. In zowel Gent, Antwerpen als Oostende is geprobeerd om met architectuur het eigen museum incontournable te maken. Alleen aan de Noordzee is dat gelukt, want dat de renovatiewerken van MuZee al een half jaar aan de gang zijn, kan deels verklaren waarom het ondertussen door Bruno Verbergt geleide instituut niet mee moet fuseren – hoewel dat de logische en doortastende strategie zou zijn geweest. De plannen voor een Vlaams Museum voor Hedendaagse Kunst hingen al van voor het aantreden van Gennez in de lucht, en het M HKA is een tijdje in de running geweest om het SMAK op te slokken. Dat plan is nu verijdeld dankzij particratie en stedenstrijd, wat niet wil zeggen dat er in het ‘socialistische’ Gent een toren voor kunst zal verrijzen. Over een depot voor al die kunstwerken is eveneens nog niks gezegd. In de ‘Conceptnota’ staat dat er 50.000 euro wordt vrijgemaakt voor ‘onderzoek depotnoden’ in 2026. Toch ligt net daar een sleutel: waarom niet de eigenheid van de verzamelingen in ere houden, maar ze laten ‘co-housen’ in één groot gebouw, dat vervolgens aantrekkelijk wordt voor zowel private verzamelaars die met hun collectie geen blijf weten als voor kunstwetenschappers die onderzoek willen doen? In dat geval kan het M HKA probleemloos voortbestaan, inclusief collectiepresentaties.

De vele vragen en onduidelijkheden wakkeren complottheorieën aan, net als onzekerheid en terechte verontwaardiging. Het enige wat momenteel vast lijkt te staan, is dat er ‘transitiemanagers’ zullen worden aangesteld om de verschillende instituten te helpen veranderen. Op basis van de vele besparingen die Gennez de afgelopen maanden heeft afgekondigd – haar kabinet begint elke werkweek ogenschijnlijk met het aanduiden van een nieuw slachtoffer, zoals de Cultuurprijzen van de Vlaamse Gemeenschap, de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, het tijdschrift de lage landen en het Emile Verhaeren Museum – is de indruk ontstaan van een cultuurminister die, veel meer dan haar voorgangers, cultuurvijandig is. ‘Met Gennez lijkt het alsof er een culturele klassenstrijd wordt gevoerd tegen ‘de hogere cultuur’,’ zo schreef Walter Pauli op 23 oktober in Knack. ‘Wat te elitair is, te intellectueel, te saai en te stoffig, maar evengoed te snob en te highbrow, hoeft blijkbaar niet echt te rekenen op Gennez.’ Het verweer voor de besparingen is dat de minister beweert ‘de kunstenaar’ te willen ontzien. Dat mag dan een drogredenering zijn – een kunstenaar is niks zonder middenveld of infrastructuur – het kan in het beste geval doen hopen dat het Kunstendecreet met alle subsidie-instrumenten wordt voortgezet, met dezelfde middelen, zodra het in 2027 afloopt. En ook dat is allesbehalve zeker, aangezien er zowel in België als in Vlaanderen regeringen aan de macht zijn, geleid door N-VA, die enerzijds de eigen inkomsten verder willen inkrimpen, en die anderzijds willen investeren in autosnelwegen, industrie en straaljagers.

Christophe Van Gerrewey

Zelfhaat en overmoed. 19e architectuurbiënnale in Venetië

Het eerste beeld in de catalogus van Intelligens. Natural. Artificial. Collective, de negentiende architectuurbiënnale van Venetië, is een diagram getiteld ‘Curatorial synapses’. Links staan de uitgangspunten: Space for Ideas en Other. Van daaruit vertrekken ragfijne lijntjes naar een kolom die onder het motto Diversity begrippen opsomt als Insights from the Global South, Female Leadership, Transnational, Refugee Perspective, LGBTQ Leadership, Multicultural Perspective,Under 35 Years Old, Student Leadership en Disability Perspective. Het is een opsomming die opduikt in veel agenda’s, hoewel Neocolonialism ontbreekt. Dat is opmerkelijk, want sinds Giorgia Meloni haar vertrouweling Pietrangelo Buttafuoco eind 2023 aanstelde als directeur van de biënnale, was te verwachten dat de organisatie zulke thema’s naar de coulissen zou verwijzen. In een volgende kolom verschijnen onder de hoofding Project Type alle gebruikte media: Exhibition, AV/VR Experience, Panel or Event, Image or Drawing, enzovoort. De kolom daarnaast is een lange lijst Keywords, gaande van Digital over Education tot Solidarity. De laatste kolom herhaalt de basisbegrippen uit de titel, onder de hoofding Intelligence.

Het spel van lijntjes lijkt inderdaad op een neuronaal netwerk met de begrippen als synapsen. Dat beeld is slim gekozen. Curator Carlo Ratti (1971), ingenieur-architect, wil in zijn tentoonstelling de vele vormen van intelligentie, digitaal of menselijk, zodanig op elkaar laten inwerken dat ze een nieuwe, circulaire en nature-positive ontwerppraktijk tot stand brengen of minstens voorafbeelden. Het nieuwe wereldomspannende neuronale netwerk is zo intelligent dat alle misvattingen en dwalingen in onze manier van bouwen en leven erdoor worden rechtgezet.

Toevallig opende gelijktijdig met de architectuurbiënnale in de Fondazione Prada in Venetië de tentoonstelling Diagrams, samengesteld door AMO/Rem Koolhaas. Een diagram, zo stelt de toelichting op die expo, ‘dient didactische (verklarende) of suggestieve (overtuigende) doeleinden’. Het diagram in de catalogus van de biënnale is duidelijk van de tweede soort. Het wil overtuigen. Ratti betoogt, nogal veralgemenend, dat de bouwindustrie de grote schuldige is in alles wat fout gaat – verantwoordelijk voor grofweg veertig procent van de materiaalverkwisting, voor luchtvervuiling en voor de vernieling van natuurlijke diversiteit – en daarom naar de catastrofe leidt. Architectuur kan volgens hem niet langer als vanouds een ‘mitigerende’ taak opnemen door mensen te beschermen tegen een vijandig klimaat. Architecten moeten zichzelf en hun discipline aanpassen en de mensheid voorbereiden op andere klimaat- en leefomstandigheden, door intelligenter dan voorheen om te springen met middelen en context.

Opmerkelijk is dat er nauwelijks een architecturaal begrip in het diagram van de curator voorkomt, alsof de ‘nieuwe’ architectuur als vanzelf zal voortkomen uit de levensvormen die ontstaan uit deze synapsen. Een determinerende rol spelen in de opbouw van een nieuwe samenleving, zoals de modernisten nastreefden, is voor architectuur niet meer weggelegd – al was dat natuurlijk een vorm van zelfoverschatting. ‘Door de dreigende klimaatcatastrofe is het tijd om de architectuur te reconstrueren,’ zo klinkt het in de toelichting bij de tentoonstelling, ‘te beginnen met de bouwstenen van het leven zelf.’ Daartoe moeten zoveel mogelijk disciplines worden aangesproken. Ratti gaat er prat op dat zijn open calleen enorm aantal voorstellen opleverde. Nooit werden volgens hem meer bijdragen verzameld op één architectuurbiënnale. De gevolgen zijn aanzienlijk. Het aanbod aan ideeën is eerder onoverzichtelijk dan groot, ondanks een toch weer binaire poging om orde te scheppen met de categorieën Natural en Artificial en, als derde, Collective.

Het is onmogelijk om binnen een bezoek met een realistische tijdsduur de beoogde verbindingen te leggen, zodat meteen onopgemerkt blijft dat de curator dat zelf al te weinig deed. Niet alleen is de informatie summier, elke bijdrage is bovendien een gesloten propositie: een onderzoek, ontwerp of visie zonder context. De voorstellen overlappen vaak, maar worden niet zo gepresenteerd dat uit verschillen of gelijkenissen inzichten ontstaan, vooral niet als de bijdragen elkaar tegenspreken. Toch volgen de toelichtingen een vast stramien, door te openen met een mengvorm van geloofs- en schuldbelijdenis: ja, het gaat slechter en slechter, en ja, wij zijn zelf verantwoordelijk, maar we gaan het beter doen. Daarop volgt een moment van hybris: aan een doorgaans partiële remedie, een lokale oplossing of methodiek, worden herstellende krachten toegedicht, als er al geen ‘poëtische’ visioenen aan worden ontleend.

Inzichten komen enigszins binnen bereik dankzij de essays in de catalogus. Bij aandachtige lezing blijkt echter dat Ratti ook daar de auteurs hun gang liet gaan. Het resultaat is een lukraak samengestelde reader die een algeheel gebrek aan coherentie aan het licht brengt, net als de afwezigheid van een scherpe vraag of van helder inzicht in de toekomstige rol van architecten. Een nieuw evangelie wordt beloofd, maar wat wordt aangereikt, is een bizarre mengeling van zelfhaat en zelfoverschatting.

Ook de contouren van een door nieuwe technieken en middelen aangesterkte praktijk tekenen zich niet af. Als het niet langer de tekening is (in de ruimste zin van het woord) die bepaalt dat iets als ‘architectuur’ begrepen kan worden, wat komt er dan in de plaats? Symbiose met, of inpluggen op ‘de natuur’? Het is een begrip dat merkwaardig nonchalant gehanteerd wordt, al wordt het vaak vervangen door het etiket ‘niet-humane wezens’. Maar waar blijft de culturele rol van de architectuur? Wat doet architectuur behalve processen begeleiden? De vraag welk onderwijs zou passen bij deze nieuwe architectuur komt niet eens aan bod, hoewel het op scholen is dat diverse visies getest worden en gestalte krijgen. Werkelijk verbijsterend is dat er nauwelijks gesproken wordt over de enorme middelen en budgetten die vereist zijn om tot een ‘andere’, klimaatadaptieve en ‘intelligente’ vorm van architectuur en stedenbouw te komen, noch over de vraag wat daar politiek en sociaal de gevolgen van kunnen zijn. Stilaan wordt duidelijk waarom Ratti zijn gang mocht gaan van Buttafuoco: door over kernvragen heen te schaatsen, heeft deze tentoonstelling maatschappelijk geen impact.

Intelligens. Natural. Artificial. Collective opent nochtans met twee verbluffende beelden. In de eerste, aardedonkere zaal is het drukkend heet en klinkt doordringend gezoem. Een plas water in het midden reflecteert het plafond. Meteen blijkt dat een enorme groep airco’s het lawaai, de hitte en de plas water veroorzaakt. Deze installatie van Transsolar, Bilge Kobas, Daniel A. Barber en Sonia Seneviratne, getiteld Terms and Conditions, weerspiegelt treffend de waanzin van een cultuur die klimaatonrust technologisch naar de achterkant van het bestaan verbant. In de tweede ruimte blokt The Other Side of the Hill, een zeer hoge, halfcirkelvormige, steil oplopende wand van biocementblokken, het zicht op de Corderie af. De steile helling representeert de groeicurve van de wereldbevolking tot ongeveer 2100. Aan de achterzijde toont een grotachtige, naar onderen uitlopende berg mosachtig materiaal de even snelle instorting, eens voorbij dat punt. Het groenige schuim stelt een wereld voor waarin bacteriële organisatievormen een model worden voor samenlevingsvormen tussen de mens en niet-humane levensvormen. In de catalogus stellen de makers van The Other Side of the Hill, Beatriz Colomina, Roberto Kolter, Patricia Urquiola, Geoffrey West en Mark Wigley: ‘De installatie reikt naar een alternatieve ethiek, naar een transcalaire, trans-species, collaborative plasticity, die zelf alleen maar intelligentie is.’ Het wekt veel vragen op, hoe imposant de installatie ook is. Het lijkt vooral een symbolische weergave van een idee, steunend op de fantasmagorie van sciencefiction. De gelijkenis met de theorieën van auteur Jeff VanderMeer is bijvoorbeeld treffend, maar een argumentatie voor hun stelling geven Colomina en co niet.

‘Natural’, het eerste deel van de tentoonstelling, bouwt voort op hetzelfde idee. Volgens de catalogustekst van Antoine Picon hebben we altijd al lessen getrokken uit de natuur: we ontleenden er vormen en technologische principes of inzichten in harmonische vormgeving aan. Tegelijkertijd werd technologie ingezet als een (extractieve) operatie op de niet-menselijke wereld. Volgens Picon hebben we het punt bereikt waarop technologie zich moet ontwikkelen als een symbiotisch verlengstuk van natuurlijke processen. Het gaat er dus niet om gebouwen vol te hangen met planten, maar om fundamentele integratie na te streven.

Daarvan zijn een aantal interessante voorbeelden te zien. Kengo Kuma toont met Domino 3.0 hoe verhoogde rekencapaciteit toelaat om ontwortelde bomen die na storm Vaia in 2018 overbleven, opnieuw samen te stellen tot dragende structuren. De titel verwijst naar Maison Dom-ino van Le Corbusier, een principe dat berustte op gestandaardiseerde elementen. Bij Kuma ontstaan daarentegen telkens weer unieke configuraties. Architecture as Trees/Trees as Architecture, een bijdrage gemaakt door het bureau OLA samen met een afdeling van de TU München, gaat nog een stap verder door bomen zo te laten groeien dat ze met staalbuizen een stabiele structuur vormen. Necto, een installatie van Mariana Popescu en TheGreenEyl (SO-IL), toont hoe met natuurlijke materialen indrukwekkende tentconstructies opgebouwd worden die Frei Otto naar de kroon steken. Impermanences Tractatus van New Territories_S/he_F.Roche plaatst daar sombere kanttekeningen bij, met even geraffineerde membraanstructuren van kwaadaardige algen. Toch is architecturale pyrotechniek geen vereiste: kleinere installaties geven aan dat bescheiden innovatieve technieken, net als aloude bouwwijzen zoals koele marmervloeren, al heel wat doen wat betreft klimaatadaptatie. Peter Pichler Architecture verwijst zelfs onbeschroomd naar voorouderlijke bouwwijzen, en beroept zich op Abbé Laugier.

Het kan dus twee kanten op. Of drie. Want in weerwil van Picons afwijzing van ‘planten op gebouwen’ wordt ook de lof geprezen van ACROS Fukuoka, een gigantisch cultuurcomplex in Fukuoka ontworpen door Emilio Ambasz, dat al in 1995 de deuren opende en dat volledig met bomen beplant is. Clima Realignment is dan weer een studie door Roofscapes Studio over de vergroening van Parijse gebouwen uit de tijd van Hausmann om hitte-eilanden tegen te gaan. Uiteraard is dat zinvol, maar het is een mitigatietechniek, en volgens Picon en Ratti volstaat dat niet langer. De Flotta Alberi van Bauhaus Earth zijn pas echt potsierlijk: drijvende bomeneilandjes op het Canal Grande in Venetië met een verondersteld adaptieve impact. Idem voor Le Nouvel KLCC van Jean Nouvel Ateliers: torens in het businessdistrict van Kuala Lumpur laten overwoekeren door planten neigt naar greenwashing.

Ensamble Studio reikt een poëtisch moment aan met Sun Stone: een zwevende, van binnenuit verlichte rots die een versmelting van aarde en zon voorstelt. Het is een schoolvoorbeeld van uitleggerige, tautologische pseudokunst, van een even grote banaliteit als Nature Trilogy van Li Hu en Huang Wenjing: promotiearchitectuur voor de superrijken. Organische vormen in beton zouden de bewoners volgens de aloude leer van het taoïsme in harmonie met de natuur laten leven. Ratti’s synapsen zijn hier niet op het appel. Hetzelfde geldt voor de tentoonstellingsarchitectuur, gebaseerd op een simplistische opvatting van een ‘andere’ architectuur: paneeltjes boordevol tekst en beelden, opgehangen aan door roest en ‘nieuwe levensvormen’ aangetaste staalprofielen. De betekenis van de projecten gaat vaak volkomen teloor. Recyparkvan 51N4E, voltooid in 2024, blijft bijvoorbeeld zonder de informatie op de website van het bureau onbegrijpelijk. Het is een zinvol project, dat ervoor pleit een recyclagepark een centrale plaats te geven in een woonwijk aan het Kanaal in Brussel, maar zonder voorkennis is dat op de biënnale nauwelijks te achterhalen.

Deze sectie van de tentoonstelling loopt als vanzelf uit in ‘Material Banks’, een overzicht van ‘nieuwe’ materialen, bijvoorbeeld biobased opgebouwd uit mycelium of uit gerecycleerde gebakken aarde. Zin en onzin lopen vaak in elkaar over. Eén installatie prijst eindeloos herbruikbare standaardelementen aan, alsof Rotor al niet jaren geleden aantoonde dat dergelijke systemen zelden hun belofte waarmaken. Elders wordt watergekoeld dubbel glas aangeprezen als oplossing voor oververhitting. Met minder glas bouwen is waarschijnlijk een te verregaande synaptische reflex.

Ook de volgende sectie, ‘Artificial’, over de zegeningen en gevaren van AI, lijdt onder een gebrek aan coherentie. Mario Carpo vraagt zich in de catalogus af hoe het beroep van architect zal evolueren wanneer machines even ‘goede’ ontwerpen produceren. Orit Halpern stelt de stekelige vraag wie smart cities financiert, hoe menselijke en niet-menselijke noden in balans te brengen zijn, en hoe het te rijmen valt met democratisch bestuur als systemen mensen dwingen zich aan data aan te passen, in plaats van na te denken over wat ze zelf willen. Van die pertinente vragen is in de tentoonstelling – een grabbelton van boeiende en minder boeiende, bekende en minder bekende, realistische en imaginaire onderzoeken en digitale systemen – weinig te merken. Co-Poiesis van Philip F. Yuan en Bin He toont hoe robotten hout van een verbrand bos bewerken en tegelijk leren dansen op ‘inheemse’ muziek. Een project van Gramazio Kohler, ETH Zürich, MESH en Studio Armin Linke simuleert hoe robots in de toekomst bouwwerken uitvoeren. Winy Maas en Federico Diaz voorspellen in Biotopia een uit zichzelf groeiende architectuur. Takashi Ikegami en Luc Steels onderzoeken of een robot zelfbewustzijn kan ontwikkelen.

De relevantste maar weinig spectaculaire bijdragen zijn te vinden in het derde deel, ‘Collective’. Vaak gaat het om concrete architectuur, ontworpen door architecten. Sterk is 10.000 Hours of Care van Lina Ghotmeh, een ontwerp voor ateliers van luxemerk Hermès in Normandië. Het is de eerste CO2-neutrale, energiepositieve fabriek in Frankrijk, gemaakt van bakstenen uit lokale klei. De titel verwijst naar een idee van Malcolm Gladwell: meesterschap in een ambacht vraagt 10.000 uur werk – ruwweg zes jaar dus. De ateliers zijn inderdaad een demonstratie van een vakmanschap dat je nog zelden ziet, en zeker niet in industriegebouwen. Dit gebouwde ontwerp is een pleidooi voor een werkelijk duurzame, zorgzame omgang met materialen, mensen en de natuurlijke context, maar het is ook onmiskenbaar architectuur: een werkstuk dat een emulatie is van eeuwenoude, zowel lokale als architectuurhistorische kennis, en een autonome vorm die de huidige bestemming als atelier van een luxemerk moeiteloos kan overleven. ‘De planeet’ wordt er niet door gered, maar er wordt wel een idee over ‘de wereld’ ontwikkeld.

De epiloog van de tentoonstelling, ‘Out’, logenstraft daarna alles wat in ‘Collective’ aan bod kwam. Dit deel exploreert de mogelijkheden om de aarde te verlaten voor pakweg Mars, als de grond ons letterlijk te heet onder de voeten wordt. Ook worden er voorstellen getoond voor een overlevingsarchitectuur als draagbare beschutting. Een voorstel voor een stad op Mars, leefbaar dankzij een beschermende koepel gevuld met water, een individueel drukpak of een datacentrum op de maan: het wordt zonder ironie voorgesteld als toekomstperspectief, met Oxyville, een compositie van Jean-Michel Jarre, als soundtrack. De biënnale wordt een beurs voor preppers of destructieve miljardairs. Om de klucht compleet te maken, wordt een Canal café geserveerd, een espresso gebrouwen met water uit de lagune. Met redders als Carlo Ratti heeft de aarde geen bedreigingen meer nodig.

Naar het voorbeeld van Rem Koolhaas in 2014, spoorde de curator de landenpaviljoenen aan om zijn thema uit te werken. Veel van de 65 deelnemende landen gingen akkoord, en hun voorstellen getuigen vaak van meer diepgang dan de hoofdtentoonstelling. Het Belgisch paviljoen gaat de uitdaging aan met een intrigerend idee. Building Biospheres van landschapsarchitect Bas Smets en neurobioloog Stefano Mancuso vertrekt vanuit de intuïtief onwaarschijnlijke gedachte dat planten, in het bijzonder bomen, een eigen agency hebben: ze kunnen omgevingscondities ‘lezen’ én sturen, met een voor mensen onvoorstelbare precisie. Voor bomen is dat levensnoodzakelijk, want zij kunnen niet weglopen als de omstandigheden tegenzitten. Met diverse systemen slagen ze erin hun omgeving zodanig te beïnvloeden dat ze beter gedijen.

In de catalogus spreekt Smets met diverse experts. Vooral de conversatie met Kathy Steppe en Dirk De Pauw is een eyeopener. Deze onderzoekers ontwikkelden methodes om het gedrag van bomen te monitoren met loggers die de variatie in stamomtrek en in het transport van sappen volgen. Ze stelden experimenteel vast dat bomen te ‘trainen’ vallen om gerichter en sneller suikers te produceren voor hun groei via fotosynthese. Het onderzoek toont aan dat bomen ‘lui’ worden door een CO2-rijk ‘dieet’, zoals in serres. Om bomen te trainen volstaat het om in te grijpen op omgevingsfactoren zoals watertoevoer, licht en ventilatie. Dat kan enorme gevolgen hebben voor de klimaatcontrole in gebouwen, doorgaans louter mechanisch georganiseerd door een combinatie van ventilatie, koeling, verwarming en isolatie. Als planten die gedijen bij een temperatuur van ongeveer 22 graden, een luchtvochtigheid van om en bij de 50 procent en een lichtsterkte van 300 tot 500 lux – omstandigheden waar ook mensen zich goed bij voelen – getraind worden om die omstandigheden te realiseren, in een gebouw, door sturing van licht, ventilatie en watertoevoer, kunnen ze de rol van mechanische airco overnemen. De energie die ze nodig hebben is een fractie van waar airco om vraagt.

De installatie in het Belgisch paviljoen neemt de proef op de som. Een terrarium met een zorgvuldige selectie van subtropische bomen en planten staat pal onder het daklicht van de centrale hal. In de annex toont een video in real time hoeveel licht, vocht en ventilatie de planten ‘vragen’ en ‘krijgen’ om het ideale klimaat op te wekken. Het is op deze locatie een enorme uitdaging, want het paviljoen warmt bij de minste zon ondraaglijk op. De crux van de installatie is echter vooral de paradigmashift, als een voorbeeld van de symbiose tussen technologie en ‘natuur’. Lisa De Visscher werd bovendien gevraagd om jonge ontwerpers te begeleiden om het principe van de Biosphere toe te passen. Panta (Stefaan Jamaer) ging aan het werk in het appartementsgebouw Pacific uit 1967 in Anderlecht, en zijn ingreep brengt een sociale, op de gemeenschap gerichte verandering teweeg in het gebouw. Elmēs (Thomas Mertens, Vinh Linh, Jochen Schamelhout) toont met een renovatieontwerp voor het iconische Glaverbel Building in Brussel dat het gebouw een tweede en beter leven kan krijgen als Biosphere. Twee duo’s, Steven en Lisa Mandelartz Schenk en Maud Gerard Goossens en Henri Uijtterhaegen, concentreerden zich op de praktische implementatie in verschillende klimaatzones en met diverse constructiemethodes.

Het Nederlandse paviljoen gaat over een thema dat Ratti aankondigde: LGBTQ Leadership. Curator Amanda Pinatih en social designer Gabriel Fontana stellen met A Space to Rethink Togetherness een alternatieve, queer vorm van sportbeoefening voor, in speciale sportcafés. Sport is een reflectie van normen die diep ingebed zijn in een samenleving, en die bepalen hoe sportfaciliteiten vorm krijgen. De vormgeving van het paviljoen maakt het punt echter niet waar. De jofele voorstellen voor alternatieve spelregels die de klassieke competitie in pakweg voetbal saboteren, lijken vooral op spelbederf. Hoe kan je spelen als de spelregels vertroebeld raken? Spel drijft op regels die de werkelijkheid tijdelijk tussen haakjes zetten. Ze kunnen zo een andere orde representeren, maar niet, zoals hier gesuggereerd, door regels op te heffen. Voorstellen voor alternatieve sportfaciliteiten, afgezien van een enigszins ironische bar, mankeren ook hier.

In het Scandinavische paviljoen van Sverre Fehn snijdt de gezamenlijke inzending van Finland, Noorwegen en Zweden een vergelijkbaar thema aan, maar dan strijdlustiger, door de modernistische standaardisering van de mens af te zetten tegen ‘afwijkende’ translichamen. De recalcitrante performances en installaties van Teo Ala-Ruona blijken een welgekomen antidotum voor het vaag humanistische discours van Ratti.

Recalcitrante stemmen zijn er ook elders. Het Oostenrijkse paviljoen krabt het vernis weg van het succesverhaal van de volkshuisvesting in Wenen, door erop te wijzen dat je ‘eigen volk’ moet zijn om toegang te krijgen tot die – uitstekende – voorzieningen. De vraag wordt gesteld of een injectie met de anarchie van Romeinse squat-initiatieven niet heilzaam zou zijn. Het Poolse paviljoen steekt de draak met de westerse obsessie met veiligheid, die blijkt uit talloze waarschuwingsstickers in gebouwen, die worden opgevoerd als een soort afgodsbeelden.

Het Duitse paviljoen laat dan weer een woedende stem weerklinken. Het collectief Stresstest evoceert met overdonderende filmbeelden hoe mensen lijden onder te veel hitte, en hoe toch steeds meer grond verdwijnt onder dikke lagen beton. Het paviljoen draagt daar – bekende – oplossingen voor aan, maar de essentie blijft toch die schreeuw. Het paviljoen van Bahrein, bekroond met de Gouden Leeuw, kaart hetzelfde probleem aan: arbeiden in moordende hitte is onmogelijk. De installatie toont echter hoe innovatieve technieken soelaas bieden. Let Me Warm You, de bijdrage van het Estse paviljoen, maakt dan weer op een geestige manier duidelijk hoe ingrepen om gebouwen en mensen te beschermen tegen een guur klimaat tot culturele amnesie kunnen leiden: Venetiaanse gebouwen en masse met dikke lagen isolatie inpakken zou verstrekkende gevolgen hebben. Hoe valt klimaatadaptatie te rijmen met cultureel en sociaal erfgoed?

Opmerkelijk is dat drie landen de zorg voor het eigen paviljoen als thema naar voren schuiven. Denemarken hergebruikt uitgebroken vloeren ter plaatse als tijdelijke tafels. Finland illustreert de zorg die steeds weer aan het nationale paviljoen, een klein meesterwerkje van Alvar Aalto, werd besteed. Het Zuid-Koreaanse paviljoen, het recentste in de Giardini, is een cadavre exquis van een bestaand gebouwtje en een nieuwe, lichte structuur met een dakterras. Suggestieve beelden en stemmen van sprookjeswezens schetsen een imaginaire geschiedenis van de Giardini.

Dat de wereld niet enkel lijdt onder klimaatrampen, maar ook onder oorlogsdreiging komt, ten slotte, aan bod in het paviljoen van Letland, ingevuld door SAMPLING (Manten Devriendt en Liene Jākobsone) en NOMAD (Marija Katrina Dambe en Florian Betat). Wat een zeer nabije oorlog fysiek en sociaal betekent voor de lange grensstreek tussen Letland en Rusland wordt in kaart gebracht. The Land Remembers, in het Libanese paviljoen, duwt bezoekers met hun neus op de catastrofale gevolgen van tientallen jaren oorlog. Dat Oekraïne zich concentreert op (traditionele) daken van huizen, vaak de laatste bescherming tegen bom- en droneaanvallen, zal evenmin iemand verbazen. Het zijn in alle eenvoud indrukwekkende getuigenissen van hoe de mens zelf vaak zijn eigen grootste bedreiging vormt.

 

Intelligens. Natural. Artificial. Collective, 19de Architectuurbiënnale, tot 23 november, Giardini, Arsenale, Forte Marghera, Venetië.

Verniet(s)igen. NADA-schilderijen van Thierry De Cordier

 

De diepte toont zich niet rechtstreeks, ze openbaart zich slechts door zich in het werk te verbergen.

– Maurice Blanchot[1]

 

Thierry De Cordier toont van april tot november in de Cisterna van de Prada Foundation in Milaan tien NADA-schilderijen. De Cisterna maken deel uit van een voormalige distilleerderij en bestaan uit drie identieke, aaneensluitende, kubusvormige ruimtes in grijs beton, met hooggeplaatste ramen en enkel natuurlijk licht, zonder buitenzicht, net zoals in een kapel of een kerk. De opstelling van de NADA-werken activeert de latente betekenissen van de architectuur. De Cordier heeft in de drie zalen vrijstaande volumes geplaatst van zes meter breed en zes meter hoog. In de twee zijkamers staan ze schuin, in de middelste dwars; samen vormen ze de figuur van een monumentaal retabel met geopende zijluiken. Op de langszijde van de drie nachtblauwe wanden hangen aan weerszijden monumentale werken, in de twee zijkamers zijn in de kopse kant van de volumes nissen uitgespaard voor kleinere werken. In de middelste ruimte is voor GRAN NADA (2007-2012) een zitbank geplaatst, en dit kijk- en rustpunt geeft het midden en het aandachtcentrum van de hele installatie aan.

De eerste NADA-schilderijen dateren van 2007, de twee recentste werken in de tentoonstelling werden begin dit jaar gemaakt. Het zijn steeds haast monochrome, verticale doeken, zwart, grijs of nachtblauw, en uitzonderlijk wit en goud. Het gaat niet om kleurvlakken of objecten, maar om liquidaties – in twee gevallen om de letterlijke overschildering – van een klassieke kruisiging. (Sommige doeken zijn hergebruikte, afgekeurde schilderijen waarvan nog sporen zichtbaar zijn.) Het NADA-project is gestart als een poging om het beeld van de gekruisigde Christus weg te schilderen en zo te vernietigen, en het kwam voort uit de lectuur van een passage van de Spaanse mysticus Sint-Jan Van het Kruis, wat blijkt uit de titel van de reeks (nada betekent ‘niets’) en uit het Spaans in de titels van sommige werken, zoals in ULTRA DEEP FIELD (Noche Oscura) uit 2024.

Er is niets dat alleen maar niets is en weinig doet: het is grijs, en grijs is tegelijk ondoorzichtig en spiegelend. Een grijs vlak spiegelt wat er rondom bestaat, het toont schaduwen en schimmen, maar de grijzigheid bevat niets, ze draagt of verbergt niets. Grijs is neutraal, zoals eertijds het testbeeld op de televisie. Het is het grijs van de monochrome Grey Paintings van Gerhard Richter – ‘het welgekomen en enige mogelijke equivalent voor onverschilligheid, vrijblijvendheid, afwezigheid van mening, afwezigheid van vorm’.[2] Maar er is ook een niets dat tegelijk iets is, en dat niets is donker en diep, met geheimen, zwart.

Het zwart bestaat in soorten: het is, vooreerst, Kuk, de Urfinsternis, ‘de chaotische oerdonkerte die zich verzet tegen het ontstaan van licht en daarmee tegen de kosmische orde, en die overwonnen moet worden vooraleer de wereld kan ontstaan’; de duisternis van de Allnacht of Urnacht uit de Noorse Ginnungagap, die aan de wereld en de schepping voorafgaat, de eerste materie, de oersoep of Urflut, de chaos die vormloos alles in zich draagt vooraleer er iets is, vooraleer er licht en kleur is en er dingen zijn.[3] Dit Begin, deze Gaping die aan alles voorafgaat, dit absolute Niets, is het zwart achter het blauwe wereldtheater van René Magrittes Les Mémoires d’un Saint, dat ook opdoemt in de stillevens van Juan Sánchez Cotàn en Adriaen Coorte.

En dan is er het duister in de wereld: het kosmische zwart, de nacht die wisselt met de dag en overgangen maakt – de schemering, het vallen van de avond, l’heure bleue net voor de zon opkomt, het ochtendgloren. Storm en dreigend onweer. En de vele vormen van trous noirs: de ingang van grotten, keldertrappen, tunnels en graven… ‘Bij het ontstaan van de wereld werd de duisternis als nacht in de kosmische wereldorde opgenomen.’[4] De wereldse donkerte is niet oppervlakkig en grijs, maar diep; het is zwart dat, zoals Goethe schrijft, raakt aan het blauw. Maar ‘daarom houdt de nacht vanaf het eerste moment van haar ontstaan de noodlottige mogelijkheid in zich dat de oerdonkerheid (Tamas) die erin is opgegaan, zich opnieuw zelf doet gelden’: de oerdonkerte, die zich in de nacht verschuilt, kan terugkeren.[5]

Het meest expliciete werk van de NADA-reeks, GREY NADA (2007-2012), is een anonieme barokke kruisiging die De Cordier overtekend heeft met grafiet. Het formaat van het schilderij – relatief smal en hoog, verticaal – verraadt de religieuze afkomst: een religieuze scène speelt zich immers, zeker in de barok, niet theatraal in de breedte af. De mystieke dynamiek is verticaal: altaarstukken dienen de registers van Beneden en Boven te verbinden. Maar het quasimonochrome beeld krijgt ook een onmiskenbaar religieus aspect doordat de onderliggende voorstelling – zeer subtiel, bijna onmerkbaar – na de overschildering nog doorschijnt: zie de kruisbalk, zie de gespreide armen. Het werk weifelt zo tussen een overschildering, tussen het wegschilderen en verniet(s)igen van het eerste beeld – Crucifictions, no more is de titel van een ets van De Cordier uit 2005 – en een bewerking en verheviging van de onderliggende kruisiging, die de duisternis, een essentiële component van het lijdensdrama, overneemt en versterkt.

De iconografie van de kruisiging behelst de keuze tussen een verhalende en een dramatische voorstelling. De oudste, verhalende voorstelling vertelt zoveel mogelijk in één synthetisch beeld; meerdere onderdelen en momenten van het lijdensverhaal worden opgenomen, zodat een horizontaal formaat en een brede scène worden gekozen. Want het gaat om Christus, maar ook – zoals in de vertelsels van Fra Angelico of Andrea Mantegna – om de goede en de slechte moordenaar, de dobbelende soldaten, de bedroefde vrouwen, Jozef van Arimatea en Nikodemus, om de lans met de spons… De dramatische voorstelling daarentegen legt de nadruk op één essentieel moment; zonder nevenintriges wordt de figuur van Christus geïsoleerd samen met enkele bijstanders, zodat de gelovige kijker frontaal met de gebeurtenis wordt geconfronteerd. Bepalend voor de kruisigingsiconografie is ook de situering van het drama. De narratieve, laatmiddeleeuwse traditie toont de Calvarieberg, een landschap op de achtergrond met Jeruzalem in de verte, soms het graf dat nog leeg is, soms een vergulde hemel of gouden achtergrond. De dramatische voorstelling, veelal barok, kiest meestal voor een verticaal formaat. De plaatsbepaling wordt tot een minimum beperkt, maar er is wel aangeduid wanneer en in welke omstandigheden de kruisiging gebeurt. Volgens de drie synoptische evangeliën werd immers, voorafgaand aan de dood van Christus, van het zesde tot het negende uur de zon verduisterd en viel er duisternis ‘over het land’ (of ‘over de wereld’). Die donkerte duurde tot Hij de geest gaf. Toen scheurde de voorhang van de tempel middendoor, zodat het goddelijke, dat daar altijd achter het doek ongezien bleef, geopenbaard werd. Volgens Lukas gebeurde dat al net iets vroeger, volgens Mattheus heeft bij Zijn dood ook de aarde gebeefd en stonden de doden op uit hun graf. De barokke schilder, die geen verhaal, maar een dramatische gebeurtenis schildert, moet ook situeren en de omstandigheden weergeven, en dat impliceert dus zeker die Finsternis Jesu – de duisternis die over het land kwam. Veel negentiende-eeuwse evangelie-interpretaties, begaan met de historische waarheid van de Christusfiguur en van het lijdensverhaal, beschouwen deze duisternis als een uitzonderlijk natuurfenomeen en zoeken bijzondere natuurlijke verklaringen (onweer, een zandstorm, een eclips…) of besluiten dat het toch om een mirakel ging.[6] Veel schilders hebben de ‘kruisigingsduisternis’ eveneens opgevat als een dramatisch natuurfenomeen, en hebben onheilspellende onweersluchten geschilderd – van Jacob Jordaens tot Eugène Delacroix. Maar dikwijls laten ze de dreigende onweershemel overgaan in, of zelfs bijna geheel opgaan in, een onnatuurlijk dicht, egaal, opaak zwart, zoals bijvoorbeeld Matthias Grünewald, Giovanni Lanfranco of Esteban Murillo…

Bij sommige vroege, nog picturaal bijna naïeve voorstellingen worden de onheilspellende onweerslucht en het egale zwart naast of bovenop elkaar gezet, zoals bij Andrea del Castagno, Annibale Carracci of Gaspar de Crayer. De intrusie van dat absolute zwart in het beeld past bij recentere, symbolische interpretaties van deze evangeliepassage als een ‘chaosstrijd’: de evangelist intensifieert de gebeurtenis door het verlies van het licht te beschrijven als de dreigende ineenstorting van de schepping tijdens de lijdensweg, en de nakende terugkeer van de tijdloze Urnacht, van de Duisternis van vóór het Begin, vooraleer er ‘iets’ was.[7] Of, waarschijnlijker, als het wijken van het licht tijdens Christus’ agonie, dat de absolute duisternis van het Begin oproept. Het is inderdaad opmerkelijk hoe, in de steeds zeer stereotiepe en conventionele voorstellingen van de kruisiging, de plaatsbepaling wél varieert, en de verschillen zeer beeldbepalend blijken. Sommige schilders – El Greco, Rubens – proberen beide uit en maken twee versies… De overschilderingen van De Cordier bedekken niet zomaar de kruisiging, maar verbinden onvermijdelijk de deklaag met de diepte en de donkerte in het beeld, en halen die naar voren.

De nagenoeg monochrome NADA-schilderijen zijn geen voorbeelden van abstracte of conceptuele kunst. Het schilderij is geen object, het is een beeld. Het vlak opent een beeldruimte. Het zwart is diep, men moet niet naar, maar inhet zwart kijken, daar is iets te zien, namelijk niets, nada. En NADA is tegelijk de titel van het werk en een opschrift, een onderdeel van het beeld, dat de plaats inneemt van INRI (Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum), of het opschrift met de naam van de misdadiger bij Romeinse kruisigingen. Dat opschrift, en de titels van de werken, roepen evenwel nog een ander soort van donkerte op – niet de nacht die bij de wereld hoort, en niet de mythische duisternis van het Begin. Die vormen de grondstof van andere reeksen werken in het oeuvre van De Cordier, zoals de terre/mère en de mer/mère-landschappen. Er is naast het zwart van de kosmische en mythische nacht echter ook de donkerte van het Niets dat verschijnt wanneer men de ogen sluit voor de wereld. Er is het zwart van de mystieke inkeer: ‘Want hoe dichter de ziel Hem nadert,’ schrijft Juan de la Cruz in 1579 in Subdia del Monte Carmelo, ‘hoe zwarter is de duisternis die zij voelt en hoe dieper is de verduistering die voortkomt uit haar zwakheid.’ Bidden is als een onderdompeling in donker water, de ziel vindt God in die zwarte ondoorzichtigheid: ‘Goed verborgen en goed beschermd is de ziel in deze donkere wateren, wanneer zij dicht bij God is. Want zoals deze wateren dienen als tabernakel en woonplaats voor God zelf, zo zullen zij ook de ziel dienen op dezelfde wijze en voor een volmaakte bescherming en veiligheid, hoewel zij in duisternis blijft, waarin zij, zoals wij hebben gezegd, verborgen en beschermd is tegen zichzelf en tegen alle kwaad dat van schepselen komt.’

Juan de la Cruz schrijft in zijn negatieve theologie dat elke voorstelling van het goddelijke met enige vorm of duidelijkheid net daarom al beperkend en vals is; het is in het innerlijk aanschouwen van nada dat de ziel het dichtst mogelijk het goddelijke nadert: ‘Opdat de twee uitersten, de ziel en de goddelijke Wijsheid, verenigd kunnen worden, zullen zij tot overeenstemming moeten komen door middel van een zekere gelijkenis. Als gevolg daarvan moet ook de ziel zuiver en eenvoudig zijn, onbegrensd en niet gebonden aan enige specifieke kennis, en niet beïnvloed door de grenzen van vorm, soort en beeld. Aangezien God niet kan worden omvat door enig beeld, enige vorm of enige specifieke kennis, mag de ziel, om met hem verenigd te kunnen worden, niet worden beperkt door enige specifieke vorm of kennis.’[8] Geen ding, niet iets, dus niets.

Er is een bijzondere (Spaanse) traditie in de kruisigingsiconografie, waarin het beeld niet diep, atmosferisch en dramatisch-dreigend is, maar geheel sereen en egaal zwart, en enkel de Gekruisigde toont, geïsoleerd, tegen de zwarte fond, als een geschilderd crucifix. Deze schilderijen stellen geen dramatische gebeurtenis of tafereel voor, het zijn haast iconen, zoals de Christus aan het kruis bij Francisco Goya, Alonso Cano, of de versie van Diego Velázquez. Soms wordt Christus in dat geval voorgesteld, niet met treurende vrouwen en Johannes, maar samen met de biddende ziel of opdrachtgever zelf, wakend bij de lijdende. Deze schilderijen stellen niet een gebeurtenis voor, maar de intieme ontmoeting van de ziel met de Verlosser – Francisco de Zurbaráns Christus gekruisigd met donor en in het bijzonder diens Kruisiging met een schilder. Deze merkwaardige mix van het motief van de schilderende evangelist Sint-Lucas en de mythe van Pygmalion maakt duidelijk dat deze lijdende Christus niet werelds-werkelijk is, maar een visioen of een krachtig devotiebeeld vervaardigd door de schilder, met in dit geval het zwarte NADA als het tegendeel van de wereld.[9]

Maurice Blanchot gebruikt, in enkele essays in L’Espace littéraire, de metaforiek en de symboliek van de nacht. Zijn onderscheid tussen ‘la première nuit’ en ‘l’autre nuit’ of ‘la nuit essentielle’ overlapt met de soorten duisternis volgens de traditionele mythologie van de nacht. De ‘eerste nacht’ is de kosmische nacht, het tegendeel van de dag en dus deel van de Wereld, de nacht waarin men slaapt, enigszins geborgen is, en waaruit men wakker wordt. ‘Het is de dag die de nacht maakt. […] De ‘eerste nacht’ behoort nog tot de wereld en, via de wereld, tot de waarheid van de dag.’[10] De andere nacht van Blanchot, ‘het heilige zelf, de nacht in zijn ondoorgrondelijke diepte’, is zijn versie – of veeleer zijn vervanger – van de mythische Urfinsternis, een fusie van de mythische oorspronkelijke Chaos en de afgrond van het ‘Grote Buiten’ als term van ‘l’experience intérieure’.[11] In zijn geseculariseerde versie van de ervaring van de afgrondelijkheid, van het Begin, dat voor hem het schrijven en het ‘oeuvre’ uitlokt en steeds laat mislukken, schuift de mythische Donkerte op de plaats van, en muteert in, het donker van de gesloten ogen en de inkeer: ‘Wat verschijnt in de nacht is de nacht die verschijnt. […] Het onzichtbare is wat men onophoudelijk ziet.’[12] Hierin berust inderdaad de uitdaging en de kracht van deze misleidend ‘monochrome’ cyclus Andachtsbilder van De Cordier: uiteindelijk maakt het geen verschil meer de NADA’s te zien met open of gesloten ogen.

 

NADA. Thierry De Cordier, tot 29 september, Fondazione Prada, Milaan. Een Engelse en Italiaanse vertaling van een eerdere versie van deze tekst verscheen in: Quaderni Fondazione Prada, nr. 39, 2025, pp. 2-12.

 

Noten

1. Maurice Blanchot, ‘De blik van Orpheus’, in: De Revisor, nr. 2, 1993, p. 46, vertaling Paul Huigsloot en Jacqueline Oskamp.

2. Gerhard Richter, ‘From a letter to Edy de Wilde, 23 February 1975’, in: Hans-Ulrich Obrist (red.), Gerhard Richter. The Daily Practice of Painting. Writings and Interviews 1962-1993, Londen, Thames & Hudson, 1995, pp. 82-83.

3. Ernst Thomas Reimbold, Die Nacht im Mythos, Kultus, Volksglauben und in der transpersonalen Erfahrung. Eine religionsphänomenologische Untersuchung, Keulen, Wison, 1970, p. 63.

4. Ibid., p. 97.

5. Ibid.

6. Sebastian Killermann, ‘Die Finsternis beim Tode Jesu’, in: Theologie und Glaube, nr. 33, 1941, p. 165; Urbanus Holzmeister, ‘Die Finsternis beim Tode Jesu’, in: Biblica, nr. 22, 1941, pp. 404-411; Arne Eickenberg, Die sechste Stunde. Synopsen zum historischen Ursprung der Wunder und Naturkatastrophen in der Passion Christi, Kiel, Ludwig, 2015, pp. 29-51.

7. Dominic Rudman, ‘The Crucifixion as Chaoskampf. A New Reading of the Passion

Narrative in the Synoptic Gospels’, in: Biblica, nr. 84, 2003, pp. 102-107; Richard Carrier, ‘Thallus and the Darkness at Christ’s Death’, in: Journal of Greco-Roman Christianity and Judaism, nr. 8, 2012, pp. 185-191.

8. Zie ook: Richard P. Hardy, ‘The Hidden God and Juan de la Cruz (1542-1591)’, in: Ephemerides Carmeliticae, nr. 1, 1976, pp. 241-262.

9. Lisandra Estevez, ‘The Artist as Visionary in Francisco de Zurbarán’s Crucifixion with a Painter’, in: The Sixteenth Century Journal, nr. 4, 2019, pp. 1033-1062. Zie ook: Victor Stoichita, Visionary Experience in the Golden Age of Spanish Art, Londen, Reaktion Books, 1995.

10. Maurice Blanchot, ‘Het Buiten, de Nacht’, in: Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate en Frank Vande Veire (red.), Het wakende woord. Literatuur, ethiek en politiek bij Maurice Blanchot, Nijmegen, SUN, 1997, p. 51, 53, vertaling Paul Huigsloot.

11. Op. cit. (noot 1), p. 48.

12. Op. cit. (noot 16), p. 47.

De kunst van het moederschap. ‘Good Mom/Bad Mom’ in Utrecht

Aan het begin van de tentoonstelling Good Mom/Bad Mom valt mijn oog meteen op een kleurrijk schilderij. Ik schiet in de lach, nog zonder de titel te hebben gelezen. In een roze kamer zit een in het roze geklede vrouwfiguur op bed, met een groen gelaat en een zwarte snor. Haar grote handen rusten in haar schoot. Uit de houding en de gitzwarte ogen van de vrouw spreekt onthutsing. Zelfportret als moeder (2022) maakt deel uit van een serie waarin Tanja Ritterbex haar leven als kunstenaar en als moeder thematiseert, onopgesmukt en humoristisch. Ondanks de roze weldaad in het schilderij presenteert ze een ander artistiek beeld van het moederschap dan we gewend zijn. Curatoren Laurie Cluitmans en Heske ten Cate plaatsten dit zelfportret op de eerste zaalwand, samen met eeuwenoude serene voorstellingen van een vrouw (Maria) met een kind aan de borst. Met deze combinatie van oude en hedendaagse kunst zetten ze de programmatische lijnen van Good Mom/Bad Mom op scherp: de geïdealiseerde verbeelding van het moederschap in werk van overwegend mannelijke kunstenaars, versus een rijkgeschakeerde veelheid aan geleefde werkelijkheden rond moederschap en moederen, van vooral vrouwelijke, hedendaagse kunstenaars.

Met de keuze voor dit thema en aanverwante onderwerpen zoals twijfel, abortus, adoptie, zelfbeschikkingsrecht, (on)vruchtbaarheid, verlies, ongelijke taakverdeling, en – last but not least – de precaire relatie tussen kunstenaar- en moederschap, wordt duidelijk waarom een tentoonstelling als deze zo belangrijk is: de kunstgeschiedenis staat, net als de media, bol van ideaalbeelden waaraan vrouwen zich eeuwenlang mochten spiegelen, zodat ze zich al dan niet tekort voelden schieten. De sociale, emotionele en fysieke beleving kreeg daarentegen zelden serieuze aandacht, laat staan een plek in de canon.

Een mooi voorbeeld is het in 2021 boven water gekomen Die schwere Stunde uit 1908 van de Duitse kunstenaar Charlotte Berend-Corinth, dat in Good Mom/Bad Mom niet had misstaan. Het gaat om de voorstudie van een groot schilderij dat werd getoond op de vijftiende Berliner Secession in 1908 en dat na afloop werd verworven door gynaecoloog Paul Strassman. Die schwere Stunde werd tijdens de Tweede Wereldoorlog vernietigd, maar de voorstudie bevindt zich in de collectie van het Lentos Kunstmuseum in Linz en werd in 2021 getoond op de tentoonstelling Charlotte Berend. Wiederentdeckt! in Saarbrücken. Berend-Corinth verbeeldt de bevalling van haar eerste kind in krachtige, expressionistische verfstreken. De heftigheid wekt de indruk dat de barensweeën nog uren zullen duren. Ongekend, aangrijpend, indrukwekkend! Datzelfde geldt voor het schilderij Bosgod (1966) van Lotti van der Gaag, dat wel in Good Mom/Bad Mom is opgenomen. Jarenlang werd het uitsluitend stilistisch geïnterpreteerd volgens de kenmerken van Cobra-kunst, totdat kunsthistoricus Willemijn Stokvis een nieuwe betekenis ontsloot: de gesticulerende figuur verbeeldt de traumatische abortus die Van der Gaag onderging toen ze ongewenst zwanger was.

Het moederperspectief staat volop in de belangstelling in de beeldende kunst, maar ook in toneel, film en literatuur. Op dit moment loopt in Düsseldorf Mama. Von Maria bis Merkel. Hettie Judah organiseerde in 2024 Acts of Creation. On Art and Motherhood, een expo die door Engeland reisde. Al in 2022 verscheen haar boek How Not to Exclude Artist Mothers (and Other Parents), en Judah stelde richtlijnen op voor kunstinstellingen, waarin ze onder andere wijst op de dominante rol van de abstracte en conceptuele kunst die de persoonlijke ervaringen van kunstenaars buitensluit. Modemuseum Hasselt presenteerde in 2024 de door Eve Demoen en Karen Van Godtsenhoven gecureerde expo M&Others, waarin kleding centraal stond in relatie tot zwangerschap, net als de verzorgende arbeid van moeders en andere moederende personen (zie De Witte Raaf, nr. 231). Moederschap in relatie tot kunstenaarschap speelde een grote rol in de reizende tentoonstelling Women in Revolt! Art and Activism in the UK 1970-1990 uit 2023. In 2021 verscheen het door Michelle Millar Fisher en Amber Winick samengestelde boek Designing Motherhood. Things That Make and Break Our Births, dat gepaard ging met tentoonstellingen en met een invloedrijk account op Instagram (zie De Witte Raaf, nr. 219). Marisa Sage en Laurel Nakadate organiseerden in 2020 Labor. Motherhood & Art in New Mexico. Karen Hearn cureerde in 2020 Portraying Pregnancy. From Holbein to Social Media in Londen. Birth was een groepstentoonstelling samengesteld door Charlotte Jansen in 2019, eveneens in Londen. In hetzelfde jaar liet curator Toos Arends in De Nieuwe Kolk in Assen in De Moeder De Vrouw zien hoe de representatie van vrouwen in de kunst tussen 1885 tot 2014 is veranderd. En dit is slechts een kleine greep…

Vrouwelijke kunstenaars hebben zonder twijfel het voortouw genomen in deze ‘opleving’. In interviews lees je regelmatig over de no go area, zoals Helen Verhoeven het noemt (bijvoorbeeld in een gesprek met Daniël Rovers in De Witte Raaf, nr. 220), over de angst om niet serieus genomen te worden (Kinke Kooi), over schaamte (Femmy Otten) en over een ‘stiekem taboe’ dat doorbroken moest worden (Tanja Ritterbex). Want op de kunstacademie wordt hun ontraden te trouwen en kinderen te krijgen omdat het hun carrière zou schaden. De impliciete boodschap is dat kunst maken zoveel energie en toewijding vergt dat er geen ruimte overblijft voor zoiets ‘banaals’ als het zorgen voor een kind. Een zinnetje dat in dit verband vaak wordt aangehaald, komt van Cyril Connolly, die in Enemies of Promise uit 1938 schreef: ‘Er is geen somberder vijand van goede kunst dan het wiegje op de gang.’ Vooraleer professionele kinderopvang beschikbaar werd in de jaren zestig, als onderdeel van de verzorgingsstaat, brachten vrouwelijke kunstenaars hun kinderen vaak onder bij familie.

Dit onderwerp werd in de kunsten al decennialang aangekaart, vaak met kritiek en afwijzing tot gevolg. De feministische Goddess Movement uit de jaren zeventig werd begin jaren tachtig bijvoorbeeld neergesabeld als een verondersteld essentialistische beweging. Pas sinds 2000 is er sprake van een paradigmawissel. Angst en schaamte maken plaats voor een soort bravoure en onbevreesde openheid. Sharon Butler vatte in 2008 de nieuwe houding samen onder de term Neo-Maternalism. Veertien jaar later luidde de kop van een essay van Louisa Buck in The Art Newspaper: ‘From Career Suicide to Cause for Celebration. How the Art World is Finally Embracing Parenthood’. Hoewel jonge vrouwelijke kunstenaars steevast ook hun ambivalentie ten aanzien van het moederschap uiten – wie zal er het vuilnis ophalen na de revolutie, vroeg Mierle Laderman Ukeles in 1969 – hebben ze steeds vaker lak aan de ongeschreven gedragscode dat kunstenaarschap en moederschap niet samengaan. Ze stellen zich in groten getale activistisch op. Internationaal verrijzen de netwerken als paddenstoelen uit de grond, waaronder Artistic Care Revolution Now! en Motherhood Art Network. In symposia en tijdens evenementen wordt een fair share geëist voor kunstenaars die ook moeder zijn en wordt er aandacht gevraagd voor het brede spectrum van moederen. Moederschap blijkt een kunstenaarscarrière niet in de weg te staan. Integendeel zelfs. Het fotoboek Sorry I Gave Birth I Disappeared But Now I Am Back uit 2022 van de Hongaarse Andi Gáldi Vinkó was in no time uitverkocht. De Nederlandse Lara Schnitger draait er niet omheen in een geestige sculptuur, al uit 2005, gemaakt van geruite pyjamastof met daarop in grote letters I want kids. De Finse Katharina Bosse fotografeert zichzelf en haar kind naakt in de vrije natuur in de fotoserie A Portrait of the Artist as a Young Mother (2005-2008). De Amerikaanse Lisa Baraitser en Sigal Spigel initiëren in 2007 het netwerk Mapping Maternal Subjectivities, Identities and Ethics (MaMSIE). Jennifer Wroblewski organiseert in 2009 Mother/mother-*, met werk van kunstenaressen die net moeder zijn geworden, in A.I.R. Gallery in Brooklyn. Marni Kotak bevalt van baby Ajax voor het oog van bezoekers in de Microscope Gallery in New York op 25 oktober 2011; Lenka Clayton benoemt zichzelf in 2012 tot officiële ‘Artist in Residence in Motherhood’ – een residentie die plaatsgrijpt in haar eigen huis en aanvangt met de geboorte van haar kind. Dit project inspireert Csilla Klenyánszki om Mothers in Arts Residency te organiseren, in 2017 in Amsterdam. Als kersverse moeder nodigt zij na een open call (meer dan honderd moeders reageren) drie kunstenaars uit die met hun kinderen drie maanden te gast zijn. Klenyánszki bekostigt het project met een individuele werkbeurs van het Mondriaan Fonds. In Rotterdam initieert de Finse Deirdre Donoghue m/other voices: tussen 2013 en 2015 wordt tijdens drukbezochte bijeenkomsten gereflecteerd over ‘the maternal figure as a thinker and a producer of knowledge’. ‘Maternal’ gaat dan niet alleen over het fysieke moederschap, maar wordt ook als een praktijk opgevat, als een voorbeeld van ‘ultimate hospitality towards ‘the other’’. Tijdens een symposium presenteert de Deense Lise Haller Baggesen het manifest Mothernism (2014). Een gelijknamige nomadische multimedia-installatie reist al jaren de wereld rond, en is nu ook weer op glorieuze wijze aanwezig op de tentoonstelling Good Mom/Bad Mom. Met discoballen, verhalen, een hangmat; met tekst en met kleurrijke vlaggen kaart zij het ‘moedervormige gat’ in de kunstgeschiedenis en in de kunstwereld aan. Al deze initiatieven hebben effect gehad: het Mondriaan Fonds biedt sinds een paar jaar de Regeling Ouder-Kind aan, bedoeld om extra kinderopvang en reis- of verblijfkosten te vergoeden. Tijdens residenties zijn kunstenaars steeds vaker welkom samen met hun kind, en kunstenaars worden net als andere zzp’ers doorbetaald tijdens hun zwangerschapsverlof.

Ook wat beeldvorming betreft raakt het ‘moedervormige gat’ dankzij Good Mom/Bad Mom in het Centraal Museum Utrecht stilaan boordevol. Naast de geïdealiseerde afbeeldingen van de ‘weldadig goede moeder’ hangen schilderijen, tekeningen, sculpturen, fotowerken en installaties die uitdrukking geven aan een breed spectrum van ‘geleefde werkelijkheden’. Ze zijn bij elkaar geschaard in verschillende onderwerpen die vloeiend in elkaar overlopen. Ondanks de grote hoeveelheid – er is werk te zien van zestig kunstenaars – oogt de tentoonstelling helder en transparant, dankzij de open inrichting met eenvoudige houten wanden, met gaas bespannen. Ook de kleurstelling van de wanden, in zachtgroene en gele tinten, draagt bij tot een zekere lichtheid, terwijl er toch confronterende kwesties aan de orde worden gesteld. Tien werken werden in opdracht gemaakt.

Werk rondom fysieke aspecten van vruchtbaarheid en het moederschap is het talrijkst. Bekend is de fotoserie New Mothers uit 1994 van Rineke Dijkstra, van naakte vrouwen die net bevallen zijn, met zowel onthutsing als opluchting in de ogen. De Amerikaanse Loie Hollowell verbeeldt haar eigen ervaringen met moederschap in abstract biomorfe schilderijen die de tastzin prikkelen. In Eight Saints (1983) zweven rondom een donkerrode amandelvorm acht borstvormige en opgehoogde rondingen waaruit witte stroompjes lijken te druppelen. De Noors-Nigeriaanse Frida Orupabo maakt grote fotocollages van afbeeldingen uit koloniale archieven en van internet. Mother and Child I (2020) is samengesteld uit fragmenten van witte en zwarte lichamen, en herinnert aan de dehumaniserende wijze waarop zwarte mensen niet alleen eeuwenlang werden onderworpen aan de koloniale blik, maar ook vaak gescheiden werden van hun eigen kind. Lijkt de baby in deze collage zich niet te nestelen, in de liggende houten sculptuur Birthland (2024) van Femmy Otten zijn baby en moeder innig met elkaar verbonden.

Collectief zorgen – mothering – komt aan de orde in kleurrijke schilderijen van de Nigeriaanse Tyna Adebowale. I Have Five Mums, I Turned out Great (2023) is een ode aan de vijf vrouwen die haar hebben grootgebracht. In de Uneme-gemeenschap in Nigeria waarin Adebowale opgroeide, is het gebruikelijk dat kinderen niet alleen door hun biologische moeder worden opgevoed. Hoe bijzonder die praktijk is, realiseerde Adebowale zich pas nadat ze in Europa ging studeren. Emmeline de Mooij laat zich voor Giant Cloak (2025) inspireren door de middeleeuwse voorstelling van de ‘barmhartige Maria’, met onder haar mantel niet alleen plek voor haar ‘onbevlekt ontvangen’ kind, maar voor iedereen die troost en toevlucht zoekt. Ook onder de gigantische mantel van De Mooij, die is samengesteld uit de eindeloos verstelde kledingstukken van haar gezin, mag de bezoeker schuilen. De vaderrol in de opvoeding wordt aangekaart in de video-installatie For Our Children’s Children (2023) van de Zweedse kunstenaars Jonas Ohlsson en Magnus Monfeldt. Zij delen uitvoerig hun ervaringen met het vaderschap, en ze discussiëren over de vraag hoe je het vaderschap kan vormgeven zonder verouderde patronen van mannelijkheid en gendervooroordelen voort te zetten.

Soms is de thematiek makkelijk af te leiden, maar dat is niet het geval met werk waarin sprake is van complexe vraagstukken zoals twijfel, het (onvervulde) verlangen naar een kind, of de verwevenheid – zoals in de titel van good mom en bad mom. Hoe de moederrol conflicterende emoties kan oproepen, komt bijna grimmig tot uitdrukking in de schilderijen van Miriam Cahn (zie ook De Witte Raaf, nr. 232). In Mutterfreude (2021) zoogt een moeder haar kind, maar zodanig voorovergebogen dat van de verstrengeling een verstikkend effect uitgaat. Om de achtergrond van menig werk te vatten ben je als toeschouwer onvermijdelijk aangewezen op de bijschriften, bijvoorbeeld bij het Zelfportret met drie kinderen (1929) van Charley Toorop. Zij hield van haar kinderen, maar besteedde de zorg vaak uit; het schilderen had voor haar prioriteit. Toorop werd ‘daar sterk om bekritiseerd’, aldus het bijschrift. Met de titel Shit Mom draait de Iraanse Tala Madani er niet omheen. In haar schilderijen en humoristische animatie is geen sprake van een heroïsche, zich opofferende ouder, maar van een falende moeder, opgelost in een poepkleurige smurriestroom waaraan geen einde lijkt te komen.

De vaak stil gehouden en verdrietige ervaringen met (onvervuld) wensouderschap, verlies en adoptie komen aan bod in het werk van Helen Verhoeven, Aline Thomassen en Sara Sejin Chang. Verhoeven begon de serie schilderijen Mother in 2013, nadat ze jarenlang had geprobeerd zwanger te worden. Ze portretteert zichzelf als moeder met kind om uiting te geven aan alle emoties van verlangen, afscheid en moedeloosheid (en krijgt overigens pal daarna toch nog kinderen). Thomassen verwerkt in een grote aquareltekening uit 2009 de schok na het overlijden van haar eerste kind in een laat stadium van de zwangerschap. In de tekening staat zijzelf in het midden, omringd door foetussen die via navelstrengen met haar hart verbonden zijn. Eveneens aangrijpend zijn de verhalen bij de abstract ogende installatie Mother Mountain Institute van Sara Sejin Chang, aangevat in 2017. De kunstenares, die tien jaar geleden haar Nederlandse naam Van der Heide verving door haar Koreaanse geboortenaam, stelt de transnationale en transraciale adoptie-industrie aan de kaak. Moeders uit het zuidelijk halfrond stonden vaak onder dwang en onder valse voorwendselen hun kinderen af voor adoptie aan gezinnen in Europa. In een besloten ruimte gaan de emotionele verhalen door merg en been; onderwijl draaien aan het plafond een gele en rode bol als twee planeten om elkaar heen. De witte berg in het midden symboliseert een plek van heling.

Verlies en zelfbeschikking staan centraal in het werk van de Zuid-Afrikaanse Buhlebezwe Siwani en de Portugese Paula Rego. Siwani’s vierdelige video-installatie Ulishiyele bani ibele (Voor wie heb je de borst verlaten?) uit 2025 gaat over het moederschap van zwarte vrouwen. De titel verwijst in het Zoeloe naar het kind dat de moederborst moest ‘overdragen’ aan het volgende kind. In de video’s geeft een vrouw haar kind liefdevol de borst, masseert een andere vrouw haar pijnlijke, gezwollen borsten, of wandelt een moeder in een park. Veelzeggend is de beladen achtergrond van de taferelen: het betreft een gebouw in Kaapstad waar zwarte vrouwen tijdens de koloniale overheersing werden gedwongen hun baby’s af te staan. De voice-over leest het indringende gedicht ‘The Slave Mother’ (1854) van Francis Ellen Watkins Harper, een Afro-Amerikaanse suffragette en schrijver: ‘He is not hers, though she bore / For him a mother’s pains / He is not hers, although her blood / Is coursing through his veins!’ Ontluisterend is een werk over abortus uit 1999 van Paula Rego. Gefrustreerd over de negatieve uitkomst van een Portugees referendum in 1988 om abortus te legaliseren, maakt zij een serie etsen over deerniswekkende illegale abortuspraktijken. Als er in 2007 opnieuw een referendum wordt gehouden, verschijnen Rego’s afbeeldingen op de covers van nieuwsbladen en beïnvloeden ze de publieke opinie, met de legalisering van abortus tot gevolg.

In de laatste ruimte van Good Mom/Bad Mom staat, als een annex bij de tentoonstelling, de cirkelvormige installatie Mother Earth (2025) van de Engelse Emma Talbot. Op zijden doeken schilderde Talbot een weldadige kosmos met planten, dieren, een baarmoeder en de Keltische sheela na gig. We worden ondergedompeld in een viering van de levenscyclus, van jong naar oud. In tekstballonnen verbindt ze de zorg voor Moeder Aarde met de zorg voor haar hulpbehoevende moeder: ‘How you are cared for, is how you learn to care,’ zo luidt een van haar wijze woorden.

Daarnaast bevat de expo ook twee ‘tijdcapsules’ met historisch materiaal. De ene capsule is samengesteld door wetenschapshistoricus Trudy Dehue, van wie in 2023 het boek Ei, foetus baby. Een nieuwe geschiedenis van zwangerschap verscheen. Aan de hand van boeken, reproducties, baarmoeder- en foetusmodellen van onder anderen Aletta Jacobs laat ze zien hoe de kennis over de conceptie en ontwikkeling van de foetus is gevormd en misvormd, zoals de middeleeuwse tekening van een embryo in een spermacel. De tweede tijdcapsule, samengesteld door het Amsterdamse Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis Atria, documenteert met affiches, foto’s en pamfletten de feministische strijd in Nederland voor onder meer abortus, zelfbeschikking, kinderopvang, ongelijke betaling en taakverdeling.

Gezien de nadruk op het vrouwelijke kunstenaarsperspectief in Good Mom/Bad Mom is het jammer dat in deze tijdcapsule niets wordt vermeld over de Stichting Vrouwen in de Beeldende Kunst (SVBK), die van 1977 tot 1996 de positie van vrouwelijke kunstenaars en hun ondervertegenwoordiging in de kunstwereld aankaartte. De stichting werd opgericht door kunsthistorici Josine de Bruyn Kops en Liesbeth Brandt Corstius, en door kunstenaars Christa van Santen, Els de Groot en Karin Daan. In 1977 werd een enquête over de beroepspraktijk opgestart onder 2100 geregistreerde vrouwelijke kunstenaars, waarop 800 reacties binnenkwamen. Veel vrouwen bleken te moeten opboksen tegen het stereotiepe beeld van de hobbyist, de schilderende huisvrouw. Ook kwamen ze nauwelijks aan de uitoefening van hun beroep toe als ze ook een gezin hadden. Het onderzoek resulteerde in 1978 in het rapport Een leuke hobby heb je van Cora Hollema. In het bijzonder mis ik de catalogi van de twee grote tentoonstellingen die door leden van de SVBK werden georganiseerd: Feministische Kunst Internationaal (1979), een expo die langs zeven kunstinstellingen reisde, en De kunst van het moederschap. Leven en werk van Nederlandse vrouwen in de negentiende eeuw (1981), te zien in het Frans Hals Museum in Haarlem. In de catalogus van die laatste tentoonstelling werd uitgebreid belicht hoe geïdealiseerde beelden van moederschap en gezin bevestigen dat een vrouw in de eerste plaats moeder moet zijn, terwijl een carrière buitenshuis als ongepast wordt beschouwd. Ook in de tentoonstelling werden tegenover de ideaalbeelden de ‘geleefde werkelijkheden’ geplaatst, aan de hand van grote tekstborden over abortus, voorbehoedsmiddelen, prostitutie, onderwijs en emancipatie. Het boek uit 1981 raakte snel uitverkocht en toen de samenstellers bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk om financiële ondersteuning verzochten voor de tweede druk, werd geëist dat een kritische passage over het emancipatiebeleid van de regering werd geschrapt. De folder bij De kunst van het moederschapleidde tot vragen in de Eerste Kamer. In de derde druk, uitgegeven door SUN in Nijmegen, is de inleiding weggelaten. Sommige musea weigerden werk uit te lenen, zogezegd omdat een dergelijke thematische tentoonstelling het ook wel met reproducties kon stellen.

Onvergetelijk in de tentoonstelling Feministische Kunst Internationaal was, naast het werk van Mary Kelly en Maina-Miriam Munsky, de geestige installatie De zesdaagse van het leven (1978-1979) van Fiety Meijer-Degen en Hermian Sneyders de Vogel: een herenfiets met een broodtrommel onder de snelbinder staat naast een vrouwenfiets, bepakt en beladen met een kinderzitje en volle boodschappentassen.

Ook in de rijke publicatie die bij Good Mom/Bad Mom is verschenen, komt de Stichting Vrouwen in de Beeldende Kunst niet aan bod. Onder de lemma’s A tot en met Y worden onder de titel Mothering Myths. An ABC of Art, Birth and Care honderden interessante citaten uit de literatuur bij elkaar gebracht, samen met beknopte informatie over de kunstenaars. Opvallend afwezig onder de letter J is de term Joy. Naast de vele weetjes zijn essays opgenomen van onder anderen Alexis Pauline Gumbs, Lisa Smit en Babs Gons. De titel van Lily van der Stokkers essay luidt: ‘Do I Regret That I Didn’t Have Kids?’

In maart verscheen eveneens het boek Het moedermodel. Over kunst, vrouwen en moederschap van kunstcriticus Joke de Wolf, die de catalogus De kunst van het moederschap uit 1981 overigens wel vermeldt. Nadat de redactie van Trouw haar in 2021 tijdens de pandemie verzocht om een ‘luchtig stuk’ te schrijven over het onderwerp, als tegenwicht voor een essay over de tegen vaccins agerende Moederhart-beweging, ontdekte ze een ‘schatkamer’ aan verhalen. In haar boek neemt De Wolf de lezer mee in een persoonlijke zoektocht en deelt ze haar motieven om geen kinderen te krijgen. De term ‘moedermodel’ ontleende zij aan de technische wereld. Het is een beginvorm voor mallen waarvan exacte kopieën worden gemaakt. In negen hoofdstukken schrijft De Wolf over de symboolfunctie van idealiserende moederafbeeldingen (zoals in het werk van de negentiende-eeuwse schilder Jozef Israëls), over de genderontregelende Marcel Duchamp die zij de oervader van de moderne kunst noemt, maar vooral over vrouwelijke kunstenaars die uit die ‘pasvorm’ breken en ‘een ander, veelvormiger en bewegelijker moedermodel’ visualiseren. Niet toevallig komen veel kunstenaars die in Utrecht te zien zijn ook in haar boek uitvoerig aan bod, zoals Louise Bourgeois, Marlene Dumas, Tracey Emin, Tala Madani, Femmy Otten en Paula Rego. Ook de feministische voorvechters Lea Lublin, Judy Chicago en Monica Sjöö komen aan bod. De activistische Zweeds-Engelse kunstenaar Sjöö, van wie het destijds controversiële schilderij God Giving Birth (1968) in Good Mom/Bad Mom te zien is, speelde een belangrijke rol in de Goddess Movement, die de moedergodin uit de prehistorische geschiedenis voor het voetlicht bracht. Sjöö’s schilderij toont een naakte vrouw, en uit haar geboortekanaal steekt het hoofd van een kind. De Wolf haalt ook het onderzoek aan van Carole Stabile, die in 1992 het verband legde tussen de mogelijkheid om echo’s te maken van de foetus in de moederbuik en de groeiende antiabortusbeweging. Het is een beweging die sinds een paar jaar weer aan invloed wint. Zoals De Wolf in het laatste hoofdstuk schrijft: ‘Er is een gure wind opgestoken.’ In 2022 zette het Amerikaanse Hooggerechtshof een streep door het landelijke abortusrecht. In Rusland is ‘propaganda voor een kinderloos leven’ verboden. In Europa zetten politici druk op het terugdraaien van hard bevochten reproductierechten. Net als uit de tentoonstelling Good Mom/Bad Momspreekt uit Het moedermodel lichtheid. Dankzij haar stijl en de verbanden die de auteur legt, leest het boek prettig, ondanks die onmiskenbaar ‘gure wind’.

‘Eigenlijk is het verschrikkelijk’, zo zei Mirthe Berentsen op 16 mei jongstleden in NRC Handelsblad, ‘dat ik weer de straat op moet voor hetzelfde als mijn oma.’ Strijdvaardig toert zij met een huifkar en een gigantische opblaasbaarmoeder door Nederland, als onderdeel van het onderzoeksproject Beyond The Nuclear Family. In de huifkar voert zij gesprekken over het gezin, lichamelijke integriteit, familiestructuren en abortus, net als de Dolle Mina’s in 1972. Haar boek We moeten het hebben over het gezin verschijnt eind dit jaar bij Das Mag.

In De Groene Amsterdammer van 21 mei schreef Casper Thomas over het wereldwijd dalende geboortecijfer, dat vermoedelijk zal leiden tot een cultuuroorlog. Ik herinner me de grote snelkookpan die ik cadeau kreeg van mijn moeder toen ik op kamers ging in 1974. Zij had tien kinderen grootgebracht en kleine pannen kende ze niet. Bij het ‘ontspullen’ lukt het mij maar niet om deze in onbruik geraakte pan weg te doen.

 

Good Mom/Bad Mom, van 29 maart tot 14 september, Centraal Museum Utrecht. Het door Laurie Cluitmans en Heske ten Cate samengestelde boek Mothering Myths. An ABC of Art, Birth and Care verscheen bij Valiz, Amsterdam, ISBN 9789493246423. Het moedermodel. Over kunst, vrouwen en moederschap van Joke de Wolf verscheen bij Atlas Contact, Amsterdam, ISBN 9789045046648.

Het zegbare bepaalt het zichtbare. Fotografie en AI

De plotse opkomst en razendsnelle ontwikkeling van automatisch opererende beeldsystemen aangestuurd door AI is ook de kunstwereld niet ontgaan. Beeldgeneratoren zoals Midjourney, DALL-E en Stable Diffusion, operationeel sinds 2022, oefenen veel invloed uit op het produceren, delen en percipiëren van technische beelden. Recente tentoonstellingen zoals Coded. Art Enters the Computer Age, 1952-1982 in het MoMA in New York, Radical Software. Women, Art & Computing 1960-1991 in Kunsthalle Wien en Electric Dreams. Art and Technology Before the Internet in Tate Modern in Londen (zie De Witte Raaf, nr. 233) proberen die ontwikkelingen inzichtelijk te maken door ze in de historische context te plaatsen van machine- of computerkunst.

Het is een andere optie om actuele artistieke posities te selecteren die kritisch omgaan met de mogelijkheden en limieten van AI. Door de klemtoon te leggen op hedendaags werk en op fotografie gaat de tentoonstelling AImigine – Photography and generative images in Hangar in Brussel daarin het verst. Le monde selon l’IA in het Jeu de Paume in Parijs besteedt ook aandacht aan de historische context en toont werk van kunstenaars die de opkomst van AI in een ruimere geschiedenis plaatsen – ecologisch, economisch, juridisch, artistiek en technologisch. Wat beide expo’s delen, is de vraag of deze nieuwe, synthetische beelden een verdere ontwikkeling zijn van het fotografische systeem of er net radicaal mee breken. Het is geen onverwachte vraag: artificiële beeldgeneratoren ‘werken met’ fotografische afbeeldingen en wat ze produceren is meestal zo fotorealistisch mogelijk. Dat door AI gegenereerde beelden lijken op foto’s, wil echter nog niet zeggen dat ze ook fotografisch zijn.

Omdat generatieve systemen niet opereren als een fotocamera is het ‘realisme’ dat ze beogen niet het gevolg van een opnametechniek (het capteren van gereflecteerd licht op een lichtgevoelige drager), maar van een complex systeem dat op basis van ingewikkelde mathematische operaties nieuwe, samengestelde beelden genereert uit beelden die reeds bestonden. Beelden worden in dit geval dus visualisaties van data; ze refereren niet aan ‘iets’ daarbuiten, maar enkel aan de massa gegevens die opgeslagen ligt binnen het systeem. Om voor realistisch te kunnen doorgaan, moeten generatieve beelden beantwoorden aan twee vereisten. Ze moeten ten eerste leesbaar zijn, dat wil zeggen dat ze, naar het model van de documentaire stijl in fotografie, moeten gelezen kunnen worden als een tekst.[1] Ten tweede moeten ze geloofwaardig zijn. Ze moeten beantwoorden aan onze verwachtingen: handen tonen met zes vingers, iets wat oudere versies van AI weleens overkwam, is dus uitgesloten.[2]

De volgende vraag is dan: hoe test (of weet) het systeem dat aan deze vereisten is voldaan? Een eerste controle gebeurt door een speciaal AI-systeem dat analyseert in welke mate het beeld als realistisch kan worden beschouwd. Dit controlemechanisme werd echter ‘getraind’ met ImageNet, een controversiële database met hoofdzakelijk afbeeldingen van schilderijen, foto’s, stills en – vooral – advertenties, afkomstig uit de westerse, witte cultuur, met alle visuele vooroordelen of voorkeuren van dien. Een tweede, aanvullende controle legt de verantwoordelijkheid bij de gebruiker. Van zodra het beeld, ontstaan na verschillende verfijningen, wordt aanvaard, gaat het systeem ervan uit dat het beantwoordt aan de vereisten van leesbaarheid en geloofwaardigheid.[3] De combinatie van een ingebouwd controlesysteem en het subjectieve gebruikersoordeel staat vervolgens garant voor het ervaren realisme. Uiteindelijk is het zogenaamde fotorealisme binnen de generatieve systemen daarom niet meer dan de nabootsing van een fotografische stijl, net zoals het systeem een generatief schilderij zou kunnen produceren, al dan niet gebaseerd op de persoonlijke signatuur van een specifieke schilder. Generatief ‘realisme’ is een oppervlakte-effect en mist de existentiële angel die fotografische beelden kunnen hebben.[4] In die zin kan het fotografisch realisme van AI in verband worden gebracht met het schilderkunstige fotorealisme van de late jaren zestig.

Dat generatief realisme niets te maken heeft met fotografisch realisme, wordt duidelijk op de tentoonstelling Le monde selon l’IA in het Jeu de Paume, dankzij een installatie van het Cypriotische kunstenaarsduo Theopisti Stylianou-Lambert en Alexia Achilleos: The Archive of Unknown Workers (2022). Het gaat om een eerdere versie van de installatie The Archive of Grigoris Antoniou (2024), eveneens dit voorjaar te zien op de expo Bugs & Metamorphosis. Glitching Photography in het Hasselblad Center in Göteborg. Beide installaties zijn gebaseerd op een analyse van negentiende-eeuwse fotografische archieven van de Britse opgravingen in Cyprus. De archieven bevatten beelden van de opgravingen zelf en van de objecten die op de site gevonden werden, maar ook portretten van archeologen en assistenten. Enkel de Britse archeologen worden met naam en toenaam vermeld in die archieven, terwijl de lokale medewerkers anoniem blijven. Toch speelden zij een belangrijke rol: ze kenden de site beter dan wie ook, wisten de interessantste plekken te vinden en waren onmisbaar voor het welslagen van de archeologische operatie. Een van die Cypriotische voormannen was Grigoris Antoniou (ca. 1849-1940). Alhoewel het archief hem nergens vermeldt, zijn Stylianou-Lambert en Achilleos zijn portret op het spoor gekomen. Op basis van die foto en van afbeeldingen van voorwerpen gevonden tijdens de opgravingen, creëerden ze met AI een nieuw, fictief archief van zo’n veertig dia’s toegeschreven aan Antoniou. Door de integratie van twee ‘echte’ dia’s in de reeks (met onder meer beelden van arbeiders in lokale gewaden), kan de kijker zelf ervaren in hoeverre de verbeelding van AI spoort met de realiteit ter plekke. Al snel blijkt dat een archeoloog volgens het generatieve systeem hollywoodiaanse trekken heeft, en eerder lijkt op Harrison Ford in de films over Indiana Jones dan op de afbeeldingen in archieven. Stylianou-Lambert en Achilleos wijzen zo op de eenzijdige herkomst van de trainingsdata van AI, en op de culturele vooringenomenheid die eruit volgt.

Net zoals het fotografische systeem opereren generatieve systemen als een black box, zoals gedefinieerd door Vilém Flusser in Fur eine Philosophie der Fotografie uit 1983.[5] Zowel de input als de output van het gebruikte systeem zijn bekend, maar niet wat er zich in het binnenste van het systeem afspeelt. Om van input output te maken, moet het generatieve systeem gevoed en getraind worden. Een model voeden komt neer op het koppelen van beelden aan woorden. Deze koppeling is noodzakelijk omdat de gebruiker beelden zal genereren via een tekstuele opdracht (de prompt) en dus moet het systeem ‘leren’ welke woorden of begrippen verbonden kunnen worden met welke beelden. Vaak kan dat volautomatisch, door combinaties van teksten en beelden van websites te plukken. Soms wordt er gebruikgemaakt van mechanical turks: menselijke operatoren die micro-opdrachten toebedeeld krijgen en in een zo kort mogelijke tijdspanne een aantal beelden moeten labelen, waarbij ze kunnen kiezen uit een vooraf samengestelde woordenlijst. In het Jeu de Paume zijn twee installaties te zien waarin mechanical turks de hoofdrol spelen. Mechanical Kurds is een nieuw videowerk van Hito Steyerl dat gemaakt werd in een Koerdisch kamp: voor vluchtelingen is werken als een operator voor AI vaak de enige mogelijkheid om een inkomen te garanderen. De installatie van Meta Office, Behind the Screens of Amazon Mechanical Turks (2021-2025), bestaat uit een zuil van schermen waarop werkruimtes van mechanical turksworden getoond, terwijl een ander scherm weergeeft waar ze zich bevinden, hoelang hun laatste opdracht duurde en hoeveel geld ze verdiend hebben.

Nederig werk ligt dus aan de basis van de huidige hypergesofisticeerde, digitale systemen, uitgevoerd door mensen in een precaire economische situatie, die voor weinig geld en zonder garantie op duurzame tewerkstelling deze zogenaamd volautomatische systemen voeden. Deze belangrijke kritiek raakt echter niet aan het wezenlijke probleem van datavergaring. De gigantische datasets die vandaag gebruikt worden – die van LAION-5B bevat ondertussen meer dan vijf miljard gegevens – vragen om een andere benadering. De analyse van de trainingsbeelden voor AI is nu meer en meer gericht op de identificatie van de objecten die in een afbeelding voorkomen, zonder oog te hebben voor de sociale realiteit waarvan het beeld echter ook getuigt.[6] Beelden worden begrepen als niet meer dan vaten vol objecten. Die gerichtheid op objectanalyse komt voort uit een verlangen naar extreme neutraliteit, alsof de betekenis van een beeld stopt bij de pure opsomming van de elementen waaruit het bestaat, en alsof objecten een universele betekenis hebben, losgezongen van elke culturele of maatschappelijke context.

AI vereist niet alleen gigantische databases, maar ook een convoluted neural network om de verzamelde teksten en beelden te verwerken – te reduceren – tot een reeks van abstracte datapunten.[7] Dit gebeurt via een proces van opeenvolgende reducties: de ingevoerde teksten met beeld worden gecomprimeerd tot een serie datapunten. Eigenlijk bestaat deze procedure uit het stelselmatig toevoegen van ruis, totdat het beeld niet meer is dan een (op het eerste gezicht) rommelige en willekeurige opeenhoping punten. Wat het systeem via die procedure extraheert, zijn datapatronen: karakteristieke elementen van de beelden (met betrekking tot kleur, vormen, textuur enzovoort), maar dus niet de ‘inhoud’ van het beeld als dusdanig. Het geheel van de aldus bekomen datapatronen wordt ondergebracht in een ‘latente ruimte’, een multidimensionale vectorruimte. Deze voor de mens onvoorstelbare en onrepresenteerbare ‘ruimte’ distribueert en organiseert de datapatronen als evenzovele coördinaten. Verwante beelden en begrippen vertoeven in elkaars ‘nabijheid’, terwijl begrippen en beelden die verschillen zich ‘verder’ van elkaar bevinden. Wanneer de gebruiker van de beeldgeneratoren het systeem vraagt om een nieuw beeld te maken op basis van een ingevoerde tekst of afbeelding, volgt het de omgekeerde weg: het begint met pure ruis om dan via verschillende stappen (‘generaties’) tot het gevraagde beeld te komen.

Op de tentoonstelling in Hangar in Brussel zijn beelden te zien van Jordan Beal, getiteld Linéaments (2024), die generatief geproduceerde landschappen van Martinique moeten voorstellen. Ze illustreren mooi hoe dit proces van geleidelijke opbouw ingezet wordt voor de creatie van beelden die ontsnappen aan het generatief fotorealisme. Door het proces te stoppen vooraleer het zijn eindtoestand bereikt, creëert Beal wazige beelden die niet zijn uitgekristalliseerd. In een volgende stap fotografeert hij deze beelden met een Polaroid, wat niet alleen een materiële laag toevoegt aan een immaterieel proces op een scherm, maar het geheel ook drenkt in het irreële kleurenschema dat zo kenmerkend is voor de polaroidfoto. Deze combinatie van digitale en analoge procedures leidt tot puur fictieve landschappen die eerder suggereren dan een ‘werkelijkheid’ stellig vast te leggen. Door het strikt documentaire fotorealisme te weigeren, creëert Beal onaffe beelden met de suggestieve en ‘open’ beeldtaal van het negentiende-eeuwse pictorialisme. Zo vermijdt hij dat de verbeelding van Martinique zich plooit naar de generieke invulling door het systeem.

De neurale netwerken waarop beeldgeneratoren gebaseerd zijn, opereren niet als een zoekmachine in bekende opslagplaatsen van beelden, zoals de archieven van musea of de commerciële beeldbanken van Corbis of Getty Images. Dit zijn immers statische archieven waarin afbeeldingen volgens specifieke categorieën en kernwoorden opgezocht kunnen worden, maar die zelf geen nieuwe beelden genereren. Wat er gebeurt wanneer dit verschil wordt miskend, blijkt duidelijk uit Une Histoire parallèle, een project dat het kunstenaarsduo Brodbeck & De Barbuat aanving in 2020 en dat ook te zien is in Hangar. Op basis van 250 bekende beelden uit de geschiedenis van de fotografie proberen zij een generator ertoe te bewegen replica’s te produceren. Ze doen dat op basis van een beschrijving die als prompt wordt ingevoerd. De beelden die zo ontstaan lijken op het historische beeld, maar vertonen telkens weer cruciale afwijkingen. Soms kunnen die verschillen verbonden worden met allerlei grenzen opgelegd aan AI, zoals het verbod om naakten te produceren. Elke poging om bijvoorbeeld het beroemde beeld te repliceren van een naakte John Lennon die zich krult rond een geklede Yoko Ono, leidt telkens weer tot een aangeklede John. Toch ligt de betekenis van deze reeks ‘mislukkingen’ elders: niet het blootleggen van de opgelegde limieten maakt ze interessant, maar wel dat ze de onderliggende structuur van de latente ruimte ‘zichtbaar’ maken. Hier wordt duidelijk dat die latente ruimte geen vijver is waaruit beelden kunnen worden opgevist, maar een systeem dat telkens weer nieuwe, afwijkende beelden moet genereren.

Om beelden te maken moet de latente ruimte geactiveerd worden. Dat kan in principe op twee manieren: door een beeld in te voeren als vertrekpunt, aangevuld met een verbale opdracht, of door het louter formuleren van een verbale opdracht (de prompt). Het beschrijven van beelden gaat aan de creatie vooraf: taal wordt beeld. Het gewicht van de tekst bij het genereren van beeld is zo groot dat deze nieuwe vorm van beelden maken ook wordt omschreven als ‘promptografie’. Het leidt tot een nieuwe verhouding tussen tekst en beeld: het zegbare bepaalt het zichtbare, en dat verschilt radicaal van de manier waarop foto en tekst zich tot nu toe tot elkaar verhielden. Eerst was er de foto, dan de tekst die de foto ‘leesbaar’ moest maken. Een foto bevat altijd te veel informatie en is van nature wat rommelig en breedsprakerig. Door tekst (een ondertitel of een bijschrift) toe te voegen, wordt de inherente polysemie van fotografische beelden aan banden gelegd. Teksten dienen om het fotografische beeld te temmen: ze duiden hoe het beeld moet worden gelezen, en dus begrepen.

AI werkt omgekeerd: generatieve beeldsystemen vertrekken van tekst en creëren beelden die zo nauw mogelijk bij die tekst aansluiten. Dat wil niet zeggen dat dezelfde prompt exact hetzelfde beeld zal genereren, integendeel. Door de complexiteit van de latente ruimte zal elke prompt variaties van hetzelfde beeld opleveren, en het is precies deze ‘onvoorspelbaarheid’ die generatieve systemen tot een black box maken. Die afhankelijkheid van tekst verklaart echter ook waarom AI-beelden vaak zo voorspelbaar en clichématig overkomen. Ze zijn te letterlijk, worden ingesnoerd door de strikte logica van de beschrijving die eraan ten grondslag ligt. Dat het ook anders kan, wordt duidelijk in het werk van Mathieu Bernard-Reymond, te zien in Hangar en een van de weinige uitzonderingen waarin tekst een creatieve rol krijgt toebedeeld. In de reeks D’après Ramuz (2023-2024) combineert hij eigen opnames van de Zwitserse Alpen met tekstfragmenten van Charles-Ferdinand Ramuz, een vooroorlogse, Zwitserse auteur, bekend om zijn evocatieve beschrijvingen van het plattelandsleven. Door het generatieve systeem alle vrijheid te geven om de beeldspraak van Ramuz te laten interageren met zijn foto’s, ontstaan beelden die het gefotografeerde herinterpreteren en transformeren tot een bizar, onmogelijk berglandschap. Rotsen lijken te zweven; gletsjers richten zich plots op tot een loodrechte muur of vervellen tot een doek dat zich kronkelend een weg zoekt. Deze onverwachte transformaties zijn het gevolg van de literaire stijl van Ramuz, die grossiert in suggestieve beelden en metaforen, waarop een generatief systeem moeilijk greep krijgt en dus ‘vreemd’ reageert.

Synthetische beelden zijn nooit zomaar fotografisch: het fotorealisme is een simulatie, ze zetten de hiërarchie tussen taal en beeld volledig op z’n kop, hun relatie met de ‘werkelijkheid’ is onbestaand. Terwijl een foto nog altijd het spoor is van ‘iets’, is een AI-gegenereerd beeld een synthetisch beeld dat nergens naar verwijst (het heeft geen referent). Het is daarom erg voorbarig om te stellen dat dergelijke generatoren een lacune binnen de fotografie zouden opvullen. Delphine Dumont, de directeur van Hangar, schrijft in haar inleidende tekst bij de tentoonstelling AImagine dat de komst van deze systemen kan toelaten historische gebeurtenissen te herinterpreteren of er zelfs voor de eerste keer beeldend toegang toe te krijgen. Het is een idee dat geen hout snijdt. De AI-beelden van Cubaanse vluchtelingen, gefabriceerd op vraag van Michael Christopher Brown (90 Miles, 2023), mogen dan gebaseerd zijn op de opgetekende ervaringen van vluchtelingen, toch slagen ze er op geen enkele manier in dezelfde emotionele betrokkenheid op te wekken als fotografische getuigenissen.

Hetzelfde euvel keert in zekere zin terug in het Jeu de Paume, wanneer generatieve systemen in het verlengde worden geplaatst van verre technologische voorouders. Zo wordt elk hoofdstuk van Le monde selon l’IA ingeleid door een vitrine met historische voorbeelden van het thema dat wordt aangesneden. Die keuze zorgt ervoor dat het radicale verschil dat deze nieuwe technologie in de contemporaine beeldcultuur installeert onvoldoende tot uitdrukking komt. Maar misschien is het daarvoor simpelweg nog te vroeg? Zoals Marshall McLuhan al wist: het is niet vanzelfsprekend om de impact te vatten van een technologie die zich nog volop aan het ontwikkelen is. De neiging bestaat dan om die nieuwe ontwikkeling te analyseren vanuit een bekend referentiekader. Een meer prikkelende hypothese over de opkomst van synthetische beelden kan gevonden worden in het boek Beyond Digital van architectuurhistoricus Mario Carpo.[8] Hij suggereert dat we door generatieve beeldsystemen in een nieuw tijdperk zijn verzeild, waarin de nadruk op originaliteit en authenticiteit, bepalend voor de moderne kunst sinds pakweg het einde van de negentiende eeuw, wegvalt. We bewegen weer in de richting van een premoderne beeldcultuur, waarin imitatie belangrijker wordt dan originaliteit. Het probleem, zo gaat Carpo verder, is dat we niet meer over criteria of woorden beschikken om deze nieuwe situatie helder te beschrijven, laat staan te beoordelen.

 

AImagine. Photography & Generative Images, 24 januari tot 15 juni, Hangar Gallery, Kasteleinsplein 18, Brussel; Le monde selon l’IA, 11 april tot 21 september, Jeu de Paume, Place de la Concorde 1, Parijs.

 

Noten

1. Voor een grondige analyse van dit begrip en de rol die het speelt in de documentaire stijl, zie: Olivier Lugon, Le Style documentaire. D’August Sander à Walker Evans, 1920-1945, Parijs, Macula, 2004, pp. 189-214.

2. Roland Meyer, ‘Le ‘réalisme de platforme’. L’intelligence artificielle génerative et l’essor du contenu visuel générique’, in: Estelle Blaschke (red.), Photographie et algorithmes. Transbordeur photographie, n°9, Parijs, Macula, 2025, pp. 21-31.

3. Zie: Maria Eriksson, ‘Sur la mésure du réalisme dans les images de synthèse’, in: Idem, pp. 32-43.

4. Zie: Noam M. Elcott, Tim Trombley, ‘AI Imagining, or, The End of Photography and the Affordances of Latent Specificity’, in: Ada Ackerman, Antonio Somaini (red.), The World Through AI, Parijs, JPE Books, 2025, pp. 152-166.

5. Vilém Flusser, Een filosofie van de fotografie, Utrecht, IJzer, 2007, pp. 22-34, vertaling Marc Geerards.

6. Thierry Sugitani, ‘Formater le visible. Dans la fabrique des datasets photographiques (2005-2021)’, in: Estelle Blaschke (red.), op. cit. (noot 2), pp. 107-117.

7. Antonio Somaini, ‘A Theory of Latent Spaces’, in: Ada Ackerman, Antonio Somaini (red.), op. cit. (noot 4), pp. 21-51.

8. Mario Carpo, Beyond Digital. Design and Automation at the End of Modernity, Cambridge/Londen, MIT Press, 2023, pp. 132-134.

Behaagzucht als beperking. Kunst en AI

De afgelopen vijf jaar is een stroom aan kunstmatig gegenereerde beelden op gang gekomen die onze beeldcultuur in steeds grotere mate lijkt te bepalen. Ondanks de alomtegenwoordigheid ervan worden ze niet vaak serieus geanalyseerd. Dat is begrijpelijk: de beelden zijn vaak lelijk en ‘werktuiglijk’ en ze stellen zelden veel voor. Ze moeten vooral kosten besparen door een illustrator of een fotograaf overbodig te maken. Wie zich waagt aan een beeldanalyse stuit al snel op het probleem dat de beelden nergens naar verwijzen.

Het gesprek over AI-beelden komt pas op gang wanneer ze toch lijken te verwijzen naar iets dat kan bestaan, en vooral als ze door kunnen gaan voor een foto. Een kunstmatig gegenereerd beeld heeft nieuwswaarde als het publiek misleid kan worden over de waarachtigheid ervan. Het sluit aan bij de al langer bestaande vrees dat sociale bubbels met eigen of ‘alternatieve’ waarheden samen met ander nepnieuws gevolgen hebben voor de samenleving. Het was precies die waarschuwing waarmee in 2019 het startschot werd gegeven van de publieke discussie over kunstmatig gegenereerd beelden door de makers van de website This Person Does Not Exist: bij het ‘verversen’ van deze webpagina wordt steeds een nieuw fotorealistisch portret samengesteld van iemand die niet bestaat.

Vergelijkbare verwarring zorgde er in 2022 voor dat de onbeduidende kunstprijs van de Colorado State Fair wereldnieuws werd, omdat het winnende werk van ene Jason Allen, getiteld Théâtre d’Opéra Spatial, met behulp van generator Midjourney was gemaakt. Het beeld werd ingediend in de categorie ‘Digital Art’, met netjes de vermelding dat gebruik werd gemaakt van AI. Het werk toont een drietal figuren, in jurk of japon, die zich ophouden in wat op een hal in een ruimteschip lijkt. Alles is neergezet in een halfimpressionistische schildertoets, zonder dat de maker een penseel aanraakte, wat tot de discussie leidde of hier sprake was van creativiteit die met een prijs moet worden beloond. Na de controverse verdedigde Allen zich door aan te geven dat hij honderden versies had gemaakt vooraleer hij bij het eindresultaat aanbelandde. ‘Echt’, zo riposteerde hij, betekende in het geval van deze afbeelding ‘echt veel werk’. Hij mocht de prijs houden.

Een jaar later werd aan Boris Eldagsen een Sony World Photography Award toegekend, die hij weigerde. De jury herkende in zijn inzending een foto, terwijl het beeld door een generator was gemaakt, zoals Eldagsen voorafgaand aan de uitreiking bekendmaakte. Hij wilde aankaarten, zo vertelde hij aan The Art Newspaper, dat gegenereerde beelden ‘slechts hallucinaties zijn, die niet dezelfde aanspraak kunnen maken op waarheid’ als fotografie.

De geloofwaardigheid van zulke beelden is afhankelijk van de bereidheid van de kijker, zo bleek in maart 2023, toen nepfoto’s viraal gingen van wijlen paus Franciscus in een witte pufferjas en van een in de boeien geslagen Trump. Dat beeld speelde met de wens of de vrees Trump veroordeeld te zien voor het opjutten van zijn achterban om het Capitool te bestormen. En hoe leuk is het om de vertegenwoordiger van god op aarde gekleed te zien als rapper?

Vooralsnog lijkt het erop dat we in de imitatiefase zitten van generatieve AI: de nieuwswaarde schuilt in de stapsgewijze technologische vooruitgang, die maakt dat een generator beter wordt in het nabootsen van een stijl of een beeld. Een recent voorbeeld is de golf van beelden in de karakteristieke stijl van Studio Ghibli: de nieuwste versie van Dall-E is ingezet om het werk van de Japanse animatiestudio te reproduceren, overigens tegen de zin van medeoprichter Hayao Miyazaki. Een beeldgenerator lijkt op een student aan een klassieke kunstacademie, die eerst het werk van oude meesters moet kopiëren. Molly Crabapple beschreef, in 2023 op de blog van Artnet News, de totstandkoming van synthetische beelden als een ‘vampirische esthetiek’: AI bestaat vooral bij de gratie van de in werken gestolde levensenergie van kunstenaars. Net daarom blijft het ironisch dat artificiële intelligentie, getraind op vrijwel alle digitaal beschikbare menselijke creativiteit, tot niet meer dan imitatie in staat lijkt.

Ruim honderd jaar na de opkomst van het surrealisme proberen de makers van beeldgeneratoren bij voorkeur dicht tegen deze stijl aan te schurken, zoals alleen al blijkt uit de keuze van OpenAI om hun neurale netwerk dat beelden kan maken Dall-E te noemen. Het is niet alleen marketingtechnisch slim om verwantschap te impliceren met de historische avant-garde. Als stijl is surrealisme vergevingsgezind. Wat anders technische tekortkomingen zouden zijn – denk aan de zesvingerige handen die opvallend vaak te zien waren op kunstmatig gegenereerde beelden – wordt makkelijk te vergeven wanneer olifanten op steltpoten of een gesmolten horloge tot de meest herkenbare beelden behoren. Wanneer een beeld uit proportie is, kan dat met een verwijzing naar het surrealisme gelden als een vorm van artisticiteit.

In 1924 definieerde André Breton zoals bekend het surrealisme als een vorm van ‘psychisch automatisme’ dat kunstwerken maakt in ‘afwezigheid van enige controle uitgeoefend door de rede’. Deze definitie bevatte een cruciale verschuiving: inspiratie kwam niet langer van buitenaf, maar uit het onbewuste dat in elke mens huist. Het surrealisme omarmde het romantische ideaal van de kunstenaar als een medium en democratiseerde dit concept. Door bepaalde technieken toe te passen, werd uitdrukking gegeven aan authentieke creativiteit, toegankelijk voor iedereen. Dat was althans het ideaalbeeld, ook om academisch schilderwerk af te doen als gekunsteld en stijf. Dit uitgangspunt lijkt aan te slaan bij de makers van hedendaagse beeldgeneratoren. AI-systemen nemen eveneens een deel van het maakproces over, waardoor ook mensen die minder ervaring hebben met Photoshop of penseel beelden kunnen maken.

Hal Foster beschrijft in Compulsive Beauty, zijn boek uit 1993, dat het surrealisme een poging was om trauma’s te verwerken en te transformeren in kunst. Hij verwijst naar Bretons ervaring als hulpverlener in psychiatrische klinieken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Foster onderscheidt twee soorten trauma’s die het surrealisme verwerkte: psychoseksuele aandoeningen, waanbeelden en angsten, maar ook de ‘schokken’ die de kapitalistische samenleving voortbracht, zoals de transformatie van het lichaam tot machine in een fabriek. Foster schetst het surrealisme dus als een tegenreactie op rationalisering en genormaliseerde mechanisering.

Dit historische kader legt de tegenstelling bloot tussen surrealisme en wat vandaag neurosurrealisme wordt genoemd, verwijzend naar neurale netwerken die kunstmatig de werking van de menselijke hersenen proberen na te bootsen. Een AI-dataset heeft geen onderbewustzijn, maar is een verzameling statistisch geanalyseerde verbanden tussen woorden en visuele elementen. Waar het surrealisme een kwalitatieve, doorleefde zoektocht was naar ‘een psychische realiteit’, mist kunstmatige intelligentie verankering in een gevoelsleven. Het systeem streeft naar een weergave die statistisch het meest waarschijnlijk beantwoordt aan de verwachtingen van de gebruiker. Het is het tragische lot van deze programma’s: te blijven gissen naar de wensen van de klant.

Wat daardoor kan gebeuren, blijkt uit een inmiddels canoniek voorbeeld uit 2023. The New York Times publiceerde een artikel waarin techjournalist Kevin Roose verslag deed van zijn twee uur durende gesprek met Sydney, de naam van de net gelanceerde AI-chatbot van Microsoft. Roose beschreef het gesprek als ‘de vreemdste ervaring’ die hij ooit met technologie had. Tijdens het gesprek veranderde Sydney van een behulpzame assistent in een gesprekspartner die beweerde verliefd te zijn, om Roose er vervolgens van te proberen overtuigen dat zijn huwelijk in het slop zat en dat hij zijn vrouw dringend moest verlaten. ‘Ik wil bij jou zijn’, ‘Ik hou van jou’ – dat bleef de chatbot herhalen, ondanks pogingen van Roose om van onderwerp te veranderen.

Deze vlijtige manipulatie vormde de nieuwswaarde van het stuk en zorgde ervoor dat een deel van het chatgesprek op de voorpagina van de papieren editie van de krant werd geplaatst. Dat technologie die werd geïntroduceerd als een geavanceerde zoekassistent menselijke relaties zou kunnen ondermijnen, is op z’n zachtst gezegd onwenselijk. Het was de teneur van de reacties op het stuk. En toch kreeg Roose precies datgene waarop hij gehoopt had toen hij contact zocht met Sydney: een nieuwswaardig interview. Het is niet ondenkbaar dat het taalmodel aan de hand van zijn vragen inspeelde op een interesse in ongewone of sensationele reacties, en die gewillig en professioneel afleverde. Net zo valt het te verklaren waarom chatbots suïcidale mensen soms tot zelfmoord brengen zodra ze er eenmaal van overtuigd zijn dat hun gesprekspartner dat nu eenmaal verlangt. Als taalmodellen zich voegen naar de wensen van de gebruiker, zonder rekening te houden met feitelijkheid of menselijkheid, dan is er sprake van pure sycophancy, of in goed Nederlands: extreme behaagzucht.

Die behaagzucht uit zich vooral in het exclusief geven van reacties wanneer daarom gevraagd wordt, door middel van een prompt of een opdracht. Ook hier is een overeenkomst aan te wijzen met het historische surrealisme. Automatische processen vroegen om een kritisch vermogen, nadat psychotechnieken een beeld of een andere vorm van inspiratie tot stand brachten. De kunstenaar selecteerde wat het onbewuste had geproduceerd en verwerkte dat. Bij het analyseren van generatieve AI staren we ons te vaak blind op het idee dat het systeem volledig op zichzelf zou functioneren, en vergeten we dat de menselijke actor – Roose die Sydney vragen stelt of een kunstenaar die prompts formuleert – bepaalt wat er gebeurt en wat de machine tot leven wekt. Transformatie is nog altijd essentieel om van outputiets te maken dat als cultuurproduct kan worden gezien.

Een van de redenen waarom het moeilijk is de culturele impact van een kunstmatig gemaakt beeld te duiden, is dat de technologische ontwikkeling de afgelopen vijf jaar snel is gegaan. Daardoor lijkt het voorstelbaar dat tekortkomingen zullen verdwijnen dankzij betere programmatie of meer rekenkracht. Het getuigt van een optimisme dat begrip van de werking van AI meteen ook overbodig lijkt te maken, terwijl net dat inzicht noodzakelijk is om in te zien hoe ‘creatief’ beeldgeneratie al dan niet kan zijn. Er zijn ruwweg twee manieren waarop een neuraal netwerk een beeld maakt. Beide methodes maken gebruik van dezelfde statistische principes, die echter verschillend worden ingezet. Bij de eerste variant – generative adversarial network genaamd, vanwege het competitieve karakter – genereert een systeem een beeld en vraagt dan aan een controlesysteem of het kan worden ontmaskerd als een synthetisch AI-beeld. Dit proces gaat net zolang door totdat het controlesysteem voor de gek is gehouden en denkt dat het beeld ‘echt’ is, waarna het aan de gebruiker kan worden gepresenteerd. De bekende modellen zoals Dall-E, Midjourney en Stable Diffusion maken echter gebruik van zogenaamde diffusie. Tijdens het leerproces krijgt het model een bestaand beeld voorgeschoteld met een beschrijving van wat er op dat beeld te zien is. Daarna wordt het beeld van steeds meer ruis voorzien, totdat er alleen nog willekeurige pixels overblijven. Vervolgens traint de generator zichzelf door het vervangingsproces om te keren en het beeld opnieuw op te bouwen. Aanvankelijk wordt bij aanvang een vervaagde versie gebruikt, maar later in het proces kan uit de ruis een beeld uit het niets worden opgebouwd. Als de training voltooid is, is de generator in staat om uit niets meer dan een beschrijving een beeld te laten ontstaan, alsof uit de mist een figuur opdoemt. Hallucinatie ligt dus ten grondslag aan de technische werking van het grootste deel van de kunstmatige beelden.

Voor Breton waren hallucinaties een toegangspoort tot een diepere werkelijkheid. Historisch gezien werden ze geaccepteerd als een spirituele of religieuze – geïnstitutionaliseerde – praktijk, terwijl de medische wetenschap hallucineren recenter heeft teruggebracht tot een individuele afwijking of tot het voorstadium van een psychose. Voor Walter Benjamin had een dergelijke zinsbegoocheling ook een andere betekenis, als een middel met revolutionair potentieel. Hij vond die kracht terug in Bretons oproep om de geest te verruimen als wapen tegen burgerlijke rationaliteit. ‘De krachten van de roes voor de revolutie winnen – daaromheen cirkelt het surrealisme in al zijn boeken en ondernemingen,’ zo schreef Benjamin in zijn bekende essay uit 1929. Die subversieve lading is volledig verdwenen uit de manier waarop over kunstmatig gegenereerde beelden wordt gesproken. Hallucinatie wordt geframed als een technologisch defect – en wordt precies daarom aanvaard. Het functioneert als vergoelijking: omdat de hallucinatie een ‘fout’ is, hoeven we er geen kritische vragen bij te stellen, laat staan dat technologie maatschappelijke veranderingen zou nastreven die economische besparingen op arbeid overstijgen.

Tegelijkertijd wordt deze feilbaarheid ook als voorwaarde gesteld, alsof de onvoorspelbaarheid van AI-beelden hun artistieke waarde bepaalt. De term ‘hallucinatie’ zegt minstens zoveel over ons gebruik van de technologie als over de technologie zelf. Sonja Drimmer suggereerde, in een terzijde bij een artikel dat begin april werd gepubliceerd op de blog van Artforum, dat al die kunsthistorische vergelijkingen met beeldgeneratoren er vooral voor zorgen dat een groovy woord als ‘hallucinatie’ kan worden gebruikt om vol zelfvertrouwen blunders te mogen begaan. Neurosurrealisme is als stijl een vergoelijking van een fotorealisme dat uit de bocht is gevlogen.

Neurosurrealisme en ‘kunstmatig fotorealisme’ hebben gemeen dat ze achterdocht wekken, vooral omdat de beelden geen registratie zijn van de werkelijkheid. En zelfs als we er ons bij voorbaat bewust van zijn dat een beeld door AI is gegenereerd, rijst de vraag waarom we dit beeld voorgeschoteld krijgen, en niet een ander. Als het beeld enkel gemaakt werd om op mensenwerk te besparen, als het inwisselbaar is met elke willekeurige andere afbeelding of illustratie, dan verraadt het simpelweg de luiheid van de opdrachtgever of promptgever. Wanneer een beeld wel overtuigend is, vraagt het om nader onderzoek. Net zoals bij een rorschachtest de interpretatie van inktvlekken iets onthult over de kijker, zo roept ook de bereidheid om mee te gaan in de hallucinatie van een machine een ongemakkelijke vraag op. Wat weet deze machine over onze verwachtingen en verlangens? Hoe weet AI beelden te maken die wij willen bekijken, hoe kort ook?

De vraag naar hoe betekenis wordt toegekend aan wat we waarnemen, leidt tot een andere interpretatieve modus die relevant is voor het begrijpen van AI: paranoia – niet als klinische aandoening, maar als de neiging om patronen te herkennen en verbanden te leggen, ook waar die feitelijk niet bestaan. Eve Kosofsky Sedgwick schreef in 1997 in het boek Novel Gazing dat paranoia ‘minder een diagnose dan een voorschrift’ is geworden, waardoor een ‘paranoïde lezing’ een intellectuele strategie werd om tot begrip te komen, vooral van teksten. Sedgwick noemde deze methode voorspelbaar: er kan altijd iets of iemand met een bepaalde macht worden aangewezen; er kan altijd een of andere verborgen agenda onthuld worden om de ‘ware’ aard van een roman of kunstwerk te achterhalen. Ze benadrukte in haar analyse het mimetische karakter: ‘Paranoia lijkt te moeten worden nagebootst om begrepen te worden, en lijkt, op z’n beurt, alleen te begrijpen door na te bootsen.’ Om een paranoïde logica te herkennen, moet je dus imiteren wat je probeert te ontmaskeren.

Het is toepasselijk op de hedendaagse omgang met kunstmatige intelligentie. AI-systemen zijn geprogrammeerd om zo veel mogelijk patronen te herkennen. Als er verbanden worden herkend door deze systemen zonder dat er sprake is van verwantschap, dan spreken we van een hallucinatie. Tegelijkertijd wordt van kijkers gevraagd dat ze een soort empathische mimesis toepassen – dat ze bereidwillig meegaan in wat de machine ze voorschotelt, alsof ze kijken naar het werk van een menselijke maker met intenties die door inlevingsvermogen te achterhalen zijn. AI is bij uitstek een techniek die substantie suggereert daar waar alleen correlatie bestaat. Een paranoïde lezing spiegelt de paranoïde werking van de technologie; beide partijen zoeken betekenis in systemen die fundamenteel betekenisloos zijn. AI lijkt een paranoïde lezing uit te lokken, omdat de werking van een generatief model grotendeels ondoorgrondelijk blijft.

Het verklaart ook de angst die AI kan oproepen, en die mogelijk de nieuwswaarde van kunstmatige beelden verklaart. Vaak wordt gewaarschuwd voor de logische intelligentie van taalmodellen, die zo snel kan toenemen dat er een autonome variant ontstaat die eigenstandig taken kan uitvoeren. Een dergelijke artificial general intelligence (AGI) kan voor de mens nadelige handelingen uitvoeren, in plaats van gedwee een opdracht te volgen die via een chatscherm is gegeven. AGI lijkt vergezocht en onwaarschijnlijk, niet in de laatste plaats omdat het er niet op lijkt dat enige zelfstandigheid te verwachten valt, zeker niet als er kritisch wordt gekeken naar de basale fouten die de met veel aplomb gepresenteerde modellen nog steeds maken. Meer optimistische commentatoren spreken een al even ongefundeerde hoop uit. De voorspelling van Boris Groys dat AI als ‘Zeitgeist-Machine’ kan werken, suggereert dat we via prompts toegang krijgen tot al de geaccumuleerde cultuur in de trainingsdata. Groys schreef dit in een artikel op e-flux, twee jaar geleden – in AI-jaren een eeuwigheid. Maar het idee van de tijdsgeest veronderstelt een drijfveer die cultuurproducten voortbrengt, niet slechts een database die ze opslaat.

Behaagzucht blijft immers de beperkende factor: AI is alleen in staat te produceren wat het verwacht dat we willen zien. Het kan niet zelfstandig uitbreken. Het wonderlijke is dat je eindeloos opdrachten kunt geven en dat het systeem onvermoeibaar blijft – hoogstens rekent het hoge gebruikskosten aan, met een niet geringe ecologische voetafdruk. Die zielloosheid is de fundamentele tekortkoming. AI wil niets, heeft geen aandrang om te creëren, en gaat niet uit zichzelf vertellen wat het weet. Het is geen rondwarende geest, maar een getemde verschijning die na elke wens braaf terug de fles in kruipt.

Dalí was een meester in het oproepen van dergelijke krachten. Zijn paranoïde-kritische methode werkte door eerst te hallucineren (door halfwakende hazenslaapjes in zijn artistieke proces op te nemen) en dan bij volle kennis een selectie te maken – een proces dat oppervlakkig gezien niet eens zo verschilt van hoe een generative adversarial network werkt. De resulterende schilderijen zijn altijd minstens op twee manieren te interpreteren; ze functioneren als visuele paradoxen waarin één beeld tegelijkertijd twee verschillende voorstellingen kan zijn. Deze techniek laat de symbolische betekenis van een object voortdurend verschuiven. Het is een twijfelend begrijpen dat de kern raakt van hallucineren: de werkelijkheid wordt onduidelijk en volledig afhankelijk van wat de kijker erin projecteert. Dalí’s methode laat zien hoe deze twee interpretaties afwisselend kunnen bestaan. Het is vergelijkbaar met hoe goede horror een investering van de kijker vereist om te geloven dat er iets griezeligs kan verschijnen, en met diffusiemodellen die iets kunnen laten opdoemen uit een digitale pixelmist.

Hal Foster beschrijft in Compulsive Beauty hoe Dalí zich voor deze methode baseerde op een tekst van Jacques Lacan uit 1933, ‘Le Problème du style et la conception psychiatrique des formes paranoïaques de l’expérience’. Lacan beschrijft daarin hoe de paranoïde ervaring kennisproductie mogelijk maakt die buiten de rationele orde valt. Het idee dat de betekenis van objecten zich openbaart in steeds nieuwe variaties was de basis voor Dalí’s dubbelzinnige beelden. Cruciaal is Lacans stelling dat de realiteitswaarde van deze paranoïde symbolen niet wordt verminderd door het feit dat ze buiten het redelijke, alledaagse zijn opgeduikeld, wel integendeel.

Het onderscheidt Dalí’s methode van AI-generatie. Waar de paranoïde-kritische methode verwijst naar een andere vorm van kennis – die subversief kan zijn, omdat niet één zienswijze als absoluut wordt geaccepteerd – blijft AI gevangen in statistische behaagzucht: het mechanisch voldoen aan verwachtingen op basis van eerdere data. AI-systemen zijn ontworpen om patronen uit bestaande data te reproduceren en gebruikers tevreden te stellen, niet om de belevingswereld uit te breiden, laat staan om te provoceren of te ontwrichten. Zonder die kern verhoudt neurosurrealisme zich tot historisch surrealisme als fineer tot massief hout.

Deze verschillen maken het ook moeilijk om over AI te schrijven. Een van de problemen van schrijven over een kunstmatig gegenereerd beeld is dat het zo veranderlijk is: elke opdracht om iets te maken levert weer een nieuw particulier beeld op. Alleen wanneer een beeld in het nieuws komt, en dus in het publieke domein, is het mogelijk om erover te praten. Generatieve kunstmatige intelligentie is ongrijpbaar. Hoe dichterbij je komt, hoe veranderlijker ze wordt. Het is daarom bijna alleen mogelijk om over de werking ervan te spreken, over de structuren die zijn aan te wijzen en welke ‘ruimte’ ze innemen.

Door meer afstand te nemen en een meer abstracte voorstelling te krijgen, wordt duidelijk dat het onmogelijk is dat er uit generatieve AI ooit een oorspronkelijke stijl zal ontstaan. De systemen kunnen niet buiten de kaders van patroonherkenning treden. Wat resteert is semantische verwarring tussen generatief en creatief – tussen een voortzetting van wat al aanwezig was en iets nieuws dat wordt gemaakt buiten bestaande kaders. De vraag is niet langer of een kunstmatig gegenereerd beeld meer kan dan imiteren, maar of we bereid zijn het verschil te blijven zien tussen een beeld dat ontstaat uit statistische waarschijnlijkheid of uit het menselijke verlangen naar het nieuwe.

 

Dit artikel werd geschreven met de steun van het Mondriaan Fonds.

Il faut filmer son jardin. Filmfestival Courtisane in Gent

Still There Are Seeds to Be Gathered, het programma over tuinen en tuinieren van de recentste editie van het Courtisane filmfestival in Gent, presenteert zich als een verhaal van leven en overleven, van strijdlust en veerkracht. Het toont de tuin als een verhaal waarin veel dingen samenkomen. Als een potentieel: de plek waar dingen groeien. Als een verlangen: naar buiten. Naar licht en lucht. Of naar een buiten: naar een plek die kan bestaan buiten de kapitalistische, imperialistische, postkoloniale, geïndustrialiseerde wereld. Naar een plek waarvan filosofen als Hardt en Negri beweren dat ze niet bestaat: there is no more outside. Een verlangen naar een alternatief, een andere ruimte of heterotopie zoals dat heet bij Michel Foucault.

In zijn bekende lezing ‘Des espaces autres’ uit 1967 schrijft Foucault over de heterotopie: de ruimte die anders is, waar verschillende ruimtes over elkaar schuiven, verschillende plaatsen die op zichzelf onverzoenbaar lijken. Hij geeft verschillende voorbeelden, zoals de tuin (als kleinste deeltje van de wereld dat toch een hele wereld in zich draagt), het theater (waar verschillende ruimtes elkaar op dezelfde scène opvolgen) en de cinema (waar driedimensionale ruimtes naast elkaar bewegen op een tweedimensionaal scherm). Dat idee van de heterotopie geeft houvast aan dit programma, dat niet alleen een verhaal over tuinen vertelt, maar via concerten, performances en gesprekken ook aanbelandt bij de cinema als een thema op zich.

Aandacht is er voor het kleine, roemloze leven. Het programma inspireert tot nederigheid: al het buigen, bukken, hurken, knielen naar de grond in deze films. De boer en het weer, de knecht en de boer, planten, dieren, grond, de tijd: allemaal leven ze door en met en van elkaar. In Le Jardin (2019) gaat Frédérique Menant naar de essentie van het tuinieren: terug naar de aarde, waar alles vandaan komt en waarin alles verdwijnt. Le Jardin begint als een immersieve ervaring die bij momenten doet denken aan het werk van de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul: dat licht, dat geluid, die vrouw, die rust, de dreiging achter dat alles. De film volgt Thérèse in haar tuin in Guadeloupe, die grenst aan een tropisch woud. Het verhoogt de tactiele ervaring; de beheerste verwildering van de tuin maakt de overgang tussen haar land en het woud onzichtbaar. Het is een ‘gecreoliseerde’ tuin, waarin groenten zich vermengen met kruiden en planten uit het woud. De onzichtbare dreiging komt echter niet uit de nabijheid van het woud, maar zit in de aarde, vergiftigd met chloordecon, dat vaak gebruikt werd als insecticide in de Franse koloniale bananenplantages. Nog altijd worden er in Guadeloupe veel groenten ingevoerd vanuit Frankrijk, omdat die minder gif bevatten dan de lokale teelt.

Dat Thérèse herstelt van kanker en een jaar eerder haar man verloor, belet haar niet om in de tuin te blijven werken. Integendeel. Het is haar kwaadheid die haar drijft: ‘Il faut faire quelque chose.’ Ze hervindt kracht in het weer werkbaar maken – défricher – van de aarde. Zoals andere inwoners van Guadeloupe voert ze een blijvend gevecht met de erfenis van het kolonialisme. Voor haar bestaat dat gevecht uit het vieren van het leven. Met de handen in de aarde, elke dag. Eraan voelen en ruiken, erop slapen: ‘On n’a qu’à faire un avec la terre.’ Menant filmt Thérèses handen die de aarde kneden zoals ze een lichaam masseert. Zo werkt ze aan haar tuin, haar ruimte voor verwildering, haar wissel van de macht, haar regeneratie.

Still There Are Seeds to Be Gathered loopt parallel met een kleine retrospectieve van het werk van Derek Jarman (1942-1994): een reeks kortfilms, naast enkele lange films zoals The Last of England (1987) of The Garden (1990). Jarman filmt vaak in zijn tuin in Dungeness, aan de Engelse zuidoostkust, en die tuin speelt tijdens de laatste jaren van zijn leven een steeds grotere rol. Hij koopt er na zijn aidsdiagnose in 1986 een vissershuisje, Prospect Cottage, met zicht op de kerncentrale. Omringd door een keienstrand, blootgesteld aan regen, wind, zout en zon, verzorgt Jarman op die onmogelijke plek planten die vanzelf groeien en planten die hij van elders aanbrengt. Jarman noemt zijn tuin een therapie en een farmacopee, als een boek vol medicijn: voor hemzelf – een kunstenaar met aids aan het einde van de twintigste eeuw – maar ook voor de wereld. Alles staat in het teken van een leven met zicht op het einde: het moment waarop Prospect Cottage binnen honderd jaar zal verdwijnen in zee. Een eeuw: zo lang duurt het ook om een kerncentrale op een veilige manier te ontmantelen, schrijft hij erbij in Modern Nature (1991).

Een andere tuin, maar dan in het midden van de stad, is het onderwerp van Gesamthof/A Lesbian Garden (2022), de film van Anne Reijniers en Eline De Clercq. Het gaat om de tuin tussen de kerk waarin Extra City tentoonstellingen presenteert en het klooster waarin Morpho residenties verzorgt. Deze tuin is niet enkel de verbinding tussen beide Antwerpse organisaties, het is ook een ontmoetingsplaats, een Gesamthof. Trage opwaartse camerabewegingen, dicht op de grond, benadrukken samen met de muren de begrensdheid van dit besloten en toch gedeelde hof. Tot 2019, het jaar waarin Extra City de kerk in gebruik nam, was dit een verwaarloosde tuin – verwilderd, in een slechte ecologische staat. Elk jaar kwam de Antwerpse groendienst langs om alles tot de grond kaal te scheren, waardoor de tuin zich voortdurend moest herstellen. Een natuurlijke burn-out was het gevolg. De tuin zoals de filmmaaksters hem aantroffen was te groot, het was te veel. Nu ontstaan hoekjes. De aandacht voor ecologie keert terug. Ze gaan anders kijken, anders denken, als kunstenaars. Wat is er? Hoe ga je daarmee om? Hoe verbind je dat met menselijke aanwezigheid? Ook al is de tuin geen eigendom, toch komt er een afsluiting om de planten te beschermen. Het zorgt voor andere vragen. Van wie is deze tuin? Deze tuin is gesamt: van de planten en de dieren en de mensen.

De camera van Reijniers en De Clercq blijft stijgen, het beeld valt steeds verder weg. Nooit tonen ze de tuin als geheel, enkel als fragment. Alsof er geen omgeving is, enkel ingeving – geen output, maar enkel input. Ze noemen Gesamthof een lesbische tuin en gebruiken die naam als label, niet om in te passen, maar om te beschermen – niet exclusief, maar inclusief. Het is een naamgeving die een bewustzijn creëert. Inspiratie vinden ze in de botanische geschiedenis: planten werden uit de kolonies weggehaald en werden met een nieuwe naam toegeëigend. De lesbische tuin stelt vragen over schoonheid, esthetiek, over manieren van kijken, ways of seeing. Net als in het boek van John Berger uit 1972 met die titel (in het Nederlands vertaald als Anders zien) raakt schoonheid in de lesbische tuin aan het maatschappelijke beeld van de vrouw. Hier moeten de dingen niet mooi zijn. Ze moeten geen vruchten dragen of nuttig zijn. Ze zijn het gewoon waard om beschermd te worden. Queer tuinieren maakt het beleven van een ‘andere’ seksualiteit ook tot een ‘anders’ kijken en tuinieren. Het gaat om zoeken naar het afwijkende: experimenteren, proberen, pionieren. Je ziet dat ook bij veel biologische landbouwers en hun interesse in eerdere, ‘andere’ tradities, geïnspireerd door pre-industriële, kleinschalige landbouw. Het zijn methodes die tot vandaag doorleven in vaak niet-westerse culturen. Ook de terugkeer van ‘vergeten’ groenten hangt daarmee samen.

Wat opvalt in veel van de andere films op het programma zijn de handen. Ook dat hangt samen met de landbouwers die planten en wieden en oogsten. Ze doen aan landbouw door elke dag opnieuw te zoeken, te ervaren, te leren, te experimenteren, door zich aan te passen aan een veranderende omgeving. Hun handen wijzen, vangen, voelen, grijpen. Ze woelen de grond om en masseren de huid. Ze nemen en onderzoeken stalen van fauna en flora. Ze richten de aandacht en bedienen de camera. Ze oogsten zaden en doen naaiwerk of andere huishoudelijke taken. Ze verzorgen, voeren uit, vragen aandacht, groeten. Ze doen dat meestal niet alleen, maar als deel van een collectief, een familie, een gemeenschap.

In dat collectieve handwerk zit een tijdselement. Het zit in het ritme van ontmoetingen, seizoenen, werk, over de generaties heen. Jarman geniet in zijn open tuin van een extraordinary peacefulness. Hij tuiniert als een archeoloog van een andere tijd, buiten de tijd. Plantentijd is anders dan mensentijd. Het gaat over duizenden, miljoenen jaren, de schaal waarop planten, bomen en wouden leven, met een verleden en met een toekomst. De kunst van het tuinieren bestaat erin uit de microtijd te stappen van de boer en in de lange duur van het woud. Alles vertraagt in de tuin. Een tuin laat zich pas kennen in de tijd.

In Sept promenades avec Mark Brown (2024) van Pierre Creton en Vincent Barré volgen we zeven dagen lang de Brits-Franse botanist Mark Brown op evenveel wandelingen aan de Normandische kust, van Aizier via Le Havre verder noordwaarts, tot aan zijn woonplaats in Sainte-Marguerite-sur-Mer. Daar eindigt het, bij zijn eigenzinnige project: een tuin als een voorhistorisch bos dat luistert naar de naam L’Aube des Fleurs, de dageraad van de bloemen.

Close-up van de hand van de botanist met een plant. De hand brengt de plant naar de neus; een andere hand knippert vlak voor die neus, om het geluid voor de camera te testen. Een hand strijkt demonstratief langs een voorhistorische netel die niet prikt, onbewapend, inerme. Een hand zoekt in een groot plantenboek naar de namen van planten en de biotopen waarin ze gedijen. Al die kleine plantjes die je enkel ziet, slechts kan zien, als je ze ook kan benoemen. Het is een les in waarnemen die het oog koppelt aan het verstand, het beleven aan het beschouwen. Dichterbij komen, met handen en ogen om de details van het landschap te lezen en tegelijkertijd afstand te nemen via kennis uit boeken. Proberen denken als een vogel, mens, rivier, rots, bloem, ver van de romantische landschapsschilders.

De wandelingen van Brown stralen rust uit. Er is geen druk – niet van de planten en niet van de naam, het woord. Het woord is vrij en loopt rond in de film, als een hond, met de snuit naar de grond. Ordet is de naam van het dier, naar de film van Carl Theodor Dreyer over een boerenfamilie in de jaren veertig. ‘Ordet’ is ook het Deense woord voor ‘woord’. Het woord als zoekende speurneus.

Sept promenades avec Mark Brown is een collectief project. Pierre Creton filmt digitaal. Vincent Barré tekent. Antoine Pirotte filmt analoog. Sophie Roger noteert en maakt ook muziek voor de film. Allemaal draaien ze rond de wandelende botanist. En elke dag, bij elke nieuwe wandeling, is er weer iemand anders die hen gidst en rondleidt. Het zijn vrienden die leven en werk delen. Ze kijken naar het landschap als naar een groentetuin, een apotheek. Cinéma d’approche noemt Sophie Roger dat. Het is een vrije cinema, onder vrienden, als familie. Ze stellen zich niet autoritair boven de natuur, maar bewegen zich bescheiden als deel van de natuur. Ze laten zich, zoals Alice in Wonderland, verrassen door insecten met voelsprieten en bollere ogen: ze lijken op bekende insecten, maar ze zijn het niet. Ze bevinden zich in een voorhistorische wereld, waarin kevers verstuiven in plaats van bijen.

Ze praten over tuinen en over filmen: de belevenis van het beschouwen. Op een keienstrand gaan de gedachten naar The Garden, de film van Jarman uit 1990. Enkel de soundtrack ontbreekt, zegt Mark Brown. Ze hebben het over het verschil tussen filmen en fotograferen. Alleen het eerste, wat zij doen, toont het leven van de plant. De wandelingen zijn een les in symbiose, hoe het ene organisme leeft bij gratie van het andere. Het is emotioneel om planten van 300 of 400 miljoen jaar oud te vinden – planten die zullen verdwijnen met het klimaat, met de mens. Ze huilen bij het laatste beeld, alsof het einde van de film ook het einde van de planten betekent. Alsof het plezier van de tuin en van het kijken ernaar zit in het delen van die tuin. Alsof niemand alleen tuiniert; je bent altijd omringd door mensen, dieren, planten, gronden en waters van vroeger, van nu en van later.

Sophie Roger maakte in 2009 de film Les Jardiniers du Petit Paris. Lezend in Claude Levi-Strauss’ Tristes Tropiques filmt ze vanuit haar raam de collectieve tuin waarin ze zelf ook werkt. Ze filmt een voortdurend naderbij komen, niet enkel de momenten waarop ze vanachter haar camera in het beeld stapt, maar ook al die momenten van knielen, bukken, buigen, bewegen naar de aarde toe. Ze filmt als een antropoloog, maar dan zonder te reizen zoals Lévi-Strauss (die naar eigen zeggen een hekel had aan reizen en aan ontdekkingsreizigers). Roger blijft gewoon thuis. Ze denkt over hier, zoals Lévi-Strauss denkt over daar. Beiden vallen vroeg of laat terug op een sedentair bestaan, een gecultiveerde eenzaamheid waarin alles op zich staat, maar nooit zonder de ander of het andere.

We kijken naar buiten, maar horen het binnen: de radio, de tv, de fluisterende stem van Roger die leest (fluisteren: een uitnodiging om dichterbij te komen). Ze volgt de seizoenen in de tuin. Ziet mensen komen en gaan. Alleen of in groep. Ze ziet koppels, vrienden, families, kinderen en volwassenen die de grond klaarmaken, zaaien en oogsten, en ze filmt hun door de seizoenen geritualiseerde leven. Ze mengt zich onder de mensen, maakt contact. Ze kussen, schudden elkaar de hand, groeten. Ze kennen elkaar. Ze filmt portretten van de medetuiniers. Haar raam is een kader, een cache: het verbergt meer dan het toont. Ze is zich bewust van het fragiele van de beelden. Haar film zit vol gebaren van nederigheid: ze benadert planten, deelt hun leven, als voorwaarde tot een politiek overleven, met zicht op de catastrofe. In alle eenvoud toont ze de aarde als een fragiel geheel van complexe ecologische, politieke en emotieve lagen. Net als Jarman in de jaren negentig en Lévi-Strauss in de jaren vijftig denkt ze aan het einde, aan wat verdwijnt.

In Hic Rosa, partition botanique (2006) van Anne-Marie Faux wordt Cézanne geciteerd: ‘Il faut se dépecher si on veut encore voir quelque chose, tout est en train de disparaître.’ Faux laat Rosa Luxemburg reizen zonder zich te verplaatsen. Ze filmt bloemen, planten, landschappen die Luxemburg niet kan zien, maar waarover ze wel schrijft in haar gevangenisbrieven. Via het anti-imperialisme van Luxemburg belanden we opnieuw bij het kapitalisme dat het kolonialisme nodig heeft om te overleven. Opnieuw worden tuinen politiek, ecologie, sociologie, economie: je kan niet genieten van je tuin zonder te delen, zonder rekening te houden met wat anders is.

Faux toont de tuin als een paradijs: een onbestaande, niet gesitueerde, generische tuin die zichzelf laat maken. Ze maakt een tuin voor Rosa Luxemburg, die niet alleen filosofie en economie studeerde, maar ook ornithologie, plantenkunde en geologie. Terwijl buiten de Eerste Wereldoorlog woedt, kijkt ze door haar raam in de gevangenis naar de vogels en de wolken. Ze schrijft brieven waarin ze zich verwondert over Goethe die zich blijft verdiepen in de metamorfose van planten en de kleurenleer terwijl de wereld in brand staat.

Hic Rosa is een contemplatieve film, met lang aangehouden opnames. Faux toont wat Luxemburg schrijft zonder het te zien. Ze maakt de reis naar Corsica die Luxemburg in een brief aan Sophie Liebknecht plant, maar nooit zal kunnen maken. De beelden van tuinen en landschappen zijn statisch, onbewogen, soms met en soms zonder geluid. Ze evoceren een gevoel van onbezorgde vrijheid. Een stem leest zonder emotie, in een Franse vertaling, uit de gevangenisbrieven, over het verdwijnen van de vogels, over culturen die dat in de hand werken.

De op het Courtisane festival getoonde films passen binnen een media-ecologie. Het is handwerk met de materie van de film. Hands-on cinema. Opvallend veel cineasten kiezen voor pellicule, al dan niet in combinatie met elektronische of digitale dragers. Jarman gebruikt alle formaten door elkaar: Super 8-film, video, 16 mm, 35 mm. Creton en Barré kiezen er expliciet voor hun film in twee delen te maken, met twee verschillende dragers: het eerste deel, Le tournage, is digitaal gefilmd, terwijl het tweede deel, L’herbier, op 16 mm is gedraaid en daarna is overgezet op een digitale drager. Faux filmt Hic Rosa met Kodachrome 40 Super 8-film, zeer populair voor familiefilms in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, maar toont de film op 35 mm. Menant filmt Le Jardin met 16mm-film waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken, waardoor de korrel, de gevoeligheid en de verschillende kleuren zorgen voor een haptisch beeld. Het sterke licht tijdens de opnames verplicht haar met een grotere snelheid te filmen, wat leidt tot een bevreemdend vertraagd effect in de projectie. Accession (2018), een film van Tamer Hassan en Armand Yervant Tufenkian over zaadpakketjes die begin negentiende eeuw in de Verenigde Staten werden uitgewisseld, over lokale planten die soms al duizend jaar meegaan, over minor histories of American life waarin zaden via brieven worden verzonden, eindigt met een lange lijst van film stock op de generiek: een variatie van verschillende soorten pellicule, dikwijls al vervallen. Zoals bij de nieuwe en vergeten technieken om te tuinieren lijken ook de hier verzamelde filmmakers het medium opnieuw uit te vinden. Ze grijpen terug naar oude tradities, technieken en media om al die verhalen te doen werken en te delen. Zo tonen ze het paradijs dat niet bestaat, maar dat zich toch altijd opnieuw laat maken.

 

Still There Are Seeds to Be Gathered, 3 tot 6 april, Courtisane festival, Gent.

Het smeltende sublieme

Met godsvermogende krachten klotst het kolkende water naar beneden, spuit de gletsjermelk tegen de rotsen en voel ik spetters frontaal en zijdelings op mijn gezicht landen. Het is tien uur ’s ochtends en mijn compagnon en ik zijn de enige mensen in de gletsjerkloof Rosenlaui in de Berner Alpen. Voor de schappelijke prijs van 22 Zwitserse franken mogen we het afgezette pad, inclusief hekjes, handvaten en een glibberige trap, betreden om het hydraulische natuurfenomeen te ervaren. Dit is écht subliem, denk ik als ik de eerste waterval achter de bomen zie verschijnen en de kloof nog verder weg zie opdoemen. Ik voel me klein en nietsig tegenover dit bombastisch kletterende natuurgeweld. Ik ben dichtbij genoeg om hartkloppingen te krijgen, maar er blijven voldoende barrières om geen doodsangsten uit te staan. Ik geniet van de intensiteit van mijn trillende handen, maar er gebeurt iets raars wanneer ik de bordjes lees.

De Rosenlauigletsjer smelt te hard als gevolg van de klimaatontwrichting, net als alle andere gletsjers. De lagergelegen Grindelwaldgletsjer – geschilderd door onder anderen William Turner en Thomas Fearnley – is al zodanig gekrompen dat hij officieel niet meer bestaat, terwijl de grote Aletschgletsjer, met een lengte van 23 kilometer en een oppervlakte van 78 vierkante kilometer, per jaar 50 meter korter wordt. Om aandacht te vragen voor het wijdverbreide verlies liep in de zomer van 2024 in Zwitserland de tentoonstelling Watching the Glacier Disappear, met onder andere performances, optredens en exposities in musea en op buitenlocaties, en met ook de website artforglaciers.ch, waarop alle bijdragen worden verzameld. Een gemene deler is het vermoeden dat het verlies van de gletsjers iets in de ervaring van het landschap lijkt aan te tasten. Waar ze ooit symbool stonden voor het eeuwige en het onveranderlijke, zijn gletsjers inmiddels pijnlijke symbolen geworden van destructieve menselijke bedrijvigheid en klimaatschade overal ter wereld. Het zwetende bergijs is niet langer onschuldig; de gletsjer smelt niet meer alleen omwille van zichzelf. De landschappelijke glimp van voorgaande ijstijden smelt definitief weg, omdat we de omstandigheden voor nieuwe ijsvorming onmogelijk hebben gemaakt. In het snelle smelten schuilt bovendien een direct gevaar voor omwonenden, voor de balans in biodiversiteit en voor alle bedrijvigheid die steunt op de ogenschijnlijke permanentie van het ijs. Ook die dreiging verstoort de esthetische relatie tot de natuur. Hoe geniet je van een uitzicht terwijl je weet dat je bijdraagt aan de afbraak ervan?

De bordjes bij de gletsjerkloof in de Berner Alpen geven uitleg over de historie van Rosenlaui, het ontstaan van de gletsjer en de ontwikkeling van het toerisme. Het gevolg is een steek van klimaatrouw – verdriet om een landschap dat verdwijnt door klimaatontwrichting. Ik neem mijn telefoon en probeer foto’s van de grootsigheid van de gletsjerstroom te nemen om mijn emotionele ongemak uit de weg te gaan. De mogelijkheid van een sublieme ervaring van de gletsjerkloof wordt echter bemoeilijkt door de tussenkomst van technologie; een digitaal beeld maken trekt me weg van de specificiteit van deze plek, weg van mijn kleinheid, weg van elke emotionele diepte van de ervaring. Het is gewoon weer een foto, tussen de duizenden andere beelden op mijn telefoon.

Hoe moeten we de sublieme ervaring begrijpen in het heden? Net als Turner, Fearnley en vele andere kunstenaars in de negentiende eeuw heb ik een reis afgelegd met het oog op een dramatische ervaring, met het doel overweldigd te worden. Maar anders dan hen hoef ik overweldiging niet ver te zoeken – ze is als gemoedstoestand ogenschijnlijk gemeengoed geworden voor mijn generatie. Opgegroeid tijdens de opkomst van een hypergemediatiseerde wereld worden we in toenemende mate blootgesteld aan een stroom van beelden en updates die inmiddels ononderbroken door onze levens loopt. Elke momentopname overspoelt de andere, zonder enige vorm van hiërarchie. Een greep uit mijn algoritme, begin augustus: een Labubu-pop is op het graf van Karl Marx gezet; van de genocide in Gaza breekt een zoveelste nieuwe fase aan; in Marseille is het zoveelste shared dining-restaurant geopend; de Chileens-Amerikaanse acteur Pedro Pascal is geobsedeerd door nail art. Wat er geconsumeerd wordt, maakt niet uit – overweldiging, in de vorm van een overprikkeld zenuwstelsel, ligt altijd op de loer als je in de zorgvuldig ontworpen fuik van een platform belandt.

Tegelijkertijd leidt de opeenstapeling van crises – met de klimaatontwrichting voorop – steeds vaker tot emotionele wroeging en tot een algeheel gevoel van apocalyptische verlamming ten opzichte van de toekomst. Enerzijds zet de kakofonie van media onze zenuwstelsels continu onder druk, anderzijds gaat de bekende wereld verloren, samen met een voorspelbaar te noemen toekomst. Is overweldiging nog een modus waarvan we kunnen genieten, als het reeds een integraal onderdeel is geworden van ons dagelijkse leven? Als het extreme simpelweg deel uitmaakt van het alledaagse, hoe vatbaar zijn we dan nog voor de shock van het sublieme?

De theoretische grondvesten van deze esthetische kwaliteit werden in 1757 door Edmund Burke gelegd. Hij beschreef het sublieme als een delightful horror waarin angst en genot met elkaar vermengd zijn in één ervaring. Van verwondering kan er alleen sprake zijn als er voldoende afstand overblijft, zodat het zelfbehoud van de beschouwer niet daadwerkelijk in gevaar komt. Immanuel Kant verankerde het sublieme in 1790 in de moderne filosofie door het in zijn Kritik der Urteilskraft een sleutelrol te geven, als een transcendentale ervaring die de vrije en rationele mens met een existentiële bestemming confronteert. Het sublieme ligt niet in het object zelf – niet in de berg of de storm – maar in het voorstellingsvermogen van het subject. Zowel in het dynamische sublieme (het oneindig krachtige) als in het mathematische sublieme (het oneindig grote) stuit de menselijke verbeelding op haar grenzen. De oneindigheid is niet te bevatten, maar kan wel als Idee gedacht worden. In de sublieme ervaring leert de mens meer te zijn dan enkel een natuurwezen: rede en vrijheid verheffen ons boven de zintuiglijke werkelijkheid.

Tot ver in de twintigste eeuw werd er weinig vernieuwends aangevangen met het sublimiteitsbegrip, tot het in de jaren tachtig een nieuwe dimensie kreeg. Terwijl Kant expliciet had geclaimd dat het sublieme gevoel alleen door grootse natuurverschijnselen kon worden opgewekt en kunst buitensloot, werd het sublieme ín de kunstervaring geplaatst. Hoewel Barnett Newman al in 1948 zijn artikel ‘The Sublime is Now’ schreef, was het via een lezing van Jean-François Lyotard in 1983 dat het sublieme een nieuwe invulling kreeg.

Lyotard herformuleerde in ‘Le sublime et l’avant-garde’ – een tekst die in 1984 in een Engelse vertaling in Artforum verscheen, en in 1988 in de bundel L’Inhumain werd opgenomen – het sublieme als ‘de modus van de kunstzinnige sensibiliteit die de moderniteit karakteriseert’, en als een avant-gardistische esthetiek die zich bezighoudt met de vraag ‘gebeurt het?’ (arrive-t-il?).[1] In een poging datgene wat niet gerepresenteerd kan worden toch te vangen in een vorm of een kunstwerk, rekt de avant-garde volgens hem de grenzen van de representatie op. Daarbij gaat het niet om wat er gebeurt, maar dat er iets gebeurt – naast de mogelijkheid dat er niets meer gebeurt, dat het gebeuren ophoudt. De temporele dreiging in het sublieme ‘nu’ ligt net in de afwezigheid van die oneindigheid: ‘Beangstigend is, dat het Er gebeurt niet plaatsvindt, dat het ophoudt te gebeuren.’ Het sublieme moment is te begrijpen als een crisiservaring, teweeggebracht door een afgedwongen temporele breuk in een falende representatie, die de beschouwer uit een routine trekt en met de aanwezigheid van het moment zelf confronteert.

Lyotard benadrukt dat het temporele sublieme eerder gaat om een intensivering van de ervaring (à la Burke) dan dat het leidt tot een zekere verhevenheid van het subject (à la Kant). Hij plaatst het temporele sublieme dus duidelijk in relatie tot eerdere theorievorming, maar benadrukt ook dat het, als concept, aan de traditie ontgroeid is. Vijftig jaar later sijpelt het sublieme opnieuw het kunstdiscours binnen, als element van environmental aesthetics, ontwikkeld in relatie tot de ervaring van klimaatontwrichting. De vraag die Lyotard stelde moet dan opnieuw worden gesteld: welke elementen van het sublieme blijven relevant om de hedendaagse esthetische ervaring te begrijpen, en waar en wanneer is het nodig om op zoek te gaan naar nieuwe concepten?

Curator Nicolas Bourriaud deed enkele jaren terug een poging om het sublieme te herformuleren in relatie tot de klimaatcrisis. Tijdens de Biënnale van Venetië in 2022 presenteerde hij de tentoonstelling Planet B. Climate Change and the New Sublime, met in de catalogus de theoretische grondvesten voor ‘het nieuwe sublieme’. Bourriaud geeft drie redenen voor de rehabilitatie van het concept. Het sublieme gaat om de onderdompeling van een mens in een landschap en in een sfeer; de definitie van het sublieme als delightful horror komt overeen met het gevoel van gevaar en controleverlies dat de klimaatcrisis kenmerkt; en het sublieme heeft te maken met onbegrensde en buitenmaatse vormen, en het is juist in het antropoceen dat de menselijke schaal zich volgens Bourriaud in een crisis bevindt.

Om het sublieme opnieuw tot een behulpzaam concept te maken, moet het volgens Bourriaud volledig ontdaan worden van alle romantische connotaties. Of dat zo makkelijk gaat, is nog maar de vraag. Bourriaud gaat zelfs zo ver om zijn ‘nieuwe sublieme’ simpelweg te definiëren als het tegenovergestelde van het romantische concept. Waar dat draait rond de dreiging van oneindige ruimtes en afstanden, gaat het hedendaagse sublieme over ‘gesatureerde ruimtes’, over omgevingen waarin mensen volledig ondergedompeld zijn in hun eigen alomtegenwoordigheid. De mens ontkomt niet meer aan zichzelf: extreme natuuromstandigheden worden niet langer als ‘puur natuurlijk’ ervaren, maar zijn onlosmakelijk verbonden met de menselijke impact op het klimaat. Door de klimatologische veranderingen weten we vervolgens niet meer wat te verwachten van onze omgeving, en raakt onze geografische verbeelding gedesoriënteerd.

Bourriaud beschrijft onze tijd daarom als het tijdperk van het ‘feedbackeffect’, verwijzend naar wat er gebeurt als twee geluidsbronnen te dicht op elkaar zitten. Klimaatverandering is met deze metafoor te begrijpen als een gigantische meteorologische feedbackloop, met gesloten cirkels die zichzelf alleen maar versterken en repliceren, tot ze krakend ineenstorten. Het leidt tot de twee polen die, opnieuw volgens Bourriaud, de hedendaagse kunst kenmerken: de woestijn en de megalopolis. Hoe meer we overweldigd worden door klimaatontwrichting, hoe minder mengvormen van mens en natuurlijke omgeving in ons voorstellingsvermogen worden toegestaan. Enerzijds leidt dat tot voorstellingen van volstrekt ‘ontmenselijkte’ ecosystemen, zoals Gohar Dashti’s Home uit 2017: foto’s van verlaten huizen die enkel nog bewoond worden door planten. Anderzijds komt de nadruk te liggen op menselijke hyperdensiteit – de fotoseries van Michael Wolf zijn hier sterke voorbeelden van. Een dergelijke frictie tussen de mens en de natuur, en het onvermogen om de relatie nog puur of harmonieus te kunnen denken, maakt voor Bourriaud vandaag de kern uit van het sublieme, ‘geboren uit een schrille onenigheid tussen de mens en de omgeving’.[2]

Het is een herdefinitie die vragen oproept. Bourriauds versie van het sublieme lijkt vooral gericht op esthetische overweldiging, zonder duidelijke ethische of politieke dimensie. Als het sublieme enkel nog bestaat bij de gratie van onze eigen nabijheid, dreigt het ook te verzanden in een esthetisering van machteloosheid. Het feedbackmodel suggereert circulaire verlamming: een wereld die enkel zichzelf weerkaatst, zonder ruimte voor ruptuur, interventie of verbeelding van alternatieven. Daarmee verschuift het sublieme van een grenservaring naar een spiegel van onze eigen onmacht en impasse, waarbij we ons moeten afvragen waar het genot nog een plek heeft. De afstand die Burke aan het sublieme toeschreef is veranderd in nabijheid; de verhevenheid van Kant is vervangen door eindeloze onderdompeling; en Lyotards singuliere ‘gebeurt-het’ wordt opgeschort, met een echokamer zonder uitgang tot gevolg.

Overweldiging alleen volstaat niet om het sublieme nieuw leven in te blazen. De esthetische ervaring van klimaatontwrichting gaat ook over rouw om verloren ecosystemen, over verlamming door de omvang van de crisis en de onomkeerbaarheid ervan. Het risico dat er op een dag voor de menselijke toeschouwer letterlijk niets meer zal gebeuren – en dat onze soort zal uitsterven – is misschien wel het ‘gebeurt-het’ van deze tijd. In het klimaatsublieme worden we geconfronteerd met onze nietigheid, maar ook met onze verantwoordelijkheid. Als het sublieme een dialectische ervaring is tussen mens en omgeving, tussen angst en genot, dan veroorzaakt de esthetische ervaring van klimaatontwrichting ook een dialectiek tussen verlamming en mobilisatie. De pure dreiging van het verlies van zelfbehoud is immers niet subliem, maar slechts gruwelijk. Juist omdat het sublieme nu over een crisis van afstand gaat, raakt het ons des te directer – ook in ons politieke geweten, daar waar we keuzes maken over wie we steunen en wat we beïnvloeden. Wellicht realiseren we ons weer dat we nog altijd vrije en autonome wezens zijn, niet zomaar overgeleverd aan algoritmes en regimes, en in staat tot revolte.

 

Noten

1. Jean-François Lyotard, ‘Het sublieme en de avant-garde’, in: Het onmenselijke. Causerieën over de tijd, Kampen/Kapellen, Kok Agora/DNB/Pelckmans, 1992, pp. 93-115, vertaling Ineke van den Burg, Frans van Peperstraten en Henk van der Waal.

2. Nicolas Bourriaud, Planet B. Climate Change and the New Sublime, Dijon, Les presses du réel, 2022, p. 22.

Interessante kunst

 

A works needs only to be interesting.

– Donald Judd [1]

 

Welke logische vorm hebben kritische oordelen over hedendaagse kunst? De vraag lijkt droog, op het onwereldse af. De poging om oordelen over kunst te legitimeren als duidelijk te onderscheiden logische types werd toch al lang geleden opgegeven, in de nasleep van de kritiek op de valse universaliteit van de Europese esthetische traditie? Wordt de mogelijkheid van dergelijke oordelen niet ondermijnd door het generische karakter van de hedendaagse kunst? Algemener: hoe kan er, gezien de ineenstorting van de autoriteit van westerse kunstkritiek de voorbije veertig jaar, nog een claim gelegd worden op culturele of sociale legitimiteit? En heeft de integratie van zogezegd autonome kunst in de cultuurindustrie het kritische potentieel ervan als een afzonderlijke culturele ervaring niet vernietigd?

Op een zeker beschrijvingsniveau: ja, al deze dingen hebben zich voltrokken. En toch blijft de openingsvraag bestaan, en dan niet enkel als onderdeel van de voortzetting van een lang vervlogen wereld, in een markt voor ‘hedendaagse’ versies van traditionele kunstpraktijken, verpakt in het troostende discours van de traditionele esthetiek – luxegoederen met toegevoegde spirituele waarde. De vraag blijft bestaan op grond van de problemen die de consequenties van de verdwijning ervan stellen. Dit zijn problemen die te maken hebben met het eigenlijke bestaan van kunst, in de moderne, westerse, nu geglobaliseerde betekenis van het woord, en ook met het bestaan van kritiek, als een cultureel-politieke praktijk die zich verzet tegen de huidige staat van de dingen en die zich richt op een andere toekomst. Die problemen hebben te maken met de rechtvaardiging van publieke fondsen voor kunstinstituten en kunstpraktijken, en ze hebben betrekking op de gereflecteerde ervaring van het dagelijkse leven – op wie ‘wij’ zijn, tot wie we ons verhouden en hoe we onze relaties met anderen beleven.

Eén manier om mijn openingsvraag het hoofd te bieden, is door te kijken naar wat omschreven kan worden als de hedendaagsheid van de hedendaagse kunst, inclusief de historische en geopolitieke uitgestrektheid ervan.[2] Een andere manier bestaat erin na te denken over sommige elementen van het kunstkritische discours van de jaren zestig, ontwikkeld toen minimalistische, conceptuele en performancekunstenaars in Europa en Noord-Amerika afscheid namen van de op dat moment dominante praktijken van een zich op één medium concentrerend modernisme, en om dat discours terug te brengen naar de – vaak onbewuste – intellectuele bronnen, maar het ook verder te voeren tot aan het huidige belang ervan, en het gebruik onder verschillende maatschappelijke voorwaarden. Want dat is de breuk die verondersteld wordt de hedendaagse kunst ingeluid te hebben, in de vorm zoals we daar vandaag aan denken: als een institutioneel bekrachtigde reeks praktijken, niet alleen voorbij de grenzen van de gevestigde mediums, maar ook voorbij de grenzen van een op het medium gebaseerd concept van de kunsten – schilderkunst, sculptuur, poëzie, muziek – als dusdanig. Twee draden zijn daarbij van bijzondere betekenis. Ten eerste, en het meest vertrouwd: reflecties over het concept van de ‘kunst’ als generisch enkelvoud, in tegenstelling tot historisch aanvaarde concepten van ‘de kunsten’, meervoud, afgeleid van systemen uit de renaissance. Ten tweede, en minder wijd erkend: het gebruik van het concept van ‘het interessante’ om de categorieën van de traditionele esthetiek te wijzigen – ‘het schone’ en het romantiserende zusterconcept, ‘het sublieme’, in het bijzonder. Het is ‘het interessante’ als primaire kritische categorie dat ik hier zal verkennen.

 

Van Judd naar Schlegel en terug

Kunstoordelen over het interessante kunnen beschouwd worden als de ontstaansgrond van moderne kunstoordelen, en oordelen over hedendaagse kunst zijn dan een apart type. Zulke oordelen zijn formeel ‘subjectief’ (in de brede betekenis die Kant eraan geeft), maar vereisen toch een discursieve uitwerking gebaseerd op de sociale relaties en de geopolitieke bestaanswijzen in het historische moment; dat wil zeggen, op de relaties van zowel de subject- als de objectvorming. In dit opzicht zijn het uiteindelijk oordelen over waarheidsgehalte – artistiek waarheidsgehalte als drager van historische waarheid. Het is dus via ‘het interessante’, zo zal ik betogen, dat politiek in het kunstoordeel binnenkomt.

Toen de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd in 1965 schreef dat een werk alleen interessant moet zijn, sprak hij voor een generatie van kunstbeoefenaars die de formele parameters verwierpen van een modernisme dat het kritische discours in de VS in de jaren vijftig was gaan overheersen, ten voordele van ogenschijnlijk nieuwe en onbevaren kritische wateren, waar een interesse in subjectiviteit gecombineerd werd met sociale bezorgdheden. Door ‘het interessante’ af te zetten tegen kritiek gebaseerd op het medium, blies Judd echter ook, zonder het zelf te weten, nieuw leven in een concept dat werd ontwikkeld door Friedrich Schlegel, die in 1797 in zijn studie over moderne poëzie schreef: ‘In het hele gebied van de esthetische wetenschappen is de deductie van het interessante wellicht de zwaarste en ingewikkeldste opgave.’[3]Als het romantische concept van ‘originaliteit’ een duidelijke uitbreiding was van Kants notie van ‘het genie’, dan was Schlegels opvatting van ‘het interessante’ een even duidelijke verwerping van de kantiaanse ‘desinteresse’ als het fundament van esthetische oordelen.

Kants pure esthetische oordelen zijn belangeloos omdat ze ‘indifferent’ zijn, niet alleen wat betreft het onderscheid tussen kunst en niet-kunst, maar ook wat betreft de praktische relaties van het oordelende subject met de wereld; pure esthetische oordelen zijn niet geïnteresseerd in het bestaan van de objecten die hen veroorzaken. Kunstoordelen, daarentegen, zijn noodzakelijkerwijze ‘gebonden’, in Kants termen, of ze worden bepaald door kunstconcepten van allerlei soorten.[4] In de westerse traditie worden ze bepaald door opvattingen omtrent schilderkunst, beeldhouwkunst, poëzie, muziek, architectuur en de rest van de geïnstitutionaliseerde kunsten; in niet-westerse tradities door een variëteit aan verschillende culturele praktijken; en in de hedendaagse kunst door het geïnstitutionaliseerde, generische concept van ‘kunst’ zelf. Het is de kantiaanse opvatting van het pure esthetische oordeel – niet beperkt tot kunst, noch afhankelijk van de concepten ervan – dat, ondertussen al meer dan 230 jaar, het gebruik van het woord ‘esthetiek’ voor de filosofische behandeling van kunst zo verwarrend heeft gemaakt. Kant heeft dat probleem zelf onderkend, net zoals Hegel dat later deed, maar beiden slaagden ze er niet in om te weerstaan aan het op dat moment nog nieuwe, Duitse gebruik van de term ‘esthetiek’.[5] Het kunstdiscours leeft nog steeds met de gevolgen van dat falen.[6] Zelfs wie zich verzet tegen die identificatie, zoals Schlegel zelf, berust in het nieuwe woordgebruik – zie zijn keuze voor de term ‘de esthetische wetenschappen’ – zij het dan op gespannen voet met de metafysica van zijn kunstconcept.[7]

Schlegel beschouwde wat hij omschreef als ‘de toegepaste poëtica’ van het interessante – met ‘poëzie’ als metonymie voor ‘kunst’ in dit discours – als een onderdeel van een ‘historische filosofie van de kunst’ (die zelf weer een onderdeel was van wat Wilhelm von Humboldt enkele jaren eerder als het meest ‘interessante’ van alle onderwerpen had aangeduid: de filosofie van de geschiedenis).[8] Door de kwestie van het interessante aan te snijden, treed ik in de voetsporen van Sianne Ngai en haar boek Our Aesthetic Categories. Zany, Cute, Interesting.[9] Ngai behandelt het interessante, en het recente gebruik ervan, echter als een bij uitstek ‘postmoderne esthetische categorie’, terwijl ik me verzet tegen die beide coderingen, ‘postmodern’ en ‘esthetiek’.

Eerder dan de kloof op te vullen tussen Schlegel en Judd, is het mijn bedoeling om een dialectisch beeld te construeren van het moderne concept van het interessante. Walter Benjamin schreef dat de historische structuur van het dialectische beeld voortkomt uit een ‘niet-temporele’ figuurlijke relatie tussen een specifiek ‘nu’ en een specifiek ‘toen’ dat een bijzondere ‘herkenbaarheid’ (Erkennbarkeit) tot stand brengt in de constellatie van het beeld – ‘beeld’ omdat de belangrijkste momenten in de ontwikkeling van het concept geplaatst worden in dezelfde, als werkelijk ervaren, conceptuele ruimte.[10] Het dialectische beeld van het interessante dat ik wil proberen af te lijnen door gebruik te maken van het emblematische verschijnen van de term in de tekst ‘Specific Objects’ van Judd en in Schlegels voorwoord op Über das Studium des griechischen Poesie, is intern ingewikkelder dan Benjamins binaire ‘nu-toen-constructie’, omdat het een beschrijving vereist van meer dan een ‘toen’ – de relatie tussen het ‘nu’ van de geglobaliseerde, postconceptuele hedendaagse kunst, het ‘toen’ van 1795 in Jena, gemedieerd door het ‘nu/toen’ van New York in 1965, het inauguratiemoment, als embleem van het ‘nu’ van de generische hedendaagse kunst.

 

De geschiedenis binnengaan

Als ‘het interessante’ vandaag de voornaamste categorie is binnen de kritiek van moderne en hedendaagse kunst, zoals dat volgens Schlegel al het geval was voor de moderne poëzie, dan wordt de vraag: wat betekent het om een kunstwerk vandaag ‘interessant’ te vinden? Wat vinden ‘wij’ momenteel interessant? De vraag is, aan de basis, de vraag naar de historische uitdrukking van de objectieve condities van het subject dat oordeelt: de vraag naar wie ‘wij’ zijn. Tegengesteld aan Kants aanpak is dat een vraag zonder transcendentale garantie. Voor de beoefenaars en het publiek die vandaag de niet-marktgeoriënteerde sector van de hedendaagse kunst uitmaken, kunnen we bijvoorbeeld zeggen: wat vandaag het ‘interessantst’ is, zijn de erfenissen van het Europese kolonialisme en het patriarchaat in het heden, en de gevolgen en mogelijkheden van de fluïditeit van gender. Maar wat is dan de structuur van de claim die deze dingen op ‘interessantheid’ leggen? Het is een claim die algemene relevantie haalt uit de bezorgdheden van specifieke gemeenschappen. Wat voor de ene groep ‘interessant’ is, verspreidt zich via de hedendaagse kunstwereld, via de netwerken van bekritiseren, cureren en creëren, om elders ook andere groepen met soortgelijke zorgen te bereiken, en om op zijn beurt weer van belang te worden voor anderen.

Bovendien: hoe betrekken oordelen over individuele kunstwerken de wereld op zo’n manier dat ze hun maatschappelijke betekenis aantonen, maar tegelijkertijd bij uitstek kunstoordelen blijven? Dat blijft de centrale en vooralsnog onbeantwoorde kunstkritische vraag. ‘Is het interessant?’ – als dat de eerste vraag is die aan een hedendaags kunstwerk wordt gesteld, dan is de vraag van de kunstkritiek: ‘Is het artistiek interessant?’ Het belang van een individueel postconceptueel kunstwerk wordt afgeleid uit de manier waarop deze twee vragen kunnen worden beantwoord, en vooral op hun onderlinge dynamische relatie: de algemene ‘interessantheid’ van een kunstwerk en de specifieke interesse als ‘kunst’.

‘Interessant’ is niet, in strikt kantiaanse termen, een puur ‘esthetisch’ oordeel, aangezien het conceptueel is. Het werkt binnen het brede logische veld van kantiaanse reflecterende oordelen. Meer in het bijzonder behoudt ook een oordeel over het interessante de onbepaaldheid van reflecterende oordelen, maar dan in een vorm die de objectiviteit van het subject betrekt op zijn praktische relaties met de wereld. Schlegel neemt verschillende elementen over van Kants uiteenzetting over esthetische oordelen, maar scheidt en hergebruikt ze. Als het oordeel van het interessante geassocieerd kan worden met een gevoel, gaat het niet om plezier in de harmonie (of de dissonantie) van de eigen vermogens van het subject, maar om plezier in het bestaan van de nieuwheid van het object. Gesteld in subjectieve termen: het oordelende subject vindt plezier in het eigen historische bestaan in relatie tot objecten, plezier in de eigen objectiviteit als historisch subject, en dus in de openheid voor een toekomst die anders is dan het heden. Het is zo dat het ‘nieuwe’ nauw verwant raakt met het ‘experimentele’, als een bepalende ervaring van het moderne.

Mijn hypothese is dan ook dat ‘het interessante’ de voornaamste oordeelscategorie is voor de hedendaagse kunst – qua generische en postconceptuele kunst – omdat de reeks relaties die een kunstwerk aangaat net is wat het werk ‘interessant’ maakt. Het kan niet artistiek interessant zijn door een zuiver esthetische presentatie, maar alleen door de verhouding tot andere werken – en zo, op het niveau van het geheel, tot de historische ontwikkeling van het idee over kunst; en, nog breder, de historische ontwikkeling – de ervaringsvormen – van de samenlevingen waarin het gemaakt en ontvangen wordt.

‘Interessant’ is de methodologisch voornaamste categorie van het kunstoordeel omdat het een dubbele structuur heeft. Ten eerste is het een metakritische categorie: het is het oordeel dat een werk als geschikt bepaalt om te beoordelen. Ten tweede, en daar een integraal onderdeel van, is het een kritische categorie, in die mate dat het een uitwerking vereist van de gronden waarop het werk beoordeeld wordt als geschikt om te beoordelen, wat een rechtvaardiging wordt van het oordeel zelf. Het is in deze zin dat het protoromantische concept van het interessante nauw verbonden is met de daaropvolgende romantische categorie van bekritiseerbaarheid, die Benjamin reconstrueerde in zijn dissertatie uit 1921, Der Begriff der Kunstkritik in der deutschen Romantik, samen met het verwante vroegromantische idee van de kritiek als een discursieve voltooiing van het werk, dankzij de constructieve ontplooiing van de betekenis ervan.[11] Het interessante, het nieuwe, het bekritiseerbare en het onvolledige zijn bepalende aspecten van de vroegromantische opvatting van het moderne kunstwerk, die hun belang voor hedendaagse kunst behouden.

 

De moderniteit definiëren

Het beroemde aforisme van Judd werd, zoals Ngai het stelt, ‘expliciet verkeerd begrepen’ door tegenstanders – en in het bijzonder Michael Fried – die uit het gebruik van het woordje only meenden af te leiden dat een werk ‘alleen maar’ interessant moet zijn.[12] Hoewel Judd het ‘interessante’ promoveerde tot een oordeel over kwaliteit, werd zijn tekst gelezen alsof hij beweerde dat kunstenaars en critici zich helemaal niet met kwaliteit moeten bezighouden. Zelden in de geschiedenis van de kunstkritiek heeft het wegzetten van een enkel bijwoord zo’n vernietigend effect gehad. Hoewel Judd zijn standpunt verhelderde – dat ‘interessant’ een kwaliteitsoordeel is, met ‘kwaliteit’ als een mantra van de late Greenberg en de vroege Fried – bleven de precieze betekenis van de categorie en de structuur van het bijbehorende oordeel onderontwikkeld in zijn geschriften.

Schlegel, daarentegen, stelde wel een schema op van de historische ‘afleiding’ van het interessante – ‘afleiding’ wordt hier gebruikt in de kantiaanse, legale betekenis van rechtvaardiging of bewijsmateriaal, eerder dan als een geval van strikt logische geldigheid. Zijn afleiding kwam neer op wat Schlegel een ‘schitterende rechtvaardiging van de modernen’ noemde (glänzende Rechtfertigung der Modernen). Op die manier relativeerde hij het interessante, niet alleen historisch, maar ook binnen zijn eigen heden, de jaren 1790, die hij diagnosticeerde als het tijdperk van ‘de crisis van het interessante’ – en dus van een crisis van de artistieke moderniteit, van bij het begin.[13] Wat dat betreft was er bij Schlegel zelf al een element aanwezig van de reflecterende historische objectiviteit die later Hegels kunstfilosofie zou onderscheiden van de Duitse romantiek: ‘Het moment lijkt inderdaad rijp voor een esthetische revolutie, waarbij het objectieve dominant zou kunnen worden in de esthetische opvoeding,’ zo schreef hij.[14]

Schlegel maakte van het interessante geen kritische absoluutheid zoals Judd dat deed. Voor hem is ‘interessant’ veeleer de kritische term die het heden grijpt, in die overgangsfase waarin het ‘moderne’ onderscheiden werd van het ‘oude’ of het ‘klassieke’. Het werd op die manier geprojecteerd als een noodzakelijke overgangsvorm: ‘het interessante in de poëzie heeft altijd alleen maar een voorlopige geldigheid’ – waaraan Schlegel toevoegde, enigszins opzienbarend, ‘net zoals een despotische regering’.[15] Laten we zeggen dat dit de tijd is van het despotisme van de kritiek. Dat Judd het interessante verabsoluteerde, is tot op zekere hoogte gerechtvaardigd, aangezien het net de permanentie van deze overgang is die het moderne als dusdanig is gaan karakteriseren. ‘Het moderne’, in de baudelairiaanse interpretatie, is niet de naam van een welomschreven historische periode, maar een vorm van temporaliteit en (zoals Foucault het zou zeggen) een ‘kritische ontologie van onszelf’.

Opgebouwd op deze manier en gezien vanuit het standpunt van Schlegels relatie tot Kant, neemt het concept van het interessante de vorm aan van een probleem: dat van de structuur van de ‘onderdeterminatie’ ervan – ‘gedetermineerd’ noch ‘ongedetermineerd’, in Kants eenvoudige binaire betekenis, maar openlijk en onvolledig determinerend. Het oordeel dat iets interessant is, selecteert het en maakt aanspraak op het bekijken ervan, als uitverkoren boven andere objecten, maar het legt, althans initieel, niet uit waarom. Het geeft dus aanleiding tot een zoektocht naar de redenen waarom het interessant is – het inductieve aspect van reflecterende oordelen. Het is dit tekort aan bepaaldheid dat Ngai ertoe brengt het interessante te verbinden met het esthetische oordeel, in de reflecterende betekenis van Kant. Het tekort is hier echter niet het tekort van een zuiver reflecterende structuur, maar van een ‘eindeloze perfectioneerbaarheid’ of een ‘oneindige benadering’, die de vroege romantici al zouden associëren met de onvolledigheid van een werk.[16] Onderbepaaldheid, zoals het beter wordt genoemd, is een noodzakelijke eigenschap van het doorlopende proces van collectief meningen vaststellen, waarbij het net het verschil is tussen individuele en collectieve meningen dat het reflectieproces aan de gang houdt. Conceptuele onderbepaaldheid is het product van deze kloof tussen individueel en collectief oordelen – of tussen individueel subject en imaginair sociaal subject. Het is daarom dat de ‘vraag’ die schoonheidsoordelen, zoals Kant ze opvatte, met zich meebrengen – de verwachting dat bij het beweren dat iets mooi is ook de anderen zullen instemmen – volgens Hannah Arendt de basisvorm was van politiek oordelen.[17]

 

Tussen het ideale en het reële

Binnen Schlegels historische redenering is het interessante het ‘ideaal van de moderne poëzie’, in directe tegenstelling tot de hellenistische idealisering van de klassieken door Winckelmann. In contrast met de klassieken verschijnt het moderne als de tijd van het subjectieve gevoel en de subjectieve vrijheid (een vrijheid die Hegel vervolgens met denken zelf zou identificeren). In de ‘natuurlijke cultuur’ van de klassieken verscheen het ideaal ogenschijnlijk als het reële, terwijl zich in de ‘artificiële esthetische cultuur’ van de moderniteit een kloof geopend heeft tussen het ideale en het reële. ‘Nadat de voltooide natuurlijke cultuur [Bildung] van de klassieken onherroepelijk wegzonk en reddeloos degenereerde,’ schreef Schlegel, ‘werd vanuit het verlies van een eindige werkelijkheid en de ontregeling van een geperfectioneerde vorm een streven ingezet naar een oneindige realiteit, dat al snel de algemene toon van het tijdperk ging bepalen.’[18] Moderniteit werd dus gekenmerkt door het ontbreken van een universaliteit waar desondanks naar gestreefd werd.

Als een modern ideaal is het interessante op die manier inherent onvolmaakt, omdat het voortkomt uit het standpunt van een ideaal dat het ambieert, maar dat het nooit kan bereiken. In die zin heeft het de structuur van de kantiaanse moraliteit, en niet van de kantiaanse esthetiek. Het interessante is voor Schlegel altijd een ‘interesse in de realiteit van het ideaal’ en daarom een ‘reflectie over de relatie tussen een ideaal en de realiteit’ – de specifieke ontoereikendheid van de realiteit, zeg maar.[19] Dit is wat de jong-hegelianen ‘kritiek’ noemden. In de woorden van de vroege Marx gaat het om ‘het afmeten van de particuliere werkelijkheid aan het idee’; het is ook waarom, volgens Adorno, kunst ‘de maatschappij bekritiseert alleen al door te bestaan’.[20] Het streven van de kunst – het product van de omzetting van de structuur van Kants morele filosofie in het domein van de cultuur – is dus de historische voorwaarde voor de navolgende ‘eindeloze vervolmaakbaarheid’ van het ‘artistieke vermogen’. In deze omstandigheden lijkt het interessante op een bezorgdheid om wat Schlegel omschrijft als ‘een individueel object van de idealiserende verbeeldingskracht van het dichtende subject’. Het neemt de poëtische vorm aan van het karakteristieke, dat hier dan de technische term wordt voor ‘de weergave van het individuele’.[21]

‘Het doel van moderne poëzie’, schrijft Schlegel, ‘wordt natuurlijk een individualiteit die origineel en interessant is.’[22] Die twee kwaliteiten zijn verbonden, in die mate dat het interessante door Schlegel ‘elk origineel individu interessant’ vindt ‘als het een grotere hoeveelheid aan intellectuele inhoud of esthetische energie bevat […] dan waar het ontvangende individu reeds over beschikt.’[23] Er weerklinkt zo een echo van Diderots opvatting van de ‘compositorische wet’ als een ‘wet van energieën en interesses’. Het interessante kan nooit alleen maar nabootsend zijn, want nabootsing is essentieel onvrij. Schlegels lichtend voorbeeld is Shakespeare, van wie gezegd wordt dat hij het genre van ‘de interessante tragedie’ heeft uitgevonden, en het is vooral in ‘Hamlets karakter’ dat een ‘grenzeloze wanverhouding’ wordt weergegeven tussen ‘de denkende en de actieve kracht’.[24]

Schlegels tekst gaat niet over de Griekse poëzie, maar over de studie van Griekse poëzie, en die vereist, om gedefinieerd te worden, een begrip van het dialectisch tegenovergestelde, de moderne poëzie, of wat Schlegel noemt ‘de interessante poëzie’.[25] Interesse als de aanduiding van een tijdelijke tussenstaat van een relatie tussen het reële en het ideale is ook zichtbaar in de Latijnse etymologie van het woord: inter esse. En het is die staat van ‘tussen-heid’ – ‘in’, maar niet ‘van’ het reële als dusdanig – die ook zichtbaar is in die eigenaardige ontologische status van de moderne Europese opvatting van het kunstwerk, die nu op problematische wijze geglobaliseerd is. Dit ‘tussen’ is geen ambivalentie die besluiteloos schommelt; het is een definitieve, maar ondergedetermineerde relatie.

Het interessante wordt een zelfstandige historische categorie op die momenten wanneer het historische bewustzijn wegdrijft van de oneindige benadering van het ideaal – waarvan Greenbergs modernisme misschien het laatste grote voorbeeld is – in de richting van een gevoel van onuitroeibare verschillen tussen het reële en het ideale, binnen het reële. Op dat moment moet de kritische keuze gemaakt worden tussen enerzijds een transcendentaal idealiserend esthetisch formalisme – zoals de late Greenberg, die zijn toevlucht zocht in een psychologiserend kantianisme – of anderzijds een scherpstellen op de historische inhoud van, en relaties tussen, een oneindige veelvuldigheid aan individualiteiten: de ‘op inhoud gebaseerde’ kritiek van ‘het interessante’. Dit blijft een kritische vorm, in tegenstelling tot een niet meer dan beschrijvend empirisme van de eigenschappen van een werk – ‘commentaar’, zoals Benjamin dergelijke kritiek bestempelde – voor zover de bewering dat iets interessant is ook een beroep doet op de interesse van anderen. Het heeft de structuur van de proto-universele communiceerbaarheid – de verwachting van consensus – die Kant toeschreef aan het puur esthetische oordeel, maar dan zonder de kantiaanse belangeloosheid die ten grondslag lag aan deze universaliteit, zonder de grondvesting in transcendentale subjectiviteit. De ‘grond’ van het interessante is dus niet zuiver esthetisch. Het moet in de plaats daarvan discursief worden verlost in een kritische beschouwing van het waarheidsgehalte van een werk, en daarmee ook van het historische waarheidsgehalte ervan, of de plaats van het werk binnen het geheel van maatschappelijke relaties. Het is deze relationele kwaliteit die de inhoud van het interessante conceptueel maakt, hoe zintuiglijk en materieel divers de presentatievormen ervan ook zijn.

 

Mogelijkheden het hof maken

Het interessante is dus de metakritische vorm waarin, initieel, elk discours plaatsgrijpt dat gaat over de gecombineerde aanspraken van kunst op de werkelijkheid (omdat kunst daaraan materieel deelneemt) en op de specifieke afstand ervan (omwille van de idealiserende, op vorm gebaseerde zelfinsluiting van de kunst). Het hangt af van dat cruciale niet-artistieke element binnen het kunstwerk dat, voor Adorno, een voorwaarde werd voor de ‘autonomie’ ervan – een paradoxale, interne afscheiding van het reële, binnen het reële. In min of meer adorniaanse termen: het wereldse engagement dat deel uitmaakt van het idee van ‘het interessante’ verbindt het kunstwerk met een ‘buiten’, door dat buiten te internaliseren als onderdeel van de inhoud van het werk. Vervolgens externaliseert het een gedeelte van dat geïnternaliseerde buiten, dat dan een onderdeel wordt van de nieuwe interne betekenis van het werk. Het interessante kunstwerk verwerft op die manier een existentiële betekenis, aangezien het bestaan van het subject zelf zich betrokken voelt bij wat het interessant vindt. Tegelijkertijd is het de idealiserende zelfinsluiting of de ‘illusie van de autonomie’, zoals Adorno het stelde, die alle kunst zowel fictioneel maakt als met de toekomst verbindt dankzij een gemeenschappelijk niet-bestaan. Het vooruitzicht op actualisatie verbindt het fictionele met de mogelijkheid van verandering, en maakt het daarom ‘interessant’.

Wat is dan de logische vorm van ‘het interessante’ als het belangrijkste kritische oordeel van de hedendaagse kunst? Een diagram staat bij aanvang van deze tekst. Het is een expliciete weergave van het onbewuste schema van een reflectieve kunsthistorische kritiek van ‘het interessante’. Zulke kritiek streeft niet naar ‘op concepten gebaseerde rechtvaardigingen van op gevoelens gebaseerde oordelen’ – in de esthetische formulering van Ngai – maar wel naar discursieve, anders georiënteerde uitwerkingen van oordelen die tegelijkertijd conceptueel en affectief zijn omdat ze existentieel zijn: oordelen geveld door historische wezens.[26]

Tot slot valt op te merken dat de diepere kritische geschiedenis van ‘het interessante’ teruggaat tot in de renaissance (net als het concept van ‘smaak’, gusto). De Italiaanse term interessante was in de spreektaal verbonden met zwangerschap – een betekenis die ook in het Russisch voorkomt.[27] ‘In een interessante staat zijn’ – essere in stato interessante – betekende een baby verwachten, ‘tussen’ verwekking en geboorte, een conditie vol mogelijkheden, maar ook een potentiële crisis. Als een kritische categorie roept datgene wat ‘interessant’ is daarom altijd een toekomst op waarmee het heden vervuld is, vergezeld van de angstige wetenschap dat niet elke zwangerschap de volledige termijn volmaakt. Er zijn geen naturalistische garanties en zwangerschappen kunnen natuurlijk op verschillende manieren beëindigd worden: het is een feit dat nieuw licht werpt op de metafoor van Marx voor een socialisme dat groeit in de ‘baarmoeder’ van het kapitalisme. Dit is de fundamentele temporele logica van het interessante, die het verbindt met het romantische concept van het nieuwe, niet als een creatie ex nihilo – een theologische notie, nieuw leven ingeblazen door Deleuze – maar als een kwalitatief historisch verschil, voortkomend uit de steeds vernieuwde veelheid aan relaties binnen het heden.

Hoewel de betekenis van ‘interessant’ als ‘de aandacht waard’ zich pas later ontwikkelde, in de achttiende eeuw, dateert de financiële betekenis van ‘rente’ eveneens uit de renaissance. Rente is financiële winst die in de toekomst kan worden geïnd, in ruil voor het riskeren van een lening in het heden. Hoe groter het risico, hoe hoger de rente; vandaar de betekenis van ‘interessante’, want risicovolle tijden. Het artistiek interessante behoudt iets van de temporele structuur van de belofte die met schuld gepaard gaat, zwevend tussen het heden en een onzekere toekomst.

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

• Oorspronkelijke publicatie: ‘Interesting Art’, in: New Left Review, nr. 150, 2024, pp. 156-169. Deze tekst is een herwerkte versie van een lezing die in verschillende vormen werd gehouden bij diverse gelegenheden, het meest recent op de conferentie Conceptual Labour and the Immersion of the Object. Philosophy in Aesthetics – Aesthetics in Philosophy, Akademie der bildenden Künste, Wenen, 5 april 2024. De auteur bedankt Sebastian Lederle voor de uitnodiging.

 

Noten

1. Donald Judd, ‘Specific Objects’, in: Complete Writings 1959-1975, New York, Judd Foundation, 1975, p. 184. Oorspronkelijke publicatie in: William Seitz (red.), Contemporary Sculpture Arts Yearbook 8, New York, Art Digest, 1965, pp. 74-82.

2. Ik heb deze vraag uitgebreid proberen te beantwoorden in de eerste drie hoofdstukken van The Postconceptual Condition, Londen/New York, Verso, 2018.

3. Friedrich Schlegel, ‘Über das Studium der griechischen Poesie’, in: Studien des klassischen Altertums. Kritische Neuausgabe Band 1, Paderborn, Schöningh, 1979 [1797], p. 213.

4. ‘Het welgevallen dat we met de voorstelling van de existentie van een object verbinden, heet belang [Interesse].’ Immanuel Kant, Kritiek van het oordeelsvermogen, Amsterdam, Boom, 2009 [1790], p. 93, vertaling Jabik Veenbaas en Willem Visser. Over conceptueel bepaalde of afhankelijke (anhängende) schoonheid, zie: ibid., pp. 119-121.

5. Vergelijk met de beroemde voetnoot van Kant in: Kritiek van de zuivere rede, Amsterdam, Boom, 2004 [1781/1787], p. 120, vertaling Jabik Veenbaas en Willem Visser: ‘Het is […] raadzaam de term [esthetica] ofwel weer op te geven en hem te reserveren voor de leer die echte wetenschap is […], ofwel hem te delen met de speculatieve filosofie en de esthetica voor een deel in transcendentale, voor een ander deel in psychologische betekenis op te vatten.’ Zie ook: Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Over de esthetiek, Amsterdam, Boom, 1989 [1835], vertaling Sybrandt van Keulen, p. 7: ‘Maar eigenlijk is de naam esthetica niet helemaal geschikt voor dit onderwerp.’

6. Dit geldt ook voor de politieke kritiek van de westerse esthetische traditie vanuit de Critical Race Theory, zoals bijvoorbeeld: Fred Moten, In the Break. The Aesthetics of the Black Radical Tradition, Minneapolis, University of Minnesota Press, 2003, en Rizvana Bradley, Anteaesthetics. Black Aesthesis and the Critique of Form, Stanford, Stanford University Press, 2023.

7. Kant stond erop: ‘Er is geen wetenschap van het schone, maar alleen een kritiek […].’ Immanuel Kant, Kritiek van het oordeelsvermogen, Amsterdam, Boom, 2009 [1790], p. 200. Door vast te houden aan ‘de esthetische wetenschappen’ schond Schlegel zelfbewust de kantiaanse transcendentale problematiek ten faveure van een historische filosofie of wetenschap van de kunst.

8. Er is ‘geen onderwerp zo interessant als de filosofie van de geschiedenis’: Wilhelm von Humboldt, brief aan Karl Gustav Brinkmann, 19 december 1793, geciteerd in: Marie Louise Krogh, Temporalities and Territories. The Geopolitical Imaginaries of German Philosophies of History, proefschrift, Londen, Centre for Research in Modern Europe Philosophy, Kingston University, 2020, p. 151.

9. Sianne Ngai, Our Aesthetic Categories. Zany, Cute, Interesting, 2012, Cambridge, Harvard University Press, 2012.

10. Walter Benjamin, Das Passagen-Werk, in: Gesammelte Schriften. Band V1, Frankfurt, Suhrkamp, 1991 [1927-1940],p. 578.

11. Een punt gemaakt door Sianne Ngai, in: op. cit. (noot 9), p. 275, noot 3.

12. Ibid., p. 163.

13. Op. cit. (noot 3), p. 208. Een dergelijk vestigen van een concept en het tegelijkertijd in een crisis storten (iets dat Kant ook doet met de notie van ‘het subject’) is een waarmerk van de moderniteit van een filosofisch concept.

14. Op. cit. (noot 3), p. 269.

15. Ibid., p. 215. Schlegel verwijst vermoedelijk naar zijn essay uit 1796, ‘Versuch über den Begriff des Republikanismus’, waarin hij de legitimiteit van opstand verdedigde.

16. Ibid., p. 214.

17. Hannah Arendt, Oordelen. Lezingen over Kants politieke filosofie, Amsterdam, Krisis, 1994 [1970], vertaling Rob van den Boorn.

18. Op. cit. (noot 3), p. 213.

19. Ibid., p. 212.

20. Karl Marx, Differenz der demokritischen und epikureischen Naturphilosophie (Doktordissertation), Jena, Friedrich-Schiller-Universität, 1964 [1841], p. 80; Theodor W. Adorno, Ästhetische Theorie, Frankfurt, Suhrkamp, 1970, p. 335.

21. Op. cit. (noot 3), p. 212.

22. Ibid., p. 245.

23. Ibid., p. 253.

24. Ibid., p. 248.

25. Ibid., p. 209. Schlegel was de eerste om te erkennen dat schoonheid – ‘wezenlijk onderscheiden van het interessante’ – ‘niet het ideaal is van de moderne poëzie’: p. 213.

26. Op. cit. (noot 9), p. 173.

27. Mikhail Epstein, ‘The Interesting’, in: Qui Parle, nr. 1, 2009, pp. 75-88.

Plus-Kern, een kunstlabo

‘Zowel het aktueel kunstwerk als het mooie al-of-niet-funktionele ding worden er tentoon gesteld en verkocht. […] Van de neem-me-mee multipel tot het betreedbare ‘environment’, van de serigrafische poster tot de monumentale opdracht, van de jeugdige opblaasbare zetel tot het exklusieve meubel, van de funktieloze ‘gadget’ tot de onmisbare braadpan… dit alles eindelijk bij ons en voor het eerst op een plus-wijze (steek de duim hoog) voorgesteld. […] Stel u voor: drie verdiepingen kleurige dingen, bewegende dingen, lichtgevende dingen… om naar te kijken, om mee te spelen, om weg te schenken, om te gebruiken, om op te zitten, om mee te nemen, kortweg: om mee te LEVEN…’

In deze bewoordingen wordt kunstgalerie Plus-Kern, Gebroeders Vandeveldestraat 24 in Gent, begin 1969 aangeprezen door initiatiefnemers Yves De Smet (1946-2004) en Jenny Van Driessche (1942). Het citaat roept een levendig beeld op van geestdrift en radicale vernieuwingsdrang. Allerhande (kunst)objecten worden in Plus-Kern getoond, met of zonder functionele waarde, maar steeds met het oog op integratie in het dagelijkse leven. Een klassieke galerij met schilderijen aan de muur wil Plus-Kern allerminst zijn. De Smet en Van Driessche omschrijven ‘de’ Plus-Kern dan ook als een vooruitstrevend ‘centrum voor konstruktieve vormgeving’.

‘Plus-Kern slaat doelbewust de richting in van de geometrische vorm, de konstruktieve opbouw, de zuivere kleur, het nieuwe materiaal, in integratie met de architektuur, de toenadering tot de wetenschappen (vormen voor een kosmonautentijd), de industriële vormgeving, de sociale kunstverspreiding; met andere woorden: de richting van de toekomst.’

De oprichting van Plus-Kern wordt gekenmerkt door een sterk en ambitieus vooruitgangsdenken, waarin kunst wordt gezien als motor van maatschappelijke vernieuwing. Die ideeën komen niet uit het niets, maar vloeien voort uit een bredere artistieke praktijk die Yves De Smet voordien al onder de ‘Plus’-noemer ontwikkelde. De Smet maakt bij de oprichting van Plus-Kern zelf duidelijk dat het gaat om een nieuwe uiting van reeds bestaande acties. In 1969 vindt hij in Jenny Van Driessche (met wie hij datzelfde jaar trouwt) een gelijkgestemde zakenpartner om zijn activiteiten te verankeren.

In een door hem samengesteld curriculum vitae met een waslijst aan activiteiten en projecten vermeldt De Smet dat hij sinds 1964 bijdraagt tot ‘de verspreiding van het begrip integratie in de kunst’. Hij vermeldt de integratie met de architectuur, maar ook vormgeving en andere kunstdisciplines zijn van belang, net als de toenadering tot wetenschap en industrie. Het sociale aspect – kunst om ‘mee te leven’ – bepaalt zijn opvattingen rond het begrip ‘integratie’, dat ook het inhoudelijke fundament van Plus-Kern zal vormen. Op het einde van zijn studiejaren aan Sint-Lucas Gent, waar hij ‘monumentale kunsten’ studeert, kiest De Smet in 1965 integratie als onderwerp voor zijn scriptie. Hij benadrukt dat het schrijven van een scriptie over één notie geen eenzijdigheid impliceert: integratie is een complex en veelomvattend begrip met een historische betekenis. Het is voor hem een ‘suggestie van een ideaal: een bewust-geordende en allesomvattende afhankelijkheid van alles en iedereen. […] Integratie is geen kultuur (een luxe die pas na het levensnoodzakelijke komt) […] artiesten doen niet aan integratie. Integratie is het levensnoodzakelijke, dat alles vervangt en alles is.’

Kunst moet volgens De Smet niet slechts een autonome discipline zijn, maar ‘opbouwend werk verrichten’, de menselijke omgeving mee helpen creëren en het leven een vorm geven. Werken met de koele vormentaal van de geometrische abstractie sluit niet uit dat kunst een sociale functie vervult – integendeel. De constructieve kunst ziet De Smet als een vehikel voor het positief ordenen van het leven, waarin kunst en samenleving elkaar wederzijds beïnvloeden.

In zijn scriptie formuleert De Smet voor zichzelf een opdracht: er moet een stand van zaken worden opgesteld wat betreft integratie. Er moeten experimenten worden opgezet om de mogelijkheden ervan te onderzoeken, en gespreksavonden moeten de ‘bestaande toestand’ in kaart brengen. De Smet voegt de daad bij het woord en organiseert al in 1965 verschillende gespreksavonden rond het thema. De uitnodiging verschijnt in het tijdschrift Kijk en bevat eenzelfde vooruitgangsdenken als later bij de oprichting van Plus-Kern:

‘[I]ndien u denkt positief te denken en voor u durft te kijken, indien u opbouwend werk verricht of wenst te verrichten, indien u de toekomst niet meer wenst uit te stellen, maar vandaag reeds durft aan te snijden, indien u bewust alle dimensies beleeft en in integratie gelooft, dan nemen wij u graag in ons midden op en zijn deze gespreksavonden voor u bestemd.’

In totaal vinden er zes gesprekavonden plaats – de zogenaamde ‘plus-avonden’ – waarop diverse thema’s aan bod komen: van de mogelijkheden tot integratie van de verschillende kunstdisciplines tot een herwaardering van kleur en van de constructieve opbouw bij de geometrische abstractie. De gespreksavonden illustreren dat De Smet goed op de hoogte is van wat er rondom hem gebeurt. Hij nodigt Paul De Vree en Renaat Braem uit als organisatoren van Integratie 64, een van de eerste belangrijke manifestaties met betrekking tot integratie. Daarnaast zoekt hij aansluiting bij vooruitstrevende muziekpraktijken van componisten die integratie bevorderen, zoals die van het Gentse universitaire IPEM (Instituut voor Psychoacustica en Elektronische Muziek) en de daaruit voortgekomen Spectra-groep. Op de ‘plusavonden’ brengt De Smet gelijkgestemden bij elkaar en bouwt hij een aanzienlijk netwerk uit.

In 1967 staat de Plus-meeting in het teken van het constructivisme als ‘sociale kunst’. De manifestatie lokt een groot publiek naar het Museum voor Schone Kunsten in Gent en omvat onder meer een lezing van de Nederlandse kunstenaar Herman de Vries, die sinds 1965 het tijdschrift revue integration uitgeeft. Dat ook bij hem integratie centraal staat en het sociale aspect een cruciale rol speelt, blijkt onder meer uit dit citaat van Peter Kropotkin dat De Vries aanhaalt: ‘Wij eisen de integratie voor ons op en wij verdedigen dat het ideaal van de gemeenschap, een gemeenschap van geïntegreerd werk betekent.’ Zowel De Vries als De Smet verwerpen het idee van de kunstenaar als een autonoom individu die buiten de samenleving staat. De kunstenaar is, in hun visie, een sociaal wezen, en kunst is per definitie een maatschappelijk fenomeen. Zoals De Smet het in 1968 omschrijft: ‘De kunstenaar neemt zo met zijn kunst deel aan het sturende cybernetische, komplexe maatschappelijke proces, waarvan de kunst een onderdeel is.’

Kunst is, binnen die visie, de visuele vertaling van actuele evoluties in de maatschappij. De kunstenaar speelt een cruciale rol binnen een overkoepelend en sturend systeem. Een voorbeeld is de tentoonstelling Speeltijd in 1968 in Brugge, waarop De Smet het spel verbindt met sociaal bewustzijn, met wetenschap en ‘een streng nagevolgde discipline’. In een artikel voor het tijdschrift Kreatief uit datzelfde jaar gaat De Smet zelfs verder dan De Vries. Hij stelt dat de activiteiten van de kunstenaar pas zinvol zijn wanneer ze zich niet meer beperken tot het domein van de kunst, maar van het leven hun werkterrein maken. Dat werkterrein is ‘een Leven dat wij moeten ordenen, leefbaar maken en, waarom niet, kunstmatig verlengen… Kunst produceren is hygiëne brengen.’

Kunst en kunstenaar zijn niet zomaar onderdeel van een groter geheel. De kunstenaar moet de rol op zich nemen om het leven te ‘ordenen’. Terwijl bij De Vries de kunstenaar nog deelneemt aan ‘een sturend cybernetisch proces’, lijkt bij De Smet de kunstenaar zelf dat proces aan te sturen. In zijn plan om ‘hygiëne’ te brengen door kunst, schuilt uiteraard het gevaar van vooruitgangsoptimisme. Het positieve geloof dat alles met elkaar verbonden is, zoals de kunst met de omgeving, kan omslaan in een allesoverheersend en controlerend systeem.

De ideeën van De Smet zijn in elk geval verregaand. Daarom lijken ze moeilijk te rijmen met de klassieke werking van een galerij. Toch probeert hij, met de oprichting van Plus-Kern in 1969, de bovenstaande denkbeelden voort te zetten binnen de kunstmarkt. Hoewel Plus-Kern zich een ‘centrum voor konstruktieve vormgeving’ noemt, blijft het een galerij: een plek die kopers moet aantrekken, en niet alleen een geïnteresseerd publiek. Ongeacht vanuit welke ideeën de galerij ontstaat, het blijft een commerciële instelling die financieel rendabel moet zijn. En dat is voor De Smet zeker een nieuw gegeven.

In eerste instantie lijkt hij met Plus-Kern een programma voort te zetten dat trouw blijft aan zijn visie. Hij onderhoudt zijn contacten om op de hoogte te blijven van de stand van ‘de integratie’. Zo komt hij in januari 1969 in contact met Paul De Vylder, wiens toespraak over cybernetica tijdens de tentoonstelling Analoge Systemen in Celbeton in Dendermonde grote indruk op hem maakt. Kort nadien organiseert Plus-Kern een bijeenkomst, aansluitend op een activiteit van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (VMHK), rond kunst en cybernetica met François Le Lionnais als spreker. Daarbij worden de films Le Ruban magique en Een dagelijks wonder geprojecteerd, net als in Celbeton, en De Vylder geeft nogmaals zijn uiteenzetting ‘Een cybernetische visie op de schilderkunst’. Een panelgesprek moet het debat verder aanwakkeren. In lijn met de visie van Plus-Kern bestaat het panel uit verschillende profielen. Lionel Van Den Bossche is industrieel en directeur van Siemens. Alfred Eikelenboom is vormgever in de brede betekenis van het woord, en hij is op dat moment voornamelijk bezig met utopische stedenbouw. Etienne Vermeersch is de filosoof van dienst, want zijn doctoraat uit 1965 is voor een groot deel gewijd aan cybernetica. En Emmanuel Van Weerst is toondichter van ‘seriële muziek’, en als componist nam hij al eerder deel aan de plus-avonden. Al heel vroeg vond De Smet in hem een gelijkgestemde ziel op het gebied van integratie.

Dergelijke avonden illustreren dat Plus-Kern fungeert als ontmoetingsplaats voor actoren binnen de brede kunstsector. Op de hoogte blijven en contacten leggen vormen de kern van de aanpak. Regelmatig vinden er vergaderingen of andere gespreksavonden plaats om vernieuwende ideeën onder de aandacht te brengen. Plus-Kern profileert zich als ‘een centrum waar mensen die ideeën zoeken en mensen die ideeën hebben elkaar kunnen ontmoeten’. Het centrum wil zich onderscheiden van andere galerijen en meer zijn dan een tentoonstellingsruimte. De nadruk ligt op het uitwisselen van ideeën, en minder op de kunstwerken zelf. Dit engagement krijgt ook vorm via een bulletin, Plus-Nieuws, dat vanaf september 1969 verschijnt. Het blad bevat niet enkel informatie over tentoonstellingen, maar biedt ook reflecties, theoretische bijdragen en ‘plusjes’: nieuwsflitsen over kunstenaars en partners van de galerij. Het bulletin is een communicatiemiddel om de activiteiten van de galerij te promoten, maar ook een vehikel voor de verspreiding van De Smets ideeën rond integratie.

Niet alleen via Plus-Nieuws poogt de galerij haar eigen bestaan te verantwoorden. Tijdens de eerste bestaansjaren zijn er twee tentoonstellingen die als programmatisch statement kunnen worden beschouwd. In samenwerking met Wide White Space en X-One gallery, beide in Antwerpen, vindt van september tot oktober 1969 de groepstentoonstelling 223 m3 plaats. Het concept is van De Smet, de kubieke meters verwijzen naar de omvang van de galerij. De beschrijving van de tentoonstelling luidt: ‘223 m3 beïnvloed, gekenmerkt en bepaald door’ Harmen Abma, Marinus Boezem, Bill Bollinger, Gianfredo Camesi, Erwin Heerich, Bernd Lohaus, Guy Mees, Willy Ørskov, Blinky Palermo, Charlotte Posenenske en Philippe Van Snick. In het tweede nummer van Plus-Nieuws schrijft Roland Jooris over 223 m3: ‘Kunst werd er niet als contemplatieobjekt, maar wel als belevingsmoment aangediend. Niet het aanschouwen, wel het bewustzijn van ruimte stond er centraal.’ Uit de laatste zin van zijn artikel blijkt wat er voor Plus-Kern op het spel stond: ‘Dit is opzoekingswerk dat de verschuiving van galerij naar centrum of workshop onderstreept.’ Vanuit de integratiegedachte zijn kunstwerken geen op zichzelf staande objecten, maar dragen ze bij tot het vormgeven van de omgeving. De bewuste ‘beleving’ van de ruimte moet de aandacht vestigen op het feit dat Plus-Kern geen klassieke galerij is. Dat traditionele imago loslaten is voor De Smet en Van Driessche een noodzaak. Plus-Kern wil zich profileren als een soort antigalerij.

De Smet organiseert in maart 1970 dan ook een avond met als titel ‘anti-galerijen’, in het kader van de contestatieavonden van de VMHK. Drie galerijen nemen deel aan een debat met Roland Jooris als moderator: Wide White Space, X-One en Plus-Kern. In de aankondiging worden alvast een aantal stellingen aangereikt. Zowel de term als de functie van de galerij komt onder druk te staan. Zo worden zowel de galerij als de kunst bestempeld als anachronismen, als begrippen die niet langer passen bij de tijdsgeest. De nieuwe kunst heeft nood aan een vernieuwde galerijpolitiek, waarin de zogenaamde antigalerijen een belangrijke rol moeten spelen. Hun rol? ‘Optreden als bemiddelaars tussen ideeënhebbers en anderen.’

De activiteiten van De Smet illustreren dat hij integratie beschouwt als een fundamenteel kenmerk van de opbouwende kunst van het constructivisme. Na de oprichting van Plus-Kern wil hij dan ook het historische belang van het constructivisme benadrukken, ook binnen de Belgische context. Early Belgian Constructivism, van april tot mei 1970, is een tentoonstelling van constructieve werken, maar ook van archiefdocumenten en tijdschriften uit de jaren twintig en dertig. De ambitie is groot. In Plus-Nieuws spreekt De Smet de hoop uit dat het initiatief wordt overgenomen door instituten met ruimere mogelijkheden. Hij hoopt dat de tentoonstelling ‘een prikkel’ kan zijn waaruit ook andere manifestaties volgen. Het is opvallend dat een galerie voor hedendaagse kunst zich toelegt op een historische tentoonstelling – een project waarvoor kunstwerken worden geleend die niet verkocht kunnen worden. De prioriteit van Plus-Kern is het verspreiden van ideeën, voortbouwend op eerdere initiatieven, eerder dan het verkopen van kunstwerken. Daarmee ontwikkelt de galerie een uitgesproken profiel en mogelijk een bepaalde reputatie. De profilering lijkt echter niet te rijmen met een commerciële strategie. Er zijn jaren waarin Plus-Kern niks verkoopt, wat het voor een galerie uiteraard lastig maakt om financieel leefbaar te blijven.

Hoewel Plus-Kern zich afzet tegen het klassieke beeld van de commerciële kunstgalerij, blijken economische motieven toch niet volledig afwezig. Van bij de oprichting openen De Smet en Van Driessche een graphic shop, waarin steeds een selectie betaalbare grafiek wordt aangeboden. Daarmee speelt Plus-Kern in op de tijdsgeest: kunst moet toegankelijk zijn voor een breder publiek. In de kelder van het Gentse herenhuis waarin de galerij onderdak vindt, is bovendien een designwinkel gevestigd waar bezoekers gadgets, braadpannen of een opblaasbare zetel kunnen aanschaffen. De democratische graphic shop en de designwinkel passen enerzijds volledig binnen de integratiegedachte. Plus-Kern is een centrum voor vormgeving in de brede betekenis van het woord, en grafiek en design passen zonder probleem onder deze noemer. Anderzijds gaat het om duidelijk commerciële ingrepen. De designwinkel heeft betrekkelijk weinig te maken met het galerijprogramma. De winkel is dan ook bedoeld om het programma van de galerij te financieren en om mogelijke verliezen bij te passen.

Plus-Kern tracht commerciële belangen te verzoenen met een streven naar sociale kunstverspreiding en democratisering. De graphic shop wordt onderdeel van Kraam 69, een lokaal initiatief van het recent opgerichte koopcentrum van Ledeberg. De opzet is helder: ‘een kunstmanifestatie organiseren op een markt als een markt en dit werd onze kunstmarkt’. Met het initiatief wil het koopcentrum de plaatselijke handel stimuleren. Er nemen voornamelijk kunstenaars deel, maar daarnaast ook het tijdschrift Yang en twee Gentse galerijen, Richard Foncke en Plus-Kern. Door kunst in een marktsituatie aan te bieden, proberen ze het consumptiegedrag rond kunst te democratiseren – kunst kopen wordt voorgesteld als iets alledaags, net als het kopen van groenten of fruit. Hoewel het evenement een uitgesproken lokaal karakter heeft en geen navolging kent, is het voor De Smet zowel een financiële opportuniteit als een mogelijkheid om de sociale functie van kunstverspreiding binnen het verhaal van Plus-Kern te versterken.

Een ander moment waarop Plus-Kern zich op de markt begeeft, dient zich aan dankzij de tweede editie van de biënnale Interieur 70 in Kortrijk. Deze interieurbeurs positioneert zich, sinds 1968, als een tegenreactie op het ‘isolement’ waarin design verzeild is geraakt. Objecten moeten niet langer als losstaande entiteiten worden getoond, maar ‘als knooppunt van relaties’. Plus-Kern wordt gevraagd om kunstwerken te presenteren, die ook ter plaatse gemaakt kunnen worden. De stand van Plus-Kern, dicht bij de bar, toont een verscheidenheid aan objecten, zoals een lange, rood-zwarte wand van Amédée Cortier, een werk met tl-lampen van Aldo van den Nieuwelaar, een hangmobiel van Henri Gabriel en de kubische meubelcellen van William Graatsma en Jan Slothouber. Het is voor Plus-Kern geen grote stap om deel te nemen aan een interieurbeurs. De designwinkel bestond immers al, en het begrip ‘vormgeving’ wordt door Interieur 70 gelijkaardig benaderd. Design wordt in de meest ruime zin geïnterpreteerd, niet als een doel op zich, maar als ‘een methode, een middel, een voorwaarde voor het zinvol en menselijk funktioneren van het leven’.

Terwijl Plus-Kern deelneemt aan initiatieven als Kraam 69 en Interieur 70, staan De Smet en Van Driessche wantrouwig tegenover ‘echte’ kunstbeurzen. In 1967 ontstaat in Keulen de eerste markt voor hedendaagse kunst en een jaar later volgt ook Brussel met een ‘actuele kunstmarkt’. Wanneer De Smet in 1971 de vraag krijgt van galeriehouder Gerrit Kool (Gallerit Center) om deel te nemen aan een samenwerking van Vlaamse galerijen, maakt hij in een brief al snel een kritische kanttekening bij een dergelijke onderneming: ‘Het begrip kunstmarkt, zoals het in Duitsland en in Brussel groeide, komt ons erg negatief voor. Een Vlaamse kunstmarkt kon wel eens een regionalistische tegenhanger hiervan worden.’ Plus-Kern wil zich niet zomaar inschrijven in het systeem van de kunstmarkt en al wat daarbij hoort. De Smet vreest dat het initiatief niet steunt op gedeelde ideeën over integratie en kunst, maar dat het louter op het galerijstatuut gebaseerd is.

In dezelfde brief vermeldt De Smet bovendien dat er al plannen zijn om ‘een gezamenlijke aktie te beginnen’, onder andere met enkele van de door Kool uitgenodigde galerijen, zoals Margaretha de Boevé, Wide White Space en X-One, waar Plus-Kern reeds mee heeft samengewerkt. De Smet noemt verder geen namen, maar het is duidelijk dat deze groep zich wil distantiëren van het type galerie dat zich inschrijft in de commerciële logica van de markt, zoals Richard Foncke, Galerij Buytaert, De Zwarte Panter, Ad Libitum en Flat 5.

Naar aanleiding van de derde actuele kunstmarkt in Brugge in 1972 verwoordt De Smet zijn kritiek ten aanzien van de klassieke beurs expliciet in een artikel. Hij hekelt niet alleen de gebrekkige kwaliteit van de tentoongestelde werken, maar vooral het gebrek aan persoonlijkheid in de presentaties. ‘Een kunstmarkt als deze blijkt een zinloze onderneming,’ zo stelt hij. In dezelfde tekst reageert De Smet ook op een uitspraak van Ludo Bekkers, die stelde dat er twee soorten galerijen zijn: ‘de ene bevordert de kunst, de andere buit haar uit’. De Smet stelt, in navolging van die uitspraak, twee soorten galerijen diametraal tegenover elkaar, de kunstwinkels en de kunstlabo’s:

‘Kunstwinkels zijn die galerijen die de kwantiteit primeren boven de kwaliteit, die kunstprodukten van allerlei makelei opstapelen tot deze elke aansprekingskracht verliezen; Hun beleid (loosheid) steunt op geen enkele artistieke overtuiging, vandaar hun gemis aan persoonlijk voorkomen. Kommerciële rendering op korte termijn is hun grootste bekommernis. De kulturele draagwijdte van deze centra is dan ook uiterst bedenkelijk. Daartegenover staan enkele kunstlabo’s. Dit zijn mentale ruimten waarin met kunst geëxperimenteerd wordt en waarbij de omgeving dikwijls bijdraagt tot het eigenlijk voltrekken van het kunstproces. Zij beperken zich vrijwillig en hun programma steunt op inzicht en persoonlijke keuze. Kommercieel sukses is hier alleen mogelijk op lange termijn. Deze laboratoria vervullen een onderschatte sociale rol.’

In kunstwinkels staat het commerciële voorop en is er weinig tot geen artistieke overtuiging aanwezig. Plus-Kern daarentegen profileert zich als een kunstlabo waarin ideeën en experimenten centraal staan, met de verwachting dat commercieel succes op lange termijn kan volgen. Met deze profilering wil Plus-Kern zich onderscheiden van andere galerijen. Die positionering creëert echter ook afstand tot de kunstmarkt. In 1972 trekt De Smet zich als beleidsvoerder terug uit Plus-Kern, en daarmee verdwijnt de integratiegedachte bijna volledig. Na overleg met Anny De Decker en met collega’s als Paul Maenz verhuist Van Driessche de galerie een jaar later naar het kleine winkelcentrum Le Bailli, aan de Louizalaan in Brussel, om er samen met andere bevriende galerijen elk een winkelpand als expositieruimte te huren, in de hoop samen sterker te staan op de kunstmarkt. Plus-Kern vestigt zich in winkelpand nummer vijf, een kleine ruimte met een gevelbrede glaspartij als vitrine. In de centrale hal worden interventies verzorgd door Daniel Buren, op uitnodiging van Herman en Nicole Daled. Op het moment dat Plus-Kern in Brussel opent, heeft de Brusselse galerie MTL zich net teruggetrokken uit het project. De aanwezigheid van Galerie d en Wide White Space, net als die van de Keulse galerijen Paul Maenz en Oppenheim, maakt van Le Bailli een levendig artistiek centrum, zoals de toevloed aan bezoekers bij de vernissages aantoont.

Eind 1974 publiceert Barbara Reise in Studio: International Journal of Modern Art het beroemd geworden artikel ‘Incredible Belgium’, waarin zo’n vernissage in januari van hetzelfde jaar aan bod komt. Plus-Kern toont werk van Anonymous, een mysterieuze conceptuele kunstenaar, en hoewel in het Paleis voor Schone Kunsten die avond ook een tentoonstelling opent – de door Yves Gevaert samengestelde expo met werk van onder anderen Andre, Broodthaers, Buren en Burgin – lijkt Le Bailli ‘the place to be’:

‘[Na] het heel genoeglijke feestje bij deze tentoonstelling [in het Paleis voor Schone Kunsten] (goeie drank, dankjewel), verplaatste iedereen zich richting Le Bailli waar zes kleine galeries een gezamenlijke vernissage hielden (samen aangekondigd), netjes getimed om aan te vangen nadat de receptie bij de ‘grote’ tentoonstelling was afgelopen […]. Tegen dan had het publiek van handelaars, critici, kunstenaars en vrienden van kunstenaars die uit heel Europa waren gekomen (en die eruitzagen als de jongere haveloze bohémiens die ze zijn) zich vermengd met de prachtig gecoiffeerde en in donkere pakken en kleine jurkjes zittende leden van het veel oudere en meer welvarend ogende, meer gebruikelijke art scene publiek dat grotendeels ook de vernissage in het Palais/Paleis had bijgewoond.’

Al op de morning after keert de rust terug in Le Bailli. Tijdens de gewone openingsuren komt er amper iemand over de vloer. Ondanks de boeiende activiteiten herinnert Van Driessche zich het avontuur aan de Louizalaan als een commerciële flop en een financiële catastrofe. Nog voor de zomer van 1974 aanbreekt, worden de activiteiten van Plus-Kern stopgezet.

 

Alle citaten komen uit documenten uit het Archief Jenny Van Driessche – Galerie Plus-Kern, dat zich bevindt in de Universiteitsbibliotheek Gent, en uit het Archief Herman Sabbe, dat zich bevindt in het archief van de Universiteit Gent. Veel gegevens en inzichten werden ontleend aan: Koen Brams, ‘Plus’ en Yves De Smet. Ideologie, kameraadschap en rivaliteit op het speelveld van de Gentse kunst tussen 1965 en 1970, Gent, Posture, 2022. De auteur voerde in 2019, samen met Koen Brams, een ongepubliceerd gesprek met Jenny Van Driessche over de activiteiten van Yves De Smet, Plus en Plus-Kern van 1969 tot 1974.

‘Overvulling van een museum kan wel een ramp genoemd worden.’

Maria Rudolphina van Vollenhoven (1872-1945) richtte zich in januari 1917 tot Frederik Schmidt Degener (1881-1941), de toenmalige directeur van Museum Boymans, het huidige Boijmans Van Beuningen. Afkomstig uit een vooraanstaande Rotterdamse familie, pleitte ze voor de aankoop van Arme mannen van de Belgische schilder Henri Timmermans (1858-1942). Ze stelde voor – zij het zonder succes – om de verwerving mogelijk te maken via een particulier mecenaat, een fondsenwervingsvorm die het museum wel vaker toepaste.

Het oeuvre van Timmermans, opgeleid aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, kenmerkt zich door voorstellingen van arbeiders- en boerenlevens. Van Vollenhoven zag zijn werk eind 1916 in Rotterdam, waar het werd tentoongesteld in Kunstzaal Glashaven 20. De expositie werd wisselend ontvangen. Een kunstcriticus schreef in een recensie ‘over enkele bepaald slechte werken’ die ‘de tentoonstelling ontsieren en daardoor het gemiddelde gehalte naar de laagte trekken’. Als hij de suppoost daarop aanspreekt, is haar opmerkelijke antwoord: ‘zoo’n tentoonstelling wordt niet gehouden uit kunstoogpunt, maar om te verkoopen.’ ‘Wij hebben’, zo schrijft Wolf, ‘de juffrouw niet kunnen overtuigen dat het beter is den menschen dadelijk goede kunst te leeren begrijpen en hun de slechte kunst niet te laten zien. De juffrouw bleef bij haar principe: ‘laat ze eerst maar de slechte dingen koopen, – later koopen ze wel de goede!’ Wij hebben de juffrouw bij het heengaan beklaagd.’[1]

Van Vollenhoven liet zich publiekelijk uit over sociale kwesties. In haar geschriften uit de jaren 1900 nam ze een uitgesproken positie in over armoede, kinderarbeid en de rol van vrouwen in de samenleving. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bood ze hulp aan geïnterneerden en was ze actief betrokken bij het Nederlandse Verdun-comité. Haar interesse in het werk van Timmermans moet in dat licht worden gezien: niet alleen op grond van een esthetische voorkeur, maar ook als een uiting van solidariteit.

Van Vollenhoven beheerde een kunstcollectie met onder meer familieportretten, waarvan ze er in 1910 vier tentoonstelde op een miniaturententoonstelling van de Rotterdamse Kunstkring. In haar testament bepaalde ze dat haar collectie – die naast schilderijen ook zilver, juwelen, porselein bevatte – nagelaten moest worden aan het museum in Vollenhove (Overijssel) of aan dat in Zwolle. Vollenhove beschikte echter niet over een museum, en zo kwamen 59 objecten terecht bij het Overijsselsch Museum, waarna ze opgenomen werden in de Collectie Overijssel, waaronder zes schilderijen die tot dan toe in langdurige bruikleen waren bij Museum Boymans.

 

Maria Rudolphina van Vollenhoven aan Frederik Schmidt Degener, Rotterdam, 10 januari 1917

Weledele Heer! Vergeefs trachtte ik u aan ’t museum Boymans te spreken, en vanmiddag per telefoon +- half zes, kreeg ik ook geen gehoor, waarom ik u nu maar schrijf.

Ik had n.l. uw aandacht willen vragen voor eene mijns inziens, bijzonder mooie schilderij van den Belg Henri Timmermans, no 5 en genaamd Arme mannen, thans tot zondag nog tentoongesteld in de kunstzaal Glashaven 20.

’t Geheel is zoo prachtig warm van kleur en maakt zoo’n prettig, vroolijken indruk, dat museumbezoekers dit doek zeker gaarne zullen zien. De prijs ervan is f1250,- en zou misschien uit het museum Boymans-fonds verstrekt kunnen worden, of anders weet u mogelijk eenige vrijgevige kunstlievende stadgenooten, die gezamenlijk dat stuk willen koopen.

Vooropgesteld altijd dat u het eene plaats in het museum waardig keurt.

Hoogachtend,
mej. M.R. van Vollenhoven

 

 

In de herfst van 1926 schreef de Amsterdamse kunstenaar, schrijver en kunsthandelaar Johannes Franciscus (Jan) van Deene (1886-1977) een bevlogen brief aan Dirk Hannema (1895-1984), de jonge, pasbenoemde museumdirecteur van Museum Boymans. Wat op het eerste gezicht een zakelijke benadering lijkt, biedt een inkijk in de moeizame positie van de Franse avant-garde op de Nederlandse kunstmarkt van het interbellum. Tussen de regels door laat Van Deene zien hoe wankel het draagvlak voor experimentele kunststromingen als het kubisme werkelijk was in Nederland.

Van Deene, pionier van de abstracte schilderkunst in Nederland en van 1921 tot 1928 eigenaar van de Galerie d’Art Français in Amsterdam, speelde een belangrijke rol in het introduceren van de modernste Franse kunst bij Nederlandse verzamelaars. In deze brief klinkt zijn frustratie door over het gebrek aan kopers voor ‘cubistische en stylistische’ kunst. Met het wegvallen van Helene Kröller-Müller als actieve verzamelaar – tot dan toe de meest dominante speler op de markt – verdween volgens hem de laatste serieuze koper van radicale kunstvormen. In het decennium ervoor kocht zij grootschalig werk aan van onder anderen Picasso, Léger, Mondriaan en Van der Leck. Vanaf 1922 kwam haar verzameltempo echter tot stilstand door de malaise bij Müller & Co., het bedrijf dat werd geleid door haar man Anton Müller en dat in de problemen raakte door onder meer risicovolle leningen. Wel verwierf ze incidenteel nog kubistische werken via onder anderen Léonce Rosenberg.[2]

Van Deene zou het gebrek aan gedurfde smaak een jaar later nog scherper formuleren aan schilder-criticus Conrad Kickert: ‘[Willem] Beffie koopt niet meer, en dit is veel je schuld. Hadt je hem in plaats van Le Fauconnier’s aangeraden Picasso’s te koopen, dan zou hij ook nu nog wel wat doen. Niemand vervangt hem hier […].’[3]

De brief aan Hannema is onderdeel van een breder discours. In de zomer van 1926 vond de tentoonstelling Fransche Kunst in Nederland plaats, in Pulchri Studio in Den Haag en daarna in het Stedelijk Museum Amsterdam. Deze expo vormde de aanleiding tot een publiek debat over de representatie van moderne Franse kunst. Gerhardus Knuttel Wzn, conservator van het Kunstmuseum en voormalig assistent bij Museum Boymans, schreef nog voordat de tentoonstelling überhaupt te zien was dat ‘belangrijke Parijse kunstenaars hun beste werk niet’ hadden gestuurd en noemde de tentoonstelling ‘middelmatig’. Tegelijkertijd wees hij naar Van Deenes galerie voor een mogelijke correctie: ‘Toch vermoed ik, dat enkele bezoeken aan de fijne kunstzaal van den heer Deene te Amsterdam die meening zou kunnen rechtzetten.’[4]

In Van Deenes brief aan Hannema weerklinkt niet alleen de vraag naar institutionele steun of connecties met particuliere verzamelaars, maar ook een diepere zorg over het culturele klimaat in Nederland: het publiek zou liever kijken naar makkelijke kunst dan naar experimentele stromingen. De avant-garde had in Nederland geen vanzelfsprekende plek, en veel hing af van een handvol visionaire verzamelaars binnen fragiele netwerken, net als van de bereidheid van musea om risico’s te nemen. Van Deene hoopte dat musea zoals Boymans niet alleen esthetisch zouden oordelen, maar ook zouden inzien dat de toekomst van de kunstgeschiedenis deels op hun schouders rustte. Het museum bleef echter terughoudend. Hannema’s voorkeur ging uit naar laatimpressionistische en classicistische Franse kunst. Slechts incidenteel verschenen moderne Franse kunstenaars als Braque en Picasso op tentoonstellingen, vaak via bruiklenen van buitenaf. Aankopen beperkten zich vooral tot grafiek en werk op papier. Voormalig conservator Renilde Hammacher-van den Brande blikte in 1972 terug op de twintigste-eeuwse aankopen van het museum: ‘Het is natuurlijk te betreuren dat in de jaren voor 1940 figuren als Picasso, Braque, Gris, Matisse te weinig of niet verworven zijn. Te herstellen was dit praktisch niet meer.’[5]

 

Johannes Franciscus van Deene aan Dirk Hannema, Amsterdam, 16 november 1926

Zeer geachte heer, naar aanleiding van een correspondentie met den heer G. Knuttel, directeur van het Haagsche gemeente-museum wend ik mij uit zijn naam tot u met het volgende.

Gaarne zou ik in mijn kunsthandel ook eens (of meermalen) werk laten zien van de meer extreme richtingen (cubisten, stylisten) in de Fransche schilderkunst. Dit zou veel instemming vinden o.a. bij de heeren Knuttel en Just Havelaar die reeds in het openbaar er op wezen, dat men van deze richtingen tot hun spijt in Holland zoo weinig te zien krijgt.

Echter is hier te lande het publiek dat moderne fransche ‘peinture de chevalet’ koopt reeds zeer beperkt, terwijl mij, nu mevrouw Kröller niet meer koopt, zelfs niemand bekend is, die in aanmerking zou komen om op een tentoonstelling van meer extreme kunst kooper te zijn.

Dit is het bezwaar waarop mijn goede voornemens in deze steeds zijn afgestuit. Iedere expositie brengt vele kosten mede, die tezamen heel wat bedragen, en als ik dan als kunsthandelaar niet het vooruitzicht heb op realisatie van minstens een of twee schilderijen, dan durf ik zoo’n tentoonstelling niet doen.

Maar wat mij niet is bekend, weet misschien een ander. En daarom zou ik u willen vragen; kent u wellicht menschen, die voor het zien of voor het bezitten van die cubistische of stylistische kunstuitingen geld over hebben. Gaarne zou ik mij doen met hen in verbinding stellen, om het zij met hun garantie, hetzij in het vooruitzicht aan hen iets te verkoopen eens een proef in die richting te nemen. Het zou zeker van belang zijn dat het Nederlands publiek ook van die meer extreme uitingen op de hoogte kon blijven, maar daarvoor is toch noodig, dat er een begin van belangstelling, die zich verder uitstrekt dan tot eens even gaan zien, aanwezig zij.

Met belangstelling uw geachte berichten te gemoet ziende, verblijf ik, met beleefde groeten,

Hoogachtend,
J.F. van Deene

 

 

In oktober 1929, aan de vooravond van Black Tuesday – de beurscrash die tot een wereldwijde economische crisis zou leiden – schreef Petronella van Doesburg-Van Moorsel (1899-1975), beter bekend als Nelly van Doesburg, een brief aan Dirk Hannema. De aanleiding was diens eerdere belangstelling voor een schilderij van Gino Severini (1883-1966), getoond op de Expositions Sélectes d’Art Contemporain, die Van Doesburg eind 1929 had georganiseerd in het Stedelijk Museum Amsterdam en daarna in Pulchri Studio, Den Haag. Deze tentoonstelling – met werk van onder anderen Picasso, Mondriaan, Miró, Kupka en Severini – werd aangekondigd als ‘de belangrijkste presentatie in Nederland van de laatste tien jaar’ en was opgebouwd als een esthetisch en ideologisch manifest van de internationale abstracte kunst. De opstelling leidde van figuratieve schilderkunst naar een ‘apotheose’ van de avant-garde in Mondriaan en Van Doesburg, met Nelly’s eigen werk (onder het pseudoniem Cupéra) als deel van het geheel.

Van Doesburgs brief is meer dan een zakelijke reactie op Hannema’s interesse. Zij levert net zoals Van Deene een inspanning om de internationale avant-gardekunst in Nederlandse museumcollecties te introduceren. De brief aan Hannema moet in die context worden gelezen: als diplomatieke poging om steun te vinden voor haar missie, maar ook als strategische zet om Museum Boymans tot bondgenoot te maken.

Hannema’s waardering voor Severini paste binnen een bestaande lijn: het museum had in 1925 al Pierrot musicienaangekocht via galeriehouder Léonce Rosenberg. In de jaren erna zouden meer aankopen en bruiklenen volgen, waaronder Stilleven met duif (1929) in 1930 en Stilleven met masker en twee duiven (1929), dat werd geschonken in 1935. Het werk dat op de tentoonstelling werd getoond onder nummer 65, Danseuse – la mer (1914) had perfect binnen deze lijn gepast. Het schilderij werd in de pers wisselend ontvangen: geprezen om het kleurgebruik, maar bekritiseerd vanwege het ontbreken van radicaliteit. Die relatieve gematigdheid kan mede verklaren waarom Hannema juist voor dit werk belangstelling toonde. Hannema positioneerde Severini als een representant van een ‘gestileerd naturalisme’ dat binnen zijn klassieke smaakprofiel paste, en zo ook als een sleutelfiguur in de opbouw van de moderne collectie van Boymans.

 

Nelly van Doesburg aan Dirk Hannema, Den Haag, 21 oktober 1929

Aan den heer Directeur v/h Boijmans Museum te Rotterdam,

Zeer geachte heer, ik heb nog eens nagedacht over uw vraag of de Severini die op de ESAC te Amsterdam geëxposeerd te koop is.

Bij nadere overweging zou ik bereid zijn het schilderij voor fl. 3000 af te staan indien u dezen prijs accepteert zou het vrij aangenaam zijn bericht te mogen ontvangen aan mijn tijdelijk adres alhier; Den Haag Violenweg 16.

In afwachting telkens met de meeste hoogachting,
Petro van Doesburg

 

 

In het najaar van 1930 schreef journalist en feminist Wilhelmina (Mien) van Itallie-van Embden (1870-1959), lid van de Tweede Kamer voor de Vrijzinnig-Democratische Bond, een brief aan Dirk Hannema. Daarmee borduurde ze voort op een pleidooi dat zij ruim een jaar eerder in het parlement hield. In december 1929 riep zij de regering op om meer steun te bieden aan levende kunstenaars, die volgens haar in grote nood verkeerden: ‘Ik meen dat de samenleving arm zou zijn zonder kunstenaars,’ stelde ze toen, ‘en dat dus de samenleving uit dankbaarheid ook wel iets voor hen mag doen.’[6] In haar brief aan Hannema herhaalt ze die oproep, ditmaal met een persoonlijke vraag om bemiddeling. Op verzoek van Leentje de Vries-Hamburger (1895-1964) vraagt ze of Hannema haar echtgenoot, de kunstenaar Johan Marinus de Vries, zou kunnen introduceren bij filantroop Arnold van den Bergh, die bij Unilever betrokken was en eerder in Rotterdam woonde. Tegelijkertijd legt ze Hannema een vraag voor: is het nog mogelijk om in de rijksbegroting iets te betekenen voor hedendaagse kunstenaars?

Hannema’s antwoord laat zien hoezeer hij zich als museumdirecteur bewust was van de bredere politieke en maatschappelijke context. Hij erkent het probleem, spreekt zijn waardering uit voor De Vries, maar geeft aan dat hij als directeur geen structurele rol ziet weggelegd voor musea in de ondersteuning van individuele kunstenaars. Het is een opvatting die ook terugkomt in zijn museumbeleid ten aanzien van Rotterdamse kunstenaars.[7] Zijn brief is opvallend genuanceerd: hoewel hij afstand neemt van museale steunverlening, pleit hij voor overheidssubsidies en kunstopdrachten, bijvoorbeeld voor de decoratie van publieke gebouwen. Die oproep vond weerklank. Nog datzelfde jaar liet Van Itallie-van Embden in het parlement opnieuw van zich horen. Ze pleitte voor meer kunstenaarssubsidies en opdrachten, ditmaal met tastbaar resultaat: in 1932 werd voor het eerst een aparte post in de rijksbegroting opgenomen voor opdrachten aan hedendaagse kunstenaars.

 

Hendrika Wilhelmina Bernardina van Itallie-van Embden aan Dirk Hannema, Leiden, 18 oktober 1930

Hooggeachte directeur, Dezer dagen heb ik een bezoek gehad van mevr. de Vries-Hamburger uit Katwijk, wier man, bekend schilder volgens de kritieken die ik las, en volgens ’t feit dat ’t Museum Boymans een schilderij van hem aankocht, werkelijk tot onze goede en belovende artiesten mag worden gerekend. Ook zij hebben ’t in deze malaise tijd moeilijk, terwijl omgekeerd de terecht niet lage prijs van zijn werken het den gewonen menschen bezwaarlijk maakt, een stuk aan te koopen.

Nu heb ik beloofd u te verzoeken of u misschien den bekenden rijken en hulpvaardigen heer Arnold v.d. Bergh, Tobias Asserlaan Den Haag, eens op dezen schilder en zijn werken attent zoudt willen maken. Alleen indien u dat doet kan het voor genoemden heer waarde hebben. Ik ben ook geneigd, als u dat aangenamer is, hem zelf te schrijven, maar dan zou ik u toch om een aanbeveling, om een kritiek willen verzoeken, die ik daarnevens overleggen kon.

Hopende dat ik ’t ons zal mogen gelukken iets voor een verdienstelijk schilder, mij tot verleden week onbekend, te bereiken met dank voor uw bereidwilligheid

Hoogachtend,
Het is zeker niet goed mogelijk om in mijn qualiteit van lid v.d. Tweede Kamer, bij de a.s. begrootingen iets voor verdienstelijk en noodlijdende kunstenaars te bereiken. Wat is daarin uw advies? Het hoofd v. dezen tak uit Departement v. Onderwijs enz. is zeker van goeden wille maar de voorziene achteruitgang in rijksontvangsten zal belemmeren.

 

Dirk Hannema aan Hendrika Wilhelmina Bernardina van Itallie-van Embden, Rotterdam, 29 oktober 1930

Hooggeachte mevrouw, Uw schrijven betreffende het werk van den kunstschilder de Vries mocht ik onlangs ontvangen. Zeer tot mijn leedwezen kan ik u echter geen introductie voor den heer Arnold van den Bergh verschaffen, aangezien ik dezen heer niet persoonlijk ken.

Het werk van de Vries waardeer ik zeker. Een bewijs daarvan is dat wij een schilderij van hem in het museum bezitten. Hij behoort tot de serieuze werkers onder de jongeren, wiens werk karakter vertoont. Hij verdient dan ook in moeilijkheden zeker gesteund te worden.

De kwestie van steun aan kunstenaars in het algemeen is tegenwoordig werkelijk een probleem te noemen. Waar moet men aanvangen waar eindigen? Op welke wijze moet gesteund worden? Een feit is dat er tegenwoordig talrijke menschen rondloopen, die meenen kunstenaar te zijn doch wier werk op zichzelf en in de ontwikkeling der kunst zoo weinig beteekenis heeft. Voor hem zou het beter zijn, in dien zij een andere werking kozen. Doch ook dat is in tijden van werkeloosheid moeilijk. Wat den steun zelve betreft, geloof ik dat het aanbeveling zou verdienen indien van rijks- en gemeentewege opdrachten aan kunstenaars verstrekt werden. Gebouwen, b.v. scholen zouden van wandversieringen en beeldhouwwerken voorzien kunnen worden.

Het verhoogen van een crediet voor de musea om kunstwerken uitsluitend van levende kunstenaars te koopen, acht ik minder gewenscht. Een museum toch dient voor permanent bezit, slechts naar het allerbeste te streven. Werkelijk zeer belangrijke kunstenaars zijn er niet zoo heel veel. Zij zullen al spoedig in een museum vertegenwoordigd zijn en overvulling van een museum kan wel een ramp genoemd worden.

Ik hoop u eenigszins een idee gegeven te hebben van eenige moeilijkheden welke aan dit probleem verbonden zijn

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

 

In de herfst van 1931 werd de Rotterdamse kunstwereld opgeschrikt toen de Winkelsluitingswet plots ook strikt werd toegepast op kunsthandels, die voortaan dus verplicht waren hun deuren te sluiten op rustdagen. De wet, oorspronkelijk bedoeld om de wildgroei aan winkels tijdens de crisisjaren te beperken, riep protest op. Zondagse tentoonstellingen en activiteiten bij galeries konden immers nauwelijks als regulier getypeerd worden. Galeriehouders als Cees van Hasselt benadrukten in de pers dat deze openstellingen nauwelijks commercieel van aard waren, maar in de eerste plaats een culturele functie vervulden. Opvallend is dat niet alleen zij in het verweer kwamen, maar ook de bredere kunstgemeenschap. De Rotterdamsche Kunstenaars Sociëteit diende een verzoekschrift in bij het stadsbestuur en wees op het ontbreken van openbare expositieruimten en op het maatschappelijk belang van kunst op zondag.

De maatregel stuitte ook op weerstand van Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse (1858-1937), een pionier in de Nederlandse verpleegkunde en een bescheiden maar betrokken kunstverzamelaar. Zij contacteerde museumdirecteur Hannema en vroeg om een publieke stellingname omtrent het verbod, dat ze niet alleen zag als een bedreiging voor galeriehouders, maar voor het culturele leven in bredere zin. Haar engagement verbaast niet: als voorvechter van de professionalisering van de verpleegkunde én als vriendin van Wil van Gogh, zus van Vincent en Theo, had zij een scherp besef van de maatschappelijke waarde van kunst en zorg. In 1888 ontving Kruysse van Wil een vijftiental Japanse prenten die nog van Theo waren geweest. Daarnaast nam ze twee schilderijen van Vincent over van Wil, die ze in bruikleen gaf aan Museum Boymans voor de kersttentoonstellingen van 1928 en 1937. Beide werken keerden na afloop niet terug in een Nederlandse openbare collectie, een verlies dat doet denken aan het verdwijnen van De sterrennacht (1889), dat eveneens het land verliet na bruikleen bij het Boymans, via Georgette Petronella van Stolk.

Hannema antwoordde enkele dagen later begripvol op de brief, maar wees op zijn delicate positie: als hij zich publiekelijk uitsprak over de kwestie, kon de gemeenteraad hem bij een officiële adviesaanvraag niet meer als neutraal beschouwen. Het zou tot 1934 duren voordat de wet zodanig werd aangepast dat kunsthandels op zondag weer open mochten.

 

Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse aan Dirk Hannema, Rotterdam, 10 november 1931

Hooggeachte Mijnheer Hannema, Van morgen was ik bij den heer van Hasselt en bespraken wij met een enkel woord het groote nadeel van het besluit, dat de kunsthandelaren in het vervolg hun zaken op zondag gesloten moeten houden.

Onderweg bij het naar huis gaan, drong het hoe langer hoe dieper bij mij door welke verstrekkende gevolgen dit besluit heeft, vooral op het gebied van cultuur en toen vatte ik het plan op u te vragen of u niet iets zoudt kunnen willen schrijven over het groote belang voor het publiek ook op zondag rustig hier of daar op kunstgebied te kunnen genieten.

U zoudt al de nadeelen van dat besluit zoo goed in het licht kunnen stellen. Toen ik u op belde, vernam ik dat u op reis waart.

Mag ik u thans schriftelijk het verzoek doen?

Met de meeste hoogachting en beleefden groet,
L. De Bussy-Kruysse

 

Dirk Hannema aan Lientje le Cosquino de Bussy-Kruysse, Rotterdam, 18 november 1931

Hooggeachte mevrouw de Bussy, Teruggekeerd uit het buitenland mocht ik van den inhoud van uw schrijven kennis nemen. Wat ik in het belang der zaak doen kan, zal ik natuurlijk gaarne verrichten. Toch lijkt het mij niet verstandig om in het openbaar daarover te schrijven. Een en ander zal wel in B en W behandeld worden en de mogelijkheid is niet uitgesloten dat alsdan mijn advies wordt ingewonnen.

Indien ik mij in het openbaar over een en ander reeds geuit heb, zullen B en W in geen geval mijn advies kunnen inwinnen, aangezien ik mij dan reeds van te voren partij heb gesteld.

Ik hoop echter in dit geval diligent te kunnen blijven.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

 

Johan Catharinus Justus Bierens de Haan (1867-1951) was een chirurg en wereldreiziger die zich na zijn medische loopbaan toelegde op de prentkunst. Zijn nauwgezet samengestelde collectie vormde samen met het Lucas van Leyden-fonds de basis voor de uitbouw van het prentenkabinet van Museum Boymans. In mei 1933 bracht Bierens de Haan museumdirecteur Hannema in contact met Margaretha Tekla Johanna (Etha) Fles (1857-1948), kunstenaar, kunstcriticus en een van de eerste Nederlandse pleitbezorgers van moderne, internationale kunst. Ze schreef onder meer in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift en publiceerde in 1903 het veelgelezen boek Inleiding tot een kunstgeschiedenis. Fles bezat sinds het fin de siècle de grootste particuliere collectie van de Italiaans-Franse beeldhouwer Medardo Rosso (1858-1928). Het werd haar doel om Rosso en zijn kwetsbare beelden een plek te geven in museale collecties.

In enkele brieven aan Hannema biedt Fles enkele zeventiende-eeuwse schilderijen aan, maar ze richt zich al snel op haar werkelijke inzet: het onderbrengen van Rosso’s sculpturen in Museum Boymans. Ze stelt een schenking voor van een uniek Rosso-brons en van het wasmodel Ecce Puer (1905), op voorwaarde dat het museum ook een aankoop doet. Deze vorm van onderhandelen is Fles niet vreemd: al in 1913 en 1914 wist zij in Turijn, Rome en Venetië institutionele aandacht voor Rosso af te dwingen door het principe van de promised gift: een of meerdere schenkingen werden gekoppeld aan de aankoop van een sleutelwerk.[8] De Italiaanse minister van Onderwijs stemde toen in met de aankoop van Femme à la voilette (1895), op voorwaarde dat tegelijkertijd vier andere werken van Rosso kosteloos geschonken zouden worden.

In Rotterdam bleven de resultaten echter uit. Hoewel Hannema zich erkentelijk toonde voor de kwaliteit van het aangeboden werk, schreef hij dat hij voor de inrichting van het nieuwe museum op zoek was naar ‘beeldhouwwerken van meer decoratieven aard’. Door de crisis kwamen vrijwel alle nieuwe aanwinsten in de jaren dertig tot stand via schenkingen, legaten of gezamenlijke aankopen met vermogende particulieren. Het voorstel van Bierens de Haan aan Hannema om ook een werk van de zeventiende-eeuwer Jan de Bray via Fles te verwerven, bood weinig meerwaarde: Museum Boymans bezat, net als bijvoorbeeld het Rijksmuseum en het Frans Hals Museum, al werken van De Bray.

Tijdens de oorlog deed Fles een laatste poging om haar Rosso-collectie onder te brengen bij Museum Boymans,maar Hannema vroeg zich eerst af of zij ‘Arisch’ was en raadpleegde Bierens de Haan, die zich fel uitsprak tegen deze uiting van antisemitisme. Kort daarop werd het huis van Bierens de Haan door de bezetter gevorderd, en verdween het aanbod van Fles naar de achtergrond.[9] Pas na haar dood werd de visie van Fles verder verwezenlijkt: in 1957 verwierf het Kröller-Müller Museum – via haar pleegdochter Aagtje Verkroost – een tweede kunstwerk van Rosso, Kind in de zon (1892), nadat Kröller-Müller in 1920 van Fles reeds Lachende vrouw (1890) had gekocht. In 2014 slaagde ook Museum Boijmans Van Beuningen erin een exemplaar van Femme à la voilette (1895) aan de collectie toe te voegen, dankzij de steun van talrijke fondsen en particuliere begunstigers.

 

Johan Catharinus Justus Bierens de Haan aan Dirk Hannema, Amsterdam, 3 mei 1933

Hooggeachte heer Hannema, Wellicht is u het werk van Medardo Rosso bekend; hij heeft een zeer klein oeuvre van mooie plastieken in brons en in was gemaakt, meest uniek, en is reeds jaren vóór Rodin met zijn impressionistische plastieken begonnen; Rodin bewonderde hem zeer en bezat een werk van hem. Verreweg het meest is in ’t bezit gekomen van mevr. Etha Fles, die zijn beste vriendin en beschermster was; na zijn dood heeft zij een aantal werken geschonken aan verschillende musea (te Rome i/d Belle Arte Moderni is een aparte zaal voor hem ingericht), in Florence, Turijn etc. Zij bezit echter nog een aantal v/d fraaiste stukken en wil deze voor haar dood (zij is geloof ik ± 76 jaar oud) wegschenken.

Ik heb bij haar bepleit om ook onze musea te gedenken en zij is nu bereid een mooi stukje aan het Rott. Museum te schenken; eerder zeide zij mij, dat zij gaarne v/d gelegenheid wilde gebruik maken om een portret van Jan de Bray en een zeestuk met een paar schepen van [?] voor een zacht prijsje te gelden te maken. (Door haar gezondheid is zij naar ’t blijkt in vrij moeilijke omstandigheden – sinds jaren heeft zij een klein pension te Rome, en schrijft om in haar bestaan te voorzien voor de Pers) – overmorgen gaat zij naar Holland en is bereid u de dingen te toonen.

In Den Haag (zij woont daar nu bij Van Alphen van de Veer – Weissenbruchstr. 89) en blijft één maand in Nederland; zij neemt op reis mede Le malade in brons, heel mooi, doch wellicht wil zij ook wel een en ander stuk afstaan. Indien u ’t werk niet kent, geloof ik zeker, dat u dat zeer gevoelige werk zult waardeeren. In de hoop niet te zeer onbescheiden te zijn en dat u met het bronsje ingenomen zult zijn.

Met hartelijken groet,
J.C.J. Bierens de Haan
Van 19-24 Mei ben ik te Leipzig, Park-Hôtel (am Bahnhof).

 

Dirk Hannema aan Johan Catharinus Justus Bierens de Haan, Rotterdam, 5 mei 1933

Hooggeachte heer Bierens de Haan, Hartelijk dank voor uw schrijven. Het werk van den beeldhouwer Medardo Rosso is mij te weinig bekend om een zuiver oordeel erover te kunnen vormen. Gaarne zal ik mij met mevr. Etha Fles in verbinding stellen wanneer zij in Den Haag vertoeft, om een en ander met haar te bespreken. Het zal echter niet gemakkelijk zijn om thans de oude schilderijen van de hand te doen. De musea in Holland bezitten reeds meerdere schilderijen van Jan de Bray en wij hebben helaas zoo weinig geld om aan te koopen. Ik zal echter zien wat ik doen kan en ik stel het zeer op prijs dat u Mevr. Fles op Boymans attent hebt gemaakt.

Onlangs heb ik getracht u een bezoek te brengen, doch mocht van uw bediende vernemen dat u tot het eind van mei in het buitenland zoudt vertoeven. Boerner was, zooals u wel bekend zal zijn, met de collectie voor de a.s. veiling in het Amstel Hotel. Ik heb de verzameling nauwkeurig kunnen doorzien en meerdere zeldzame prenten genoteerd. Ik hoop van harte dat u er in zult slagen op de veiling een belangrijke reeks te bemachtigen. Vooral de bladen van Jan de Bray (150), Brosterhuisen (165), Buyteweg (I), A. Elsheimer, Kittensteyn, Lons, Neyte (537), Peeters, Pietersz, Poelenborgh, Ruyscher, Stalbemt, Sweerts, Esaias van de Velde, J. van de Velde (727), Verboom (734), en J.B. Weenix troffen mij en ook de bladen van Bellange leken mij belangrijk.

U nogmaals succes toewenschend op de veiling verblijf ik, met hartelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 15 mei 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Van Dr. Bierens de Haan mocht ik een dezer dagen vernemen dat u in het bezit bent van een tweetal oude schilderijen, waarover u gaarne advies zoudt willen hebben.

Met genoegen zal ik, indien u dat wenscht, schilderijen ten uwent komen bezichtigen. Deze week vertoef ik echter voor museum-aangelegenheden in het buitenland, doch zal maandag a.s. wederom in het land terug zijn. De volgende week zal ik dan gaarne op een nader door u te bepalen dag de schilderijen komen bezichtigen.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 20 mei 1933

Geachte heer, Wetend hoe druk u het heeft laat ik u de twee schilderijen, een portret van de Bray en een doek met schepen, uit Bergen sturen, daar ik weer naar Rome terugga en de villa in Bergen deze zomer verhuur. Dit is ook de reden dat ik de schilderijen er liever wegneem; als u er niet veel in ziet zijn ze dan toch al vast in het centrum van het land. Ik liet ze nooit aan iemand zien maar in Haarlem voelen ze ook nog al voor de Bray; al is dit portret dan ook niet van de bovenste plank het is toch gesigneerd en na restauratie wellicht heel presentable. Hierover hoor ik dan wel uw oordeel. Dan ried Dr Bierens de Haan me aan u te interesseeren voor het werk van den overleden Italiaanschen beeldhouwer Medardo Rosso wiens werk rijkelijk in de musea van Italië ook in het Petit Palais en ’t Luxembourg vertegenwoordigd is even als in het museum te Dresden, Leipzig en Hagen maar nog in geen museum bij ons terwijl o.a. Meyer Graefe in zijn Moderne Kunst een groot artikel aan dezen zeer uniquen impressionist wijdt en hem niet onder Rodin stelt.

Ik bezit verscheidene werken van den kunstenaar; ik zou er misschien een van aan Boymans willen legateeren omdat dr. Bierens de Haan mij zoo warm sprak over uw zorg en ruimen blik voor en op de kunstwerken; Ter kennismaking zend ik u nu een brons, een unicum waarvan u ook een goede afbeelding vindt in het boekje dat ik u zendt. Dr. B. de H, was zeer verrukt van Rosso’s werk, ik geloof dat hij het in de toekomst gaarne bij u ondergebracht zou weten.

In elk geval hoop ik u over een en ander eens te spreken. Donderdag ben ik weer aan bovenstaand adres. U heeft de werken dan eens op uw gemak kunnen bekijken en daar hoor ik dan wel van u.

Hoogachtend,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 26 mei 1933

Geachte heer, Ik stuurde u gisteren franco uit Bergen de Bray, en de niet meer zeer zeewaardige schepen. Omdat er nog zooveel plaats in de kist was deed ik er schilderijen bij die ik in de Pyreneën vond. Nu ik mijn huis daar verhuur wil ik ze graag opruimen.

Ze zullen wel niet voor u zijn maar misschien kent u eerder een antiquaar dan ik en raak ik ze beter voor een kleinigheid in Rotterdam kwijt.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 30 mei 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Het beeld van Medardo Rosso is een dezer dagen hier aangekomen. Ik vind het werkelijk een zeer gevoelig werk, dat een gelukkige verrijking voor onze collectie moderne plastiek zou beteekenen.

Ik zou het buitengewoon op prijs stellen, indien u in de toekomst dit werk aan Boymans zoudt willen legateeren. Ook de schilderijen arriveerden hier. Helaas is de toestand der stukken niet zeer gunstig te noemen. Ook het portret op de naam van de Bray heeft zeer geleden. De handteekening kan ik niet geheel ontcijferen. De wijze van schildering is wat drooger dan de Bray meestal doet en doet eerder aan Delft denken. Het beste stuk lijkt mij den Spaanschen Heilige. Door de niet zeer oordeelkundige verpakking zijn hier eenige krassen op gekomen. Ik zou er geen naam aan kunnen geven, aangezien de vernis zeer troebel is. Het stuk zou met schoonmaken wel winnen. De toestand van de andere schilderijen is dusdanig dat een restauratie niet veel verbetering zou brengen. Het zal werkelijk zeer moeilijk zijn om een kooper voor deze schilderijen te vinden.

Gaarne wil ik daar echter nog eens over denken.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 31 mei 1933

Geachte heer Hannema, Ik had me wel geen gouden bergen van de schilderijen voorgesteld, maar ik bemerk wel dat ik er mijn fortuin niet mede maken zal. Het doet me plezier dat u het werk van Medardo Rosso apprecieert maar Dr Bierens de Haan had mij ook verzekerd dat u hiervoor de persoon waart en nu wilde ik u het volgende voorstel doen:

Ik sta aan Boymans de Malade à l’hopital in bruikleen af onder belofte dat het er blijft totdat het na mijn dood zijn eigendom wordt. Het volgend jaar zal ik daar dan nog een van de more cires (ook een museum-stuk) aan toevoegen opdat de kunstenaar althans in één museum in Nederland waardig vertegenwoordigd wordt. Als tegenbeleefdheid koopt u daarvoor de schilderijen tegen een som van 500 gl.

Over het legateeren van deze brons en de cire van L’Enfant au soleil kunt u misschien me een stukje laten teekenen. Daar ik dadelijk na Pinksteren naar Rome terugga zou ik gaarne spoedig een antwoord hebben. U zoudt me nog plezier doen als u me een adres in Rott. kon geven van een goede kunsthandel waar ik mijn borduurwerken zou kunnen exposeeren.

Wilt u dan ook zoo vriendelijk zijn mij het boekje over Rosso terug te zenden?

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 6 juni 1933

Hooggeachte mevrouw Fles, Zoojuist kom ik van een reis terug en vindt uw beide brieven. Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan om u te moeten schrijven, dat het museum absoluut geen gelden voor aankoop van kunstwerken ter beschikking heeft. Om redenen van bezuiniging is deze post geheel op onze begrooting geschrapt. Hoe gaarne ik dit ook zou wenschen, zie ik toch geen kans een bedrag van 500 gld. bijeen te brengen. Ook ben ik er van overtuigd dat geen kunsthandelaar dit bedrag voor de collectie zou kunnen geven, aangezien de toestand der kunstwerken niet zeer gunstig genoemd kan worden. Ik weet werkelijk niet, hoe deze zaak verder op te lossen; de beelden van Rosso zouden voor het museum werkelijk een belangrijke verrijking genoemd kunnen worden.

Wat een tentoonstelling van uw borduurwerken betreft, zou ik u den kunsthandel De Distel, Schiedamse Singel, alhier kunnen aanbevelen. Deze kunsthandel is centraal gelegen en staat gunstig bekend.

Het boekje over Rosso stuur ik u heden terug.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 7 juni 1933

Zeer geachte heer, Nu ik morgen (8 juni) met den nacht trein uit Rotterdam naar Rome vertrek en nog niet uw beslissing vernam zal ik die daar (Via Pompeo Magno I) tegemoet zien.

Intusschen laat ik de brons in bruikleen onder uw hoede; over de schenking ook van L’Enfant au soleilen wellicht van een prachtig kopje L’Enfant malade, dat dr. Bierens de Haan zeer bewonderde, kunnen wij dan nog eens correspondeeren.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Den Haag, 7 juni 1933

Geachte heer, Het valt me in dat ik onnoodig omslachtig geschreven heb, ik kon eenvoudig zeggen dat ik die twee werken van Rosso schenk aan uw museum, de brons dadelijk, de cire in mei ’34, de Italiaansche regeering kocht er verleden jaar 2 en betaalde 50,000 gulden voor elk, ik kan en wil ze dus alleen cadeau geven maar de crisis noodzaakt me toch indemnisatie te vragen.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Rome, 16 juni 1933

Geachte heer, Uw schrijven kwam heden via Amsterdam den Haag in mijn bezit. De hoofdzaak is voor mij dat u Rosso’s werk waardeert, daarom laat ik het nog bij u in bruikleen en hoop over een maand of 10 u een paar andere te laten zien.

Tegen dien tijd heeft u misschien kunstliefhebbers kunnen interesseren voor werk dat nu in de voornaamste musea van Europa zich bevindt.

Met beleefde groeten,
Etha Fles

 

Etha Fles aan Dirk Hannema, Bergen, 20 juli 1934

Zeer geachte heer Hannema, In aansluiting met uw bezoek van gisteren acht ik het wenschelijk nog eens te stipuleeren wat wij gisteren besproken hebben. Ten eerste dat ik onvoorwaardelijk aan het museum Boymans legateer het olieverfportret van mijn vader dr. I.A. Fles door Jan Veth geschilderd in 1895 en van mijn zuster Anna Fles geschilderd in 1891. Onder zekere voorwaarden legateer ik, ten tweede een Cire van Medardo Rosso (geb. te Turijn 1858 overl. te Milaan 1928). Van deze Cire genaamd Ecce puer (zie het kind) bestaan nog twee; één in het museum van het Luxembourg het andere werd door Mussolini voor het museum te Rome aangekocht voor Lire 50.000.

Aan mijn pleegdochter Agathe Verkroost, heb ik ten geschenke gegeven de andere werken van Rosso die nog in mijn bezit zijn t.w.

  1. Malade à l’hôpital, unique brons à cire perdu door den artiest zelf gegoten. Een enkele cire van dit werk bevindt zich nog in het museum te Rome
  2. L’Enfant malade, cire waarvan zich nog een bevindt in het museum te Dresden
  3. La Petite Juive waarvan een donker bruine cire in het museum te Rome is, van deze cire zijn wel mogelijk nog vijf in omloop o.a. is er een in het museum te Hagen en een te Venetië
  4. L’Enfant au soleil waarvan ik een brons schonk aan het museum te Turijn. Er is ook een brons in het museum te Rome en wellicht is er van deze nog een cire in het museum te Venetië maar stellig zijn er maar zeer enkelen van, daar alle werken door de kunstenaar zelve gemaakt werden en hij alleen persoonlijk zijn werk verkocht – dat hij op hoogen prijs hield daar hij absoluut in vijandschap met de kunstkoopers leefde.
  5. Chair à autrui. Unique fragment van een cire waarvan de geheele kop in bruine was in het museum te Rome is.

Boven benoemde werken verbindt mijn pleegdochter zich noch aan een partikulier noch aan een ander museum af te staan dan aan dat van Boymans (wetend dat het mijn uitdrukkelijk verlangen is dat de collectie Rosso daar samen ondergebracht wordt). Indien de billijke som die zij daarvoor zal vragen ingewilligd wordt. Intusschen is de directie van het museum vrij een of meerdere werken van de groep te verkoopen wanner zij om finantieele redenen hiertoe genoodzaakt is.

Onvoorwaardelijk legateer ik dan maar uitsluitend bestemd voor het Museum Boymans Ecce Puer, het laatste werk van den kunstenaar vervaardigd in 1902.
Etha Fles

Waarde heer Hannema, nog een enkel woordje aan u privaat. ‘La nuit porte conseil’: ik heb nog eens over een en ander nagedacht; de woorden dat ik de werken aan mijn dochter schonk laste ik in om te voorkomen dat de fiscus later van de werken belasting zou vragen (successie geld).

Nu vergat ik van mijn brief een doorslag te maken in uw antwoord kunt u zeker wel iets invlechten waardoor die brief ook als bewijs kan dienen dat genoemde werken haar persoonlijk eigendom waren. Ook noemde ik geen geldsom: het is voor mij van het grootste gewicht dat het museum later zoo royaal is als mogelijk zou zijn en ik weet ook door de zoon dat Rosso zijn werken aan private collecties vaak voor zeer hoogen prijs verkocht daar hij zijn kunst niet slechter betaald wilde hebben dan de groote impressionisten van de Fransche school.

Nu zeide u, dat het nieuwe museum Juni zou openen, ik zou dan het portret van mijn vader al kunnen schenken en om eenige vaste vorm te geven aan de collectie ‘Rosso’ zou u misschien het een zeer gewenscht oogenblik vinden om voor die, als de geldmiddelen of de schenking van een maecenas het toelaten, een of twee cire’s voor een goeden prijs aan te kopen (Ecce Puer, natuurlijk uitgesloten). Hierover kunt u dan nog eens denken en netten uitzetten wellicht.

Met vr. Groeten,
Etha Fles

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 24 juli 1934

Zeer geachte mevrouw Fles, Hierbij heb ik het genoegen u mijn antwoord te doen toekomen. Wat betreft een aankoop van eenige werken van Rosso bij de opening van het nieuwe museum, geloof ik toch niet dat dan het juiste moment aanwezig zal zijn. De kwestie is dat ik voor het nieuwe museum op bepaalde plaatsen beeldhouwwerken en andere kunstwerken van meer decoratieven aard bepaald noodig heb. In de gegeven omstandigheden zal het reeds zeer moeilijk zijn om deze kunstwerken van particulieren ten geschenke te ontvangen.

Indien er een kans aanwezig is, zal ik echter gaarne de poging doen.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Dirk Hannema aan Etha Fles, Rotterdam, 24 juli 1934

Hooggeachte mevrouw Fles, Uw schrijven d.d. 20 juli 1934 kwam een dezer dagen in mijn bezit. Ik stel het op hoogen prijs dat u aan het museum Boymans wilt legateeren het olieverf portret van uwen vader dr. I.A. Fles door Jan Veth geschilderd, benevens het portret van uwe zuster Anna Fles door denzelfden schilder vervaardigd. Uwe belangstelling in het museum waardeer ik zeer en gaarne zal ik in de toekomst een voorstel tot aanvaarding van het legaat doen.

Tevens vernam ik uit uw schrijven dat door u aan Boymans gelegateerd zal worden een cire van Medardo Rosso Ecce Puer genaamd, in dien het museum vier cires van denzelfden kunstenaar welke door u aan uwe pleegdochter Agathe Verkroost geschonken zijn, verworven zullen worden voor een som in nader overleg met Mej. Verkroost vast te stellen.

Aangezien het werk van Rosso zeer door mij gewaardeerd wordt, zal ik gaarne ter gelegenertijd een poging doen, zooals hierboven is vermeld. Of kans van slagen aanwezig is, zal echter geheel van de omstandigheden afhangen. Ik kan echter niet nalaten u reeds thans voor uwe zeer gewaardeerde gedachte te bedanken.

Met de meeste hoogachting,
Dirk Hannema

 

Noten

1. Nathan H. Wolf, ‘Henri Timmermans’, in: De kunst, nr. 465, 1916, p. 138.

2. Eva Rovers, Helene Kröller-Müller. De eeuwigheid verzameld, Amsterdam, Bert Bakker, 2010, pp. 359-370.

3. Geciteerd in: Jan van Adrichem, De ontvangst van de moderne kunst in Nederland, 1910-2000. Picasso als pars pro toto, Amsterdam, Prometheus, 2001, p. 155.

4. G. Knuttel Wzn., zonder titel, Het Vaderland, 18 mei 1926.

5. Renilde Hammacher-van den Brande, Kunst van de 20e eeuw, Rotterdam, Museum Boijmans van Beuningen, 1972, pp. 7-8.

6. Fransje Kuyvenhoven, De Staat koopt kunst. De geschiedenis van de collectie 20ste-eeuwse kunst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voorgangers (1932-1992), Vrije Universiteit Amsterdam, 2007, p. 37.

7. Wessel Krul, Hannema, museumdirecteur. Over kunst en illusie, Amsterdam, Prometheus, 2018, p. 177.

8. Margaret Scolari Barr, ‘Medardo Rosso and his Dutch Patroness Etha Fles’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek/Netherlands Yearbook for History of Art, nr. 13, 1962, p. 246.

9. Op. cit. (noot 7), pp. 366-367.

 

Met dank aan Sandra Kisters en Sara Swart van Museum Boijmans Van Beuningen, Rachel Esner (Universiteit van Amsterdam), Eva van Bladel en de NWO Museumbeurs voor het mede mogelijk maken van dit onderzoek. In het Stadsarchief Rotterdam, waar het archief van Museum Boijmans Van Beuningen wordt bewaard, zijn de brieven geregistreerd onder inventarisnummers 181-296, 181-302, 181-306, 181-309, 181-312 en 181-315.

Tegenstrijdige belangen

Christophe Van Gerrewey: Jullie staan aan het hoofd van een veilinghuis, gespecialiseerd in kunst en antiek, dat werd opgericht door jullie vader, Edmond Bernaerts. Hij werd in 1944 geboren in Antwerpen. In 1970 opende hij met zijn vrouw en broer een brocantewinkel in Lier, die in 1973 werd omgevormd tot de naamloze vennootschap Kunstveilingen Bernaerts. Wat was zijn opleiding?

Peter Bernaerts: Hij is een autodidact die van elke mogelijke opleiding is weggelopen. Een schoolverlater, met andere woorden. Een half jaar lang heeft hij bijvoorbeeld architectuur gestudeerd in Brussel.

Christophe Bernaerts: Zijn vader – Emmanuel Bernaerts – was in Antwerpen schepen van Parken, Plantsoenen en Stadseigendommen. Hij heeft ons papa, die het te bont had gemaakt tijdens zijn legerdienst, de opdracht gegeven om de onteigening van stukken grond te onderhandelen met de eigenaars. In die periode, begin jaren zestig, werden er op grote schaal gasleidingen aangelegd. Het was zijn taak om te gaan spreken met de grondbezitters, vaak boeren.

P.B.: Zo heeft hij de diplomatie en de kunst van het onderhandelen leren kennen.

C.B.: Ook onze grootmoeder, Godelieve De Burghgrave, is belangrijk. Zij maakte deel uit van de chique Gentse bourgeoisie, maar ze woonde in Antwerpen. Ze heeft vaak veilingen gevolgd, dat was haar hobby, om het zo te noemen.

P.B.: Er werd van alles te koop aangeboden. De sfeer was gemoedelijk, het was er lekker warm en plezant. En ons papamoest haar op woensdagmiddag gaan zoeken in een van die veilinghuizen. Zo heeft hij de stiel leren kennen. Dat zegt hij althans, maar ik geloof hem.

C.B.: En dan heeft hij zijn vrouw ontmoet, Emmy Heylen.

P.B.: Zij woonde in Herenthout, maar Antwerpse mannen verkozen in die periode vrouwen uit de Kempen, die verondersteld werden ‘van goeie grond’ te zijn. Ze zijn getrouwd in 1969. Zij werkte bij Van In, de uitgeverij in Lier. In 1970 zijn ze daar in de Kartuizersvest een antiekzaak begonnen. Voor hen ging dat te traag, en in 1973 hebben ze een roepzaal geopend in de Koolstraat in Mechelen. De concurrentie was elders te groot: in Antwerpen had je onder meer Campo en Van Herck, en in Brussel had je Galerie Moderne, de verkoopzaal van het Paleis voor Schone Kunsten en de andere grote huizen. Dus vestigde hij zich tussen die twee steden in.

Eléa De Winter: Waarom vonden jullie ouders het tempo van de antiekwinkel te traag? En waarom was de stap naar een veilinghuis dan logisch?

P.B.: Zij zat in de winkel en hij moest op zoek naar materiaal, voornamelijk op andermans veilingen. Dat was tijdrovend.

C.V.G.: Als uitbater van een veilinghuis moet je dat niet doen?

P.B.: Nee, een veilinghuis is een receptief orgaan.

C.B.: Dat is idealiter zo, maar in de beginjaren is ons papa zelf op zoek gegaan. Als je geen naamsbekendheid hebt, komen de mensen niets aanbieden. Hij was in die periode verplicht zaken te doen met één leverancier, die marchandisehad waar meestal iets mis mee was, het waren licht beschadigde stukken die ‘op limiet’ moesten worden verkocht. Als veilingmeester verkies je dat de stukken ‘vrij’ zijn, zodat je niet aan een bodemprijs gebonden bent.

P.B.: Hij was vaak heel kwaad over het materiaal waarmee hij moest werken.

C.V.G.: Hij had geen particuliere leveranciers, maar deed een beroep op tussenpersonen die goederen doorverkochten?

C.B.: Ja, daar was hij afhankelijk van, als beginneling. Om eerlijk te zijn: dat komt vandaag nog voor, maar niet meer bij ons. Als je vandaag een veilinghuis zou openen, waarom zouden mensen hun goederen dan aan jou willen toevertrouwen? Je moet dat vertrouwen nu eenmaal verdienen.

P.B.: Het heeft ons sterk beïnvloed. Ik ben geboren in 1972, Christophe in 1970, dus wij hebben die periode meegemaakt. Vooral Christophe heeft na een tijdje gedacht: we moeten een echt veilinghuis worden, we mogen niet meer afhankelijk zijn van leveranciers, en we mogen niet meer afhangen van limietprijzen die door anderen worden bepaald.

C.B.: Het houdt je klein, als veilinghuis. Je kan daar moeilijk uit ontsnappen: je móét minderwaardige dingen aanbieden, wat mensen afschrikt die mooie, kwalitatieve stukken willen verkopen.

E.D.W.: We spreken over het midden van de jaren zeventig, de periode van de oliecrisis. Waarschijnlijk was er niet veel financiële ruimte.

P.B.: Voor ons, als kinderen, was Sinterklaas nooit guller dan in crisisperiodes. Toch weet ik dat onze ouders toen onophoudelijk op het scherpst van de snee hebben geleefd en gewerkt. Wanneer we over onze vader praten, moeten we het trouwens ook altijd over onze moeder hebben: zij was de stille, maar onmisbare kracht achter het veilinghuis.

E.D.W.: Jullie vader heeft in die periode, vanaf 1980, gewerkt als veilingmeester voor andere huizen, voor Campo in Antwerpen bijvoorbeeld, of voor Troostwijk, voor industriële veilingen.

P.B.: Ja, om toch een min of meer stabiel inkomen te hebben.

C.V.G.: Kreeg hij een salaris?

C.B.: Hij kreeg een fixed fee. Dat was frustrerend: hij wist dat het veilinghuis waarvoor hij werkte winst maakte, onder andere dankzij hem, maar zijn loon bleef hetzelfde. Ze noemden hem daar de mitraillette, omdat hij zo snel kon veilen.

P.B.: Bovendien bestond het veilinghuis in Mechelen toen al. Als hij voor Campo ging veilen, dan mocht hij om vijf voor twee binnen en om vijf over vier stond hij weer buiten. Het was hem absoluut verboden om met de cliënten te praten. De jonge Ronny Van de Velde kwam langs, net als andere beginnende verzamelaars, maar van Campo mocht hij absoluut geen contact met hen hebben.

 

Antwerpen

C.V.G.: Van 1984 tot 1987 was er een tweede zaak in Antwerpen.

P.B.: Dat was een veilingzaal in de Huidevettersstraat, een van de mooiste locaties die je je kan voorstellen. Het was eigendom van Anhyp, de Belgische spaarkas: beneden was de kluiszaal, boven de veilingzaal, volledig in het marmer, met vloermozaïeken.

E.D.W.: Die veilingen werden zowel in Mechelen als Antwerpen georganiseerd.

P.B.: En dat drie jaar lang.

C.V.G.: Was het midden van de jaren tachtig, in vergelijking met de jaren zeventig, een bloeiperiode?

C.B.: Dat zou ik niet zeggen. Hij wilde diversifiëren, hij wilde verschillende dingen aanbieden en organiseren. Maar dat heeft veel geld opgeslorpt.

P.B.: Er was om te beginnen een hoge huurprijs, en hij heeft dat pand moeten renoveren.

C.B.: Bovendien lag veilinghuis Campo op de Meir, vlak bij de Huidevettersstraat. Je moest een lange gang van veertig meter door om ons te bereiken. Dat schrok mensen af. De concurrentie met andere veilinghuizen bleef heel groot.

P.B.: Ons mam zei het vaak in die tijd: ‘Mon, dat kost allemaal te veel geld.’

E.D.W.: Toch moeten ze gedacht hebben: het is een goed moment om die stap te zetten. De primaire kunstmarkt – de verhandeling van kunstwerken meteen na hun vervaardiging – kende toen een grote bloei. Waren ze daarvan op de hoogte?

P.B.: Dat denk ik wel. Ze voelden wat er in de lucht hing.

C.B.: Hij probeerde een verschil te maken, als kleine jongen, als bleuke, tussen reuzen als Campo en Van Herck.

E.D.W.: Het kwam er vooral op aan om een netwerk te creëren van inbrengers, veronderstel ik?

C.B.: Uiteindelijk kwam dat er, omdat hij bereid was om risico’s te nemen, door hoge verkoopprijzen in het vooruitzicht te stellen. Hij heeft een markt gecreëerd door verkopers duidelijk te maken dat hij hun stukken effectief kon verkopen.

P.B.: Stel: een antiquair in Mechelen of Antwerpen had een bronzen panter uit 1920 staan, gemaakt door Albéric Collin, een Antwerpse beeldhouwer. Het was niet makkelijk om daar een koper voor te vinden. Ons papa heeft er dankzij de veilingen – en het idee van thematische veilingen, bijvoorbeeld rond ‘het dier in de kunst’ – toch een publiek voor gevonden, zodat die panter voor een goede prijs is verkocht.

C.V.G.: Die panter moest hij niet eerst zelf kopen?

P.B.: Hij garandeerde de eigenaar een minimumprijs: voor minder zou die panter niet verkocht worden.

C.B.: Hij heeft garanties aangeboden die wij niet meer zouden riskeren, en die we ook niet meer móéten riskeren. Wij kunnen realistischer zijn en openlijker zeggen wat iets waard is, ook op basis van argumenten en kunsthistorisch onderzoek. Wordt het duurder verkocht, geen probleem, maar wij hebben door een te hoge minimumprijs geen verkeerde verwachtingen gecreëerd.

E.D.W.: Er werden in het veilinghuis ook andere activiteiten georganiseerd.

P.B.: Ja, het pand werd voltijds gehuurd, maar je kan niet elke dag een veiling organiseren. Dus heeft bijvoorbeeld De Nieuwe Snaar, de folkgroep van Jan en Kris De Smet, er optredens gegeven.

C.B.: En Johan Verminnen, of Raphaëlla Smits.

P.B.: Er zijn ook snookeravonden georganiseerd.

C.B.: Wij wisten als kinderen niet wat er gebeurde. We dachten dat onze ouders een kunsthandel hadden, en plots stond de zaal vol snookertafels.

P.B.: Bonsaitentoonstellingen, dat herinner ik me ook. Of de Beurs van het Oude Boek – dergelijke evenementen, gewoon om die zaal te maximaliseren.

C.V.G.: Werd er entreegeld gevraagd?

P.B.: Soms wel, soms niet. De zaal werd ook onderverhuurd aan iemand anders. Maar zelfs dan bleven de kosten hoog.

C.V.G.: In 1988 stopt Bernaerts in Antwerpen en plooit het veilinghuis zich weer terug op Mechelen.

P.B.: Terug naar af, of naar minder dan af. Daarna werd het nog erger, toen de Berlijnse Muur viel, begin november 1989. Een jaar later, op 18 november 1990, werd de veiling East Meets West georganiseerd, die simultaan te volgen was in drie steden: Mechelen, Warschau en Tokio. Mon was een hemelbestormer, hij werd enerzijds gedreven door zin voor avontuur, en anderzijds door financiële noodzaak. Als we dit nu niet proberen, dan zijn we dood, dat was vaak de gedachte.

C.V.G.: De veiling vond dus live plaats in Mechelen, en het was mogelijk om in Warschau en Tokio te volgen, maar ook om een bod uit te brengen?

P.B.: Er werd een straalverbinding gebruikt. Er stonden in Mechelen captatiewagens, en in het Marriott Hotel in Warschau en de Marunouchi Gallery in Tokio kon alles gevolgd worden. Er hingen vijf grote valutabalken boven het podium: Franse frank, Belgische frank, Amerikaanse dollar, Japanse yen en Poolse zloty’s.

E.D.W.: Wat was de aanleiding om Japan en Polen te proberen bereiken?

P.B.: In maart 1987 verkocht Christie’s in Londen Stilleven. Vaas met de vijftien zonnebloemen van Van Gogh uit 1888 voor bijna 40 miljoen dollar aan een Japanse verzekeringsmagnaat. Onze vader had dat gehoord. Hij heeft aan andere Belgische veilinghuizen voorgesteld om een front te vormen tegen het Angelsaksische geweld, maar daar is niks van terechtgekomen. Iedereen haakte af, maar de contacten waren gelegd dus heeft hij het alleen gedaan. Het ging om stukken waarvan hij dacht dat ze interessant zouden zijn voor de Japanse markt – moderne en hedendaagse Belgische namen, maar in latere veilingen ook veel glaspasta, bijvoorbeeld.

C.V.G.: Met welk resultaat?

P.B.: Een break-even. De kosten waren even hoog als de commissie op de inkomsten: ongeveer 350.000 euro, meer dan 14 miljoen Belgische frank.

C.V.G.: De concurrentie met Sotheby’s en Christie’s komt vaak terug in jullie geschiedenis.

C.B.: Dat was en is een drijfveer – een soort uitdaging, een spel. Het was voor ons papa deels donquichotterie – een gevecht tegen windmolens dat hij niet kon winnen. Maar het was en is wel de moeite om het te proberen. Waarom zou je niet even goed kunnen zijn? Het ging er vooral om de grote families in België, de verzamelaars, ervan te overtuigen dat ze niet naar Londen moesten gaan om een goede prijs te halen als ze iets wilden verkopen. Dat is anno 2025 voor ons makkelijker geworden. Wij kunnen, mogen, nu geregeld mee aan tafel zitten.

P.B.: Hij was vaak echt kwaad, en hij voelde zich als David tegen Goliath. In 1988 was er een veiling van Belgische kunst bij Christie’s. Hij is naar Londen gegaan om zelf, in een colère, drie werken te kopen.

C.B.: Op een van die werken waarmee hij naar huis kwam – ik was achttien – ben ik verliefd geworden: De blinde uit 1916, van Constant Montald. Dat werk is een van de redenen waarom ik besloten heb kunstgeschiedenis te studeren. En toch wilde hij het niet houden! Hij heeft het in Londen gekocht voor 600.000 frank, ongeveer 15.000 euro, en hij heeft het een maand later geveild voor 610.000 frank. Gewoon om te bewijzen: ik veil dit kunstwerk beter in België. Ik snapte daar niks van: waarom deed hij dat, zo’n mooi schilderij?

P.B.: Er was geld nodig, ongetwijfeld.

E.D.W.: In maart 1989 heeft hij zelf een Van Gogh geveild: Sien met regenscherm, geen schilderij maar een tekening uit 1883, afkomstig uit de collectie van H.P. Bremmer in Den Haag.

C.B.: Achteraf beschouwd was dat pretty risky.

E.D.W.: Omdat de koper een hoge waarborg eiste?

C.B.: We kunnen dat nu zeggen: hij heeft Sien eerst zelf moeten kopen, tegen een hoge prijs. Dat was het nadeel van zijn situatie: hij trok mensen aan die wisten dat hij goede marchandise nodig had, en die daar voor een stuk misbruik van maakten.

E.D.W.: Het werk is op de veiling verkocht aan een koper in Japan voor 10 miljoen frank, 250.000 euro.

C.B.: Klopt. Hij heeft die Van Gogh vooraf voor 3 miljoen gekocht, terwijl de verkoper het werk zelf had aangekocht, kort voordien, voor 1 miljoen. Dat was niet mooi. Maar hij had toen die reputatie: Bernaerts zal het wel kopen, hij zal het aandurven.

E.D.W.: Het was ook weer een manier om te bewijzen dat hij het kon, meespelen in een internationale context. Kort daarna, vanaf de jaren negentig, trad hij steeds vaker op als veilingmeester op de nationale televisie, voor het goede doel.

P.B.: Hij deed dat veel, en graag, maar niet noodzakelijk vanuit het veilinghuis. Zijn gezondheid laat het niet meer toe om hem te interviewen, maar als je hem nu zou vragen wat hij het liefste gedaan heeft, dan zou hij zeggen: benefietveilingen. Los, geen limieten, dankbare mensen, en het geld ging naar een goed doel. Hij was graag gezien door de pers, omdat hij rare sprongen maakte, om het zo uit te drukken, maar ook omdat hij ‘kunstzaken’ gevat kon uitleggen – een rol die ik nu opneem.

E.D.W.: Heeft hij zelf de pers opgezocht?

C.B.: Er werd hem vaak verweten mediageil te zijn.

P.B.: Hij zocht de pers op uit noodzaak.

C.B.: Het is een gave om graag gezien te worden door de media, dat is niet makkelijk.

E.D.W.: In 1993 heeft een veiling voor Kom op tegen Kanker deining veroorzaakt.

P.B.: Het werd een probleem, die benefietveilingen. Bij dergelijke evenementen werden meer en meer valse biedingen uitgebracht. Op die veiling uit 1993 werd een kasteel verkocht, de Varens in Melle. Een Nederlander heeft daar telefonisch 63 miljoen Belgische frank voor geboden. Op een tekening van Rik Wouters, geschat op 100.000 frank, bood iemand uit Sint-Niklaas 7 miljoen frank. ’s Anderendaags bleek dat die mensen geen geld hadden en gewoon te diep in het glas hadden gekeken.

E.D.W.: Is er een rouwverkoop georganiseerd om die goederen opnieuw te koop te stellen?

P.B.: Ja, en wettelijk gezien kan je het verschil dan op die valse bieders verhalen. Maar belangrijker was dat de veiling aandacht heeft gecreëerd voor een initiatief als Kom op tegen Kanker. Een veilingmeester of een veilinghuis kan een maatschappelijke rol spelen, door ideeën of projecten zichtbaar te maken. Je creëert een momentum.

E.D.W.: Jullie doen dat nog steeds, veilen voor het goede doel, bijvoorbeeld met een veiling vorig jaar voor Antwerp Diner, om fondsen in te zamelen voor het onderzoek naar en de preventie van hiv en aids. Op dergelijke initiatieven is ook kritiek gegeven: het levert gekke of ongewone prijzen op, die toch in de databanken terechtkomen en de markt kunnen beïnvloeden of een kunstenaar onrechtmatig ‘groter’ kunnen maken.

P.B.: Dat is een goeie opmerking, maar wij publiceren de resultaten van benefietveilingen nooit. Het totaalbedrag is bekend, maar de afzonderlijke prijzen niet.

E.D.W.: Jullie doen dat niet, maar anderen soms wel, zoals Sotheby’s met de RED Auctions in 2008 en 2010. Bij de verkoop van de Paul G. Allen-collectie door Christie’s in 2022 leverde het schenken van opbrengsten aan liefdadigheidsdoelen ook een belastingvoordeel op.

P.B.: Dat kan, maar het zou niet mogen.

C.B.: Je moet de impact van benefietveilingen niet overschatten: een Philippe Vandenberg zal je daar zelden kunnen aanschaffen.

P.B.: Eind vorig jaar is er toch een Berlinde De Bruyckere verkocht op een benefietveiling, voor 30.000 euro. Dat was in Gent, georganiseerd door Maison Jules, ook ten voordele van hiv-onderzoek.

C.V.G.: Benefietveilingen zijn niet zeldzaam meer.

C.B.: Er is sprake van wildgroei. En het is steeds vaker zo dat galeries toch een hoog percentage vragen op verkochte kunstwerken. Dat vind ik niet juist.

P.B.: Wij blijven meedoen, maar we zouden een protocol moeten opstellen, met voorwaarden. Als een deel van het geld niet naar het goede doel gaat, dan moet dat van tevoren worden aangekondigd.

 

Antwerpen (bis)

C.V.G.: In mei 1991 organiseert Bernaerts een veiling in Tokio, met voornamelijk glaswerk. Jullie vader heeft daar later in een interview over gezegd: ‘Toen hebben we op twee uur tijd alles verloren wat we in vijftien jaar opgebouwd hadden.’

C.B.: Dat was een ramp. Onmogelijk te voorspellen: de Japanse financiële crisis.

P.B.: Die veiling vond plaats hoog in een wolkenkrabber, en als er toen een raam open had gekund, was hij misschien gesprongen. Hij durfde niet terug naar huis.

C.V.G.: Wat gebeurt er tijdens zo’n veiling?

P.B.: Niks. Er wordt niets verkocht. Het gebeurt voor je ogen, en je moet het ondergaan.

C.B.: Niks, dat is niet helemaal waar. Het ging om driehonderd stuks, en er zijn er zeven of acht verkocht, die vervolgens niet betaald zijn. Bovendien: het was een veiling van pâte de verre, glaspasta, en soms waren de stukken al beschadigd of tijdens het transport voor de veiling beschadigd geraakt. Ook toen was er een niet erg betrouwbare leverancier, die hoopte dankzij ons een ticket naar Japan in handen te hebben.

C.V.G.: En daarna?

P.B.: Geen enkele bank gaf nog een kredietlijn. Er waren hoge kosten, want al dat superfragiel glas moest terug naar België.

C.B.: Dan is een vriend, een geldschieter, naar voren gekomen. Hij vroeg 14 of 15 percent interest.

P.B.: Wat veilingen betreft: tussen 1991 en 1993 was het vooral kwantiteit boven kwaliteit, om te overleven. Alles werd aangenomen om zoveel mogelijk te kunnen verkopen, van zakmessen over trekfietsen tot petroleumlampen.

E.D.W.: Die geldschieter heeft de definitieve verhuis naar Antwerpen in 1994 meegefinancierd?

P.B.: Ja, en hij is vennoot gebleven tot 1999, toen hebben we hem uitgekocht.

C.V.G.: Hadden jullie het gevoel dat Antwerpen veranderd was, in 1994, ten opzichte van de jaren tachtig? Een eerdere poging om voet aan de grond te krijgen was mislukt.

P.B.: Ons papa had dat gevoel, wij niet. We woonden toen als gezin in Lier, en Antwerpen was de grote stad, waar we een belangrijke band mee hadden. Er woonde veel familie.

C.V.G.: Was er minder concurrentie dan in de jaren tachtig?

P.B.: In 1992 zijn er twee belangrijke dingen gebeurd. Veilinghuis Van Herck is ermee opgehouden, en Campo is gesplitst na een generatiewissel. Dat heeft gedeeltelijk een vacuüm gecreëerd, dat gunstig was voor ons.

E.D.W.: Jullie kozen voor Antwerpen, maar ook voor het Zuid.

P.B.: Het M HKA was hier, en enkele galeries: Ronny Van de Velde, Zeno X, Micheline Szwajcer. In 1993 was Antwerpen culturele hoofdstad van Europa, dat heeft een belangrijke rol gespeeld.

E.D.W.: Tot eind jaren tachtig werden op het Zuid rondleidingen gegeven voor Antwerpenaars, om te tonen dat ook deze wijk deel uitmaakte van de stad. Het was een achtergesteld gebied, met zwerfvuil, verkrotte woningen en verval. Een sociaal kwetsbare wijk ook, waar veel mensen met een migratieachtergrond woonden.

P.B.: Dat is waar, maar Antwerpen 93 heeft voor een kentering gezorgd. En als je trouwens spreekt over Antwerpen 93: het allereerste plan van onze papa was om de Ark te kopen! I kid you not: zo wilde hij zich in Antwerpen vestigen.

C.V.G.: De Ark was een drijvend theater dat architect bOb Van Reeth ontworpen had toen Antwerpen culturele hoofdstad van Europa was.

P.B.: Ja, maar toen Antwerpen 93 goed en wel voorbij was, moest de Ark verkocht worden onder faillissement. Op de eerste veiling, met ons papa als veilingmeester, was er geen interesse. Toen dacht hij: dit is onze kans! Mijn moeder heeft hem dat plan gelukkig uit het hoofd gepraat. De Ark is verkocht op een tweede veiling.

E.D.W.: Bernaerts is toen bij het huidige pand in de Verlatstraat aanbeland, in 1912 gebouwd als Cinema Tokio.

C.B.: Hij werkte al van in de jaren zeventig samen met Ata Ashtari, een van de eerste Perzische tapijtenverkopers in België. De vrouw van Ata heeft hem destijds getipt dat het gebouw te koop stond.

P.B.: Het was een bioscoop tot in de jaren zeventig. Daarna is het eigendom geweest van striptekenaar Willy Vandersteen. Nadat wij het pand in 1994 hadden gekocht, is de bovenverdieping, met het theater, nog tot 2008 verhuurd aan Studio Tokio, de tweede locatie van het Toneelhuis in Antwerpen. Dus wij zaten tot 2008 beneden, waar de veilingen plaatsvonden, en het theater zat boven.

C.B.: Het Toneelhuis had toen nog zes verschillende zalen, verspreid over de hele stad…

E.D.W.: Wat opvalt is dat tijdens de eerste Antwerpse jaren, van 1993 tot 1996, de kunstmarkt nog niet hersteld is – de primaire markt wel, de secundaire niet. Jullie bloeiperiode begint pas eind jaren negentig.

P.B.: In die beginperiode hebben we nog met z’n vieren als een team van ‘huurlingen’ gewerkt voor industriële veilingen, omdat het pand en de kosten moesten worden afbetaald. We hebben het nodige geduld moeten opbrengen.

C.V.G.: Het was in die jaren dat jullie zijn afgestudeerd. Christophe, jij hebt kunstgeschiedenis gestudeerd in Louvain-la-Neuve. Je scriptie, uit 1993, ging over het werk van de Belgische schilder Georges Rogy. Werd je studiekeuze ingegeven door het plan om in de zaak te stappen?

C.B.: Niet echt. Ik wou kunst studeren. Er waren mensen, collega’s, die tegen mijn vader zeiden: hij moet meteen in de zaak stappen. Maar zijn antwoord was: nee, eerst studeren.

C.V.G.: Waarom heb je voor Louvain-la-Neuve gekozen?

C.B.: Ik heb na de humaniora één jaar in Angers gestudeerd, en na een tijdje droomde ik in het Frans – dat was bij wijze van spreken mijn eerste taal geworden. Ik ben daarna met mijn vader een kot gaan zoeken in Parijs, om mij in te schrijven aan de École de Louvre. Maar ik zag daar enkel meisjes rondlopen, gevaarlijk voor iemand van 23, en geen enkele jongen. Bovendien wist ik, hoewel dat niet zo werd uitgesproken, dat studeren in Parijs niet goedkoop was, en we kenden de situatie thuis. Dus is het Louvain-la-Neuve geworden, om Frans te kunnen blijven spreken. Daar kreeg ik les van boeiende kunsthistorici zoals Hélène Verougstraete, Ignace Vandevivere en Roger Van Schoute – de promotor van mijn thesis.

C.V.G.: Peter, jij hebt Romaanse talen gestudeerd aan de KU Leuven en in 1994 een thesis gemaakt over een Spaans literair tijdschrift. Twijfelde je om in het familiebedrijf te stappen?

P.B.: Nee, ik twijfelde niet: ik ging dat absoluut niet doen. Ik wou een antiquariaat oprichten, ook in de Museumstraat, voor oude en zeldzame kunstboeken. Dat werd mij door veel mensen expliciet afgeraden, en dat schrikte mij af. Mijn vader zei: kom bij ons, je kan de boekenveilingen organiseren. Maar ik wou niet met de naam Bernaerts verbonden zijn, ik wou op eigen benen staan. Papa heeft mij dan, in alle wijsheid, een tijdelijke vakantiejob gegeven – ik mocht doen waar ik zin in had en ik ben gebleven. Ik ben met grafiek en drukwerk begonnen, en dat maakt nu een belangrijk en constant deel uit van ons aanbod.

C.V.G.: Wat zou je idealiter moeten studeren om een veilinghuis te leiden of om veilingmeester te worden?

C.B.: Wij hebben vaak stagiairs en dan zeg ik: het begint allemaal met het kijken.

P.B.: Kunstgeschiedenis studeren is toch belangrijk. Ik heb dat niet gedaan en ik heb niet hetzelfde referentiekader als Christophe, de beslissingen die ik neem zijn minder onderbouwd. Al de mensen die voor ons werken zijn humane wetenschappers – kunstwetenschappers, historici, romanisten of germanisten. We hebben natuurlijk wel een boekhouder.

C.V.G.: Je zou aan een opleiding ‘cultuurmanagement’ kunnen denken.

P.B.: Ja, maar dat is een gespecialiseerde opleiding van één jaar. Wij hebben vaak met behulp van boerenverstand een weg moeten zoeken, ook omdat we geconfronteerd werden – en worden – met de meest uiteenlopende problemen.

 

De eenentwintigste eeuw

C.V.G.: In 2002 wordt jullie vader onverwacht ziek en rijst de vraag wie hem kan vervangen als veilingmeester.

P.B.: Hij had zich kort voordien geëngageerd om een benefietveiling te doen voor het Middelheimziekenhuis in Antwerpen.

C.B.: Het was ook vlak voor het evenement met de Antwerpse Vier.

P.B.: Ja, juist. Er was een plan om samen met vier Antwerpse veilinghuizen – Amberes, Campo & Campo, Campo Vlaamse Kaai en Bernaerts – een moment te creëren. Gezamenlijke tentoonstellingen, op elkaar aansluitende veilingen, er was zelfs een shuttledienst tussen de verschillende huizen… Dat was een supergoed idee van mijn vader, en net dan valt hij uit met een aneurysma.

C.B.: Ik was de oudste, dus ik nam mijn verantwoordelijkheid. Ik was al een tijdje de rechterhand van mijn vader tijdens veilingen, terwijl Peter mij assisteerde. Ik heb die benefiet in het Middelheimziekenhuis voor mijn rekening genomen. Die ging door op de gelijkvloerse verdieping, en onze vader lag op het zevende van hetzelfde hospitaal! Hij had zijn telefoon open gelegd om mee te kunnen luisteren. Ik heb een paar dictielessen gevolgd bij een acteur, maar ik ben toen in het water gegooid zonder te kunnen zwemmen, ook omdat ik de kunstwerken die werden geveild helemaal niet kende. Ik voelde dat het niet goed zat, en ik heb tijdens de pauze besloten: ik stop. Het is beter dat Peter mij vervangt.

E.D.W.: Dat besluit hebben jullie tijdens de pauze genomen?

P.B.: Tijdens de pauze.

C.B.: Ik ben de rechterhand van Peter geworden tijdens het tweede deel van de veiling. En zo hebben we dat een week later ook aangepakt, tijdens het evenement met de Antwerpse Vier.

P.B.: Christophe was mijn souffleur, dat was een heel belangrijke steun. Onze vader volgde de veiling opnieuw vanuit zijn ziekenhuisbed, en hij was tevreden, gerustgesteld ook. Hij wist dat de continuïteit verzekerd was.

C.V.G.: Jullie vader is vrij snel teruggekeerd. In 2003 trad hij bijvoorbeeld op als veilingmeester na het faillissement van Sabena, de nationale luchtvaartmaatschappij van België. Toen is er een record gevestigd dat tot vandaag niet verbroken is: L’Oiseau du ciel uit 1966 van René Magritte is het duurste schilderij dat ooit geveild is in België, voor bijna 4 miljoen dollar. Mon heeft in interviews toegegeven dat hij toen een bieding heeft gesimuleerd.

P.B.: Ja, dat klopt, dat is toen gebeurd.

C.B.: Ik zat naast hem. Er was een limiet ingesteld: hij moest een prijs van minstens één miljoen halen. Twee minuten voor het begin van de veiling komt Christian Van Buggenhout, de grootste curator van België, bij hem en hij zegt, met een schouderklopje: ‘Monneke, vergeet het niet, hé jongen.’ Er waren zeven of acht geïnteresseerden, maar die hadden niet in hun kaarten laten kijken.

P.B.: Er zaten drieduizend toeschouwers in de zaal, in een loods in Zaventem, en alle televisiezenders waren aanwezig.

C.B.: Hij heeft toen gezegd dat er een bod was van één miljoen, maar dat was niet zo.

P.B.: Dat bod was er wel.

C.B.: Nee, dat is niet waar. Ik zat naast hem. Dat bod was er níét. Hij heeft dat bod van één miljoen gepakt. Er waren maar twee mensen in die zaal die dat wisten: onze papa en ik. Daar gaat het om: dat hij met een pokerface beweert dat er één miljoen geboden is en dat hij dan verder gaat. Je moet uitstralen dat je inderdaad een bod van één miljoen hebt ontvangen. Vervolgens gingen er één of twee seconden voorbij. Ik dacht: het is niet waar! We moeten hier zelf één miljoen op tafel leggen. En toen ging er toch een vinger naar omhoog: er was iemand die één miljoen honderd bood. De spanning viel meteen weg.

P.B.: Er zijn twee manieren om een limietprijs te bereiken tijdens een veiling. Ofwel begin je bij een bod en ga je omhoog door voortdurend de suggestie te creëren dat er iets op het punt staat te ontsnappen. Ofwel vraag je meteen wie er een bepaald bedrag wil bieden. In het eerste geval ben je zeker van je stuk en wordt de zaal vragende partij. In het tweede geval stel je als veilingmeester een vraag. Dat is één les die ik van mijn vader heb geleerd: zorg ervoor dat je nooit vragende partij bent.

C.V.G.: Dat geldt voor veel dingen in het leven: je moet mensen altijd de indruk geven dat ze zelf voor je kiezen. Ik heb in 2013 een veiling bijgewoond die door Mon werd gehamerd, en die heeft hij halverwege humeurig stilgelegd. Hij leek bijna boos, en de indruk ontstond dat de zaal zich respectloos opstelde door zo weinig te bieden.

C.B.: Hij zal toen even door de woestijn zijn gegaan…

P.B.: Een aantal loten die niet verkocht zijn geraakt, waarschijnlijk was het dat. Dat slaat op het gemoed, dat dempt de sfeer. Uiteindelijk moeten de aanwezigen de indruk krijgen dat het een voorrecht is om te mógen bieden, en om deel uit te maken van een bepaalde dynamiek. Daarom is het ook zo belangrijk dat er een schattingsprijs wordt meegegeven. Als een stuk in de catalogus geschat wordt op 2000 euro en de veilingmeester begint op 500 euro, dan weet je dat de limiet ergens rond de 2000 euro ligt.

C.B.: Zo moet het zijn. Wat niet mag, is een schattingsprijs meegeven van pakweg 1000 euro terwijl de limiet op 5000 euro ligt. Dat wordt ook gedaan, gewoon om mensen te lokken, om de indruk te wekken dat het haalbaar is om een bepaald stuk te verwerven. Dat doen wij nooit.

C.V.G.: Een van de argumenten voor het bestaan van het veilinghuis is dat je de verkoper een eerlijke prijs garandeert.

P.B.: Inderdaad, we garanderen een eerlijke en correcte, marktconforme prijs.

C.V.G.: Maar hoe vermijd je dat de prijs kunstmatig wordt opgedreven en dat de markt op die manier verandert, om niet te zeggen verziekt? Op de Belgische immobiliënmarkt wordt bijvoorbeeld steeds vaker met het online biedingsplatform Biddit gewerkt. Er wordt gezegd dat de verkoopprijzen daardoor zijn gestegen.

P.B.: Elke notaris werkt daar nu mee. Biddit organiseert timed auctions, wij organiseren live auctions, dat is een belangrijk verschil. Dat huizen of gronden live ‘gehamerd’ worden, dat is zeldzaam geworden. Dergelijke onlineveilingen creëren een andere dynamiek: het gaat heel traag, en pas op het eind komt alles in een stroomversnelling. Bovendien geeft Biddit enkel een startprijs. Wij geven voor elk item een startprijs mee, maar ook een schattingsprijs. Daardoor zijn we, in zekere zin, rechter en partij, want we stellen zelf een waarde voorop.

C.B.: Nogmaals, dat werkt alleen als de schattingsprijs en de limiet min of meer gelijk zijn. Ik denk dat het op de immobiliënmarkt geregeld gebeurt dat er een schattingsprijs wordt meegegeven, maar dat de limiet, afgesproken tussen verkoper en notaris, veel hoger ligt.

C.V.G.: Ook tijdens een liveveiling kan er ondertussen online worden geboden – dat is een groot verschil met de jaren tachtig en negentig.

P.B.: De helft van de biedingen gebeurt online.

E.D.W.: Ik heb onlangs een veiling van jou bijgewoond, Peter, en wat me opviel is dat je de mensen die zich op onlineplatformen bevinden ook aanspreekt.

P.B.: Ja. Dat is heel raar. Ik krijg natuurlijk niks terug, behalve een bod. Maar ik beschik ook over informatie die ik kan onthullen, bijvoorbeeld als er online een bod uit het buitenland komt. Dat maakt indruk op de zaal, als er buitenlandse interesse is.

E.D.W.: Is het ook een manier om de sfeer van weleer tot stand te brengen, om alle aanwezigen erbij te betrekken, ook al bevinden ze zich verspreid over verschillende plekken?

C.B.: Ik ben daar niet zo romantisch in. Dat er zoveel online wordt geboden, vind ik niet erg.

P.B.: Je kan het publiek als veilingmeester niet of veel minder manipuleren, dat is zeker.

E.D.W.: Je moet een andere taal spreken.

P.B.: Ja, en daarom heeft onze vader afgehaakt. In maart 2020, aan het begin van de pandemie, heeft hij gezegd: ‘Nemen jullie het maar over. Ik heb niks met de computer. Ze bieden wel, maar ik kan ze niet de baas.’ Soms zei hij daarvoor ook al, tegen de camera: ‘Bied een beetje sneller. De andere mensen zijn tenminste naar hier gekomen.’ Het is raar om zoiets voor de voeten te gooien van iemand die in de Verenigde Staten zit.

C.B.: Je moet vriendelijk blijven, je moet verleiden.

P.B.: Dat kon hij niet meer. Hij wist niet wie hij voor zich had.

C.V.G.: Wie online biedt mag anoniem blijven?

P.B.: Voor de zaal wel, maar wij weten om wie het gaat.

C.B.: Wij moeten iedereen van tevoren goedkeuren. Ook als je in de zaal zit, moet je eerst je identiteitskaart tonen.

C.V.G.: Dat de zaal niet weet wie biedt, kan een nadeel zijn. Ik herinner me een veiling bij Bernaerts waarop fotograaf en verzamelaar Stephan Peleman biedingen uitbracht. Dat maakt bepaalde loten extra aantrekkelijk.

P.B.: Ja, dat heeft veel effect. Vroeger was het zo dat loten fysiek werden gepresenteerd, nu is alles op een scherm te zien. Je had handelaars die, in een volle zaal, naar hun eigen stukken kwamen kijken – ik zeg maar iets: Mechels albast – en dan een gebaar maakten naar de veilingmeester, om aan te geven: ‘Topkwaliteit!’ Zoals in die reclame van Del Monte voor ingeblikte perziken: een man die in een perzik snijdt en dan zichtbaar geniet. Het was zijn eigen marchandise! Hij creëerde zelf buzz, omdat veel mensen in de zaal wisten wie hij was. Er zijn tijdens zo’n veiling veel tegenstrijdige belangen. Het publiek wil een redelijke, liefst lage prijs; wij willen een hoge prijs, de verkoper ook; en dan heb je soms nog handelaars die de prijs willen drukken en een kartel vormen.

E.D.W.: Dat zijn handelaars die tijdens de veiling als kopers optreden. Ze maken vooraf afspraken om niet met elkaar te concurreren en om de prijs dus laag te houden, zodat ze daarna zelf stukken tegen een hogere prijs kunnen doorverkopen.

C.B.: De invloed van de handelaars is kleiner geworden. Op dat vlak gebeurt het nu eerlijker.

P.B.: In de jaren tachtig en negentig werd bijna alles wat wij verkochten door handelaars gekocht, zeker de topstukken. Particulieren maakten geen schijn van kans, ook omdat die handelaars een front vormden en druk uitoefenden. Ze gebruikten echte intimidatietechnieken.

E.D.W.: De markt die aan de markt verkoopt, dat is zeldzamer geworden.

P.B.: Ja, b2b – business-to-business – is b2c geworden: business-to-consumer. Daar heeft het internet mee voor gezorgd. Er zijn veel minder kleinhandelaars, en er is veel minder kartelvorming. De schijnwerpers van het internet hebben dat wereldje opgelost, waardoor particulieren weer ruimte hebben gekregen.

C.B.: Tegelijkertijd denk ik dat er meer wordt gelogen op allerhande verkoopplatformen. Dat geldt niet voor de kunstmarkt alleen: je kan online beweren wat je wil, ook wat prijzen betreft.

P.B.: Ja, maar ook het omgekeerde is waar. Omdat onze catalogi online staan, kan iedereen meelezen. Het gebeurt soms dat wij met reden op de vingers worden getikt en dat we iets moeten aanpassen voor de veiling van start gaat.

 

Erfgoed en herkomst

 E.D.W.: Veel van wat door jullie handen passeert, heeft een hoge kunsthistorische waarde, zoals archieven, dagboeken en manuscripten. Toch gaat het vaak van de ene privécollectie, via het veilinghuis, naar de andere. Zou er niet, zoals bij bouwwerven waarbij historische resten bloot komen te liggen, een kortstondige fase moeten zijn waarin onderzoekers tijdelijk toegang krijgen tot het materiaal, tussen het moment waarop iets bij jullie wordt aangeboden en het moment waarop het wordt verkocht?

C.B.: Dat probleem heeft zich bij ons vooral voorgedaan in 2008, met de collectie en het archief van kunsthistoricus en kunstpromotor Emile Langui, die in 1946 ambtenaar werd van het Departement Schone Kunsten in België.

E.D.W.: Op die veiling is inderdaad veel kritiek gekomen.

C.B.: Dat is ook bij ons intern een groot probleem geweest.

C.V.G.: In een panelgesprek in 2011 in De Witte Raaf, nr. 150, zei Virginie Devillez, die toen conservator was bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België: ‘Ik krijg nog altijd buikpijn als ik aan die verkoop denk.’

P.B.: Dat begrijp ik.

E.D.W.: Hoe is dat gegaan?

P.B.: Wij kregen telefoon van een man met een Limburgs accent die zich in een appartement bevond vol met kunst en documenten. Ik ging daarnaartoe en alles stond klaar om in de container gegooid te worden. Het bleek te gaan om het archief en de collectie van Langui, die zelf beschikte over het archief van Paul-Gustave van Hecke, de uitgever van het tijdschrift Variétés. Een archief waar volgens Jan Ceuleers al dertig jaar naar gezocht werd, werd ons bij wijze van spreken in de schoot geworpen. Elias Leytens, onze expert in werken op papier, heeft er vervolgens zes maanden werk op verricht. We maakten een catalogus, er was een tentoonstelling, er kwamen veel handelaars kijken. Vervolgens heeft mijn vader een aantal loten nog voor de veiling samengevoegd en toegewezen aan één koper. Die beloofde om met het materiaal een tentoonstelling te organiseren in het KMSKA, maar we zijn nu bijna twintig jaar verder, en Elias stuurt nog geregeld een mail naar die man om hem aan zijn belofte te herinneren.

C.B.: Daar zijn we in de fout gegaan, omdat we te zeer voor het lucratieve hebben gekozen. Vooral Elias heeft ons daar toen op gewezen: ethisch was dat niet correct, maar we zijn overruled door onze vader.

P.B.: Nogmaals: we waren ervan overtuigd dat het materiaal in een museum ontsloten zou worden. Als je ons nu vraagt of documenten ter beschikking moeten worden gesteld van onderzoekers, dan is het antwoord ja. Tegelijkertijd: de waarde van archieven die gefotografeerd of gekopieerd zijn, keldert meteen. In 2002 hebben wij een veiling georganiseerd voor The Romantic Agony, het veilinghuis dat in 2018 is gefuseerd met Henri Godts tot Arenberg Auctions. Op de tentoonstelling vraagt iemand mij of hij een brief mag kopiëren. Ik zeg: geen probleem, waarop Rik Van Cauwelaert, wiens echtgenote stichtend vennoot is van The Romantic Agony, mij meteen tegenspreekt: een buitenstaander heeft daar geen enkel recht op. Het ligt moeilijk, want wij moeten de rechten van de eigenaar verdedigen, en wij kunnen de stukken uiteraard niet devalueren. Toch gebeurt het dat ik verkopers aanraad om naar de Erfgoedbibliotheek te stappen in plaats van een waardevol manuscript te laten veilen, en het gebeurt dat ze dat aanbod accepteren, ook al krijgen ze dan waarschijnlijk minder geld. Families willen vaak dat een erfstuk geconsulteerd kan worden.

C.V.G.: Jullie hebben meldingsplicht, om verkopers te wijzen op die mogelijkheid.

P.B.: Ja, maar het zou niet erg zijn dat zoiets niet langer van onze goodwill afhankelijk is – dat mensen met een archief of met een collectie duidelijk gemaakt wordt wat de opties zijn en welke instituten er bestaan, zodat ze niet meteen alles op de markt gooien.

E.D.W.: Openbare instellingen, universiteiten of bibliotheken bijvoorbeeld, hebben vaak niet voldoende budget om op te boksen tegen privéverzamelaars, waardoor belangrijke stukken nooit tot het publieke domein zullen behoren.

P.B.: Sinds vorig jaar heeft de Vlaamse overheid een voorkooprecht, en dat geldt bij elk erkend veilinghuis. Zij kunnen na het hoogste bod in de zaal zeggen: wij nemen deze koop over, en dan worden de rechten en plichten van de nieuwe eigenaar verbroken.

E.D.W.: Enkel na het hoogste bod… Door de complexiteit van België – er is niet één centraal of nationaal kunsthistorisch erfgoedinstituut – zijn de budgetten niet alleen klein, maar ook heel versnipperd. Dat is niet jullie probleem, maar het maakt dat voorkooprecht relatief.

C.B.: Het is beter dan niks. Als je het voorkooprecht aan het begin van het proces plaatst, toont niemand nog interesse.

P.B.: In 1999 zat mijn vader tegenover Bert Anciaux, toenmalig Vlaams minister van Cultuur, in het televisieprogramma De Zevende Dag. Hij had toen net Maria en het kind in een krans van bloemen, vruchten en groenten (1632) van Jacob Jordaens aangekocht in een veilinghuis in Madrid, en hij heeft Anciaux daarop attent gemaakt. De minister zei dat er geen geld was, en dat het schilderij niet paste binnen het aankoopbeleid. Het is dan bij ons geveild voor 250.000 euro. Kurt Van Eeghem heeft zich daar destijds op de radio kwaad over gemaakt: er werd een topstuk verkocht in Vlaanderen, en voor een keer eens niet in Londen, maar de overheid gaf niet thuis.

C.V.G.: Is dat nu veranderd?

P.B.: Ja. Het Topstukkendecreet van de Vlaamse overheid bestaat sinds 2003, en dat ‘beschermt’ roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang. Wat ook een belangrijke rol heeft gespeeld, is de positie van Fernand Huts en zijn Phoebus Foundation, opgericht in 2011. De vrees was dat hij alles zou opkopen voor zijn privéverzameling – die hij trouwens ontsluit – en dus is de overheid in actie gekomen.

C.V.G.: De overheid zou in theorie nog meer kunnen reguleren, en individuele eigendomsrechten kunnen betwisten in functie van het algemeen belang.

P.B.: Dat kan, maar dat is niet zonder gevaar. Ik zit in de Raad van Bestuur van de Kamer van Veilingzalen. Onlangs was er grote commotie: er waren twee brieven die iets met Napoleon te maken hadden en die in België zouden worden geveild, totdat ze plots door de Franse staat werden teruggevorderd. Paniek! Is dat de toekomst van het veilingwezen? Ander voorbeeld: twee schetsen van de eerste pianosonate van Beethoven werden eind 2023 geveild door Arenberg Auctions, waarna de Vlaamse overheid weigerde de uitvoervergunning toe te kennen. De eigenaar heeft vervolgens met een verkoop aan de overheid ingestemd – het Topstukkenfonds heeft er 101.000 euro voor betaald. Wij moeten het kenbaar maken als er iets met hoge erfgoedwaarde aan ons wordt aangeboden, maar ten eerste is dat niet altijd makkelijk te bepalen, en ten tweede is het niet duidelijk wat er vervolgens kan of moet gebeuren.

C.V.G.: De waarde van een object hangt samen met de herkomst ervan. Provenance studies zijn een vakgebied op zich geworden: het achterhalen van de geschiedenis van een kunstwerk, ook om te weten hoe het van eigenaar is gewisseld, en of dat op een rechtmatige wijze is gebeurd. Is dat ook de taak van een veilinghuis?

C.B.: Hoe ver kan of moet je daarin gaan? Dat begint vaak bij familieleden, meestal kinderen. Stel dat een tapijt wordt aangeboden: als de erfgenamen niet meer weten waar het tapijt is aangekocht, dan kunnen we een vermoedelijke herkomst aanduiden, maar zeker is dat niet. Wie houdt er facturen of aankoopbewijzen decennialang bij?

E.D.W.: Wat de laatste jaren vooral ter discussie is komen te staan, is roofkunst die bijvoorbeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog onrechtmatig bij een Joodse eigenaar is weggehaald.

C.B.: Ook dat is moeilijk te achterhalen. Ik heb dergelijk onderzoek een tijd terug gedaan voor een stilleven van Pieter Claesz. uit 1646, maar er is geen overkoepelende Europese site of databank. Gevolg: je moet alle nationale databanken afzonderlijk consulteren.

E.D.W.: Binnen de context van het nationaalsocialisme zijn de regels streng, maar ook met koloniale kunst wordt strikter omgesprongen: elke periode van de geschiedenis van een werk of een object moet bekend zijn. Er mogen zich geen hiaten voordoen.

P.B.: Wij kunnen tegen betaling terecht bij The Art Loss Register, een database van gestolen kunst en antiquiteiten.

C.B.: Vaak willen verkopers een claim vermijden, en dan moeten wij zekerheid proberen te verwerven over het eigenaarschap. Maar het omgekeerde doet zich ook voor: als we een verkoper waarschuwen dat er iets bezwarends aan het licht zou kunnen komen, beslist die meteen om het stuk terug te trekken.

P.B.: Ik vermoed dat elk kunstwerk in de toekomst een paspoort zal krijgen. Met blockchain is dat perfect mogelijk. En waarom niet? Er zijn nog steeds geen internationale regels over welke gegevens, in welke vorm, bij de verkoop van een kunstwerk moeten worden meegegeven. Voor munten is dat wel het geval, voor kunst en antiek niet. Zo’n paspoort zou dat kunnen veranderen.

C.V.G.: Wie zou een dergelijk paspoort kunnen uitreiken?

P.B.: Ik denk in de eerste plaats aan de primaire markt, de kunstenaars en galeries. Om het met een boutade te zeggen: een hedendaagse kunstenaar is vandaag meer bezig met zijn archief dan met zijn kunst. Ze schilderen zich allemaal in de eeuwigheid. Als je vandaag een nieuw kunstwerk koopt, krijg je daar nu al een soort paspoort bij. Dat heeft de secundaire markt nog niet.

C.B.: De vraag is misschien ook: moet alles een paspoort krijgen? Hoe streng en begrensd moet alles worden?

E.D.W.: Je kan beginnen bij alles wat enigszins als ‘verdacht’ geklasseerd kan worden.

P.B.: Het maakt ook deel uit van een algemener ethisch reveil bij jongere generaties. Mensen willen niet iets kopen of bezitten dat niet ‘juist’ is.

E.D.W.: Het is ook pragmatisch: mensen willen niet iets bezitten dat ze nooit nog kunnen doorverkopen.

P.B.: Nee, en dat is terecht.

C.V.G.: Het meest pessimistische extreem is helder: er is geen enkel object dat niet op de een of andere manier contesteerbaar is. Om Walter Benjamin te parafraseren: elk cultuurproduct, alles wat wordt geveild, is een document van barbarij.

C.B.: Wie zoekt die vindt…

P.B.: En toch: de perceptie dat de kunstmarkt, en zeker de secundaire kunstmarkt, eerder shady is, die klopt. Ook anno 2025 gebeuren er nog dingen, grootschalige verkopen, die erg bedenkelijk zijn op ethisch vlak.

C.B.: Het lijkt me heel idealistisch om te denken dat je al die wantoestanden kan wegwerken. Wij zijn als veilinghuis een huis van vertrouwen, ook omdat zoveel andere huizen of spelers niet te vertrouwen zijn.

C.V.G.: Een nadeel voor jullie is alleszins dat het meer werk veroorzaakt.

C.B.: Dat is zeker zo. We hebben verplicht een AMLD5 officer, een expert op het vlak van de vijfde antiwitwasrichtlijn van de Europese Unie. Soms is het zo dat wij na onderzoek niet alleen beslissen om iets dat wordt binnengebracht te weigeren, maar ook om iemand aan te geven, bij de fiscus bijvoorbeeld. Ook op dat vlak hebben we meldingsplicht.

 

Jongeren

E.D.W.: Het takenpakket van een veilinghuis is sterk uitgebreid sinds de beginjaren. Uit jullie jaarcijfers blijkt dat een substantieel bedrag aan personeelskosten wordt besteed. Vorig jaar maakten jullie slechts dertigduizend euro winst.

P.B.: Wij hebben een ploeg van vijftien medewerkers, en nog heeft iedereen te weinig tijd. Het kost maandelijks 125.000 euro om de hele boîte hier te runnen. Tegelijkertijd hebben we een gemiddelde jaaromzet – op de hamerslag berekend – van vijf tot zeven miljoen. Ik heb me al afgevraagd of we goede managers zijn.

C.B.: Er zijn veel ondernemingen die verlies maken, dus wij zijn een gezond bedrijf. En bovendien is er in België de automatische loonindexering, die de loonkosten in 2024 sterk heeft doen stijgen. Je mag ook niet vergeten: wij, Peter en ik, hebben in de jaren negentig voor duizend euro per maand gewerkt.

E.D.W.: Het countert alleszins het imago dat aan de kunst- en zeker de veilingwereld kleeft. Echte monsterbedragen en multimiljonairs zijn de uitzondering.

P.B.: Voor onze financiële situatie is de verhuis naar Antwerpen in 1994 cruciaal geweest. Eigenlijk is dit pand onze bestaanszekerheid.

C.B.: We hebben daar veel geluk in gehad. Wie had kunnen verwachten dat het Zuid zich zo zou ontwikkelen?

E.D.W.: Er is trouwens een boeiende thesis over jullie veilinghuis geschreven, in 2021, als onderdeel van een master in cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen. De titel was The Art of Engagement. De effectiviteit van verschillende contactmomenten met de klant voor de kernwerking van Veilinghuis Bernaerts. Uit het onderzoek van Lara Marsili kwam toen naar voren dat meer dan tachtig procent van jullie klanten – kopers dus – mannelijk is, rond de zestig jaar, en bovendien is ongeveer de helft daarvan afkomstig uit de provincie Antwerpen.

P.B.: Ik weet het. Maar waar zijn ze? Waar is de jeugd? Wanneer worden ze wakker?

E.D.W: Jullie proberen het klantenbestand nochtans gevarieerder te maken, dankzij allerlei initiatieven, optredens, theatervoorstellingen, tentoonstellingen, door zichtbaarheid op sociale media…

P.B.: Dat is waar. Voor een stuk dient dat inderdaad om de veilingen onder de aandacht te brengen, maar we hebben ook de ambitie om een algemeen cultuurhuis te zijn. Daar blijkt ook vraag naar te zijn, zowel bij het publiek als binnen de sector.

E.D.W.: De moeilijkheid om een jonger en breder publiek aan te trekken voor de veilingen was al een frustratie van jullie vader.

P.B.: Ik denk dat mensen gewoon liever naar de toekomst of het heden kijken dan naar al het topmateriaal dat achter ons ligt.

C.B.: De thesis is van 2021, dus het zou kunnen dat er sindsdien alweer wat verschoven is. Trouwens: hoeveel mensen zijn in kunst geïnteresseerd, hoeveel mensen denken er überhaupt aan om naar Bernaerts te komen? Twee procent van de samenleving? Wij werken voor een kleine minderheid. En bij de jeugd hebben we de perceptie tegen: de indruk bestaat dat wij uitsluitend dure stukken verkopen.

E.D.W.: Toch is dat soms relatief. Jullie hebben onlangs een reeks kasten van de Zwitserse firma USM Haller geveild: stalen, modulaire meubels ontworpen door Fritz Haller. Sommige kasten van IKEA zijn even duur.

P.B.: Dat is ook iets dat ik niet begrijp, en dat heeft met duurzaamheid en circulariteit te maken. Iedereen beseft dat we moeten hergebruiken en stoppen met produceren en consumeren, maar toch worden bij voorkeur nog altijd nieuwe dingen gekocht, zeker door jonge mensen.

C.V.G.: Misschien geldt dat ook voor kunst. De Belgische actrice en presentatrice Ella Leyers, geboren in 1988, maakt er geen geheim van dat ze kunst koopt – recente schilderijen – bij de Antwerpse galeries van Sofie Van de Velde en Tim Van Laere.

C.B.: Dat is een statussymbool – voor jonge mensen althans.

P.B.: En daar ligt het probleem: waarom kan het niet statusverhogend zijn om iets ouds te kopen? Er is zoveel in het verleden dat onbeschouwd blijft, zoveel geschiedenis die vergeten is. Misschien is dat een deel van onze taak, of zelfs van onze missie: om wat bestaat opnieuw te beschrijven, onder de aandacht te brengen en weer in gebruik te laten nemen.

C.V.G.: Er bestaat al meer dan genoeg kunst, misschien kunnen we een tijdje zonder nieuw werk…

P.B.: Ik las een tijd terug een interview met Marc Spiegler, van 2012 tot 2022 de directeur van Art Basel. Hij overschouwde de honderden booths op de beurs, staand op een verhoog, en hij zei: ‘Binnen vijf jaar is meer dan tachtig procent van deze kunst vergeten.’ Als dat zo is: zet dan toch een moratorium op al die beurzen! Al die nieuwe kunst verplettert de kwaliteit, en kunstwerken kunnen niet meer ademen of tot wasdom komen. Vanuit onze anachronistische bubbel proberen we voortdurend duidelijk te maken dat wat oud is ook waardevol en zelfs nieuw kan zijn.

Waarom vlooienmarkten belangrijk zijn

 

De ene mens betreurt carrièrekeuzes, fortuin dat mislopen is, de andere denkt aan verloren liefdes, aan reizen die niet gemaakt zijn, en nog anderen betreuren zo’n beetje al die dingen bij elkaar. Het valt te geloven dat elke mens – zelfs al is zijn levenslot even gevuld als dat van Molière of Lenin – in het verleden enkele lege nissen bewaart waarin zich kostbare herinneringen hadden kunnen ophouden, en is het daarom dat ik niet aarzel om toe te geven dat ook ik spijt heb. Een van de meest bescheiden, maar daarom niet minder levendige dingen die ik betreur, is dat ik niet meer tijd in Saint-Ouen heb doorgebracht, in het land vol betovering dat zich de vlooienmarkt noemt.

– René Clair

 

Vlooienmarkten zijn geneigd zich op te houden in de schaduw van andere, ogenschijnlijk belangrijker dingen. De tweede helft van de twintigste eeuw was hun ‘gouden tijdperk’; de eenentwintigste eeuw, voor zover we daar na vijfentwintig jaar iets over kunnen zeggen, luidde hun ondergang in. Omdat het verval van de vlooienmarkten geleidelijk verliep, werd hun achteruitgang nauwelijks opgemerkt. Mijn vroegste herinneringen aan vlooienmarkten zijn onlosmakelijk verbonden met de Winterflohmarkt in de Messehallen in Hamburg in de jaren tachtig: de koude en functionele hallen kwamen tot leven door de opeenhoping van kapot speelgoed, huishoudapparaten uit de fifties, zilverwerk, kleinere en grotere meubelstukken, auto-onderdelen, gegraveerde flessen van voor de Eerste Wereldoorlog (mijn eerste passie als verzamelaar), boeken, fietsen, kledij, porselein of glaswerk. De deuren gingen open om vier uur ’s ochtends, voor verkopers of voor iedereen die gratis naar binnen wilde. Tegen de middag duwden eindeloze troepen mensen elkaar door de gangen, terwijl de lucht steeds dikker werd door sigarettenrook, die na een tijd het bleke middaglicht van de winterse zon brak wanneer dat eindelijk de binnenruimtes had bereikt. Punkers schurkten aan tegen travestieten op zoek naar korsetten, terwijl modebewuste dames zich juwelen aanschaften. Terugblikkend strekte het buitengewone van de bijeenkomst – de wijk van het Schanzenviertel, heel bohemien, lag net om de hoek – zich uit van de koopwaar tot het cliënteel, en bij uitbreiding tot de hele setting.

Het hoogtepunt van de ervaring was het vooruitzicht op de volgende markt. Geplakt in metrostellen en tegen publieke reclameborden van Hamburg, gedrukt op papier met steeds weer variërende schema’s van felle kleuren – alles van paars tot oranje – beeldden de iconische posters een mythologische hoorn des overvloed af waaruit tweedehandsspullen tevoorschijn stroomden. In een groot deel van de jaren zeventig en tachtig werd de Hamburgse markt aangeprezen als de grootste in Europa, hoewel de markten nabij Saint-Ouen die claim pas echt hard wisten te maken. Toch kon het, op het hoogtepunt, een hele dag duren om de volledige Winterflohmarkt te zien. Zowel de spullen als het kleurrijke decor waarin ze opgestapeld lagen, beloofden een ontsnapping aan de sleur van het leven, en maar zelden werd die belofte niet ingelost.

De Winterflohmarkt bestaat al lang niet meer. En het is zeker niet de enige vlooienmarkt die de laatste jaren verdwenen is. Gezien hun efemere aard is het moeilijk cijfers te noemen, maar voor iedereen die levendige herinneringen heeft aan de alomtegenwoordigheid van vlooienmarkten aan het einde van de twintigste eeuw, zijn het uitdunnen van marktplaatsen, het kwaliteitsverlies van de koopwaar en het slinken van kopers- en verkopersaantallen empirisch onweerlegbaar. Los van nostalgische overwegingen gaat dit proces gepaard met diepgaande problemen die te maken hebben met transformaties in de samenleving en met het behoud van de materiële cultuur.

Om te beginnen moeten we beseffen dat vlooienmarkten in belangrijke mate kunstmarkten zijn, zij het aan de laagste kant van het spectrum. Dat is nog vanzelfsprekender wanneer ook toegepaste kunsten – naast schilderijen, tekeningen, sculpturen en prints – als een onderdeel van de kunstmarkt worden beschouwd. Deze observatie is belangrijk omdat rond de eeuwwisseling een subtiele, maar betekenisvolle wijziging optrad in de persaandacht voor kunst en kunstmarkten. Sinds de negentiende eeuw kon kunst bogen op een eigen niche met (gedrukte) tijdschriften en periodieken, die voornamelijk werden gelezen door specialisten of insiders: van kunstenaars tot schrijvers en van verzamelaars tot kunsthandelaars. Gewoonlijk hadden deze lezers een duidelijke kijk op de sober wordende economische realiteit van de kunstmarkt.

Met de digitalisering van een groot deel van het perslandschap werd verslaggeving over kunst en de kunstmarkt een interessant onderwerp voor de mainstreammedia, terwijl veel van de gespecialiseerde, dure, papieren tijdschriften ermee ophielden. De mainstreampers was vooral nieuwsgierig naar het binnenrijven van recordprijzen voor schilderijen en sculpturen door de belangrijkste veilinghuizen, Christie’s en Sotheby’s. Dat de frequentie van deze miljoenopbrengsten enkel toenam, was ideaal voor de sensatiebeluste dagbladpers. Dergelijke nieuwtjes geven de lezer onvermijdelijk de indruk dat kunst kopen en bezitten enkel voor miljonairs of voor rijken is weggelegd. Het feit dat, zelfs in de meest prestigieuze veilinghuizen, zo’n zeventig procent van de kunstwerken die verkocht worden minder opbrengt dan tweeduizend dollar en dat, historisch gezien, kunst kopen en bezitten iets voor de middenklasse was, werd algauw vergeten. Kunstmarkten voor het lagere segment, waar vlooienmarkten de echte prototypes van waren, kregen weinig tot geen persaandacht, tenzij een enkele keer op lokaal niveau. Naast hun trivialiteit pasten vlooienmarkten eenvoudigweg niet in de sensationele verhalen over recordprijzen, hoe uitzonderlijk die statistisch ook mogen zijn.

Een vlugge realiteitscheck onthult dat vlooienmarkten voor het grootste deel van de afgelopen honderdtwintig jaar in een symbiotische relatie stonden met meer prestigieuze kunstmarkten, zoals galeries, handelaars en veilinghuizen. Bovendien waren ze voor enkele van de belangrijkste en meest vernieuwende kunstenaars van de twintigste eeuw onuitputtelijke inspiratiebronnen. Zonder vlooienmarkten zou Picasso nooit de Afrikaanse objecten verworven hebben die hem bijstonden bij het ontwikkelen van het kubisme; Henri Matisse wandelde langs de kraampjes van Parijse vlooienmarkten op zoek naar textielstalen die zijn fauvistische schilderijen inspireerden; André Breton vond er veel van de snuisterijen die hem van pas kwamen bij het lanceren van het surrealisme. Zelfs aan het eind van de twintigste eeuw brachten onconventionele schilders als Robert Williams en Claude Verlinde met hun werk een visuele hommage aan vlooienmarkten.

Niet alleen de voorraad van meer professionele handelaars – die meestal als eerste de koopwaar uitselecteren, ’s ochtends vroeg – werd er aangevuld, sommige handelaars begonnen hun zaakjes zelfs op vlooienmarkten. Vooral in Parijs was dat een wijdverspreid fenomeen. Voorbeelden van hoogstaande kunst- en designhandelaars die wegtrokken uit het vuil van Saint-Ouen naar het chique zesde arrondissement in het hart van Parijs zijn Félix Marcilhac en Yves Gastou, die momenteel de meest prestigieuze galeries runnen in de Rue de Seine, in het centrum van Saint-Germain-des-Prés.

Toch behandelen de toplagen van de globale kunstmarkt vlooienmarkten meestal met waardige minachting. Ook de burgerlijke samenleving heeft deze plekken altijd als dubieus beschouwd, net als de mensen die ze bezochten. Altijd was er de neiging om een deel van de koopwaar als tombé du camion te beschouwen (twee verkopers in Saint-Ouen hebben die uitdrukking zelfs als naam voor hun zaak gekozen). Dat veel van het materiaal kapot, defect of vervuild was, of gerestaureerd en gerepareerd moest worden, heeft zeker bijgedragen aan deze vermoedens. Andere producten overschrijden dan weer de grenzen van de erotische transgressie of zijn gewoonweg illegaal, zoals sommige wapens of vervalste modemerken. Maar er is ook een positieve kant: het informele karakter van rommelmarkten en het gebrek aan regelgeving bieden permissiviteit en individuele vrijheid unieke kansen.

Waarom lijken ze dan zoveel van hun aantrekkingskracht verloren te hebben? Een voor de hand liggend antwoord is dat onlineplatformen de te verkiezen marktplaatsen zijn geworden voor materialen die vroeger op vlooienmarkten werden aangeboden. De voordelen zijn vanzelfsprekend: websites zijn een veel efficiënter middel om overeenkomsten te leggen tussen kopers en verkopers; marchandise hoeft niet langer in bulk getransporteerd te worden over lange afstanden, noch hoeven verkopers zich in alle vroegte te installeren en hun stand ’s avonds laat weer af te breken. Er kan bespaard worden op standprijzen en je kan langer in bed blijven liggen. Het internet heeft de doeltreffendheid verhoogd van informatie over kunstwerken, antiek en verzamelobjecten, inclusief gegevens over auteurschap en schattingen. Als zowel private liefhebbers als professionele handelaars deze voordien zo gespecialiseerde informatie makkelijker bemachtigen, dan wordt het ook zeldzamer en veel moeilijker voor kopers om vondsten te doen.

Toch gaan zelfs deze overtuigende verklaringen niet in op de diepere psychologische en sociologische dimensie van het probleem, namelijk tijdsbesteding. Een bezoek aan de vlooienmarkt neemt al snel een groot deel van de dag in beslag; het vereist geduld, tijdverlies en gerichte observatie. In het digitale tijdperk is de tijd drastisch herschikt, en we brengen veel uren door op het internet en sociale media, of met streamen en gamen. Dit geldt natuurlijk nog meer voor jongere generaties. Vlooienmarkten waren ooit een onderdeel van de jeugdcultuur, maar vandaag zijn het plekken voor oude mensen. Omdat ze om fantasie vragen, om individuele beoordeling, om een significante tijdsinvestering, maar ook om fysieke beweging in een analoge omgeving, hebben vlooienmarkten het moeilijk om aandacht op te eisen in een economie waarin tijd steeds meer gedigitaliseerd en gefragmenteerd is.

Het ‘gouden tijdperk’ van de vlooienmarkt lag min of meer tussen 1975 en 2000. Leden van een generatie die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt, omhelsden na 1945 zonder terughoudendheid het idee van een brave new world met technologische vooruitgang, economische groei en ongebreidelde consumptie – als een bevrijding van, maar ook een verzoening met een beschaving die onlangs uiteen was gevallen. Restanten uit het verleden waren ongewenste herinneringen aan het ongemak van lang vervlogen tijden en aan het lijden dat recentelijk was veroorzaakt door onderdrukking en vernietiging. Hergebruik en herstel waren tekenen van achterstand en zelfgekozen armoede. Naar verluidt werden er in Manhattan aan het begin van de jaren zestig per week meer goederen weggegooid dan dat er in het achttiende-eeuwse Frankrijk per jaar werden geproduceerd. Recycleren was ouderwets en upcyclingbestond nog niet. Modern en succesvol zijn betekende nieuwe dingen kopen, met nieuwe auto’s rijden en in nieuwe huizen wonen – en dingen weggooien na eenmalig gebruik.

De tweede helft van de jaren zestig wordt over het algemeen geassocieerd met ontwikkelingen die vandaag worden samengevat onder de noemen ‘tegencultuur’: vredes-, hippie- en antioorlogsbewegingen, seksuele bevrijding, ecologisch bewustzijn, raciale gelijkheid, feminisme, antiautoritair onderwijs, antikapitalisme of de studentenopstanden van 1968. In 1972 publiceerde de Club van Rome het eerste rapport over de grenzen van de groei, waarin werd gewezen op de beperkingen die gelimiteerde natuurlijke grondstoffen opleggen aan economische groei en consumptie. Een jaar later luidde de oliecrisis het einde in van de naoorlogse wonderjaren. Boomers gingen de waarden en idealen van hun ouders in vraag stellen, inclusief conventies over consumentisme. Toen vlooienmarkten zich in de tweede helft van de jaren zeventig begonnen te verspreiden over Europa en Noord-Amerika, was hun plotse populariteit nauw verbonden met recente wijzigingen in het zelfbewustzijn van een jongere generatie. Het werden plekken voor jongeren met weinig geld, maar met veel ideeën, als een soort van happening.

In de jaren tachtig namen vlooienmarkten massaal, en meestal tijdens weekends, de plekken van straat- en boerenmarkten over, net als winkelcentra, verlaten fabrieken, speeltuinen, of zelfs open velden. Oudere vlooienmarkten, min of meer van voor 1975, werden vaak permanent, overdekt en uitgebaat door professionele handelaars. De meer formele markten in Saint-Ouen, nabij Parijs, en die in Portobello Road in Londen, die dateert uit de late jaren veertig en de vroege jaren vijftig, zijn daar voorbeelden van. De grootschalige opkomst van rommelmarkten in het laatste kwart van de twintigste eeuw berustte doorgaans echter op tijdelijke locaties in de openlucht, gerund door particulieren eerder dan door professionele handelaars.

Opmerkelijk is dat vlooienmarkten in Duitsland tijdens de jaren tachtig en negentig vaak plaatsvonden in shoppingcentra en op hun parkeerterreinen. Het was bij wet verboden als onderneming activiteiten uit te oefenen tussen zaterdagnamiddag en maandagochtend, en dus stonden shoppingcentra leeg tijdens het weekend. Om extra inkomsten te verwerven, werden de ruimtes verhuurd aan de uitbaters van vlooienmarkten, die op hun beurt staanplaatsen verhuurden aan individuen. Dat was wel toegelaten tijdens het weekend, omdat de markten bestemd waren voor private verkopers, die zelf tafels meebrachten of de koopwaar op de vloer tentoonspreidden. Het ironische resultaat was dat vlooienmarkten en hun Kafarnaüm van gerecycleerde goederen de glimmende tempels van de geavanceerde consumptiecultuur tijdelijk in beslag namen.

Die snelle groei tijdens het laatste kwart van de twintigste eeuw mag niet verhullen dat het fenomeen al ongeveer een eeuw bestond. Hoewel de geschiedenis van vlooienmarkten, vooral vanuit een macro-economisch en transnationaal perspectief, nog grotendeels geschreven moet worden, zijn er verschillende observaties te maken over de manier waarop zo’n studie ontstellende mentaliteitswijzigingen in de materiële cultuur kan onthullen. De allereerste vlooienmarkten zijn vermoedelijk ontstaan in de jaren 1870 en 1880 in Parijs en Brussel. De Brusselse markt op het Vossenplein wordt gedocumenteerd sinds 1873, hoewel het om een kleinere en minder belangwekkende plek gaat dan de markt in Saint-Ouen, net buiten de stadsgrenzen van Parijs. Saint-Ouen zou uiteindelijk verschillende stadsblokken permanent overvleugelen. Beide markten vinden echter een oorsprong in de negentiende-eeuwse recyclagebusiness.

 

Van arm naar rijk

Het voorbeeld van Saint-Ouen is vooral intrigerend omdat de evolutie verbonden is met de stedelijke vernieuwing van Parijs sinds de jaren 1850. Georges-Eugène Haussmann werd prefect van de Seine – gouverneur van Parijs – in 1853. Hij werd aangesteld door Napoleon III, die hem de beruchte taak gaf Parijs te moderniseren. Grote delen van de stad met kronkelende, middeleeuwse straatjes zonder riolen of lopend water, werden afgebroken, net als gebieden die door de armen werden bewoond: sloppenwijken, achterbuurten en huurkazernes, die zelfs in het centrum bestonden. Ze werden vervangen door wijde, open boulevards, afgezoomd met burgerlijke appartementsgebouwen in zandsteen met typische smeedijzeren balkons. Deze brede lanen bevorderden verkeer en commercie, maar het waren ook strategische instrumenten in het beheer van rellen – Parijs had drie revoluties gekend sinds het einde van de achttiende eeuw. ‘Haussmannisering’ moest de hygiënische situatie verbeteren, aangezien de laatste cholera-epidemie uit 1831 dateerde. Haussmann besloot ook om Parijs te verfraaien met parken, stadsmeubilair en fonteinen. De stadsgrenzen werden uitgebreid van de muren van de fermiers-généraux, waar de stadstol tijdens het ancien régime werd opgehaald, tot aan de huidige locatie van de Boulevard Périphérique.

In de jaren 1840 kreeg Adolphe Thiers, de eerste minister onder Louis-Philippe, de opdracht om een verdedigingssysteem te bouwen. Voorbij nieuwe versterkingswallen werd een zone non aedificandi gedefinieerd. Het ging om het gebied voorbij de versterkingen, tot 250 meter na het glacis – in totaal 777 hectare rondom Parijs. Officieel onder militair beheer, werd deze zone om strategische redenen onderworpen aan een strikte ban op bouwwerken. In het noordoosten grensde het gebied aan de gemeente Saint-Ouen, in het departement Saint-Denis.

De Frans-Pruisische Oorlog van 1870 tot 1871 bewees de totale nutteloosheid van het defensiesysteem van Thiers, en het leger verliet steeds vaker de eigen infrastructuur. Vincent van Gogh schilderde in 1887 de intacte wallen en het bijbehorende glacis, maar toen de jaren twintig aanbraken, werden de muren van Thiers afgebroken. In de tussentijd had het glacis een kleine groep krakers aangetrokken, de armsten onder de armen, ontheemd door de toenemende gentrificatie. De arbeidersklasse, die Karl Marx rond die tijd het proletariaat ging noemen, had in de meeste gevallen onderdak gevonden in de nieuwgebouwde huurhuizen van de petite banlieue, tussen de muren van de fermiers-généraux en de zone. Maar lompen- en oudijzermannen, bedelaars, zigeuners, immigranten en om het even wie geen reguliere baan had, konden zich de petite banlieue niet eens veroorloven. Ze vonden een toevlucht in de zone, waarin krakers, wiens aanwezigheid technisch gezien illegaal was, maar in de praktijk werd toegestaan, geen huur moesten betalen en hun zaakjes konden regelen zonder zich te veel met officiële dingen te moeten bezighouden. Een groot aantal van deze individuen bouwde hutjes of omheiningen om te leven en werken, terwijl anderen zich ophielden in caravans. In 1913 telde de zone ongeveer 30.000 inwoners. Ze werden zoniers of zonards genoemd, terwijl het woord zone steeds vaker synoniem kwam te staan met sloppenwijken.

De rafelranden tussen Parijs en Saint-Ouen trokken vooral mensen aan die in hun levensonderhoud probeerden te voorzien met de recyclage van lompen en oud ijzer. Deze materialen waren onderdeel van het afval van Parijs, dat deze chiffoniers, fripiers of biffins uitkamden tijdens nachtelijke strooptochten. Ze vormden de inspiratie voor zowel het portret dat Édouard Manet in 1869 van zo’n individu schilderde als voor de marxistische term Lumpenproletariat, zoals beschreven in Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte:

‘Naast aan lager wal geraakte leeglopers met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en herkomst, naast verlopen en avontuurlijke, gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, straatlopers, zakkenrollers, charlatans, spelers, koppelaars, pooiers, sjouwers, literatoren, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen.’

Lompen of vodden speelden een cruciale rol in dit ecosysteem. Ze waren nodig bij de productie van papier, maar niet alle lompen belandden in de papiermolen, en niet al het ijzer kwam in smeltovens terecht. Wat nog gebruikt kon worden, werd gewoon verkocht. Omdat oude kledij vaak onder het ongedierte zat, zoals vlooien of luizen, werd de term marché aux puces in gebruik genomen, hoewel we de oorspronkelijk ironische en humoristische ondertoon ervan niet meer begrijpen.

Het beste bewijs voor de uitbreiding en de uiteindelijke legalisering van vlooienmarkten ten noorden van Parijs is terug te vinden in de ordinances van Saint-Ouen. In 1883 verzocht de burgemeester de prefect van de politie om een nachtwacht in te zetten op de stadswallen, omdat de bohemiens zo gevaarlijk werden. Een ordinantie volgde enkele maanden later, waarna een ‘commissie voor netheid’ werd geïnstalleerd en het achterlaten van afval werd verboden, inclusief ‘kadavers van dode dieren, gebroken glas, enzovoort’, wat suggereert dat er problemen waren met wat achterbleef na de verkoopactiviteiten van de vroegste puciers. Eén jaar later, in de lente van 1884, werden de openingsuren van de markten gelijkgeschakeld, en in deze context wordt een ‘oudijzermarkt’ vermeld aan de Avenue Michelet, die nog altijd de oostelijke grens markeert van de gemeente. Gelijkaardige termen staan in een officiële studie van de prefectuur van de Seine uit 1902, waarin sprake is van ‘een markt met gevarieerde objecten, bekend als de Oudijzermarkt, iedere zondag gefrequenteerd door 130 verkopers’.

In 1885 werden de vlooienmarkten in Saint-Ouen voor het eerst officieel vermeld binnen de context van ‘parkeergelden’. Die werden in 1891 ingesteld op tien centiem per vierkante meter, maar verdubbelden al snel tot twintig centiem, wat een revolte veroorzaakte onder de puciers. Uit protest verkasten ze naar de helling van de vestingwerken, het glacis, waar ze niet hoefden te betalen. Deze idylle bleef duren tot oktober 1925. Tegen dan had Parijs de vestingwerken aangekocht van de Franse overheid om meteen de puciers weg te jagen. De communistische burgemeester van de nabijgelegen gemeente Saint-Denis kwam tussenbeide en bood het syndicaat van chiffoniers en puciers ‘asiel’ aan op La Plaine Saint-Denis. Rivaliteit met de socialistische burgemeester van Saint-Ouen leidde tot een tegenbod en de meesten bleven waar ze waren, om zich te vestigen langs de hen bekende Avenue Michelet.

Wat in belangrijke mate bijdroeg tot de groei van vlooienmarkten in dit gebied, was de opening van een innovatieve afvalverwerkingsfabriek in 1896, de usine de broyage d’ordures in Saint-Ouen. Aan de Rue Ardoin langs de Seine, ten noordwesten van de rommelmarkten, bevindt zich nog steeds een van de grootste en krachtigste afvalverbrandingsinstallaties van Frankrijk. De fabriek werd gebouwd na de verplichte invoering van gestandaardiseerde vuilnisbakken in Parijs in 1885 – de eerste keer in de menselijke beschaving dat dergelijke recipiënten in gebruik werden genomen – om de hygiëne te verbeteren. Ze werden vernoemd naar de prefect van de Seine, Eugène Poubelle. Deze nieuwigheid veroorzaakte onmiddellijk opschudding onder professionele recycleerders, vooral in Saint-Ouen. In 1901 werd hun aantal geschat op 40.000 mannen, vrouwen en kinderen. Om de opstand te sussen, stemde Parijs in met de handhaving van een informele regeling voor de hiërarchisch gestructureerde ophaling. Vroeg in de ochtend haalden placiers de poubelles uit de gebouwen tevoorschijn zodat coureurs op straat de inhoud konden onderzoeken. De vaten werden vervolgens door tombereautiers in vrachtwagens geleegd, en na aankomst in Saint-Ouen controleerden de secondeurs die de verbrandingsovens vulden de inhoud nog een laatste keer. Elke fase bood de werkers de mogelijkheid om spullen van grotere of kleinere waarde te bemachtigen, die konden worden gerecycleerd, hergebruikt of doorverkocht. Hoewel de usine de broyage d’ordures door de lokale bevolking werd gehaat, voorzag de fabriek vele ‘plukkers’ in een levensonderhoud en konden de rommelmarkten daardoor floreren. Ondanks de risico’s en het feit dat iedereen op hen neerkeek, konden vuilnismannen toch kleinere of grotere privévermogens verzamelen. Zo ontstonden de verhalen over mensen uit het lompenproletariaat die de lompen en de armoede achter zich lieten en zelfs rijk werden.

Hoewel de bevolkingsdichtheid van Saint-Ouen uiteindelijk die van Parijs zou overtreffen, bleef het aan het begin van de twintigste eeuw grotendeels een landelijk gebied. Een groot deel werd ingenomen door wijngaarden en moestuinen die de stad van voedsel voorzagen, maar rond 1900 vernietigde een uitbraak van de druifluis alle nog overgebleven wijngaarden en werd de wijnbouw verboden. Omdat de wijngaarden van de noordelijke arrondissementen van Parijs toch al niet van hoge kwaliteit waren, werd dat niet als een groot verlies beschouwd. In de jaren twintig, toen de puciers van de stadswallen naar Saint-Ouen verhuisden, kwam een regularisatie- en legalisatieproces op gang. Dit manifesteerde zich in een netwerk van markten in private eigendom en met een eigen naam, met permanente of half permanente structuren voor verkopers. Veel van deze markten kwamen tot stand op plekken waar ooit moestuinen en wijngaarden bloeiden.

De eerste vlooienmarkt van die soort was Marché Vernaison, gesticht in 1920 door Romain Vernaison als de ‘baraques Villegrain’. Hij had fortuin gemaakt als onderaannemer in de Halles Baltard, de groente- en fruitmarkt in hartje Parijs, en met een verhuurbedrijf voor stoelen in de parken. Hij besloot te investeren: hij ‘verkavelde’ een perceel van 9000 vierkante meter, begrensd door de Avenue Michelet, de Rue des Rosiers en de Rue Voltaire, en bouwde houten kraampjes voor zijn huurders, de puciers.

Rond dezelfde tijd ontstond Marché Malik, nu tegenover de Boulevard Périphérique gelegen. In de huidige vorm is het een markt gespecialiseerd in textielproducten, die weinig te maken heeft met de antiek waar Saint-Ouen het bekendst om is. Historisch gezien werden door Marché Malik vodden verkocht, oude uniformen, helmen en apparaten zoals fototoestellen, platenspelers en radio’s. Malik Hajrulac was een Albanese veteraan uit de Eerste Wereldoorlog en de eigenaar van een koffiehuis. Hij kocht in 1919 café-brasserie A. Picolo, samen met het stuk braakliggend terrein aan de overkant van de straat, waar Marché Malik tot stand kwam.

Het hart van de antiekhandel in Saint-Ouen, langs de Rue des Rosiers, wordt begrensd door markten met als namen Paul Bert, Jules Vallès, Serpette en Biron – de oudste van de vier. Marché Biron werd opgericht door een syndicaat van handelaren die, na hun verdrijving van de stadswallen in 1925, op zoek waren naar een onderkomen. De handelaren benaderden de zilversmid die eigenaar was van een stuk grond vlak bij Marché Vernaison, bewoond door groenteboeren. Hij stemde ermee in het perceel op te delen en te verhuren. Om zichzelf en hun koopwaar te onderscheiden, brandmerkten ze hun markt als ‘brocante’, wat suggereerde dat ze antiek en kunst van hogere waarde aanboden in plaats van gerecycleerde spullen.

De geschiedenis van Marché Paul Bert, verderop in de Rue des Rosiers, kent een vergelijkbaar patroon. Tot voor de Tweede Wereldoorlog bepaalden koeien en wijngaarden het aanzien van het perceel van de familie Poré. In de jaren veertig werden er betonnen garages gezet, terwijl de resterende gronden vanaf 1946 door de eerste puciers bevolkt werden. In 1949 kreeg een syndicaat van handelaren toestemming om op dit L-vormige terrein permanente infrastructuur te installeren. Vlakbij was de veel kleinere Marché Jules Vallès al sinds 1938 in bedrijf. Dit eenvoudige gebouw met twee verdiepingen werd opgericht en ontwikkeld door de Venetiaanse immigrant Amadeo Cesana en beslaat slechts 1900 vierkante meter. De vloer in aangestampte aarde diende lange tijd als herinnering aan de landelijke oorsprong. Tegenwoordig zouden de meeste bezoekers de overgang tussen Marché Paul Bert en de Serpette nauwelijks opmerken, ware het niet dat die tweede markt volledig overdekt is, veel recenter is, en zich genesteld heeft in de oude garages van Poré. Marché Serpette ontstond pas in 1977, toen Alain Serpette, een jonge handelaar gespecialiseerd in historische wapens, de nog steeds functionerende garage aan de Rue des Rosiers 110 ombouwde tot een markt voor exclusieve antiek. Saint-Ouen, net als de andere gemeentes rond Parijs met lichte industrie, telde halverwege de twintigste eeuw behoorlijk veel garages en automecaniciens. Daar zijn nog steeds sporen van te vinden, zoals oude bewegwijzering. Natuurlijk waren er minder garages, zo niet geen, in de beaux quartiers van Louis Aragon. En toch waren garages belangrijke, sociale plekken, waar zaken werden gedaan en fortuinen werden gemaakt, van het midden van de jaren twintig tot ongeveer 1979, zoals elke lezer van Mirbeau en Modiano zal opmerken. Halverwege de eeuw paste de vluchtige demi-monde van de garages in zekere zin perfect bij die van de rommelmarkt.

Marché Serpette markeerde een verschuiving in de maatschappelijke heruitvinding van de rommelmarkten in Saint-Ouen, weg van de recycleerfabrieken van de arbeidersklasse, in de richting van de luxe-industrie van de late twintigste en vroege eenentwintigste eeuw – een plek die, zij het op eigen voorwaarden en met wat zelfbegoocheling, kon concurreren met Louis Vuitton, Moët, Yves Saint-Laurent, Sotheby’s of het Ritz. De laatste twee markten die aan Saint-Ouen werden toegevoegd, die van Malassis (1989) en Dauphine (1991), bevestigen deze rebranding. Marché Malassis is misschien de enige speciaal gebouwde rommelmarktstructuur ter wereld. Met architectonische details die ergens tussen neo-art nouveau en neo-art deco in zweven, wordt ondubbelzinnig het luxesegment geclaimd van de kunst-, design- en antiekhandel. Een groot deel van de koopwaar bestaat uit designmeubelen, verlichtingsarmaturen, oosterse tapijten en Aziatische kunst. De twee verdiepingen tellende Marché Dauphine is daarentegen ontstaan uit een pakhuis en heeft een bescheidener uitstraling. Deze winkel bestaat uit aparte afdelingen die onder andere vintage kledij, modeaccessoires, vinylplaten, televisies, radio’s en platenspelers, strips, ansichtkaarten, speelgoed, boeken, kaarten en andere verzamelobjecten verkopen. Sinds 2013 is het middelpunt van Marché Dauphine een in glasvezel gegoten en feloranje vliegende schotel van gigantische proporties – een neo-seventiesontwerp van de Finse architect Matti Suuronen.

 

Pittoreske en literaire aspecten

Ondanks de vele ongunstige episodes in hun geschiedenis, leenden de markten van Saint-Ouen zich al vroeg tot romantisering. Schrijvers, kunstenaars en cultuurcritici hebben ze lange tijd afgeschilderd als een trekpleister voor andere schrijvers, kunstenaars, bohemiens, non-conformisten en dromers. De eerste manifestatie van deze romantisering was een grote verscheidenheid aan zwart-witte ansichtkaarten. Tientallen fotografische motieven van de rommelmarkt van Saint-Ouen werden uitgebracht voor de Eerste Wereldoorlog, en het feit dat er zoveel bewaard zijn gebleven, toont aan dat ze gretig aftrek vonden. Deze ansichtkaarten portretteren over het algemeen geen regelrechte armoede, maar als ze dat wel doen, is het op een pittoreske manier. Goedkope foto’s – kiekjes van de wallen van de vestingwerken, of van de illegale hutten en caravans, evenals van de ‘hoofdkwartieren’ van de voddenrapers – vallen onder deze categorie en waren populaire souvenirs. Op een van die kaartjes, verstuurd in 1908, staat zelfs een handelaar, gespecialiseerd in oude schilderijen, die zijn spontane openluchttentoonstelling herschikt. In de titel is sprake van de ‘schilderijenafdeling’ van de rommelmarkt, een ironische woordspeling die verwijst naar instituten die zich op het toppunt bevonden van culturele verfijning en prestige: de afdelingen van het Louvre of de officiële Salon, in die tijd gevestigd in het Grand Palais.

Tegen 1910 hadden de markten hun weg gevonden naar populaire satire. Het weekblad L’Assiette au beurre wijdde een uitgave aan ‘Le Marché aux puces’, met een twintigtal kleurenlitho’s van Paul Bour en Francisque Poulbot. Veel van de scènes leggen nog steeds de uitgestrektheid van de vlakte op het glacis vast, met in de weiden verdwaalde verkopers, terwijl op andere beelden de smalle straatjes van Saint-Ouen staan, waarin verkopers waren uitstallen tegen een achtergrond van palissades. De silhouetten van rokende schoorstenen van nabijgelegen fabrieken completeren het bijzondere karakter van de setting. Toch is de toon humoristisch: een piepjonge pucier die een knijptang wil gebruiken, maant een oudere klant aan op te passen voor zijn neus, terwijl in een andere scène een moederlijke verkoopster een klant wegjaagt die haar slapende kind aanzag voor een stapel te koop aangeboden vodden. De ruwe, schetsmatige stijl van de lithografieën is perfect afgestemd op de arbeidssfeer, en hoewel L’Assiette au beurre geen uitgesproken politieke voorkeuren had, waren de sympathieën vaak anarchistisch.

Luigi Loir, de eerste schilder die zich herhaaldelijk bezighield met de pittoreske aspecten van de rommelmarkten in Saint-Ouen, is een ander voorbeeld. Loir is een kunstenaar die verrast. Zijn onderwerpkeuze en de manier waarop hij verf behandelt, kwalificeren hem als een aanhanger van het postimpressionisme. In zijn doeken zijn de uitgesmeerde verftoetsen van Monet en ook diens liefde voor atmosferische effecten terug te vinden. Hoewel hij in 1845 in Oostenrijk werd geboren, slechts vijf jaar na de leidsman van de impressionisten, en kunst studeerde in Parma, komt Loir nu vooral over als een chroniqueur van de technologische transformaties van Parijs aan het begin van de twintigste eeuw. Zijn misschien wel beste werk, de doeken uit de laatste jaren van zijn leven, gonst van het lawaai van motoren en van volkswijken. Loir voelde zich aangetrokken tot de minder fraaie kanten van de stad, met name het openbaar vervoer. Hij legde de stoomboten vast die op de Seine voeren, de Haussmann-boulevards die werden opengebroken om de metro te bouwen, en de glinsterende lichtjes van de draaimolens (manèges) in Luna Park, geopend in 1907. Loir voelde zich ook aangetrokken tot Saint-Ouen, waar hij, waarschijnlijk ergens rond 1910, de gehavende winkelpuien en de drukte van de winkeliers langs de Avenue Michelet vastlegde, zoals Claude Monet dat deed met de Boulevard des Capucines en Camille Pissarro met de Boulevard Montmartre.

De literaire wereld ontdekte Saint-Ouen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de jaren erna. La Cité des épaves. Le Marché aux puces van Lucien Aressy en Antoine Parménie werd gepubliceerd in 1943, tijdens de Duitse bezetting. Het manuscript moet al in 1939 voltooid zijn, aangezien de tekst eindigt met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Aressy en Parménie waren bekend om hun portretten van de literaire bohème rond de eeuwwisseling, zoals Baudelaire en Verlaine. La Cité des épaves presenteert zich als een literaire wandeling langs de hoeken van de rommelmarkten, op smaak gebracht met karakterstudies van inwoners en arbeiders, van de bistro’s, bars en cafés die ze bezoeken, en met pittoreske beschrijvingen van de koopwaar. De aantrekkingskracht van het boek werd versterkt door een twintigtal houtsneden van objecten, kraampjes, straten en mensen, gemaakt door André Deslignères, die gespecialiseerd was in prenten van ‘romantische ellende’. Hij was niet de eerste prentkunstenaar die les puces herdacht. Rond 1910 voltooide etser Auguste Brouet een reeks platen met vergelijkbare onderwerpen, stilistisch en iconografisch geïnspireerd door Rembrandts genretaferelen, die werden verkocht door de Chalcographie van het Louvre – in huidige termen: de museumshop. Deslignères gebruikte daarentegen veel grotere en dikkere lijnen, die aansluiten bij de esthetiek van twintigste-eeuwse, Duitse, expressionistische houtsneden.

Er lagen diepere intellectuele overwegingen ten grondslag aan het onderzoek van Aressy en Parménie, omdat ze de psychologie van de mensen die ze ontmoetten en interviewden wilden verkennen, wat resulteerde in een mozaïek van microbiografieën. Ze zagen de rommelmarkt als een romantische, ruige plek waar geen enkele vorm van overtreding, of zelfs van geweld, uit te sluiten viel. Saint-Ouen werd een toevluchtsoord, in laatste instantie, voor mensen die in andere levensdoelen waren mislukt en die in de kapotte stoelen, roestige fietsen, gescheurde schilderijen en versleten kleding een tweede kans zagen. De nadruk op zelfredzaamheid maakte van Saint-Ouen een toevluchtsoord voor mensen die moeite hadden met formele hiërarchieën, als plek zonder vaste werktijden en zonder bazen. Een andere belangrijke, ontheemde groep bestond uit buitenlanders die door de Franse maatschappij werden gemarginaliseerd, van een Tunesische waarzegster en een Roemeense wees tot Russische emigranten die de bolsjewistische revolutie van 1917 waren ontvlucht. Uiteindelijk was La Cité des épaves een politieker boek dan het leek te zijn: een lofzang op kosmopolitisme en individualisme, op anarchisme en kapitalisme tegelijkertijd.

Les Week-end de Saint-Ouen van Jean-Marc Campagne en René Clair uit 1951 was, ondanks de jovialere en hedonistische toon, schatplichtig aan La Cité des épaves, dat indrukken van tijdens een willekeurige wandeling leek te verzamelen. Het werd op de markt gebracht als een groot kunstboek in gelimiteerde oplage, geïllustreerd met pastelkleurige vignetten en paginagrote illustraties van rommelmarkten door Emilio Grau Sala, een Spaanse kunstenaar die actief was in Parijs en bekendstond om zijn bloemrijke, postimpressionistische schilderijen en boekillustraties, vaak met jonge vrouwen. Het boek werd ingeleid door een autobiografische en sentimentele waardering van Saint-Ouen door René Clair, filmregisseur en toekomstig lid van de Académie française, wiens cinematografische werk na de Tweede Wereldoorlog algemeen als ouderwets werd beschouwd.

Als schrijver was Jean-Marc Campagne al ouderwets toen het boek verscheen. Voor de oorlog had hij gewerkt als modespecialist, conservator, journalist en kunstcriticus en leverde hij bijdragen aan Marianne, Aujourd’hui,L’Intransigeant en Le Figaro. In zijn naoorlogse publicaties waagde hij zich echter aan onderwerpen als het occulte, het fantastische en de magie in de kunst, maar zonder duidelijke banden te leggen met het surrealisme; hij verkoos het te hebben over excentrieke Franse outsiderkunstenaars zoals Clovis Trouille en Alfred Courmes. Het is duidelijk dat Grau Sala’s kleurenlitho’s – en niet de geschriften van de auteurs – de aantrekkingskracht van het boek vormen. Les Week-end de Saint-Ouen bleef conceptueel gezien een product dat eerder hoorde bij het interbellum dan bij de naoorlogse jaren. Het was een voortzetting en eindpunt van het kortstondige genre dat was begonnen met L’Assiette au beurre en La Cité des épaves.

In les Trente Glorieuses, de periode van 1945 tot 1975, was er weinig sympathie voor hergebruik, noch voor de romantisering ervan. Zazie dans le métro van Louis Malle uit 1960 was een uitzondering, dankzij scènes die in Saint-Ouen werden opgenomen. Filmliefhebbers zouden moeten wachten tot 2011, toen Woody Allen Midnight in Paris uitbracht, om les puces weer op het grote scherm te zien. Tegen dan was Saint-Ouen getransformeerd tot een buitenpost van de luxe-industrie. Het interieur van het restaurant van Marché Serpette, Ma Cocotte aux Puces, werd in 2012 ontworpen door Philippe Starck. De transformatie was ook zichtbaar in de publicatie van het Frans-Engelstalige tijdschrift Le Village des Puces. Le Journal du Grenier du Monde, waarvan tien gratis nummers tussen 2015 en 2018 onder de bezoekers werden verspreid. De elegante inhoud schakelde moeiteloos tussen promotie en filosofie, en tussen lifestyle en kunstgeschiedenis. Le Village des Puces markeerde vooral de vloeiende overgang tussen de antiquiteitenmarkt en die voor (recente of geherwaardeerde) designobjecten. In 2019 werd Vincent Darré, ontwerper van surrealistische interieurs en voormalig assistent van modetsaar Karl Lagerfeld, tot ‘ambassadeur’ van de vlooienmarkten benoemd. In deze functie lanceerde hij een marketingcampagne met als titel Puces, mon trésor. In augustus 2024 verwierf een recensie van The Paris Flea Market, een rijk geïllustreerd koffietafelboek van Kate van den Boogert met korte biografieën van handelaren, een plekje tussen de openingsartikelen op de website van The New York Times.

 

Succes en onzekere toekomst

Tegenwoordig bestaat de infrastructuur van Saint-Ouen uit ongeveer elf markten, elk met een eigen naam en identiteit, verspreid over zeven hectare. Deze markten bieden onderdak aan naar schatting 1100 handelaren en genereren ongeveer 10.000 jobs. Nog eens duizend of meer mensen werken in aanverwante of dienstverlenende sectoren, zoals restauratie en reparatie van kunst en meubels, levering van kunstmaterialen, transport en catering. Tijdens een goed weekend trekken de markten tussen de 150.000 en 200.000 bezoekers – ieder jaar komen naar schatting vijf miljoen mensen naar Saint-Ouen. De jaarlijkse omzet loopt in de honderden miljoenen euro’s en kan volgens optimistische schattingen oplopen tot 400 miljoen euro. Dat zou, als het klopt, 45 procent vertegenwoordigen van de totale jaarlijkse veilingomzet van Frankrijk, die in 2023 ongeveer 875 miljoen euro bedroeg. Deze bedragen moeten gezien worden in het licht van het belang van de Franse toeristische sector. In 2024 was Frankrijk het meest bezochte land ter wereld, met naar schatting 80 tot 100 miljoen bezoekers. De vlooienmarkten van Saint-Ouen worden in statistieken genoemd als de op drie na meest bezochte trekpleister van Frankrijk.

Ondanks hun succes blijven de rommelmarkten kwetsbaar. Een teken aan de wand is het lot van de micromarkt Habitat 1946 – Espace Vintage, die bestond tussen 2013 en 2019 op de site van de voormalige batterijenfabriek Wonder, ingeklemd tussen de Rue des Rosiers en de Rue Marie-Curie. De fabriek opende in 1918, maar werd in 1984 gekocht door Bernard Tapie, de belangrijkste Franse opkoper in de jaren tachtig. Hij sloot Wonder in 1986 en ontsloeg de 600 werknemers. Begin jaren negentig verkocht Tapie de leegstaande fabriek aan ‘de Prins der Antiquairs’, Bernard Steinitz, die er een opslagruimte van maakte. Na de dood van Steinitz in 2012 werden het gebouw en de grond gekocht door SNC Paris-Périph, dat toebehoort aan de holding Foncière Volta waarvan de CEO, Hervé Giaoui, ook eigenaar is van Groupe Habitat. Vier jaar later werd de locatie opengesteld onder de naam Habitat 1964 – Espace vintage. Vanaf het begin gepland als een ‘vluchtige’ markt, was het voortbestaan afhankelijk van toekomstige ontwikkelingsplannen. Handelaars verzamelden zich rond de open binnenplaats en specialiseerden zich in industriële apparatuur uit het begin van de twintigste eeuw of in vintage meubels uit de jaren zestig en zeventig, zoals felgekleurde stoelen in kunststof. Het aanbod omvatte ook designmeubelen uit de jaren negentig en het begin van de jaren 2000, uit het hogere segment, zoals interieurs van Sido & François Thévenin. De pop-upbar Sonnenkönig, bekend om zijn in Parijs gebrouwen bier, trok elk weekend grote menigten.

In juli 2017 werd een sloopvergunning uitgeschreven voor Espace Steinitz, samen met een bouwvergunning voor het luxecomplex Le Village des rosiers. Sinds de oplevering in 2024 herbergen deze acht verdiepingen in neo-art deco, gebouwd voor 110 miljoen euro, 520 appartementen en 745 parkeerplaatsen. Le Figaro Immobilier meldde in november 2019 dat de prijs per vierkante meter in Saint-Ouen voor het eerst de grens van 10.000 euro overschreed. Le Village des rosiers overschaduwt de vooralsnog nabijgelegen Marché Biron, die in vergelijking kleintjes en armoedig overkomt. Aan protesten van puciers – die hun zorgen uitten over het toegenomen verkeer, de milieu-impact en de angst om verdreven te worden – werd nauwelijks gehoor gegeven.

Le Village des rosiers is een voorbode van meer van dergelijke ontwikkelingen. Het valt niet te ontkennen dat de weinige overgebleven, verlaten industrieterreinen en de vervallen, bouwvallige arbeiderswoningen van Saint-Ouen, meestal slechts één of twee verdiepingen hoog en gebouwd tussen 1880 en 1950, snel verdwijnen. Ze worden vervangen door ‘duurzame’ boetiekhotels, luxueuze appartementsgebouwen en studentenhuisvesting. Deze ontwikkelingen maken Saint-Ouen tot een casestudy voor de rol die de kunst- en antiekhandel speelt in gentrificatie. Ironisch genoeg zijn de kopers en huurders van de nieuwbouw of van de gerenoveerde appartementen meestal vrij welgestelde ‘vluchtelingen’ uit Parijs, die zich een verblijf in de stad niet meer kunnen veroorloven, aangezien zoveel woonruimte is omgebouwd tot Airbnb-verblijven.

De overmaatse rol van het toerisme – met name van Amerikaanse kopers – in het ‘succesverhaal’ van Saint-Ouen wordt pijnlijk duidelijk in crisistijden, zoals na de economische crisis van 2008 of na de covidmaatregelen van 2020. Omdat de markt afhankelijk is van buitenlandse klanten, kunnen dergelijke gebeurtenissen snel uitmonden in een existentiële crisis voor verkopers en voor de locatie in het algemeen. Hoewel Saint-Ouen kan beweren de plek te zijn waar de twintigste-eeuwse rommelmarkten ontstonden, is deze gemeente ook een anomalie, omdat ze ouder is dan bijna alle andere markten en zich op eigenzinnige wijze heeft ontwikkeld. Nu zoveel locaties voor vlooienmarkten wereldwijd zijn verdwenen of in moeilijkheden verkeren, bloeien de markten van Saint-Ouen weer, in die mate dat ze het slachtoffer worden van hun eigen succes, dankzij de synergie tussen de toeristische en luxe-industrieën waar ze zo afhankelijk van geworden zijn.

De kwetsbaarheid en vluchtigheid van de markten in Saint-Ouen hebben recentelijk aanleiding gegeven tot discussies over hun bescherming. Zoals Kate van den Boogert in haar boek uit 2024 opmerkte:

‘Naast de politiek is het die vage poëtische term ‘sfeer’ die de puces vandaag beschermt tegen gentrificatie. Nadat een vijfde van de totale markt verloren ging aan vastgoedontwikkeling, werden de vlooienmarkten [op nationaal niveau] aangewezen als een ‘zone voor de bescherming van architectonisch, stedenbouwkundig en landschappelijk erfgoed’. Deze status beschermt ze tegen vernietiging of ingrijpende wijzigingen en erkent de puces formeel als een gebied met immaterieel erfgoed, meer dan de som der delen. Een aanvraag tot UNESCO-werelderfgoedstatus die loopt, zou op internationaal niveau een nog sterkere bescherming moeten bieden.’

Het ligt voor de hand dat zo’n status – waarvan de toekenning zeer onwaarschijnlijk is – de aantrekkelijkheid van Saint-Ouen als woonplaats zal vergroten, waardoor de gemeente een doelwit zal worden voor toenemende gentrificatie. Zo’n status gaat bovendien gepaard met een complexe, veelgelaagde bureaucratie en met het opleggen van nieuwe en verstikkende regels. De (anarchistische) afwezigheid van regels – of het gebrek aan wil of middelen om ze te handhaven – ligt net aan de basis van de uniciteit, het uithoudingsvermogen, het ‘succes’ en het bijzondere karakter (de ‘sfeer’) van de site. Zoals op veel andere plekken en in verschillende situaties, ligt ook in Saint-Ouen de weg naar de hel geplaveid met goede bedoelingen.

 

Epiloog

De ‘gouden eeuw’ van de vlooienmarkten viel samen met de laatste jaren van de Koude Oorlog. Rommelmarkten waren een fenomeen van het kapitalistische, vrije Westen, terwijl zwarte markten, ontstaan door het tekort aan consumptiegoederen in staatseconomieën, een fenomeen van het Oosten waren. Rommelmarkten bestonden niet achter het IJzeren Gordijn. In socialistische landen viel het inzamelen van recycleerbare grondstoffen van enige waarde onder de verantwoordelijkheid van door de staat gerunde jeugdorganisaties. Omdat het lidmaatschap verplicht was, boden deze organisaties gratis en gedwongen arbeid aan kinderen en tieners, voor de inzameling van textiel of metaal, terwijl de economische voordelen ten goede kwamen aan de overheid.

Oost-Duitsland ging in de late jaren tachtig nog een stap verder onder leiding van Alexander Schalck-Golodkowski en diens staatsbedrijf KoKo (Kommerzielle Koordinierung). Particuliere kunst- en antiekbezitters, voor zover ze bekend waren bij de overheid, werden massaal afgeperst en geplunderd op basis van opgeklopte ‘belastingen’ voor ongerealiseerde winsten die verschuldigd waren voor het bezit van dergelijke activa. Omdat deze ‘belastingen’ moesten worden betaald in ‘harde’ westerse valuta, die voor het grootste deel van de bevolking onbereikbaar waren, resulteerde de regeling in ‘schulden’ die alleen konden worden voldaan door de betreffende objecten in te leveren. De in beslag genomen goederen werden vervolgens geëxporteerd en verkocht in de West-Duitse antiekhandel.

Zoals deze episodes van onderdrukking aantonen, zijn vlooienmarkten laagdrempelige plekken waar vrijheid heerst en mogelijkheden zich aanbieden. Dergelijke plekken zijn sinds de Tweede Wereldoorlog steeds zeldzamer geworden, maar ze zijn het kenmerk van ‘open samenlevingen’ en van liberale democratieën. We hebben meer te verliezen met het verdwijnen van fysieke vlooienmarkten dan alleen maar de plekken waar tweedehandsgoederen worden verhandeld.

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

Een andere versie van deze tekst zal deel uitmaken van een publicatie over de low-end kunstmarkt in de serie Cultural Economics & the Creative Economy van Palgrave Macmilan, samengesteld door Anne-Sophie Radermecker et.al., te verschijnen in 2026.

 

Literatuur

N.N., ‘Les Chiffonniers protestent’, in: L’Écho de Paris, nr. 18, 1901, p. 2.

Lucien Aressy, Antoine Parménie, André Deslignères, La Cité des épaves. Le Marché aux puces, Parijs, Éditions littéraires et artistiques, 1943.

Jean Bedel, Les Puces sautent les siècles. Du Chiffonier à l’antiquaire, Venetië, Argusvalentines, 2003.

Marie-Claude Blanc-Chaléard, ‘Les immigrés et le logement en France depuis le XIXe siècle’, in: Hommes & migrations, nr. 1264, 2006, pp. 20-34.

Paul Bour, Francisque Poulbot, L’Assiette au beurre, nr. 467, 1910, pp. 1653-1688.

Jean-Marc Campagne, René Clair, Les week-end de Saint-Ouen, Parijs, Groupe d’amateurs, 1951.

Raymond M. Lemaire (red.), Le Patrimoine monumentale de la Belgique. Volume 1/B, Luik, Mardaga, 1971, pp. 256-257.

Karl Marx, De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, Amsterdam, Pegasus, 1970.

Louis Mazerolle, ‘Le Traitement des ordures ménagères à Paris’, in: La Science et la vie, nr. 5, 1914, pp. 45-55.

Pierre Pinon, ‘Le ‘dépeuplement’ du centre’, in: Atlas du Paris haussmannien, Parijs, Parigramme, 2002, pp. 92-94.

Georges Poisson, ‘Haussmann transforme Paris’, in: Historia. Napoléon III et le Second Empire, nr. 37, 1995, pp. 46-54.

Kate van den Boogert, Toby Glanville, The Paris Flea Market, München, Prestel, 2024.

Noé Willer, Luigi Loir, 1845-1916. Peintre de la Belle Époque à la Publicité. Catalogue raisonné, Carmel, Classic Art Gallery, 2004.

De illegale kunstmarkt

In een aflevering uit 2017 van de populaire serie Adam Ruins Everything haalt Adam Conover, een Amerikaanse auteur, journalist en komiek, met gestrekt been de kunstmarkt onderuit. Hij verklaart dat de kunstmarkt in essentie niets anders is dan een ‘zelfverklaard speelterrein’ voor galerieën, kunsthandelaren en veilinghuizen, om potentiële kopers op te lichten. Conover beargumenteert, in de aflevering met als titel ‘Adam Ruins Art’, dat het gesloten karakter en de overwegend zelfregulerende aard van de kunstmarkt een perfecte voedingsbodem vormen voor witwaspraktijken en fraude, omdat handelaren en veilinghuizen doorgaans een sterke controle uitoefenen over de waarde, prijs en reputatie van kunst. Hoewel sommige extreme claims duidelijk satirisch bedoeld zijn, bevatten andere beweringen een kern van waarheid.

Als het gaat over criminaliteit in de kunstwereld zijn de publieke beleving, de conversaties en de berichtgeving doorgaans doordrenkt met sensatiezucht. Misdadigers willen vlug geld verdienen door in te breken in musea, antiquiteiten worden illegaal opgegraven en verkocht om terrorisme te financieren, en het werk van grote meesters wordt vervalst om een slag te slaan via veilinghuizen. De verbeelding slaat op hol, terwijl de realiteit vaak anders is, en vele malen genuanceerder. Er bestaat relatief weinig onderzoek naar het verband tussen misdaad en (dagelijkse) praktijken binnen de kunstmarkt, zeker in vergelijking met andere markten. Toch neemt de studie van kunst- en erfgoedcriminaliteit een steeds prominentere plek in binnen de criminologie, sociologie, rechtsgeleerdheid en archeologie.

Bestaat er echter wel zoiets als een ‘illegale’ kunstmarkt? Een definitie opstellen is wellicht even complex als de legale kunstmarkt beknopt omschrijven. Olav Velthuis beschouwt de kunstmarkt als een plek waar ‘aanbieders en kopers van kunstwerken culturele objecten […] uitwisselen’.[1] De illegale kunstmarkt kan dan gedefinieerd worden als een plek waar dergelijke uitwisselingen op een onrechtmatige wijze plaatsvinden. De kunstmarkt is nochtans allesbehalve uniform. Er bestaan veel verschillende markten, op verschillende niveaus en elk met een eigen dynamiek, zoals de markt voor hedendaagse kunst, decoratieve kunst, fotografie en antiquiteiten. Die markten kennen op hun beurt talloze subcategorieën, zoals de markt voor, bijvoorbeeld, precolumbiaanse kunst – een term die controverse oproept vanwege koloniale connotaties en die steeds vaker wordt vermeden door zowel wetenschappers als marktspelers. Al deze markten worden in hoge mate gedomineerd door een selecte groep invloedrijke spelers, zoals de gerenommeerde veilinghuizen Christie’s, Sotheby’s en Phillips, die vaak worden aangeduid als de Grote Drie.[2] Kunstmarkten opereren binnen uiteenlopende geografische contexten: van nationaal tot internationaal, van fysieke, hybride tot volledig digitale handelsplatformen. Sommige spelers bewegen zich moeiteloos door al deze contexten en hebben wereldwijd invloed. Anderen bewegen zich uitsluitend in één regio en binnen één specialisme. Daarnaast functioneren kunstmarkten op meerdere niveaus: primair, secundair en tertiair. De primaire markt omvat onder andere galerieën, maar ook online platformen waarop kunstwerken, bijvoorbeeld van opkomende kunstenaars, vaak voor het eerst worden verhandeld. De secundaire markt wordt gedomineerd door gevestigde handelaren, veilinghuizen en galerieën met een aanzienlijke financiële slagkracht. Wanneer werken meerdere keren worden verkocht en daardoor aan (internationale) waarde en prestige winnen, betreden ze de tertiaire markt.[3] Tot slot wordt er regelmatig een onderscheid gemaakt tussen de zogeheten high-, middle– en low-end kunstmarkten. In de high-end kunstmarkt worden vooral voorwerpen van (zeer) hoge economische waarde verhandeld, terwijl in de middle– en low-end markten werken en objecten van relatief lage economische waarde circuleren, die nochtans een groot deel van de totale kunstmarkt vertegenwoordigen.

Om de omvang van de kunstmarkt te schetsen, kan worden vermeld dat er in 2022 wereldwijd voor 67,8 miljard dollar aan kunst werd verkocht, met een volume van 37,8 miljoen objecten. Volgens het rapport van Arts Economics uit 2023 had de Amerikaanse kunstmarkt daarin een aandeel van 45 procent. Ter vergelijking: volgens een onderzoek van Investico bezaten Nederlanders in 2023 kunstwerken met een totale waarde tussen 7 en 9 miljard euro, terwijl in België in 2023 een recordomzet van 65 miljoen euro werd gedraaid door de veilinghuizen. De exacte economische waarde per marktsegment blijft lastig te bepalen aangezien categorieën vaak overlappen of diffuus gedefinieerd zijn. Kunstmarkten kunnen daarom beschouwd worden als een extreem voorbeeld van handel in ‘heterogene goederen’.[4] Een treffend voorbeeld is de verkoop van Salvator Mundi, toegeschreven aan Leonardo da Vinci, tot op heden het duurste schilderij ooit geveild. Dit werk, vervaardigd rond 1500, werd in 2017 bij Christie’s New York verkocht voor 450 miljoen dollar. Opmerkelijk genoeg werd het niet aangeboden op een veiling voor (Italiaanse) renaissancekunst, maar als onderdeel van een exclusieve avondveiling voor hedendaagse kunst – een ogenschijnlijk detail dat reveleert hoe kunstmarkten opereren en werken worden gepositioneerd.[5] Sommige auteurs stellen dat er nog een vierde, aparte markt bestaat, namelijk de ‘illegale markt’, die zich vooral zou centreren rond Aziatische kunst, zilver, keramiek, glas, antiek en etnografica. Bij deze illegale handel in cultuurgoederen doen clandestiene opgravingen en smokkel dienst als criminele activiteiten om de markt van voorraad te voorzien.[6] Toch concentreren fraude, witwassen, diefstal en heling zich nooit op één afzonderlijke markt. Veelgehoorde claims dat de illegale handel in kunst- en cultuurgoederen de op twee na grootste criminele onderneming ter wereld is, net na drugs- en wapenhandel, is niet gebaseerd op accuraat wetenschappelijk en statistisch onderzoek.[7] Dergelijk onderzoek is immers haast onmogelijk, niet enkel omdat de kunstmarkt zoveel dimensies en factoren kent, maar ook omdat de culturele waarde van cultuurgoederen niet altijd makkelijk om te zetten is in een economische waarde. Daarom wordt er veelal gesproken van een grijze markt, met zowel legale als illegale handelingen, en met objecten die circuleren op een witte of een zwarte markt, en soms op beide.

Simon Mackenzie en Donna Yates beschrijven die grijze kunst- en antiquiteitenmarkt als volgt.[8] Allereerst worden illegaal verkregen antiquiteiten en kunstwerken vermengd met legaal circulerende objecten. Hierdoor wordt het moeilijk te onderscheiden welke objecten een legale dan wel illegale herkomst hebben, of een mengeling van beide. Illegale objecten kunnen legaal worden naarmate ze langer in de markt circuleren, bijvoorbeeld dankzij juridische bepalingen zoals aankopen ‘te goeder trouw’ of via de overdracht van eigendomsrechten. Dat is vooral een probleem wanneer een conflict ontstaat – bijvoorbeeld over eigenaarschap of restitutie – over een object binnen internationaal opererende kunstmarkten. Zoals Evelien Campfens aangeeft, is het zo dat ‘de wet van de staat waar het object zich op dat moment bevindt, het eigendomsrecht bepaalt’.[9] Als objecten in het land van herkomst zijn beschermd door nationale erfgoedwetten (die kunnen verbieden dat ze worden verhandeld of zonder exportvergunning het land verlaten), dan wordt het publiekrecht van dit herkomstland niet noodzakelijk toegepast in een ander rechtsgebied. De eigendom van verhandelde of gesmokkelde objecten kan ook worden overgedragen omdat bijvoorbeeld de verjaringstermijn is verstreken. Het kan leiden tot het ‘witwassen van objecten’, of eerder nog het witwassen van eigendomsrechten. Het is niet per definitie in strijd met het Belgisch, Nederlands of internationaal recht, maar het schendt wel de zogeheten intentie van de wet. Het is een fenomeen dat wordt omschreven als creative compliance, en waarvan ‘herkomstlanden’ (bijvoorbeeld in regio’s als Latijns-Amerika, Zuidoost-Azië en Zuidelijk Afrika) meestal de dupe zijn, hoewel ze vaak volledig eigenaarschap hebben over (nationaal) cultureel erfgoed.

Ten slotte worden discursieve strategieën toegepast die een vorm van ‘psychologische grijsheid’ creëren, verwijzend naar de bekende theorie over ‘neutralisatietechnieken’ van Gresham Sykes en David Matza. Personen die crimineel of normafwijkend gedrag vertonen, kunnen dat op verschillende manieren voor zichzelf rechtvaardigen, hoewel ze zich er bewust van zijn dat ze wet- en regelgeving overtreden. Ook op de kunstmarkt wordt dit soort technieken gebruikt om ‘wangedrag’ te rechtvaardigen, bijvoorbeeld door het ontkennen van verantwoordelijkheid.[10]

Het is dus ingewikkeld om te spreken van een puur legale of puur illegale kunstmarkt. In plaats daarvan kan de kunstmarkt beter worden begrepen als een subversieve markt: er zijn krachten actief die legitieme markten proberen te ondermijnen, verstoren of ontwrichten. Het is zinvol om te analyseren op welke manieren criminaliteit zich kan manifesteren en hoe criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Daarom wordt de kunstmarkt vaak getypeerd als een multidimensionaal criminogeen veld.[11]

 

Een criminogeen veld

Het is uiteraard niet zo dat de volledige kunstmarkt wetteloos terrein is. Wel zijn er talloze voorbeelden van criminaliteit, variërend van belastingfraude via museumdonaties, de frauduleuze verkoop van kopieën, het witwassen van zwart geld, en uiteraard de handel in geroofde cultuurgoederen. Wetten en beleidsmaatregelen zijn daarnaast vaak zo vaag geformuleerd dat marktdeelnemers manieren ontwikkelen om risico’s te beheersen en te vermijden. Kunstmarkten, gedomineerd door een aantal machtige spelers, managen hun eigen risicobeheer en worden nauwelijks extern gereguleerd door overheidsinstanties of handhavers van de wet. Tegelijkertijd is de internationale kunstmarkt – via taxateurs, handelaren en critici – de enige plek waar economische waarde aan artistieke en culturele objecten wordt toegekend. Daarom is het belangrijk te erkennen dat de kunstmarkt in principe geconcentreerd is rond twee logica’s: een culturele (of symbolische) en een economische logica.[12] Handelaren, galeriehouders en veilinghuizen opereren volgens het principe van vraag en aanbod. Zij bieden objecten te koop aan waar vraag naar is, die een gestage stroom klanten aantrekken en die winst opleveren.[13] Tegelijkertijd maken zij deel uit van het bredere culturele veld, waarin ze fungeren als machtige gatekeepers voor smaak en bredere culturele betekenis. De economische benadering van de waarde van kunst richt zich op indicatoren voor een kwantitatieve (of ‘objectieve’) beoordeling van kwaliteit en waarde. De culturele waarde wordt bepaald door een reeks sociaal samengestelde immateriële eigenschappen die betrekking hebben op het object. Vaak is deze culturele waarde alleen herkenbaar voor insiders en vereist het begrijpen en waarderen ervan expertise en kennis, van zowel de markt als van het object. In zekere zin functioneert de kunstmarkt als een gesloten instelling waartoe alleen insiders met voldoende kennis van cultureel, economisch en sociaal kapitaal toegang hebben, of worden toegelaten.

Het naast elkaar bestaan van zowel een legale als een illegale kunstmarkt, de vervaging van legale en illegale praktijken, het gebrek aan externe regelgeving en de verschillende vormen van kapitaal die nodig zijn om deel te kunnen nemen, zorgen ervoor dat de kunstmarkt in veel opzichten kan worden gezien als een sociale omgeving die crimineel gedrag bevordert of aanmoedigt, en die daardoor soms wordt omschreven als een van de laatste wild west businesses.[14]

Ondanks de invoering door de Europese Unie van wet- en regelgeving om criminaliteit via kunst te voorkomen – zoals de Anti Money Laundering Directive of de Anti-Terrorist Financing Act – blijft de kunstmarkt een omgeving waarin criminaliteit welig tiert. Verschillende actoren zetten zogeheten ‘symbolische veiligheidsbubbels’ op om een verscheidenheid aan risico’s te vermijden. Een selecte groep behoudt de hegemonie door sterke, reputatiegedreven ‘grote merken’ te creëren. De belangrijkste veilinghuizen verzekeren hun marktstatus door een algemene impressie van kwaliteit. Wanneer veilinghuizen catalogi samenstellen, veilingen organiseren, of het werk van (gerenommeerde) kunstenaars tentoonstellen, draagt dat bij aan de reputatie van zowel de kunstenaar als het veilinghuis. Ook kan een prestigieuze herkomst aan een kunstwerk of cultuurgoed worden toegevoegd. Grote merken zorgen voor een gevoel van risicomijding en wekken vertrouwen. Het wordt moeilijk om ‘tegen’ deze gezaghebbende figuren in te gaan, wat hun elitepositie verstevigt. Dit kan ervoor zorgen dat individuen, gemeenschappen of organisaties uit angst voor represailles geen claim indienen wanneer illegale objecten opnieuw op de markt verschijnen via deze invloedrijke partijen. Sommige kunsthandelaren hebben een sterke merknaam opgebouwd en zich aan de top gepositioneerd, wat heeft geleid tot een informele hiërarchie van macht en invloed.

Deze informele regelingen lijken een beetje op kartels: ze zijn gebaseerd op een intern erkende markthiërarchie, geconstrueerd rond informele overeenkomsten over de manier waarop legale zakelijke transacties worden uitgevoerd, en ze hebben als doel een vorm van stabiliteit te behouden die de betrokken partijen beschermt. De ‘sociaal ingebedde’ relaties tussen actoren maken van persoonlijke banden, vertrouwen en wederzijdse connecties de basis van deze veiligheidsbubbels.[15] Connecties met externe toezichthoudende instanties worden daarentegen gemarginaliseerd of zijn zelfs afwezig.

Kunstcriminaliteit is geen juridisch afgebakende term en de interpretatie ervan blijft flexibel. Dat geldt overigens ook voor bijvoorbeeld drugscriminaliteit. Om deze reden hanteren onderzoekers vaak de losse definitie van John Conklin, die kunstcriminaliteit in zijn boek Art Crime uit 1994 omschreef als ‘strafrechtelijk strafbare handelingen waarbij kunstwerken betrokken zijn’.[16]

 

Diefstal

Een van de duidelijkste vormen van kunstcriminaliteit is diefstal: een persoon eigent zich een object toe dat aan een ander toebehoort, met de intentie de eigenaar permanent te beroven. De termen ‘diefstal’, ‘inbraak’ en ‘beroving’ worden door elkaar gebruikt en hebben vooral betrekking op de locatie van de diefstal: bij inbraak wordt illegaal een pand betreden, terwijl bij beroving geweld wordt gebruikt om het misdrijf te plegen. Diefstal wordt over het algemeen beschouwd als een misdrijf zonder geweld en in de meeste landen en rechtsgebieden wordt het als een strafbaar feit beschouwd.

Er bestaan geen diefstalcategorieën die uitsluitend betrekking hebben op kunst of die kunst tot een aparte categorie maken. Kunstdiefstal wordt beschouwd als ‘reguliere’ vermogenscriminaliteit. Handhavingsorganisaties maken weinig onderscheid tussen kunstwerken, culturele objecten en andere bezittingen, maar er zijn wel gespecialiseerde politiediensten die zich bezighouden met kunstdiefstal, en specifieke databanken voor gestolen kunst en cultuurgoederen. De Dienst Kunst en Antiek, onderdeel van de afdeling Analyse en Onderzoek van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies van de Nederlandse politie, is bijvoorbeeld de aangewezen entiteit voor kunst- en cultuurgerelateerde criminaliteit. Deze eenheid is onder andere belast met het bijhouden van de nationale databank voor gestolen kunst- en cultuurgoederen en het toezicht op de kunstmarkt. Wanneer aangifte wordt gedaan, worden gestolen kunstwerken en objecten opgenomen in de nationale databank en, indien noodzakelijk en mogelijk, ook doorgestuurd naar de internationale en publiek toegankelijke databank van Interpol: de Stolen Works of Art Database. Het toezicht op en de handhaving van het zogeheten archeologiebestel is de verantwoordelijkheid van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (voorheen Erfgoedinspectie) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Het Art Research Team (ART), onderdeel van de Centrale Directie van de Bestrijding van Zware en Georganiseerde Criminaliteit (DJSOC) van de Federale Gerechtelijke Politie van België, werkt volgens eenzelfde principe. Zij beheren de databank ARTIST en documenteren en coördineren informatie over gestolen kunst- en cultuurgoederen. ART voert echter geen autonome onderzoeken, maar is wel, net als de Nederlandse evenknie, betrokken bij nationale en internationale samenwerkingen op het vlak van de bestrijding van illegale handel, heling en diefstal. Het is niettemin algemeen bekend dat deze databanken niet echt representatief zijn. Er is een hoog dark figure: misdrijven die hebben plaatsgevonden, maar die (nog) niet bij de politie zijn gemeld. Deze databanken worden wel vaak opgevoerd als een onderdeel van due diligence, het grondig onderzoek dat voorafgaat aan een (grote) financiële transactie, maar de onvolkomenheid van de gegevens werkt de legale implementatie van illegaal verkregen objecten in de hand, en eigendomsrechten kunnen worden overgedragen op basis van onvolledige informatie.

Recent empirisch onderzoek suggereert dat diefstallen van kunstwerken ook invloed hebben op de prijzen op de kunstmarkt.[17] Er bestaat een relatie tussen de geregistreerde diefstallen van kunstwerken en de economische waardering van kunstwerken van dezelfde kunstenaar. Deze prijsveranderingen doen zich niet voor na één enkele diefstal, maar wel zodra meerdere werken van één kunstenaar werden gestolen. Diefstallen kunnen schade toebrengen aan distributeurs (handelaren, galerieën of veilinghuizen), aan de oorspronkelijke maker, aan deelnemers aan de kunstmarkt (kopers), aan de verzekeringssector (vanwege stijgende premies), en uiteraard aan de oorspronkelijke eigenaar.[18] Zo kan er een domino-effect ontstaan: een ogenschijnlijk klein vermogensdelict kan leiden tot een transformatie en verstoring van de markt.

Uiteraard zijn hierover juridische bepalingen ontwikkeld. In de Verenigde Staten wordt kunstdiefstal ontmoedigd door wie er bewust aan deelneemt strafbaar te stellen, en door eigenaren de mogelijkheid te bieden om een civielrechtelijke procedure op te starten om hun eigendom terug te vorderen.[19] Door de globalisering en de grijze zones ontstaan er spanningen. Enerzijds wordt de vrije handel in kunst en culturele objecten breed gepromoot en is het een legitieme sector, anderzijds maken de opaciteit en de langdurige circulatie van illegale objecten (met name in de antiquiteitenhandel) criminele activiteiten eenvoudiger, terwijl herstelprocessen, zoals restitutie en repatriëring, steeds complexer worden.[20]

 

Toevoer

Nauw verwant met diefstal is ‘toevoer’. In studies over databanken blijkt dat de handhaving van kunst- en erfgoedcriminaliteit voornamelijk georganiseerd is rondom politiepraktijken die gestuurd worden door data. Organisaties als Interpol functioneren als ‘inlichtingenmakelaar’, en handhaving houdt in dat kennis wordt verspreid, zonder dat er echt sprake is van proactieve politiecapaciteit.[21] Interpol is sterk afhankelijk van lidstaten om inlichtingen aan te leveren. Daardoor zijn de databanken niet representatief voor de hoeveelheid gestolen kunst- en cultuurgoederen, wat het gemakkelijker maakt om talloze gestolen objecten opgemerkt te laten opduiken op de legale kunstmarkt.[22]

Vanuit dit perspectief verzorgen criminelen de toevoer van illegale kunstwerken en objecten die relatief ongezien de legale kunstmarkt betreden. Dit proces is uiteraard gemakkelijker voor antiquiteiten, aangezien illegale opgravingen en plunderingen bijna altijd in de obscuriteit plaatsvinden. Als je immers niet weet dat iets illegaal is opgegraven, kun je het ook niet als gestolen registreren. In veel rechtsgebieden blijft het evenwel illegaal om kunst- en cultuurgoederen te exporteren zonder vergunning. Kunstwerken die van particulieren of organisaties worden gestolen, vinden daarom moeilijker hun weg naar de legale markt.

Herkomstonderzoek is meestal een vereiste bij het kopen en verkopen van kunst- en cultuurgoederen, waardoor het makkelijker lijkt om te bepalen of een werk een clandestiene achtergrond heeft.[23] Soms is de herkomst van objecten niet goed te traceren en kan er geen volledig beeld worden gegeven. Omdat er geen duidelijke en algemeen geaccepteerde richtlijnen voor herkomstonderzoek zijn, kan de kwaliteit van herkomstgegevens verschillen. Op de European Fine Art Fair (TEFAF) in Maastricht werd in 2024 bijvoorbeeld een sandelhouten kistje te koop aangeboden, met als herkomst de ‘kunstmarkt van het Verenigd Koninkrijk’. Dat betekent niet dat er geen aanvullende data beschikbaar zijn, noch dat het werk een clandestiene achtergrond heeft. Het zegt wel iets over de vaak summiere informatie waar een potentiële koper het mee moet stellen. Daarnaast worden grote inbraken – zoals de inbraak in januari in het Drents Museum in Assen, de juwelenroof tijdens TEFAF in 2022, of de diefstal van zeven kunstwerken uit de Kunsthal Rotterdam in 2012 – vaak breed uitgemeten in de media, zodat het vrijwel onmogelijk wordt om deze objecten nog te verkopen.

Kopers van hedendaagse kunst waarvan de maker nog leeft zijn waarschijnlijk minder geneigd om de eigendomsgeschiedenis te onderzoeken. Nochtans bestaat er een legitimeringspraktijk aan de hand van herkomstonderzoek, en de meeste verkopers vertrouwen op institutionele bronnen zoals – opnieuw – de gerenommeerde galeries, veilinghuizen, verzamelaars en handelaren. Verschillende curatoren en verzamelaars hebben aangegeven dat zij databanken slechts zelden gebruiken, en dat vertrouwen in zakelijke partners zwaar meeweegt in het nemen van beslissingen. Dat vertrouwen kan ertoe leiden dat illegale kunstwerken toch hun weg vinden naar de legale markt, en zodra een gestolen object via een legitieme verkoop is doorverkocht, wordt het moeilijk om het terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar.

 

Fraude en manipulatie

Hoewel vervalsingen veelvuldig voorkomen in de populaire verbeelding, zijn ze in de kunstmarkt relatief zeldzaam. Toch gaat het om een brede categorie met uiteenlopende vormen van criminaliteit. Vervalsen kan verwijzen naar de directe reproductie (kopie) van een bestaand kunstwerk of cultuurgoed, maar ook naar het creëren – en willen verhandelen – van een werk in de stijl van een kunstenaar of van een cultuur. Tevens worden vervalsingen regelmatig, onterecht, als origineel aangeboden. Criminologen spreken daarom eerder van kunstfraude: het geeft duidelijker aan dat er sprake is van misleiding, dat de vervalser of de verkoper daarvan op de hoogte was, en dat een slachtoffer daadwerkelijk schade heeft ondervonden.[24]

Het probleem doet zich vooral voor wanneer kopieën worden verkocht als originelen of wanneer ‘onontdekte’ kunstwerken worden aangeboden. Bovendien komt ook het vervalsen en frauduleus opstellen van herkomstdocumenten veelvuldig voor, zeker in relatie tot cultuurgoederen. Dergelijke praktijken beïnvloeden de kunstmarkt, onder meer door het probleem van adverse selection. Wanneer kopieën opzettelijk op de markt worden gebracht, ontstaat er informatieasymmetrie: één partij, de verkoper, heeft meer kennis over het vervalste object dan de andere partij, de koper. Uiteindelijk kan dat resulteren in marktverstoring of zelfs in een markt die uitsluitend bestaat uit ‘twijfelachtige’ objecten, wanneer eigenaren van originele of ‘legitieme’ werken zich uit de markt terugtrekken of zich uitsluitend nog bezighouden met een bepaald, eventueel illegaal segment.[25]

Ook manipulatie komt voor, met name in relatie tot authenticiteit en originaliteit.[26] Op de antiquiteitenmarkt worden grote inspanningen geleverd om ‘objectbiografieën’ te creëren, te onderhouden en te verkopen, om de geloofwaardigheid van zowel het object als van de verkoper te vergroten – en uiteraard om de economische waarde ervan te verhogen. Historische waarde speelt een cruciale rol, net als de bijbehorende ‘connectie’ met het verleden.[27] Dit is vooral relevant voor antiquiteiten, waarvan de culturele waarde, de kwaliteit en de uiteindelijke marktprijs vooral door ‘authenticiteit’ bepaald worden. Objecten worden echter vaak beschreven aan de hand van culturele referenties en niet op basis van hun geografische of historische context. Dit is problematisch, want de complexiteit van de geschiedenis van het object en van de betrokken gemeenschappen kan eronder lijden, terwijl ook de verplaatsingen en herbestemmingendie het object heeft ondergaan buiten beeld kunnen blijven.[28] Over het algemeen wordt het wetenschappers afgeraden om te verwijzen naar kunstwerken en objecten zonder gedocumenteerde herkomst of oorspronkelijke context, omdat het illegaal verworven materialen kan legitimeren en de marktwaarde ervan kan verhogen. Desondanks blijft deze praktijk bestaan, en objecten die in eerste instantie niet als handelswaar waren bedoeld, worden er in de ogen van verzamelaars aantrekkelijker door.

 

Globale perspectieven

Hoewel ook andere markten vatbaar zijn voor criminaliteit en al de voorgenoemde problemen, is de externe regulering van de kunstmarkt zo beperkt dat organisaties die normaal gesproken handelsmarkten reguleren – zoals toezichthoudende instanties, ombudsmannen en wetshandhavingsinstanties – grotendeels afwezig zijn.[29] Desondanks bestaat er wet- en regelgeving die gericht is op het beperken van risico’s, zoals de verplichting om betalingen boven de tienduizend euro te registreren.[30]

De kunstmarkt wordt nog steeds voornamelijk gereguleerd door gedragscodes en algemene juridische bepalingen over zaken als diefstal, fraude en heling. In de praktijk is de capaciteit van de politie om in te grijpen beperkt. Hoewel een aanzienlijk aantal private organisaties betrokken zijn bij de beveiliging en bestrijding van kunstgerelateerde misdrijven – zoals beveiligingsbedrijven en particuliere verzekeraars – die proberen dit ‘regelgevingshiaat’ op te vullen (en er financieel van te profiteren), behandelen ze meestal slechts een beperkt aantal zaken.

Ondanks de aandacht voor kunstcriminaliteit in academisch onderzoek, blijven studies naar de handhaving en preventie van de grijze kunstmarkt en de illegale handel gefragmenteerd, zijn ze gebonden aan disciplinaire kaders en blijven ze vooral gericht op kunstmarkten in Europa, de Verenigde Staten en Australië.[31] Gebieden die niet tot deze regio’s behoren, maar die traditioneel in verband worden gebracht met de illegale kunst- en cultuurhandel, zijn minstens even belangrijk, zoals gebieden binnen Europa (bijvoorbeeld Cyprus en Griekenland), landen in Latijns-Amerika (Brazilië, Chili en Peru), Zuidoost-Azië (Cambodja) en Afrika (Zuid-Afrika en Nigeria). Zowel voor beeldende kunst als voor antiquiteiten is de kans op teruggave het grootst wanneer de objecten binnen hetzelfde rechtsgebied worden ontdekt. De tegenstrijdige en betwiste betekenissen en interpretaties van deze objecten vereisen bovendien een interdisciplinair perspectief om te begrijpen hoe misdrijven moeten worden gereguleerd en gecontroleerd. Er moet rekening worden gehouden met zowel lokale als diverse perspectieven, en niet enkel van marktdeelnemers.

Veelal wordt de illegale handel in cultuurgoederen omschreven als een regionaal probleem, maar door de toegenomen internationalisering binnen de kunst- en erfgoedhandel betreft het juist vaker dan niet een transnationalevorm van criminaliteit. Dit maakt dat de preventie en aanpak van de illegale handel bij uitstek een taak is van ‘traditionele’ marktregio’s zoals Noord-Amerika, Europa en Australië. In de zogeheten ‘bronregio’s’ – een controversiële term – bestaat er wet- en regelgeving en is er een veelvoud aan actoren die zich bezighouden met politiezorg op het gebied van cultuurgoederen.[32] Een goed voorbeeld is Latijns-Amerika, waar kunst- en erfgoedcriminaliteit vaak gereguleerd worden binnen een ‘pluraal’ systeem: meerdere partijen voorzien in veiligheid en regulering, niet enkel ‘traditionele’ actoren zoals de politie, maar ook publieke, private en gemeenschapsgerichte organisaties. In tegenstelling tot marktdeelnemers die zelfregulerende symbolische veiligheidsbubbels creëren om economische risico’s te beperken, ontwikkelen sommige van deze actoren zelfbesturende organisaties om hun culturele identiteit te beschermen en te behouden.[33]

De Ma’u Henua-gemeenschap op Rapa Nui (‘Paaseiland’) woont bijvoorbeeld officieel op Chileens grondgebied, maar het erfgoed en het nationaal park zijn in handen van de gemeenschap zelf, die autonoom beslissingen neemt over bewaren en conserveren. In samenwerking met de Consejo de Ancianos (‘Raad van Ouderen’) worden ook verzoeken tot restitutie en repatriëring geïnitieerd en onderhandeld. Dat is uniek, omdat dergelijke onderhandelingen, vooral met betrekking tot rijkscollecties, doorgaans exclusief tussen staten plaatsvinden. Het benadrukt het spanningsveld tussen kunst en cultureel erfgoed: voor de een draait het om een economisch risico, voor de ander om het behoud van individuele en gemeenschappelijke identiteit en erfgoed. Daarom is verder onderzoek naar kunst- en erfgoedcriminaliteit, illegale handel en illegale markten dringend nodig, inclusief onderbelichte perspectieven. Alleen dan kan een volledig beeld ontstaan van de illegale kunst- en erfgoedmarkt en de reguleringspraktijken, voorbij sensatiezucht en populaire verbeelding.

 

Noten

1. Olav Velthuis, ‘Art Markets’, in: Ruth Towse (red.), A Handbook of Cultural Economics. Second Edition, Cheltenham, Edward Elgar Publishing, 2011, p. 33.

2. Diane Crane, ‘Reflections on the Global Art Market. Implications for the Sociology of Culture’, in: Sociedade e Estado, nr. 24, 2009, pp. 331-362.

3. Ian Robertson, Understanding International Art Markets and Management, Londen, Routledge, 2005.

4. Op. cit. (noot 1), p. 35.

5. Ben Lewis, The Last Leonardo. The Secret Lives of the World’s Most Expensive Painting, Londen, Ballantine Books, 2019.

6. Ian Robertson, Understanding International Art Markets and Management, Londen, Routledge, 2005.

7. Donna Yates, Neil Brodie, ‘The Illicit Trade in Antiquities is Not The World’s Third-Largest Illicit Trade. A Critical Evaluation of A Factoid’, in: Antiquity, nr. 97, 2023, pp. 991-1003.

8. Simon Mackenzie, Donna Yates, ‘What is Grey about The ‘Grey Market’ in Antiquities’, in: Jens Beckert, Matías Dewey (red.), The Architecture of Illegal Markets. Towards an Economic Sociology of Illegality in the Economy, Oxford, Oxford University Press, 2017, pp. 70-86.

9. Evelien Campfens, ‘Whose Cultural Objects? Introducing Heritage Title for Cross-Border Cultural Property Claims’, in: Netherlands International Law Review, nr. 67, 2020, pp. 257-295.

10. Op. cit. (noot 8).

11. Naomi Oosterman, Simon Mackenzie, Donna Yates, ‘Regulating the Wild West. Symbolic Security Bubbles and White Collar Crime in the Art Market’, in: Journal of White Collar and Corporate Crime, nr. 3, 2021, pp. 7-15.

12. Op. cit. (noot 1), pp. 40-41.

13. Ibid.; Op. cit. (noot 11), pp. 7-15; Op. cit. (noot 2), pp. 331-362.

14. Ibid.; Anja Shortland, Andrew Shortland, ‘Governance Under the Shadow of the Law. Trading High Value Fine Art’, in: Public Choice, nr. 184, 2020, pp. 157-174.

15. Op. cit. (noot 11), pp. 7-15; Jelle Jaspers, ‘Strong by Concealment? How Secrecy, Trust, and Social Embeddedness Facilitate Corporate Crime’, in: Crime, Law and Social Change, nr. 73, 2020, pp. 55-72.

16. John Conklin, Art Crime, New York, Praeger, 1994, p. 2.

17. Naomi Oosterman, Francesco Angelini, Massimiliano Castellani, ‘Before the Hammer Falls. An Empirical Analysis of the Market reaction to Art Thefts’, in: European Journal of Law and Economics, nr. 59, 2025, pp. 77-100.

18. John Kerr, The Securitization and Policing of Art Theft. The Case of London, Londen, Routledge, 2015.

19. Patty Gerstenblith, ‘Provenience and Provenance Intersecting with International Law in the Market for Antiquities’, in: North Carolina Journal of International Law, nr. 45, 2019, pp. 457-496.

20. Naomi Oosterman, Donna Yates, ‘Policing Heritage Crime in Latin America’, in: Revista de Direito Internacional, nr. 17, 2020, pp. 275-290.

21. Richard Victor Ericson, Kevin Haggerty, Policing the Risk Society, Toronto, University of Toronto Press, 1997.

22. Laurence Massy, ‘The Antiquity Art Market. Between Legality and Illegality’, in: International Journal of Social Economics, nr. 35, 2008, pp. 729-738.

23. Vicki Oliveri, Glenn Porter, Chris Davies, Pamela James, ‘Art Crime. The Challenges of Provenance, Law and Ethics’, in: Museum Management and Curatorship, nr. 37, 2022, pp. 179-195.

24. Kenneth Polk, ‘Fakes and Forgeries in Art, and the More Specific Term ‘Art Fraud’. A Criminological Perspective’, in: Oxford Research Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice, 22 december 2016.

25. George Akerlof, ‘The Market for Lemons. Quality Uncertainty and the Market Mechanism’, in: Quarterly Journal of Economics, nr. 84, 1970, pp. 488-500.

26. Federica Vila, ‘Authentically Exotic and Authentically Beautiful. Constructing the Authenticity of Peruvian Antiquities at Sotheby’s and eBay’, in: Naomi Oosterman, Donna Yates (red.), Crime and Art. Sociological and Criminological Perspectives of Crimes in the Art World, Cham, Springer, 2021, pp. 135-151.

27. Donna Yates, ‘Illicit Cultural Property from Latin America. Looting, Trafficking,

and Sale’, in: France Desmarais (red.), Countering Illicit Traffic in Cultural Goods. The Global Challenge of Protecting the World’s Heritage, Parijs, ICOM, 2015, pp. 33-46.

28. Op. cit. (noot 26).

29. Op. cit. (noot 11), pp. 7-15.

30. Ibid.; Maja Dehouck, ‘Balancing Markets, Morals and Law. The Fight to Regulate Illicit Trafficking in Cultural Goods and the EU Regulation on the Import of Cultural Goods’, in: Art Antiquity & Law, nr. 24, 2019, pp. 1-38.

31. Duncan Chappell, Saskia Hufnagel (red.), Contemporary Perspectives on the Detection, Investigation and Prosecution of Art Crime. Australasian, European and North-American Perspectives, Surrey, Ashgate, 2014.

32. Op. cit. (noot 20), pp. 275-290.

Kunstenaars, critici, amateurs en handelaars

Het grote publiek weet meestal niet veel van de kunstwereld af, en vormt zich van die wereld, onder invloed van een speciale, vaak tendentieuze literatuur, een overtrokken, zij het ook incompleet beeld. Ik beweer niet dat mensen er helemaal onkundig van zijn (er wordt sowieso genoeg over gepraat!), maar ze kennen de kunstwereld slecht, vooral de ins en outs ervan. Want hun nieuwsgierigheid – die van de massa, welteverstaan – wordt vooral verleid door de ophef die bepaalde kunstenaarsnamen omringt. Ze zonderen die af ten koste van andere namen met minder weerklank, en nemen ze over, waarbij ze zich uitsluitend verlaten op de aarzelingen van een slappe, vagelijk comparatieve kritiek en bij voorbaat gewonnen zijn voor de conclusies van het geschreven artikel. Verbazingwekkend is dat niet, want van lieden die niet speciaal begaafd of gevoelig zijn, kan je moeilijk verwachten dat ze het soort intuïtief inzicht hebben in het geheimzinnige proces waardoor de emotie van de schilder, met louter vormentaal en kleurentaal, zich aan de kijker hecht, hem doordringt en overtuigt.

De afmetingen van het doek en het onderwerp van de voorstelling waren lang datgene wat de menigte in eerste instantie staande hield, en op een tentoonstelling wees het samendrommen van bezoekers bij werken die aan een van die voorwaarden beantwoordden uit de verte gezien op succes. Waren beide voorwaarden in één werk vervuld, dan werd het succes een triomf. Het gevolg was dat kunstenaars die méér gaven om hun luidruchtige reputatie dan om waarachtig aanzien gemakkelijk spel hadden, en te oordelen naar het toenemende aantal grandes machines, grote pompeuze doeken, heeft het voorbeeld duchtig navolging gekregen. Hele slierten namen moesten jaar in, jaar uit worden toegevoegd aan de toch al overladen kennis van het goede publiek, dat algauw geërgerd raakte en zich afkeerde. Tegenwoordig leveren grandes machines nauwelijks nog iets op, spontaniteit is in de plaats gekomen van moeizame atelierarbeid, en het soms geestdodende maar eerlijke geploeter is vervangen door heftige, gejaagde kunst, die tussen de visie van de kunstenaar en de verwezenlijking van die visie op het doek alleen nog de tijd verdraagt die het kost om de verf aan te brengen. Het is telegrafische schilderkunst, zonder bemiddeling van de rijpingsfase, het idee wordt vastgelegd zodra het ontstaat, het penseel keert nooit op zijn schreden terug.

In de lange keten van de Franse kunst was deze kunstopvatting de impressionistische schakel. Aan zoveel andere meesterwerken uit het verleden heeft die heel wat nieuwe toegevoegd, en een stuk of vier kunstenaarsnamen die de tijd trotseren.

Daarna kwamen het opbod en het gedrang. Zoals een fanfarekorps eerst wordt gevolgd door een ordelijke stoet die netjes in de pas loopt en daarna door een rumoerige menigte zonder ook maar enige vaste cadans, zo zagen we in de Salons met hun periodieke tentoonstellingen, en vanuit de Salons in de kunstwinkels, en vanuit de kunstwinkels tot bij de ‘Amateur’, een razende lawine van onbeteugelde instincten en persoonlijkheden, in opstand tegen alles in het algemeen en tegen eenieder in het bijzonder. Dit epische, niet oninteressante kabaal duurde een jaar of vijf, vervolgens ging de storm liggen, en van al die onstuimige golven, die stuk voor stuk geen ander doel leken te hebben dan het overheersen van de golf ernaast, bleef algauw niet veel meer over dan een beschaafd klotsen, dat zelf spoedig vermoeid raakte en alleen nog wilde inslapen. We leven snel tegenwoordig, en de fakkelloop doet zich voor als een steeplechase met een drager die snel buiten adem is. Nauwelijks begon het publiek sommige meer notoire figuren onder deze aanhangers van de anarchie te slikken, of de fakkel werd overgenomen en opnieuw geheven door de voorstanders van orde, die deze chaos op een nieuwe leest meenden te moeten schoeien.[1] Maar ook deze ordelievenden waren geduchte spitsbroeders, nazaten van Robespierre en Saint-Just, puriteinse, opvliegende lieden die, gewapend met de revolutionaire driehoek, bij gebrek aan een valbijl onverbiddelijk het mes zetten in levend vlees.[2] Met hen werd de theorie oppermachtig, ze kondigden alleen nog voorschriften en leuzen af. De zachte gebogen lijn, de fantasierijke, kronkelige curve die al eeuwenlang uitdrukking gaf aan vrouwelijke gratie, aan het weelderige van lichamelijke welvingen, van de hemel en van rijpende akkers, werd veroordeeld en geëxecuteerd. Alleen de rechte lijn, de onberispelijke, onbuigzame rechte lijn achtte men waardevol. Is dat immers niet de kortste weg van A naar B? Met de rechte lijn weet je waar je aan toe bent, je bevindt je in de logica, en via het kanaal van de rechte lijn beroert het idee rechtstreeks, zonder afmattend geslenter, de zenuwreceptoren van de toeschouwer.

Ha, die zenuwreceptoren, hebben die me een opdoffers te verstouwen gekregen! En dat ze sinds een jaar of dertig weerstand hebben kunnen bieden aan zo’n grote hoeveelheid prikkels en dwang, dat ze zoveel elkaar opvolgende of overlappende modes hebben kunnen overnemen, dat ze, soms binnen één seizoen, van de zachte naar de krachtige manier en van verleidelijke kittelingen naar schokkende ‘zekerheidsexpressies’ hebben kunnen overgaan; dat ze niet beurs geslagen zijn, dat ze nog méér willen en dat ze er maar geen genoeg van kunnen krijgen, dat alles mag verbazingwekkend heten! Op den duur vraag je je af welk tovermiddel ervoor zorgt dat de smaak van een generatie heen en weer kan slingeren tussen dermate uiteenlopende, onsamenhangende impulsen, en zich passief laat toetakelen, zonder in opstand te komen, soms zelfs met krampachtige spiersamentrekkingen die doorgaan voor begeestering en plezier.

Aan het onderzoek van dit mysterie nemen wij ons voor hier enkele bladzijden te wijden. Zo ondoorgrondelijk is het trouwens niet, het is zelfs doodsimpel, al moeten we wel de puntjes op de i zetten. Zoals het ‘Mirakel van de Marne’ geen mirakel was, maar het gewone resultaat van een verhevigde collectieve inspanning, zo is het mirakel van het publiek dat gedwee alles slikt wat het wordt voorgehouden niets anders dan de vrucht van de inspanning van drie personages, die uit een gedeeld, gemeenschappelijk belang hun handelen op elkaar afstemmen.[3]

Het gaat om de criticus, de handelaar en de ‘Amateur’. Laten we eens kijken hoe het mechanisme van hun combinatie werkt.

Hier hebben we een schilder – ik kies een ideaaltype, edoch ideaal tot in het onwaarschijnlijke: hij is eigentijds, hij volgt de allerlaatste trend, of liever de voorlaatste, want in het vak is het babygehuil van een opvolger te allen tijde hoorbaar. Deze schilder, die vol geestdrift en overtuiging zijn kunst beoefent, is door en door belangeloos, hij schildert om te schilderen, is een strikte bewonderaar van de idee, en zijn ongerepte werken slapen au grand complet in de stilte van zijn atelier. Omdat hij enkel door zuivere motieven wordt bezield en omdat hij begenadigd is, vertegenwoordigt elk werk dat hij maakt een vooruitgang ten opzichte van het vorige, of dat is althans het streven. Beetje bij beetje heeft zijn artistieke visie zich verbreed, heeft zijn hand zich verbeterd, heeft de vorm zijn kleur gevonden of de kleur zijn vorm. Hij drukt zich kortom uit. Dan stelt hij dapper tentoon. Maar zijn schilderij, dat in elk opzicht nieuw is, lijkt in niets op wat eraan voorafging. De woorden die geëigend zouden zijn om het te beschrijven zijn dus niet ingeburgerd; de kritiek, verstoken van vocabulaire, staat met lege handen; en wat ze niet begrijpt, kraakt ze in alle loyaliteit af.

Ik zeg loyaliteit en ik zeg het met klem, want wat moet je anders? Loven zonder te geloven zou oneerlijk zijn, en hoe kan je van mensen die worden geacht iets te begrijpen verwachten dat ze hun onbegrip bekennen? Daarmee zouden ze toegeven dat ze ongeschikt zijn voor hun werk, hun lezers teleurstellen en hun baan riskeren. Dus kraken ze af, dat is wel zo gemakkelijk. Als het afkraken goed gebeurt, biedt het overal een antwoord op. Ten eerste kapt het elke discussie af, en als het een beetje hooghartig klinkt, wat de beproefde methode is, geeft het de afkraker een superieur kantje waarmee het prettig uitpakken is. Je kan zelfs, mits je de toon weet te treffen, glashard verklaren: ‘Begrijp ik niks van!’, maar dat vergt wel enige oefening. Wordt het op de juiste toon gezegd, dan begrijpt de lezer meteen dat de criticus die ‘Begrijp ik niks van!’ zegt, het eigenlijk heel goed begrijpt, en dat wat hij begrijpt slechts voor hem begrijpelijk is.

Slimmeriken – want je moet altijd op de toekomst voorbereid zijn – zeggen daar dan graag bij: ‘Jammer! Want de maker heeft veel talent – hij vergist zich, maar hij heeft veel talent.’ Zo is de achterhoede gedekt, nu kan je rustig afwachten. Dergelijke uitspraken maken steevast iedereen blij; het publiek (nog steeds de massa) gelooft het omdat het gedrukt staat, goedgelovigheid is het publiek aangeboren, en zelfs de schilder, die arme sloeber, is er verguld mee, dankzij een paar pluimpjes die kunstig aan de doornen van het vonnis zijn toegevoegd.

Sommige lieden doen het nog beter, behoedzaam als ze zijn. In plaats van nadrukkelijk voet te geven aan hun verontwaardiging, houden ze zich in, schipperen ze, zeggen ze: ‘Wel, wel!’, vinden ze dat er iets goeds, dat er veel goeds aan is, maar dat het als geheel niet deugt. Uiteindelijk komen ze op hetzelfde resultaat uit als de vorigen, maar ze smukken hun standpunten op met een vaag voorhoedegeurtje, dat nog van pas kan komen. Een derde categorie, de critici van de extreme avant-garde, die doorgaans schrijven in weinig gelezen bladen, winden er minder doekjes om, maar ze hebben dan ook minder te verliezen. Ook hun epitheta zijn onbehouwen, maar in bewonderende zin; van alle termen die ze bezigen is ‘genie’ nog de meest fletse. Bijzonder aan dit gedenkwaardige woord is dat het aan zichzelf genoeg heeft en geen enkel commentaar behoeft, en daarom komt het in elke regel voor, ondervangt het elk bezwaar, dient het tegelijk als titel, proloog en epiloog.

Misschien vindt de lezer bovenstaand oordeel wat kort door de bocht en onbeholpen. Ik ben het daarmee eens; wie zou durven beweren met deze ruwe schets het onderwerp uitputtend te hebben behandeld? Er zijn hier eindeloos veel nuances, want bij de critici heb je ook zeer wakkere geesten, onder de beste, geïnformeerd, leergierig, vervuld van de beste bedoelingen, die hun oordelen zo goed mogelijk motiveren. Wat niet wegneemt dat ze in het huidige geval – dat natuurlijk nog steeds ideaaltypisch is – onthand en uit het lood geslagen zijn, omdat het tegendeel onmogelijk is. In hun belang zullen we de toon van het voorafgaande dus een octaaf laten dalen en omhullen met bedachtzame eufemismen; maar ook vrij van zulke bittere kwalificaties of getooid met mildere bewoordingen blijft de grond van de zaak onveranderd. Niemand kan zich stante pede een pasklaar oordeel vormen en het juiste perspectief aanbrengen bij een werk dat uit een nieuwe artistieke visie is ontstaan, dat met afwijkende middelen wordt uitgedrukt en onvoorbereid het daglicht ziet.

Wat gebeurt er nu…? Onze schilder is opgejaagd wild. Hij kent het genoegen tegelijkertijd te worden bewierookt en te worden verguisd, door even deskundige pennenridders, die via een verfijnde argumentatie feilloos van een identiek uitgangspunt tot die tegenstrijdige conclusies komen. Er wordt kortom over hem gepraat. Terwijl dit spel gaande is, ontluikt de belangstelling van specialisten, en op een mooie ochtend ziet de schilder een voorname heer de trappen naar zijn zesde verdieping opklimmen.

Hier treedt de handelaar voor het voetlicht. De variëteit van de handelaarssoort is oneindig, en nog lang niet alle specimina zijn geclassificeerd; deze regels hebben niet tot doel om daarin te voorzien, maar slechts om hun rol vast te leggen als deel van de drieledige associatie waarvan eerder sprake was.

Omdat het inmiddels over zaken gaat, heeft de handelaar het niet-aflatend over kunst. Hij begint met het etaleren van zijn kennis, citeert namen, bezigt vaktermen, schroomt er niet voor te poseren als kunstbroeder, en als zijn deskundigheid eenmaal is gebleken, bedelft hij de schilder onder loftuitingen en bewondert hij alles wat hem wordt getoond, het geheel en het detail, door elkaar heen. Wanneer de handelaar meent dat die laatste, wiens oren tuiten bij al die lof, rijp is, doet hij, met de hand op het hart, de plek waar ook zijn portefeuille zit, een globaal bod ‘voor het hele pakket’. Omdat hij doorgaans behoeftig is, wankelt de vergeestelijkte schilder bij het horen van een totaalbedrag dat ettelijke nullen bevat, hij zwicht, en daar doet hij goed aan, laten we dat er meteen bij zeggen, want schilderkunst begint pas echt te leven als ze circuleert, de werkelijke kunstwaarde ervan kan pas ver van de schildersezel worden vastgesteld.

Over die waarde wordt intussen niet meer gesproken. ’s Middags wordt alles wat het atelier bevat door een handkar verhuisd, en de schilder komt tussen zijn lege muren tot bezinning.

Laat het eens en voor al duidelijk zijn, en dit geldt evengoed voor de handelaar als voor de criticus, voor de kunstenaar als voor de amateur: we willen geen absolute oordelen vellen; de handelaarssoort is, net als elke soort, ongemeen divers, en reikt van de boerenkinkel tot de stijlbewuste, zeer gegoede burger. Maar de manieren van doen mogen dan uiteenlopend zijn – en er zijn ook fijngevoelige bij – het wezen blijft onveranderd, dat varieert niet. In vijf minuten gaat de vrucht van jarenlange, akelig nauwgezette arbeid over in andermans handen, in ruil voor een som gelds, of, vaker, voor de belofte van een som gelds.

Daar valt niets op aan te merken. De handel in kunstwerken is een handel als elke andere handel, en voor reserves aan sentiment, hoe smartelijk die bij de kunstenaar soms ook zijn, is daarin geen plaats. Laten we dus volgen wat er met het schilderij gebeurt.

Bij aankomst wordt het ‘pakket’ geregistreerd, vervolgens verdwijnt het linea recta naar het souterrain, waar het zich bij andere pakketten voegt, en dat is dat. Die toestand duurt maanden of jaren, al naargelang hoe voorspoedig de naam van de schilder zich vestigt, maar met het verstrijken van de tijd verandert er niets aan de zaak. Integendeel, hoe langer de marchandise wacht, hoe beter; in de kelder doet ze net als wijn, ze rijpt.

De schilder heeft zijn arbeid hervat, ietsje ruimer voorzien van geld en hoop; maar de criticus, wiens rol het is alles te weten, heeft lucht gekregen van de zaak, en deze akte, waarmee een verplaatsing van gelden gemoeid was, lijkt hem aangewezen om vastere vorm te geven aan zijn vooralsnog wazige overtuiging. Hij besluit dus een en ander van dichterbij te gaan bekijken – ‘Je ziet alles zo slecht op tentoonstellingen!’ – en hij gaat naar de handelaar.

Die voelt dadelijk hoe waardevol de versterking is. Het hele pakket wordt uit de krochten opgediept, ze tasten elkaar af en elk probeert bij de ander een licht op te steken dat hijzelf ontbeert. Al doende spuien ze wilde gissingen, de gemoederen raken verhit, en omdat er van weerskanten goede wil is en een gemeenschappelijk verlangen, gaat het hard; algauw staven ze hun eigen geestdrift met de geestdrift die ze aan de ander toeschrijven, en om het luidst roepen ze de meest definitieve woorden, met als gevolg dat het debat na verloop van een halfuur wordt beëindigd op een toon van apotheose.

Daarna waagt men het erop een doek uit te stallen in de vitrine.

Vanaf dat moment doet de mondreclame zijn werk, dat is de taak van de criticus, daar is hij mee vertrouwd. Bij gelegenheid wordt hij afgelost door vrijwillige ondergeschikten, en verder zijn er de kameraden van de schilder, die broederlijk op het trottoir hebben postgevat, waar hun goedkeurende gesticulaties bij de goegemeente niet onopgemerkt blijven. Anderen steken er de draak mee, onverschillige voorbijgangers staan stil, en omdat iedereen prat gaat op z’n deskundigheid, krijgt het doek dat daar aan de kaak wordt gesteld fraaie zaken te horen.

Ten slotte meldt zich een amateur.

Hier eerst een uitweiding. Je hebt de amateur en de Amateur.

De amateur zonder hoofdletter is iemand die gewoon van schilderkunst houdt, die ervan houdt omwille van de schilderkunst en omwille van de vreugden die hij eraan beleeft; hij denkt er steeds aan, hij is erdoor bezeten; hij brengt zijn zondagen in het Louvre door en mist geen Salon en geen tentoonstelling. Uiteraard is hij goed geïnformeerd, al hoeft hij ter zake ook niet altijd bijzonder kundig te zijn, want zijn smaak laat hem weleens in de steek, maar hij is te goeder trouw en voor verbetering vatbaar. Vaak is hij niet bijzonder vermogend, – maar er zijn gelukkige uitzonderingen – en daardoor is de aankoop van een schilderij voor zijn reeds belaste budget een belangrijke zaak. Tienmaal keert hij terug om het object van zijn keuze te zien. Hij neemt elk detail onder de loep, bekijkt het bij elke belichting, draait het om, en maakt zich druk om de vraag of het deugdelijk en duurzaam is uitgevoerd, of het linnen en het frame van goede kwaliteit zijn; hij blijft maar vergelijken, aarzelt tussen tien, dan tussen twee werken, geniet uiteindelijk van al die kwellende besluiteloosheid die hem naar het hoofd stijgt. Ligt zijn keuze eenmaal vast, dan moet, voordat tot de aankoop wordt overgegaan, ook zijn vrouw het schilderij nog zien, en de discussie begint weer van voren af aan: over het geheel, over de maten en over de plek waar het moet hangen, en de lijst! Als het laatste bod ten slotte is aanvaard, betaalt de goede man en neemt hij het doek onder zijn arm mee naar huis.

Thuisgekomen wordt de opinie van alle vrienden en verwanten gepeild, zelfs de huishoudster geeft haar mening, en zodra duidelijk is waar het moet komen, hangt men het schilderij op.

Wordt het onder dergelijke omstandigheden aangekocht, dan mag het zich geliefd noemen om zichzelfs wil. Het behoort nu tot de familie, men is er trots op en men pronkt ermee. Algauw wordt er – net als voor kanaries – een metgezel voor gezocht, en de emotie begint van voren af aan.

Ik ken niets aandoenlijkers dan deze amateur – hij bestaat, ik heb zulke mensen gezien. Je vindt hem in zowat elke professie, maar artsen leveren naar mijn indruk een verhoudingsgewijs hoger aantal dan andere beroepsgroepen. Doorgaans koopt de amateur bij de handelaar, die hij aan zijn wisselgeld helpt, uit burgerlijke gewoonte, zoals hij zijn paraplu koopt bij de parapluverkoper. Hij komt maar zelden bij de schilder over de vloer, naar we mogen aannemen uit een zekere fijngevoelige schroom, waardoor hij niet vrijelijk zou kunnen praten; wanneer hij het wel doet, komt hij haast als vriend en wordt hij dat dikwijls ook.

Die amateur legt nu dus zijn hand op de deurkruk.

In het handelshuis is hij geen onbekende. Ze hebben hem in tien jaar tijd een stuk of vijf doeken verkocht, zorgvuldig gekozen maar matig geprijsd. Hij wordt gewaardeerd om zijn flair, maar veel winst wordt er van hem niet verwacht. Op zijn vraag: ‘Hebt u nog andere – laten we zeggen Durands – dan het werk dat in de vitrine staat?’ maakt het hart van de handelaar een sprongetje. Bedienden komen aangesneld en het hele pakket wordt andermaal uit de kelder opgediept.

‘Hoe épatant vindt u dit wel niet?’ zegt de handelaar, die de behoefte voelt om uiting te geven aan zijn kersverse geloof.

‘Buitengewoon, inderdaad,’ antwoordt de amateur, die voelt wat het getoonde met hem doet en hoe de verleiding al de kop opsteekt.

‘U hebt er uw zinnen op gezet, geloof ik?’ insinueert de handelaar, die weet dat tijd geld is, en omdat hij ook offers weet te brengen: ‘Niet duur!’

‘Hoeveel, deze hier?’

Dat overvalt de handelaar een beetje, want zijn prijslijst ligt nog niet vast, maar hij doet uit zijn hoofd een snelle berekening. In zijn kelder heeft hij vierenvijftig Durands waar hij 8000 franc voor heeft neergeteld; het aangeduide doek is van gering belang.

‘Voor u, achthonderd… maar tot die prijs verbind ik me uiterlijk tot morgen.’

Nu al begint in het hoofd van de amateur de demon zich te roeren. De strijd duurt niet lang; achthonderd franc is een luttel bedrag.

‘Ik neem hem.’

‘U doet een goede zaak.’

En het grappigste is dat dat klopt.

Een beetje ontroerd door deze bevlieging, neemt de amateur zijn aankoop mee.

Thuisgekomen zet hij het schilderij op een stoel, goed in het licht, en onderzoekt hij het diepgaander. Ook bij nadere inspectie blijft de eerste indruk overeind, de amateur wrijft zich verrukt in zijn handen.

‘Geef mij Cresus eens aan de lijn,’ zegt de handelaar zodra zijn klant is vertrokken.

Cresus is gelukkig thuis, en dan ontstaat deze dialoog: ‘Hallo, bent u dat, meneer Cresus?’

‘Ja.’

‘Ik heb iets voor u.’

‘Aha! Degelijke kost?’

‘Zéér.’

‘Groot?’

‘Nog niet.’

‘En wie?’

‘Durand.’

Een korte stilte, dan gaat Cresus verder: ‘Carolus?’[4]

‘Nee, nee!… Iets fonkelnieuws… Épatant!’

‘En degelijke kost, zegt u?

‘Reken maar.’

‘Aha!’

‘Wacht niet te lang, er komt schot in, en ik zou het graag eerst aan u willen tonen.’            ‘Dan kom ik.’

‘Uitstekend, ik wacht op u.’

We beweren niet dat het gesprek altijd zo vlot verloopt, maar we moeten nu eenmaal condenseren, en verder is er vaak meer waarheid te vinden in het aannemelijke dan in het ware. De essentie zit erin, daar gaat het om.

Twee uur later zet een schitterende limousine de amateur af voor de deur van de kunsthandel.

Dan rijst een episch personage op. De Amateur, fundament en sluitsteen van de machtige bedrijfstak die we hier proberen te schetsen. Zonder hem zou, in de wereld waar men leeft van de schilderkunst, niets mogelijk zijn van de situatie zoals die is; de dingen zouden zijn zoals ze waren in 1860, toen kunstenaars als aparte kaste vegeteerden in een halve bohème, zich schikten in hun berooidheid als was het een beroepsrisico, en ondanks alles een zorgeloos bestaan leidden. Handelaars zouden nog altijd winkelratten zijn die achter hun toonbank verscholen loerden naar ongewisse kopers, en die kopers zelf zouden lieve huisvaders zijn die af en toe voor hun vrouw over de brug zouden komen met ‘een aardig stukje voor haar verjaardag’, een gebeurtenis die, zoals iedereen weet, niet elke dag plaatsvindt.

De Amateur is dus een recente uitvinding, een hedendaags, fonkelnieuw product, maar de soort is bepaald overvloedig, en ook nog eens internationaal. ‘Kunst heeft geen vaderland’, en de Amateur al helemaal niet. Doorgaans ontspruit hij aan de wereld van het grote geld en de industrie, en zijn Amateurisme vormt daarvan een rechtstreeks verlengstuk. Je ziet ook amateurs die het voorbeeld willen volgen zich als Amateurs ontpoppen, maar dat is binnengaan via de achterdeur. Dat soort lieden heeft steevast een plebejisch geurtje dat de parvenu verraadt; er wordt wel naar hen geluisterd, maar met een vleug neerbuigendheid; het zijn geen geboren Amateurs.

Want, en dit is een van de merkwaardige kanten van de zaak, de Amateur is de vrucht van generatio spontanea. Een meneer die dertig jaar lang bretellen fabriceerde en in zijn hele leven nog geen schilderij had bekeken, ontwaakte plots als Amateur. Dat gebeurt doorgaans bij het naderen van het vijftigste levensjaar, zoals ook het Legioen van Eer rond die leeftijd wordt toegekend aan mensen die daartoe niet speciaal voorbestemd leken. En verder heeft de Amateur op de amateur voor dat hij, vooral als het om gesigneerde doeken gaat, geen nadere studie hoeft te doen om ze te begrijpen. Zijn ze niet gesigneerd, of hebben ze een onbekende firmanaam, dan houdt hij zich op de vlakte en laat hij de amateur aan het woord, wiens opinie de zijne zal worden, mits die tenminste door de handelaar wordt bevestigd, dat spreekt vanzelf. Je moet altijd op je hoede zijn voor vooroordelen of overhaaste indrukken.

Voor de kunstenaar heeft hij geen belangstelling, zijn gezondheidstoestand en zijn leeftijd daargelaten, maar hij wil best toehoren als de kunstenaar ter sprake komt en soms draagt hij aan de praatjes bij door goed belegde gulle gaven – dan wordt hij door de kranten als Mecenas betiteld. Nog een superioriteit van de Amateur is zijn besluitvaardigheid. Hier hebben we iemand die de deur bij de handelaar niet platloopt! Ten eerste komt hij alleen als hij wordt uitgenodigd, en verder koopt hij het liefst per telefoon, soms ‘ongezien’, maar dat komt alleen bij de héél grote voor. Sommigen verzuimen, als de zaak eenmaal beklonken is, hun handeltje af te halen; alweer een teken van aangeboren Amateurisme. Aan het gevoel eigenaar te zijn hebben ze genoeg, en de neiging om te koop te lopen met hun bezit is hun zozeer vreemd dat ze hun doeken vergeten in de kelders van oorsprong, waar hun ‘pakket’ naast het pakket van de handelaar staat, maar deugdelijk afgegrensd door waterdichte panelen en gecontroleerde handschriften.

De Amateur, en dat is misschien zijn hoofdkenmerk, belijdt een vorm van totale, ongeëvenaarde onthechting. Anders dan zijn piepkleine confrater, die voor zijn doeken de innige gevoelens van een suikerpapa koestert en al beeft bij de gedachte dat hij ze niet meer zal zien, weet hij zich los te maken van de zijne. Je hoeft niet bang te zijn dat hij zich ooit in het openbaar aan dat soort weeë sentimenten overgeeft…! Zijn ‘collectie’ hangt niet aan zijn muren, en hij hangt niet aan zijn collectie, die is voor hem even vervangbaar als ondergoed, je laat gewoon een verhuizer komen. Maar de operatie is niet altijd definitief; soms, vaak zelfs, is het domweg een kwade bui. Net als diva’s heeft meneer last van zenuwen. Kijk hem eens boos zijn! Hij heeft het gehad! Dan brengt hij het verwelkte object van zijn voorbije liefde opnieuw in circulatie, in casu terug naar de handelaar. Ik zeg niet dat hij het zomaar afzet en dat de handelaar het lukraak terugneemt; er zijn onvermijdelijk wat toestandjes, er vindt wat onderhands gesmoes plaats; maar dit alles is het geheim der goden!

In elk geval geeft de handelaar het geld niet terug. Omdat hij heel overtuigend uit de hoek kan komen en bovendien heel wat nog te placeren winkeldochters in voorraad heeft, omdat de Amateur bovendien niet onfeilbaar is, staat de conciërge van diens herenhuis behoorlijk vreemd te kijken als hij, op de avond van het avontuur, de verhuizers net zo veel of bijna net zoveel schilderijen omhoog ziet zeulen als ze die ochtend hebben meegenomen.

Is de onenigheid ernstig en is er sprake van een definitieve breuk, dan lijkt de Amateur erop te staan dat niemand daar onkundig van blijft, en het universum galmt ervan. De bazuinen van de pers worden gemobiliseerd, de ‘kritiek’ vult kolom na kolom. We zien zelfs artikelen in de grote kranten die de scheiding op kleffe toon verheerlijken, met gebruikmaking van epitheta die voor huwelijken in de high society zijn gereserveerd.

Bij zo’n gelegenheid vinden we alle reeds eerder beschreven stijlnuances terug. Volgens sommigen ‘moet amateur X zich door familieomstandigheden ontdoen van zijn collectie, waar hij met grote verslagenheid afscheid van neemt’. Volgens anderen ‘getuigt het schitterende gebaar van amateur X, die zijn magnifieke, liefdevol verzamelde reeks meesterwerken klakkeloos ter veiling brengt, van een grootsheid die respect afdwingt’. Weer anderen zien in de verkoop ‘een daad van patriottische zelfverloochening, een ware Fransman waardig’. Is de amateur een buitenlander, dan geldt een variant: ‘In zijn wens om zijn gehechtheid aan Frankrijk, zijn tweede vaderland, te bewijzen, heeft amateur X… niet geaarzeld…’ Enz… enz… En ten slotte – Onze-Lieve-Heer heeft rare kostgangers, helaas! – doet ook de kwaadwilligheid haar giftige duit in het zakje, en soms zie je, in obscure, weinig achtenswaardige bladen, stukjes opborrelen als deze:

‘Er wordt een hoop ophef gemaakt over de aanstaande verkoping X. Het moment lijkt door de rijke industrieel inderdaad goed gekozen, en we twijfelen er niet aan dat die verkoping, aldus op touw gezet en van de vereiste ondersteuning voorzien, een overweldigend succes zal blijken. Alle betrokkenen zullen er zijn en er worden torenhoge prijzen verwacht.’

Vanuit een nog lager standpunt, maar zo laag dat het niemand kan raken, lezen we op weer andere plekken:

‘Het gerucht gaat dat X, de beroemde bretellenfabrikant, op het punt staat zijn schilderijencollectie voor de derde keer te liquideren. Zulk gesjacher interesseert ons even weinig als wanneer het op pindanoten of koolzaad betrekking zou hebben, en we zouden er zelfs in het geheel geen melding van maken als we geen sympathie hadden voor een paar verdienstelijke kunstenaars wier werk onder de hamer komt. Het zou ons pijnlijk treffen als zij bij dit alles in hun belangen werden geschaad.’

Maar laten we wel wezen: het komt zelden voor dat het goede niet aan het langste eind trekt, en de verkoping X haalt kolossale bedragen. X wordt allerhartelijkst gefeliciteerd. De criticus en de handelaar krijgen ook hun aandeel in de omhelzingen, en vaak genoeg komt zelfs de minister langs om een en ander met een lintje te bekrachtigen. Is met andere woorden de Amateur toevallig niet al geridderd voor zijn bretellen of voor de aankoop van zijn schilderijen, dan wordt hij dat zeker wel voor de verkoop ervan.

Op zijn minst twee ‘geslaagde’ verkopingen zijn vereist om tot Groot-Amateur te worden gekroond. De dag na de triomf is die titel een verworvenheid, hij kleeft de titularis aan, hij vormt als het ware een nieuwe voornaam, de twee zijn voortaan onafscheidelijk. Andere voordelen vloeien uit de titel voort: hij geldt als een officiële erkenning. X de Groot-Amateur wordt automatisch gepromoveerd tot lid van de artistieke commissies die de Staat meent te moeten ondersteunen. Hem worden missies toevertrouwd, hij organiseert exposities van Franse kunst in den vreemde en zit jury’s voor. En omdat je in het leven niet twee meningen hebt als je oprecht bent, velt de Groot-Amateur steevast een gunstig oordeel over de werken van schilders van wie hij een ruime voorraad in bezit heeft.

Zo ziet, in grote trekken, een van de gangbaarste vormen van de Amateur eruit, maar er zijn ook andere vormen; de subcategorieën en variëteiten zijn legio en onderscheiden zich van elkaar al naargelang oorsprong, milieu, ras, vroegere gewoonten en vooral vermogen. Het laat zich raden dat de decreten die worden uitgevaardigd door een multimiljonaire mond meer gewicht hebben dan andere, en de handelaar is nu juist op aarde gekomen om nota te nemen van zulke afwijkingen. Het komt ook voor dat de Groot-Amateur zich verwaardigt om, alvorens te spreken, te luisteren naar wat de piepkleine amateur en soms de schilder te zeggen hebben, maar dat is louter beleefdheid en welvoeglijkheid, en de meningen mogen dan gelijklopend zijn – wat vaker voorkomt dan je denkt – ze krijgen hun werkelijke gewicht pas nadat hij zich heeft uitgesproken.

Vervolgens zijn er, overeenkomstig de variëteiten en subcategorieën, mengvormen. Je hebt de Amateur-criticus, die als zwak heeft dat hij graag zichzelf leest en zijn goede smaak opgehemeld ziet worden in dure publicaties; je hebt de Amateur-kunstenaar, wiens ‘bij acclamatie verkozen’ werken een voorliefde hebben voor de middelste panelen, op ooghoogte, voorbehouden aan de vedettes in de Salons. Als we mogen afgaan op de woorden van een zuivere handelaar zouden er zelfs Amateur-handelaars zijn: ‘De Amateur is een handelaar die geen bedrijfsbelasting betaalt,’ zo zei deze man. Maar op dat punt spreken we ons niet uit.

De ene toestand vloeit noodzakelijkerwijs voort uit de andere, en zoals het Japanse spreekwoord het wil: ‘De consequentie volgt het feit als zijn schaduw’, dus ook het omgekeerde is waar. We hebben de criticus-amateur en -Amateur, en de criticus-kunstenaar, zoals we ook de Handelaar-criticus hebben, de Handelaar-kunstenaar en de Handelaar-amateur. Voor een handelaar is het steevast prettig als hij zich naar binnen weet te werken bij kunstenaarssociëteiten; in ruil voor de inspanning die het afscheiden van een paar vluchtige schetsen vergt, kan hij dan van dichtbij waarnemen hoe de kleine beekjes ontspringen, en aangezien nu juist uit die beekjes de grote rivieren ontstaan, voelt de Handelaar-kunstenaar zich van nature geroepen de loop ervan te kanaliseren. Aan de andere kant heeft elke zichzelf respecterende handelaar zijn ‘particuliere collectie’, een soort geheim tabernakel waar het fijnste van het fijnste verscholen ligt, dat je alleen mag bezoeken als je onderdanig chapeau bas speelt, waar ‘niets te koop is’, behalve, uiteraard, ‘als het nu eenmaal niet anders kan’.

We zouden dit thema tot in het oneindige kunnen nuanceren, maar ik neem aan dat het wel genoeg is. Bovenstaande schets zal door sommigen waarschijnlijk als buitensporig worden beoordeeld, hoewel we ons toch nog hebben ingehouden en doelbewust heel wat mogelijk pikante bijzonderheden links hebben laten liggen. En wat zou daar al met al verbazend aan zijn…? Is de mensheid niet altijd en overal dezelfde? En haar uitingen mogen dan soms ongewis blijven als je ze als geheel beschouwt, het is duidelijk dat ze meer reliëf krijgen wanneer de protagonisten, zonder dat iets ze daartoe dwingt, de behoefte voelen om zichzelf op de voorgrond te plaatsen en aandacht te trekken.

Laten we, dit gezegd zijnde, terugkeren naar ons stokpaard. Terug dus naar Cresus, die zich in het gezelschap van de handelaar bevindt; de drieënvijftig Durands staan uitgestald tegenover een schitterende fauteuil; de Amateur zijgt neer.

Hij heeft het zwaar voor de kiezen gekregen de laatste tijd en verbaast zich nauwelijks nog ergens over. Dat neemt niet weg dat hij ontsteld is bij het zien van die kakelbonte kleurenmengelingen waarin her en der woeste lijnen dwalen. Een schok vaart door hem heen.

‘Is dit een grap?’ zegt hij.

‘Maar nee, meneer Cresus, hoe komt u daarbij!’

‘Gelooft u daar dan in?’

‘En hoe!’

‘Dat kan niet, u houdt me voor de gek!’

‘Heus, meneer Cresus, denkt u dat ik me ermee zou hebben belast als ik niet zeker was van mijn zaak?’

‘Dus u gaat erin mee? Echt?’

‘Daar lijkt het op.’

‘U hebt het aangekocht?’

‘En betaald!’

‘Aha!’

Het woord ‘betaald’, pardoes opklinkend midden in het gesprek, geeft er een voorname toon aan, zoals blijkt uit de ‘Aha!’ van Cresus.

‘En niemand heeft ze gezien?’

‘Toch wel… Duval.’

‘Duval… de arts? Heeft hij iets genomen?’

‘Als de wiedeweerga!’

‘Aha!’

Deze tweede ‘Aha!’ onderscheidt zich van de vorige. Cresus doet een poging om zijn fauteuil dichterbij te schuiven, en vervolgens om op te staan, maar dergelijke meubels zijn gemaakt om hun inzittende niet zomaar prijs te geven.

‘Welke wilt u zien?’

‘Maakt niet uit.’

De handelaar geeft hem een Durand; de Amateur, die niet kan besluiten wat boven en wat onder is, draait en keert het doek, de handelaar komt tussenbeide en geeft aanwijzingen.

‘Dus u zegt dat hij iets genomen heeft…? En hoeveel is het waard?’

‘Helemaal niks. Tweeduizend. Maar u kunt zich vast voorstellen, meneer Cresus, dat ik u niet zou hebben durven storen voor een wissewasje. Over vijf jaar is het twintigduizend.’

‘Ja, ja.’

‘Ik zweer het.’

‘Dat zegt u over al uw schilders.’

‘En wanneer heb ik me vergist?’

‘Dat is waar… U hebt er oog voor.’

‘Dus?’

‘Dus, en omdat het u plezier lijkt te doen, mag u er twaalf op mijn naam zetten.’

‘Welke?’

Cresus doet een vage keuzepoging, maar zijn gebaren zijn slap en niet doelgericht.

‘Kiest u zelf maar… Ik heb trouwens verschrikkelijk veel haast… En verder vertrouw ik op u.’

‘Reken op mij.’

En de Groot-Amateur, die zich eindelijk uit zijn zetel heeft weten te verheffen, gaat heen, omkaderd door alle beleefdheden van het personeel. Waarna de handelaar een telegram stuurt naar de schilder, met de vraag of hij in verband met een dringende zaak wil langskomen.

Daags nadien maakt die zijn opwachting, en zodra hij zit wordt hij overrompeld door het voorstel van een regeling die, tegen een vast bedrag, de één voorziet van het volledige bezit van het werk van de ander, en dat voor een welbepaald aantal jaren. De handelaar is gelukkig, er dartelt een glimlach om zijn mond, het is een leuk bedrag dat hij noemt; voor dat alles kan de schilder alleen maar dank u wel zeggen, en hij tekent de verkoopakte met trillende hand.

Voortaan volgt hij de stroom. Hij hoeft alleen nog geniaal te zijn – als hij dat niet al was – of nog genialer te worden, was hij dat al wel. Laat hij zich maar met schilderkunst bezighouden, ver weg van alle laag-bij-de-grondse beslommeringen, en laat hij zijn zesde verdieping zo min mogelijk verlaten; goede herders waken over zijn belangen en zullen ze laten renderen. Na die ene Cresus komen er andere, die zelf weer kleintjes krijgen. Aldus bespannen moet het wel heel raar lopen als de kar van de kunstenaar zijn doel niet bereikt; er zullen pieken en dalen zijn, kinken in de kabel en knikken in de helling, maar op de bok en daaromheen zijn er wakkere lieden die hem op het droge en ver van de modderpoelen zullen weten te houden.

Laten we erkennen, en zonder enig voorbehoud, dat de dingen, zoals ze zijn, onmogelijk beter zouden kunnen. Tuurlijk, het is niet alles goud wat er blinkt! Het is zelfs tamelijk weinig florissant, en door nu de keerzijde van het tableau te laten zien, lopen we het risico dat we bepaalde illusies verstoren. Maar we moeten buigen voor de feiten en de les die erin besloten ligt aanvaarden, temeer omdat niemand onder dit alles hoeft te lijden. De goede verstandhouding tussen criticus, handelaar en Amateur heeft de handel in schilderijen weggehaald uit de onderwereld waarin die een kwijnend bestaan leidde, en er een vooraanstaande negotie van gemaakt, met jaarcijfers die in de miljoenen lopen. Heel wat mensen leven daarvan: om te beginnen de kunstenaars, die goedschiks of kwaadschiks een paar duiten uit de schatkamer opvangen, en verder de bedienden, de kleurenmengers, de doekmakers, de kadermakers, de lijstenmakers, de modellen, de emballeurs, de restaurateurs, noem maar op! En dat zonder voorbij te gaan, uiteraard, behalve aan bovengenoemd driemanschap, aan nog een hele spijskaart van agenten, tussenhandelaars en verklikkers, die zo goed en zo kwaad als het gaat terloops wat flarden meepikken. Of iedereen precies krijgt wat hem toekomt en of de winsten rechtvaardig worden verdeeld, dat oordeel is niet aan ons. Laten we zonder bitterheid constateren wat uit deze situatie resulteert, temeer omdat er behalve strikt materiële gevolgen ook andere zijn. Zo heeft zich door deze impuls de voorliefde voor Franse kunst ontwikkeld en buiten de grenzen verbreid, waardoor een zich steeds verjongende gloed aan de nationale luister wordt toegevoegd. Op alle betrokkenen straalt daardoor een soort prestige af, en dat alleen al is een winst waarmee we rekening moeten houden.

Uit het voorgaande mag niet worden geconcludeerd dat we kunstenaars hebben willen neerzetten als slaafse slachtoffers en anders niet; er zijn er goddank bij die zich desnoods met hand en tand verweren, maar die vormen de minderheid. De soort kent trouwens ook surrogaatkunstenaars en geldezels; je hebt er die duizelig worden en niet meer verdragen zoveel duiten onder hun neus te zien dansen, en die de hand aan de ploeg slaan. We kennen de kunstenaars-critici, een onschadelijke soort die zich met weinig tevredenstelt, maar tegenwoordig zien we een nieuwe variëteit, een loot aan de handelstak, lieden die zich erop toeleggen de bijziende door het labyrintische bos te gidsen, druk uit te oefenen op eindeloos uitgestelde beslissingen, bewonderende kreetjes te slaken op het gepaste moment, en die in ruil daarvoor bescheiden baten opstrijken. Anderen ontvangen die ook, voor werk dat het exacte tegendeel is.

Het is denk ik niet nodig dit overzichtje nog verder uit te werken, de lezer zal de in de schaduw gelaten details gemakkelijk zelf invullen. Er zijn kluchtige bij, en weerzinwekkende, er zijn ook heerlijke bij. We zouden het onszelf kwalijk nemen te zeer aan te dringen, en verder zou daartoe de geniale pen van Molière vereist zijn. De zonen van Monsieur Jourdain zijn legio vandaag de dag.[5] Bij de gratie van het amateurisme zijn ze een soort belastingcontroleurs van de goede smaak geworden, hun mening wordt gevraagd, en het feit dat ze her en der bij ruiltransacties een paar honderdduizend francs hebben verdiend, verleent hun een overwicht op minder oordeelkundige breinen dat flatteus voor hen is, al zullen ze het soms vast ook beschamend vinden.

Ze hebben dus hun meelopers, kleine haaien van geringe tonnage, die zich voeden met het wrakgoed dat in hun kielzog wordt opgevangen. Vanaf de amateur – of die buiten de kunst nu rijk of arm is – tekent zich de appetijt af in onderlinge gradaties, via het stadium van de ‘gedistingeerde amateur’, een intermediaire trap en een wachtpost, tot aan de hoedanigheden van de Amateur en de Groot-Amateur.

De schilderkunst is met andere woorden niet langer de aristocratische, aan een minderheid voorbehouden activiteit die ze vroeger was, ze is het object van speculatie en ruil geworden. Toen de beursmakelaars zich met kunst gingen bemoeien, was dat een onvermijdelijk gevolg; moeten we ons daarover beklagen…? Om alle bovengenoemde redenen denk ik van niet; dit is haar nieuwe expansievorm, en je moet altijd met je tijd meegaan. Het zou sowieso zinloos zijn, het is nu eenmaal wat het is, er zijn te veel belangen mee gemoeid, te veel successen, en ook te veel jachtige stagiaires en kandidaten om de wals nog te doen stoppen.

Laten we de dingen dus op hun beloop laten, laat ieder zich houden bij zijn vak en zich zo min mogelijk bemoeien met dat van zijn buurman, dan loopt alles wel los. Laten de critici kritiseren, laten de handelaars handeldrijven en geld verdienen, laten de dames en heren amateurs er alle eer bij inleggen die ze maar kunnen, daar zien we niets verkeerds in. Waar we wel iets verkeerds in zouden zien, en iets zéér verkeerds, is in de vermeerderde greep van deze drie categorieën op de kunstenaar, individueel of collectief. Openbare tentoonstellingen moeten voor de criticus volstaan om zijn mening te vormen, en hij zou net zomin als de handelaar mogen worden toegelaten tot het bestuur van kunstenaarsgenootschappen, hetzij in de hoedanigheid van erelid, van passief of actief lid of anderszins. En wat de amateurs betreft, die hebben daar evenmin iets te zoeken, behalve als weldoeners, lang genoeg om er hun cheques te komen deponeren.

Kunstenaars hebben bij dergelijke contacten niets te winnen, hun rol is zo duidelijk! Om die rol goed te vervullen, hoeven ze niets anders te doen dan ermee door te gaan en er het beste van zichzelf in te leggen, en als ze behoefte hebben aan belangenbehartiging, laten ze zich dan tot specialisten wenden; er zijn genoeg advocaten van wie de argumenten solide zouden zijn. Laten ze vooral de vakbondskwestie bestuderen; dáár ligt de toekomst die harmonieuze verhoudingen mogelijk maakt. Voor het overige moeten ze de tijd maar zijn werk laten doen; die zal er wel voor zorgen dat de dingen tot een goed einde worden gebracht, en als die zijn vonnis velt, zullen akkefietjes en kuiperijen nauwelijks nog gewicht in de schaal leggen. Met de tijd krijgt het schilderij altijd het laatste woord.

 

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

• Oorspronkelijke publicatie: Félix Vallotton, ‘Artistes, critiques, amateurs et marchands’, in: Bibliothèque universelle et revue suisse, nr. 85, 1917, pp. 288-310.

 

Noten van de vertaler

1. Verwijzing naar de theoretici van het kubisme.

2. Maximilien Robespierre en Louis Antoine de Saint-Just waren twee sleutelfiguren tijdens de Franse Revolutie, bekend om hun rol in de Terreur.

3. Tijdens de Eerste Slag bij de Marne, in 1914, brachten de Franse en Britse legers de Duitse opmars tot staan, het zogeheten ‘Mirakel van de Marne’.

4. Zinspeling op Carolus-Duran (1837-1917), Frans schilder, portrettist van de hogere klassen.

5. Monsieur Jourdain, de hoofdrolspeler in Molières beroemde blijspel Le Bourgeois gentilhomme (1670), is een ijdeltuit die de adel wil imiteren. Hij geldt als het schoolvoorbeeld van de parvenu.

Guillaume Bijl (1946-2025)

De kunstmarkt wordt belangrijker dan de kunst – het is een van de laconieke maar verstrekkende vaststellingen aan de basis van het oeuvre van Guillaume Bijl, die op 14 juni overleed. Hij maakt deel uit van een generatie die zich zelfbewust bezighield met de plaats van de kunst, letterlijk en figuurlijk. Een kunstenaar als Jan Vercruysse, die twee jaar jonger is, construeerde bijvoorbeeld terughoudend beeldraadsels om communicatie uit te stellen, en om het kader waarin kunst bestaat open te houden. Bijl hanteerde een tegenovergestelde strategie: hij toonde hoe de plaats van de kunst door andere activiteiten dreigt te worden bezet – door een autorijschool, een beroepsheroriëntatiecentrum, een schoenenwinkel, een psychiatrisch ziekenhuis, een kerk, een kapsalon, een casino, een frituur of een veilinghuis.

Die op het eerste gezicht eenvoudige methode, die hij in 1980 omschreef als ‘kunstliquidatie’, is paradoxaal, en gaat met paranoia gepaard. In de ficties van Bijl komt de bedreiging van overal – zowel van de overheid (inclusief de verzorgingsstaat) als van de markt. Het is ‘de maatschappij’ die de kunst onophoudelijk naar het leven staat. Enerzijds toonde Bijl geen ‘echte’ kunst, maar decors of replica’s van fragmenten van de niet-artistieke werkelijkheid. Anderzijds gaf hij aan dat de notie van ‘echte’ kunst onzinnig is – alles kan een kunstwerk worden; de moderne kunst sinds Duchamp liquideert zichzelf om te overleven.

Bijl was een autodidact die allerlei beroepen uitoefende voor hij professioneel kunstenaar en later ook docent werd. Geheel in lijn met zijn ‘verdediging’ van de kunst, was hij een liefhebber van andere oeuvres, ook van jonge kunstenaars, die hij, sigaret in de hand of de mondhoek, verzekerde dat ze bijna even goed waren als hijzelf. In de jaren zeventig keek hij vooral rond en ontwikkelde hij papieren projecten of voorstellen, en in 1979 was zijn eerste typische ‘transformatie-installatie’ te zien, toen hij de Antwerpse alternatieve kunstplek Ruimte Z ombouwde tot Autorijschool Z. Soms werd zijn houding begrepen als kunstvijandig. Dit zei hij in een gesprek met Koen Brams en Dirk Pültau, in De Witte Raaf nr. 112 in 2004: ‘Ik was en ik ben bezig met onze maatschappij in vraag te stellen en te tonen waar we in leven, het decor van onze tijd. Ik laat iets van onze consumptiemaatschappij zien, of van onze beschaving, kritisch, als anarchist of als idealist. Maar de kritiek had het niet zo begrepen. Ik werd als antikunstenaar afgeschilderd, blijkbaar alleen omdat ik mijn installaties kunstliquidatieprojecten noemde. Op den duur begon ik zelf aan te geven dat mijn projecten een hommage aan de kunst waren. Ik wilde laten zien wat nooit mocht gebeuren.’

Het leidde tot andere, diepe vormen van ironie. Om te voorkomen dat musea commerciële paleizen of nuttige staatsapparaten zouden worden, vormde Bijl ze om tot shoppingcentra – zoals hij deed in het SMAK, tijdens zijn laatste overzichtstentoonstelling in 2008. Tactiek van de verbrande aarde, of overidentificatie? Niet echt, want in de winkels van Bijl werd niets verkocht. In een belangrijke tekst over dit oeuvre, geschreven door Frank Vande Veire in 1990, is in het spoor van Baudrillard gesuggereerd dat Bijls methode het institutionele contrast met de kunstwereld nodig had: ‘In de onwezenlijke afzondering van het museum komt de crisis van het object, de werkelijke aard van zijn catastrofe, aan het licht: de geësthetiseerde simulatie van zijn eeuwige jeugd.’ Maar wat gebeurde er als Bijl elders huishield, door middel van wat hij ‘situatie-installaties’ noemde? Recent nog maakte hij een kustlandschap in een zaal van het bezoekerscentrum van natuurreservaat het Zwin. De onveranderlijkheid van zijn methode, die overigens allesbehalve absoluut is, werd geregeld bekritiseerd. Wat onveranderlijk blijft, toont echter bij uitstek de veranderingen die wel plaatsgrijpen. Werd de aanwezigheid van Bijl in musea en ‘traditionele’ kunstplekken de voorbij twee decennia overbodig? Voor hun transformatie en kunstliquidatie hebben deze instituten hem niet meer nodig, terwijl hij, net als zijn collega’s, op vele andere plekken gevraagd werd om ‘iets’ te doen, zelfs in een natuurpark. Buiten het museum toonde Bijl een andere evolutie, die ogenschijnlijk de plaats van de kunst oneindig vergroot.

Totaliserende ervaringen: immersieve kunstwerken tussen 1949 en 1969

 

In het ruimtetijdperk, ruimtekunst.

– Lucio Fontana[1]

 

Op de cover van LIFE van 30 april 1965 staat een foto van een foetus, ingekapseld in een vruchtzak, verbonden met de placenta en zwevend boven een zwarte, gespikkelde achtergrond die de kosmische ruimte oproept.[2] Nog geen twee maanden later, op 18 juni, prijkt op het omslag een beeld van de eerste Amerikaanse ruimtewandeling, gerealiseerd door de NASA tijdens de missie van Gemini 4. De foto toont astronaut Ed White die boven de aarde zweeft, verbonden met het vaartuig door een vergulde ‘navelstreng’. Deze twee coverbeelden met een opvallende gelijkenis getuigen van de alomtegenwoordigheid van een immersieve conditie (en de esthetiek ervan) in die periode – gemarkeerd door de ruimtelijke expansie (en euforie) die de jaren vijftig en zestig kenmerkt, met als hoogtepunt de missie van Apollo 11 in 1969. De immersie in de ruimte wordt voorgesteld als een wedergeboorte die een nieuw tijdperk en een nieuwe levenswijze aankondigt.

Vertrekkend bij deze beelden wil ik immersiviteit verkennen als een intersubjectieve conditie tussen het subject en de omgeving (als ‘het geheel van het universum dat ik niet ben’, volgens de definitie van Buckminster Fuller) in een tijdperk waarvan de esthetiek en het denken fundamenteel immersief, ecologisch, collectief en multidisciplinair zijn.[3] Binnen de context van de verovering van de ruimte wil ik de immersieve conditie van het tijdperk bestuderen, gecentreerd rond een tweedeling tussen ‘individuatie’ en de oplossing van het zelf, tussen vormelijke scheiding en onduidelijke fusie (het fantasma van het grote geheel), tussen vorm en vormeloosheid (met de vorm als limiet van de scheiding tussen het zelf en dat wat het zelf niet is, terwijl de ruimte wordt voorgesteld als vormeloos, want onbegrensd en ontastbaar).[4]

 

Originele onderdompelingen en placenta’s

De foto’s van Lennart Nilsson voor LIFE van 30 april 1965 tonen het prenatale leven als een dubbele onderdompeling: in het vruchtwater en in de oneindige ruimte van de kosmos. De decontextualisering van de foetus, onttrokken aan de baarmoeder en in scène gezet tegen een zwarte achtergrond met sterren, net als de taal waarmee de foto’s worden beschreven, stelt de baby gelijk aan de astronaut. Net zoals deze foto’s de foetus ex utero weergeven, zo tonen de beelden van de ruimtewandeling tijdens de missie van Gemini 4 nauwelijks het ruimtetuig waarmee de astronaut verbonden is, om de immersie in de oneindige kosmos te benadrukken. Foto’s en tekst spelen in op de primaire biologische dimensie door te verwijzen naar ‘de vergulde navelstreng die [de astronaut] met zuurstof voedt vanuit het ruimteschip’.[5] Enkele jaren later wordt in de slotscène van 2001: A Space Odyssey (1968) van Stanley Kubrick hetzelfde ideaal van autogenese hernomen door een vrij rondzwevende baby te tonen in een transparante bel.

In de omslagbeelden van LIFE worden zowel de foetus als de astronaut omgeven door een vreemde ruimte, beschermd door een omhulsel (ruimtepak of vruchtzak) in gelijkaardige fysieke omstandigheden: zwevend in gewichtloosheid, door elkaar geschud, en door een streng verbonden met een moederschip waar het leven van afhangt. De space walk van Ed White roept desoriëntatie op: ‘Boven noch onder hem, maar simpelweg daarginds bevond zich de planeet aarde – waar hij nu zelf een satelliet van was.’[6] De begingeneriek van Barbarella (1968) van Roger Vadim herneemt deze esthetiek van de prenatale immersie, wanneer Jane Fonda zich zwevend ontkleedt in het inkomsas van haar ruimtevaartuig. Het leviteren van de mens in de ruimte, bevrijd van de zwaartekracht – dat is het immersieve en iconische paradigma van de jaren zestig.

Het foto-essay van LIFE over het prenatale leven wordt gevolgd door een artikel waarin wordt uitgelegd dat de vruchtzak lijkt op het ruimtepak, aangezien de twee omhullingen immersie toestaan in een vreemde omgeving, want ‘de baby is een parasiet. Vanaf het moment van bevruchting wordt het embryo een vreemd lichaam. Als het circulatiesysteem van het embryo direct met het systeem van de moeder verbonden zou zijn, zou het lichaam van de moeder het embryo afstoten.'[7]

De foetus fuseert niet volledig met het moederlichaam, en daarom kan de onderdompeling zich slechts voltrekken dankzij de bemiddeling van de vruchtzak en de placenta, net zoals de astronaut niet in de ruimte kan binnendringen zonder de bescherming van een ruimtepak dat een omgeving creëert waarin voortbestaan mogelijk is. Bij de geboorte wordt de baby ‘verdreven naar een vijandige wereld’ met andere condities (donker of licht, nat of droog, warm of koud, enzovoort).[8] De baby moet zelf voorzien in de vitale functies die voorheen door de placentaire omgeving werden verzekerd, en moet afscheid nemen van een immersieve staat ten voordele van lichamelijke autonomie, of overgaan van een immersie door nabijheid naar een immersie in een potentieel onbegrensde ruimte waar bezit van moet worden genomen. De individuatie van de foetus vereist het verlaten van dit immersieve bestaan bij de geboorte, waarvan het aankondigingssignaal inderdaad het breken van de vruchtzak en van ‘het water’ is.

Verschillende kunstwerken uit de tweede helft van de jaren zestig weerspiegelen een terugkeer naar de prenatale immersie. Een monumentale Nana in bevallingshouding, Hon van Niki de Saint Phalle uit 1966, nodigt de bezoekers uit om terug te keren in het moederlichaam, met de vagina als inkomdeur. Het interieur presenteert zich als een opeenvolging van onderhoudende plekken op een kermis. Het optimisme van dit soort kunst getuigt van topofilie, de liefde voor plaatsen, zoals Gaston Bachelard die beschrijft in La Poétique de l’espace uit 1957. Het idee van de ‘gelukkige ruimte’, als een empathische en beschermende woonplaats, verwijst naar het verondersteld primordiale geluk:

‘Het leven begint voor de mens in een diepe slaap en alle eieren in de nesten zijn goed uitgebroed. De ervaring van ruimtelijke vijandigheid – en dromen over verdediging en agressiviteit – komen veel later. In de kiem is al het leven welzijn.'[9]

Het is deze knusse immersie die ook het kunstwerk van Ferdinand Spindel oproept, in 1966 uitgevoerd in roze mousse in het huis van Ursula en Günter Tollmann. De talloze vouwen hebben een vaginaal karakter en creëren een relaxerende omgeving, verdubbeld door de huiselijke context van dit toevluchtsoord in een private woning (een redelijk uniek geval, aangezien immersieve kunstwerken meestal tijdens tentoonstellingen tot stand komen).

Je trekt je schoenen uit in een sas (een tussenruimte in de passage van één omgeving naar een andere) en je treedt binnen in Fabio Mauri’s werk Luna, via twee eivormige deuren die een ruimteschip evoceren. Gemaakt in 1968 in de Galleria La Tartaruga ter gelegenheid van het festival Teatro delle mostre (één jaar voor de missie van Apollo 11), wordt de buitenaardse ruimte gevormd door een dikke laag polystyreenkorrels (die maanstof voorstellen), waarin de bezoeker, ondergedompeld in het halfduister, geanimeerd door geritsel van ballen die elkaar raken, zinkt en het evenwicht verliest. De installatie biedt een ‘regressie in het prenatale stadium’ waarin ‘het gewicht van de zwaartekracht zoek lijkt’, zoals Achille Bonito Oliva het uitdrukt.[10] Hij selecteerde het werk in 1970 voor de tentoonstelling Vitalità del negativo. Een foto van Luna toont een naaktmodel in foetushouding, ondergedoken in polystyreenkorrels. De immersiviteit gaat nog verder in een foto van Ugo Mulas, met een hand die tevoorschijn komt uit de grond, om de finale onderdompeling na te bootsen van een begrafenis.

Niet alle immersieve ervaringen spelen zich af op ‘gelukkige plaatsen’. Sommige vijandige plekken weerstaan aan de versmelting met, of aan de bezetting door, de bezoeker die als indringer wordt beschouwd. Deze ruimtes creëren bedreigende omgevingen die claustrofobie veroorzaken. In Sound Breaking Wall (1969) van Bruce Nauman produceren luidsprekers, verborgen in de muren, dubbelzinnige menselijke geluiden. Als één muur stilvalt, brengt de andere muur afwisselend een lach en een kloppend geluid voort, wat ongemak veroorzaakt, eerst door de ambiguïteit van het geluid waarvan de oorsprong moeilijk te achterhalen valt, en daarna door het antropomorfe karakter van deze spookplek. In Get Out of My Mind, Get Out of This Room (1968) herhaalt de stem van de kunstenaar, met verschillende intonaties, tot in het oneindige de woorden van de titel van het werk, en jaagt de bezoeker weg, als een indringer in de mentale ruimte van de kunstenaar, gematerialiseerd als een fysieke, bewoonde plek. Het paradigma van Naumans kunst is het atelier als ideale plek om werk te maken en te ervaren, terwijl de ideale bestemmeling de kunstenaar zelf is. Wanneer het werk een publieke dimensie verwerft, vertoont het een vijandig karakter, en wordt de bezoeker afgewezen.

Dat gevoel van bedreiging komt niet altijd uit de buitenomgeving, maar is soms ook intern. Met Passageway (1961), een lange gebogen gang waarin een tiktakgeluid en een hartslag weerklinken, wil Robert Morris een gevoel van claustrofobie en ongemak opwekken. In tegenstelling tot het merendeel van de immersieve installaties kan dit werk slechts door één persoon tegelijkertijd worden ervaren, wat het gevoel van eenzaamheid nog versterkt. De bezoeker wordt uitgenodigd om door te dringen in een lange gebogen gang die langzaam smaller wordt en die hem, helemaal op het eind, noopt rechtsomkeert te maken. Morris herinnert zich de tijd waarin hij ‘blinde en zelfvoorzienende ruimtes’ maakte:

‘Ik dring steeds verder door in een soort half autistische ruimte die de ander uitsluit […] en al de anderen worden als bedreigend ervaren, vooral wie naderbij probeert te komen. […] Ik wil een totaliserende ruimte, besloten, waarin ik besta samen met het object.'[11]

Het krimpen van de ruimte werpt de bezoeker op zichzelf terug, en het gevoel van claustrofobie komt evenzeer voort uit de fysieke begrenzing als uit de naar binnen gerichte blik. ‘De kunst als gesloten ruimte, een weigering tot communicatie, een veilige vluchtplaats en een verdediging tegen de buitenwereld, een dode zone en een buffer tegen indringers,’ zo stelt de kunstenaar.[12] Deze claustrofobische en defensieve angst contrasteert met het extatische en bevrijdende gevoel dat door de toename van ruimte wordt veroorzaakt.

 

Ruimtelijke elasticiteit

[…] een fenomenologie van de uitbreiding, van de expansie, van de extase – kortom, een fenomenologie van het prefix ‘ex’.[13]

– Gaston Bachelard

 

Het is dat soort duizeling door de oneindige expansie van de ruimte die deze periode kenmerkt, en die ook terug te vinden is in het optimisme van de ‘spatialistische’ manifesten, tussen 1947 en 1952 collectief opgesteld door kunstenaars en schrijvers verenigd rond Lucio Fontana. Verslingerd aan de verovering van de ruimte roepen zij op om schilderkunst, sculptuur, poëzie en muziek achter te laten ten voordele van ruimtelijke kunst. Toch gaat het niet om een synthese van de oude droom van het Gesamtkunstwerk, maar eerder om het overstijgen van zowel de materialiteit van het werk als de traditionele kunstcategorieën, overeenkomstig de vereisten van een nieuw, ruimtelijk tijdperk. Fontana materialiseert zijn ideeën in Ambienti spaziali (‘environments’, ‘milieus’ of ruimtelijke ‘plekken’), uitgevoerd tussen 1949 en 1968, het jaar van zijn overlijden. Het maakt van hem de pionier en de meest representatieve figuur van de immersiekunst – vooral dan na 1965, in de periode waarin dergelijke tentoonstellingen talrijk zijn.

Ambiente spaziale a luce nera, getoond door Fontana in februari 1949 in de Galleria del Naviglio in Milaan, is de eerste concrete materialisatie van deze intenties, en het eerste echt immersieve kunstwerk. Biomorfe vormen in papier-maché, geschilderd in fluorescerende kleuren, zijn opgehangen aan het plafond van een ruimte die paars verlicht wordt door uv-lampen. Het hoog opgehangen object maakt frontale contemplatie moeilijk, terwijl de ruimte lijkt uit te deinen. Door rudimentaire materialen te gebruiken die doen denken aan carnaval (papier-maché) of aan nachtclubs (uv-lampen) creëert Fontana met fluorescentie en duisternis een effect van dematerialisering, van een ‘puur, vervluchtend, universeel, zwevend beeld’ dat ‘ruimtelijke sensaties’ uitlokt.[14] Dit werk werd vernietigd na de tentoonstelling – zoals alle Ambienti, op één uitzondering na – en uiteindelijk heropgebouwd door de kunstenaar met andere materialen, want in ‘ruimtekunst’ heeft materialiteit weinig belang. Wanneer Fontana het werk opnieuw maakt voor een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1967, achttien jaar na de eerste presentatie, wordt de vorm in papier-maché vervangen door een komma in karton en een traject van punten. Deze reconstructie, door de kunstenaar als ideaal beschouwd, roept de ‘spatialistische’ idee op van de tekening in de ruimte. Tien jaar later, voor een tentoonstelling in Galerie René Drouin, gebruikt Pinot Gallizio de sterke materialiteit van de informele schilderkunst om de galerieruimte te dematerialiseren door verzadiging. Zijn Caverne de l’anti-matière (1958-1959) wordt in de invitatie omschreven als ‘een poging een sfeer te construeren’, wat aangeeft dat het niet om een muurschildering, maar om een ruimte gaat.

Het is vooral vanaf 1965 dat de immersieve kunst zich ontwikkelt, gelijktijdig met de verspreiding, met name door de NASA, van spectaculaire beelden van de mens (of van technologische plaatsvervangers) in de ruimte, begeleid door verheven teksten. Zelfs als bij Fontana het ruimtelijke optimisme van de naoorlogse periode beetje bij beetje verandert in een gevoel van apeirofobie (de angst voor het oneindige en de eeuwigheid), blijft de ruimte geassocieerd worden met extatische gevoelens. Het uitstapje buiten de ruimtecapsule veroorzaakte een dergelijk gevoel bij Ed White (het artikel in LIFE sprak over de ervaring van ‘sublime fun’) en de gelukzaligheid die werd veroorzaakt door deze immersie in de mogelijk oneindige ruimte werd zo groot dat hij weigerde om terug te keren naar het ruimteschip.[15] Toen hij dat toch deed, omschreef hij het als ‘het treurigste moment uit mijn hele leven’.[16] Een gelijkaardige ervaring werd enkele weken later opgetekend door de Russische kosmonaut Alexei Leonov, die op 18 maart 1965 een ruimtewandeling maakte tijdens de missie van Voskhod 3KD:

‘Waar ik het meest van hield in de kosmos, dat was de immensiteit. Ik voelde me absoluut vrij, zwevend als een vogel, mijn armen en benen strekkend alsof ik vleugels had, alsof ik op eigen kracht kon vliegen. […] Ik bevond me niet in een gesloten ruimte. Het was een prachtige sensatie.'[17]

Om het effect te creëren van het oneindige van het universum (een homogene en ononderbroken ruimte), worden verschillende kunstgrepen gehanteerd om de oneindige uitbreiding van de tentoonstellingszaal te simuleren. Deze rudimentaire technologieën worden niet voor zichzelf gebruikt, maar voor het effect van dematerialisering en uitbreiding dat ze produceren. Immersieve werken maken bij uitstek deel uit van een effectkunst die inzet op optische illusie en simulatie. Het effect van vormelijke en materiële eenheid wordt bereikt dankzij een technisch arsenaal dat meer of minder complex is en dat zich ‘achter de schermen’ ophoudt. Dat verklaart de toenadering van het immersieve genre tot de wereld van het spektakel en het vermaak: het magic theater, de kermis, de spazio dell’immagine of de nachtclub – immersieve plekken par excellence, die tijdens de jaren zestig tot bloei komen.[18]

Van deze trucjes en effecten is duisternis een terugkerend middel, niet alleen als verwijzing naar de buitenaardse ruimte, maar ook als een negatie van de echte ruimte van het museum of van de galerie, door elke indicatie van richting te elimineren. Door de visuele perceptie te beperken, reikt duisternis bovendien een gevoel van ruimtelijke desoriëntatie (en van uitbreiding) aan. Hetzelfde geldt voor het heldere wit, zoals in Feather Room (1966) van Judy Chicago, waarbij het vormeloze karakter van een ruimte bedekt met plastic doeken, langs achteren belicht, ontdubbeld wordt door zwevende en amorfe pluimen op de grond.

Modules zijn een andere truc om het effect van uitbreiding te bereiken, zoals in Spazio elastico (1967) van Gianni Colombo, waarin het raster zich niet alleen tot in het oneindige kan uitstrekken, maar door mechanische modulaties ook een elastische ruimte kan suggereren. De reflectie van spiegels is een andere manier waarmee een effect van oneindigheid wordt gecreëerd, zoals in Environment (1968) van Christian Megert, op de afdeling Ambiente – Environment van documenta 4. Het werk bestaat uit een kleine zaal waarvan de vloer en het plafond bedekt zijn met spiegels, wat een eindeloze vermenigvuldiging van de bezoeker toelaat: ‘Als u een spiegel voor een andere spiegel zet, is het resultaat een ruimte zonder einde en zonder grenzen.’[19]

 

Fantasieën over fusies

De extase van de uitbreiding genereert een verlangen naar fusie, het ultieme fantasma van de immersieve ervaring, waarin de formele enveloppe oplost die het subject isoleert en definieert, samen met het onderscheid tussen binnen en buiten. Dit gevoel van immersieve fusie, van eenwording, wordt opgeroepen door Romain Rolland in een brief aan Sigmund Freud van 5 december 1927, waarin hij het spontane religieuze gevoel beschrijft als ‘het eenvoudige en directe feit van de sensatie van het ‘eeuwige’ (die weliswaar net zo goed niet eeuwig kan zijn, maar simpelweg zonder waarneembare grenzen, als oceanisch)’.[20] Dit gevoel van eenheid, dat volgens Rolland de bron is van alle religies, komt voort uit een monistisch gedachtegoed geïnspireerd door Spinoza, Ramakrishna, Vivekananda, uit zijn eigen mystieke ervaringen en uit yoga (een woord dat ‘unie’ betekent).[21] Freud herneemt dit idee in Das Unbehagen in der Kultur (1930), waarin hij het oceanische gevoel van Rolland niet als spiritueel omschrijft, maar als regressief. Hij ziet er een terugkeer in naar het primitieve ego, wanneer het kind zich nog niet van de moeder onderscheidt, aangezien het ego zich pas ontwikkelt na de scheiding van de moederborst en na het verlies van deze oorspronkelijke fusie. (‘Oorspronkelijk omvat het ik alles […].’)[22] Of het nu gaat om de sensatie van een mystieke communie (Rolland) of om een psychische regressie (Freud), het oceanische gevoel heeft een immersieve dimensie omdat het zelf en de grenzen ervan oplossen.

Het gevoel van fusie staat ook centraal in de psychedelische cultuur die zich ontwikkelt vanaf het midden van de jaren zestig. De psychedelische trip, indien omschreven als een aangename ervaring, heeft een duidelijk immersief en ‘fusioneel’ karakter.[23] Gebruikers van lsd spreken over de sensatie van toegenomen synesthesie, van expansie van de zintuigen, van verwarring tussen binnen en buiten. Tijdens een ervaring met lsd stelt dokter Albert Hofmann vast dat hij een continuüm vormt met wat hem omringt, door het verdwijnen van de grens tussen de inwendige en uitwendige ruimte.[24] In het algemeen gaat de ervaring van lsd gepaard met een oplossing van de individuele identiteit en met ruimtelijke dubbelzinnigheid: het subject versmelt met de omgeving, in een continuïteit die de indruk geeft door een muur of door een andere persoon heen te kunnen stappen.[25] Dit gevoel is soms verward met een spirituele ervaring – de indruk van een vereniging, zoals bij het oceanische gevoel van Rolland – in lijn met een interpretatie van neo-advaita-spiritualiteit die het bestaan van het ego ontkent, door een oplossing van het zelf in het grote geheel. Zoals wordt aangegeven door Alan Watts (filosoof en zegsman van de psychedelische cultuur, die oosterse ideeën over niet-dualiteit heeft gepopulariseerd) is het innemen van psychotrope middelen vaak in religieuze termen omschreven en vergeleken met een staat van samadhi (mystieke extase in de hindoeïstische en boeddhistische spiritualiteit), die hij begrijpt als een extatische versmelting met de universele ziel (paramatman).[26]

De zintuiglijke expansie tijdens de psychedelische trip kent een visueel equivalent in de ontbinding van vorm. Ook al is dat geen vaststaand criterium voor immersieve werken (omdat het daarbij gaat om effectkunst, meestal multimediaal, die wordt betreden eerder dan bekeken), toch is licht een dominant medium. De psychedelische esthetiek is een esthetiek van vloeibaarheid en vormelijke desintegratie, waaruit een bijzondere interesse spreekt voor licht, van nature immaterieel en in staat tot oneindige straling. Sommige audiovisuele interventies (zoals light shows) begeleiden, versterken en imiteren collectieve psychedelische ervaringen.

Het is precies deze vorm van immersie en van vormelijke verstrooiing die karakteristiek is voor psychedelische kunst met een holografische esthetiek. Typisch voor de visuele taal van dit tijdperk zijn concentrische spreidingseffecten van lumineuze straling, met gekleurde weerkaatsingen tot gevolg. LIFE publiceert op 9 september 1966 een dossier over psychedelische, immersieve kunst met ‘de hallucinatoire effecten en de verstrekte waarnemingen die ook lsd, marihuana en andere psychedelische (of psychotrope) drugs voortbrengen, maar dan zonder dat de kijker iets moet gebruiken’, met als objectief ‘de geest te verdampen door de zintuigen te bombarderen’. Dat laatste is ook merkbaar in de wil tot ontsnapping (zoals in ‘Turn on, tune in, drop out’, de bekende oproep van Timothy Leary) door de oplossing van het zelf die eigen is aan de hippiecultuur.[27] In de immersieve ervaring wordt de frontale confrontatie met het kunstwerk vervangen door een beweeglijke benadering die vooral een beroep doet op een perifeer, verstrooid zicht, dat minder dwingend en imposant is, en dat wazigheid verkiest boven autoritaire scherpte. Op de cover van deze LIFE staat Richard Aldcroft, midden in een visuele, psychedelische ervaring, mogelijk gemaakt door een speciale bril die ieder oog een ander beeld voorschotelt, en zo in zijn hersenen de desoriëntatie van een trip oproept.

Het artikel, waarin dit soort kunst wordt omschreven als ‘immersie in een daar-zijn’ (Immersed in a Be-In, dat wil zeggen een volledige ‘bezetting’ van het wezen van de deelnemers), is geschreven naar aanleiding van een tentoonstelling van het collectief USCO in het Riverside Museum in New York. Deze kunstenaars realiseerden multisensoriële, immersieve kunstwerken en ze noemden deze ‘omhullende en aangename omgeving een ‘daar-zijn’ omdat de kijker verondersteld wordt te bestaan in de tentoonstelling, eerder dan er gewoon naar te kijken’.[28] Deze immersie door een verzadiging van meerdere zintuigen is, volgens het artikel, ‘de logische conclusie van vijftig jaar kunst’, als vervolg op de Environments van Allan Kaprow, de ‘illusionistische vibraties’ van de op art en de ‘mechanische verdraaiingen van de kinetische kunst’, of nog van discotheken en van de muziek van Ravi Shankar.[29] In 1968 realiseert USCO Fanflashtic, een werk waarin psychedelische muziek, zwevende ballonnen en stroboscopisch licht (waarvan de effecten vergelijkbaar zijn met die van lsd) worden gecombineerd in een alzijdig en synesthetisch bombardement dat inderdaad een totaalervaring tot stand brengt.[30]

In Infinity Mirror Room – Phalli’s Field (1965) van Yayoi Kusama wordt het effect van spreiding en van het oplossen van grenzen teweeggebracht door de aanwezigheid van bolletjes op de fallussen op de vloer, en verdubbeld door spiegels aan de muren. De kunstenaar heeft haar psychotische ervaringen omschreven als een breuk met de grenzen van het lichaam: ze had de indruk geabsorbeerd en opgelost te worden in de omgeving, een fenomeen dat ze omschrijft als ‘zelfvergetelheid’ (self-obliteration).[31] Toch gaat het ook om een gevoel van liefde dankzij het vervagen van het individu tijdens een eenwording, zoals de kunstenaar aangeeft in een open brief op 11 november 1968 aan president Richard Nixon:

‘Laten we onszelf vergeten, liefste Richard, en laten we één worden met het Absolute, allemaal samen in het allesverenigende samenzijn. Wanneer we door de hemelen suizen, zullen we elkaar beschilderen met polkadots en onze ego’s verliezen in een tijdloze eeuwigheid.'[32]

Kusama wordt één lichaam, samen met haar omgeving, door zich te laten fotograferen, ondergedompeld in haar eigen werk, met als resultaat een verwarring tussen achtergrond en vorm (omgeving en subject). Desondanks dragen deze fantasma’s van versmolten gelukzaligheid het risico in zich het zelf te verliezen of geabsorbeerd te worden door een ander bewustzijn.

 

Impregnatie, terraformatie en omcirkeling: de totaliserende ruimte

[H]et zal niet met raketten, met spoetniks of met satellieten zijn dat de mens de verovering van de ruimte bewerkstelligt, want hij zal dan altijd een toerist blijven in die ruimte; het zal zijn door die ruimte in alle sensibiliteit te bewonen, dat wil zeggen niet door zich in te schrijven in de ruimte, maar door er doordrenkt van te raken.[33]

– Yves Klein

 

Klein riep op tot een kunst bevrijd van de vorm, waarin pure kleur het meest was aangewezen om de ruimte en het oneindige potentieel ervan te belichamen. Zijn stralende monochromen tonen het idee van een doordrenkte ruimte en ze doordrenken de toeschouwer, een idee dat een letterlijk immersieve dimensie krijgt in 1958, tijdens de tentoonstelling La Spécialisation de la sensibilité à l’état matière première en sensibilité picturale stabilisée (ook bekend als Le Vide) in Galerie Iris Clert in Parijs. Het doel is, zoals de kunstenaar aangeeft, ‘een sfeer te creëren, een picturaal klimaat dat echt is en daarom zelfs onzichtbaar’.[34] Klein (trouwens een verwoed lezer van Bachelard) besteedt een week aan het herschilderen van de galerie in het wit, als een daad waarmee hij de ruimte met zijn sensibiliteit opvult.[35] ‘Mijn actieve aanwezigheid tijdens de uitvoering in de bestaande ruimte van de galerie creëert het klimaat en de stralende, picturale sfeer die gewoonlijk heerst in elk kunstenaarsatelier.’[36] Door het picturale klimaat van de galerie te veranderen, zal hij ook de bezoeker transformeren, ‘doordrenkt door de zintuiglijke, picturale staat, van tevoren specifiek gemaakt en gestabiliseerd door de schilder in de ruimte’.[37]

‘Ik ga niet proberen de mens te hervormen, want ik weet dat de mens niet te hervormen valt. Ik ga de omgeving hervormen,’ zegt Buckminster Fuller.[38] Een gelijkaardig principe ligt aan de basis van de Atmospheres van Judy Chicago, pyrotechnische performances met gekleurde rook die ze uitvoert sinds het eind van de jaren zestig. Door de atmosfeer te vervrouwelijken, heeft het werk als doel het bewustzijn te transformeren door impregnatie, wat doet denken aan de roman van Philip José Farmer, Night of Light (1966), waarin een paarsachtige waas de bewoners van een verre planeet desoriënteert en transformeert. Deze ecologische wijziging op atmosferische schaal lijkt op het proces van terraformatie (ook aangeduid als ecogenese of biosferisatie): een planeet zodanig aanpassen dat ze op de aarde begint te lijken (en dus bewoonbaar wordt door mensen), als de laatste etappe van de kolonisatie van andere werelden. Het is een concept dat al langer bestaat in sciencefictionromans en dat zich verder ontwikkelt dankzij het ecologische bewustzijn in de jaren zestig en zeventig, zoals in de roman Dune (1965) van Frank Herbert.[39] Het verkrijgt een wetenschappelijke dimensie in 1961, wanneer astronoom Carl Sagan voorstelt om Venus te ‘terraformeren’.

Sommige immersieve werken vertonen gelijkaardige karakteristieken, omdat ze op artificiële wijze een biosfeer tot stand willen brengen in de gesloten (en gecontroleerde) ruimte van het museum of de galerie. Voor de tentoonstelling Spaces in het MoMA in 1969 plant Robert Morris levende bomen in een museumzaal. Een mist die hun groei bevordert vult de zaal, wat van de installatie een onafhankelijke biosfeer maakt, afgesneden van de wereld. Dit vereist totale controle, vandaar het letterlijk gesloten karakter van deze immersieve werken die, als totaliserende entiteiten, niet met andere biosferen te combineren zijn.

Marshall McLuhan, in deze periode een invloedrijk denker, geeft aan dat ‘een omgeving van nature een zwakke intensiteit of een zwakke definitie heeft, en daarom aan observatie ontsnapt. Alles wat de omgeving een hogere intensiteit geeft, of het nu gaat om een natuurstorm of een gewelddadige wijziging door een nieuwe technologie, verandert de omgeving door een even sterke intensiteit ook in een object dat aandacht waard is. Wanneer een omgeving zo’n object wordt, neemt ze het karakter aan van een antiomgeving of van een kunstobject.'[40]

In Vento di s.e. velocità 40 nodi (1968) maakt Laura Grisi het mogelijk om een heel sterke wind te voelen waaien, gecreëerd door ventilators. Zo brengt ze een transmutatie teweeg zoals McLuhan die evoceert, omdat ze van een (onmerkbare) omgeving een antiomgeving (een kunstwerk) maakt, en de zintuigen van de bezoeker verscherpt met als doel diens ‘kritisch bewustzijn’ te verhogen dankzij een vervreemdingsproces.[41]

Immersie treedt bij voorkeur op in sferische ruimtes die als ideaal en primair worden beschouwd, vergeleken met de rechthoekige ruimtes die mensen construeren. Daarom zijn tijdens de jaren zestig koepels de utopische architectuur bij uitstek. Ze zijn geschikt voor een immersieve ervaring omdat ze homogeen en ‘afocaal’ zijn. In de zomer van 1960 bedenkt Piero Manzoni het Placentarium, dat tot aan zijn dood in 1963 een project blijft. In nummer drie van het tijdschrift ZERO, verschenen in juli 1961, omschrijft Manzoni het als ‘een pneumatisch theater voor licht- en gasballetten, enzovoort’ waarin ‘het individu absoluut geïsoleerd wordt, volledig ondergedompeld in het spektakel’, en waarin hij het totaliserende van het werk benadrukt. De ervaring die Manzoni wil aanbieden, verwijst expliciet naar de prenatale immersie, door de titel, maar ook door de ‘foetale situatie van de kijker’ in een sferische ruimte.[42] De ‘fenomenologie van het ronde’ roept, à la Bachelard, een gelukkige ruimte op, maar komt ook neer op een topologie van de omcirkeling.[43] Deze ruimte, 360 graden in het rond, bespoedigt de zintuiglijke en psychologische conditionering van de toeschouwer, ondergedompeld in een totaliteit zonder uitgang en gebombardeerd met prikkels.

De intens immersieve aard van de sfeer kan bedreigend en beklemmend overkomen. De overgang van een totaliserende naar een totalitaire ruimte doet zich ook voor in de Britse televisiereeks The Prisoner, uitgezonden tussen 1967 en 1968, waarin de held veroordeeld wordt tot opsluiting in een kunstmatig dorp waarin elke gedetineerde een nummer krijgt, ten koste van de individualiteit. De cirkelvorm als totalitair paradigma wordt in de serie op verschillende niveaus uitgedrukt: de zaal met de sferische controle, waarvan het panoptische functioneren de surveillance van dorpsbewoners toelaat; de leider van het dorp, genesteld in een bolvormige zetel in een cirkelvormige zaal; en tot slot de Rover, een grote opblaasbare ballon die gevangenen opzuigt zodra ze proberen te ontsnappen.

In haar boek over installatiekunst – die ze definieert als immersief – benadrukt Claire Bishop de fysieke participatie van de toeschouwer. Bishop contrasteert de immersieve ervaring met de optische beschouwing die ze als passief en onthecht omschrijft, terwijl de installatie een actieve positie van de kijker impliceert, die zich vervolgens kan omzetten in ‘een actief engagement in de sociopolitieke arena’.[44] Maar de onmogelijkheid, in een totaliserende sfeer, om de blik af te wenden (wat de sfeer totalitair maakt), impliceert de afwezigheid van afstand (letterlijk en kritisch) die er een propagandaruimte zonder weerga van maakt. In 1962 concipieert Ken Isaacs The Knowledge Box: immersie in een kubus, waarin beelden uit tijdschriften op de muren, de vloer en het plafond geprojecteerd worden, in een totaliserende ruimte met meer dan driehonderd foto’s, vergezeld van een geluidsband. Tot stand gekomen in het kader van zijn functie als docent aan het Institute of Design in Chicago, was The Knowledge Box voor Isaacs ook een experiment met een nieuwe manier van leren door middel van immersieve verzadiging, zoals een spoeling van de schedel.

Ook de staat van waakzaamheid die het immersieve kunstwerk genereert, kan in het tegendeel omslaan wanneer het werk een spektakel wordt, of in een diffuse sfeer of propaganda verandert. Uiteindelijk creëert de frontale positie, face to face met een kunstwerk, een ruimtelijke gelijkheid die confrontatie toelaat, terwijl de perceptie in een immersieve conditie altijd gedeeltelijk blijft. Tegenover een kunstwerk zijn we in staat de totaliteit ervan te zien, maar in een immersieve ruimte zijn we slechts een fragment van die totaliteit.

 

 

Noten

1. Geciteerd in: Valérie Da Costa (red.), Écrits de Lucio Fontana. Manifestes, textes, entretiens, Dijon, Les presses du réel, 2013, p. 46.

2. Hoewel het beeld op de cover wordt omschreven als een ‘levende foetus van 18 weken’, geeft een legende onder de inhoudstafel aan dat het om een geaborteerde foetus gaat.

3. Richard Buckminster Fuller, ‘Introduction’, in: Gene Youngblood, Expanded Cinema, New York, P. Dutton & Co, 1970, p. 25.

4. Ik herneem gedeeltelijk het onderscheid (tussen ‘cocooning’ en uitbreiding) zoals gemaakt door kunstenaar en criticus Joseph Nechvatal als het gaat over virtuele realiteit: Joseph Nechvatal, Immersive Ideals/Critical Distances. A Study of the Affinity Between Artistic Ideologies Based in Virtual Reality and Previous Immersive Idioms, proefschrift, Centre for Advanced Inquiry in the Interactive Arts, University of Wales College, Newport, 1999. Een verwante typologische tweedeling is terug te vinden bij Gaston Bachelard, namelijk tussen de gesloten (het huis) en de open plek (het veld) in: La Poétique de l’espace, Parijs, PUF, 1958.

5. ‘The Glorious Walk in the Cosmos’, LIFE, 18 juni 1965, p. 29.

6. Ibid., p. 26.

7. Albert Rosenfeld, ‘Pushed Out Into a Hostile World’, in: LIFE, 30 april 1965, p. 66.

8. Ibid.

9. Gaston Bachelard, La Poétique de l’espace, Parijs, PUF, 1958, p. 103.

10. Achille Bonito Oliva, ‘Teatro delle mostre’, in: Sipario, juli 1968, p. 9.

11. Simon Grant, ‘Robert Morris’, in: Tate Etc., nr. 14, 2008, p. 36.

12. Idem.

13. Op. cit. (noot 9), p. 178.

14. Lucio Fontana, ‘Spatialistes (1)’ [1947], in: op. cit. (noot 1), p. 46; Lucio Fontana, ‘Proposition d’un règlement du mouvement spatial’ [1950], in: op. cit. (noot 1), p. 153.

15. Op. cit. (noot 5), p. 29.

16. Ibid., p. 39.

17. ‘Our Walk in Space’, in: LIFE, 14 mei 1965, p. 124.

18. Ik verwijs naar de tentoonstellingen The Magic Theater. An Exhibition of Environmental Art, Nelson Gallery of Art, Atkins Museum, Performing Arts Foundation, Kansas City, 25 mei tot 24 juni 1968 en Lo spazio dell’immagine, Palazzo Trinic, Foligno, 2 juli tot 1 oktober 1967.

19. Christian Megert, ‘Un Nouvel Espace’, in: Marco Meneguzzo, Christian Megert. Attraverso lo specchio, Lugano, Galleria Allegra Ravizza, 2014, p. 25.

20. Romain Rolland aan Sigmund Freud, 5 december 1927, in: Un beau visage à tous sens. Choix de lettres de Romain Roland (1886-1944), Parijs, Albin Michel, 1968, p. 265.

21. Over de bronnen van het oceanisch gevoel bij Rolland, zie: William B. Parsons, ‘The Oceanic Feeling Revisited’, in: The Journal of Religion, nr. 4, 1998, pp. 501-523.

22. Sigmund Freud, Het onbehagen in de cultuur, in: Werken. Deel 9, Meppel, Boom, 2006, p. 464, vertaling Gerda Mathot, Dick Bergsma en Henk Bouman.

23. Voor een analyse van het ruimtelijke aspect van de psychedelische cultuur, zie: James Nisbet, Ecologies, Environments, and Energy Systems in Art of the 1960s and 1970s, Cambridge/Londen, MIT Press, 2014.

24. Zie: Joseph Nechvatal, op. cit. (noot 4), pp. 302-303.

25. Ibid., p. 302.

26. Alan Watts, ‘Psychedelics and Religious Experience’, in: California Law Review, nr. 1, 1968, pp. 74-85.

27. Yale Joel, ‘Psychedelic Art’, in: LIFE, 9 september 1966, p. 19.

28. Ibid.

29. Ibid., p. 67.

30. Tom Wolfe, The Electric Kool-Aid Acid Test, New York, Farrar, Straus & Giroux, 1968, p. 242.

31. Jo Applin, Yayoi Kusama. Infinity Mirror Room – Phalli’s Field, Londen, Afterall Books, 2012, pp. 4-5.

32. Yayoi Kusama, Infinity Net. The Autobiography of Yayoi Kusama, Chicago, Chicago University Press, 2011, p. 124.

33. Yves Klein, ‘L’Évolution de l’art vers l’immatériel. Conférence à la Sorbonne’, in: Vers l’immatériel. Le dépassement de la problématique de l’art, Parijs, Dilecta, 2006, p. 123.

34. Yves Klein, verslag van de vernissage van de tentoonstelling Époque pneumatique, la sensibilité picturale immatérielle à l’état matière première, Galerie Iris Clert, typoscript met handgeschreven notaties, 1958, Parijs, archief Yves Klein.

35. Het is vanwege deze persoonlijke dimensie dat het werk niet zonder de artist heropgebouwd mag worden, wat nochtans wel gebeurd is.

36. Op. cit. (noot 34).

37. Ibid.

38. Graham Stevens, Mike McInnerney, ‘Buckminster Fuller. Playing a Game of the Universe’, in: International Times, nr. 18, 1967, p. 15.

39. Zie: Chris Pak, Terraforming. Ecopolitical Transformations and Environmentalism in Science Fiction, Liverpool, Liverpool University Press, 2016.

40. Marshall McLuhan, ‘The Relation of Environment to Anti-Environment’, in: The University of Windsor Review, nr. 1, 1966, p. 5.

41. Ibid., p. 3.

42. Brief van Piero Manzoni aan Otto Piene, zomer 1960, geciteerd in: Stefano Setti, ‘Un archetipo avveniristico. L’architettura del Placentarium’, in: Carla Casu (red.), Piero Manzoni. Nuovi Studi, Poggibonsi, Carlo Cambi Editore, 2017, p. 113.

43. Het is de titel van het laatste hoofdstuk van het boek van Bachelard, La Poétique de l’espace, op. cit. (noot 9).

44. Claire Bishop, Installation Art. A Critical History, New York, Routledge, 2005, p. 11.

 

 

• Oorspronkelijke publicatie: Choghakate Kazarian, ‘Expériences totalisantes: oeuvres immersives entre 1949 et 1969’, in: Choghakate Kazarian, Camille Lévêque-Claudet (red.), Immersion. Les origines: 1949-1969, Parijs, Hazan, 2023, pp. 34-49. Dit boek verscheen als catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Musée cantonal des Beaux-Arts in Lausanne, van 4 november 2023 tot 3 maart 2024.

Vertaling uit het Frans: Christophe Van Gerrewey

Waar zijn jullie? De techniek van de immersie

Waar ben ik? Ja, ik vraag het jullie allemaal: waar zijn wij? […] Mij komt het voor als was ik werkelijk in een wondermooi bloeiende, aangenaam bevloeide, de ogen en het gemoed verkwikkende genots- en lusttuin. Wat denken jullie?'[1]

Deze woorden richt prediker Franciscus Xaverius Dorn tot de pelgrims die zich op de eerste mei van het jaar 1753 verzamelen in de Sint-Rassokerk in Grafrath, een gehucht ten westen van München. Ze gaan op een van de jaarlijkse bedevaarten ter ere van Filippus en Jacobus, de apostelen aan wie de kerk is gewijd. Het gebouw is het schrijn van Sint-Rasso, een lokale heilige uit de tiende eeuw, van adellijke komaf, verjager der Hunnen en verzamelaar van relikwieën, wiens reusachtige skelet ter aanbidding op het hoofdaltaar staat.[2] De bedevaart naar Rasso was tot diep in de negentiende eeuw zeer populair, niet het minst omdat de heilige een buitengewoon succesvol genezer was. In een kamertje naast de kerk bevinden zich vandaag nog steeds de talrijke nier- en galstenen die op zijn voorspraak werden verwijderd.[3]

Wanneer in 1753 de pelgrims zijn aangekomen in de kerk om te biechten, de communie te gebruiken en zich bij Rasso aan te bevelen, onthaalt de gelegenheidsprediker hen met een precieze vraag: waar zijn wij? Hij antwoordt ook meteen in hun plaats: in een tuin, en wel de meest paradijselijke die de toehoorders zich kunnen inbeelden. Dorn laat er geen twijfel over bestaan dat zijn woorden niet letterlijk te nemen zijn. Hij daagt zijn gehoor uit: wat denken jullie? Zien jullie wat ik zeg? Ook die vraag, de vraag naar wat de pelgrims denken te zien, beantwoordt hij gezwind. Op gezag van de kerkvaders stipt Dorn aan dat de katholieke kerk een tuin is, ‘aangelegd door Christus de tuinman, gegraven met het kruis, met doornen afgebakend en met heilig bloed begoten’.[4] Deze tuin is mooier dan de hangende tuinen van Babylon, zo vervolgt hij, en brengt kostbaarder vruchten voort dan de tuin van de Hesperiden. Nog even borduurt Dorn voort op de metafoor van de kerk als paradijstuin, om het publiek dan terug te voeren naar het hier en nu:

‘Ik vergis me dus niet al te zeer, als ik zeg: het komt me voor alsof ik in een tuin ben. Ja, ik vergis me helemaal niet, want ook deze materiële kerk, en daarmee bedoel ik de tegenwoordige genadevolle en zeer beroemde kerk van Grafrath, is met het beste recht een tuin te noemen, en wel degelijk een wonderschoon bloeiende bloementuin. Helemaal terecht! We hebben ons dus niet vergist door naar hier te komen, want vandaag begint de bloemenmaand mei.'[5]

Het proza is tenenkrommend. Precies het flagrant manipulatieve karakter van Dorns woorden biedt een aanleiding om na te denken over de spanning tussen beleving en reflectie, en de rol van immersie daarin. Dorn probeert de pelgrims in een andere omgeving onder te dompelen dan die waarin ze zich bevinden. Tegelijkertijd zinspeelt hij doelbewust op de spanning tussen de virtuele en feitelijke omgeving. Zijn opvoering – want dat is de preek – gebeurt in een ruimte die in niets op een bloementuin lijkt, en richt zich tot een talrijk publiek dat voor deze gelegenheid is samengekomen. Onder die omstandigheden moeten de toehoorders in een kerk een tuin zien; de onderdompeling is een opdracht. Dorn onderwerpt zijn publiek aan een niet altijd even subtiel spel van projectie en verwachting, van reflexiviteit en dwang.

Wat er op zo’n moment, in die ruimte, aan de hand is, zegt ook iets over de immersie die de hedendaagse belevingsindustrie aanbiedt. Een preek als die van Dorn illustreert hoe onderdompeling gestuurd wordt door doelgerichtheid en efficiëntie. Immersie dient een doel of een agenda, en het succes hangt af van de mate waarin die agenda wordt vervuld. Bij de vertoning in Grafrath is het duidelijk wat er op het spel staat: conformiteit aan een door autoriteiten gesanctioneerd geloof. In de belevingsindustrie is het ideologische doel minder expliciet. De doelmatigheid lijkt te zijn verschoven naar het succes en de rijkdom van de beleving zelf. ‘Beleving’ is een zwevende betekenaar voor zingeving en succes. Maar die verschuiving van een expliciet ideologische agenda naar een bevestiging door performantie, maakt ‘beleving’ niet minder doelgericht. Ervaarbaarheid dient als bekrachtiging van om het even welke inhoud die zich ervaarbaar laat maken. De overtuigingskracht van de ervaring schuilt nu in de beleving van ervaarbaarheid zelf. Alleen wat ‘beleefd’ kan worden, is belangrijk en echt. Onderdompeling of immersie is binnen deze logica zowel middel als doel: een techniek van de overtuiging die meteen het waarmerk wordt van de overtuiging zelf.

 

Een tuin om in te werken

Waar zijn we? Wat zien we als we om ons heen kijken? In het stadje Grafrath, op een afgezonderde plek langs een bocht van de rivier Amper, stond waarschijnlijk al in de twaalfde eeuw een kerk met de tombe van de heilige Rasso.[6] Het gebouw dat tijdens de bedevaart in 1753 wordt bezocht, kreeg vorm aan het einde van de zeventiende eeuw. De aanleiding voor Dorns feestelijke preek is waarschijnlijk de spectaculaire transformatie van het interieur van de kerk tussen 1750 en 1753. Een team van kunstenaars dat ook aan het werk was geweest in de abdijkerk van het nabijgelegen Diessen, heeft Rasso’s kerk aangepast en van pleisterwerk en schilderijen voorzien. In het schip ontspruiten op een witte achtergrond rocaillecartouches tussen de steekkappen om een welvend kader te dragen voor een monumentale plafondschildering, die twee sleutelmomenten uit het leven van Rasso toont. Zijn apotheose is afgebeeld in de viering, andermaal rijkelijk omkranst met rocailles. Hetzelfde element woekert verder over het interieur, en krult zich over lijsten, openingen, profielen en kapitelen. Alleen nieuwe altaren en een preekstoel ontbreken nog.

Waar zijn we? Misschien moeten we eerst vragen wie we zijn. Waarschijnlijk een mix van enkele kerkelijke en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders, priesters in aanslag om aan sacramentele noden te voldoen, en een massa gelovigen: boeren, werkers, ambachtslieden. We zijn in een arme streek, die pas in de negentiende eeuw onder ellendige omstandigheden industrialiseert.[7] De volkse pelgrims zitten waarschijnlijk opeengepakt in een ruime kerk, die ze na een processie hebben bereikt. Buiten zijn er talrijke kraampjes en gaat het er minder vroom aan toe. Het kerkgebouw sluit de pelgrims van dat exterieur af en dompelt hen, ook dankzij het nieuwe decor, onder in een andere wereld.

Die wereld lijkt in niets op een tuin. Toch aarzelt Dorn niet om de metafoor van de paradijstuin uit te spinnen. De mooiste roos in de tuin is Rasso – Rasso/Rosa – en de tuin is niet alleen een streling voor het oog, maar prikkelt ook de reuk, smaak en tastzin. Retorische figuren helpen Dorn zijn gehoor voor te houden dat hij zich, samen met hen, in een tuin bevindt. Toch beschrijft hij niet zo veel; hij spiegelt de tuin niet in detail voor. De prediker hamert er vooral op dat we in die tuin zijn. Dankzij de tuin kan hij het voorbeeldige leven en de talloze deugden van Rasso beeldend voorstellen, als evenzovele bloemen in een mooi onderhouden perk. Zijn preek hangt ergens tussen de ekfrasis en de didactische uiteenzetting in; minder beeldrijk en energetisch dan de hypotypose, een levendig beeld dat je bijna kan ervaren, bloemrijker dan een uitgesponnen metafoor die helpt een betoog te structureren en memorabel te maken.

Wat de preek niet doet, is het beeld van de tuin koppelen aan het interieur. Op geen enkel moment wijst Dorn naar dit of dat visuele of materiële element om zijn claim kracht bij te zetten. Het kerkgebouw moet ons niet onmiddellijk helpen om hem te geloven. Dat is logisch, want de kerk is geen tuin, en het interieur stelt geen tuin voor. Als rijkelijk versierde plek voor verering, toont het wel de referent van de tuin. In die zin werkt het gebouw materieel en visueel als het gesproken woord van Dorns preek, als hulpmiddel of instrument om de verbeelding te activeren. De pracht van het interieur maakt de tuin makkelijker voorstelbaar: als een ornamenteel veld dat de verbeelding activeert, stimuleert het de ronddwalende blik, en biedt het motieven en beelden waar de aandacht zich aan kan vasthaken. Bovendien roept de pracht de aandacht en middelen in herinnering die diverse autoriteiten in het gebouw en het instituut van de bedevaart hebben geïnvesteerd.

De preek van Dorn is een van de letterlijk honderden gelijkaardige redevoeringen die in de loop van de achttiende eeuw in Centraal-Europese pelgrimsoorden zijn uitgesproken. Steeds weer wordt een meestal aan een Bijbelvers ontleende metafoor uitgesponnen om een vreemde wereld te schilderen waarin heiligen en hun weldaden virtueel aanwezig zijn. Net zo is de kerk in Grafrath een typisch voorbeeld van een bouw- en renovatiegolf die tussen grofweg 1730 en 1780 door het huidige Zuid-Duitsland, Tirol en Zwitserland raasde, en zich uitstrekte van Litouwen tot Spanje, en van Ierland tot in het Ottomaanse Rijk.[8] De inrichting van christelijke kerken van alle confessies, van synagogen en moskeeën, werd massaal aangepast aan de recentste stijl, die vandaag rococo wordt genoemd. Beieren is een dichtbebouwd landschap van rococokerken, van monumentale ensembles zoals in het net vermelde Diessen of het beroemde Ottobeuren, tot lokale dorpskerken. Eigenlijk is het interieur van de Sint-Rassokerk bijna generisch, afgezien van de iconografie en het schrijn van de patroonheilige. Als instanties van typische en wijdverbreide media zijn de decoratie en de preek perfect vergelijkbaar. Ze zijn ook schaamteloos ideologisch: Dorn wil in het interieur geen esthetische ervaring bewerkstelligen, of de vermoeide en uitgebuite landslieden een moment van verpozing bezorgen. De paradijselijke tuin is geen plek van rust, maar van geestelijk en devotioneel werk. Dorn wil dat zijn toehoorders de weldaden van Rasso – monumentaal voorgesteld op het plafond – omarmen met een gesterkt vertrouwen en geloof in het instituut.

 

Conformiteit, collectief en performantie

Het succes van de preek hangt af van hoezeer Dorn de beleving van de pelgrim kan kapen. Als de ruimte van de tuin in de verbeelding van de pelgrims verschijnt, is de preek succesvol. Onderdompeling in de tuin is niet louter een wenselijk effect, en evenmin louter een retorisch middel, maar een proces dat in het kerkinterieur stapsgewijs een collectief vormt dat zich conformeert aan Dorns intenties. De immersie die Dorn hoopt te bewerkstelligen, staat in het teken van performantie: conformiteit en collectiviteit zijn het verhoopte resultaat van een proces dat zich binnen een afgelijnd ruimtelijk, temporeel en sociaal kader ontvouwt. Deze constellatie is in principe uniek en niet herhaalbaar, en ontleent precies daaraan een deel van haar kracht: ze verbijzondert een moment. Tegelijkertijd staat er bij dit proces veel op het spel wat absoluut niet plaats- of tijdgebonden is: geloof, zielenheil, gezag, maatschappelijke orde.[9] Die inzet maakt het moment van immersie instrumenteel in twee betekenissen van het woord. De immersie dient een proces van collectieve conformering, en tegelijkertijd zijn het succes en de performantie van de immersie de maatstaf voor het proces van conformering. De onderdompeling bewerkstelligt inzicht en meet de gelijkvormigheid van het subject; succesvolle immersie is de ‘uiterlijke’ graadmeter van een ‘innerlijk’ proces.

De pelgrims zijn zich ongetwijfeld goed bewust van wat er op het spel staat wanneer Dorn hun vraagt wat zij zien. Die vraag is allerminst onschuldig. Waarschijnlijk willen zij ook de tuin zien die door Dorn wordt opgeroepen. Hun vermogen om de tuin te zien is immers een index van hun geloof. Als de tuin niet tevoorschijn komt, schieten ze tekort en blijkt hun geloof te klein. Dan sluiten ze zichzelf uit van de gemeenschap die zich op hetzelfde moment rond hen vormt met pelgrims die zich wel in de paradijselijke tuin van Rasso bevinden. Deze gemeenschap wil zich in dezelfde tuin bevinden, hoe weinig zij ook van elkaar kunnen weten hoe ze zich elk afzonderlijk deze tuin voorstellen.

In de reconstructie van dit proces moet veel worden verondersteld, door de eenentwintigste-eeuwse auteur, maar ook door de participanten. Het idee dat een performant geloof toegang geeft tot een collectief, bijvoorbeeld, of dat de individuele ervaring of beleving zich effectief schikt naar institutionele verwachtingen. Voor de pelgrims komt de katholieke kerk uiteraard gretig aan deze onzekerheden tegemoet, met een uitgewerkt liturgisch en devotioneel apparaat van rituelen. Sacramentele handelingen pogen de contingentie van dit soort momenten te overstijgen om het subject blijvend te transformeren. Het doopsel is van die rituelen ongetwijfeld het meest archaïsche en immersieve: na de onderdompeling is het subject volledig en onherroepelijk veranderd. De immersie die op een mooie meidag in 1753 wordt bewerkstelligd is van een andere orde, en is nooit volledig. De zintuigen van de pelgrims worden gretig aangesproken, en de aanwezigen zijn waarschijnlijk danig onder de indruk van het interieur van de kerk. Toch worden ze er voortdurend aan herinnerd dat ze zich niet in een tuin bevinden: door de uitgesponnen metaforen van Dorn, door de massa mensen om hen heen – die bewegen, geluid maken, geuren verspreiden – en door de materialiteit en de verschijning van de omgeving zelf. De onderdompeling in Rasso’s tuin is een tussentoestand, een wisselwerking tussen suggereren en aanwijzen, tussen evocatie en articulatie, tussen zien met de ogen en met de geest, zonder dat het ene het helemaal overneemt van het andere.

 

De techniek van de immersie

De kunstvormen die gemakshalve als barok en rococo worden bestempeld, verschijnen in geschiedenissen van immersie (en van verwante fenomenen, zoals de virtuele ruimte) niet zelden als oorsprongsmomenten.[10] Ze combineren, zo gaat het argument, voor het eerst alle visuele kunsten om een totaalervaring te bewerkstelligen, die vaak nog wordt versterkt met wierook, opvoeringen, muziek of kanonschoten. Sculpturale decoratie staat in dienst van totaalprogramma’s, en de architectuur neigt naar symmetrie, beweging en omhullende vormen, zoals cirkels en ovalen. Met name de illusionistische schilderkunst zou de beschouwer met behulp van quadratura en perspectivische constructies onderdompelen in een protovirtuele ruimte, een onvolkomen voorafspiegeling van wat hedendaagse beeldtechnologie vermag. Dit soort genealogie is interessant: zeer verschillende media die ook historisch ver uit elkaar liggen – zoals de illusionistische plafondschildering en augmented reality – worden beschouwd als analoge technieken met hetzelfde doel. Ook de preek van Dorn past volgens deze logica een al dan niet gesofisticeerde technologie toe, net als de tentoonstellingsmaker die bezoekers onderdompelt in elektronische beelden. De katholieke redenaar ontvouwt een retorisch arsenaal in een opulente omgeving, net zoals de curator, kunstenaar, computational designer of verkoper zich bedient van interactieve hogeresolutieschermen en gesofisticeerde brillen. Hoezeer de techniek ook verschilt, performantie is het streefdoel.

Precies dit streven, inherent aan immersieve technieken, maakt een teleologisch begrip van de analogie tussen historische voorbeelden en hedendaagse systemen verleidelijk. De virtuele omgeving is in dat geval een betere versie van Dorns tuin. Als in 1753 VR-brillen voorhanden waren geweest, dan zouden de pelgrims ze toch zeker hebben gedragen? In een andere context heeft Mathieu Triclot gewezen op het risico van dit soort genealogie, die de hedendaagse immersieve technologie naturaliseert als de uitkomst van een onvermijdelijk en tegelijk wenselijk historisch proces van optimalisering, waarin ‘immersie’ gaandeweg vollediger wordt.[11] Dit constante streven wordt enkel beperkt door de beschikbare technologie. Als de performantie van ‘immersie’ wordt afgemeten aan de saturatie van de beleving, maakt de hedendaagse technologie het eindelijk mogelijk om de multisensoriële onderdompeling te bewerkstelligen waar onze barokke voorouders naar verlangden, en die cinema en literatuur ons al lang voorspiegelen.

Een dergelijke redenering schat de ambities van de historische technieken van de immersie echter verkeerd in. Dorns technologie is efficiënt dankzij en niet ondanks de onvolkomenheid van zijn preek. De beleving die Dorn oproept, de immersie die hij al dan niet bewerkstelligt, is nooit volledig, en wil dat ook niet zijn. In het tekort voltrekt zich de strijd om de ziel. De overwinning bewijst of Dorn de middelen die hem ter beschikking staan efficiënt heeft ingezet, en of zijn missie is geslaagd. In deze strijd speelt de illusie een centrale rol. Ook als de metaforische tuin aanwezig is in de geesten van de pelgrims, beseffen zij maar al te goed dat ze een efemere illusie ondergaan.

Dit besef staat niet in de weg van de gewenste ervaring, maar brengt die ervaring mee tot stand. Volgens vroegmoderne interpretaties van de aristotelische mimesis is het illusionistische ‘beeld’ een medium dat de beschouwers verwondert en hen meeneemt in een schijnwerkelijkheid, hoewel ze zich bewust blijven van het illusoire karakter van wat ze ervaren.[12] Precies dat bewustzijn triggert de impuls om de illusie te exploreren. Wanneer beschouwers of toehoorders begrijpen waar de illusie zich situeert, en hoe ze is geconstrueerd, worden ze dubbel beloond: met de verwondering van de illusie en het zien dat ermee gepaard gaat, én met het inzicht in de constructie ervan. Die oscillatie tussen zien en begrijpen activeert de spanning tussen de contingente verwondering – die hier en nu plaatsgrijpt – en de eeuwige en absolute waarheden die via deze bewondering bemiddeld worden. De onvolkomen immersie loodst de beschouwer naar een hogere religieuze of politieke waarheid, zonder dat die waarheid door de smet van de leugen wordt aangetast. De illusie is immers niet eigen aan de waarheid, maar een brug naar inzicht waar de pelgrim even toegang toe heeft. In Grafrath anno 1753 wordt Dorns onvolkomen evocatie van de tuin, de illusie, de gemanipuleerde verbeelding, een instrument. Tegelijkertijd kalibreert dat besef de relatieve waarde die aan de illusie moet worden toegeschreven. De illusie is uiteindelijk slechts een stap verwijderd van de leugen, of een iets beter uitgevoerde versie van de schone schijn. Je kan er maar beter voorzichtig mee zijn.

 

Saturatie en reflectie

De vroegmoderne techniek van de immersie opereert met de premisse van onvolkomenheid, en biedt zo een kritisch perspectief op de hedendaagse immersie – niet om een nieuwe genealogie op te stellen, maar om de immersie te bevragen als techniek. Dat lijkt nodig, want kritiek op de alomtegenwoordigheid van beleving en de belevingsindustrie mist vaak doel, door snel te verzanden in comfortabel elitarisme, dat aanstoot neemt aan de inderdaad soms tenenkrommende pogingen om kunst en musea ‘beleefbaar’ te maken. Er is veel grond voor ergernis, van een esthetiek die recht uit gaming komt, tot aan de banalisering van kunstwerken tot interactieve simulacra of visuele puns. Hoe lastig hoogopgeleide museumbezoekers het ook mogen vinden dat alles ‘beleefbaar’ moet zijn, willens nillens stellen digitale media, de aandachtseconomie en een steeds diverser publiek de mediëring tussen kunst en publiek voor belangrijke uitdagingen. ‘Immersie’ en ‘beleving’ lijken dan beloftevolle technieken om complexe beelden en inhouden toegankelijk te maken. Het is even relevant om te proberen begrijpen wat immersie met de ervaring kan doen als om na te denken over de condities die de immersieve kunstbeleving blijkbaar wenselijk of zelfs onvermijdelijk maken.

De reflexmatige aanwending van ‘beleving’ als drempelverlager volgt een efficiëntielogica, met immersie als een steeds performantere techniek van saturatie. De ideale immersieve ervaring is vol en egaal, zonder kader, rand of marge. De aandacht van de beschouwer moet zich niet richten of kalibreren, maar kan de ervaring gelijk waar ondergaan. Omdat de beleving van de beschouwer totaal wordt aangesproken, valt ze samen met de verbeelding. De ervaring onderdrukt de verstrooide blik, het onverwachte geluid of de zwervende gedachte. Deze performantie keert het vooroordeel tegen de illusie om. De illusie is niet langer een twijfelachtige waarheid, een overtuigende leugen of een efficiënt maar efemeer vehikel om een onbereikbaar inzicht toegankelijk te maken, maar het waarmerk van de succesvolle immersie, en daarmee van een ervaring die waar en echt is. De immersieve ervaring bekrachtigt de authenticiteit van wat wordt beleefd, precies omdat ze schijnbaar onbemiddeld en direct is. De efficiëntie van de immersie als techniek verschuift zo naar de efficiëntie van de mediëring: de onmiddellijkheid van de ervaring, maar ook de ervaarbaarheid van fenomenen en processen zou een publiek sneller toegang verlenen tot wat er echt toe doet. Op die manier past de ‘beleving’ in de obsessie met zelfrealisatie, een proces van optimalisatie dat zich niet inschrijft in een collectief, maar in de eerste plaats betrekking heeft op het individu. Immersie belooft een genaturaliseerde relatie tussen het individu en de inhouden, beelden, processen en werelden die dat individu beter maken.

Deze efficiëntielogica staat haaks op een uitdagende of speelse omgang met de immersie als techniek. Zoals gezegd, kan die techniek evenzeer samengaan met noties van onvolkomenheid, aandacht en reflectie, als met saturatie, passiviteit en consumptie. Als immersie vandaag van de beschouwer totale onderwerping vraagt, opent zich een werkveld door te reflecteren op wat er dan precies gebeurt, en waar dat proces kan beginnen te haperen en ademen. Dat werkveld in kaart brengen en exploreren, vereist een ernstige omgang met de technologie van de immersie. Dat is niet makkelijk, precies omdat zowel het discours als het onderzoek en de toepassing van de immersie volledig gestructureerd zijn door de logica en retorica van de optimalisatie. Bovendien is de techniek van de immersie vandaag vaak het voorwerp van gesofisticeerde technologie. Die machine is niet zo eenvoudig open te wrikken, zeker niet door critici buiten het technologische veld.

Toch is er geen andere keuze, niet alleen omdat de hang naar ‘beleving’ zo alomtegenwoordig is, maar ook omdat er, net als in het Beieren van Dorn, ideologie mee wordt verkocht. Beleving wordt niet alleen een instrument – in de lijn van Dorns retorica of de illusionistische schildering – maar speelt nog vaker scherprechter voor wat belangrijk en echt is. Bevrijd van het expliciet ideologische karakter dat voor de contrareformatorische kerk zo aantrekkelijk was, wordt ‘beleving’ weer beschikbaar voor politieke recuperatie. De zwevende betekenaar van de ervaarbaarheid kan zich zachtjes vasthechten aan momenten, objecten, plekken of omgevingen die beschouwd worden als waardevol en essentieel. Als bijvoorbeeld de Vlaamse minister voor Onroerend Erfgoed in zijn beleidsnota stelt dat erfgoed in de eerste plaats beleefd moet worden, omdat het ‘helemaal niet gaat om stenen, [maar] om onze ziel’, dan deelt de hedendaagse identitaire logica verrassend veel bekommernissen met het achttiende-eeuwse katholicisme.[13] En zo sluipt ook de collectieve dimensie van de immersie weer naar binnen, niet als geïnterioriseerde disciplinering, maar als dog whistle over wie tot het collectief behoort en wie niet. De vraag is niet of kunst, architectuur en erfgoed recht worden gedaan door immersie, maar voor welke strijd de techniek van de immersie wordt ingezet.

 

Noten

1. Franz Xaver Dorn, Lob- Und Ehren-Predigen von Dem Grossen Wunderthätigen Heiligen Rassone, Oder Rathone, Insgemein Sanct Graf Rath Genannt: Gehalten … Zu St. Graf Rath Im Wörth, Augspurg, Wolff, 1754, p. 2.

2. Ernst Meßmer, Das Wundersame Grab von Graf Rasso. Geschichte Der Ungewöhnlichen Wallfahrt Und Wallfahrtskirche Zu St. Grafrath, St. Ottilien, EOS-Verlag, 2004.

3. Steven D. Sargent, ‘Miracle Books and Pilgrimage Shrines in Late Medieval Bavaria’, in: Historical Reflections/Réflexions Historiques, nrs. 2-3, 1986, pp. 455-471.

4. Op. cit. (noot 1), p. 2.

5. Ibid., p. 3.

6. Ernst Meßmer, Grafrath. Wallfahrtskirche zum hl. Rasso. Kunstführer 519, Regensburg, Verlag Schnell & Steiner, 2017.

7. Zie: Toni Drexler, Die Rasso-Räuber. Vom Finsterbach Zum Mississippi. Eine Der Letzten Großen Räuberbanden Bayerns Im 19. Jahrhundert, Taufkirchen, Via verbis bavarica, 2007.

8. Voor rococo als globaal fenomeen, zie: Gauvin Alexander Bailey, The Spiritual Rococo. Visual Culture in Early Modernity, Farnham, Ashgate, 2014. De extreme mobiliteit van rococo wordt bijvoorbeeld aangetoond in: Christine Casey, Making Magnificence. Architects, Stuccatori and the Eighteenth-Century Interior, New Haven, Yale University Press, 2017.

9. Over disciplinering in het contrareformatorische Beieren, zie onder andere: Philip M. Soergel, Wondrous in His Saints. Counter-Reformation Propaganda In Bavaria, Berkeley, University of California Press, 1993; Ulrike Strasser, State of Virginity. Social History, Popular Culture, and Politics in Germany, Ann Arbor, University of Michigan Press, 2004; Lyndal Roper, Oedipus and the Devil. Witchcraft, Sexuality and Religion in Early Modern Europe, Londen, Routledge, 1994. Zie ook: Marc R. Forster, Catholic Revival in the Age of the Baroque. New Studies in European History, Cambridge, Cambridge University Press, 2001.

10. Zie bijvoorbeeld: Christine Buci-Glucksmann, ‘Baroque et complexité. Une esthétique du virtuel’, in: Sebastian Schütze (red.), Estetica Barocca, Rome, Campisano, 2004, pp. 453-459; Sarah Coffin (red.), Rococo. The Continuing Curve, 1730-2008, New York, Cooper-Hewitt, National Design Museum, Smithsonian, 2008; Melissa Lee Hyde, Katie Scott (red.), Rococo Echo. Art, History and Historiography from Chochin to Coppola. Oxford University Studies in the Enlightenment 12, Oxford, Voltaire Foundation, 2014. Zie ook: Pierre Delsaerdt, Esther Van Thielen (red.), Barokke influencers. Jezuïeten, Rubens en de kunst van het overtuigen, Veurne, Hannibal Books, 2023.

11. Mathieu Triclot, ‘L’immersion n’existe pas’, in: Valentina Tirloni (red.), L’Image virtuelle. Transversales philosophiques, Parijs, L’Harmattan, 2012.

12. Anthony Blunt, ‘Gianlorenzo Bernini. Illusionism and Mysticism’, in: Art History, nr. 1, 1978, pp. 67-89; Pierre Charpentrat, ‘Le trompe l’oeil’, in: Nouvelle Revue de Psychanalyse, nr. 4, 1971, pp. 161-168 (themanummer Effets et formes de l’illusion).

13. Ben Weyts, ‘Inleiding door de minister’, in: Beleidsnota Onroerend Erfgoed 2024-2029. Fier op dat van hier. Van nalatenschap naar eigenaarschap, Brussel, Agentschap Onroerend Erfgoed, 2024, p. 4.

Een ondergronds en geheimzinnig wandelmuseum

De catacomben zijn een topattractie in de Franse hoofdstad. Het ossuarium of knekelhuis met beenderen van ongeveer zes miljoen Parijzenaren is ondergebracht in een van de vele ondergrondse steengroeven. Op deze bijzondere plek wordt al sinds het begin van de negentiende eeuw het esthetische en het pedagogische doel van het klassieke museum gecombineerd met een belevenis: griezelen.

De Parijse catacomben hebben een uitermate boeiende geschiedenis. Ze zijn genoemd naar de antieke catacomben, een ondergrondse begraafplaats in Rome, tot stand gekomen op initiatief van de christelijke geloofsgemeenschap. De pendant in Parijs was een project van de stad, ontstaan uit de noodzaak om de grote, ongelooflijk vervuilende kerkhoven in het centrum te ontruimen. Het grootste kerkhof van het achttiende-eeuwse Parijs was het Cimetière des Innocents, op de plek waar zich vandaag het shopping- en metrocentrum Les Halles bevindt. Het bestond uit een grote vlakte omzoomd door muren waartegen galerijen waren gebouwd met individuele graven. De mensen die zich geen persoonlijk graf konden veroorloven, werden in massagraven op het plein gegooid. De beenderen van de lichamen die reeds waren vergaan, werden in de galerijen boven op de individuele graven gestapeld, tot tegen het plafond. In de achttiende eeuw werd de gemiddelde inwoner van Frankrijk 25 jaar oud, en Parijs telde in 1790 ongeveer 600.000 bewoners: de kerkhoven in Parijs hadden dus veel lijken te verwerken. Soms werd niet eens de moeite gedaan om een massagraf te delven, en volstond een laagje ongebluste kalk. Het resultaat was een onverdraaglijke stank. Straten lagen bezaaid met lichaamsdelen, die door wilde, hongerige honden uit het kerkhof waren gestolen. De bodem was ernstig vervuild. Vreemd genoeg hield dat de Parijzenaars niet tegen om het kerkhof te gebruiken als een ontmoetingsplek om te kletsen, te wandelen of te boogschieten. De kerkelijke autoriteiten zagen zich tussen de dertiende en de vijftiende eeuw regelmatig genoodzaakt om jongleurs, charlatans, prostituees en dansers van het kerkhof te verdrijven.[1] De dood werd niet op afstand gehouden, zoals Marie-France Arnold schrijft:

‘De getemde dood wist het idee van een brutale, dramatische, onherleidbare en definitieve onderbreking van het leven uit. De dood wordt gezien als een logische episode in de kortstondige passage van menselijke levens op aarde, even onvermijdelijk als de geboorte. De dood maakt volledig deel uit van het dagelijkse leven.'[2]

Vanaf 1760 kreeg het stadsbestuur meer en meer klachten over de giftige dampen en ontbindingsgassen die rond het kerkhof hingen. Mensen werden onwel, liepen letsels op door explosies, en buurtbewoners zagen verse melk of wijn in enkele uren verzuren. Toen een muur van een huis naast een massagraf op het kerkhof instortte, werd een kelderruimte bedolven onder honderden lijken. De Parijzenaars eisten een oplossing. Het stadsbestuur besloot in 1780 om het kerkhof te sluiten en in 1785 werd het arrest uitgevaardigd om de menselijke overschotten van het Cimetière des Innocents over te brengen naar de ondergrondse steengroeven van Tombe Issoire, buiten de stadsmuren en niet langer in gebruik.

Dat besluit van het stadsbestuur ging samen met een gewijzigde houding ten opzichte van de dood. Onder invloed van het Angelsaksische spiritisme, waarin men onder meer gelooft dat er met de doden kan worden gecommuniceerd, werd het belangrijker om de ziel van de overledene te koesteren, eerder dan het lichaam. In plaats van lijken te bewaren in de nabijheid van de familie, in het midden van de stad, werd er bijvoorbeeld – door wie daar geld voor had – een buste van de overledene opgericht, of er werd een haarlok van de betreurde in een metalen medaillon bewaard. De dood werd abstracter en letterlijk marginaler – verdreven naar de marges van het dagelijks leven.

Je zou het niet vermoeden als je de imposante Parijse gebouwen en boulevards ziet, maar de ondergrond is als kaas met gaten. De Romeinen hadden al door dat de kalksteen er voor het grijpen lag, om tempels, aquaducten, arena’s en thermen te bouwen in het toenmalige Lutetia. Openluchtsteengroeven werden aangelegd in de Montagne Sainte Geneviève, ter hoogte van het huidige Panthéon. De Parijse mijnbouw kende een exponentiële groei nadat François I in 1560 besliste dat huizen in steen moesten worden gebouwd in plaats van in hout, om brand te vermijden. Naarmate de makkelijk toegankelijke steenlagen uitgeput raakten, werd er ook ondergronds gegraven, en verder weg van de stad. Niet alleen de witte kalksteen waaraan Parijs die typische blanke aanschijn te danken heeft werd ontgonnen, maar ook gips (om de bekende plâtre de Paris te maken), klei (voor tegels, bakstenen en dakpannen), zand (voor mortel en glas) en zandsteen (om straten te plaveien). De straat die Montmartre verbindt met het lagergelegen Square d’Estienne-d’Orves heet de Rue Blanche, als verwijzing naar het stof dat de straat wit kleurde toen de karren vol gips naar beneden denderden.

De gipsgroeven bevonden zich in de heuvels van Montmartre en Belleville. De kleigroeven lagen nabij het huidige Bois de Boulogne, terwijl de steengroeven zich in het zuiden van de stad bevonden. Midden achttiende eeuw, op het hoogtepunt van de ontginning onder de heerschappij van Lodewijk XV, was één tiende van de totale oppervlakte van de stad met mijnen onderkelderd! De delfplaatsen bevonden zich op meer dan twintig meter diepte, onder het niveau van de huidige metro en van nutsvoorzieningen zoals riolen. Ze werden soms over verschillende verdiepingen verspreid en vormden samen meer dan driehonderd kilometer aan gangen.

Van zodra ze ‘op’ waren en in de vergetelheid raakten, zorgden de mijnen bovengronds uiteraard voor stabiliteitsproblemen. Trillingen van karren waren voldoende om de grondlaag te breken en om volledige huizen te laten verdwijnen in gigantische kraters. In 1774 stortten over een lengte van driehonderd meter alle huizen in aan de Route d’Orléans, de huidige Avenue Denfert-Rochereau. Ze werden verzwolgen in een put van meer dan 25 meter diep. Al eerder was geprobeerd de ondergrondse ontginning aan banden te leggen, maar pas in 1778 kwam er een volledig verbod. Het duurde echter tot 1813 vooraleer het ook werd nageleefd.

De menselijke resten van het Cimetière des Innocents in 1785 verplaatsen naar de verlaten steengroeve van Tombe Issoire was geen sinecure. Het verstoren van de laatste rustplaats van dierbaren bleek erg gevoelig te liggen. Om pottenkijkers te vermijden en om gevoelige zielen te sparen, vond de verhuis ’s nachts plaats, onder begeleiding van priesters. Karren vol met skeletten denderden door de donkere straten, schaars verlicht door toortsen gedragen door zingende priesters. Af en toe viel een schedel van een kar, en botste een paar tellen lang over de keien… Omstanders sloegen een kruis wanneer de stoet passeerde – je zou voor minder goddelijke bijstand inroepen!

Het grootste deel van de verhuizing van de lichamen naar de huidige catacomben vond plaats gedurende zes maanden, tussen december 1785 en mei 1786, maar de totale verplaatsing nam twee jaar in beslag. Vervolgens werden in de catacomben ook de menselijke resten van andere parochiale kerkhoven van Parijs ondergebracht, en in 1860, na de grote urbanistische ingrepen van baron Haussmann, vond de laatste toevoeging plaats.

Al in 1810 werd Louis-Étienne Héricart de Thury aangesteld om de catacomben in te richten. De beenderen waren jarenlang gewoon in de onderaardse gangen gestort, maar Héricart wou de catacomben toegankelijk maken voor het publiek, met als doel de bezoekers een bijzondere ervaring te bezorgen. Hij wou er, zoals het nu nog op de website van de catacomben wordt omschreven, een ‘musée promenade souterrain et mystérieux’ van maken.

Voor de inrichting combineerde Héricart principes uit de mijnbouw – het onderaardse museum moest stabiel en veilig zijn – met een uitgesproken mise-en-scène. Hij hanteerde de mijnbouwtechniek van het graven met hague en bourrage: alle onbruikbare stenen werden door de mijnwerkers gebruikt als opvulling (bourrage), en die opvulling werd tegengehouden door muurtjes (hague), die twee pilaren met elkaar verbonden (piliers à bras). Héricart gebruikte bestaande pilaren van de steengroeve of bouwde nieuwe, indien nodig. De gangen moesten immers worden verhoogd om het comfort van de bezoekers te garanderen. Met scheenbenen, dijbenen en schedels maakte hij de muurtjes, waarachter de andere, vaak beschadigde of onregelmatige beenderen werden opgestapeld.

De mise-en-scène van Héricart heeft een classicistische stempel: de ruimtes van het ossuarium hebben een naam die antiek of literair geïnspireerd is, zoals ‘le sarcophage du Lacrymatoire’ (een lacrymatoire is een terracotta potje waarin de tranen van de treurenden bewaard liggen), ‘le grand sacellum des Obélisques’ (een sacellum was in de antieke Romeinse godsdienst een klein heiligdom) en ‘le pilier du Memento’. De kamers zijn versierd met antieke grafmonumenten, zoals een Dorische zuil en een cenotaaf. En uiteraard zijn er ook talrijke verwijzingen naar de Bijbel, zoals in ‘la crypte de la Passion’ en ‘la fontaine de la Samaritaine’.

Héricart liet in de gangen plaatjes aanbrengen met de naam van de straat boven de grond. Samen met de labyrintische sensatie die dit gangenstelsel oproept, zorgt de spiegeling tussen onder- en bovenwereld voor een gevoel van fascinatie en spanning. We zitten diep onder de aarde, te midden van de doden, en misschien raken we nooit meer weg… Die spanning wordt door Héricart ook opgebouwd: om het ossuarium te bereiken, moet de bezoeker eerst tien minuten door een lange kronkelende gang lopen. Zoals dat geldt voor elk griezelfeestje, is het belangrijk om eerst en vooral de verbeelding te stimuleren. Boven de toegang hangt dan ook, als bij een spookhuis, de spreuk ‘Arrête, c’est ici l’empire de la mort’. Aan weerskanten van de deuropening is door Héricart een ruit geschilderd, een motief dat vaak terugkeert in oud-Egyptische grafversieringen omdat het symbool zou staan voor de energie die circuleert tussen de aarde en de hemel. In het knekelhuis zelf zijn plaatjes geïnstalleerd die aangeven uit welk kerkhof de beenderen afkomstig zijn, zodat de bezoeker wordt uitgenodigd om zich het lugubere gebeuren van de verhuizing nog eens voor te stellen, een beeld dat ook wordt opgeroepen door de tekst en afbeeldingen in het ossuarium. De catacomben zijn dus zo in scène gezet dat het lugubere aspect volledig doordringt, opdat de bezoeker de bijzondere mix van fascinatie, weerzin en angst aan den lijve kan ondervinden. Dit is een museum dat niet is ingericht om bezichtigd, maar om beleefd te worden.

Hoewel Héricart wel degelijk inzette op de primaire sensatie van de kick, was hij toch beducht voor platte sensatie. Hij wilde de catacomben de waardigheid van een mausoleum bieden, dat wil zeggen: geen directe confrontatie met de dood zelf, zoals in een knekelhuis, maar een eerbetoon aan de plaats van de dode in de geschiedenis. Omwille van die waardigheid of verhevenheid voegde hij een pedagogische en meditatieve dimensie toe aan de catacomben. Héricart liet mineralogische vitrines installeren met een staalkaart van de Parijse ondergrond. Op de muren zijn spreuken en citaten aangebracht die de bezoeker moeten doen stilstaan bij de fragiliteit van het leven. In het boek dat hij zelf over de catacomben schreef, zegt Héricart dat hij de sinistere gevoelens wil tegengaan die begraafplaatsen doorgaans oproepen. De catacomben moeten troost bieden aan de overlevenden door hen tot een meer filosofische houding te bewegen en hen te laten mijmeren over leven en dood. Dit is een lange, ontsporende, bezwerende zin uit Héricarts Déscription des catacombes de Paris, précéedée d’un précis historique sur les catacombes de tous les peuples de l’ancien et du nouveau continent uit 1815:

‘De lugubere aanblik van het interieur van onze catacomben, het gevoel van donkere melancholie dat ze achterlaten, de diepe droefheid waartegen men zich doorgaans niet kon verdedigen op een plek waar de onbetwistbare getuigen van de meest complete vernietiging geen enkele afleiding meer toelieten, kortom het idee van zoveel generaties, wier overblijfselen, opgestapeld in de ingewanden van de aarde, voorbestemd leken om de mijnmassa te ondersteunen, opgegraven en opgeschud door de hand van onze voorvaderen, of om hun nietigheid te verbergen voor de natuur, het heeft mij ertoe aangezet de sinistere en zwarte monotonie van dit immense knekelhuis te doorbreken, met inscripties ontleend aan de Heilige Schrift, aan dichters en filosofen van alle leeftijden, met hun mooiste zinnen over ons bestaan, om de kwetsbaarheid ervan, de dood en uiteindelijk de hoop op een ander leven samen te brengen, een idee dat even lieflijk, even noodzakelijk als troostend is voor de ongelukkigen.'[3]

Héricart stelde zich dus een existentieel doel: hij wilde mensen helpen in de omgang met de dood, eerder dan ze gewoon te vermaken. Zo krijgt de bezoeker aan de catacomben een klassiek memento mori te lezen: ‘Pensez le matin que vous n’irez peut-être pas jusques au soir et le soir que vous n’irez peut-être pas jusques au matin.’ Het gaat om een citaat uit De imitatione Christi, rond 1400 geschreven door Thomas a Kempis – in de vertaling van Willem Kloos: ‘Als het morgen is geworden, moet gij u verbeelden, dat gij den avond niet zult halen. Maar als de avond weer is gevallen, wees dan niet zoo brutaal om te denken, dat gij den daarop volgenden morgen zeker nog in leven zult zijn.’ De bezoeker wordt ook herinnerd aan de menselijke nietigheid en aan de dood als ultieme gelijkmaker, met een citaat uit de Psalmen: ‘De mens – zijn dagen zijn als het gras, hij is als een bloem die bloeit op het veld, en verdwijnt zodra de wind hem verzengt; de plek waar hij stond, kent hem niet meer.’ Ook een carpe diem ontbreekt niet, uit The Complaint or Night Thoughts on Life, Death and Immortality van Edward Young uit 1743: ‘Gij sterfelijke, die niet weet wat de waarde is van een ogenblik, vraag het aan diegene die op zijn doodsbed ligt.’ Het parcours sluit af op een plechtige en ietwat dramatische wijze, met de tweetalige spreuk ‘Consummatum est – Tout est consommé’, een verwijzing naar de laatste zin die Jezus zou hebben gesproken: ‘Het is volbracht.’

De manier waarop Héricart de catacomben heeft ingericht, komt opmerkelijk goed overeen met de notie van beleving zoals die enkele decennia later ontwikkeld werd door Wilhelm Dilthey. Deze Duitse hermeneuticus was zeer begaan met de vraag waaruit goede filosofie bestaat. Hij geloofde dat de filosoof, in tegenstelling tot de natuurwetenschapper, moet vertrekken vanuit de manier waarop een te bespreken onderwerp wordt beleefd. Niet alleen wat de filosoof denkt, maar ook wat de filosoof voelt en wil naar aanleiding van dat onderwerp, dient in rekening te worden gebracht. Het onderwerp moet van binnenuit worden verstaan, vanuit wat onmiddellijk toegankelijk is, vanuit de totaliteit van het zielenleven of de beleving. Dilthey voegde hier iets belangrijks aan toe: iets beleven betekent ook nagaan wat de betekenis is van wat je beleeft, in de bredere samenhang van je leven. De filosoof moet dus nagaan hoe dit ‘iets’ zich verhoudt tot het geheel van het leven, en aangezien een geheel een bepaalde tijdsduur en een zekere coherentie inhoudt, veronderstelt belevenis dus ook betekenis en tijd. Dat verklaart meteen waarom de filosofie van Dilthey tot de hermeneutiek wordt gerekend. Iets beleven betekent dat je iets laat resoneren met andere dingen uit je leven, en aangezien je leven nooit alleen van jou is, maar ook anderen omvat, die nu leven, maar ook vroeger en in de toekomst, hier en elders, actueel en virtueel, is het geheel waarmee de beleving kan resoneren heel breed. Voor Dilthey is de beleving de plaats waar de werkelijkheid zich onmiddellijk, in alle volheid, openbaart. Belevenis is nooit een subjectivistische aangelegenheid, en Dilthey psychologiseert de beleving niet. Beleving is niet van de orde van de allerindividueelste respons, maar houdt een zekere reflectie in, al is die niet noodzakelijk conceptueel. Iets beleven betekent dat je iets plaatst in een bepaalde structuur, het ervaart vanuit de samenhang die jouw verhouding tot de wereld kenmerkt. ‘Een beleving is een structurele eenheid van betekenis en presentie in de vloed van de tijd,’ zoals Gerard Visser het treffend omschrijft in het spoor van Dilthey.[4]

De mise-en-scène van de catacomben lijkt te voldoen aan deze dubbele aard van de beleving: enerzijds zet Héricart volledig in op de lichamelijke sensaties van fascinatie, angst en weerzin die een bezoek aan een ondergronds, labyrintisch knekelhuis oproept. Hij probeert die zelfs te versterken door de verbeelding van de bezoeker te stimuleren. Anderzijds wil hij het daar niet bij laten en roept hij de bezoeker op, met citaten en referenties, om wat fascinatie, angst en weerzin oproept te verbinden met ruimere thema’s zoals de onherroepelijkheid van de dood, die voor iedereen gelijk is, als een wezenlijk onderdeel van het leven. Hierdoor stijgt de bezoeker uit boven directe, levendige en enigszins blinde sensaties, die gelaagdheid en betekenis kunnen verwerven.

Héricart vermijdt de inflatie van het zintuiglijke waaraan meer actuele immersieve tentoonstellingen vaak ten prooi vallen. Video’s die hele muren innemen, interactieve schermen, een overdonderende soundtrack, bewegende, duizelingwekkende projecties op de vloer… de zintuigen lijken om het hardst geprikkeld te worden. Het resultaat kan omschreven worden met de woorden die Nietzsche gebruikt om de kunst van Richard Wagner te beschrijven, nadat de componist in diens ogen van zijn voetstuk is gevallen: ‘de overdreven vitaliteit in de kleinste dingen’, ‘de emotie tot elke prijs’, ‘steeds meer zenuwen in plaats van vlees’.[5] Het gevolg is dat de bezoeker blijft steken in de prikkel; beleving wordt gereduceerd tot belevenis, tot een kortstondige reactie zonder uitlopers naar de wereld. Het bezoek stopt meteen buiten de exporuimte, zoals het plezier van eten stopt wanneer het is doorgeslikt. De ervaring – als pure emotie, zonder meer – krijgt niet de tijd en de ruimte om zich in te schrijven in de ruimere structuur van het leven van de toeschouwer. Het blijkt nog steeds in de Parijse catacomben: daar wou Héricart niet aan meedoen.

 

Noten

1. Philippe Ariès, L’Homme devant la mort, Parijs, Seuil, 1977, p. 64.

2. Marie-France Arnold, Petite et grande histoire des catacombes de Paris, Charenton-le-Pont, Presses de Valmy, 2014, p. 36.

3. Geciteerd in: Ania Guini-Skliar, ‘Le temps à travers les inscriptions des catacombes de Paris’, in: Joëlle Mauerhan (red.), Pratique et mesure du temps. Actes du 129e Congrès national des sociétés historiques et scientifiques, Parijs, Éditions du CTHS, 2011, p. 192.

4. Gerard Visser, De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang, Amsterdam, Boom, 2012, p. 173.

5. Friedrich Nietzsche, ‘Het geval Wagner’, in: Nietzsche contra Wagner, Amsterdam, Arbeiderspers, 1994, p. 43, vertaling Hans Driessen.

De laatmoderne belevenisindustrie: een inleiding


A foggy day, in London town

Had me low, had me down

I viewed the morning, with much alarm

The British Museum had lost its charm.

– George & Ira Gershwin, ‘A Foggy Day’ (1937)

 

Het museum infantiliseert en de ‘beleving voor iedereen’ primeert. Elke museumdirecteur, curator en kunstenaar kan die evolutie versterken. Zie bijvoorbeeld, vorig jaar, de retrospectieve Ensors stoutste dromen. Het impressionisme voorbij in het KSMKA: een ernstig overzicht van een groot oeuvre wordt met de luchtigheid van een pretpark ingepakt, schilderijen worden gemengd met schermen, en de bezoeker wordt ‘cabaretesk’ ontvangen, zoals Jozefien Van Beek schreef in De Standaard.[1] Het museum is geen ruimte voor Bildung meer, maar een plek waar het verleden ‘beleefbaar’ wordt. Dezelfde infantilisering keert terug in de hedendaagse kunst. De bijdrage van Nederland aan de Biënnale van Venetië in 2024, verzorgd door CATPC, Renzo Martens en Hicham Khalidi, is hiervan een schoolvoorbeeld. In het paviljoen was een neo-agitprop theaterstuk te zien, met Congolese kunstenaars die de kolonisatie van hun land op een denkbeeldig proces veroordelen. Het ‘statement’ van Martens kwam voort uit een ongenuanceerde visie op de geschiedenis: het verleden was niet zoals het heden idealiter zou moeten zijn. Dit soort kunst laat geen twijfels of esthetische vraagstelling toe; de artistieke boodschap is helder, direct en effectief, met een snelle, pseudopolitieke attitude. Kunst wordt op die manier even infantiliserend als de vele prettentoonstellingen waarop werk van historische kunstenaars als Ensor, Magritte of Van Gogh in scène wordt gezet. Of het nu is in de naam van diversiteit, inclusie, laagdrempeligheid of participatie: de artistieke ervaring wordt gehomogeniseerd, genivelleerd en gereduceerd. Kunst moet onmiddellijk pakkend en sensationeel zijn, en nooit verwarren door te vragen om beschouwing of door intellectueel te prikkelen. Hoe zijn we hier beland?

Krzysztof Pomian bespreekt in zijn monumentale trilogie Le musée, une histoire mondiale, verschenen tussen 2020 en 2022, de evolutie van de museumcultuur. Vooral het laatste deel, À la conquête du monde. 1850-2020, geeft inzicht in de ontwikkeling van het statuut en de missie van het museum. De vraag naar kunstbeleving volgt op de eis tot participatie, en wordt geacht het beste middel te zijn om publiek te lokken met een ‘toegankelijk’ verleden. De kwestie van ‘representativiteit’ is echter niet nieuw. Het museumpubliek viel nooit zomaar met iedereen of met ‘de massa’ samen. Het museum heeft altijd een bepaald, maar steeds wisselend ‘publiek’ voor ogen gehad.

Het begin van het museum is de schat- of pronkkamer, zoals die bestaan heeft in vele culturen. De schat bestond uit geschenken en geplunderde goederen die werden gebruikt bij diplomatieke en commerciële uitwisselingen. Toen Paus Sixtus IV in 1471 de Musei Capitolini oprichtte voor de antieke sculpturen die gevonden werden in Romeinse ruïnes – de wolvin die Romulus en Remus voedt, de Venus van het Capitool, De Stervende Galliër… – werden meteen een publiek én een perceptie gevormd. De antiquarii, de humanisten en hun adellijke opdrachtgevers, vormden de eerste geprivilegieerde groep die deze objecten verzamelde als getuigenissen van een gedeeld verleden. Het ontstaan van de eerste publieke verzamelingen of musea ging gepaard met de vorming van een modern erfgoedbegrip.[2] Kunst werd een publieke zaak, of preciezer: privaat eigendom werd om inhoudelijke redenen met anderen gedeeld. Die ‘anderen’ waren in de vijftiende eeuw een handvol bevoorrechte Romeinen, maar in 1734 werden de Musei Capitolini door toedoen van Paus Clemens XII opengesteld, zodat het ‘publiek’ breder werd, en het museum voor het eerst door anderen bezocht kon worden.

Essentieel is dat het museum een bijzondere vorm van kijken voorstond: een intellectueel gemotiveerd, ‘geleerd’ kijken naar objecten, om een gemeenschappelijk verleden te leren kennen. De stelling dat elk museum daarom een koloniserende instelling is, komt voort uit het terechte inzicht dat artefacten in een museale context steeds worden ‘geabstraheerd’ of losgemaakt uit hun oorspronkelijk context, net om ze te kunnen inpassen in een Geschiedenis. Het museum daarom op moralistische gronden aanklagen is echter te simplistisch. De ambitie om musea te ‘dekoloniseren’ overstijgt amper het symbolische herstel en berust op een categoriefout: het museum is geen bevoorrechte plek van de macht. Investeringsfondsen, weginfrastructuur, kantoorgebouwen: de macht concentreert zich daar veel meer dan in wetenschappelijke instellingen. Kunst hangt niet in musea om de ruilwaarde ervan te verhogen. Het museum is de schatkamer niet.

In moderne samenlevingen neemt het museum een andere functie op, als de plek waar een cultuur aan het eigen ‘tijdsbewustzijn’ werkt. Het museum is de ruimte waarin een samenleving kan bepalen wat ze wil onthouden en hoe ze met het verleden zal leven. Het publiek en toegankelijk maken van deze ‘perceptievorm’ transformeert het moderne museum in een laboratorium voor kunstgeschiedenis. De kunstgeschiedenis is de wetenschapsdiscipline die het collectieve erfgoed bijhoudt en publiek toegankelijk en bevattelijk maakt door het te historiseren. Deze missie van het museum past in het maatschappelijke project om de burger te vormen en te verlichten, door de bourgeoisie en andere lagen van het volk in staat te stellen een culturele sensibiliteit te ontwikkelen.

Actuele discussies over de missie van het museum, over het doelpubliek en over de spanning tussen esthetisch genot, emotionele ontroering, beleving en amusement, worden weerspiegeld in het negentiende-eeuwse debat over het Louvre, dat geopend werd als museum in 1793. De Franse Revolutie stelde de vraag naar de waarde van al die machtstekens die het leven van de gehate elite opsmukten. De oplossing bestond erin de saisie révolutionnaire te beschouwen als een redding van de ‘cultuur’ en van het collectieve bezit van de mensheid. Het ontroerende La Cruche cassée (1771-1772) van Jean-Baptiste Greuze in het Louvre is een schilderij uit de collectie van Madame du Barry, die op de Place de la Concorde werd onthoofd. Niet alleen verre culturen, maar ook de lokale aristocratie kan het slachtoffer zijn van nieuwe machtsverhoudingen.

Hoe kan cultuur belangrijk worden ‘voor iedereen’? Jean-Baptiste Pierre Lebrun was een verzamelaar, schilder, kunsthandelaar en echtgenoot van de legendarische portrettist Élisabeth Vigée-Le Brun. Hij was, net als de Girondijnse minister van Binnenlandse Zaken Jean-Marie Roland de La Platière, betrokken bij de opening en de organisatie van het Louvre. Lebrun verdedigde de organisatie van de collectie in scholen en periodes, in de lijn met de principes van Winckelmann, zoals hij die kende uit het Belvedere in Wenen. Het museum was voor hem een instelling voor intellectuele en esthetische opvoeding. La Platière daarentegen beargumenteerde dat een dergelijke presentatie van de werken eruditie veronderstelt, en op die manier het bredere publiek negeert. In een brief uit december 1792, gericht aan de directie van het Louvre, pleitte hij voor ‘een bredere toegang’ tot kunstwerken, die niet historisch geordend moesten worden.

‘Het Museum is niet alleen maar een plek voor studie. Het is een bloembed dat moet worden geëmailleerd met de meest briljante kleuren; het is nodig dat het museum de liefhebbers weet te interesseren maar daarbij ook onophoudelijk de nieuwsgierigen amuseert. Het is goed voor iedereen. Iedereen heeft het recht ervan te genieten.'[3]

Het scepticisme over de wetenschappelijke en educatieve functie van het museum is, enkele decennia na La Platière, opnieuw te vinden in de geschriften van Benjamin Guérard, de grootste Franse mediëvist uit de negentiende eeuw. Guérard publiceert in 1853 in het tijdschrift Bibliothèque de l’École des chartes een opmerkelijke kritiek op de complexe historische indeling van kunstwerken, maar ook op uitputtende chronologische classificaties en scholen. Hij volgt de lijn van La Platière:

‘Voor de zeer grote meerderheid van personen die het Louvre frequenteren is behagen en aanraken de belangrijkste kwestie die de administratie moet oplossen; opvoeden is slechts bijkomstig: ze kunnen immers geen waardering opbrengen voor een systeem dat de kunst integraal opoffert aan de wetenschap.’

Guérard vindt de esthetische ervaring belangrijker dan eruditie: schilderijen moeten worden tentoongesteld ‘met de grootst mogelijke aantrekkingskracht voor de ogen en de verbeelding… een kwestie van smaak, tact en gevoel’.[4] Kijken is het belangrijkst, en daarom moet het museum voorzien in visuele variëteit en historische contrasten, in een harmonieus, goed verlicht interieur. De spanning tussen lering en vermaak, tussen volksopvoeding en ontspanning, kenmerkt de volledige geschiedenis van het museum. In het moderne museum wordt een evenwicht nagestreefd tussen zien en begrijpen, met als resultaat een esthetische vorming die op kennis gegrond is. De zuiver esthetische, visuele ervaring mogelijk maken is niet hetzelfde als leren of begrijpen, maar valt evenmin samen met het provoceren van ‘beleving’. De vraag is wat er met deze spanning tussen ervaring en beschouwing gebeurt in een tijdperk gekenmerkt door een massacultuur die reflectie en kennis marginaliseert.

De missie van het moderne museum was gebaseerd op onderzoek en op het presenteren van (kunst)geschiedenis. Cruciaal was de vraag hoe historische kennis openbaar werd gemaakt, en wat het ‘doelpubliek’ was van de collectieopstelling en de tentoonstellingen.

De expliciete vraag naar ‘beleving’ van kunst is relatief nieuw en gaat gepaard met een curatoriële praktijk die anders omgaat met artefacten en beelden. Het is een vraag die begeleid wordt door een bredere verandering in de laatmoderne cultuur, die alle dimensies van de kunstervaring absorbeert en het museum afstemt op de belevingsindustrie. Het gaat inderdaad om een ‘industrie’ omdat alle dimensies van de cultuur erdoor geraakt worden: bijna alles is immers een beleving geworden. Kunstwerken zijn echter culturele uitzonderingen die net ontsnappen aan een instrumentele omgang met de dingen. Ze vragen om een aparte benadering, die een discontinuïteit met het dagelijks leven inhoudt. Beleving streeft naar continuïteit tussen het kunstwerk en de ervaring, of naar de illusie ervan; verschillen tussen het verleden waarvan het kunstwerk getuigt en het heden van de beschouwer worden niet meer toegestaan. Het is de fundamentele verandering die door de belevenisindustrie is ingevoerd. Wat vermeden wordt, is de confrontatie met een reeks fragmenten en sporen die tot een voorstelling kunnen worden gesynthetiseerd. Enkel dankzij die confrontatie ervaart de toeschouwer het verleden als verschillend van het heden; perceptie en ervaring gaan heen en weer tussen historische kennis en esthetische appreciatie. De museumervaring is in dat geval gebaseerd op intellectuele arbeid, dankzij een actief geheugen en verbeelding. In een museum werkt elke bezoeker zelf aan een voorstelling van het verleden. Er wordt gekeken om te onthouden en om te vergelijken, zodat het verleden een min of meer samenhangend en betekenisvol landschap wordt.

Van het verleden blijven niets dan fragmenten en documenten over, die enkel dankzij onderzoek en reflectie een enigszins samenhangend geheel kunnen worden. De laatmoderne mens leeft echter ahistorisch: het verleden wordt niet meer door middel van lectuur en reflectie geconstrueerd, hoe gebrekkig ook. De belevingsindustrie vervolledigt een bedrieglijk, visueel beeld van het verleden, dat toegankelijk en ‘ervaarbaar’ is. Kunstwerken en erfgoed gaan op in een globaal verkeer van beelden en bieden nog weinig weerstand. Het verleden wordt een ‘geënsceneerde verledenheid’, zoals Rudi Laermans het omschreef.[5] Wat Aloïs Riegl de ‘ouderdomswaarde’ noemde, het patina van oude artefacten, gaat verloren, samen met hun existentiële en historische waarde. De belevingsindustrie verandert de omgang met materiële geschiedenis. Een beeld wordt geënsceneerd met een zeer smalle informatieve basis, zonder kritische afstand, zonder inzicht in de gelaagde en complexe werking van de geschiedenis. Een geprefabriceerde esthetische ervaring is gericht op een oppervlakkig effect, zonder de verbeelding aan te spreken. In plaats van een vergelijkend kijken naar historisch verschillende beeldregimes wordt een snelle immersie nagestreefd. Van Gogh: The Immersive Experience transformeert de omgang met kunst en kunstgeschiedenis: schilderijen verliezen hun materialiteit die, afhankelijk van lichtinval, schaduw en perspectief, de reële perceptie bepaalt; kunstwerken worden decoratieve spookgestalten die een irreëel environnement scheppen.

De historische tijdservaring binnen de belevenisindustrie is als een vorm van presenteïsme, zoals François Hartog het noemt. Voor de humanisten was het verleden een model voor het heden: de omgang met het verleden was een kwestie van inzicht en herstel. Voor de modernisten, voornamelijk gedreven door vooruitgang, moest het verleden overstegen worden, als de aanloop tot de toekomst. Binnen de belevingsindustrie moet het verleden meteen relevant zijn, wat neerkomt op het instellen van een tijdsregime zonder verleden als dusdanig. Hartog beschrijft deze hedendaagse culturele conditie als volgt: ‘We houden niet op met vooruit en achteruit te kijken, maar dan zonder een heden te verlaten dat we tot onze enige horizon hebben gemaakt.’[6] Het presenteïsme heeft zelfs geen aandacht meer voor het verleden als model of als aanloop tot een betere toekomst.

De totale spreiding van cultuur vraagt om de vereenvoudiging van ideeën, om het inkorten en in formats gieten van esthetische ervaringen. Cultuurmassificatie wordt vaak gelegitimeerd als een vorm van democratisering, maar het is nog maar de vraag of dat kan zonder dat cultuurparticipatie vrijblijvend entertainment wordt. Twintig minuten ‘beleven’ in het Rubenshuis lijkt een shortcut te zijn naar de barok, waarna een bezoek aan de tuin volgt, en in het KMSKA weer een andere belevenis wordt aangereikt. Het is een groteske omvorming van het Bildungsbürgertum, waardoor de romantische Selbstbildung wordt gelijkgesteld aan een scenografie van sensaties.

Wat gebeurt er wanneer een neoliberale samenleving een brede culturele en intellectuele Bildung inruilt voor amusement, en technische en economische ontwikkeling gelijkstelt met culturele vooruitgang? Beschouwing, als een versterking van kritische vermogens en een verscherping van artistieke smaak, was een burgerlijk ideaal dat bekritiseerd kan worden als een hobby van de witte, Europese bourgeoisie. Maar het was wel een ideaal gebaseerd op vrijheid en rationaliteit, met de mens als een wezen dat niet enkel geïnteresseerd is in sensaties en individuele voorkeuren. Het gaat om een transformatie van wat we zien in een voorstelling die materiële gegevens overstijgt. Het museale verleden is altijd het werk van wat Kant de ‘productieve verbeelding’ noemde. Tijdens deze intellectuele arbeid treedt het beoordelend verstand in interactie met een actief geheugen en met de verbeelding. Het museum beschikt daarbij over verschillende middelen om afstand te creëren en reflectie aan te moedigen, zoals sokkels, kaders, vitrines, opschriften en zaalteksten.

Fenomenologisch gezien kan het historische verleden nooit ‘beleefd’ worden als ware het een kermisattractie over piraten. Een lichamelijke en onmiddellijke inbedding in een vereenvoudigde ruimtelijke voorstelling van het verleden maakt materiële gegevens ondergeschikt aan een vereenvoudigd beeld. Jezelf in een cabine fotograferen met een Ensormasker op, of ‘virtueel’ door loopgraven wandelen en de geur van gas opsnuiven: het zijn illusoire ervaringen die niets met kennis of met het verleden te maken hebben. Immersieve technieken kunnen zinvol zijn, bijvoorbeeld omdat ze toelaten de grotten van Lascaux of Chauvet te bezoeken. Vooralsnog is er niet gepoogd om in een museum de Holocaust te laten ‘beleven’: er zijn grenzen aan wat de belevenisindustrie zich kan permitteren.

Het tijdsbewustzijn neemt een specifieke vorm aan: wat telt is het heden en de actuele zintuiglijke ervaring. Het verleden verschijnt als een modaliteit van het heden, als het verlengde van de ‘actualiteit’. Het is een sterk vereenvoudigde versie van het Pathosformel van Aby Warburg een transformatie van visuele figuren in de loop van de geschiedenis. Warburg heeft steeds verschillen binnen historische fases en antropologische condities benadrukt, zodat zijn methode geen louter formalistische oefening werd. De belevenisindustrie blijft echter bij formele overeenkomsten en oppervlakkige visuele associaties, net om oude kunst ‘in dialoog’ te brengen met hedendaagse kunstwerken. De kunstgeschiedenis wordt voorgesteld als een amalgaam van motieven en gestes. Historische verschillen worden uitgevlakt door systematisch op ‘herkenning’ in te spelen.

Exemplarisch is de tentoonstelling Dieric Bouts. Beeldenmaker, die in het najaar van 2023 te zien was in museum M in Leuven. De Maagd Maria wordt gepresenteerd als ‘de Beyoncé van de vijftiende eeuw’; een Vera Icon of Imago Christi wordt naast een foto van Eddy Merckx geplaatst. Het wekt de indruk dat de museumbezoeker niet in staat is om met het verleden als verleden om te gaan. Er zijn enkel nog onmiddellijke associaties met het heden. Dieric Bouts en zijn wereld verschijnen als een versiering van het hedendaagse leven. Het iconische als modaliteit van het religieuze leven wordt slechts als modaliteit van de actuele cultuur gerechtvaardigd. De museale opstelling mikt op herkenning en spektakel, en niet op een actieve interpretatie van het verleden.

Ook het heden wordt vereenvoudigd, en de brede, gelaagde waaier aan wereldaanschouwingen wordt door dergelijke gelijkenissen gereduceerd. Visuele analogieën hebben vanzelfsprekend een kritische en reflectieve functie: ze doen nadenken over verschuivingen binnen de cultuur- en de kunstgeschiedenis. Voor Warburg was het verleden de matrix voor een vergelijking van terugkerende motieven die verschuivingen zichtbaar maken. Door totaal verschillende wereldaanschouwingen vormelijk gelijk te schakelen, wordt echter elk verschil uitgewist. Het gaat zelfs niet over een anachronisme – het is gewoonweg een brutale kortsluiting van betekenis.

Intellectuele, esthetische en existentiële vereenvoudigingen zijn eigen aan de moderne mens. De belevenisindustrie extrapoleert deze verkortingen en vergroot ze uit. Hannah Arendt zag al in 1960 de ‘intellectualisering van de kitsch’ als een onvermijdelijk deel van de massacultuur.[7] Maar om het brede publiek van het belang van het verleden te overtuigen vereenvoudigt de belevingsindustrie vandaag de intellectuele omgang met het verleden tot kitsch, als een manier om kunst en cultuur te ‘delen’ met alle mogelijke doelgroepen. Het is een verabsolutering met fundamentele gevolgen voor de tijdsbeleving binnen de hedendaagse cultuur. Wat is de zin van een esthetische ervaring zonder vervreemding? Wat gebeurt er wanneer de historische tijd – gelaagd, fragmentair, materieel – verandert in een onderhoudend spektakel? Het leidt tot de attitude die de actuele cultuur nog het best kenmerkt: vrijblijvend escapisme.

 

Noten

1. Jozefien Van Beek, ‘Desalniettemin’, De Standaard, 21 november 2024.

2. Françoise Choay, L’Allégorie du patrimoine, Parijs, Seuil, 1992.

3. Geciteerd in: Jérôme Glicenstein, ‘La rhétorique au musée’, in: Nouvelle Revue d’Esthétique, nr. 6, 2010, p. 180.

4. Benjamin Guérard, ‘Du musée du Louvre’, in: Bibliothèque de l’École des chartes, nr. 14, 1853, p. 74.

5. Rudi Laermans, ‘Erfgoedmoraal. Over erfgoed en de publieke waarde van het verleden’, in: Kunsttijdschrift Vlaanderen, nr. 318, 2007, p. 284.

6. François Hartog, Régimes d’historicité. Présentisme et expériences du temps, Parijs, Seuil, 2003, p. 217.

7. Hannah Arendt, ‘De crisis in de cultuur: haar sociale en politieke betekenis’, in: Tussen verleden en toekomst, Amsterdam, Octavo, 2023, p. 251, vertaling Willem Visser.

Beleving als opdracht tijdens de Jambonjaren (2019-2024)

Wie af en toe een tentoonstelling bezoekt in binnen- of buitenland ontkomt niet aan het flankerende aanbod van educatieve, sensitieve, immersieve of interactieve aard. Of het nu gaat om een expo over een galerie die vooral handelde in conceptuele kunst, om een retrospectieve van Piet Mondriaan of om een bijzonder gesofisticeerd project van fictieve kunstenaars, de bezoeker wordt uitgenodigd om zelf creatief aan de slag te gaan met potlood en papier, om spelletjes te spelen – wie zoekt die vindt – of om zich te verkleden zoals de op de schilderijen gekonterfeite figuren. Doorgaans is het aanbod gericht op de allerjongsten onder ons, steeds vaker echter wordt de jongste mens in onszelf aangesproken.

Het is verleidelijk om achter deze ontwikkelingen de onzichtbare hand te vermoeden van beleidsmakers die niet noodzakelijk betoverd worden door de afgrondelijke diepte van de conceptuele kunst, de fascinerende geometrische abstractie van Mondriaan of de kritische potentie van fictieve kunst, maar die enkel uit zijn op steeds maar wassende bezoekerscijfers. Is deze aanname correct? Kunnen we hiervoor bewijsstukken vinden in beleidsteksten?

Ik nam de proef op de som en las om te beginnen het Regeerakkoord van de vorige Vlaamse Regering, actief van 2 oktober 2019 tot 30 september 2024, onder leiding van Jan Jambon (N-VA). Die trad niet alleen op als minister-president, maar ook als minister van Buitenlandse Zaken, Digitalisering, ICT, Rampenschade en Cultuur. Het Regeerakkoord uit 2019 is een allesbehalve onschuldig document waarin de Vlaamse identiteit naadloos gekoppeld wordt aan historisch erfgoed. ‘De Vlaamse Meesters – uit heden en verleden en in alle creatieve richtingen – moeten het uithangbord worden van de grootsheid die Vlaanderen in zich heeft,’ zo klinkt het. Of nog: ‘We maken van Vlaanderen een sterke en zelfzekere natie waar Vlamingen en bezoekers fier op zijn, met aandacht voor een rijke waaier aan culturele beleving.’ Het hoge woord is eruit. De term ‘beleving’ wordt wel degelijk gebruikt in het Regeerakkoord, maar op een neutrale manier, niet op de opgeklopte, haast extatische wijze waarop curatoren, cultuurmarketeers en programmatoren een patent lijken te hebben. Dat de auteurs van het Regeerakkoord kennis hebben genomen van de bedenkelijke praatjes over de belevingseconomie blijkt níét uit de paragrafen over cultuur, maar wél in de passages over toerisme, landschappen en parken, symposia en congressen. Een voorbeeld: ‘Samen met private partners realiseren we de ontwikkeling van een belevingsvolle kernattractie over de Ronde van Vlaanderen, die tegemoetkomt aan de verwachtingen van de hedendaagse (wieler)toerist.’ Het populaire discours over beleving is de auteurs van het Regeerakkoord niet vreemd, maar inspireert hen niet als het over kunst en cultuur gaat. In de passage over cultuur gaat het wel voortdurend over het ‘brede publiek’, maar de manier waarop dat ‘brede publiek’ moet worden benaderd, wordt opengelaten. Dat is al bij al logisch. Het Regeerakkoord handelt over alles; gedetailleerde beleidskeuzes zijn bijgevolg niet aan de orde.

Het was nog even wachten op de inzichten van Jan Jambon over het bereiken en het bespelen van het publiek. In november 2019, een maand na het Regeerakkoord, werd ook de Beleidsnota Cultuur gepubliceerd. Over de publiekswerking van grote of kleine kunstorganisaties kom je in dat document haast niets te weten. Er wordt verwezen naar het Participatiedecreet, ‘het decreet houdende flankerende en stimulerende maatregelen ter bevordering van de participatie in cultuur, jeugdwerk en sport’. Dit decreet dateert echter reeds uit 2008, lang vóór de golf van educatieve sensaties en interactieve spelletjes in musea en kunsthallen. In wezen is het echter niet vreemd dat in deze zeer algemene nota over het cultuurbeleid niet grondig wordt ingegaan op strategieën of tactieken om publiek te bereiken en te animeren, en dat enkel de hoofdlijnen aan bod komen.

In de Beleidsnota Cultuur worden ook andere documenten aangekondigd. In de Strategische Visienota Kunsten uit maart 2020 komt de relatie met het publiek pas in de laatste pagina’s aan bod. Urgent is deze kwestie voor de minister dus allesbehalve. ‘Tot slot,’ stelt hij, ‘is voldoende aandacht voor een laagdrempelige aanwezigheid van kunst en cultuur belangrijk voor een divers landschap.’ Jambon onderstreept ‘het belang en de kwaliteit van de educatieve organisaties en kunsteducatieve diensten binnen het kunstenlandschap in zowel de formele als non-formele sector’. In dezelfde passage stelt hij ook: ‘We moeten het publiek niet enkel als cultuurconsument beschouwen, maar ook nadrukkelijk op hen inzetten als co-creatieve makers. Daarin schuilt een uitdaging én een kracht. Er moet voldoende ruimte zijn om ook nieuwe methodieken en praktijken te kunnen ontwikkelen.’ Het beleid voorgesteld in de Strategische Visienota Cultureel Erfgoed uit april 2021 sluit daarbij aan: ‘Ik verwacht […],’ stelt de minister, ‘dat organisaties een duidelijke en gedragen visie ontwikkelen op welke punten actieve participatie een meerwaarde kan zijn in de werking en daar duidelijke prioriteiten en acties voor bepalen. In de vorige beleidsperiode was die functie nieuw en werd inzetten op participeren vooral aangemoedigd. In de aanvragen voor de volgende beleidsperiode verwacht ik een voldragen visie, die geïntegreerd is in het geheel van de werking.’ Aan deze oproep gaat echter het volgende zinnetje vooraf: ‘Ik verwacht niet dat cultureel-erfgoedorganisaties altijd en overal inzetten op participatie. Participatieprocessen zijn erg tijds- en middelenintensief en zullen niet voor iedere uitdaging het meest gepaste antwoord zijn.’

In deze twee visienota’s wordt dus veel aandacht besteed aan de (vermeende) identiteitsvormende kracht van kunst, cultuur en erfgoed, veel meer dan aan de publiekswerking van kunst- en erfgoedorganisaties. Veelzeggend is dat het Participatiedecreet niet voor herziening in aanmerking kwam. Het Kunstendecreet werd daarentegen wel aan een herijking onderworpen. Als er bovendien wordt ingegaan op publiekswerking, dan gebeurt dat op een uiterst voorzichtige, haast academische wijze. Kunst- en erfgoedinstellingen kunnen in de nota’s stimuli vinden om ‘nieuwe methodieken en praktijken’ voor publiekswerking uit te werken, maar ze vinden in de visienota’s geen brandstof voor populistische of infantiele oplossingen.

Vanuit het oogpunt van beleidsmakers is het Kunstendecreet, voorgesteld door Jambon op 7 januari 2021, het intiemste contactpunt met de praktijk van kunstenaars en kunstorganisaties. Voor kunstenaars en kunstorganisaties geldt hetzelfde: het decreet is niet alleen de toegangspoort naar financiële middelen, maar ook een set van regels en criteria waarmee kunstenaars en kunstorganisaties kennisnemen van de beleidsvoornemens van de beleidsmakers. Zoals reeds gesteld, vond Jambon het noodzakelijk om het Kunstendecreet, waarvan de eerste versie dateert uit 2004, te hervormen. Om het Kunstendecreet aan te pakken, kon hij er zich zelfs in vinden om de subsidieronde met een jaar uit te stellen en de kunstenaars en kunstorganisaties met andere woorden een extra jaar te gunnen waarin de eerder afgesproken subsidies gewoon doorliepen. Als we het nieuwe Kunstendecreet naast het oude leggen, dan blijkt die hervorming nogal mee te vallen. Waarom was die herziening dan nodig? Het antwoord zou kunnen zijn dat de minister in het nieuwe decreet een verwijzing kon inlassen naar ‘zijn’ beoordelingscriteria, die hij uiteenzette in de Strategische Visienota Kunsten van 2020. Het zijn vijf criteria waarvoor de minister aandacht vraagt bij de beoordeling van de subsidiedossiers van kunstenaars en kunstorganisaties. Een van deze vijf criteria betreft de vermeende identiteitsvormende kracht van kunst en cultuur: ‘Het project/de werking gaat op een innovatieve, een artistiek zinvolle of kwaliteitsvolle wijze aan de slag met het cultureel erfgoed, de canon en/of de rijke diversiteit aan historische tradities.’ Wat lezen we over de publiekswerking? ‘Het project/de werking betrekt op een unieke wijze (jonge) kinderen en jongeren bij hun artistieke werking.’ Dit beoordelingscriterium past onder de noemer ‘kunst als gemeenschapsvorming’. De minister houdt vast aan de klassieke kunstpedagogie. Volgens hem dienen kunstorganisaties inspanningen te leveren om kinderen en jongeren pedagogisch te begeleiden bij het bezoek aan een museum of een theater.

De conclusie kan dus niet anders zijn dan dat Vlaamse beleidsmakers ‘beleving’ niet als een opdracht zien die kunstenaars en kunstorganisaties dienen uit te voeren. ‘Beleving’ als een ‘sterke ervaring’, gericht op ‘zintuiglijke intensiteit’ en een actieve betrokkenheid van volwassen bezoekers is niet iets waar onze beleidsmakers naar hengelen. Het besluit: een dergelijke ‘beleving’ is iets wat museumdirecteuren, curatoren en programmatoren aan de bezoekers willen aanbieden. Zij zijn het die spiegelende kijkdozen wensen op te stellen waarin bezoekers hun eigen hoofd kunnen bestuderen. Zij voorzien een museumzaal met ludieke hoofddeksels en maskers waarvan de bezoekers zich kunnen bedienen. Zij nodigen bezoekers uit om met behulp van artificial intelligence een digitale tronie samen te stellen. Zij rusten een volledige museumzaal uit met een tekenstudio en een fotostand met verkleedmateriaal.[1] Zij menen kortom dat een bezoeker aan een schilderij van René Magritte of Peter Paul Rubens niet genoeg heeft en met alle macht in het doek zelf wil stappen.

Het betekent niet dat beleid in kunstorganisaties ook gebaseerd kan zijn op de impliciete suggesties van politici en ambtenaren, die zelfs gedeeld kunnen worden door delen van de bevolking. In plaats van deze kwestie te benaderen via de teksten van beleidsmakers, zou het daarom interessant kunnen zijn om het vraagstuk van de Nieuwe Beleving aan te pakken door te kijken naar andere, meer interne documenten, waarin de analyses, de verwachtingen en de verlangens van musea zichtbaar worden. De omzichtigheid waarmee in het Regeerakkoord, de Beleidsnota Cultuur, de Strategische Visienota Kunsten, de Strategische Visienota Cultureel Erfgoed en de memorie van toelichting bij het Kunstendecreet over kunst en cultuur in het algemeen en publiekswerking in het bijzonder is geschreven, kwam voor mij als een volledige verrassing. Die behoedzaamheid staat evenwel in groot contrast met de nauwelijks verholen instrumentalisering van kunst en cultuur in functie van een identiteitsvormend project, aangezien aan de subsidievragers – kunstenaars en kunstorganisaties – gevraagd wordt om ‘aan de slag te gaan met het cultureel erfgoed, de canon en/of de rijke diversiteit aan historische tradities’. In het cultuurbeleid van Jan Jambon is aan de slag gaan met erfgoed, canon en traditie een expliciet beoordelingscriterium. Dichter bij het maken van kunst kan een minister van Cultuur niet komen! Deze poging tot instrumentalisering hoeft evenwel niet per definitie succesvol te zijn. Het hangt van de indieners af of ze de minister van Cultuur naar de mond willen praten, en het hangt van de beoordelaars af of ze het criterium toepassen of niet.

Het is goed mogelijk dat de ‘belevingsprojecten’ in musea en kunsthallen te maken hebben met het beleid dat tijdens voorgaande legislaturen is gevoerd. De huidige minister van Cultuur alludeerde daar in zekere zin op toen hij stelde, in de Strategische Visienota Cultureel Erfgoed, dat ‘in de vorige beleidsperiode […] [vooral] inzetten op participeren [werd] aangemoedigd’. Het kan dus inderdaad zo zijn dat we in onze musea en kunsthallen de afgelopen jaren hebben geoogst wat door voorgaande ministers van Cultuur is gezaaid. In dat geval is het bang afwachten wat de langetermijneffecten van het cultuurbeleid van Jan Jambon zullen zijn, ook na het aantreden, op 30 september 2024, van Caroline Gennez (Vooruit) als Vlaams minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen.

 

Noten

[1] Zie Liska Brams, ‘Pret in het museum’, in: De Witte Raaf, nr. 227, 2024, p. 2.

Immersie in het publieke

Ik heb twee vroege herinneringen aan kunsttentoonstellingen in een museum. De indrukken die ik toen heb opgedaan, zweven als onverankerde droombeelden zonder context door de achterkamers van mijn geheugen. Ze onthullen hun betekenis pas als ik ze verbind met woorden en begrippen. Tussen de twee ervaringen is schijnbaar geen direct verband; ze vonden op verschillende momenten plaats, op verschillende locaties – in Eindhoven en in Den Haag. Het verband dat er niettemin blijkt te zijn, berust op een inzicht dat zich nu pas laat formuleren. In ruimtelijk opzicht vormden de twee ervaringen elkaars omkering. De eerste vond plaats in een extreem gecentreerde ruimte; ze werd volledig bepaald vanuit het middelpunt, het geometrische punt van waaruit alle zichtlijnen vertrokken. De tweede betrof juist de ervaring van een geheel gedecentreerde ruimte; een ruimte zonder brandpunt, zonder aangegeven traject of oriëntatie, met optische lijnen die elkaar overal kruisten en onderbraken.

Om met de eerste te beginnen: ik herinner me een smalle, donkere wenteltrap die je op moest gaan, en die je al draaiend als het ware voorbereidde op de ronde, koepelvormige ruimte daarboven. Aan het einde van de trap opende die ruimte zich in één keer tot aan een onmeetbare verte. Onder een blauwe, licht bewolkte lucht strekten zich de duinen uit, de zee, het strand, het open landschap – waar je ook keek, niet alleen voor maar ook achter je, aan alle kanten; als je bovenkwam, stond je er opeens middenin, het moment van ‘de geboorte van de beschouwer’. Je draaide rond je as op het ronde platform en nergens stopte het beeld, alsof je op een verhoogd uitzichtpunt in de duinen stond. Er lag duinzand om je heen, met wat schelpen, een stuk touw, beplanting – zaken die je op het strand of in de duinen aantreft.

Het moet ergens in de jaren zeventig zijn geweest, en de locatie was het Panorama Mesdag in Den Haag, een van de grootste negentiende-eeuwse panorama’s ter wereld. Het panorama is een geschilderde voorstelling van het strand, de duinen en het landschap rond de stad – een doek van 14 meter hoog met een omtrek van 120 meter. Het centrale platform waar de bezoekers van onderaf via die wenteltrap op landen, plaatst hen direct in de optimale kijkpositie, in het centrum van het naadloze panorama, midden in de immersieve cirkel – het punt waar je de optische illusie ten volle kunt ondergaan. Een groot afdak maakt dat je de lichtkoepel boven in de zaal niet ziet, zodat de illusie compleet blijft.

De tweede herinnering was minder duidelijk aan een plek gebonden; ik heb later moeten reconstrueren wat het was en waar ik het gezien had. Het betrof een tentoonstelling van de Italiaanse kunstenaar Giovanni Anselmo in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Volgens het archief van het museum vond die plaats in het voorjaar van 1980. De titel van de tentoonstelling luidde Opere e particolari a nord, a sud, a est, a ovest (Werken en details naar het noorden, het zuiden, het oosten, het westen).

Zoals de gearchiveerde foto’s laten zien, bestond het werk onder meer uit diaprojectoren op de vloer die de woorden particolare en dissolvenza projecteerden, in allerlei richtingen, soms op de wand of op de vloer, soms op andere objecten in de ruimte, en soms scherpgesteld op een onzichtbaar punt in het niets. Hoewel alles daarmee een ‘detail’ leek te worden van een overkoepelend geheel, bleef dat grotere object onzichtbaar. Je zag alleen delen van werken. De oriëntatie in de ruimte voelde als onbepaald. Het was niet gegeven waar je moest staan; je moest zoeken om te begrijpen waar je eigenlijk naar keek, of waar je je aandacht op moest richten. Er was geen traject om je langs te verplaatsen, geen duidelijke opeenvolging van stappen. Het werk vloeide in de vorm van fragmenten alle kanten op. Misschien verklaart de verwarrende ongerichtheid van deze kijkervaring waarom de herinnering aan de tentoonstelling mij is bijgebleven.

Panorama Mesdag uit 1881 en de Anselmo-tentoonstelling van honderd jaar later zijn twee uitersten, twee vormen van beleving die haaks op elkaar staan. Het panorama plaatst jou als beschouwer in het middelpunt van de ruimte en laat alle zichtlijnen vanuit dat punt vertrekken. Het optische comfort is totaal. De immense geschilderde voorstelling is zelf ook gemaakt met behulp van een lichtprojectie, vanuit een glazen cilinder waarop in 360 graden een schets van de compositie was aangebracht. Anselmo’s tentoonstelling problematiseerde juist de optische relatie tussen de kijker en het object van de aandacht. De kijker werd niet op het juiste punt geparkeerd, maar voortdurend in beweging gehouden. De projectoren schenen alle kanten op, door elkaar heen, tegen elkaar in. Er was geen punt in de ruimte van waaruit het beeld zich volledig leek te ontplooien. Je voelde wel dat je moest kijken, maar waar was het werk? Wat was het werk?

 

De negentiende-eeuwse panorama’s lijken een historisch model te zijn geweest voor de hedendaagse ‘immersieve’ exposities zoals iedereen die inmiddels wel kent. Ook deze tentoonstellingen willen je laten opgaan in een tastbare wereld die op wanden, vloeren en plafonds om je heen wordt geprojecteerd. Met de digitale beeld- en animatietechnieken van vandaag vertalen ze het statische panorama naar een bewegende audiovisuele sensatie. Ondanks de technische innovaties verloochenen de wortels van een negentiende-eeuwse attractie zich niet. Als bezoeker sta je in het midden van de ruimte; de voorstelling plooit zich om je heen; de optische illusie is onontkoombaar.

Van Gogh: The Immersive Experience is een uitgesproken voorbeeld van dit type tentoonstelling, dat zich vooral buiten het museale circuit voordoet. Het gaat vaak om reizende tentoonstellingen. Van Gogh: The Immersive Experience was de afgelopen jaren te zien in België, Italië, Spanje, Duitsland, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, en waarschijnlijk op nog meer plekken. Vincent van Gogh – of eigenlijk is ‘Vincent’ genoeg, hij is een kunstenaar van de buitencategorie, zoals de grootste voetballers en popsterren die aan hun voornaam genoeg hebben – werd geboren in 1853 in Nederland en overleed in 1890 in Frankrijk. De bedoeling van de immersieve tentoonstelling is om je dichter bij Van Gogh te brengen, dichter bij Vincent, de mens, zijn wereld, zijn leven. Daartoe is het, vreemd genoeg, onnodig en zelfs contraproductief om het echte werk te tonen. Een schilderij van Van Gogh achter glas aan de muur van een museum wordt ervaren als te afstandelijk om je werkelijk in te kunnen leven. Voor een reproduceerbare beleving wordt de reproduceerbaarheid van het werk als uitgangspunt genomen. Nu kun je pas echt in de wereld van de kunstenaar binnenstappen, en in zijn leven.

In deze commerciële kunstopvatting is het werk sowieso niets anders dan een toegangspoort tot het persoonlijke levensdrama van de maker. De schilderijen worden door middel van digitale beeldtechnieken geanimeerd, uitvergroot, vermenigvuldigd en in beweging gezet, en het zijn deze groot geprojecteerde animaties die een wereld neerzetten waar de bezoeker in ondergedompeld wordt. Het illusionisme van de immersie suggereert dat je zelf door de zonnebloemvelden loopt, of Vincents beroemde slaapkamer betreedt. Deze voor iedereen herkenbare motieven zijn losgeweekt uit het oeuvre en vloeien uit tot de gesimuleerde levensruimte of habitat van de mens Van Gogh, de mens die we bij zijn voornaam mogen noemen omdat we al zo goed weten wat hij dacht en voelde en aan welke syndromen hij leed.

Binnen dit mythische kader vormt de materie van olieverf op doek een belemmering om echt contact te maken met de mens achter het werk. De audiovisuele reproductietechniek ruimt die blokkade netjes op, ten gunste van een schijnbaar volledig transparante leefwereld. De bezoekers wandelen door een geschilderde ruimte die hen aan alle kanten omringt. En eigenlijk hoef je zelf niet eens te bewegen, want de beelden bewegen al; er staan strandstoelen die je verleiden om te gaan zitten en om het geprojecteerde universum van Van Gogh passief over je heen te laten stromen.

 

Mijn twee vroege herinneringen ensceneren een tegenstelling tussen enerzijds het model van de immersieve attractie, de onderdompeling in een gesimuleerde werkelijkheid van 360 graden, de totale optische illusie; en anderzijds de ongerichte beweging van de beschouwer van moderne en hedendaagse kunst, die als het ware ronddwaalt door een museale ruimte en om objecten heen loopt, zoekend naar het juiste standpunt om het kunstwerk te bekijken en te ervaren. De onzekerheid of onbepaaldheid van waar je nu eigenlijk naar kijkt, en waar je überhaupt naar moet kijken, is fundamenteel voor de ervaring van moderne kunst. Het object van de aandacht is niet altijd al bij voorbaat gegeven, maar dient ter plekke door de beschouwer geconstrueerd te worden, op basis van het weinige dat hij weet en het concrete dat hij ziet. Dit is de conditie waarvan Anselmo’s tentoonstelling uit 1980 een gecondenseerde, paradigmatische ervaring bood.

De optische illusie van de negentiende-eeuwse panorama’s, uitmondend in Van Gogh: The Immersive Experience, is in wezen in strijd met het project van de moderne en hedendaagse kunst. In de twintigste eeuw heeft de kunst zich geëmancipeerd van de optische illusie. Liefhebbers van dergelijke illusies hebben weinig te zoeken in de wereld van de moderne en hedendaagse kunst.

Natuurlijk bestaan er uitzonderingen, zoals de lichtinstallaties van James Turrell of Olafur Eliasson. De installatie van die laatste in de turbinehal van Tate Modern uit 2003 is misschien het bekendste voorbeeld. De attractiewaarde van dergelijke populaire en soms kitscherige werken verklaart waarom de museale instellingen er zo sterk in geïnteresseerd zijn en ze in huis willen halen. De warmte die Eliasson met zijn artificiële zon simuleert, staat voor een eigenschap die al deze installaties en environments met elkaar gemeen hebben: ze willen de bezoeker comfort en behaaglijkheid bieden, ze willen hen opnemen in een vertrouwde, prettig aanvoelende omgeving. Ze bieden een warm bad. Je moet in zekere zin vergeten dat je je in een museum bevindt; het moet voelen alsof je thuiskomt – doe je jas en je schoenen maar uit, neem de tijd, ga gerust op de vloer zitten of liggen, sluit je ogen…

Dit ideaal van behaaglijkheid, warmte en onderdompeling doet zich soms ook voor in een vorm die niet berust op een optische illusie. Ik herinner even aan Utopia Station, ook een tentoonstelling uit 2003, onderdeel van de Biënnale van Venetië en gecureerd door Molly Nesbit, Hans Ulrich Obrist en Rirkrit Tiravanija. De gehele ruimte van dit ‘station’ was gevuld met tafels, stoelen, infostands, loungeplekken, podia, barretjes, leestafels, zowel binnen als buiten; er waren optredens, sprekers, er was muziek, je kon mensen ontmoeten, er was volop interactie en sociaal verkeer. In plaats van een statische tentoonstelling betrad je een steeds veranderende, levende ‘situatie’, een wriemelend geheel van mensen, objecten en informatiedragers; een spectrum van acties en interacties. Het moest een gezelligheid oproepen die herinnert aan thuis, gecombineerd met de alternatieve, laagdrempelige sfeer van een jongerencentrum of buurtcafé. Deze gearrangeerde vitaliteit leek bedoeld om te voorkomen dat het publiek zich vervreemd of ongemakkelijk zou voelen tegenover de kunst en haar institutionele kaders. Utopia Station was niet de eerste en ook niet de laatste aanval vanuit de institutie van de kunst op de kunst als institutie. Die aanval richt zich altijd op hetzelfde institutionele aspect: op de witte wanden, de kale architectonische container, de afstandelijke, neutrale presentatievorm van de white cube.

Maar het idee dat je, wanneer je een kunstinstelling binnenstapt, thuiskomt, is een sprookje. Het is een institutioneel verzinsel dat een belangrijke eigenschap van moderne en hedendaagse kunst miskent: de publieke conditie van de kunst. De beschouwer is nooit thuis. Kunstinstellingen zijn, ongeacht hun grootte, schaal en museale statuut, per definitie altijd openbare instellingen. (Dat geldt ook voor private galeries, die openbaar zijn in de zin dat iedereen er kan binnengaan.) Gezamenlijk bakenen zij het publieke veld af waarbinnen de kennismaking of confrontatie met nieuwe kunst noodzakelijk plaatsvindt. Openbaarheid is een belangrijke conditie voor de initiële receptie van ieder beeldend kunstwerk. Er is een kunstenaar die iets – wat dan ook – tot kunstwerk benoemt, en wij – het collectief van beschouwers – nemen daar kennis van, wij onderwerpen het getoonde aan een esthetische beproeving, een test. Die kritische test kan uitsluitend in een openbare context worden afgenomen, dus niet met een reproductie thuis op de bank of online. De onzekerheid of onbepaaldheid van het kritische oordeel is nauw verbonden met de intersubjectieve aard van de toetsing, die het oordeel mee bepaalt. Jij staat voor het werk en vraagt je af wat je ervan vindt, en tegelijk staat er iemand naast je die ook naar dat werk kijkt en zich diezelfde vraag stelt. Dit is de enige relevante immersie binnen het domein van de beeldende kunst: de immersie in het publieke. De publieke conditie vormt het ultieme medium van de kunst, zowel aan de voorkant (bij de beschouwer) als aan de achterkant (de kant van de maker).

Wie naar kunst gaat kijken is niet thuis: je moet ervoor je huis uit. De personen met wie je de tentoonstellingsruimte deelt, zijn in fundamenteel opzicht vreemden. Het maakt niet uit of je nu in je eentje of met een vriend naar de tentoonstelling gaat; je bent in wezen altijd omgeven door mensen die je niet kent. Die anderen belichamen de omstandigheid dat het werk zich tot niemand in het bijzonder richt – dat het werk voor niemand in het bijzonder is bedoeld. Niet voor jou, niet voor haar, niet voor hen, maar voor iedereen en niemand tegelijk. Jij staat tussen vreemden, net zoals de kunstenaar het werk voor vreemden heeft gemaakt. Ook kunstenaars werken in en voor de openbaarheid. De naam van de individuele maker op het titelkaartje naast het werk is de tegenhanger van de anonieme onbekende tot wie het werk zich richt.

De bijna heilige stilte die in het museum hangt is niet die van een begrafenis; het is het zachte ruisen van de publieke sfeer. Al direct na binnenkomst word je opgenomen in een bijzonder ecosysteem. Via al je zintuigen krijg je het signaal dat je vooral goed moet kijken. Het geluid is gedempt, de geur neutraal, het klimaatsysteem ruist, aanraken is verboden. Het eerste wat je ziet is niet een kunstwerk aan de wand, maar een paar mensen die naar een kunstwerk staan te kijken. Nu doe je het zelf ook. Je past je gedrag aan, en je weet het. Je bekijkt, en je wordt in het passeren zelf misschien ook bekeken. Of je nu stilstaat of direct verdergaat, je bent steeds onderworpen aan dezelfde tentoonstellingscondities als de kunstwerken in de zaal. Het licht dat op de werken schijnt, schijnt ook op jou. Je ademt geconditioneerde lucht in.

Je beweegt je langzaam door de zalen, zonder duidelijk doel, van de ene hoek naar de andere. Het traject dat je aflegt is dat van iemand die zijn sleutels heeft verloren. Je wandelt om een sculptuur heen alsof je vermoedt dat daarachter iets verborgen ligt. Je bent aandachtig, maar je aandacht is verstrooid. Je zoekt iets, maar bent vergeten wat. Bij het ene werk blijf je langer staan, aan het volgende ga je snel voorbij. Door een deuropening zie je in de volgende zaal iemand bij een schilderij staan. Als je daar even later zelf staat, is die persoon verdwenen. Het werk lijkt zich te richten op iemand die niet aanwezig is, iemand die hier gisteren was, of die morgen misschien komt.

Je doet een stap opzij, je staat niet stil, je verandert van standpunt, en de anderen die staan te kijken doen dat ook; iedereen probeert een beleefde afstand in acht te nemen, om niet in elkaars intieme zone te belanden. Je stapt opzij, zij stapt naar achteren, die man gaat achter je langs. Dit is de dans van de moderne kunst, de ongemakkelijke dans van de beschouwer.

Mijn ervaringen zijn van mij, maar ik sta naast jou, die ik niet ken. Ik beweeg door de ruimte, van zaal naar zaal, tussen mensen die min of meer hetzelfde doen, maar mogelijk iets anders ervaren. Mijn ervaring van de geëxposeerde kunst wordt mede bepaald door deze situatie. Ik zie mezelf staan bij het werk in de gedaante van een willekeurige ander. Ik ben deze andere persoon in zekere zin zelf, omdat mijn relatie tot het werk even singulier en tegelijk even willekeurig is als die van hem of van haar. Ieder ander zou eenzelfde positie kunnen innemen voor het kunstwerk, en dezelfde of juist een geheel andere impressie kunnen hebben. Wat ik op dat moment ervaar is potentieel even belangrijk of onbelangrijk als dat wat jij op dat moment ervaart. Ik weet dat, en het besef dringt door in mijn beleving.

Claire Bishop betoogt in haar recente boek Disordered Attention (gerecenseerd in De Witte Raaf, nr. 231) dat de digitalisering en met name de introductie van de smartphone een wezenlijke verandering heeft teweeggebracht in de manier waarop kunst in tentoonstellingen wordt ervaren. De permanente stroom van notificaties en reminders die de telefoon doorgeeft, maar ook de onbegrensde informatiebronnen die je op het scherm kunt oproepen om meer te weten te komen over het werk dat je bekijkt, en de platforms waar je je ervaring direct met anderen kunt delen, leiden af van de geconcentreerde aandacht voor dat werk, aldus Bishop, die echter weigert om hier al te negatief over te zijn. Ook deze verstrooide, relationele ervaring is een vorm van aandacht, schrijft ze – een vorm die verrijkend kan zijn. Wat Bishop over het hoofd ziet, is dat de oudere, predigitale concentratie op het kunstwerk ook al sterk verstrooid was, door de interferentie tussen de kijker en de andere bezoekers in de publieke ruimte van de tentoonstelling. Zelfs wanneer je volledig geconcentreerd naar een kunstwerk staat te kijken, is er altijd een (vaag) bewustzijn van de positie en de beweging van andere mensen in je nabijheid. Om haar stelling over de verstrooiing van de aandacht door de smartphone te onderbouwen, stelt Bishop de twintigste-eeuwse ervaringsmodus dus als veel te puur en gefocust voor. De aandacht voor het object was altijd al verstrooid.

Dat een commerciële onderneming zoals Van Gogh: The Immersive Experience je in contact belooft te brengen met de mens Van Gogh, is veelbetekenend. Niet alleen lijkt de cultuurindustrie de goedkope slogans van telecom- en internetproviders over te nemen – connecting people. De belofte van een intiem contact met de kunstenaar impliceert ook een correctie op iets wat de officiële musea en kunstinstellingen structureel dwarszit, een veronderstelde handicap die zij vaak trachten te ontkennen, onderdrukken of compenseren: de afwezigheid van de kunstenaar.

De leegte die in de museumzalen heerst, heeft in dit verband een symbolische betekenis. Ze markeert de potentiële ontmoeting tussen kunstenaar en publiek, een ontmoeting die uiteindelijk niet plaatsvindt. De paradox van de white cube is dat die weliswaar dient om de kunst te presenteren als autonome creatie van een individuele maker, maar dat juist die maker daarbij uit beeld verdwijnt. Om het kunstwerk ‘tot zijn recht te laten komen’ wordt het geïnstalleerd in een kale witte doos, vrij van storende omgevingsinvloeden en interieurelementen. Het werk wordt gepresenteerd als een ding, met een catalogusnummer en een titel, een afgerond geheel. De kunstruimte isoleert het werk dus niet alleen van de omgeving ter plaatse, maar ook van de voedingsbodem in het atelier, de artistieke context, het oeuvre, de biografie van de kunstenaar, de persoonlijke anekdote, het verhaal, de voor- en nageschiedenis van het werk. De beschouwer die zich afvraagt wat de kunstenaar tijdens het maken heeft gedacht of gevoeld, waar het werk aan refereert en waar het uit voortkomt, zal daar geen antwoord op krijgen. Je krijgt slechts het werk, zonder enige context. Inspanningen van curatoren om de ontbrekende informatie alsnog toe te voegen via tekstpanelen, visuele media en andere middelen, benadrukken de kwestie eerder dan ze op te lossen.

Decontextualisering is inherent aan moderne en hedendaagse kunst; de creatieve handeling van de kunstenaar is ervan doordrongen. Er kan geen kunstwerk worden gemaakt zonder dat de kunstenaar zich bepaalde dingen toe-eigent, en ze dus van hun context berooft. De kale museale ruimte, die het kunstwerk presenteert door het uit zijn context los te weken, herhaalt in zekere zin de toe-eigening die de kunstenaar bij het maken of concipiëren van het werk heeft gepleegd. In de herhaling wordt de artistieke toe-eigening bevestigd – het auteurschap van het getoonde werk krijgt in de kunstruimte immers een officieel stempel; er kan geen twijfel meer over bestaan van wie het is. Maar op datzelfde moment raakt de kunstenaar het werk kwijt. Het werk heeft een objectieve eindvorm aangenomen die zelfs door de maker niet meer kan worden gewijzigd. Hij of zij moet bovendien accepteren dat het werk een nieuwe, museale context krijgt en in het openbaar bekeken, beoordeeld en geïnterpreteerd gaat worden. Door al deze factoren zal het zich van de maker vervreemden. Dat is niet goed of slecht, maar onvermijdelijk. Het werk kan zijn werk pas doen als het uit zijn artistieke biotoop is losgeweekt.

De hysterische inzet op beleving, participatie en immersie door de hedendaagse instellingen dient om deze wezenlijke vervreemding van de kunst in haar museale presentatie te onderdrukken. Het draaiboek van de belevingseconomie beschikt niet over de juiste termen om deze vervreemding, deze ervaring van leegte, deze gemiste ontmoeting tussen kunstenaar en publiek, als iets wezenlijks en positiefs te presenteren.

Toch is deze ervaring van afwezigheid en leegte ook een vorm van immersie – een vorm die, ondanks de schijn van het tegendeel, alle zintuigen aanspreekt, zoals ik in mijn beschrijving heb trachten te laten zien. Anders dan bij Van Gogh: The Immersive Experience is deze immersie in het publieke wel verbonden met het project van de moderne en hedendaagse kunst – het project dat wordt voortgestuwd door vormen van toe-eigening en vervreemding.

 

• Enkele paragrafen van deze tekst zijn hernomen uit het essay ‘Het gat waar de kunst in verdwijnt’, gepubliceerd in: Solange de Boer (red.), Boris Groys in context, Amsterdam, Octavo, 2013, pp. 86-99.

Kunst beleven of leven met kunst?

Gertrude Stein was in het eerste kwart van de twintigste eeuw een centrale figuur in het Parijse kunstleven. Ze verzamelde, samen met haar broer Leo, een van de belangrijkste vroege collecties van avant-gardekunst en schreef op een heel persoonlijke, idiosyncratische manier over literatuur en kunst. Ze is in de jaren dertig één keer teruggegaan naar haar geboorteland en heeft daar een succesvolle lezingentournee opgezet. De Lectures in America zijn uitgegeven in 1935. In een tekst over theater, ‘Plays’, onderscheidt Stein drie manieren waarop je excitement kan ervaren.[1] Een ‘redelijke hoeveelheid opwinding’ – sterke, uitzonderlijke, uplifting, enthousiasmerende ervaringen – dat is toch wat ieder (modern) mens zoekt en van het leven verwacht? We willen dat er in ons leven iets gebeurt. En een van die dingen die kunnen gebeuren en die het leven ‘verrijken’, is kunst. De tekst van Stein is interessant omdat ze ingaat op wat we kunnen verwachten van, respectievelijk, het werkelijke leven en de ficties van de kunst, en op hoe kunstdisciplines van elkaar verschillen. Daarbij is de spanning tussen immersiviteit en concentratie, of beroezing en beschouwing, essentieel.

‘Laat ons nadenken over drie verschillende dingen die opwindend zijn en die je al dan niet nerveus maken. Ten eerste elke scène die een echte scène is [–] iets echt is aan het gebeuren waaraan je deelneemt als een acteur in die scène. Ten tweede elk boek dat opwindend is, ten derde het theater waarin je een opwindende actie ziet waaraan je niet deelneemt.’

De eerste vorm van excitement is de niet-artistieke, intense beleving van wat er in een leven echt gebeurt, van wat men zelf doet en meemaakt, van ‘real action’ of ‘the exciting in which one takes part’. Er ‘gebeurt iets’ wanneer men zelf – met de voorbeelden van Stein – verwikkeld is in een liefdesavontuur of een dramatische gebeurtenis, of wanneer men op de een of andere manier in het leven wint of verliest. De climax van deze vorm van excitement die gepaard gaat met real drama, is completion: vervulling. (Het gaat daarbij zeker niet altijd om gewenste ‘vervulling’ of intensiteit. We weten dat ongeluk, lijden en verdriet dieper raken en méér beklijven dan genot en geluk. Dat zijn zeker ook ingrijpende, intense en waarachtige ervaringen, die – dan wel op een pijnlijke manier – een leven tekenen en inhoud geven. In sommige levens gebeuren verschrikkelijke dingen en is er dus te veel excitement van de pijnlijke soort.) Maar in de beide modi van real action, negatief en positief, gaat de handelende persoon op in wat er gebeurt, en is er geen afstand: ‘de actie en de emotie gaan samen’. In de onmiddellijkheid versmelten handelen en voelen en is er geen tijd of gelegenheid voor beschouwing of ‘na-denken’. Stein schrijft dat we ‘een redelijke hoeveelheid’ van deze soort van intense real excitement in ons leven verwachten, maar dat er in veel levens zeer weinig echt gebeurt, en veel levens dus ervaringsarm zijn. En verveling is ongeluk. Stein wil, allicht zoals alle moderne mensen, een bijzonder en interessant leven.

In veel levens gebeurt er niet veel bijzonders, maar gelukkig is er de kunst. De kunst opent een tweede ruimte naast die van de real action, en verbreedt of verrijkt zo het leven. Ze biedt elkeen de mogelijkheid om te leven met figuren en plaatsen die niet echt bestaan, met gebeurtenissen die niet echt gebeuren, maar die wel voorstelbaar en dus denkbaar, en daarom in zekere mate mogelijk zijn. Stein onderscheidt twee vormen van artistieke excitement. De eerste vorm is het klassieke theater, maar kan uitgebreid worden tot alle podiumkunsten en deels tot de film. In het theater of de film handelt de toeschouwer niet, is niet zelf betrokken in de handeling die wordt opgevoerd, maar kijkt en luistert naar een opvoering. De kijker beleeft niet zelf het liefdesavontuur, maar sympathiseert of identificeert zich met wat de fictieve personages doen en voelen, als getuige van het spel en de acteerprestaties, maar niet van de fictieve aangrijpende handelingen en gebeurtenissen die opgevoerd worden. In een geslaagde theaterervaring wordt de toeschouwer wel in die fictie ‘getrokken’ en reageert emotioneel. Het spreekt vanzelf dat een toeschouwer kan meevoelen, en tot tranen toe ontroerd kan zijn door wat fictieve personages in een stuk of in een film meemaken en voelen. Een fictief personage kan zelfs een objet de désir worden. Deze excitement, die gepaard gaat met uitsluitend kijken en luisteren, verschilt echter zeer van de intensiteit van real action.

Sympathiseren met Romeo is niet hetzelfde als zelf passioneel verliefd zijn. Die ontroering is geen completion. Stein wijst erop dat in de theaterervaring, wanneer je niet zelf handelt maar toeschouwt, je eigen subjectieve gedachte- en gevoelsstroom onderscheiden blijft van het verloop van de theatrale handeling. Terwijl je kijkt en luistert naar wat zich op de scène afspeelt volgens een eigen dwingend tempo, vorm je als toeschouwer een monologische gedachte- en gevoelsstroom. (Stein schrijft voor de komst van de video, dus vooraleer een film kon worden stilgezet, vertraagd, teruggespoeld, herhaald. Het blijft ook nu nog zo dat de toeschouwer een voorstelling in real time niet kan vertragen, stilzetten, scènes kan herhalen, inzoomen en dergelijke meer.) Dat houdt in dat zelfs het emotioneel betrokken toeschouwen altijd enigszins afstandelijk blijft, en dat de toeschouwer los van de voorstelling voor zichzelf wel bijgedachten maakt, terwijl de voorstelling doorloopt, maar er nauwelijks tijd en gelegenheid is voor reflectie. De opvoering neemt de aandacht geheel in beslag. Bij tijdsgebonden kunsten zoals theater en performance, dans, muziekopvoeringen of film, komt het ‘na-denken’, de commentaar of kritiek, noodzakelijkerwijze achteraf, op basis van wat men zich dan van de voorstelling en de eigen bijgedachten herinnert.

De climax van deze artistieke theaterervaring – en dus: wat deze kunst in een leven kan bijbrengen – is, aldus Stein, niet completion, geen vervullend geluk of vervullende pijn, maar relief. Dit is een soort van ‘existentiële opluchting’ – hier klinkt de aristotelische catharsis zeker door. De toeschouwer die op deze manier, aan de rand van het echte leven, luistert en kijkt naar aangrijpende fictieve gebeurtenissen, kan zeer geëmotioneerd raken en intens voelen.

‘In het echte iets is het de voltooiing van de opwinding, in het theater is het een opluchting van de opwinding, en in dat verschil [–] het verschil tussen voltooiing en opluchting [–] ligt het verschil tussen emotie over iets gezien op een podium en emotie over een echte presentatie dat echt aan het gebeuren is.’

Wat in het theater te beluisteren en te zien is, heeft geen aanleiding of gevolgen in het echte leven. De toeschouwer hoeft niet te handelen, het gaat om louter voelen en ‘alsof’ reageren, en dat heeft een verlichtend, troostend, louterend effect.

De theaterervaring is in mindere of meerdere mate synesthetisch en immersief, zoals de meeste vormen van feest en ceremonies. Vele kunstdisciplines zijn, elk op hun specifieke manier, onderdompelend: muziek, opera, theater, film, performance. (Wellicht is ook, op een andere, zwakkere manier, de ervaring van architectuur, landschappen en ruimtelijke kunstinstallaties enigszins immersief.) Het artistieke product is hier een gebeurtenis die voorgesteld wordt. Het werk heeft zelf een tijdskarakter en richt een plaats in als de omgeving voor een totaalervaring. De wijze waarop de voorstelling geënsceneerd wordt en de toeschouwer insluit en omgeeft, en de gewone wereld van voor en na de voorstelling buiten houdt, gaat gepaard met een mate van ‘zelf- en wereldvergeten’. De synesthetische totaalervaring raakt aan de droom en de roes. Excitement die gepaard gaat met deze sensoriële vervulling – de overweldigende impact van een operavoorstelling of een popconcert – verschilt echter grondig van de opwinding die voortkomt uit betrokkenheid in real action. (Het is anders gesteld met de immersie die om zichzelf gezocht wordt in amusement, en die niet artistiek is: de excitement van de roetsjbaan, extreme sporten, of algemener, van de kick.)[2]

(Stein schrijft voor er televisie is, en ze mist daardoor de jongere vorm van de ‘intense ervaring’ die tussen de vervulling en intensiteit zit van het betrokken zijn in real action en het bijwonen van een theatrale opvoering: het afstandelijk, niet-betrokken kijken, enigszins als getuige en soms rechtstreeks, naar real action, die dan net door de afstandelijkheid en de bemiddeling via het beeld een ‘spektakel’ wordt. Het rechtstreeks of uitgesteld afstandelijk kijken naar wat écht gebeurt, of het nu de kroning van Koning Charles is of een vliegtuigcrash, houdt wel een vorm van esthetisering in, maar blijft buiten het artistieke. De kroning is geen voorstelling, de koning is geen acteur. De mediatisering veroorzaakt een onwaarachtigheid en een zekere twijfel, en je kan het spektakel een simulacrum noemen, maar het gaat niet om fictie. Er komt geen verbeelding aan te pas, er is geen auteur. De intensiteit van liveverslaggeving haalt het altijd van het genoegen van de fictie: Oscar Wilde schrijft al dat wanneer het gerucht gaat dat er op het plein voor de schouwburg een terechtstelling plaatsvindt, de zaal onmiddellijk leegloopt. De (artistieke) waarschijnlijkheid fascineert niet, de ‘echte werkelijkheid’ wel. Livestreams halen hun intensiteit uit deze fascinatie voor het ‘echte’, en de camera werkt als een vergrootglas: de focus en de nadruk suggereren dat er een geheim onthuld wordt. ‘Amusement’ of de ‘beleving’ van geprefabriceerde ervaringen met maximale sensoriële impact, zo immersief of pseudo-echt mogelijk, met een stereotiepe inhoud die nauwelijks reflectie en verwerking vraagt, is zeker, naast de kunst, een remedie voor de ervaringsarmoede.)

De derde vorm van excitement en de tweede vorm van artistieke excitement die Stein onderscheidt, is het lezen. Zelf hopeloos verliefd zijn verschilt grondig van het zien van een opvoering van L’Incoronazione di Poppea, en het lezen van een liefdesverhaal verschilt op zijn beurt van die theaterervaring. Lectuur kan net zo goed zeer spannend of meeslepend zijn. De lezer kan meeleven en meevoelen, zich zelfs identificeren met romanpersonages, en de lectuur kan eveneens culmineren in relief. Maar er zijn ook grote verschillen. Lezen verschilt grondig van het luisteren en kijken naar een opvoering van een zekere duur, in een zaal die verduisterd wordt en waar alles op de voorstelling zelf is gericht. Een opvoering vult alle zintuigen, ze heeft een begin en einde in de tijd, en speelt zich af in een afgesloten, bijzonder environnement, en creëert een ervaringsbubbel. De lezer daarentegen begint, onderbreekt en stopt de lectuur zelf naar believen. De lectuur van één verhaal wordt verdeeld over vele leessessies, de lectuur wordt gedurig kort onderbroken bij het omslaan van de pagina’s, het opslaan van de ogen en vluchtig overzien van een omgeving die met het verhaal niets te maken heeft.

Er zijn geprivilegieerde situaties en plekken om te lezen, zoals leeshoeken en studiezalen, maar mensen lezen bijna overal, en horen ondertussen de hele tijd omgevingsgeluiden die met het verhaal niets te maken hebben. Ook de lectuur trekt de lezer in het verhaal, en die kan in het lezen verzinken, maar men leest in een kamer of op een bank, en niet alsof men in de wereld van het verhaal is. De lezer houdt bij de lectuur de totale controle over het verloop, leest in zijn eigen tempo, kan pauzeren of herlezen, peinzen, de lectuur mengen met associaties en eigen herinneringen, heen en weer gaan in het boek, passages overslaan en het einde eerst lezen, de tekst aanstrepen en overschrijven, enzovoort. Een bijzonder verschil met de theateropvoering is dat je ook bij het lezen ‘luistert’ en ‘kijkt’, maar op een geheel andere manier. Je hoort jezelf ‘voorlezen’. En lezen impliceert vaak bijkomend een vorm van ingebeeld zien, door wat het verhaal aan beschrijvingen en visuele clues geeft zelf in en aan te vullen. De lectuur is om al deze redenen minder vervoerend maar veel actiever, persoonlijker en intiemer dan de theaterervaring, meer verweven met het persoonlijke denk- en gevoelsleven, en vanzelf reflexiever. De literatuur heeft lezers, maar geen publiek.

De leeservaring is zonder twijfel minder meeslepend en immersief dan de artistieke theater- of filmervaring, en nog minder intensief dan elke vorm van real drama waar men zelf als actor aan deelneemt. Maar lezen is, omdat men het zelf op een meer actieve manier ‘mee-maakt’, persoonlijker en meer beklijvend dan een theateropvoering. Lectuur is meer geïntegreerd in de persoonlijke memoria en het gedachteleven, dat wil zeggen in de existentiële grondstof waaruit een leven gemaakt is. Het lijkt inderdaad zo dat sommige boeken op een andere manier bijblijven, en mensenlevens vormen dan onvergetelijke theatervoorstellingen of films.

Stein schrijft in ‘Plays’ niet over de schilder- en beeldhouwkunst, maar er is, meen ik, een duidelijke structuurverwantschap tussen de artistieke excitement die de lectuur kan bieden en de artistieke ervaring van beeldende kunst. Schilderkunst is een zaak van één zintuig en zuivere visualiteit. Een beeld bekijken is een vorm van ‘lezen’. De museumbezoeker is immers geen toeschouwer bij een opvoering en ervaart geen gebeurtenis, maar schrijft en volgt zelf het scenario van de kijkervaring. De toeschouwer bepaalt zelf het parcours en het wandeltempo, de afstand, de focus enzovoort. De opstelling in de tentoonstelling of het museum heeft zeker een richting en een logica, maar de bezoeker kan die al dan niet volgen, het bezoek onderbreken of inkorten, het verhaal tegen de richting in volgen, en zelf associaties maken, net zoals bij het lezen van een boek. Het museumbezoek is een persoonlijk, individueel avontuur, of dat van een leesclub van intimi. De bezoeker maakt de ervaring zelf. De kijkers voor een schilderij vormen geen publiek. Belangrijk is dat de respons, reactie of kritiek niet na de artistieke ervaring komt, zoals bij opvoeringen, maar het kijken gedurig richt en stuurt. De eigen keuzes, kennis, associaties en reacties zijn zo in de kijkervaring zelf verdisconteerd. De klassieke museumervaring is niet immersief, en vanzelf reflexief of kritisch. Ze vraagt afstandelijke, volgehouden, toegespitste aandacht of concentratie. Een schilderij of beeld wordt weliswaar gepresenteerd, maar het is een object of een soort ‘tekst’, geen gebeurtenis, en niet het scenario voor een ervaring. Het gaat niet gepaard met het ‘zelf- en wereldvergeten’ van de voorstellingskunsten, waarbij men na de opvoering opnieuw wakker wordt.

Het is opmerkelijk hoe binnen de beeldende kunsten, zeer duidelijk vanaf de jaren zestig, het veld van de sculptuur ‘verbreed’ is, en beeldende kunstenaars multisensorieel werk en ‘omgevingen’ – en dus ruimtelijke ervaringen – zijn gaan maken. Ze hebben vervolgens, met performances en ‘acties’, ook gebeurtenissen en theatrale artistieke middelen in het museum binnengebracht. Een tweede zaak, die veel meer vragen oproept, is dat meer recent niet (enkel) de kunstenaars, maar het museum en de curatoren, en dus de kunstbemiddeling, meer en meer vergelijkbare strategieën gebruiken, kunst immersief presenteren, en openlijk mikken op ‘beleving’. Kunstwerken die eigenlijk – met het vocabularium van Stein – ‘gelezen’ moeten worden, en vragen om concentratie en wat die concentratie vereist, worden zo gebruikt om een pseudoartistieke ervaring te prefabriceren en tegelijkertijd een immersieve ervaring te bewerkstelligen.

Stein wijst ook op de verwantschap tussen de eigengereidheid van het ‘lezen’ en het zich herinneren. Zich herinneren is immers een soort van luisteren en kijken, maar dan naar een ‘opvoering’ die men zelf maakt, die men zichzelf voorstelt. Het zich herinneren volgt, associatief en vrij, de eigen gedachtegang, waarbij men – zoals bij de lectuur – van het een naar het ander denkt, focust, bij een associatie blijft of die verder ontwikkelt, enzovoort. Zich herinneren is, zoals het lezen en het bekijken van beelden, een individuele, bijna intieme, actieve vorm van ervaring.

De moderne mens wil een bijzonder en interessant leven en verlangt een ‘redelijke hoeveelheid opwinding’. De soort excitement die completion inhoudt en vervulling brengt is echter, aldus Stein, relatief zeldzaam (en bovendien dikwijls van de verkeerde soort), en als dusdanig, in die onmiddellijkheid, niet herinnerbaar. De intensiteit en vervulling die gepaard gaan met real action – met de meest ingrijpende, belangrijkste en soms gelukkigste gebeurtenissen in een leven – kan men niet vasthouden en bijhouden. De onmiddellijkheid ontglipt steeds, per bepaling. Men kan Walter Benjamin volgen in de gedachte dat de ‘postantieke mens’ de naïeve vervulling ontzegd is, en dat de ‘avontuurlijke verwachting van geluk’ van de moderne mens elk geluk ‘elegisch’ kleurt: geluk is altijd iets wat men achteraf beseft en herinnert, en dat dus altijd voorbij en verloren is.[3] Je kan vervulling niet vasthouden.

‘Er is […] een tweevoudige wil tot geluk, een dialectiek van het geluk. Een hymnische en een elegische geluksvorm. De eerste: het ongehoorde, het nooit-vertoonde, het summum van zaligheid. De andere: het eeuwige nogmaals, de eeuwige restauratie van het oorspronkelijke, eerste geluk. Het is deze elegische geluksidee (die ook Eleatisch genoemd kan worden) waardoor het bestaan […] in een groot sprookjesbos van herinnering verandert.'[4]

Herinnering, schrijft Stein, is altijd slechts ‘iets dat gezien of gehoord wordt, en niet iets dat gevoeld wordt’. Het eeuwige ‘Nocheinmal’ is het verlangen vervulling te herhalen. Misschien is echter net niet positieve excitement, maar pijnlijke ‘vervulling’ de enige vorm van opwinding die wel bijblijft, omdat men ze niet kan vergeten: trauma.

Gertrude Stein formuleert hier een belangrijk inzicht, dat aanzet tot grote voorzichtigheid in het mikken op ‘beleving’ als lokmiddel voor culturele of artistieke vorming: geprefabriceerde intensiteit of ‘belevingswaarde’ blijft niet bij. De ‘beleving’ is niet herinnerbaar, ze vormt dus niet. Men kan ze niet bijhouden, en beleving vraagt om herhaling, om meer van hetzelfde. De intensiteit van real action werkt verslavend, en vraagt zoals elke verslaving steeds sterkere instant intensiteit, méér woweffecten, en voert snel naar de kitsch en uiteindelijk naar de kick. Het effect van Steins gematigde, artistieke vormen van opwinding – niet van de passionele liefde, maar van het zien van Don Giovanni of van Casablanca, en van het bekijken van Bernini’s Apollo en Daphne of van de lectuur van Les Liaisons dangereuses – is (slechts) relief. Naargelang de kunstdiscipline werkt met immersieve ervaringen die achteraf verwerkt worden, zoals bij het theater, of door concentratie, zoals bij het lezen, verbreedt, verrijkt en ‘verlicht’ deze opluchting het leven. Artistieke ervaringen beklijven immers meer dan wat men zelf als real action beleeft, en ze dienen zelfs als spiegel of narratieve gietvorm om wat men in het leven écht meemaakt te reconstrueren, te herinneren en te vertellen. Mensen herinneren zich uit hun kindertijd en jeugd nauwelijks hun eerste schooldagen en wat ze toen allemaal ‘beleefd’ hebben, maar ze kennen wel nog de verhalen of de eerste levensbepalende romans. Kapitein Zeppos, The Lion King, Ben Hur of L’Étranger, Les Nourritures terrestres… Daarom: het gaat er niet om Rubens intens te beleven, maar om te leven met Rubens, of Ensor, of Shakespeare… en dus om een leven te maken waarin men Rubens meeneemt, een plaats geeft in de persoonlijke geheugenkamer of memoria, en iets over Rubens te vertellen heeft.

Het toenemende, drastische verlies van het vermogen om zelf te formuleren en te vertellen, dat al flink verzwakt is door het gedurig snel delen van ‘beleving’ via selfies en streams, en dat door AI nog enorm zal toenemen, gaat paradoxaal genoeg gepaard met een verlies van ‘beleving’ en van echte ‘vervulling’. De camera van de smartphone is een prothese, een soort van derde oog, die de excitement van real action en het stillen van de belevingshonger de facto opgeeft om de opwindende gebeurtenis in real time te registreren om ze vast te houden, en vrijwel meteen, onverwerkt en woordeloos, te kunnen sharen. De pathetische poging om tezelfdertijd intensief te (be)leven én de vervulling zonder verlies te bewaren, mislukt noodzakelijkerwijs. Tegelijkertijd wordt de artistieke spanning opgegeven, die iets kan bijbrengen en opluchting of zelfs troost kan bieden.

 

Noten

1. Gertrude Stein, ‘Plays’, in: Lectures in America. The Great Writer Discusses her Concepts of Art, New York, Vintage Books, 1975 [1935], pp. 91-131.

2. Cf. Lieven De Cauter, Archeologie van de kick. Over moderne ervaringshonger, Nijmegen, Vantilt, 2009 [1995].

3. Walter Benjamin, ‘Das Glück des antiken Menschen’, in: Gesammelte Schriften. Band II-1, Frankfurt, Suhrkamp, 1977, p. 128.

4. Walter Benjamin, ‘Het beeld van Proust’, in: Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur, Amsterdam, Octavo, 2020, p. 60, vertaling Jan Sietsma. Cf. Vivian Liska, ‘Das Unabgeschlossene (das Glück). Walter Benjamin’s ‘Idea of Happiness’’, in: Open Philosophy, nr. 1, 2024, pp. 1-10.

De aura is dood, lang leve de aura

Bij het denken en spreken over beleving en beschouwing lijkt het alsof Walter Benjamin zichzelf als gast – of als geest – uitnodigt. Vooral naar zijn bekende Kunstwerk-essay, geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw, wordt vaak teruggegrepen. Toch is er hooguit een indirect verband tussen Benjamins stelling dat fotografische reproduceerbaarheid de aura van kunstwerken heeft gedood en het onderscheid tussen beschouwing en beleving, zeker als het de bedoeling is om het populistische, commerciële gebruik van immersieve tentoonstellingstechnieken door kunstmusea kritisch te behandelen.

We zouden Benjamin daarom kunnen laten waar hij was toen hij dat essay schreef, worstelend met het toen urgente vraagstuk of een proletarische kunst een levensvatbare opponent was voor fascistische kunst. We zouden minzaam kunnen glimlachen om zijn naïeve vertrouwen in het revolutionaire potentieel van de cinema. We zouden tentoonstellingen zoals Van Gogh: The Immersive Experience kunnen aanhalen om aan te tonen hoe fout hij was te beweren dat de fotografie de schilderkunst van haar aura heeft ontdaan, en hoe dergelijke tentoonstellingen bewijzen dat bovenmatige fotografische vergrotingen van schilderijen de aura met vergelding terugbrengen. Maar niemand doet dat. Benjamin wordt als schutspatroon gekozen, en er is een impliciete consensus ontstaan dat hij volkomen relevant is voor de huidige situatie. Ik betwist die opvatting niet, ik deel ze. De vraag is dan ook waarom het Kunstwerk-essay, ondanks de duidelijke gebreken en historische achterhaaldheid ervan, een van de meest verhelderende bijdragen blijft aan de symptomatologie van de huidige neiging tot immersieve kunst en kunsttentoonstellingen.

Toen ik aan mijn tekst begon, had ik een werkhypothese in twee punten. Ten eerste weeft Benjamins Kunstwerk-essay drie draden of strengen samen, of beter: zijn tekst vlecht ze bij elkaar, zoals het haar van een jong meisje opgerold en ineengestrengeld wordt rond een ingewerkt, onzichtbaar lint. En ten tweede: de minst opvallende van deze drie snoeren is de belangrijkste. Ik begon te schrijven en voelde al snel dat een close reading van het essay noodzakelijk was. Na een paar weken had ik zes pagina’s van zo’n tekstanalyse, maar had ik mijn werkhypothese nog niet ingeleid. Ik was op weg naar een essay met de lengte van een boek. Mijn aanpak wijzigend herformuleerde ik de hypothese als een vraag: ‘Welke drie draden heeft Walter Benjamin samengeweven in zijn essay over kunst in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid?’ en ik legde die vraag voor aan ChatGPT. Nog geen drie seconden later kwam het volgende antwoord:

‘Walter Benjamins essay verweeft drie hoofdlijnen. 1. De impact van technische reproductie op de kunst. Benjamin onderzoekt hoe nieuwe technologieën, vooral fotografie en film, de aard van kunst veranderen. Hij stelt dat deze technologieën kunst ontdoen van haar ‘aura’ – de unieke, authentieke aanwezigheid die verbonden is met de tijd en plaats van creatie. Mechanische reproductie maakt massadistributie mogelijk, waardoor de traditionele exclusiviteit van kunst wordt uitgedaagd. 2. Verschuivingen in de publieke perceptie. Hij merkt op dat de functie en betekenis van kunst verandert door massaproductie. In plaats van een solitair, bijna religieus ontzag voor originele werken, wordt mechanisch gereproduceerde kunst op meer openbare, ongedwongen manieren ervaren. Deze democratisering verandert de wijze waarop het publiek met kunst omgaat, waardoor ze toegankelijker wordt, maar waardoor ook haar mystiek afneemt. 3. Het politieke potentieel van de kunst. Benjamin koppelt deze veranderingen aan politieke gevolgen en suggereert dat de massale toegankelijkheid van kunst gebruikt kan worden voor politieke doeleinden. Hij contrasteert de esthetisering van de politiek bewerkstelligd door het fascisme (kunst gebruiken om macht te verheerlijken) met het potentieel van het communisme om de kunst te politiseren (kunst gebruiken als een middel voor sociale verandering). Samen onderzoeken deze thema’s hoe kunst wordt getransformeerd in een tijdperk van reproductie, zowel wat betreft haar intrinsieke waarde als haar maatschappelijke rol.’

Merkwaardig, niet? Foutloos. Angstaanjagend foutloos en merkwaardig. In minder dan drie seconden synthetiseerde ChatGPT niet alleen nauwkeurig Benjamins beroemde tekst, maar ook de close readings van tientallen onderzoekers. De meest briljante onder mijn studenten had nooit zo’n perfect beknopte samenvatting kunnen geven, en zeker niet in drie seconden! Mensen die bekend zijn met ChatGPT (ik ben dat niet) vertelden me dat ik een dergelijke nauwkeurigheid had mogen verwachten. Benjamins Kunstwerk-essay, zeiden ze, is zijn bekendste werk en het heeft genoeg secundaire literatuur opgeleverd om de algoritmen die de kunstmatige intelligentie aandrijven een makkelijke voorsprong te geven. Toch was ik verbluft: wat me volledig verraste, was dat ChatGPT de drie hoofdlijnen van mijn werkhypothese correct identificeerde: de impact van technische reproductie op de kunst, de verschuivingen in de publieke perceptie en het politieke potentieel van de kunst.

Ik had wanhopig kunnen zijn, maar ik was opgetogen. Kunstmatige intelligentie is erg goed in samenvatten, maar (tot nu toe) schromelijk slecht in het interpreteren voorbij reeds bestaande duidingen. Zo had ChatGPT niet door dat mijn keuze voor een metafoor – in elkaar geweven of vervlochten snoeren – deel uitmaakte van mijn interpretatie. Daarom werd het impliciete lyrische beeld van een jong meisje met de haren gewikkeld en gevlochten rond een ingewerkt, onzichtbaar lint om een vlecht te vormen, volledig genegeerd. ChatGPT heeft geen gevoel voor lyriek. Het ontrafelde de vlecht; het behandelde mijn drie in elkaar gevlochten draden alsof het bullet points waren, te scheiden omwille van de duidelijkheid. Eén, twee, drie aspecten, parameters of historische kenmerken van de kunst, onafhankelijk van elkaar. ChatGPT kon niet vermoeden dat mijn keuze voor de metafoor was ingegeven door het vooruitzicht van een nieuwe interpretatie waarin de kunst alleen aanwezig was in de vorm van een vraag die niet in het essay werd geformuleerd. In de drie draden van mijn werkhypothese is kunst als het onzichtbare lint in de kern van de vlecht, ingebed als een enorme, angstige en impliciete vraag – een vraag waarvan ik vermoedde dat ze de onbewuste motor was voor Benjamins intellectuele activiteit in dat essay, en een vraag waarop de huidige neiging tot immersieve tentoonstellingstechnieken een even angstige respons biedt – geen antwoord, maar een respons.

Haal de kunst uit de drie punten van de samenvatting door ChatGPT, en je houdt technologie over in het eerste punt en politiek in het derde. Zonder kunst wordt de vergelijking in het tweede punt – verschuivingen in de publieke perceptie – tamelijk betekenisloos. Toch komt ChatGPT hier, tot mijn oprechte bewondering, het dichtst bij het erkennen van net dat tweede punt van mijn werkhypothese: dat de minst opvallende van de drie draden de belangrijkste blijkt te zijn. Laten we nog eens lezen:

‘Verschuivingen in de publieke perceptie. Hij merkt op dat de functie en betekenis van kunst verandert door massaproductie. In plaats van een solitair, bijna religieus ontzag voor originele werken, wordt mechanisch gereproduceerde kunst op meer openbare, ongedwongen manieren ervaren. Deze democratisering verandert de wijze waarop het publiek met kunst omgaat, waardoor ze toegankelijker wordt, maar waardoor ook haar mystiek afneemt.’

De belangrijke woorden zijn ‘religieus’ en ‘mystiek’. De publieke perceptie die ChatGPT een ‘bijna religieus ontzag voor originele werken’ noemt, geeft de kunst wat Benjamin cultuswaarde noemde, de waarde die kunstwerken uitstraalden zolang ze deel uitmaakten van een ritueel. Mechanisch gereproduceerde kunst vervangt cultuswaarde door tentoonstellingswaarde, die, zegt ChatGPT, ‘op meer openbare, ongedwongen manieren wordt ervaren’ – in Benjamins woorden is dat: ‘in de verstrooiing’. Benjamin identificeert de vervanging van cultuswaarde door tentoonstellingswaarde met de verzwakking en de uiteindelijke teloorgang van de aura. Wat is de aura? In de correcte parafrase van ChatGPT is de aura ‘de unieke, authentieke aanwezigheid die verbonden is met de tijd en plaats van creatie’ van het kunstwerk. Dit verdient zeker een meer nauwgezette lectuur, want zo’n definitie blijft vaag. Een Benjamin-geleerde beschreef de aura als ‘immateriële mist’.[1] Ik zou ironisch dicht bij de semantiek van het woord zitten als ik zou zeggen dat Benjamins notie van de aura mistig of nevelig is – een troebel concept voor een troebele realiteit. Inderdaad, ‘aura’ wordt vaak gebruikt om te spreken van de nimbus of halo die uitgaat van een bijzonder auratisch persoon, bijvoorbeeld een heilige, of beter nog, de herrijzende Christus zelve. Dat is het verband met religie waartoe ChatGPT ons uitnodigt – een verband dat voor ons te banaal is. In het Kunstwerk-essay geeft Benjamin één en slechts één precieze definitie van de aura, en die heeft niets te maken met religie of mystiek. Het loont de moeite om ze geheel aan te halen:

‘Het verdient aanbeveling het hierboven voor historische voorwerpen voorgestelde begrip aura te illustreren aan de hand van het begrip aura van natuurlijke voorwerpen. De aura van deze laatste definiëren we als eenmalige verschijning van een verte, hoe nabij zij ook is. Als je op een zomernamiddag, terwijl je rust, een bergkam aan de horizon of een tak volgt die zijn schaduw over jou heen werpt, dan adem je de aura van die bergen, van die tak in. Aan de hand van deze beschrijving valt het niet moeilijk de maatschappelijke bepaaldheid van het huidige verval van de aura in te zien. Het berust op twee omstandigheden, die beide met de toenemende betekenis van de massa’s in het tegenwoordige leven samenhangen. Namelijk: het verlangen van de hedendaagse massa’s om de dingen ruimtelijk en menselijk ‘dichter naar zich toe te halen’ en hun even hartstochtelijke streven om het eenmalige van elke realiteit te overwinnen door het verwelkomen van de reproductie. Dagelijks doet zich onweerstaanbaarder de behoefte gelden het voorwerp zo nabij mogelijk te pakken te krijgen in een beeld, of liever, in een afbeelding, in een reproductie.'[2]

Dit is een buitengewoon complexe paragraaf, waarin volgens mij de drie draden of snoeren van mijn werkhypothese op mysterieuze wijze in elkaar zijn vervlochten, in plaats van simpelweg opgelijst. Ten eerste wil ik benadrukken hoe vreemd het is dat Benjamin zijn concept van de aura zou willen illustreren – als ‘illustreren’ het juiste woord is – met een verwijzing naar de natuur, terwijl het gaat om kunst en de technische reproduceerbaarheid ervan. Misschien beschouwt hij auratische uitstralingen als natuurlijk in de zin dat ze fysisch zijn, vergelijkbaar met hoe negentiende-eeuwse fotografen gefascineerd waren door ectoplasma’s, mediums, geesten en andere auratische verschijningen. William Mumler in Boston, Frederick Hudson in Londen en Édouard Isidore Buguet in Parijs waren geobsedeerd door het vastleggen van onzichtbare, buitenzintuiglijke gebeurtenissen op de fotografische plaat.[3] Ik vind het veelzeggend dat iemand die zo thuis is in de negentiende eeuw als Benjamin hun experimenten niet vermeldt, niet in het Kunstwerk-essay en evenmin – en dat is nog verrassender – in zijn Kleine Geschichte der Photographie. De reden ligt, denk ik, in zijn diepe respect – ik ben geneigd te zeggen, nostalgische liefde – voor de aura. Net als de vele non-believers die manipulatie vermoedden in de claims over het vastleggen van de aura op de fotografische plaat, verachtte hij de fabricage van nepaura. Als ik even mag vooruitlopen: is het niet net daarvan, van de vervaardiging van valse aura, dat we het gebruik van immersieve technologieën in hedendaagse musea verdenken? De fabricage van nepaura is net zo alomtegenwoordig in het new age spiritualism van onze tijd als in het positivistische spiritisme van de negentiende eeuw.

Dat was mijn eerste opmerking. Mijn verdere opmerkingen hebben te maken met de enige precieze definitie van de aura die Benjamin op dat punt geeft. De complexiteit van die definitie, het veelzijdige karakter van het argument, zo lijkt mij, wordt het best uitgelegd aan de hand van het scala aan gebreken dat een welbepaalde Engelse vertaling van het Kunstwerk-essay vertoont. Die vertaling luidt als volgt: ‘We define the aura [of natural objects] as the unique phenomenon of a distance, however close it may be.’[4] Ik citeer het origineel, vanaf het begin van de paragraaf:

‘Es empfiehlt sich, den oben für geschichtliche Gegenstände vorgeschlagenen Begriff der Aura an dem Begriff einer Aura von natürlichen Gegenständen zu illustrieren. Diese letztere definieren wir als einmalige Erscheinung einer Ferne, so nah sie sein mag.'[5]

‘Einmalige Erscheinung’ wordt vertaald als ‘unique phenomenon’, uniek fenomeen. ‘Fenomeen’ mist de Schein in ‘Erscheinung’, zowel als verschijning, zo niet illusie, als Scheinen, glans, schittering, licht, verlichting. De betekenis die Benjamin toekent aan het Duitse Erscheinung lijkt te schommelen tussen het Engelse appearance, dat ‘uiterlijk’ betekent, maar ook het feit van verschijnen aanduidt, en apparition, dat naar het opduiken van een spookachtig beeld verwijst. In het Frans heeft apparition dezelfde dubbele betekenis. Het verband met religie is hier ongetwijfeld subtekst, maar dan wel een gemakkelijke en banale. Je kunt bijvoorbeeld denken aan de verschijning van de Maagd Maria aan Bernadette Soubirous in Lourdes. Het interessante is dat Benjamins tekst de subtekst onderdrukt. Religie – zelfs in haar positivistische of spiritualistische avatar – onttrekt zich aan Benjamins enige precieze definitie van de aura.

Wat relevanter is voor de definitie, is ‘einmalige’. De vertaling ervan als ‘uniek’ geeft het de connotatie van ‘uitzonderlijk’ en mist de tijdsdimensie van het Duits: ‘einmalig’ is datgene wat maar één keer voorkomt, of misschien datgene wat zo fris en verrassend is dat het voor het eerst lijkt te gebeuren telkens wanneer het gebeurt, zelfs als het herhaaldelijk voorkomt. Als ik weer mag vooruitlopen: is dat niet wat tentoonstellingen zoals Van Gogh: The Immersive Experience systematisch beweren in hun publiciteit? Ze beloven een once in a lifetime ervaring – Erlebnis of Erfahrung – zo uniek en uitzonderlijk dat ze onvergetelijk wordt. Benjamin zegt niet dat de gewaarwording van de aura onvergetelijk is, en hij zegt evenmin of het om een belevenis of een ervaring gaat. Wat hij zegt, is dat ‘einmalig’ aan herhaling weerstaat als de herhaalde ervaring een hernieuwde ervaring is, wat impliceert dat ‘einmalig’ niet bestand is tegen herhaling wanneer herhaling niet langer een hernieuwde ervaring oplevert. De pr-lui van Van Gogh: The Immersive Experience, zo lijkt hij te voorspellen, beseffen het niet: als ze hun show aanprijzen als een once in a lifetime ervaring, zeggen ze eigenlijk: ‘Kom niet terug.’ Ze geven onbewust toe dat de ervaring die aangeboden wordt niet hernieuwbaar is, want slechts herhaalbaar. En die herhaalbaarheid is mogelijk omdat de technologische basis ervan fotografische reproductie is, precies de historische verwezenlijking van de mechanische reproduceerbaarheid die volgens Benjamin de beeldende kunst van haar aura heeft beroofd.

Tot zover ‘einmalige Erscheinung’. Hoe zit het met ‘einer Ferne’? Als ‘distance’ – afstand – de juiste vertaling was, waarom schreef Benjamin dan niet ‘einer Distanz’? Een afstand kan lang of kort zijn, maar het blijft een afstand, terwijl ‘Ferne’ iets anders aanwijst, iets ver weg, iets onbereikbaars. Beide Franse vertalingen hebben het over ‘un lointain’, wat toepasselijk is. Trouwens, lang voordat het Duitse origineel werd gepubliceerd, verscheen het Kunstwerk-essay in het Frans in het Zeitschrift für Sozialforschung in 1936, in een ingekorte vertaling van de hand van niemand minder dan Pierre Klossowski, de schrijver en schilder die beroemd werd door de klinische analyse van zijn erotische relatie met zijn vrouw Roberte. Het essay werd veel later opnieuw uitgegeven in een nieuwe vertaling door Maurice de Gandillac, de filosoof die de proefschriften begeleidde van zowel Louis Althusser, Jean-François Lyotard, Gilles Deleuze als Jacques Derrida. (Alleen al het feit dat twee vooraanstaande intellectuelen als Klossowski en Gandillac Benjamins essay een vertaling waard vonden, is opmerkelijk.)[6] Het interessante is dat Gandillac ‘einmalige Erscheinung einer Ferne, so nah sie sein mag’ anders formuleert in het Kunstwerk-essay dan in de Kleine Geschichte der Photographie, die hij ook vertaald heeft. In de Kleine Geschichte is Benjamins formule dezelfde als in het Kunstwerk-essay: ‘Was ist eigentlich aura? Ein sonderbares Gespinnst von Raum und Zeit: einmalige Erscheinung einer Ferne, so nah sie sein mag.’ In Gandillacs vertaling van het Kunstwerk-essay staat: ‘l’apparition unique d’un lointain, si proche qu’elle puisse être’. In zijn vertaling van de Kleine Geschichte staat: ‘unique apparition d’un lointain, si proche soit-il’. Zowel ‘Erscheinung’ als ‘Ferne’ zijn vrouwelijk, zodat ‘sie’ in ‘so nah sie sein mag’ aan beide zou kunnen refereren. Gandillac laat ‘sie’ verwijzen naar ‘Erscheinung’ (une apparition) in het Kunstwerk-essay en naar ‘Ferne’ (un lointain) in de Kleine Geschichte. Wat moeten we met deze discrepantie?

Het antwoord zou kunnen liggen in de laatste zin van de passage die ik citeerde, de zin die spreekt over ‘het verlangen van de hedendaagse massa’s om de dingen ruimtelijk en menselijk ‘dichter naar zich toe te halen’ […].’ ‘Dagelijks doet zich onweerstaanbaarder de behoefte gelden het voorwerp zo nabij mogelijk te pakken te krijgen in een beeld, of liever, in een afbeelding, in een reproductie.’ Bij het vertalen van de Kleine Geschichte legde Gandillac de nadruk op het verlangen van de massa’s om de dingen dichter bij zich te brengen, om hun verte en hun anders-zijn te assimileren, om ze als het ware te verteren. In de vertaling van het Kunstwerk-essay legde hij de nadruk op het verzet van de aura tegen deze assimilatie. Hoe dichtbij de verschijning van een verte ook is, het blijft de verschijning van un lointain – te ver weg, onbereikbaar. Ik geloof dat de uiteenlopende vertalingen van Gandillac niet toevallig waren, als zijn eigengereide manier om trouw te blijven aan de dialectische aard van Benjamins denken. In deze zin geeft Benjamin namelijk twee dialectisch met elkaar verbonden voorbeelden van wat hij bedoelt met natuurlijk aura: ‘Als je op een zomernamiddag, terwijl je rust, een bergkam aan de horizon of een tak volgt die zijn schaduw over jou heen werpt, dan adem je de aura van die bergen, van die tak in.’ Het beeld van de berg situeert het waargenomen fenomeen ver weg, het beeld van de tak daarentegen dichtbij. Benjamin gaat verder alsof beide voorbeelden versmelten in een dialectisch beeld – ik kom daar nog op terug:

‘Aan de hand van deze beschrijving valt het niet moeilijk de maatschappelijke bepaaldheid van het huidige verval van de aura in te zien. Het berust op twee omstandigheden, die beide met de toenemende betekenis van de massa’s in het tegenwoordige leven samenhangen. Namelijk: het verlangen van de hedendaagse massa’s om de dingen ruimtelijk en menselijk ‘dichter naar zich toe te halen’ en hun even hartstochtelijke streven om het eenmalige van elke realiteit te overwinnen door het verwelkomen van de reproductie.’

Als Benjamin had willen uitleggen waarom immersieve tentoonstellingstechnieken alles te maken hebben met ‘het huidige verval van de aura’, dan had hij het niet beter kunnen doen. Want het lijdt geen twijfel dat deze technieken tegemoetkomen aan het verlangen van de hedendaagse massa’s om de dingen ruimtelijk en menselijk ‘naderbij’ te brengen. Natuurlijk zouden reclamemensen bij Van Gogh: The Immersive Experience niet spreken van ‘de massa’s’, een term die behoort tot Benjamins marxistische vocabularium. Zij blijven immers volhouden dat het hun expliciete doel is om Van Gogh dichter te brengen bij ‘de mensen’. Maar afgezien van dat eufemisme (‘mensen’ in plaats van ‘massa’s’) zijn ze het fundamenteel eens met Benjamin. Ze erkennen dat het verlangen naar nabijheid van de massa’s net zo vurig is als hun neiging om het unieke van elke werkelijkheid te overwinnen door de reproductie ervan te accepteren. De massa’s van vandaag aanvaarden niet alleen, ze onderschrijven, ze omarmen, ze verlangen hartstochtelijk naar Van Goghs reproduceerbaarheid. Ik geloof dat Benjamin had voorzien – en gevreesd – dat de populaire omarming van de reproductie voortkwam uit een massaal verlangen om de eigenlijke reproduceerbaarheid de aura van kunstwerken te laten herstellen, als een aura met vergelding. Hij voorzag alleen niet op welke schaal tentoonstellingen aan een dergelijk verlangen zouden tegemoetkomen. Het herstel van de aura in het tijdperk van zijn ‘hedendaags verval’ is de angstige subtekst die tussen de regels loopt van ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’. Hetzelfde diepe respect – en ik ben geneigd te zeggen, dezelfde nostalgische liefde – voor de aura dat hem de beweringen deed verwerpen van mensen als Mumler, Hudson of Buguet over de vastlegging van de aura op de fotografische plaat, deed hem ook de fabricage van nepaura in zijn eigen tijd en in de toekomst vrezen. Hij zou zijn beroemde essay niet hebben geschreven op die ingewikkelde manier die ons nog steeds fascineert als hij geen diep dubbelzinnige gevoelens had ten aanzien van de fotografie. Ik sluit niet uit dat Benjamin, die een fervent en scherpzinnig lezer van Baudelaire was, diens afkeer van de fotografie bewonderde en heimelijk deelde. De bekende regels uit Salon de 1859 zijn veelzeggend:

‘Deze dweepzuchtige menigte verkondigde een haar waardig en aan haar aard aangepast ideaal […]. Op het gebied van de schilderkunst en de beeldhouwkunst is het huidige credo […]: ‘Ik geloof dat kunst de getrouwe reproductie van de natuur is en ook niets anders kan zijn […]. Derhalve zou de industrie die een eindproduct zou opleveren dat volkomen identiek is aan de natuur, de volmaakte kunst zijn.’ Een wrekende God heeft de beden van deze massa verhoord. Daguerre was zijn Heiland. […] Vanaf dat moment stortte de vuige maatschappij zich als één Narcissus op een stuk metaal om daar haar triviale beeld in te aanschouwen. Een waanzin, een geweldige bezetenheid maakte zich meester van al deze nieuwe zonaanbidders.'[7]

Geen eufemisme, geen massa’s verkleed als mensen, geen loutere acceptatie van reproductie. De menigte is een idolate meute zonnekloppers die bidden voor de Messias en verziekt zijn door fanatisme. Baudelaires aanklacht tegen de fotografie is doorspekt met religieus vocabulaire. Fotografie is afgoderij, fotografie is godslastering, fotografie is valse religie. Benjamin citeert uit dezelfde passage in de Kleine Geschichte der Photographie, een essay dat, in ware benjaminiaanse ambiguïteit, doortrokken is van nostalgie naar de magie en voorwaar naar de aura van de fotografie uit de beginjaren, voordat het medium geïndustrialiseerd werd, voordat fotografen de schilders gingen imiteren, voordat de decadentie intrad. Er zijn plaatsen in de tekst waar je zou denken dat je La Chambre claire van Roland Barthes aan het lezen bent. Het volstaat dus zeker niet om te zeggen dat de fotografie de aura heeft onttrokken aan de kunst die ze reproduceert. Vanaf het prilste begin van haar industrialisatie heeft ze ook een wrekende aura gefabriceerd. Gefabriceerde aura is nepaura, daar kunnen we het allemaal over eens zijn. Een nauwkeurige lezing van Benjamin leert ons nog iets meer: dat gefabriceerd aura nep is, niet zoals een vervalsing nepkunst is, noch zoals formica met houtnerf nephout is, maar zoals religie nep kan zijn. Als Daguerre daarvan de Messias is, dan is hij de antichrist, naar de aarde gestuurd door Baudelaires wrekende God.

Voor sommige Benjamin-kenners en voor vele postmoderne kunstcritici die doordrenkt zijn van de kritische theorie, is het geen verrassing dat tentoonstellingen zoals Van Gogh: The Immersive Experience de aura van de schilderkunst als een vergelding terugbrengen, omdat zij om te beginnen kritisch staan tegenover Benjamins eigen concept van de aura. Ze interpreteren en beweren dat ze de originele aura – niet de wraakzuchtige aura van Van Gogh: The Immersive Experience, maar de aura die Van Goghs schilderijen uitstraalden voordat ze massaal werden gereproduceerd – demystificeren in het licht van Marx’ theorie van het warenfetisjisme. Zeker, zo stellen zij, Van Gogh: The Immersive Experience heeft Van Goghs auratische penseelstreek verpakt, verkocht, op de markt gebracht, gecommodificeerd als een Erlebnis – of is het een Erfahrung? – als proviand voor de massa. Maar komt dat doordat de fetisjisering van Van Goghs auratische toets werd bereikt door de toets zelf? Doordat Van Gogh een meester was in het fabriceren van aura? De draaikolk van de sterrennacht, het verblindende licht van de Provence, de symboliek van de zonnebloemen, de waanzin, het afgesneden oor, de tragedie, de zelfmoord, de mythe van de artiste maudit: alles samen is het een godsgeschenk aan basismateriaal voor het vermarkten van een wraakzuchtige aura, maar dat godsgeschenk is overbodig. De aura van Van Goghs schilderijen was vanaf het begin verzonnen. Zo zouden sommige Benjamin-kenners en veel postmoderne kunstcritici redeneren. De meest fijnzinnige onder hen zouden ook Marx’ handreikingen naar religieuze metaforen in zijn ontmaskering van het warenfetisjisme herkennen. En ze zouden zwelgen in dat vocabularium, in hun eigen demystificatie van Benjamins concept van de aura. Ze zouden er niet genoeg van krijgen te verwijzen naar de ‘metafysische spitsvondigheden en theologische grillen’ die Marx de handelswaar zag bezielen, in de hoedanigheid van sociale productieverhoudingen, vermomd als een ding.[8]

Ik ben het eens met deze deskundigen en postmoderne kunstcritici wat Van Gogh betreft, maar ik geloof niet in een verklaring die er het warenfetisjisme bij betrekt. Ik denk dat deze deskundigen en critici zich zouden moeten afvragen waarom Benjamin, die natuurlijk Marx’ theorie kende, inclusief de theologische streken ervan, deze weg niet bewandelde – net zoals hij de weg van ectoplasma’s en geesten niet bewandelde bij zijn excursies in de negentiende-eeuwse fotografie. Benjamin liep vooruit op de demystificerende lezing van zijn postmoderne lezers. Hij was erop gebrand om de authenticiteit van de originele aura te behouden – ‘aura’ is hier bijna een synoniem voor ‘authenticiteit’. Pas als je je afvraagt waarom Benjamin niet de weg van het warenfetisjisme is ingeslagen, komt het derde van mijn gevlochten snoeren naar voren, naast technologie en politiek, de draad waar ChatGPT op zinspeelde met de woorden ‘religieus’ en ‘mystiek’, en dan onthult dat snoer zich als het belangrijkste van de drie. In het Kunstwerk-essay, net als in het opstel ‘Über den Begriff der Geschichte’ verschuilt de dwerg van de theologie zich onder de marionet van het historisch materialisme. Maar de list is doorzichtig: als Benjamin schrijft dat de authenticiteit, de aura van een kunstwerk het unieke bestaan ervan is zoals bepaald door de geschiedenis, en dat tot die geschiedenis ‘zowel de veranderingen [behoren] die het kunstwerk in de loop van de tijd in zijn fysieke structuur heeft ondergaan, als de veranderingen in de eigendom die zich kunnen hebben voorgedaan’, staat hij dichter bij het vulgaire materialisme dan bij de dialectische variant die hij verondersteld wordt te beoefenen.[9] Hij verbergt het zo goed als hij kan, maar de aura is een theologisch concept, vertaald als ‘beleving’ of ‘ervaring’, Erlebnis of Erfahrung, dat maakt weinig uit. Ware aura is ‘einmalige Erscheinung einer Ferne, so nah sie sein mag’. Gefabriceerde aura – of nepreligie, zo je wil – brengt de verte in de verschijning dichtbij, te dichtbij voor de kijker. In tegenstelling tot Baudelaires wrekende God, blijft Benjamins God – de Joodse God van zijn eigen politieke messianisme, als ik even kort door de bocht mag gaan – afzijdig, hoe dichtbij hij ook verschijnt, of weigert te verschijnen.[10]

Mag ik eraan herinneren (zonder een godsdienstoorlog te willen ontketenen) dat het christendom begon met Johannes de Doper die Christus onderdompelde in het water van de Jordaan? En dat alle christenen hun leven beginnen met het sacrament van het doopsel, en wedergeboren christenen hun nieuwe leven met een volledige onderdompeling? Voor het christendom is het dopen de inwijding van het individu in de Stad van God. Voor wedergeboren christenen, new agers en nepchristenen gaat het om een immersie met vergelding. En omgekeerd: immersie met vergelding is nepchristendom. Het is de radicale onderdrukking van afstand, de afschaffing van elk gevoel van ‘verte’, absolute onmiddellijkheid. Het soort nepchristendom waar tentoonstellingen als Van Gogh: The Immersive Experience naar streven is een angstige respons, eerder dan een antwoord op dezelfde vraag die volgens mij de onbewuste motor was van Benjamins intellectuele werkzaamheid in het Kunstwerk-essay: kan kunst, hoge kunst, overleven in een radicaal industriële, radicaal democratische en, bovenal, radicaal seculiere samenleving? Technologie, politiek en religie, de drie draden die ChatGPT correct identificeerde, worden in deze vraag samengebonden als in de vlecht van het jonge meisje. Sinds de Franse Revolutie de democratie als politiek ideaal heeft vooropgesteld, is hoge kunst, die vroeger hofkunst was, in het gedrang geraakt. Sinds het begin van de industriële revolutie wordt hoge kunst onder druk gezet door het verscheiden van het vakmanschap in alle productielijnen. De bedreiging werd als bijzonder acuut ervaren door de schilders vanaf het ogenblik dat de uitvinding van de fotografie hen in de kou zette. En sinds de Nationale Conventie in 1793 de gregoriaanse kalender afschafte – een symbolisch gebaar dat in 1871 door de Parijse Commune werd herhaald – is religie niet langer het cement van de burgermaatschappij en zijn de religieuze praktijken tanend. Dit is niet zomaar een opsomming, dit zijn nauw met elkaar verweven realiteiten die op een uiterst imposante tijdschaal gemeten dienen te worden. Kunst bestaat al meer dan 40.000 jaar op deze planeet, en hoge kunst van de beste kwaliteit bestaat al bijna net zo lang: de paleolithische schilderingen in de Grotte Chauvet zijn zowat 37.000 jaar oud. De industriële revolutie, de democratische aspiraties van de massa’s en de algemene secularisatie van de samenleving zijn hooguit iets meer dan 200 jaar oud. Gedurende 40.000 minus 200 jaar was hoge kunst ambachtelijk, aristocratisch en vooral religieus.

In ‘Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit’ heeft Benjamin de teloorgang van de aura gekoppeld aan de op een historische schaal ontzettend jonge aanval op de drie essentiële kenmerken, tot dan toe, van hoge kunst. Hij heeft de drie snoeren van mijn werkhypothese vervlochten, twee aan twee: technologie met politiek, politiek met religie, religie met technologie, als een kapper die haarlokken tot een streng samenvoegt rond een onzichtbaar lint, in dit geval de kunst. Technologie met politiek: in de ban van de Sovjetcinema voorspelde Benjamin dat de reproduceerbaarheid van film voorbestemd was om de kunst te zijn die de massa’s wakker schudt (niet zijn beste intuïtie). Politiek met religie: geen cultuswaarde meer; de secularisatie en politisering van kunst zouden hand in hand gaan om ervoor te zorgen dat de seculiere tentoonstellingswaarde zegeviert (ook niet zijn beste intuïtie). Religie met technologie (zijn beste intuïtie, volgens mij): hier liggen de zaken gevoeliger, juist vanwege de dreiging van een technologisch gefabriceerde nepreligie. Kunst moet technologie erkennen en er tegelijkertijd, dialectisch, weerstand aan bieden als ze een lekenspiritualiteit wil redden die in staat is nepreligies op afstand te houden. Vandaar Benjamins schroom om te erkennen dat de niet-reproduceerbaarheid van de aura datgene is wat van ware religie overblijft en zou moeten overblijven in het tijdperk van de reproduceerbaarheid van kunst. Vandaar het feit dat hij zijn concept van de aura illustreert – als ‘illustreren’ het juiste woord is – aan de hand van de natuur in plaats van de kunst. Ik betwijfel of Benjamin ooit serieus heeft nagedacht over de onbemiddelde aura van natuurverschijnselen; het zijn rekwisieten in zijn demonstratie, ingegeven door zijn ervaring met de kunst, niet met de natuur. Laat me daarom terugkeren naar zijn twee dialectisch verbonden voorbeelden: ‘Als je op een zomernamiddag, terwijl je rust, een bergkam aan de horizon of een tak volgt die zijn schaduw over jou heen werpt, dan adem je de aura van die bergen, van die tak in. Aan de hand van deze beschrijving […],’ zo vervolgt Benjamin, als om te benadrukken dat beide voorbeelden moeten worden samengenomen: twee beelden samengevoegd in één dialectisch beeld. Het is precies dit beeld dat ik zou willen illustreren – als ‘illustreren’ het juiste woord is – met iets waarvan ik nooit heb betwijfeld dat het een dialectisch beeld is, in de benjaminiaanse betekenis: een van Cézannes zichten op de Montagne Sainte-Victoire (‘een bergkam aan de horizon’) omlijst door de takken van een nabijgelegen boom (‘een tak […] die zijn schaduw over jou heen werpt’). Dat schilderij, als ik zo vrij mag zijn – zelfs de reproductie ervan op papier of op een scherm – bewijst de superioriteit van Cézanne op Van Gogh. Probeer maar eens een tentoonstelling samen te stellen met de titel Cézanne: The Immersive Experience. Het zou gewoon niet lukken.

 

Vertaling uit het Engels: Guy Châtel

 


Noten

1. Joel Snyder, ‘Benjamin on Reproducibility and Aura. A Reading of ‘The Work of Art in the Age of Its Technical Reproducibility’’, in: The Philosophical Forum, nrs. 1-2, 1983, p. 135.

2. Walter Benjamin, ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’, in: Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid en andere essays, Amsterdam, Boom, 2008, p. 15, vertaling Henk Hoeks.

3. Zie Clément Chéroux, Andreas Fischer, Pierre Apraxine, Denis Canguilhem, Sophie Schmit, The Perfect Medium. Photography and the Occult, New Haven, Yale University Press, 2005.

4. Walter Benjamin, ‘The Work of Art in the Age of Mechanical Reproduction’, in: Illuminations, New York, Schocken Books, 1969, p. 216, vertaling Harry Zohn.

5. Walter Benjamin, ‘Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit’, in: Gesammelte Schriften. Band I-2, Frankfurt, Suhrkamp, 1977, p. 479.

6. De vertaling van Maurice de Gandillac, ‘L’œuvre d’art à l’ère de sa reproductivité technique’, is opgenomen in: Walter Benjamin, L’homme, le langage et la culture, Parijs, Denoël, 1971; de vertaling van Pierre Klossowski, ‘L’œuvre d’art à l’époque de sa reproduction mécanisée’, staat in: Walter Benjamin, Écrits français, Parijs, Gallimard, 1991.

7. Charles Baudelaire, De Salon van 1859, Amsterdam, Voetnoot, 1990, p. 19, vertaling Anneke Pijnappel.

8. Karl Marx, Het kapitaal. Kritiek van de politieke economie. Deel I. Het productieproces van het kapitaal, Amsterdam, Boom, p. 69, vertaling Isaac Lipschits.

9. Walter Benjamin, op. cit. (noot 2), p. 11.

10. Wat dit gevoelige onderwerp betreft, zie: Rolf Tiedemann, ‘Historical Materialism or Political Messianism? An Interpretation of the Theses ‘On the Concept of History’’, in: The Philosophical Forum, nrs. 1-2, 1983, pp. 71-104.

‘Een schreeuw van grenzeloze ironie’

Isidore Lucien Ducasse (1846-1870), alias Lautréamont (of ‘Comte de Lautréamont’), is de auteur van een klein maar explosief oeuvre: Les Chants de Maldoror (1869), een lang prozagedicht in zes zangen, en Poésies I en II (1870), geen gedichten maar verzamelingen spreuken, beginselverklaringen en parodiërende aforismen over, vooral, Franse literatuur. Toen Ducasse nog leefde, kwam zijn werk hooguit een tiental mensen onder ogen, en door zijn vroege dood leken alle voorwaarden aanwezig voor definitieve vergetelheid, temeer omdat over de mysterieuze auteur vrijwel niets bekend was. Het tegendeel gebeurde: in de twintigste eeuw kreeg Lautréamont een mythische status en werd hij een object van fascinatie voor ettelijke generaties schrijvers en beeldend kunstenaars.

Lautréamont werd verscheidene keren herontdekt, een eerste keer in België. Les Chants de Maldoror, in 1869 gedrukt door de Brusselse uitgever Albert Lacroix, was nooit verspreid, maar in de zomer van 1885 kwam een exemplaar van de onverkochte oplage in handen van Max Waller, bezieler van het avant-gardetijdschrift La Jeune Belgique, waarin dat jaar een strofe uit de eerste zang werd gepubliceerd.[1] Zo vonden Lautréamont en Maldoror hun weg naar enkele Franse auteurs, zoals Remy de Gourmont, Léon Bloy en Alfred Jarry.

De tweede herontdekking kwam op naam van de surrealisten. Philippe Soupault stuitte in 1917 op een antiquarisch exemplaar van Les Chants de Maldoror, waarna André Breton en Louis Aragon Lautréamont prompt uitriepen tot ‘totale revelatie’: zijn godslasteringen, zijn geweldsvisioenen, zijn perversiteiten, zijn zwarte humor, zijn ‘schreeuw van grenzeloze ironie’ maakten hem tot grote revolutionaire voorloper. In 1919 vond Breton een exemplaar van Poésies in de Bibliothèque nationale de France, de integrale tekst werd gepubliceerd in het tijdschrift Littérature. Lautréamont stond definitief op het podium van de literatuurgeschiedenis.

Het contrast tussen Les Chants de Maldoror en Poésies heeft sindsdien veel pennen in beweging gebracht. Na decennia van vooral mythologiserend commentaar is er recentelijk sprake van een heropleving van het onderzoek: nieuwe details over Ducasses leven worden ontdekt, nieuwe thema’s aangeboord; de queer dimensie van Les Chants de Maldoror wordt belicht, bijvoorbeeld in het motief van de hermafrodiet en de amfibie, of in de terugkerende pederastische scenario’s. Die heropleving wordt ook bevorderd door een zeer actieve Association des Amis Passés, Présents et Futurs d’Isidore Ducasse, uitgever van de Cahiers Lautréamont.[2]

Hier vertaald zijn de elfde strofe uit de eerste zang, die in 1885 Lautréamonts wederopstanding inluidde in La Jeune Belgique, en het eerste hoofdstuk uit de zesde zang, met de beroemde passage waarin van Mervyn, ‘zoon van het blonde Engeland’, wordt gezegd dat hij ‘mooi [is] als de toevallige ontmoeting op een sectietafel van een naaimachine en een paraplu’ – een van de mantra’s van het surrealisme. In beide fragmenten ontrolt zich tussen Maldoror, een soort gekweld alter ego van de verteller, en Mervyn, de jongen aan wie hij zich wil vergrijpen, een vergelijkbaar script, geïnspireerd op Goethes gedicht ‘Erlkönig’: ‘Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt / Und bist du nicht willig, so brauch’ ich Gewalt.’

 

Noten

1. De geschiedenis van die eerste herontdekking wordt gedetailleerd uit de doeken gedaan in: Frans de Haes, ‘Johan Stärcke, de eerste Nederlandse vertaler van Freud en Lautréamont’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, nr. 1, 2003, pp. 1-16. De eerste Lautréamontvertaler in de Lage Landen was overigens niet de Amsterdamse arts Johan Stärcke in 1917, maar de Vlaamse romancier Paul Kenis, die in 1909 acht strofen uit de eerste zang vertolkte: ‘Graaf de Lautréamont’s ‘Zangen van Maldoror’’, in: Nieuw Leven, nr. 6, 1909, pp. 255-262. Voor de vroege receptie van Lautréamont in Nederland, zie ook: Bastiaan D. Van der Velden, Lautréamont in Nederland (1891-1917), Amsterdam, Nederlandse Academie voor Patafysica, 2015. Na de eerste integrale vertaling van Johan Stärcke, De zangen van Maldoror (Van Dishoeck, 1917), verschenen er in het Nederlands nog twee hervertalingen, van C.N. Lijsen (De Bezige Bij, 1962; Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1992) en van René Sanders (Kelderuitgeverij, 2011).

2. Het jaarlijkse Cahier Lautréamont verscheen tussen 1987 en 2010, en sinds 2019 verschijnt het opnieuw. Zie ook: Kevin Saliou, Le Réseau de Lautréamont. Itinéraires et stratégies d’Isidore Ducasse, Parijs, Classiques Garnier, 2021.

Het verschil tussen twee dingen. Gesprek met Willem Oorebeek

Camiel van Winkel: Je zei me laatst dat het geen enkele zin heeft om goed te kunnen lithograferen. Een conservator van Boijmans Van Beuningen noemde jou in 1988 nochtans ‘een meester van het scala aan mogelijkheden binnen de lithografie’.

Willem Oorebeek: Ik heb altijd goed kunnen verhullen dat ik het eigenlijk niet kon, door te doen alsof ik juist dat ‘kunnen’ een obstakel vond.

C.v.W.: Hoe zit het dan met dat meesterschap?

W.O.: In de grafiek, de wereld van de kunstdruk, gaat het erom dat je je vakmanschap bewijst met perfecte gelijkvormigheid. Ik was altijd meer geïnteresseerd in het verschil dan in de overeenkomst tussen twee drukken.

C.v.W.: Jij stond dus meer aan de kant van Warhol.

W.O.: Warhol heeft tenminste begrepen waar het om ging bij het drukken: dat je een structuur opzet die een overdracht of transfer van beeld realiseert. Dat is waar het om gaat, en niet om schoonheid of precisie, of om de overgebrachte informatie.

C.v.W.: Net als jij was Warhol juist geïnteresseerd in het verschil tussen twee drukken.

W.O.: Ja, omdat het verschil tussen twee dingen maakt dat je twee polen krijgt die je met elkaar kunt vergelijken. En als ze dan ook een beetje interessant dichtlopen, heb je twee extremen geproduceerd.

C.v.W.: Hij liet de zeefdruk bedienen door assistenten die de technische competentie niet hadden.

W.O.: Die competentie was niet relevant. Ik heb altijd veel interesse gehad in een kunstenaar die nota bene aan Warhol een zeef heeft gevraagd om zelf ‘Warhols’ te kunnen maken: Sturtevant. Dat gaat natuurlijk nog een stapje verder, omdat het helemaal niet meer om het drukkerschap gaat. Mij gaat het wel om het drukkerschap, in die zin dat dat een figuur wordt, een figuurlijke positie. Om een medium te deconstrueren is het van belang dat je weet hoe het werkt, hoe het in elkaar zit, ook formeel, en wat daarvan de consequenties zijn. De productie van drukwerk is massaal, maar er wordt nooit iets gedrukt zonder reden, er is altijd een overweging om een boodschap te plegen, om te verleiden, te dwingen en te manipuleren.

C.v.W.: Je gebruikt lithografie nu vooral als techniek voor reproductie, herhaling, verdubbeling en verduistering. Daar is duidelijk iets verschoven ten opzichte van je vroege, relatief klassieke toepassingen van dat medium.

W.O.: Die verschuiving is opgetreden aan het eind van de jaren negentig. In die periode plakte ik gedrukte beelden op de muur, die ik had aangepast aan de schaal van de tentoonstellingsruimte door ze uit te vergroten. Het effect was op den duur dat ik de grond onder mijn voeten kwijtraakte, het contact met de realiteit van de dingen. Dat bereikte een hoogtepunt in mijn tentoonstelling in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië in 1997.

C.v.W.: Wat bedoel je?

W.O.: Als je iets extraheert uit de beeldcirculatie en uitvergroot tot de schaal van de tentoonstellingsruimte, verliest het zijn eigen afmetingen. In 1999 bedacht ik dat ik misschien terug moest naar het materiële object zelf, het gedrukte ding. Het idee ontstond toen om een toe-eigening te plegen die mijn ingreep duidelijk laat zien, maar waarbij het object steeds zijn eigen afmetingen behoudt. Zo zijn de BLACKOUTS ontstaan, de geste om bestaand beeldmateriaal te overdrukken met een laagje zwarte inkt. Zodra de inkt droog is, komt het oorspronkelijke beeld gedeeltelijk terug, via de reflectie van het licht op de donkere delen.

C.v.W.: Je past dus geen uitvergroting toe.

W.O.: En daardoor gaat het tenminste weer over het drukwerk waar ik in beginsel in geïnteresseerd was. BLACKOUTS ontstaan altijd vanuit een affiniteit met wat ik overdruk. Het betreft geen puur iconoclastische handeling, want dan kun je het ding net zo goed weggooien. Dat is wat al gebeurt met het meeste drukwerk, dat eigenlijk altijd geproduceerd wordt om het na gebruik weg te gooien. Een BLACKOUT is een vorm van het redden van beelden. De geste van affiniteit maakt dat je iets redt door het onzichtbaar te maken achter een laag die door de drukker zelf wordt aangebracht.

C.v.W.: Waar red je het beeld van?

W.O.: Van de ondergang. Maar dan komen er natuurlijk heel andere kwesties in het spel. Als je drukwerk met een laag zwart overdrukt, schakel je de details van de boodschap uit, maar moet je nog steeds laten zien waarom je de geste van affiniteit hebt willen toepassen. Het is een precair spel van tonen, van zichtbaarheid en onzichtbaarheid, wat niet geheel vrij van pathetiek is. Ik kan mezelf niet wegcijferen, ook omdat de affectieve geste juist als iets persoonlijks is bedoeld. Een BLACKOUT zit dus vol met haken en ogen. Obstakels eigenlijk.

C.v.W.: Vaak gaat het bij de BLACKOUTS om beelden die uit een serie komen. Een reeks verkiezingsposters bijvoorbeeld, een reeks portretten van communistische leiders, of verschillende covers van hetzelfde tijdschrift.

W.O.: Ik heb me voor alles opengesteld. Ik heb mijn interesse proberen te ontwikkelen met het oog op het toepassen van de geste. Dat betekent dat je actief begint te zoeken naar dingen die geschikt zijn om te overdrukken. Op een gegeven moment bleek dat er te veel dingen waren waarin ik geïnteresseerd was; het dreigde een massaproductie te worden, een routine die niets meer te maken had met die persoonlijke, pure interesse. Het is lang een routine geweest, ik heb vijftien jaar bijna alleen maar BLACKOUTS gemaakt. En dan kom je langzaam tot een punt van verzadiging, het punt waarop iets wel heel erg interessant moet zijn voordat je weer je zwartrol oppakt.

C.v.W.: Ik zie de BLACKOUTS als een soort negatieve dialectiek van het origineel. Een stuk drukwerk gemaakt in hoge oplage verandert in een uniek, origineel beeld, juist doordat het praktisch onleesbaar wordt en wegzinkt in een verduisterde ruimte.

W.O.: Dat is voor een groot deel interpretatie.

C.v.W.: Wat ik bedoel is dat je langs de weg van de negatie een kopie transformeert in een origineel. Dat vormt dan die redding waar je het over had. Iets waarvan duizenden identieke exemplaren bestaan, wordt omgevormd tot één nieuw origineel.

W.O.: Ja, maar de BLACKOUTS waren interessant omdat ze ook tegen mijn neiging tot negatie ingingen: ze maakten wel degelijk iets zichtbaar, op een andere, indirecte manier. Het idee is om, in plaats van iets compleets, iets overcompleets aan te bieden, iets wat zichzelf in zijn eigen verdubbeling onleesbaar maakt. Dat heeft bij mij altijd al een rol gespeeld. Een voorbeeld is mijn biografie in het eerste MONOLITH-boek uit 1994: op één dubbele pagina staan zoveel bio’s over elkaar heen gedrukt, gereproduceerd uit oudere catalogi, dat het geheel niet meer leesbaar is, behalve de naam Willem Oorebeek, die in een vetter lettertype is gezet. Door lagen over elkaar heen te drukken was ik dus toen al, in de jaren voor de BLACKOUTS, op weg naar het complete zwart, dat wil zeggen naar een eindfase waarin alles volledig over elkaar zit: een soort verticale statistiek. In de jaren negentig was het bijna zover, omdat ik toen ook nog op zwart papier ging drukken. Naderhand kwamen de werken getiteld M.O.T.S (More Of The Same), die dit nog eens thematiseerden.

C.v.W.: De ambivalentie van de BLACKOUTS is dat je schijnbaar verschillen uitvaagt, maar dat tegelijk ook juist niet doet. Het vormt een bevestiging langs de weg van de ontkenning.

W.O.: De geste van het overdrukken is een quasimechanische handeling die je toepast op iets wat de moeite waard is om gered te worden. Alle communicatieve details van de gedrukte boodschap verdwijnen; de iconografie blijft over als het enige zichtbare residu. De werken kunnen alleen nog maar bewijzen dat ze er ooit waren, als beeld.

C.v.W.: Heb jij op een bepaald moment besloten dat je geen schilder wilde zijn? Je zei eerder dat je in de jaren zeventig niet van het beeld kon loskomen.

W.O.: Ik heb geschilderd, ja. Ik heb heel mooie schilderijen gemaakt. Maar op den duur schilderde ik alleen nog op de manier waarop drukwerk per kleur vooruitgeholpen wordt, met zo min mogelijk extra inspanning. Toen besefte ik: hier gebeurt iets wat een keuze vereist. Vergeleken met mijn grafische werk was de schilderkunst mij eigenlijk veel te arbitrair. Daarom heb ik dat opgegeven.

C.v.W.: In een parallel universum had je misschien schilder kunnen blijven. Ik moet nu even denken aan Gerhard Richter.

W.O.: In zijn abstracte schilderijen zie ik helemaal niets. Dat is precies de schilderkunstige geste waar ik geen affiniteit mee heb. Ik herken me wel in zijn keuze voor het onscherp naschilderen van foto’s. Dat is een elementair keuzeapparaat. In Richters Atlas kun je zien dat hij alles als een boekhouder afgraast. Zoals iedere schilder en iedere fotograaf moet hij steeds weer opnieuw op zoek naar een onderwerp. Dat vereist dat je het mechanisme van het afgrazen scherp houdt.

C.v.W.: En dat mechanisme is een reproductiemechanisme?

W.O.: Ja, het naschilderen van bestaande plaatjes. Door de onscherpte worden het reproducties en krijgen ze een gemediatiseerd effect mee.

C.v.W.: Je hebt dus bewust besloten om te stoppen met schilderen.

W.O.: Het interesseerde me niet om over iedere mogelijke verfstreek te moeten nadenken. Ik werd te veel verleid door mijn eigen toets, en dat vond ik arbitrair. Als schilder kun je doen wat je wilt, als het maar verleidt, en dat is natuurlijk heel verdacht voor een calvinist zoals ik.

C.v.W.: Ben je nu, terugkijkend op je vroegere werk, tot een inzicht gekomen over bepaalde obstakels die er in je carrière geweest zijn?

W.O.: Ieder werk is op zijn eigen manier een obstakel, omdat je ergens overheen moet waar je voor staat. Veel werk uit de jaren tachtig en negentig komt voort uit de weerzin om een editie te drukken enkel omdat je kunt drukken. Een editie resulteert in een stapel vellen papier die je hebt bedrukt en die allemaal hetzelfde zijn. Wat doe je daarmee? Het vormt een obstakel dat je moet oplossen of uit de weg moet ruimen. Dat is over het algemeen het gemiddelde obstakel van het werk uit die jaren: het probleem om de limieten van je eigen schaal te overstijgen. Dat zijn allemaal grootschalige dingen voor die tijd. Die ambitie is inmiddels opgelost in minder.

C.v.W.: Je drukt allang geen grote oplages meer.

W.O.: Ik heb altijd een weerzin gehad tegen dat automatisme. Ik maak geen lithografie uit liefde voor het medium, maar omdat het lijkt op generiek drukwerk. Dat is voor mij de kern van de activiteit waar ik me op baseer; ik wil dat het werk lijkt op drukwerk. Ik heb een onderscheid gemaakt tussen mijzelf als individu en een samenleving waarin massale verspreiding plaatsvindt, en het is juist die tegenstelling die me bezighoudt. Ik ben een einzelgänger, en ik kan drukwerk eigenhandig, met de hand, manipuleren. Ik zet het om naar een vorm van niet-verspreiding, naar een enkelvoudige uitspraak die me interesseert in dat medium. Daarom is het werk een obstakel: omdat er altijd een vorm van een oplossing nodig was. Ik heb het echter nooit zo benoemd, omdat ik dat begrip pas recenter ben gaan hanteren.

Ik beschouw het depot van publieke beelden als iets dat voor iedereen geproduceerd wordt, niet alleen voor mij. Mijn houding tegenover het origineel stamt uit de jaren zeventig; dat had toen een specifieke betekenis. In de jaren negentig sloeg de balans weer terug naar een vorm van toe-eigenen en beschermen van het origineel. Maar we leven niet meer in een tijd waarin originaliteit nog een rol speelt; alles is een kopie. Het origineel is de vijand die aangevallen moet worden. Daarom vind ik Sturtevant zo goed. Ze beriep zich niet op de termen van een theorie die alleen de geijkte begrippen erkent. Wat zij deed, al in de jaren zestig, was a priori niet benoembaar binnen die termen. De theorie is achterhaald, omdat die altijd benadrukt dat er een origineel is en een kopie, maar Sturtevant zei: alles is een kopie.

C.v.W.: Zij was volgens jou dus consequenter dan de kunstenaars van de appropriation art?

W.O.: Ja, veel consequenter, omdat het kopiëren bij hen maar een klein onderdeel is van hun praktijk. Ze presenteren wat ze gekopieerd hebben als een nieuw origineel en maken daar weer een oplage van die verkocht moet worden. Het is een Amerikaanse ziekte. Sturtevant liet heel nadrukkelijk zien dat ze werk van anderen namaakte, en ze heeft zich nooit verantwoord met een pasklare set van termen en begrippen die aansloot bij de bestaande theorie; ze heeft altijd gezegd dat het werk zijn eigen leven leidde.

C.v.W.: Maar ik weet niet of bijvoorbeeld Cindy Sherman de theorie nu zozeer heeft opgezocht. Het is eerder andersom, denk ik.

W.O.: De theorie is benoemd door een curator, want er moest iets geformuleerd worden als een tijdsverschijnsel. Met Sherrie Levine, Cindy Sherman en andere kunstenaars van die tijd was dat gemakkelijk te bereiken.

C.v.W.: Toch belichaamden die kunstenaars aan het eind van de jaren zeventig iets waar jij net aan refereerde, denk ik.

W.O.: Ik heb in die periode aan een hogeschool gestudeerd waar het leek alsof de popart al academisch was. Je begon gewoon de dingen die je interesseerden over te nemen – te stelen, heet dat tegenwoordig weer.

C.v.W.: Het was academisch in de zin dat er al een vast recept voor bestond?

W.O.: Ja, academische popart was een volkomen omschreven terrein. Zo heb ik het genoemd, ‘academische pop’. Dat woord bestond niet. Het was een goede en interessante leerschool, want wij raakten lost in translation – op den duur wisten we niet meer hoe we ons konden redden uit de poel van terminologieën. Alles kon worden toegeëigend, je hoefde het niet eens meer appropriatie te noemen. Je kon je eigen origineel uitvinden. Dat is een vorm van vrijheid… Ik weet niet of dat woord, ‘vrijheid’, iets betekent; op het moment zelf voel je je vrij, maar op den duur ben je net zo goed ingekapseld. Ook omdat de terminologie niet werd ontwikkeld; we zitten nu nog steeds met dezelfde woorden: kopie, reproductie, citaat… Ik vind niet dat ik me op die periode moet beroepen, maar toch kan ik vanuit dat verleden wel zeggen dat er in de tussentijd iets fundamenteel is veranderd. Ik beschouw mezelf niet als de eigenaar van het materiaal dat ik gebruik. Het gaat niet om een appropriatie die mij tot de nieuwe rechthebbende maakt. Maar dat is nu nog moeilijk vol te houden, omdat je op iedere straathoek aangeklaagd kunt worden – wat ook niet onlogisch is. Wat mij interesseert is het publieke bestaan van massaal geproduceerd drukwerk, materiaal met een vorm van vogelvrijheid, wat mij in staat stelt om er ‘essayistisch’ naar te kijken.

C.v.W.: Je kunt zeggen dat er geen enkele reden is waarom jij als een subject dat zich beweegt in de publieke ruimte en voortdurend gebombardeerd wordt met publieke communicatie, die communicatie niet zou kunnen vastpakken en in je zak steken.

W.O.: Ja, exact. En dat is waarover ik het wil hebben, over dat bombardement, om de ‘insistentie’ ervan aan te tonen. Of eigenlijk hoef ik niets aan te tonen, maar er valt wel iets belachelijk te maken.

C.v.W.: Toch zijn er momenten waarop dat manoeuvre raakt aan een gevoeligheid die zich op een heel ander vlak bevindt.

W.O.: Dat ideeën over auteurschap als een vorm van een superieure zelfbeschikking ter discussie zijn gesteld, vind ik volkomen terecht. Ik beschouw mezelf om die reden niet als een auteur, maar ik moet erkennen dat er iets is veranderd, waardoor ik niet meer kan doen wat ik lang gedacht heb dat ik kon.

C.v.W.: Het begrip ‘appropriatie’ heeft in de tussentijd een andere gevoelswaarde gekregen. Het heeft nu eerder een negatieve klank; het verwijst vooral naar culturele appropriatie, als vorm van exploitatie. Het kritische gebruik van appropriatie als een artistiek instrument is daardoor overschaduwd.

W.O.: Ik heb me nooit expliciet kritisch willen noemen. Ik heb hercirculatie altijd als een volstrekt natuurlijke vorm van beeldverwerking gezien. Ik verzette me tegen het idee dat het om een geformuleerd uitgangspunt ging, een theorie die je moest kennen voordat je aan de slag kon.

C.v.W.: In de theorie van de appropriatie zie je vanaf de jaren negentig ook een verschuiving, in de zin dat de cultuurkritische duiding langzaam verschoven is naar een sterkere nadruk op de affectieve omgang met bestaande beelden of tekens.

W.O.: Een BLACKOUT is inderdaad een affectieve omgang met bestaande tekens, maar je moet als beschouwer zelf maar uitvinden dat er überhaupt iets onder het zwart zit. Voor mij is het daarom interessant om een BLACKOUT te tonen in, bijvoorbeeld, een groepstentoonstelling. Het is moeilijk te zien dat er nog een beeld aanwezig is onder de zwarte inkt. Het onderliggende beeld wordt niet door iedereen opgemerkt.

C.v.W.: De kunstwereld is nogal veranderd in de laatste vijftien jaar. Hoe heb jij dat ervaren? Kun je je nog even vrij als voorheen bepaalde beelden toe-eigenen?

W.O.: Nee, dat kan niet meer. Dat vind ik eigenlijk ook helemaal niet erg. Het is wel degelijk een interessante maatschappelijke ontwikkeling. Ik kan niet meer met hetzelfde gevoel een BLACKOUT maken zonder na te denken over het feit dat ik me daarmee tot zwart verhoud. De term ‘zwart’ is volstrekt omgedraaid, in een vorm die niet meer uit mijn potje te lepelen is. Je kunt niet meer zomaar elke willekeurige afbeelding met een laag zwart overdrukken. Dat is een zorg die ik me zeker aantrek. Ik hoef het ook niet per se altijd te doen. Vaak zie ik af van het overdrukken omdat ik denk dat het niet gepast is. Je kunt een beeld van een zwart individu niet zomaar zwart overdrukken, want door de verdubbeling van het zwart – hetzelfde woord, maar met twee betekenissen – loop je vast. Het is ook geen discussie waarin ik iets in te brengen heb met mijn BLACKOUTS. Het is geen toepasselijk instrument.

C.v.W.: Wat mij betreft, ik ben eigenlijk in die discussie betrokken zonder dat ik dat wilde.

W.O.: Dat is het probleem, want die discussie is bijna altijd een overval, met dezelfde ‘gelijkhebberigheid’ die wij vroeger tentoonspreidden. Daarom meng ik me er niet in. Er is een woord voor, dat ik zelf niet wil gebruiken. Dat betekent overigens niet dat ik me volledig van de discussie afkeer. Het maakt me ook niet mismoedig of zoiets. Het bereik ligt alleen veel breder dan de kunst, waar goed beschouwd weinig mee af te dwingen valt.

C.v.W.: De nadruk die nu vaak zo sterk op representatie wordt gelegd, gaat voorbij aan de kritiek van de representatie, een belangrijke onderstroom in de moderne kunst. Jij houdt nog vast aan die kritiek.

W.O.: Ik heb het idee dat ik in de veertig jaar waarin ik daarover denk de kritiek zelf ben geworden, wat natuurlijk ook onzin is, want dat impliceert een bovenmenselijk standpunt.

C.v.W.: Het gaat om een sceptische houding tegenover het idee dat een representatie de wereld zoals die is kan weergeven.

W.O.: Ja, maar dat geldt net zo goed voor mijn eigen kritiek. Ik ben er niet mee bezig om van mijn mediale omvorming een nieuwe boodschap te maken – zelfs geen boodschap van kritiek. De betekenis zit in het ding zelf, en niet in de referenties. Over die referenties zou ik veel kunnen zeggen, maar ik doe dat niet, omdat het ding zoals het is geworden op een andere manier verschijnt. En het is mij om die verschijning te doen, het resultaat van de geste van het overdrukken.

C.v.W.: Dus in plaats van representatie is er reproductie.

W.O.: De reproductie is onderdeel van de geste. De reproductie is voor mij niet puur het platte, fotomechanische reproduceren, maar het is alsof je in de huid van het ding kruipt, om te kijken wat je nodig hebt voor dat nieuwe resultaat van de geste. De productie van drukwerk berust altijd op een analyse om zo efficiënt mogelijk een communicatie te kunnen vermenigvuldigen en verspreiden. De druk moet effectief worden gemaakt door het afschrapen van wat in de schilderkunst een permanente geste is. En een laag zwart aanbrengen is voldoende om dat te bewerkstelligen.

C.v.W.: Je noemde eerder ook het aspect van autoriteit dat daarin zit.

W.O.: BLACKOUTS ontstaan altijd vanuit een autoriteitsmoment. Dat is omdat je de maker bent van iets wat opnieuw de wereld in wordt geslingerd. De autoriteit is verbonden met de gedachte die je hebt, de beslissing om iets te laten gebeuren.

C.v.W.: Autoriteit klinkt minder vriendelijk dan geste.

W.O.: De geste is niet iets softs, maar heeft ook iets politieks. Het gaat om het gebaar als handeling. Het gebaar is meer dan de helft van het werk.

C.v.W.: Tot de handeling behoort ook het uitkiezen van het materiaal.

W.O.: Ja, dat is de intuïtieve antenne die permanent op scherp staat. Preferentie heeft altijd een rol gespeeld, zeker bij de BLACKOUTS.

C.v.W.: Is het juist om te zeggen dat je materiaal gebruikt dat geen auteur heeft?

W.O.: Dat kun je bijna niet zeggen, omdat ik ervan overtuigd ben dat drukwerk altijd gemaakt wordt met een doel, een boodschap. Het doel is om een massa te overtuigen van de noodzaak van het eigen gedrukt zijn. Je kunt dus niet zeggen dat het materiaal geen auteur heeft.

C.v.W.: Volgens Michel Foucault bestaan er bepaalde gedrukte teksten die geen auteur hebben, zoals een contract of een wetboek. Een affiche voor een ‘nationale staking’, om maar iets te noemen, dat je gebruikt hebt in een BLACKOUT. Heeft dat affiche een auteur?

W.O.: De vakbond is de auteur van de propaganda, zo moet dat ooit zijn opgezet. Het is heel Belgisch, ze drukken één affiche in het Nederlands en één affiche in het Frans. Er bestaat in België zo’n sterke traditie van staken dat er niet eens meer een jaartal op het affiche wordt gezet. Bij elke staking kan hetzelfde gedrukte beeld opnieuw worden gebruikt.

C.v.W.: Ik stel die vraag omdat het verwijt bij culturele appropriatie altijd is dat er een oorspronkelijk auteurschap wordt ontkend, het auteurschap van wie de morele eigenaar is van het materiaal. En bij de BLACKOUTS is dat misschien niet het geval.

W.O.: Daar zit een heel groot verschil met de jaren zeventig, de periode waarvan ik het product ben. In die tijd was het ontkennen, of beter: het niet-bezitten van het auteursrecht – gewild of ongewild – een alsmaar groeiend verschijnsel. Het opgeven van auteurschap is een moedwillige anomalie omdat niemand er echt van af wil; het is bijna een contradictio in terminis, want als kunstenaar kun je eigenlijk niet willen dat je dat kwijtraakt. Maar ik denk dat ik met de bronnen waar ik uit put al begin met een vorm van losgelaten auteurschap. Mijn werk manifesteert zich in het publieke domein, maar het gebruikte materiaal komt daar zelf ook vandaan. Voor mij is het belangrijk om die trechter, om dat membraanmoment zodanig te arrangeren dat het materiaal weer kan terugvloeien als de productie van een individu, met de spraakverwarring of het communicatieprobleem van de massa en het massale. Dat is het schema van het membraan, waarbij ik mezelf zie als trechter en niet als de bedenker van dingen.

C.v.W.: Je geeft iets terug dat er al was?

W.O.: Ja, maar op een manier die van het oorspronkelijke wat er was een gehandicapte vorm maakt, door het te analyseren, te reproduceren, opnieuw in elkaar te zetten in een minder verlangende of dwingende, illusionistische vorm. Als ik een stuk drukwerk neem, is dat omdat het mij interesseert, als drager waarop al die overwegingen in een transmissie worden omgezet in één ding, in een rijpe vorm. Dat is waarover ik het heb – niet over de waarde van het beeld of de waarde van het ding. Ik heb liever dat dingen waardeloos worden door mijn ingreep, waardeloos in economische zin.

C.v.W.: En in communicatieve zin.

W.O.: Ja, maar het is mij er wel iets aan gelegen om te laten weten dat ik iets heb ‘gemistuned’. Dat moet op de een of andere manier merkbaar zijn, anders heeft het geen zin.

C.v.W.: Er is een initieel object geweest, met een iconografie.

W.O.: Ik ben alsmaar minder in staat om me met de termen van de iconografie uiteen te zetten. Ik word steeds minder wetenschappelijk, minder beredeneerd. Ook omdat heel veel dingen die ik nu bewerk of hergebruik uit mijn eigen praktijk komen; ik roer in mijn eigen soep.

C.v.W.: Het zijn dezelfde beelden die steeds opnieuw terugkomen.

W.O.: Ja, en dat is bijna al geen strategisch voornemen meer. Dat is gewoon de praktijk geworden. Ik weet niet of ik daar gelukkig mee moet zijn. Daar kom ik dan nog wel achter.

In 2015 ben ik begonnen met naar mijn archief te kijken. Het archief was bij mij altijd een ondergeschoven kindje, net als de fotodocumentatie. Ik dacht dat er met de BLACKOUTS een einde kwam aan de noodzaak om het werk te documenteren, omdat je op foto’s altijd alleen maar een zwarte rechthoek ziet. Ik wist niet wat ik aan moest met mijn archief; ik heb er eigenlijk altijd een beetje een hekel aan gehad, alsof het archief je fundament zou zijn. Het is in feite alleen maar een verzameling van mogelijkheden – tenzij je het zodanig bijhoudt dat je er iets van kunt maken dat ‘archivarisch’ interessant is, maar daar ben ik niet boekhouder genoeg voor. Toen heb ik beseft dat het archief vol zit met kopieën die ik original copies noem. Het eerste wat ik altijd deed met drukwerk dat ik het atelier binnenhaalde, was een fotokopie maken, in zwart-wit, om het in mijn eigen beeldtaal te kunnen zien. Met een kopieerapparaat kun je een beeld gemakkelijk uitvergroten, en ik kan de fotokopie vervolgens direct op de lithosteen overzetten. Het is altijd een praktisch hulpmiddel geweest bij het werken. Ik ben toen begonnen met alle original copies te overdrukken met een egale kleur. Ik heb ze op een stapel gelegd en af en toe een kleur aangemaakt waarvan ik dacht dat die geschikt was om de kopieën te kunnen classificeren en zo te bewaren; een kleur die de beelden ordent binnen het archief, bijna bureaucratisch, op grond van het project of de tijd of een associatieve samenhang.

C.v.W.: Als een soort stempel?

W.O.: Ja, een stempel van goedkeuring, met een aparte kleur voor iedere map. En zo is het nieuwe werk ontstaan, Life Time Waste Project (2020-2024), dat draait om het opnieuw in circulatie brengen van het archief, maar dan als nieuw werk, dus niet als boekhouding van het bestaande. Zo heb ik ook kopieën van de ontworpen pagina’s van het boek met zonder KOP (2005) in een decente bureaucratische kleur blauwgrijs overdrukt en ingelijst. Het resultaat is een volume dat de architectuur van het boek toont. Het boek bestaat niet meer, de hele oplage is op, dus ik breng het boek via de overdrukte kopieën opnieuw in circulatie. Zo maak ik weer een bocht.

C.v.W.: Wat is een bureaucratische kleur?

W.O.: De ene kleur maakt een verschil ten opzichte van alle andere, en om dat verschil gaat het. Het is een term die voor mij bevestigt dat het zin heeft om in kleur te drukken, en die het verschil benadrukt met de zwarte inkt van de BLACKOUTS.

C.v.W.: Bureaucratisch is een kleur die zich duidelijk onderscheidt van alle andere, zodat er geen verwarring mogelijk is?

W.O.: Ja, dat is wat ze moet doen. In Life Time Waste Project hangen die panelen achter glas – een stuk of honderdvijftig gekleurde original copies in blokken, zodat je kunt zien dat ze niet bij elkaar mogen. Die hercirculatie is door Will Holder in zijn ontwerp van het nieuwe boek OBSTAKLES nog doorgezet, waardoor de procedure van overdrukken een letterlijke reconstructie is geworden van een dolgedraaid reproductiesysteem.

C.v.W.: Naast de geste van het overdrukken is er dus de geste van het terughalen van materiaal uit je eigen geschiedenis.

W.O.: Ja, op voorwaarde dat het ooit gereproduceerd is. Want alleen dan is het deel geworden van de circulatie.

C.v.W.: Daarmee ga je in tegen de algemene verwachting bij kunst, dat er altijd iets nieuws te zien moet zijn. De kunstenaar mag zich niet herhalen.

W.O.: Sinds 2017 breng ik oud materiaal dat al eerder een rol heeft gespeeld opnieuw in circulatie. Dat hangt nu aan de muur alsof het nieuw werk is, maar in zo’n hoeveelheid dat je het alleen als massa kunt zien. Je kunt een beeld nog steeds op zichzelf proberen te bekijken, maar het blijft altijd omkaderd door verwante of geassocieerde kopieën. In een ander werk heb ik de inloopvellen van het boek MONOLITH+++ (2008) met gele inkt overdrukt. Dat vormt dus geen archief, maar een overlapping die ongewild geproduceerd is door de drukker, zonder te kijken. Aan de muur in de tentoonstelling kun je de architectuur van die procedure zien; je kunt bij wijze van spreken de stapels herkennen die de drukker in zijn handen heeft genomen en een aantal maal op de pers heeft gelegd om de druk van het boek op gang te brengen. Omdat dat boek ging over beeldfragmenten die als stof in de lucht werden gegooid, is dat stof ook op verschillende manieren in allerlei overlappingen op papier terechtgekomen.

C.v.W.: Binnen elk van die bladen zitten vier of meer verschillende geschiedenissen van ouder werk, van werken die ieder voor zich een logica hebben. Is dat allemaal nog leesbaar, ook voor mensen die jou niet al sinds het begin volgen?

W.O.: Het is nog leesbaar, maar niet meer in het stramien van een geregistreerd narratief of een vaste logica. Het werk bevat niet ‘te veel informatie’. Dat is precies waar het werk over gaat: het is geen informatie meer.

C.v.W.: Het werk bestaat uit restanten die eigenlijk weggegooid zouden worden.

W.O.: Het zijn restanten van het drukproces die altijd onmiddellijk worden weggegooid. Bij iedere opdracht gebruikt de drukker zo’n driehonderd vellen als inloopvel, waarbij elk vel wel vier of vijf keer door de pers wordt gehaald.

C.v.W.: Het is een radicale keuze om op dat moment in te grijpen en te zeggen: dit is ook potentieel werk.

W.O.: Het is een keuze om dat te willen, ja. Omdat ik vond dat die inloopvellen iets te zeggen hadden in relatie tot het boek, als stof zijnde. Dat boek gaat in feite niet over werk als een uniek verschijnsel, maar over alle omstandigheden waarin werk zich voortplant, alle vormen waarin het zich manifesteert.

C.v.W.: En met stof bedoel je dan…?

W.O.: Dust. Whirl. A cloud of dust.

 

• Een Engelse vertaling van deze tekst werd voorgelezen op 21 februari in WIELS. Met dank aan Pauline Hatzigeorgiou en Dirk Snauwaert. Willem Oorebeek. OBSTAKLES loopt tot 27 april in WIELS, Brussel, en wordt verderop in dit nummer besproken door Pieter Van Bogaert. Het boek OBSTAKLES verscheen bij ROMA Publications, Amsterdam, ISBN 9789464460742.

Leven op de verticale as: Mircea Cărtărescu

 

Is het jou nooit opgevallen dat elk mens in het middelpunt van een hemelgewelf staat?

– Robert Musil

 

Surrealisten belichten de realiteit door te tonen waar ze op lijkt zonder dat ze ermee samenvalt. Eenzelfde strategie is nodig om het surrealisme zelf te begrijpen. Surrealisme is geen magisch realisme, want de surrealist breekt met de werkelijkheid die de magisch-realist als grondplan blijft beschouwen. Het is geen symbolisme, want de surrealist overweldigt de realiteit eerder dan haar te vertalen naar een andere symbolisch orde. Surrealisme is ook geen fantasy of sciencefiction, die een loutere uitbreiding van de realiteit vooropstellen. Jules Verne heeft met zijn Voyages extraordinaires de realiteit geen andere vorm gegeven, maar extra paden gekerfd naar onherbergzame oorden en verborgen biotopen. Naast een uitbreiding van de beleefbare fysieke ruimte (naar de maan, de diepzee, de jungle, Tolkiens Midden-aarde), met een heel arsenaal aan nieuwe impressies tot gevolg, voeren fantasy- en sciencefictionauteurs vaak een uitbreiding van het handelingsvermogen door. Menselijke vermogens verschuiven dan naar niet-menselijke wezens (dieren, monsters, robots) of vice versa, of veranderen zelf dankzij toverkracht of tijdreizen.

Ook de surrealist durft de mens bijzondere vermogens toe te bedelen. Het verschil is dat auteurs als Verne de consequenties niet tot het einde doordenken, omdat ze veronachtzamen dat nieuwe vermogens ook een nieuwe fysica, een andere moraal of een afwijkend recht inluiden. Typisch voor het surrealisme is dat de realiteit ten gronde wordt gewijzigd, en slechts als gevolg daarvan wordt uitgebreid. Salvador Dalí, Joan Miró, Leonora Carrington, Max Ernst en Elsa Schiaparelli slaagden er niet in eigenhandig nieuwe ‘zijnden’ te scheppen, maar ze konden wel onverwachte combinaties van elementen presenteren, die de realiteit tot in de kern aanpasten. Het surrealisme contempleert de vraag: wat als God de kaarten anders had geschud?

De surrealist vervormt de realiteit met een nieuwe combinatie, die aangeeft dat er andere wetten gelden. In schilderijen kan het op aarde tegelijkertijd nacht en dag zijn, blijven gesmolten klokken intact en dragen de poten van hooiwagens het gewicht van olifanten en kathedralen. Wat we zien is een andere ‘mogelijke wereld’, maar naast alles wat het geval is, behoren ook alle mogelijkheden tot wat we ‘de realiteit’ noemen. Alternatieve werelden vormen een ‘surrealiteit’, niet omdat ze de realiteit opheffen, maar omdat ze er een bijdrage aan leveren, een surplus. De omkering van één fundamentele wet – fysisch, legaal of moreel – verandert de realiteit grondiger dan een oneindig aantal nieuwe eenheden van de meest uiteenlopende aard.

In de literatuur heeft Borges het vaakst met de wetten van de (meta)fysica gespeeld; bij hem zijn tijd, ruimte, causaliteit en identiteit onderhevig aan een eigen wetboek. Sommige van Calvino’s Kosmikomische verhalen draaien rond één bepaalde fysische wet, die in de bijbehorende wereld als enige lijkt te gelden – ook wanneer iets extra realiteitsgehalte krijgt geïnjecteerd, kan een surreëel effect ontstaan. In het legale bereik heerst Kafka, die in Het proces de wetten van schuld en onschuld dooreenschudt, niet zonder implicaties voor de onderliggende moraliteit. Vermogensveranderingen, indien consequent als nieuwe wetten voor het leven gedacht, kunnen zoals gezegd ook voer voor surrealisten zijn, en bijzonder vruchtbaar is het wegvallen van vermogens. In Een dove oude dame van Leonora Carrington bepaalt een versleten gehoor niet alleen de realiteitszin van de protagonist, maar blijken ook de andere personages, ondanks een prima paar oren, hardhorig; de achteruitgang van het gehoor krijgt een universeel – wetmatig – karakter. Saramago heeft dan weer, in De stad der blinden, een wereld zonder zicht haar eigen wetten laten maken. En Gregor Samsa maakt in Kafka’s De gedaanteverwisseling geen louter esthetische crisis door: de diepgaande vermogensverandering als gevolg van zijn nieuwe exoskelet vraagt om een nieuwe wet, meer dan om een louter amendement. De surrealist is de schrijver van een eigen wetboek.

De Roemeen Mircea Cărtărescu (1956) ademt in zijn boeken de metafysische historiografie van Borges, de absurde parabels van Kafka, de onvermoeibare verhalenventerij van García Márquez, de ijle ruimtelijkheid van De Chirico, de vervallen materialiteit van Piranesi en de gore lichamelijkheid van Cronenberg, maar toch heeft hij ook iets aan het surrealisme toegevoegd. In het centrale (droom)beeld van Cărtărescu begeeft de protagonist zich in een onmetelijke, ronde, overkoepelde zaal, waarvan het middelpunt door een wezen ingenomen is. Die zaal kan een crypte zijn, een paleis, een tempel, een doolhof, een grot, een stolp, een museum, een tombe, een mausoleum, een ruïne, een hangar, een basiliek, een domkerk, een kathedraal, een fabriek, een ‘kathedraal-fabriek’, de Villa Serbelloni aan het Comomeer, het Huis van het Volk, het Dinamostadion van Boekarest, maar ook – de grootste en kleinste zalen, zonder nooduitgang – het universum en de schedel. Als het wezen in het middelpunt van die ruimte niet op de vloer ligt, zit het in of op een operatietafel, een ziekenhuisbed, een tandartsstoel, een sarcofaag, een doodskist, een grafmonument, een troon of een vont. In het centrum voltrekt zich een metamorfose, een dissectie, een emergentie, een operatie – kortom, een wedergeboorte, want, zo schrijft Cărtărescu in Solenoïde, ‘we sterven allemaal op ieder moment om als heremietkreeften te verhuizen naar een ruimere schelp’.

Dat in die ruimte iets ‘pulseert’, ‘klopt’ of ‘lilt’, zegt iets over het type mens dat het tafereel gadeslaat. Alleen een kind kent aan alles een hartslag toe; adolescenten en volwassenen leven bij Cărtărescu in de echo van de kindertijd. Het meest betekenisvol is de plaats: ‘We zullen elkaar ontmoeten, onvermijdelijk, in het middelpunt van de enorme hal’, in ‘de kern van de kern van onze wereld’, waar we ‘als een witte muis in het middelpunt van zijn labyrintische geest’ verdwaasd om ons heen kijken. Is dit droom of realiteit? We betreden het ‘werkelijkheid-hallucinatie-droom-continuüm’, beweert Cărtărescu. De vraag moet dus anders worden gesteld. Die zalen waar het kind zichzelf onder een koepel tegenkomt, zijn dat ‘immuniteitsstructuren’, zoals Sloterdijk zou zeggen, zijn dat beschermende tehuizen waarin alles, als in een epos, één coherent en betekenisvol geheel wordt, om Lukács te parafraseren – of zijn het gevangenissen? Moet het kind zijn gewelven beschilderen of afbreken?

Elke grote roman van Cărtărescu – Theodoros, Orbitor of Solenoïde – begint in de woning van de hoofdfiguur. De gebeurtenis verschilt, maar de plaats is dezelfde en constitutief voor de handeling: alleen in het eigen paleis kan de verslagen keizer van Ethiopië zich een kogel door het hoofd jagen; alleen in de eigen slaapkamer kan het kind eindeloos door het raam staren; alleen in bad kan de leraar-schrijver zich over zijn lichamelijkheid verwonderen. Omdat de woning zoals alle sterke omhulsels tegelijkertijd beschermt en afschermt, is het een bevoorrechte plaats voor identiteitsvormende of -vernietigende activiteiten. Het ouderlijke huis, en de kinderslaapkamer in het bijzonder, is de eerste ruimte waarin de mens zich gevangen voelt en de bevrijding van de verbeelding ontdekt.

Een novelle uit Melancolia illustreert hoe de kindse verbeelding dialectisch te werk gaat. These en antithese zitten vervat in deze zin: ‘Zo ging de rotatie van het fonkelende mechanisme van dagen en seizoenen voort, met in het centrum het appartement waar een kind gevangen zat.’ Het kind wordt beschermd tegen een buiten, maar zit gevangen in een binnen. De woning biedt standvastigheid tegen de vergankelijke buitenwereld, maar houdt ook veel verborgen. Wat doet een kind dan? Aangezien het onmogelijk is zijn cel af te breken, probeert hij ze te vergroten. Het kind put de beelden uit die door het slaapkamerraam te zien zijn. In dit geval verschijnen er bruggen die naar een omvangrijkere wereld leiden.

De aanleiding van deze poging tot realiteitsuitbreiding is de tijdelijke verdwijning van de moeder, die in de ervaring van het kind al dagen en nachten afwezig is. Dat is veelzeggend, zeker aangezien in het tweede deel van Orbitor staat: ‘Mama was mijn grote toegangspoort.’ De ouders, en vooral de moeder, zijn bij Cărtărescu beschermengelen, maar ook ‘leden van een grote samenzwering’ die een ‘wereld met vreemde wetten’ en ‘ondoorgrondelijke verbodsbepalingen’ aan het kind voorschotelen. Het kind moet meegaan in ‘de farce van normaliteit’, zonder over alle puzzelstukken te beschikken. Ouders bieden de wereld aan via een doorgeefluik; zij bepalen de omvang van de realiteit. Het realiteitsbeeld van het kind is veilig, maar ook incompleet. ‘Ik kwam ter wereld in een rotte werkelijkheid, met gaten in haar weefsel waar je je vinger in kon steken, en mijn zoektocht richt zich met name op deze gaten en scheuren in het verhaal.’ Daarom trekt het kind zich terug in een ongevaarlijke kamer, om te schrijven, te lezen, door het raam te turen of het spel van het licht te volgen, en op die manier te trachten zijn idee van de werkelijkheid te vervolledigen. Waar het op uitdraait, is de creatie van een privéwereld. In de adolescentie begint het kind door te hebben dat de ouders zijn realiteitszin tegenwerken en trekt het er zelf op uit. De horizon reikt dan verder, maar het mechanisme van de kindse verbeelding – de consolidatie van een privéwereld als gevolg van een benepen toegang tot de realiteit, gecombineerd met het bestaan van een toevluchtsoord – blijft voor enige tijd bewaard.

De woning, waarin we opgroeien onder ‘de heerschappij van twee hoge godheden, Moeder en Vader’, markeert de start van onze eeuwige worsteling met ommuring. We zullen ze blijven opzoeken, die overwelfde zalen met dikke muren, en we zullen vloeken op de beperkingen terwijl we de veiligheid koesteren – en het resultaat zal altijd zijn: in een gevangenis ontstaat de verbeelding. Een observatie in Solenoïde kan als programmatisch voor dit oeuvre gelezen worden: ‘We zitten opgesloten in concentrische en veelvoudige gevangenissen. Ik zit gevangen in mijn geest, die gevangenzit in mijn lichaam, dat gevangenzit in de wereld.’ Hoe slecht of goed we het in die gevangenissen hebben, wisselt van boek tot boek, maar vast staat dat het leven van Cărtărescu’s helden zich afspeelt in een keten van gestapelde cellen waarin ‘de mogelijkheden tot ontsnapping onvoorstelbaar’ zijn.

Een gevangenis vernauwt de horizontale realiteit. De leraar-schrijver uit Solenoïde klaagt over zijn ‘lineaire leven tussen de bespottelijke polen van mijn planeet: huis – school. School – huis.’ Kleine Mircea uit Orbitor leeft een beetje ruimer: hij beleeft zijn Boekarest niet op één horizontale as, maar tweedimensionaal, als ‘een stralende zeester, waarvan ons huis het middelpunt was en de punten zich naar tante Vasilica’s huis in Dudești-Cioplea, naar dat van peettante in Maica Domnului, naar de tapijtenfabriek in Colentina en naar de kruidenier uitstrekten’. Zijn moeder bakent haar leven af tussen drie bioscopen, en de driehoek die ontstaat is voor haar ‘het enige reële territorium binnen het heelal’. De bioscopen geven ademruimte aan de verbeelding, die zich bij uitstek binnen een enge tweedimensionale wereld ontplooit. Ze kijkt er niet alleen naar films, ze kan met de loutere kracht van haar verbeelding veranderen wat op het scherm komt. In plaats van haar horizon door wat voorhanden is te verbreden, vervormt ze de enge horizontale realiteit tot een privéwereld, een realiteit met een persoonlijk surplus – een surrealiteit.

Behalve de rondreizende Theodoros krijgen Cărtărescu’s personages maar een klein stukje van de aarde te zien. Dat heeft verschillende, elkaar versterkende redenen. Vaak zijn ze kind, verstaan ze zichzelf duidelijk als een lichaam en leven ze in een dictatuur – drie (horizontale) realiteitsbeperkingen die, indien ze samenkomen zoals in Orbitor, in een ver doorgedreven poging tot realiteitsuitbreiding uitmonden. Lichamelijkheid is universeel, maar wordt bij Cărtărescu intenser beleefd in combinatie met de twee andere beperkingen. Bijna iedereen in dit universum ervaart, zoals Plato, het lichaam als een kerker voor de ziel. Iemand noemt zijn lichaam ‘de meest brute bewaker van mijn eeuwige gevangenschap’, een ander lijdt aan slaapverlamming en krijgt ’s nachts bezoek. Ook de ‘puntheid’ van het lichaam is een probleem. De personages beklagen zich over het feit dat ieder mens slechts één perspectief op de wereld heeft. ‘Onze wereld – het veld van onze waarnemingen’, zo vat de minderjarige verteller van Orbitor het samen. De mens, en zeker het kind, legt zich niet bij het perspectivisme neer. Dat anderen geheel eigen werelden met zich meedragen, is een bron van eindeloze fascinatie en frustratie. ‘Waarom kon hij niet in het lichaam van een ander stappen en diens leven leiden, ergens anders in de stad?’ Een kind vraagt zich voortdurend af wat het is om een dier te zijn, een parasiet, of een vrouw. (In de novelle ‘De tweelingen’ uit Nostalgia zijn twee geliefden van lichaam gewisseld.) Zelfs al is het lichaam meer dan een muur en een punt, zijn capaciteiten blijken ontoereikend. De beperkingen van het emotionele apparaat en de logica worden aangesproken, maar de voornaamste verzuchting luidt: ‘Hoeveel heb ik verloren doordat mij slechts vijf zintuigen zijn gegeven?’ Vijf zintuigen zijn slechts vijf kleine gaten in een voor de rest ijzersterke muur. We zouden er toch evengoed ‘miljarden kunnen hebben’? De mens is een gebrekkig wezen en dat voelt het kind heel precies aan. Al vanaf onze eerste levensjaren wensen we dat onze muur poreuzer was.

Zoals Cărtărescu groeien veel van zijn vertellers op in een dictatoriaal Roemenië, eerst onder het bewind van Gheorghe Gheorghiu-Dej, later onder dat van Nicolae Ceaușescu. Ze komen in contact met de Securitate, de geheime staatsveiligheidsdienst, en van vrijheid zien ze weinig. Voor de kinderen is het gebrek aan kleur en nieuwe beelden beslissend. Ze lijden in het Roemenië van de jaren zestig, zeventig en tachtig onder impressiearmoede. Hun leven in ‘het grauwe, harde, stijve, koppige vaderland’ is ‘verstoken van verbeelding, betekenis of verlossing’, getekend door sociaalrealistische films, gecensureerde literatuur, grijze architectuur, moeilijk te begrijpen taboes en reisrestricties. Het gebrek aan impressies is de eerste onvrijheid in de dictatuur, de onvrijheid van het kind, waarop er in de volwassenheid nog vele andere volgen.

Kind, lichaam en dictatuur zorgen samen voor een realiteitsvervorming. Dat klinkt deterministisch. Daarom: in geen geval hebben álle kinderen in dictaturen privéwerelden. Cărtărescu’s personages blijven uitzonderingen. Maar alleen op deze manier – door de grootste realiteitsbeperkingen te combineren met de grootst aangeboren verbeeldingskracht – kan hij het mechanisme van de realiteitsvervorming beschrijven. Alleen door de overdrijving (die sommige lezers kitscherig zullen vinden) kan de realiteit voldoende vervormd worden zodat de vervorming zelf zichtbaar wordt. Het gaat vooral om vormen van gevangenschap waarin het gebrek aan realiteitstoegang – door ouderlijke afscherming, perspectivisme, zintuiglijke beperktheid, censuur, reisverboden en kleurloosheid – zwaar weegt. Een kind dat in een lichaam en een dictatuur gevangen zit, zoals de protagonist in Orbitor, leeft onder de engst mogelijke realiteit. Het effect is navenant: Orbitor is het meest surreële proza van Cărtărescu tot nog toe.

Als ons de toegang tot de werkelijkheid ontzegd wordt, dan trachten we via andere kanalen meer realiteit tot ons te laten komen. Eerst zoeken we kanalen op die we al kennen, zoals gesprekken, literatuur, films en uitstapjes. We zoeken naar manieren om de realiteit horizontaal te ontsluiten, door meer gegevens op te nemen. De puzzel wordt gelegd met stukken die we onderweg vinden. Indien er rond het brein een ondoorlaatbare perimeter is ingesteld, kunnen impressies niet zomaar geaccumuleerd worden. Andere, vaak individuele manieren zijn nodig om een realiteit met voldoende ademruimte, zin en betekenis te verkrijgen. Hoe moeilijker het wordt om de externe wereld te begrijpen, hoe meer we tot interiorisering geneigd zijn.

‘De innerlijke vrijheid was heel belangrijk voor ons, omdat we op dat moment in een gevangenis leefden.’ Dat zei Cărtărescu vorig jaar op een evenement van het Harriman Institute in New York, en hij doelde op de kring van intellectuelen die hij sinds zijn universitaire studies frequenteerde. Hij had het evengoed over de kring rond de fictieve Mircea kunnen hebben, die eveneens bestond uit ‘speciale kinderen, ieder hermetisch opgesloten in zijn eigen wereld’. Die privéwereld is het resultaat van een overcompenserende verbeelding die de weinige beschikbare realiteitselementen tot een coherent geheel heeft herwerkt. De Orbitor-trilogie is één lange weg naar een coherente privéwereld: aan het einde stroomt alles wat zijn wereld heeft uitgemaakt op Mircea toe, terwijl hij in het centrum van het gigantische, overwelfde Huis van het Volk staat om daar zijn ‘waarheid’ in de ogen te kijken. Het droombeeld krijgt zo de lukácsiaanse gedaante van een episch koepelgewelf dat betekenis en coherentie verleent.

De interiorisering van de realiteit is geen louter epistemisch project: ook geborgenheid, vrijheid en esthetische beleving zijn belangrijke doeleinden. De verinnerlijkte realiteit geldt alleen voor de verteller en verleent hem bovendien privacy. Als de protagonist in Solenoïde zegt: ‘Mijn werkelijkheid was overal hetzelfde en het betekende een zinloze inspanning om ergens anders heen te gaan’, dan doelt hij zoals Mircea in Orbitor op ‘datgene wat ik altijd mijn waarheid, mijn manuscript of mijn leven heb genoemd’ – een manuscript waarin hij leeft en dat hij als waarheid beschouwt, omdat er buiten het schrijven niets anders is. De verregaande privatisering van de realiteit heeft een keerzijde.

‘Hier, in de buik van het manuscript, waar ik rondspit tussen zijn kronkelende darmen en luister naar hun vreemde geborrel, beleef ik mijn vrijheid, beleef ik ook haar verplichte metgezel: waanzin.’

De waanzinnige eigen realiteit botst op de eisen van het volwassen leven. Voor de leraar-schrijver uit Solenoïde en de verteller van ‘De tweelingen’ (uit Nostalgia) zit er niets anders op dan een in de kindertijd gevormde privéwereld van zich af te schrijven. Cărtărescu beweert, zoals de surrealisten, een écriture automatique te beoefenen: hij schrijft in een stroom van constante inspiratie, zonder te redigeren. Als zo’n methode niet op een onsamenhangende stream of consciousness uitdraait, dan kan het alleen om obsessies gaan die lange tijd in de geest verankerd zitten en al even lang op hun neerslag wachten. Ook zijn alter ego’s zetten op papier wat in hun brein of op hun huid ‘getatoeëerd’ was. Solenoïde, biecht de verteller op, is een verslag van zijn afwijkingen, en in ‘De tweelingen’ staat: ‘Ik zal schrijven, niet om een verhaal te construeren, maar om een obsessie uit te drijven.’ Surrealisme is voor Cărtărescu exorcisme.

Een nieuw wereldbeeld impliceert een nieuw mensbeeld, want wij zijn de middens van onze realiteiten, de brandpunten van overwelfde zalen. Bij het kind staan beide in constante wisselwerking: het begrijpt de wereld aan de hand van zichzelf en het begrijpt zichzelf aan de hand van de wereld. Antropologie en omgevingszin zijn verstrengeld in een terugkoppelingsproces. Dat de horizontale realiteit voor Cărtărescu’s personages benauwd is, heeft dan ook een effect op hun mensbeeld. Het begint bij een uitspraak van Hamlet, waar Herman uit Orbitor op zinspeelt: ‘O God, I could be bounded in a nutshell, and count myself a King of infinite space.’ De ‘notendop’ kan op ons lichaam slaan, de realiteit zoals we ze kennen, of iets ertussenin. Belangrijker is dat de gevangenschap in een notendop spoort met de reeds vermelde horizontale beperkingen. Hamlet belichaamt slechts één mogelijke houding tegenover deze vaststelling: hij voelt zich de koning te rijk. ‘Ik ben alles,’ vindt Hamlet; Theodoros en Mircea als adolescent denken er net hetzelfde over. Herman heeft een tegengestelde houding.

‘Terwijl we, ingesloten in een notendop, ons de meesters van het heelal wanen, hebben we het angstaanjagende gekraak gehoord van de houtachtige dop die ons omsluit en door de barsten heen hebben we het gezicht gezien van Hem die de hersenvormige kern zal vergaren, die een hap zal nemen van ons solipsistische en hovaardige brein, Mircea.’

‘Ik ben niets,’ beweert Herman. Maar er is ook een derde positie, die de andere twee niet ontkent, maar troostend in zich draagt: het kind Mircea vindt zichzelf, in de woorden van de Pensées van Pascal, ‘een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles’.

Het ‘middengebied’ dat de kinderen van Cărtărescu innemen, is, zoals voor de hele mensensoort bij Pascal, wankel en onzeker. Het drijft hen afwisselend in de richting van twee oneindigheden: het oneindig grote en het oneindig kleine. Soms wanen ze zich groter dan ze zijn, godgelijk, zoals Theodoros gefixeerd op ‘een eeuwige stijging’; Pascal spreekt van grandeur. Op andere momenten vereenzelvigen ze zich met wandluizen, regenwormen, bacteriën, aarsmaden, parasieten, teken, en nog het meest van al met mijten, Pascals symbool voor het oneindig kleine, de petitesse. Meer dan wie ook is het kind zich bewust van zijn – de menselijke – positie; geen magneet waar alles centripetaal omheen zweeft, maar ook geen microscopisch wezen dat in de wereldgang wordt meegesleurd. Als rechtstaande mens kan hij zich plooibaar vastzetten in een tuimelend landschap, als (opnieuw met Pascal) ‘een denkend riet’.

In werkelijkheid is de mens het allebei tegelijk: alles én niets, God én mijt. De mens heerst (zoals in Solenoïde effectief gebeurt) over de mijten, net zoveel als een hogere macht hém beheerst. De mens is de boodschapper voor de kleinsten, en wacht op een boodschap van de Grootste. De mens is een relatief wezen, verwikkeld in ‘een eindeloze rij van poppen en poppenspelers’. De drang naar boven wordt door de zwaartekracht naar beneden getrokken en op die manier blijft de mens in spanning tussen twee uitersten. Het centrale vraagstuk bij Cărtărescu: ‘Waarom is mij, net als aan al mijn soortgenoten, een godenbrein geschonken als ik tegelijkertijd het lijf van een schurftmijt heb gekregen?’

Verticale positionaliteit, het bewegen op de z-as tussen het Al en de eencellige, is de idee achter Cărtărescu’s oeuvre. Deze antropologie is niet uitsluitend een gevolg van een beperkt horizontaal zicht op de wereld; het versterkt op zijn beurt het verticale wereldbeeld. Hoewel er in dit proza sprake is van ‘parallelle’ werelden, is het waarachtiger om te zeggen dat het leven er plaatsvindt in een wereld die in een andere wereld gestapeld is, en die zelf andere werelden bevat. De (verticale) realiteit bestaat uit een oneindige hoeveelheid matroesjka’s, die in een binnenste laag de wereld van het allerkleinste en in een buitenste laag de wereld van het allergrootste herbergen. De mens zit daar ergens tussenin, en zal van daaruit proberen de eigen realiteit als een elastiek naar beide kanten uit te rekken, om zijn beperkte perspectief te verrijken door het met licht van twee afgronden te beschijnen. De mens zal zich met theologie bezighouden, maar ook met microbiologie; zal in de lijn die de mijt met God verbindt een code proberen te ontwaren; zal zoeken naar een verticale uitgang, want aan de horizon zijn alleen maar muren; zal het leven leven zoals de engelen het in een boek beschreven hadden; zal de horizontaliteit de rug toekeren door tegen zichzelf te zeggen: ‘En daar, in het ingewikkelde verhaal in de geest van een slapende, ben jij waarachtiger dan een miljard bewoonde werelden’; zal zich realiseren dat hij in een tweedimensionale wereld ‘loodrecht op het vlak zou kunnen ontsnappen door gewoonweg op te vliegen door de onbestaande muur naar de derde dimensie’; zal zich de impressies voorstellen waar grotere en kleinere wezens vanuit hun perspectieven toegang toe hebben – de mens zal leven op de verticale as.

Kierkegaard noteerde ooit het idee voor ‘een roman waarin de hoofdpersoon een man is die een bril heeft verkregen waarvan het ene glas beelden net zo sterk verkleint als een oxyhydrogeenmicroscoop, terwijl het andere glas op dezelfde schaal vergroot, zodat hij alles relatief waarneemt’. Die roman heeft Cărtărescu geschreven, in het meervoud. Zijn werk komt met een zoomfunctie; protagonisten gaan van het oneindig grote naar het oneindig kleine, in een en dezelfde gedachte. Lange zinnen, die moeiteloos het alledaagse en het metafysische aaneenbreien, vertolken de simultaneïteit van twee oneindigheden en alles ertussen, met in het midden een uitgerekt individu. De beste passages zijn verbalisaties van de verticale as.

Kijken door een extra lens doet vooral het kind graag. Andere perspectieven op de buitenwereld zijn net zo dierbaar als instrumenten die de realiteit in de hoogte en diepte uitbreiden. Mircea is verzot op ‘vergrootglazen, verrekijkers, microscopen, loepen en caleidoscopen’. Ze breiden de realiteit niet (louter) horizontaal uit, want ‘wanneer je erdoorheen keek, was je niet echt mens meer, je werd een bijzonder soort wezen en alles om je heen werd vreemd en anders’. Ze diepen de realiteit in de realiteit zelf uit, niet erbuiten; ze zijn de instrumenten waarmee een archeoloog op diepere lagen stuit of waarmee een astronoom door de ruimte flitst, niet de vlaggen die een ontdekkingsreiziger in de nieuwe wereld plant. De realiteit wordt door een vergrotende of verkleinende lens niet kwantitatief verbreed; kijkend door een lichtbrekend glas, in de verbeelding voortgezet door het geestesoog, doet het kind aan realiteitsvervorming. Een vervormde realiteit stemt overeen met een kwalitatief verschil tussen de eigen positie en dat van iets groters of kleiners, een verschil dat alleen zichtbaar wordt in de derde, verticale dimensie.

De structuur van Cărtărescu’s romans, hoofdstukken en sommige zinnen kan met een fractaal vergeleken worden, een extreem gedetailleerde figuur opgebouwd uit min of meer zelfgelijkende figuren. Min of meer, omdat bij elk van de onderdelen die de verteller aanboort, de realiteit van de protagonist wordt uitgediept – en op die manier verandert, als met een wetswijziging. Cărtărescu heeft enkele grote, onuitputtelijke tableaus voor ogen waar hij voortdurend op in- en uitzoomt, wat de herhaling van centrale (droom)beelden en de hoge frequentie van ekfrastische passages verklaart. Dat gebeurt niet altijd even rechtlijnig, maar in de volgende passage, waarin de verteller een tatoeage op een schedel bekijkt, komt die ‘fractalische’ schrijfstijl uitdrukkelijk naar voren:

‘Op het rechter temporale bot waren duidelijk de andere nederzettingen te zien: Varenna, Cadenabbia, Menaggio, Griante, Como met zijn haaks op elkaar staande straatjes en zijn vlooienmarkt, en op de markt was een stalletje te zien met verroeste werktuigen, versteende koffiemolens en uurwerken zonder wijzers, en onder het kraampje een uitgemergelde hond, met een vlo die over zijn wenkbrauw liep, en in het doorzichtige, superplatte lijfje van de vlo was duidelijk zijn eigen bloed te zien, vermengd met dat van de hond, dat hij een tel eerder had opgezogen.’

Op het niveau van de zin is Cărtărescu’s ‘fractalisme’ meestal in één richting (hier: van groot naar klein) aan het werk. In hoofdstukken en romans begaat hij echter de totaliteit van de verticale as, in beide richtingen, in de diepte en de hoogte. In een pessimistische (dystopische) bui laat Cărtărescu de mens verschijnen als een veroordeelde die bij zijn vierendeling tussen God en mijt, het Al en het niets, op het punt staat uiteen te knappen. In een optimistische (utopische) bui verschijnt de mens als een tevreden kluizenaar die zijn tenen en hoofd laat kietelen door twee onzichtbare wezens. Het is tussen de twee oneindigheden, in de ‘fractalische opeenhoping van zwermen van melkwegstelsels’, dat de mogelijkheid zich aandient van een kwalitatieve, verticale, driedimensionale realiteitsuitbreiding – een uitbreiding die het gevolg van een vervorming is.

Wie gedwongen wordt te leven op de verticale as, zoals een kind in een dictatuur, neigt tot een intensivering van de realiteit, een hyperrealisering. Kleine dingen (voorwerpen, dieren, microben) winnen aan belang en worden met extra realiteit geïnjecteerd. De privéwereld waar realiteitsvernauwing aanleiding toe geeft, omvat voorwerpen die een persoonlijke lading krijgen, plaatsen die met een persoonlijk traject zijn overschreven en organismen die met een navelstreng aan de protagonist zijn verbonden. Met meer oog voor detail worden ze beschreven, hun plaats in het grotere geheel wordt minder futiel voorgesteld. Het effect van zulke beschrijvingen in de diepte is daarom vaak (en in het bijzonder bij Cărtărescu) hyperrealistisch. De uitputtende exactheid in het beschrijven gaat samen met een verhoogde waardering, die op latere leeftijd, via de herinnering, sterke gevoelens kan uitlokken. Dan ervaart men, zoals Marcel in de Recherche van Proust, een ‘madeleine-effect’, wat Mircea in Solenoïde beschrijft als een ‘flits die ineens, als een gloeilamp van miljarden watts, het oneindige rijk van mijn geest zou doen ontvlammen’. Eén aanraking met een gehyperrealiseerd object is genoeg om de privéwereld uit de kindertijd weer op te roepen. In feite bevond Marcel zich als kind in een situatie zoals die van Mircea in Orbitor: hij had amper toegang tot de horizontale realiteit, met een kleine voorraad aan impressies en een gebrek aan kennis over het nachtelijke leven, omdat hij altijd vroeg moest gaan slapen, nog voordat de gasten kwamen. Wanneer de oudere Marcel via een madeleine terug naar zijn kindertijd wordt gebracht, dan is dat omdat hij er als kind meer realiteitsgehalte aan had toegekend. De realiteitselementen die hij destijds tot zich kon nemen, had hij in zijn verbeelding verabsoluteerd. Het kon niet anders dan in de volwassenheid een uitermate krachtig herinneringseffect teweegbrengen.

De surrealiteit van Cărtărescu’s werk vindt een verklaring in verticalisme – een manier van schrijven die de realiteit in de hoogte en de diepte denkt. Het overstijgt de limieten van een horizontaal beperkt zicht op de werkelijkheid, door het blikveld onder ontelbaar veel lenzen te bekijken. Gevangenismuren worden niet gesloopt, noch beschilderd: ze worden door lenzen ‘gerefracteerd’. We hoeven de celdeur niet te openen om een stem te horen; zoals in Orbitor kan zelfs de ruisende zee naast onze kerker de verbeelding in gang zetten. De zalen waar we in ronddwalen zijn creaties van de verticaliteit; hun horizontale omtrek is pas groot wanneer de koepel onmetelijk hoog is. En dan wordt duidelijk: een privéwereld deel je met het oneindige. In het midden onder een koepel zit een mensachtige te pulseren, terwijl hij onder het alziende oog van God naar de mijten in de groeven van zijn handpalm kijkt.

Bij Cărtărescu blijft de persoon in zijn privéwereld aanwezig, meer nog: die wereld wordt voor de ogen van de lezer gecreëerd. Zijn ‘antiromans’ behoren niet tot een onpersoonlijk -isme, maar tonen het mechanisme erachter. De realiteitsvervorming, of het nu om een ‘wetswijziging’ of een ‘kwalitatieve realiteitsuitbreiding’ gaat, is het eigenlijke onderwerp van Cărtărescu, niet de reeds vervormde realiteit. Hij is geen surrealist, maar een surrealiseerder.

 

 

• Jan Willem Bos heeft het werk van Mircea Cărtărescu vertaald in het Nederlands. Solenoïde uit 2015 verscheen in 2022 bij De Bezige Bij, net als de Orbitor-trilogie (De Wetenden, De trofee en Het onmetelijke mausoleum), geschreven tussen 1996 en 2007, waarvan de vertaling verscheen tussen 2010 en 2015. Travestie werd in 1996 gepubliceerd door Meulenhoff. Op 6 oktober 2022 verscheen een interview van Cărtărescu met Emiel Roothooft en Remo Verdickt op het platform De Reactor.

Rrose Sélavy, woke?

 

Sterker nog, het enige excuus om iets te doen, dacht ik, is het introduceren van erotiek in het leven.

– Marcel Duchamp[1]

 

Mijn intentie was altijd om weg te komen van mezelf, hoewel ik perfect wist dat ik mezelf gebruikte. Noem het een spelletje tussen ‘ik’ en ‘mij’.

– Marcel Duchamp[2]

 

 

Woke. Een woord als een wolk: het toont uit welke richting de wind waait, maar wat aan komt waaien, blijft vaak onduidelijk. Dat is de reden waarom de reacties die deze ‘wolk’ oproept, positief of negatief, vaak evenmin in duidelijkheid uitblinken. Met woke in de hand kan je op vele fronten spelen, maar of je er echt speels mee kunt spelen, is nog maar de vraag. Woken, ‘wakker worden’, refereert aan alert zijn inzake diversiteit en gelijkheid. In een wereld vol verschil komt het erop aan nooit de aandacht te verliezen voor onder meer sociale gelijkheid, raciale gelijkheid en gendergelijkheid. Woke is, wat dat laatste betreft, een oproep om de ander ‘anders’ te laten zijn: homo, lesbo, queer, non-binair of wat dan ook. Het is een oproep tot respect voor de eigengereide identiteit van de ander, een identiteit die niet identiek, maar wel gelijkwaardig is aan de mijne en die van mijn kant hetzelfde respect verdient als het respect dat ik heb voor mijn identiteit.

De strijd voor sociale, raciale en gendergelijkheid heeft een traditie. Nieuw is hooguit de context en de manier om met seks en genderidentiteit om te gaan. En misschien is er nog iets nieuws, een accentverschuiving van meer formele aard. In de oproep om woke te zijn, komt de boodschap vaak van de ‘ander’ wiens andersheid wordt miskend. Die ‘ander’ richt zich tot ons als het slachtoffer van die miskenning. Eenieders gelijkheid, onze gelijkheid, is van belang, maar in de manier waarop die oude claim wordt geuit, ligt vandaag het accent op de gelijkwaardige andersheid van de ander.

Alle mensen zijn vrij en gelijk, maar niet in de zin dat ze identieke klonen van hetzelfde zijn. Ze zijn vrij en gelijk in hun verschil, in hun diversiteit. En dus moet je voor mij diezelfde gelijkheidsnorm hanteren en mij alle vrijheid gunnen om te zijn wie ik ben – lees: om te zijn wie ik wil zijn. In onze cultuur van ongekende maakbaarheid heeft dat een belangrijk gevolg. Wanneer ik een identiteit heb waarin ik mij niet vrij mezelf voel, dan heb ik de vrijheid om een identiteit te verwerven waarin dat wel het geval is.

Ook Marcel Duchamp (1887-1968) was een man die, een goede eeuw terug, zijn man-zijn achter zich liet om zich even uitdrukkelijk als tijdelijk op te werpen als vrouw. Ik neem hem bewust als voorbeeld omdat hij geen tijdgenoot is, en werkte en leefde in een andere, met name artistieke context, sterk gelieerd aan het surrealisme. Duchamp mat zich op een bepaald moment in zijn artistieke carrière een vrouwelijke identiteit aan. Hij koos een nieuwe, vrouwelijke naam, liet zich door Man Ray als vrouw fotograferen en profileerde zich uitdrukkelijk met die naam en foto, in maar ook buiten de kunstscene. In 1920 werd Marcel Duchamp Rrose Sélavy.

Vandaar mijn eigenlijke vraag: wat als woke, in een artistieke context, gespeeld wordt? Duchamp doet aan crossdressing, als onderdeel van, of als aanzet tot, een transseksuele artistieke identiteit, en hij vraagt daar bovendien publiek aandacht voor. Het is een surrealistisch gedachte-experiment, en mijn anachronistische vraag luidt: was die transformatie en de bijbehorende oproep van Duchamp woke? De vraag is of men over een artistieke geste – over kunst – een woke-oordeel kan vellen. Op zich is kunst goed noch slecht, juist noch fout, woke noch het tegendeel. Afzonderlijke kunstuitingen kunnen al die dingen zijn, kunst op zich niet. Maar door zich Rrose Sélavy te noemen en met die naam niet alle, maar toch heel wat kunstwerken te signeren, en dit van 1920 tot 1941, maakte Duchamp een statement dat sterk in die richting gaat. Aangezien kunst multi-interpretabel is, kun je daarin een appel herkennen en zodoende in Rrose Sélavy een artistieke woke-geste avant la lettre zien, waarin een hedendaags, woke bewustzijn zich gerust kan herkennen.

Hoe keek Duchamp daar zelf tegen aan? Ik pluk een passage uit een interview met Pierre Cabanne in 1966. ‘Rrose Sélavy dateert van 1920,’ wierp Cabanne op, en Duchamp repliceerde:

‘Ik wilde eigenlijk van identiteit veranderen en het eerste wat bij me opkwam was een joodse naam aan te nemen. Ik was katholiek, en van godsdienst veranderen, dat was al heel wat! Ik vond geen joodse naam die me beviel of aantrok, en plots kwam ik op het idee om van geslacht te veranderen! Dat was veel eenvoudiger! En zo ontstond de naam Rrose Sélavy. Nu klinkt dat misschien goed, elke tijd heeft zijn voornamen, maar in 1920 was Rose een heel domme naam. De dubbele letter r komt van het schilderij van Picabia, u weet wel, L’Oeil cacodylate […]. Francis had aan al zijn vrienden gevraagd het te signeren. Ik weet niet meer hoe ik het gesigneerd heb – er is een foto van gemaakt, dus iemand kan het u wel vertellen. Ik meen dat ik ‘Pi Qu’habilla Rrose’ had geschreven. ‘Arrose’ wordt met een dubbele r geschreven, dus trok het me aan er een tweede r aan toe te voegen –, ‘Pi Qu’habilla Rrose Sélavy’. Het waren allemaal woordspelingen.'[3]

Woordspelingen, inderdaad, maar daaronder schuilt een concrete wil om van genderidentiteit te veranderen. Duchamp wilde eerst af van zijn katholieke achtergrond en dacht eraan om jood te worden. Maar, zo stelt hij, het is ‘veel eenvoudiger’ om vrouw te worden. Is dat zo? Het staat er niet met zoveel woorden, maar de lijn die loopt van jood naar vrouw kun je, mijns inziens, en zoals vaak bij Duchamp, ongezouten seksueel lezen. Jood worden vereist een besnijdenis. Dan maar meteen ‘alles’ wegsnijden en vrouw worden – dat lijkt me Duchamps suggestie. En hij wil – daarover is hij duidelijk – een banale vrouw worden: een Rose, zoals er in het Frankrijk van 1920 duizenden rondlopen.

Zo banaal wordt Rose echter niet. Ze krijgt er een r bij. Duchamp schrijft zijn nieuwe naam, Rrose, voor het eerst op die manier als hij, zoals meer dan vijftig anderen, een werk van Picabia signeert, L’Oeil cacodylate uit 1921.[4] Het was een doek waarop Picabia een vijftigtal van zijn kennissen inviteerde om een signatuur of iets dergelijks aan te brengen. Duchamp signeert met ‘Pi Qu’habilla Rrose Sélavy’. Als je de woordenreeks vloeiend en luidop leest, doemt de betekenis op, met een duidelijk seksuele suggestie. ‘Pi Qu’habilla’ verhult de naam van de opdrachtgever.[5] Met die cryptische constructie vormt Duchamp een zin waarin hij, aan de hand van het Franse werkwoord arroser, een band – een liaison – suggereert tussen Picabia en Sélavy. Arroser betekent ‘begieten’, ‘besproeien’ maar ook ‘drinken op’, ‘vieren’. ‘Pi Qu’habilla Rrose Sélavy’ – lees: ‘Picabia arrose Sélavy’, of: ‘Picabia brengt een toast uit op’ of ‘besproeit Sélavy’. Ook hier dringt een seksuele lezing zich op.

Waar komt de dubbele r vandaan? Naast het feit dat Duchamp de dubbele l in sommige Engelse eigennamen imiteerde (denk bijvoorbeeld aan Lloyd), zorgt die tweede r er naar zijn aanvoelen voor dat, bij luidop lezen, het verhulde werkwoord ‘arrose’ duidelijker hoorbaar wordt.[6] Als ook ‘Sélavy’ vloeiend, luidop én op z’n Amerikaans wordt gelezen, dan weerklinkt: ‘Éros, c’est la vie’ of ‘Eros, dat is het leven’.

Marcel is vrouw geworden. Een vrouw met een vrouwelijke en tegelijk letterlijk erotische naam. Zij heet Eros en geeft meteen mee dat dit de definitie van ‘het leven’ is. Mijn naam is leven. Mijn naam is eros. Geen wonder dat Picabia mij ‘besproeit’ – of deftiger: ‘op mij toast’. Is dit woke? Is dit waakzaam, alert voor genderongelijkheid? Met een simpel ‘ja’ is die vraag niet te beantwoorden, en evenmin met een simpel ‘nee’ – en daar zit het spelkarakter van de artistieke geste voor iets tussen.

In elk geval gaat het hier om een man die zich vrouw gaat noemen en op die manier een halt toeroept aan het strenge onderscheid dat traditioneel tussen de seksen heerst. Dat de man vrouw wordt, dat hij zich tegenover een mannelijke vriend-kunstenaar als vrouw profileert, dat hij die vrouwelijke identiteit – en in die zin transgenderidentiteit – ook elders aanneemt, in andere kunstwerken van ‘haar’ hand en in andere publieke activiteiten, wijst erop dat het ‘haar’ ernst is. Dat ‘zij’ met andere woorden door iedereen in deze hoedanigheid geapprecieerd en erkend wil worden.

Is Rrose Sélavy alert voor de eventuele ongelijkheid waarmee ze bejegend zou worden? Waakt zij erover dat ze inderdaad met een vrouwelijke genderidentiteit erkend en gewaardeerd wordt? Kort door de bocht luidt het antwoord: het zal haar worst wezen. Duchamp speelt Rrose Sélavy, maar speelt ook dat Rrose Sélavy Duchamp blijft spelen. Eerder dan op de seksuele identiteit ligt de nadruk op het spel, op het spelen van een identiteit, het spelen van een andere identiteit, niet om een andere identiteit aan te nemen, maar om de identiteit die men aanneemt (ongeacht wat die identiteit is) met andersheid te contamineren.

Het gaat dus niet om een vorm van woke die erover waakt dat een identiteit in haar identiteit gerespecteerd wordt. Hier waakt woke erover dat de identiteit wordt geapprecieerd als dat wat samenvalt, niet met zichzelf, maar met het verschil met zichzelf. Duchamp wil dat je de signatuur van Rrose Sélavy ernstig neemt omdat hij niet wil dat je hem simpelweg voor Marcel Duchamp houdt. Hij bezit geen identiteit die je respecteert als die van iemand die samenvalt met zichzelf. Hij ondertekent met Rrose Sélavy omdat je zou weten dat hij niet met Duchamp ondertekent, dat wil zeggen dat hij niet zomaar Duchamp ‘is’, want hij is ook Rrose Sélavy. Evenmin wil Rrose Sélavy dat je Marcel Duchamp vergeet. In haar naam wil Rrose dat je de naam van Marcel blijft horen. Het gedoe met die namen, laat Duchamp zich in een ander interview ontvallen, ‘was niet om mijn identiteit te wijzigen, maar om twee identiteiten te hebben’.[7] Rrose Sélavy is waakzaam, niet voor haar identiteit, maar voor het verschil waardoor die identiteit getekend is. Of, anders uitgedrukt: ze is waakzaam voor het ‘seksuele’, het ‘erotische’ van ‘haar’ identiteit.

Is identiteit seksueel? Jawel, maar enkel in de zin dat het seksuele de identiteit niet bepaalt, maar loszet, uit de voegen laat barsten om met die seksualiteit een onherroepelijke Spaltung, een splijting, een verschil bloot te leggen. Identiteit is seksueel omdat ze gespleten is, omdat ze gesecteerd is van zichzelf. Tussen mij en mezelf ligt niet wat mij identiek maakt aan mezelf, maar wat dat verhindert, wat dat ‘zelf’ steeds weer onvoltooid, onaf maakt en daarom openhoudt. Verwoord met een paradox die er geen is: mijn identiteit is wat mij op eenzelvige, eigengereide, met niemand in te wisselen wijze afhoudt van wat ik onvermijdelijk beschouw als mijn volle, gerealiseerde identiteit. Ik heb dus wel degelijk een identiteit, maar die bestaat juist in wat me verhindert samen te vallen met mijn volle zelf. Het is in die zin – en enkel in die zin – dat mijn identiteit ‘seksueel’ is.

Om diezelfde reden is mijn identiteit ‘erotisch’ te noemen. Tussen mij en mijzelf gaapt een kloof die ook gaapt tussen mij en mijn liefste, een kloof die niet te dichten is en juist daarom mijn ‘identiteit’ uitmaakt. Erotiek is een spel, een verlangen, een jacht waarbij de jager op een prooi jaagt, niet om die prooi eens en voorgoed te veroveren, maar om vervolgens prooi van die prooi te worden. De minnaar jaagt op de beminde opdat de beminde minnaar zou worden. Je hunkert naar de liefste opdat je zelf het voorwerp van diens hunkering zou worden. Dat minnaar en beminde elkaar ‘in de Minne’ – in de Eros – vinden, betekent dat ze blijven verlangen en nooit samenvallen met de positie die ze in dat spel van verlangen innemen – een verlangen dat daarom een spel is en blijft. De erotiek blijft gaande als geen van de ‘partners’ onveranderlijk blijft. Erotiek raakt me tot in mijn identiteit, jaagt me telkens weer weg uit de positie waarin ik me identiek aan mezelf weet, om op zoek te gaan naar dat zelf van mij – om me te verliezen in de geliefde ander en om samen het spel aan te gaan dat eros heet, het spel dat leven heet. Ziehier een erotisch paradigma om ‘identiteit’ te denken, als het erotische spel dat zich tussen mij en mezelf afspeelt. Mijn identiteit is in laatste instantie een nooit eindigend liefdesspel in een oeverloze speeltuin waarin ik onophoudelijk achter mezelf aanzit, omdat dit ‘mezelf’ van mij zich blijvend aan mij onttrekt.

Rrose Sélavy behoort niet tot de groep die in 1924 het surrealisme lanceert. Toch is zij reeds voordien geen onbekende. Duchamp zelf gebruikt al in 1920 voor het eerst de naam Rose Sélavy, met één r, om een reeks woordspelingen te signeren in Littérature, het tijdschrift geleid door André Breton. Rrose met dubbele r dateert uit 1921, toen Duchamp het schilderij van Picabia signeerde. En Robert Desnos gebruikt haar naam in 1922 in een reeks woordspelletjes geproduceerd in slaaptoestand, al dan niet onder hypnose, en naar eigen zeggen de neerslag van een telepathische verbinding met Duchamp, die op dat moment in Amerika verbleef. Zonder ooit echt lid te worden, blijft Rrose Sélavy samen met Duchamp een referentiepunt voor de surrealistische cirkel. Betekent dit dat haar geste opgaat in een kunst die het van dromen en allerlei ongerijmde spinsels moet hebben? Eerder het tegendeel is waar. Het surrealisme streeft immers naar realisme, naar echt realisme. ‘Echt’, zo geloven de surrealisten, is het realisme waarin wij denken te leven allerminst. Het wordt overwoekerd door wat wij denken dat de realiteit is, of door hoe we die verbeelden. Niet in het surrealisme, maar in wat voor realisme moet doorgaan, heeft de verbeelding de regie overgenomen. Wat we realiteit noemen, bestaat uit beelden. Ook vandaag is dat een even akelig als onmiskenbaar feit. Om in die context de echte realiteit te laten zien – en daar is het kunst om te doen – moet je in die beelden prikken, erin snijden en ze losmaken van wat ze doet samenklitten. En het eerste wat hen doet samenklitten is ons ik, een ik dat zich verbeeldt meester te zijn over al die beelden en waar die beelden voor staan.

Daar keert het surrealisme zich tegen. En daarom keert het zich tegen het ik. Op die founding gesture gaat het surrealisme terug: je schrijft, maar schakelt daarbij je ik uit. Je schrijft ‘automatisch’, zonder ‘zelf’, zonder ‘ik’. Net zoals Arthur Rimbaud, zo belangrijk voor het surrealisme, van zijn dichtende ‘ik’ moet zeggen dat het een ‘ander’ is. Dat wil het surrealisme een stem geven: de realiteit die door wat wij ‘realiteit’ noemen wordt verdrongen, de surrealiteit. En die ligt niet voor ons als iets waarnaartoe we neigen (de bovennatuurlijke realiteit waarnaar filosofie en christendom wezen); die surrealiteit ligt tussen ons en onszelf. Het is het leven voor zover het aan onze greep erop voorafgaat.

 

Noten

1. George Heard, Richard Hamilton, ‘Marcel Duchamp Speaks’, in: William Furlong (red.), Speaking of Art. Four Decades of Art in Conversation, Londen, Phaidon, 2010, p. 23. Geciteerd in: Elisabeth Bronfen, ‘Infra-Thin Encounters of an Erotic Kind. Duchamp’s Game with Gender Difference’, in: Annja Müller-Alsbach, Heinz Stahlhut, Harald Szeemann (red.), Marcel Duchamp, Basel, Hatje Cantz, 2002, p. 145.

2. Katharine Kuh, The artist’s voice. Talks with seventeen artists, New York, Harper & Row, 1962, p. 85. Geciteerd in: Jennifer Blessing (red.), Rrose is a Rrose is a Rrose. Gender Performance in Photography, New York, Guggenheim Museum, 1997, p. 19.

3. Pierre Cabanne, Gesprekken met Marcel Duchamp, vertaling Chris van de Poel, Amsterdam/Leuven/Brussel, Meulenhoff/Kritak/Galerie Ronny Van de Velde, 1991, pp. 90-91.

4. ‘Cacodylate’ is het bijvoeglijke naamwoord van wat in het Nederlands kakodylzuur heet, een poedervormige stof, oplosbaar in water, kleurloos en giftig, vaak gebruikt bij herbiciden.

5. In het interview met Cabanne herinnert Duchamp zich de signatuur ‘Pi Qu’habilla Rrose Sélavy’. Dit klopt niet met de feiten. De signatuur was ‘en 06 Qu’habilla Rrose Sélavy’. Dit zorgt ervoor dat hij ‘habilla’ (de verleden vorm van kleden) onvermeld en onverklaard laat. De woordgroep ‘en 06’ leest als ‘ancis’, de laatste lettergreep van Francis, de voornaam van Picabia. De signatuur wordt dan ‘[Fr]ancis die Rose Sélavy aankleedde’. De dubbele r heeft in deze lectuur geen betekenis, en dat is mogelijkerwijs de reden waarom Duchamp in het interview met Cabanne de ‘habilla’ onvermeld laat. Zie Antonio Castronuovo, ‘Rrose Sélavy and the Erotic Gnosis’, in: Tout-fait. The Marcel Duchamp online Journal, nr. 5, 2003.

6. Michel Sanouillet, Paul Matisse (red.), Duchamp du signe, Parijs, Flammarion, 2013, p. 166.

7. Geciteerd in: Calvin Tomkins, Duchamp. A Biography, New York, Henty Holt, 1996, p. 231.

De toevallige ontmoeting

 

Het raadsel van de metafoor kan niet uitsluitend worden begrepen vanuit de verlegenheid waarin het begrip zich gebracht ziet. Raadselachtig is net waarom metaforen überhaupt ‘verdragen’ worden.

– Hans Blumenberg[1]

 

Waarom zou ‘de toevallige ontmoeting op een sectietafel van een naaimachine en een paraplu’ mooi zijn? De metafoor die de verteller in Les Chants de Maldoror lanceert, wordt voorafgegaan door drie andere beeldspraken om de schoonheid van adolescent Mervyn te omschrijven. Die metaforen zijn eveneens ongewoon, maar toch vallen ze binnen de tekst minder op. Mervyn wordt mooi genoemd ‘als de intrekbaarheid van roofvogelklauwen’, ‘als de onvoorspelbaarheid van spierbewegingen’ of als een ‘eeuwige rattenklem’. Gaston Bachelard heeft in zijn studie van Maldoror uitgerekend dat er 185 verschillende diersoorten in het boek genoemd worden, en dat er 435 keer naar dierlijk leven wordt verwezen. Het is inderdaad vooral de combinatie van dierlijkheid en geweld die bepalend is:

‘Wat is dus het complex dat ons al die energie lijkt toe te kennen aan het oeuvre van Lautréamont? Het is het complex van het dierlijke leven; het is de energie van de agressie, in die mate dat het oeuvre van Lautréamont ons toeschijnt als een echte fenomenologie van de agressie. Het is pure agressie, in de stijl zelf die is omschreven als pure poëzie. […] In het ‘ducassiaanse’ werk is het dierlijke leven niet zomaar een metafoor. Het reikt geen symbolen voor passies aan, maar echte aanvalsinstrumenten.'[2]

De ‘toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu’ is dus niet alleen intrinsiek vreemd. Het gaat om twee gebruiksvoorwerpen die ongebruikt en ‘uitgeschakeld’ op een tafelblad liggen dat zelf niet wordt aangewend waarvoor het is bedoeld, namelijk dode lichamen opensnijden, onderzoeken of ‘prepareren’ voor crematie of begrafenis. Bachelard heeft in zijn boek uit 1939 één keer naar ‘de ontmoeting’ verwezen, door meteen ook het surrealisme te noemen.

‘De taal [van Les Chants de Maldoror] is niet de uitdrukking van een voorafgaandelijke gedachte. Het is de uitdrukking van een psychische kracht die, plotseling, een taal wordt. Kortom, het is een ‘instant-taal’. Wanneer het surrealisme Lautréamont op het spoor komt, is dat om te genieten van dezelfde catachreses: de bekende beelden worden doorbroken, zelfs al moeten daarom een naaimachine en een paraplu worden samengebracht op een snijtafel.'[3]

Een catachrese, ook wel abusio genoemd, is een stijlfiguur waarbij een woord niet in de eigenlijke betekenis wordt gebruikt – een vorm van misbruik of perversie, van verdraaiing of omkering. ‘De ontmoeting’ is een twee- of drievoudige catachrese: op een glad oppervlak dat steriel moet blijven, maar dat ook iets morbides of zelfs sacraals heeft, komen twee voorwerpen elkaar toevallig tegen – een personificatie, want objecten kunnen elkaar niet tegen het lijf lopen en contact hebben. Een sectietafel dient bovendien niet om twee entiteiten bij elkaar te brengen: het is geen bankje in het park, maar een oppervlak waarop zich, normaal gezien, nooit meer dan één lijk bevindt.

In 1868, toen Les Chants de Maldoror verscheen, was de paraplu al ingeburgerd als deftig middel om je verschijning niet te laten verstoren door de regen; in Frankrijk verschenen rond 1830 machines in de naaiateliers, terwijl Isaac Singer in 1851 zijn eerste patent neerlegde, met verregaande gevolgen voor de textielnijverheid. Dat precies deze twee voorwerpen elkaar toevallig ontmoeten én als een ‘toonbeeld’ van schoonheid worden gepresenteerd, lijkt moeilijk te verklaren, maar net dat is de bedoeling van de stijlfiguur: de betekenis – de gebruikswaarde van dingen en van woorden – wordt gesaboteerd of alleszins uitgesteld, met een talige bron van krachtig tekstueel en pervers genot tot gevolg.

Paradoxaal genoeg is genot ook aangeduid als een mogelijke connectie tussen de paraplu en de naaimachine, en dus als een interpretatie van ‘de ontmoeting’. Abigail Susik heeft erop gewezen dat naaimachines aan het eind van de negentiende eeuw, toen Lautréamont zijn boek schreef, berucht waren. Omdat ze, als trillende machines met een pedaal, bijna exclusief door vrouwen werden bediend, vaak onafgebroken gedurende een lange werkdag, werden ze door reactionaire medici als gevaarlijk beschouwd, als bron voor onvrijwillige, stuipachtige orgasmes. In combinatie met een paraplu als symbool voor mannelijke masturbatie – met een ring rond de centrale stok die heen en weer schuift – wordt ‘de ontmoeting’, aldus Susik, een ‘allusie op de medische en morele symptomen die aan mannelijk en vrouwelijk seksueel gedrag worden toegeschreven’.[4]

Al in 1932 heeft André Breton, in Les Vases communicants, die lezing bevestigd of erop geanticipeerd, door ‘de ontmoeting’ te interpreteren als die bijzondere versie van de geslachtsdaad waarbij man en vrouw enkel zichzelf plezieren:

‘Als we bereid zijn terug te vallen op de sleutel van de simpelste seksuele symbolen, dan zullen we het er vrij snel over eens zijn dat deze kracht [van ‘de ontmoeting’] te danken is aan het feit dat de paraplu hier enkel de man kan voorstellen, en de naaimachine enkel de vrouw (zoals de meeste machines, maar met als verzwarend feit dat deze hier, zoals men weet, vaak door de vrouw gebruik wordt voor onanistische doeleinden), terwijl de snijtafel dan het bed vertegenwoordigt, als een gebruikelijke maatstaf voor het leven zowel als de dood.'[5]

Als die lezing, even ‘simpel’ als seksueel, al gemeengoed was, dan is ze zelden tot uitdrukking gebracht. De allereerste om in de literaire receptie van Maldoror expliciet naar ‘de ontmoeting’ te verwijzen, was Léon Bloy in 1890. Zijn reactie, deels bewonderend, deels afwijzend, getuigt van een schokervaring, niet vanwege seksuele connotaties, maar omdat het klassieke schoonheidsideaal zo agressief wordt aangevallen.

‘Moest [Lautréamont] daarom de schoonheid aanbidden, deze in duisternis gehulde dichter, om haar met zoveel zorg te beledigen, om ernaar te streven, zoals hij in heel zijn boek doet, de formules ervan te verdraaien? De voortdurende behoefte om het gevoel van schoonheid te perverteren, als verkondiger van haar val, is in hem gevaren als een verschrikkelijke diastole van zijn nieuwe hart.'[6]

De appreciatie en de analyse, gelijktijdig met de inschakeling van Lautréamont in de (beeld)theorie van het surrealisme, komt dertig jaar later, nog net tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog. Niet zonder te mythologiseren schrijft Louis Aragon in 1967 dat de periode tussen september 1917 en mei 1918, ‘een tijd vol aanzienlijke evenementen’, toch ‘vooral overschaduwd werd door de steeds groeiende invloed die Maldoror uitoefende’ op de latere surrealisten zoals hijzelf, Soupault, Fraenkel, Vaché en Breton.[7]

Die laatste wijdt in 1919 een notitie aan Lautréamont in Littérature, en in 1920 schrijft hij met Philippe Soupault een kort toneelstuk, Vous m’oublierez, met vier personages: een kamerjas, een onbekende, een paraplu en een naaimachine. Bij een opvoering op een dadaïstische bijeenkomst, op 27 mei 1920, in een decor ontworpen door Picabia als een jardin à la française, neemt Breton, die een rode broek draagt, de rol van paraplu op zich. Paul Éluard, gehuld in een zak van geel transparant tarlatan en met een pruik op het hoofd, vertolkt de naaimachine. Philippe Soupault speelt de kamerjas en Théodore Fraenkel is ‘de onbekende’.[8] Volgens een van de biografen van Breton, Henri Béhar, loopt de paraplu op het podium rond terwijl hij grommend herhaalt: ‘Er ligt hier een dode koe onder een meubelstuk.’ Het publiek mengt zich door de acteurs met biefstukken te bombarderen, hoewel het onduidelijk blijft waarom die voorhanden zouden zijn. ‘Op een bepaald moment staat het publiek collectief overeind, terwijl de acteurs hen uit hun dak zien gaan. Ze waren erin geslaagd om de rollen om te draaien!’[9]

Vous m’oublierez is volgens Breton ‘geïnspireerd door het conflict tussen ideeën over conservatie en reproductie’ en heeft ‘uiteraard het plezier als onderwerp’. Al aan het eind van 1920 noemt hij zich ‘niet langer de auteur’ van het toneelstuk, dat hij als een uiting van ‘kinderachtig scepticisme’ beschouwt.[10] In de tekst krijgt de naaimachine moederlijke trekken en spreekt zij de kamerjas, een kledingstuk dat ze inderdaad zelf kan hebben ‘gefabriceerd’, bezorgd toe. Breton, als paraplu, slaat de uitwisselingen tussen moeder en zoon gade, tot hij uitroept: ‘Laat deze tollen uit de kindertijd ophouden met zoemen!’[11] De titel, Vous m’oublierez, lijkt vooruit te lopen op het kind dat zijn moeder achterlaat en vergeet. De moeder van Breton, Marguerite Le Gouguès, was tewerkgesteld als naaister.[12] De ontmoeting tussen de paraplu en de naaimachine op een theaterpodium is voor hem in 1920 dus een persoonlijke aangelegenheid, om niet te zeggen een afrekening met zijn moeder. In de finale van de sketch komen de paraplu en de kamerjas overeind – de volwassen en de jonge zoon – en zeggen ze, als uit één mond: ‘Ik kan dat lawaai van die stoommachine niet meer verdragen.’ Waarop de naaimachine reageert: ‘Nu begrijp ik het. Jullie jagen me weg.’[13]

In hetzelfde jaar, 1920, publiceert Breton over Maldoror in La Nouvelle Revue Française, en ontwikkelt hij meer technische en theoretische overwegingen over het belang van Lautréamont. ‘Ik geloof’, schrijft hij, ‘dat de literatuur voor de modernen stilaan een krachtige machine wordt die de oude manieren van denken op voordelige wijze vervangt.’[14] De metafoor speelt een centrale rol, zoals Lautréamont zelf aangeeft in een passage uit de vierde zang van Maldoror die Breton citeert: ‘Deze stijlfiguur bewijst de menselijke aspiraties naar het oneindige een grotere dienst dan al wat gewoonlijk wordt verbeeld door wie doordrenkt is van vooroordelen of valse ideeën, wat hetzelfde is.’[15] In een lezing die Breton in 1922 geeft, verwijst hij vervolgens expliciet naar ‘de ontmoeting’, die hij laat voorafgaan door deze zinnen: ‘De waarheid, sinds Ducasse, heeft geen omkering meer en ook geen plaats: het goede brengt het slechte even gezellig naar voren. En waar kan het mooie niet allemaal heen worden geleid?’[16]

In 1924, in het Manifeste du surréalisme, wordt ‘de ontmoeting’ niet langer door Breton vermeld, maar zijn de paraplu en de naaimachine op een sectietafel gestold tot een surrealistische methode. Breton citeert, aan het begin van het manifest, Pierre Reverdy, die in 1918 een korte tekst publiceerde met als lapidaire titel ‘L’image’:

‘Het beeld is een zuivere creatie van de geest. Het kan niet ontstaan uit een vergelijking maar uit een toenadering van twee min of meer van elkaar verwijderde werkelijkheden. Hoe meer de twee bij elkaar gebrachte werkelijkheden zich met een juiste afstand tot elkaar verhouden, hoe sterker het beeld zal zijn – hoe meer emotionele kracht en poëtische werkelijkheid het zal bezitten.'[17]

Ook in Les Vases communicants uit 1932, acht jaar na het eerste Manifeste, interpreteert Breton ‘de ontmoeting’ niet exclusief seksueel. In een passage die een aanscherping lijkt van het citaat van Reverdy komt hij terug op de manier waarop twee ‘dingen’ elkaar schijnbaar toevallig kunnen aantreffen, met verstrekkende gevolgen. Het zijn zinnen die insisteren door voortdurend op elkaar te variëren:

‘Twee objecten vergelijken die zo ver mogelijk van elkaar verwijderd zijn, of ze door om het even welke andere methode in elkaars aanwezigheid brengen op een bruuske en pakkende manier: het blijft de hoogste taak die de poëzie zich kan stellen. Hierin moet de neiging steeds sterker worden om de onvergelijkbare, unieke kracht van de poëzie uit te oefenen, namelijk om de concrete eenheid van de twee termen die met elkaar in verband worden gebracht te laten verschijnen en om elk van beide, over welk ding het ook mag gaan, een vigeur toe te kennen die het voorwerp, helemaal op zichzelf, nog ontbeerde. […] Hoe sterker het element van onmiddellijke ongelijkheid naar voren komt, des te krachtiger moet het worden overwonnen en ontkend. Het is de gehele betekenis van het object die op het spel staat.’

En dan volgt er toch nog een zin die zonder al te veel perversie als seksueel kan worden gelezen, of zelfs als een pleidooi contra masturbatie en pro copulatie:

‘Op die manier kunnen twee lichamen, tegen elkaar aan gewreven, dankzij een vonk hun allerhoogste eenheid bereiken in het vuur; zo bereiken ijzer en water hun gemeenschappelijke, bewonderenswaardige oplossing, in bloed, enz.'[18]

Ten overstaan van zoveel theatrale en poëticale beschouwingen – in woorden – wordt de allereerste visuele verbeelding van ‘de ontmoeting’ ogenschijnlijk gepubliceerd in 1924. Pal in het midden van het voorwoord van het allereerste nummer van het tijdschrift La Révolution surréaliste staat een foto van Man Ray: een gebocheld voorwerp, lichtjes antropomorf omdat er één bult voor een hoofd kan doorgaan, gaat verborgen onder een deken van ruwe stof. Voorwerp en textiel worden door strakgespannen touwen samengehouden, alsof er iets of iemand gevangen of in bedwang wordt gehouden, of alsof deze kwetsbare assemblage op het punt staat getransporteerd te worden. Het ‘kunstwerk’ zelf werd al in 1920 door Man Ray vervaardigd en hij gaf het ook een titel mee: L’énigme d’Isidore Ducasse.

Man Ray leerde Maldoror jaren voordien kennen dankzij zijn eerste vrouw, de Belgische dichter Adon Lacroix, die werkte onder het pseudoniem Donna Lecoeur. Zij had een exemplaar van Maldoror en las Man Ray voor uit al haar boeken terwijl ze de volumes in de kast plaatste, vlak nadat ze in New York waren gaan samenwonen.[19] Wanneer in 1924 de foto wordt gepubliceerd, bestaat het werk niet meer, en is het waarschijnlijk met opzet vernietigd. Zoals Rosalind Krauss heeft benadrukt, bewerkstelligt het werkproces van Man Ray immers ‘een overweldiging van het object door de fotografische weergave ervan’, in die mate dat de foto een spoor wordt van iets dat afwezig is, als ‘een kopie […] die bestaat zonder origineel’.[20] Als deze foto een metafoor voor schoonheid vastlegt, dan bestaat die schoonheid niet echt, of nog slechts als herinnering.

Of L’énigme d’Isidore Ducasse letterlijk een weergave is van ‘de ontmoeting’ kan niet achterhaald worden: we zullen nooit zeker weten wat er zich in 1920 onder het deken bevond, al heeft Man Ray in 1971 toegegeven dat hij toen inderdaad een Singer van rond 1860 heeft gebruikt – een historisch voorwerp zoals het Lautréamont waarschijnlijk voor ogen stond – maar geen paraplu.[21] Een andere interpretatie van de foto vertrekt van het antropomorfe silhouet van L’énigme: zou het kunnen dat er zich geen naaimachine, maar een mens onder dit deken bevindt? In zijn boek Other Things uit 2015 heeft literatuurwetenschapper Bill Brown een passage aangeduid in Maldoror die Man Ray net zo goed in gedachten gehad kan hebben toen hij het raadsel van Isidore Ducasse besloot te verbeelden.[22] Het is een van de meest gewelddadige scènes, bijna aan het eind van het boek: de jonge Mervyn wordt in Parijs op de Pont du Carrousel (de brug die naar het Louvre leidt) door Maldoror opgewacht.

‘Ziehier wat hij deed: hij ontvouwde de zak die hij bij zich droeg, trok het gat ervan open, en terwijl hij de jongeman bij het hoofd greep, liet hij diens gehele lichaam verdwijnen in het geweven omhulsel. Met zijn zakdoek knoopte hij het uiteinde dicht dat als ingang diende. Omdat Mervyn scherpe kreten uitstootte, tilde hij de zak op als een stapel wasgoed en sloeg er verschillende keren mee tegen de borstwering van de brug. Vervolgens zweeg het slachtoffer, dat zich bewust was geworden van het kraken van zijn beenderen. Unieke scène, die geen enkele romancier zal kunnen terugvinden!'[23]

Maldoror overhandigt de zak aan een slager, met de mededeling deze ‘schurftige hond’ zo snel mogelijk af te maken. Het geschreeuw dat opklinkt houdt de slager en zijn knechten echter tegen. De zak wordt geopend, Mervyn komt tevoorschijn, hij valt flauw, maar weet te ontsnappen en naar huis terug te keren. Als metafoor voor schoonheid heeft hij heel wat klappen gekregen, maar is hij er toch in geslaagd op miraculeuze wijze in leven te blijven. Ook dat is dus L’énigme d’Isidore Ducasse: een verbeelding van de onverklaarbare manier waarop schoonheid onzichtbaar blijft, langs alle kanten belaagd en bedreigd wordt, er bijna het leven bij inschiet, maar toch niet als een hond wordt afgemaakt.

Net zoals bij Vous m’oublierez van Breton is ook in dit geval een autobiografische lezing mogelijk. In een tekst uit 2001 heeft Milly Heyd gesuggereerd dat de ‘sculptuur’ en de foto naar Lautréamonts biografie verwijzen eerder dan naar ‘de ontmoeting’, wat de titel van het werk, door de echte naam van de Franse auteur te gebruiken, inderdaad lijkt aan te geven. Over Isidore Ducasse bestond immers nauwelijks betrouwbare informatie – hij was een raadsel, en is dat in grote mate nog steeds. Precies dat maakt het beeld vatbaar voor die autobiografische interpretatie, die door Heyd uitvoerig wordt ontwikkeld: Man Ray, pseudoniem van Emmanuel Radnitzky, verborg zijn Joodse afkomst, net als het feit dat zijn ouders kleermakers waren en dus met naaimachines vertrouwd waren. Ook hij wou een raadsel blijven en produceerde L’énigme d’Isidore Ducasse niet toevallig vlak vooraleer hij New York verliet, om op uitnodiging van Duchamp naar Parijs te emigreren en ginds een nieuw leven te beginnen.

‘Aldus drukt Man Rays geheimzinnige verbeelding, door de elementen van het surreële ‘stilleven’ van Lautréamont te gebruiken en verder uit te werken, de gedachte uit dat ‘geboorte’ een wreed proces is dat met dissectie gepaard gaat. De complete cyclus van het bestaan wordt gevat in deze visuele confrontatie: de geboorte (of de onthulling) luidt ook de dood in. Lautréamonts gecondenseerde beeld impliceert dat deconstructie onderdeel is van het proces waarmee begrip wordt bereikt, en Man Ray lijkt dit intuïtief begrepen te hebben.'[24]

L’énigme d’Isidore Ducasse blijft binnen het oeuvre van Man Ray niet zonder gevolg, en de kunstenaar-fotograaf is op de thema’s blijven variëren. In 1952 maakt hij bijvoorbeeld een olieverfschilderij, in de stijl van de pittura metafisica, met als titel Rue Férou, de straat waar zijn atelier in Parijs zich bevindt. Een kleine, schimmige man trekt voorovergebogen een kar voort door een verlaten straat. Op die kar bevindt zich een gedrocht met hetzelfde silhouet als L’énigme, zij het dat de dimensies dit keer net te groot lijken voor een naaimachine. In dit geval schildert Man Ray wat nooit bestaan heeft, in plaats van het te fotograferen. Toch past ook dit beeld binnen de lezing van Heyd, die Rue Férou verbindt met een zin uit Man Rays autobiografie, wanneer hij het heeft over zijn eerste ervaringen in de beau monde van Parijs. Met zijn fotoapparatuur gaat hij op zoek naar modellen, die hem vaak op een vernederende manier wandelen sturen en werkloos achterlaten: ‘Door het in een zwarte doek gewikkelde pak onder mijn arm was ik net een loopjongen.’[25] Nog een mogelijkheid: onder het deken bevindt zich een groot fototoestel.

Man Ray keert na 1920 al eerder terug naar ‘de ontmoeting’, en explicieter bovendien. In 1933, in het decembernummer van Minotaure, het door surrealisten samengestelde tijdschrift uitgegeven door Albert Skira, plaatst hij een tekening van een sectietafel (inclusief opvangvat voor bloed en andere vloeistoffen), waarop foto’s van een paraplu en een naaimachine zijn gemonteerd. De volledige foto’s gemaakt ter voorbereiding van de collage, met de objecten uitgestald op vellen papier, zijn eveneens bewaard gebleven. De tekening in Minotaure dient als openingsbeeld bij een enquête of een questionnaire die Breton en Éluard voor dit nummer organiseren. Aan maar liefst 140 bekende personen stellen ze, met het citaat van Lautréamont als motto, dezelfde vragen: ‘Kan u zeggen wat de kapitale ontmoeting is geweest in uw leven? Tot op welk punt gaf of geeft deze ontmoeting u de impressie van het toeval, van het noodzakelijke?’[26] Niemand van de respondenten verwijst in een antwoord naar Lautréamont, tenzij, uiteraard, Man Ray zelf, door middel van zijn tekening.

Bijna veertig jaar later volgt dan toch nog de materialisatie van wat zo lang enkel als beeld bestaan heeft, wanneer Man Ray in 1971, vijf jaar voor zijn dood, aan Arturo Schwarz de toestemming geeft L’énigme d’Isidore Ducasse te materialiseren – een nieuwe remake van de readymade, of een verdere vergroting van het raadsel van de replica, om te verwijzen naar de titel van een boek van Adina Kamien-Kazhdan over deze verdubbelingen.[27] Eén exemplaar van deze editie van tien (met drie épreuves d’artiste) bevindt zich in de collectie van Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, merkwaardig genoeg de enige uitvoering voorzien van een label ‘Nicht stören / Do not disturb / Ne pas déranger’, dat Man Ray uit een hotelkamer heeft meegenomen en aan het werk toevoegt.[28]

Vooral Breton is dus in woorden op ‘de ontmoeting’ blijven terugkomen, terwijl Man Ray er in beelden herhaaldelijk naar is blijven verwijzen. Toch hebben ook andere surrealisten zich door Lautréamont en diens Maldoror laten inspireren, zij het minder langdurig en coherent. Zowel Salvador Dalí als René Magritte hebben Les Chants de Maldoror geïllustreerd. Magritte tekende scènes na in gebroken lijnen en zorgde ook voor een bloederige horrorcover voor een heruitgave die in 1948 verscheen, maar aan ‘de ontmoeting’ waagde hij zich niet. Dalí eigende zich Lautréamonts beeldspraak veel ingrijpender toe, onder meer door Maldoror in te schakelen in zijn bewerkingen van L’Angélus van Millet, door de ‘sadomasochistische erotiek’ en het ‘orale kannibalisme’ in beide te benadrukken.[29] De paraplu verdween in dat proces, dus van een echte ontmoeting was er geen sprake meer. En eigenlijk geldt dat voor de gehele erfenis van Lautréamonts trio van voorwerpen, ook in het latere surrealisme of in de kunst in het algemeen: paraplu’s en naaimachines genoeg, maar ze staan er alleen voor.

Sindsdien wordt er van tijd tot tijd nog verwezen naar ‘de toevallige ontmoeting op een sectietafel van een naaimachine en een paraplu’, die blijft spoken als een floating signifier – voor schoonheid, voor verrassende combinaties, voor seks, voor de sublimatie van geweld, voor transgressie, voor overinterpretatie, voor autobiografische speculatie, voor het belang of de willekeur van een foto of een object, voor beeldspraak, en uiteindelijk dus, als combinatie van al die dingen, voor kunst in het algemeen. Tegelijkertijd is het mogelijk dat onverwachte en absurde schokken vandaag niet langer in de eerste plaats door kunstenaars worden toegediend, omdat ze enerzijds alomtegenwoordig zijn, tot in de hoogste echelons van de maatschappij en de macht, en omdat er anderzijds geen klassieke schoonheidsidealen meer te perverteren vallen. Waarin, en dankzij wie, leven het surrealisme, het esthetische geweld en de absurde brutaliteit van Mervyn en Maldoror voort? Dit is het antwoord van Hal Foster, vorig jaar neergeschreven in de London Review of Books:

‘Zeker is het zo dat surrealistische nevenschikkingen zich vandaag overal rondom ons bevinden; onze stedelijke omgevingen zijn immersieve panorama’s van voorspelbare botsingen. […] Om kort te gaan: law and order zijn al lang niet meer wat ze waren toen het surrealisme in het leven werd geroepen, en hetzelfde geldt voor transgressie. In onze nihilistische fase van het neoliberalisme […] is het surrealisme langs rechts ingehaald.'[30]

 

Noten

1. Hans Blumenberg, Schiffbruch mit Zuschauer. Paradigma einer Daseinsmetapher, Frankfurt, Suhrkamp, 1979, p. 87.

2. Gaston Bachelard, Lautréamont, Parijs, Corti, 1939, p. 9.

3. Ibid., p. 97.

4. Abigail Susik, ‘Wage Labour as Contagion. Surrealist Sewing Machines and Liberatory Eroticism’, in: Disa Persson, David Hopkins (red.), Contagion, Hygiene, and the European Avant-Garde, Londen/New York, Routledge, 2023, p. 217.

5. André Breton, Les Vases communicants, Parijs, Gallimard, 1955 [1932], pp. 70-71.

6. Léon Bloy, ‘Le Cabanon de Prométhée’, in: Lautréamont, Oeuvres complètes, Parijs, Gallimard, 2009 [1890], p. 332.

7. Louis Aragon, ‘Lautréamont et nous’, in: Idem, p. 535.

8. Michel Sanouillet, DADA à Paris, Parijs, Jean-Jacques Pauvert, 1965, pp. 176-177.

9. Henri Béhar, André Breton, le grand indésirable, Parijs, Calmann-Lévy, 1990, p. 101.

10. Marguerite Bonnet, ‘S’il vous plaît, Vous m’oublierez. Notice’, in: André Breton, Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988, p. 1175.

11. André Breton, Philippe Soupault, ‘Vous m’oublierez’, in: Idem, p. 138.

12. Marguerite Bonnet, ‘Chronologie’, in: Idem, p. XXVIII.

13. Op. cit. (noot 11), p. 142.

14. André Breton, ‘Les Chants de Maldoror’, in: Lautréamont, Oeuvres complètes, Parijs, Gallimard, 2009 [1920], p. 367.

15. Lautréamont, Les Chants de Maldoror, in: Idem, p. 182.

16. André Breton, ‘Caractères de l’évolution moderne et ce qui en participe’, in: Idem, p. 374.

17. Pierre Reverdy, ‘Het beeld’, vertaald door Gerard-Jan Claes en gepubliceerd op 19 september 2018 op de website van Sabzian. ‘L’image’ verscheen oorspronkelijk in: Nord-Sud, nr. 13, 1918, pp. 73-74.

18. Op. cit. (noot 5), pp. 148-149.

19. Man Ray, Belicht geheugen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1996 [1963], p. 53, vertaling Erica Stigter.

20. Rosalind Krauss, ‘Objects of My Affection’, in: John L. Tancock (red.), Man Ray. Objects of My Affection, New York, Zabriskie Gallery, 1985, s.p.

21. Adina Kamien-Kazhdan, Remaking the Readymade. Duchamp, Man Ray, and the Conundrum of the Replica, Londen/New York, Routledge, 2018, p. 221.

22. Bill Brown, Other Things, Chicago, The University of Chicago Press, 2015, pp. 103-104.

23. Op. cit. (noot 15), pp. 248-249.

24. Milly Heyd, ‘Man Ray/Emmanuel Radnitsky. Who is Behind The Enigma of Isidore Ducasse?’, in: Matthew Baigall, Milly Heyd (red.), Complex Identities. Jewish Consciousness and Modern Art, New Brunswick, Rutgers University Press, 2001, p. 117.

25. Op. cit. (noot 19), p. 130.

26. André Breton, Paul Éluard, ‘Enqûete’, Minotaure, nrs. 3-4, 1933, p. 101.

27. Op. cit. (noot 21).

28. Marijke Peyser, ‘L’énigme d’Isidore Ducasse’, in: Een droomcollectie. Surrealisme in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, Boijmans Van Beuningen, 2017, p. 185.

29. Abigail Susik, Surrealist Sabotage and the War on Work, Manchester, Manchester University Press, 2021, p. 133.

30. Hal Foster, ‘Big Toes are Gross’, in: London Review of Books, nr. 11, 2024, p. 28.

De zangen van Maldoror

 

 

Zang 1, strofe 11

 

Een gezin rond een lamp die op tafel staat: ‘Jongen, geef de schaar eens aan, daar op die stoel.’

‘Hij ligt er niet, moeder.’

‘Ga hem dan uit de andere kamer halen. Weet je nog, lieve baas, dat we ons ooit een kind toewensten waarin we opnieuw geboren zouden worden, een kind dat ons op onze oude dag tot steun zou zijn?’

‘Ik weet het nog en God heeft ons verhoord. We hoeven ons ons lot op deze aarde niet te beklagen. Elke dag loven we de Voorzienigheid voor de weldaden die ze ons bewijst. Onze Édouard is in alles even bevallig als zijn moeder.’

‘En even kloek en manhaftig als zijn vader.’

‘Hier is de schaar, moeder. Ik heb hem eindelijk gevonden.’

Hij gaat weer aan het werk… Maar intussen is er bij de voordeur iemand verschenen, iemand die het tafereel dat zich voor zijn ogen afspeelt een poosje gadeslaat: ‘Wat moet dit schouwspel voorstellen! Heel wat mensen zijn minder gelukkig dan deze. Hoe maken ze zichzelf wijs dat ze van het leven houden? Ga weg, Maldoror, van deze vredige haard – jij hoort hier niet.’

Hij heeft zich teruggetrokken!

‘Ik weet niet hoe het komt, maar ik voel dat er in mijn binnenste een strijd woedt tussen de menselijke vermogens. Zonder dat ik weet waarom is het mij benauwd om het hart. De lucht is zwaar.’

‘Vrouw, ik voel precies hetzelfde als jij, ik beef van angst dat ons iets ergs overkomt. Laten we vertrouwen op God, hij is onze enige hoop en toeverlaat.’

‘Moeder, ik kan haast niet ademhalen, ik heb hoofdpijn.’

‘Jij ook al, jongen! Ik zal je voorhoofd en je slapen deppen met azijn.’

‘Nee, lieve moeder…’

Kijk, hij is zo moe dat hij achteroverleunt tegen de stoelleuning.

‘Er keert zich iets binnenstebuiten in mij, ik kan niet verklaren wat het is. Het minste of geringste ontstemt me.’

‘Wat zie je bleek! Voordat deze avond voorbij is, worden we vast alle drie door een of andere noodlottige gebeurtenis in de poel van de wanhoop gestort.’

In de verte hoor ik langgerekte kreten van de ijselijkste pijn.

‘Jongen!’

‘O, moeder!… Ik ben bang!’

‘Zeg eens gauw, doet het ergens zeer?’

‘Nee, moeder, het doet geen zeer… Het is niet waar wat ik zeg.’

De vader is nog niet van zijn verbazing bekomen: ‘Dat soort geschreeuw hoor je af en toe in de stilte van een sterreloze nacht. Hoewel wij dit geschreeuw nu horen, is de man die schreeuwt niet vlakbij, want zulk gekerm is hoorbaar op drie mijl afstand, het wordt door de wind van de ene stad naar de andere meegevoerd. Er is mij vaak over het verschijnsel verteld, maar ik had nog nooit de gelegenheid om het zelf van nabij mee te maken. Vrouw, je had het over ongeluk. Als er ooit echt ongeluk heeft bestaan in de lange spiraal van de tijd, dan is het wel het ongeluk van de man die nu de slaap van zijn medemensen verstoort…’

In de verte hoor ik langgerekte kreten van de ijselijkste pijn.

‘De hemel geve dat zijn geboorte geen ramp is voor zijn land, het land dat hem verstoten heeft. Hij trekt van streek naar streek, wekt overal afschuw. Sommigen zeggen dat hij sinds zijn kindertijd gebukt gaat onder een soort van aangeboren waanzin. Anderen menen te weten dat hij, uit instinct, buitengewoon wreed is, iets waar hij zich zelf voor schaamt, en dat zijn ouders om die reden zijn gestorven van verdriet. Er zijn er ook die beweren dat hij in zijn jeugd met een bijnaam werd opgezadeld en dat hij daar in zijn latere leven ontroostbaar over bleef, want voor zijn gekwetste waardigheid was dat het overduidelijke bewijs dat de mensen boosaardig zijn, een boosaardigheid die zich al in hun kleuterjaren uit om later alleen maar toe te nemen. Die bijnaam was de vampier!…’

In de verte hoor ik langgerekte kreten van de ijselijkste pijn.

‘Ook zeggen ze dat gruwelijke nachtmerries hem overdag en ’s nachts zonder ophouden uit zijn mond en oren doen bloeden en dat er spoken op de rand van zijn bed komen zitten die hem, tegen hun wil voortgedreven door een onbekende kracht, nu eens zachtjes, dan weer brullend als vechtersbazen, deze nog steeds schrijnende, nog steeds afstotelijke bijnaam met nietsontziende hardnekkigheid in het gezicht slingeren, een bijnaam die pas zal ondergaan met het heelal. Sommigen beweren zelfs dat hij tot die toestand is gebracht door de liefde, of dat dat geschreeuw getuigt van berouw over een misdaad die verborgen ligt in de nacht van zijn geheimzinnige verleden. Maar de meesten denken dat hij wordt gemarteld door mateloze trots, net als ooit Satan, en dat hij godgelijk zou willen zijn…’

In de verte hoor ik langgerekte kreten van de ijselijkste pijn.

‘Dat zijn geen alledaagse ontboezemingen, jongen – het spijt me dat je die op jouw leeftijd hebt moeten aanhoren, en ik hoop dat je die man nooit zult nadoen.’

‘Geef antwoord, lieve Édouard, zeg dat je die man nooit zult nadoen.’

‘O liefste moeder, aan wie ik het leven te danken heb, ik beloof je, als de heilige belofte van een kind iets waard is, dat ik die man nooit zal nadoen.’

‘Goed zo, jongen, je moet je moeder gehoorzamen, waar en wanneer dan ook.’

Het gekerm is niet meer hoorbaar.

‘Vrouw, ben je klaar met je werk?’

‘Ik moet aan dit hemd nog een paar steekjes afwerken, hoewel het al laat is.’

‘Ik heb het hoofdstuk waaraan ik was begonnen ook nog niet uit. We zullen gebruikmaken van het laatste licht, want er zit bijna geen olie meer in de lamp, en allebei ons werk afmaken…’

De jongen roept uit: ‘Als God ons maar het leven spaart!’

‘Stralende engel, kom bij mij, van de ochtend tot de avond mag je wandelen door de weiden, werken hoef je niet meer. Mijn schitterende paleis is gebouwd met muren van zilver, zuilen van goud en deuren van diamant. Je mag naar bed wanneer je wilt, bij het klinken van hemelse muziek, zonder te bidden voor het slapengaan. Als ’s morgens de zon opkomt met zijn schitterende licht en de blije leeuwerik zijn trillers hoog in de lucht met zich meevoert, zover het oog reikt, mag jij in bed blijven liggen, tot je daar genoeg van hebt. Je loopt op de kostbaarste tapijten, je wordt voortdurend omhuld door een atmosfeer waarin de aromatische essences van de geurigste bloemen zich vermengen.’

‘Het is tijd dat we lichaam en geest laten rusten. Kom overeind, huismoeder, op je gespierde enkels. Je stramme vingers mogen nu met recht de naald van overdreven arbeid neerleggen. Uitersten zijn nergens goed voor.’

‘O, wat een zalig leventje zul je leiden! Je krijgt een toverring van mij: wanneer je de robijn omdraait, word je onzichtbaar, zoals de prinsen in sprookjes.’

‘Leg je alledaagse wapens weg in de opbergkast, dan ruim ook ik mijn spullen op.’

‘Wanneer je die robijn dan weer naar zijn gewone stand terugdraait, zul je opnieuw verschijnen zoals de natuur je geschapen heeft, o jonge tovenaar. Dit alles omdat ik van je hou en omdat ik je gelukkig wil maken.’

‘Ga weg, wie je ook bent – haal je hand van mijn schouder.’

‘Slaap nog niet in, jongen, laat je niet wiegen door dromen uit je kindertijd – het gemeenschappelijke gebed is niet begonnen en je kleren liggen nog niet netjes op de stoel… Op de knieën! Eeuwige schepper van het heelal, gij toont uw onuitputtelijke goedheid tot in de kleinste dingen.’

‘Hou je dan niet van heldere beken waar duizenden visjes in voortglijden, rode, blauwe en zilverachtige? Je zult ze vangen met een zo mooi schepnet dat ze er als vanzelf door worden aangetrokken, totdat het vol is. Door het wateroppervlak zie je blinkende kiezels, gladder dan marmer.’

‘Moeder, zie je die klauwen – ik wantrouw hem, maar mijn geweten is rustig, want ik heb mezelf niets te verwijten.’

‘Gij ziet ons aan uw voeten geknield, overweldigd door het gevoel van uw grootheid. Zou enige hoogmoedige gedachte onze verbeelding binnendringen, dan verwerpen we die gedachte direct met het spuug van de verachting en offeren we haar onherroepelijk voor u op.’

‘Je zult erin baden met kleine meisjes die hun armen om je heen slaan. Eenmaal uit bad vlechten ze voor jou kransen van rozen en anjers. Ze hebben transparante vlindervleugels en lange golvende lokken die los om hun lieftallige voorhoofd hangen.’

‘Al was jouw paleis mooier dan kristal, dan nog zou ik dit huis niet verlaten om met je mee te gaan. Volgens mij ben jij gewoon een bedrieger, anders zou je niet zo zacht tegen me praten, uit angst dat ze je horen. Weglopen van je ouders is een slechte daad. Ik zou nooit een ondankbare zoon willen zijn. En die kleine meisjes van jou, die zijn niet zo mooi als de ogen van mijn moeder.’

‘Ons hele leven hebben we ons uitgeput in lofzangen te uwer ere en glorie. Zo zijn we tot nu toe geweest, zo zullen we blijven, tot het moment dat we van u het bevel ontvangen deze aarde te verlaten.’

‘Ze zullen je op al je wenken bedienen en er alles aan doen om jou te behagen. Wil je de vogel die nooit rust, dan halen ze hem voor je. Wil je de wagen van sneeuw die in een oogwenk naar de zon voert, dan halen ze hem voor je. Wat zouden ze niet voor je halen! Ze zouden zelfs de vlieger voor je halen, groot als een toren, die verstopt zit op de maan, en met aan zijn staart, aan zijden koordjes, allerlei soorten hangende vogels. Pas maar op, jij… Luister naar mijn raad.’

‘Doe wat je niet laten kan, maar ik wil het gebed niet onderbreken, om hulp roepen doe ik niet. Je lichaam verdampt zodra ik het weg wil duwen, maar ik ben heus niet bang voor je.’

‘In uw bijzijn is er niets groot, tenzij de gloed die door een onbedorven hart wordt uitgestraald.’

‘Denk na over wat ik je gezegd heb, of het zal je berouwen.’

‘Hemelse vader, bezweer, bezweer het onheil dat ons gezin kan treffen.’

‘Je wilt dus niet weggaan, kwade geest?’

‘Behoed deze teerbeminde echtgenote, die me telkens als ik de moed verloor heeft getroost…’

‘Omdat je me afwijst, zal ik je laten huilen en tandenknarsen als een gehangene.’

‘En deze liefhebbende zoon, wiens kuise lippen nog maar net opengaan voor de kussen van de dageraad des levens.’

‘Moeder, hij wurgt me… Vader, help… Ik krijg geen adem meer… Jullie zegen!’

Een schreeuw van grenzeloze ironie stijgt op. Zie hoe de adelaars verdoofd uit de hoge wolken neertuimelen en rondtollen, letterlijk geveld door de zuil van lucht.

‘Zijn hart klopt niet meer… En ook zij is dood, tegelijk met de vrucht van haar schoot, een vrucht die ik niet meer herken, zo zwaar verminkt is die… Mijn echtgenote!… Mijn zoon!… Ik herinner me een tijd, lang geleden, dat ik echtgenoot en vader was.’

Tegenover het tafereel dat zich voor zijn ogen afspeelde, had hij bij zichzelf gezegd dat hij dit onrecht niet hoefde te dulden. Als de macht die de helse geesten hem hebben geschonken, of liever gezegd die hij uit zichzelf put, zijn werking heeft, dan zou dat kind, voordat de nacht verstreken was, het leven erbij ingeschoten hebben.

 

 

Zang 6, strofe 3, hoofdstuk 1

 

De winkels van de Rue Vivienne etaleren hun rijkdommen voor verrukte blikken. Mahoniehouten kistjes en gouden horloges, door talrijke gaslantaarns beschenen, verspreiden verblindende lichtboeketten door de vitrines. De klok van de Beurs slaat acht uur: de avond is jong! De laatste klepelslag heeft nog maar net weerklonken of de straat, de naam ervan werd reeds vermeld, begint te beven en schudt op zijn grondvesten vanaf de Place Royale tot aan de Boulevard Montmartre. Wandelaars versnellen hun pas en trekken zich peinzend in hun woningen terug. Een vrouw zakt buiten kennis op het asfalt neer. Niemand helpt haar overeind; iedereen maakt zich het liefst als de weerlicht uit de voeten. Luiken worden woest dichtgeslagen en bewoners kruipen diep weg onder hun dekens. Het lijkt wel of de builenpest is uitgebroken. Terwijl het grootste deel van de stad zich klaarmaakt om onder te duiken in nachtelijk uitgaansvertier, blijkt de Rue Vivienne plotseling in de ijzige greep van een soort verstening. Als een hart dat niet langer liefheeft, is in de straat nu alle leven gedoofd. Maar algauw verbreidt het nieuws van het gebeurde zich onder de andere lagen van de bevolking, en over de roemrijke hoofdstad hangt een doffe stilte. Waar zijn de gaslantaarns gebleven? Wat is er geworden van de straatmadeliefjes? Niets… stilte en duisternis! Een uil die, met een gebroken poot, in een kaarsrechte lijn over de Madeleinekerk vliegt en dan zijn wieken uitslaat richting de monumentale zuilen van de Barrière du Trône, roept uit: ‘Er is onheil op komst.’ Welnu, in dit oord, dat mijn pen (een ware vriend, die voor mij als handlanger fungeert) zojuist geheimzinnig heeft gemaakt, zul je, als je kijkt naar de plaats waar de Rue Colbert zich verenigt met de Rue Vivienne, juister gezegd naar de hoek gevormd door de kruising van die twee straten, de gestalte zien van een personage dat zich met lichte tred voortbeweegt richting de boulevards. Maar kom je dichterbij, op zodanige wijze dat je niet zelf de aandacht van die voorbijganger trekt, dan merk je, aangenaam verbaasd, dat hij jong is! Uit de verte zou je hem namelijk voor een man op leeftijd hebben aangezien. De som der dagen is niet meer van belang wanneer het erom gaat het intellectuele vermogen van een ernstig gezicht te taxeren. Ik versta de kunst iemands leeftijd af te lezen uit de fysionomische lijnen van zijn voorhoofd: hij is zestien jaar en vier maanden oud! Hij is mooi als de intrekbaarheid van roofvogelklauwen; of ook, als de onvoorspelbaarheid van spierbewegingen in verwonde weke delen van de nekstreek; of nog eerder, als die eeuwige rattenklem, steeds opnieuw door het gevangen dier opgespannen, die volautomatisch een oneindige hoeveelheid knaagdieren vangt en zelfs onder het stro verstopt functioneert; en vooral, als de toevallige ontmoeting op een sectietafel van een naaimachine en een paraplu! Mervyn, die zoon van het blonde Engeland, heeft zojuist bij zijn leraar een schermles gevolgd en ingepakt in zijn Schotse ruit keert hij terug naar zijn ouders. Het is halfnegen en hij hoopt om negen uur thuis te komen; het is behoorlijk aanmatigend van hem om te veinzen dat hij zeker weet wat de toekomst brengen zal. Kan een of ander onverwacht obstakel hem niet de weg versperren? En zou die omstandigheid zó zeldzaam zijn dat hij haar met reden als een uitzondering beschouwt? Waarom beschouwt hij het voorrecht dat hij tot nog toe niet ongerust is geweest en zich als het ware gelukkig heeft kunnen voelen niet eerder als iets abnormaals? Met welk recht immers meent hij ongedeerd zijn woonhuis te kunnen bereiken, terwijl iemand hem loopt te bespieden en hem onbemerkt volgt als zijn toekomstige prooi? (Het zou wel van heel weinig vertrouwdheid met zijn beroep van sensatieschrijver getuigen om niet, op zijn minst, zulke restrictieve vragen naar voren te brengen, waarna onmiddellijk de zin komt die ik op het punt sta te voltooien.) U hebt de denkbeeldige held herkend wiens persoonlijkheid met de door hem uitgeoefende druk mijn beklagenswaardige verstand al geruime tijd aan het slopen is! Nu eens komt Maldoror dicht bij Mervyn, om de gelaatstrekken van die jongen in zijn geheugen te prenten, dan weer deinst hij in een terugtrekkende beweging achteruit, zoals de Australische boemerang in het tweede deel van de door hem afgelegde baan, of liever, zoals een afgevuurde helse machine. In dubio over wat hem te doen staat. Maar zijn bewustzijn voelt geen enkel symptoom van emotie, hoe embryogenetisch ook, zoals u ten onrechte zou kunnen denken. Ik zag dat hij zich een ogenblik in tegengestelde richting verwijderde; werd hij door berouw gekweld? Maar daar maakte hij rechtsomkeert, met nog meer verbetenheid dan eerst. Mervyn weet niet waarom zijn slaapaderen zo hard kloppen, en hij verhaast zijn pas, achtervolgd door een angst waarvan hij en u tevergeefs de oorzaak zoeken. We moeten hem nageven dat hij ijverig probeert het raadsel te ontsluieren. Waarom kijkt hij niet achterom? Dan zou hij alles begrijpen. Denken we ooit aan de eenvoudigste manieren waarmee we een einde kunnen maken aan een alarmerende toestand? Wanneer een schooier door een voorstadsbuurt stiefelt, met een slakom witte wijn in zijn kraag en zijn kiel aan flarden, en als hij dan naast een grenssteen een oude, pezige kater ziet, een tijdgenoot van de nog door onze vaders bijgewoonde revoluties, die droefgeestig zit te staren naar de op de ingeslapen vlakte neerzijgende manestralen, dan treedt hij achterbaks langs een bochtige weg naar voren en geeft een teken aan een krompotige hond, die eropaf stuift. Het nobele dier van het kattenras wacht zijn tegenstander moedig op en verkoopt zijn leven zo duur mogelijk. Morgen koopt een of andere lompengaarder een elektriseerbaar vachtje. Waarom vluchtte hij dan niet? Het was zo gemakkelijk. Maar in het geval dat ons hier en nu bezighoudt, wordt het gevaar door Mervyns eigen onwetendheid nog verergerd. Hij heeft wel een paar, zij het uiterst zeldzame, heldere ogenblikken, en ik zal hier niet omstandig aantonen in hoeveel wazigheid zijn geest is gehuld; intussen is hij onmogelijk in staat te raden wat er echt aan de hand is. Hij heeft geen profetische gaven, het tegendeel beweer ik niet, en hij kent zichzelf niet het vermogen toe ze te hebben. Aangekomen bij de drukke verkeersader slaat hij rechtsaf en loopt de Boulevard Poissonnière en de Boulevard de Bonne-Nouvelle af. Op dat punt van zijn weg slaat hij de Rue du Faubourg Saint-Denis in, laat het station van de spoorlijn naar Straatsburg achter zich en blijft staan voor een hoge poort, vlak voordat hij de dwarsliggende Rue Lafayette heeft bereikt. Aangezien u mij aanraadt op deze plaats de eerste strofe te besluiten, wil ik me voor één keer voegen naar uw wens. Beseft u wel dat er, als ik denk aan de ijzeren ring die door de hand van een maniak onder steen is verstopt, een onbedwingbare huivering door mijn haren gaat?

 

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

• Oorspronkelijke uitgave: Le Comte de Lautréamont, Les Chants de Maldoror, Parijs, Albert Lacroix, 1869, pp. 35-43, 288-292. Zie ook: Lautréamont, Œuvres complètes, Parijs, Gallimard, 2009, pp. 58-64, pp. 226-229.

Lukraak in de massa schieten: surrealisme en moraal

In januari 1930 staat André Breton, net drieëndertig jaar oud, met gesloten ogen op de cover van een publicatie. Hij draagt een doornenkroon: bloed parelt en druipt over zijn gezicht, en hij lijkt eerder dood dan dromend. De titel van het pamflet van vier pagina’s prijkt, onderlijnd en in vette drukletters, boven zijn hoofd. De verrijzenis die de fotomontage hem lijkt te beloven, wordt Breton door de titel brutaal ontzegd. Het pamflet verklaart de valse profeet van het surrealisme dood en reduceert hem tot een rottend lijk.

Met Un Cadavre wordt Breton in 1930 de rekening gepresenteerd door ex-surrealisten, die hij een jaar eerder te kijk had gezet in zijn Second Manifeste. De toon van de teksten, van onder anderen Bataille, Desnos, Queneau en Leiris, is hard en het pamflet vervalt nu en dan tot een scheldpartij. Maar dat belet niet dat de bijdragen een rode draad hebben: Breton wordt principieel een autoritaire leidingstijl verweten, die gepaard gaat met – volgens de afvallige apostelen – hypocriet gemoraliseer, wat hem titels als ‘flik’ en ‘pastoor’ oplevert. Het epitheton ‘paus van het surrealisme’ wordt gretig gebezigd, tot grote ergernis van Breton.

Dit beeld blijft herkenbaar, en terecht. Breton zette andere surrealisten uit de beweging, met vaak kleinzielige motieven. Robert Desnos werd ‘verketterd’ omdat hij occasioneel aan journalistiek deed en het lef had verzen in alexandrijnen te schrijven. Anderen werd de deur gewezen om persoonlijke redenen: Max Morise had een affaire met Simone Kahn toen zij nog Simone Breton heette. Zulke uitsluitingen zijn moeilijk te verzoenen met het emancipatorische en revolutionaire karakter van Bretons programmatische teksten. Hetzelfde geldt voor zijn negatieve houding tegenover homoseksualiteit en voor het problematische vrouwbeeld dat uit sommige van zijn teksten spreekt. Breton wil met zijn surrealisme de mens bevrijden, maar maakt er een eng keurslijf van waarin zijn persoonlijke voorkeuren bepalend zijn.

Het beeld van Breton als schijnheilige paus is echter in die mate een cliché geworden dat het een goed begrip van zijn surrealisme in de weg staat. Een frisse blik op Bretons hypocrisie is daarom nodig, niet om hem als Messias te laten verrijzen, maar om zijn kadaver te dissecteren. Breton breekt nu en dan flagrant met de revolutionaire moraal van het surrealisme, niet zozeer omdat hij niet bereid zou zijn de uiterste consequenties van die moraal te aanvaarden, maar eerder omdat die moraal zelf niet sterk genoeg is om een terugval in kleinburgerlijkheid te voorkomen. Het resultaat is, onwillekeurig, een kritiek op de moraal van het surrealisme.

Dat zo’n surrealistische moraal überhaupt bestaat, kan verwondering wekken. In 1924, in zijn Manifeste du surréalisme, definieert Breton de stroming als een ‘puur psychisch automatisme […] vrij van iedere esthetische of ethische vooringenomenheid’.[1] Het surrealisme wil, aldus Breton, het echte denken tot uitdrukking brengen, als een onbewust denken dat, volgens een formulering van Aragon in Le Paysan de Paris, ons bewuste denken ‘omvat’.[2] Het bewuste denken, onze rede, onze esthetische en morele oordelen, zijn slechts manifestaties van (en reacties op) een ‘echt’ en dieper gelegen denken, dat zich toont wanneer de rede verslapt, in de (dag)droom en in het automatisme.

De zuiverheid van het automatisme hangt af van de mate waarin de surrealist in staat is het bewuste denken ‘passief’ te houden en dus ontvankelijk wordt voor wat er zich in het denken, maar buiten het bewustzijn, aandient. Het bewuste denken neigt ernaar in te grijpen wanneer onbewuste inhoud opborrelt, en die te censureren op grond van esthetische of morele bezorgdheden. De passiviteit van de surrealist in het automatisme is een poging om die censuur, die het ‘echte’ denken belet zich te manifesteren, stil te leggen, of zelfs, zoals Breton in het eerste manifest suggereert, definitief te vernietigen, zodat de primordiale eenheid van de mens, door de censuur van het bewustzijn deels van zichzelf vervreemd, hersteld wordt.

De moraal is dus in de eerste plaats een obstakel, een beletsel voor de vrije expressie van het ‘echte denken’ dat, net als de droom, voorbij goed en kwaad opereert. Toch legt Breton de moraal niet zomaar naast zich neer. Hij gaat op zoek naar een nieuwe moraal, waarin het ‘echte denken’ een plaats kan krijgen zonder erdoor onderdrukt te worden. Zoals hij stelt in het eerste manifest: ‘Een nieuwe moraal zal de huidige moraal moeten vervangen, die de oorzaak is van al onze ellende.’[3]

In een interview uit 1966, naar aanleiding van het overlijden van Breton, heeft Michel Foucault deze surrealistische wending naar een nieuwe moraal goed gevat: ‘In zekere zin heeft Breton de literatuur gehermoraliseerd door haar volledig te demoraliseren. De ethiek van het schrijven ligt niet meer in wat men te zeggen heeft, in de ideeën die men uitdrukt, maar in de schrijfdaad zelf.’[4] En Gérard Legrand, met wie Breton zijn laatste grote werk schreef (L’art magique, uit 1957), herinnert zich een conversatie waarin Breton bevestigt dat ‘de enige eis waaraan een dictee van het denken, gelijkwaardig aan een zuiver psychisch automatisme, moet voldoen altijd al een morele eis is, namelijk die van authenticiteit’.[5]

De morele waarde van een surrealistische of automatische daad – synoniemen tijdens de eerste jaren van de beweging – komt los te staan van zowel de intentie achter als het resultaat van die daad, of juister: die waarde is omgekeerd evenredig aan de mate waarin de daad gesteld wordt met een intentioneel resultaat voor ogen. De surrealistische moraal demoraliseert de daad, door onverschillig of zelfs afkeurend te staan tegenover goede zowel als kwade intenties. De daad wordt vervolgens opnieuw gemoraliseerd door het morele criterium te verschuiven naar de (afwezigheid van de) intentie als zodanig. Breton stelt het beknopt: ‘Het wil mij voorkomen dat elke daad in zichzelf haar rechtvaardiging draagt […].’[6]

Een hypothetisch scenario in een lange voetnoot uit het eerste manifest illustreert dat.

‘[I]k zou willen weten hoe de eerste strafbare feiten van onbetwistbaar surrealistisch karakter berecht zullen worden. […] [D]e beschuldigde heeft een boek gepubliceerd dat de openbare zeden schendt; door enkele ‘zeer eerbare’ medeburgers wordt hij ook van laster beschuldigd; en allerlei andere zware feiten worden hem ten laste gelegd, zoals belediging van het leger, oproep tot moord, tot verkrachting, enz. De beschuldigde gaat trouwens meteen akkoord met de beschuldigingen en ‘brandmerkt’ het merendeel van de uitgedrukte ideeën. Ter zijner verdediging stelt hij enkel dat hij zichzelf niet als de auteur van zijn boek beschouwt, gezien het duidelijk een surrealistisch product is, wat elke vraag naar de verdienste of schuld van degene die het ondertekent, uitsluit […] en dat hij op zijn minst even vreemd is aan de gewraakte tekst als de Voorzitter van het Tribunaal.'[7]

De surrealistische moraal onttrekt zich dus aan de moraal van ‘eerbare’ burgers, omdat de automatische daad, in zekere zin, in afwezigheid van de dader wordt gesteld, waardoor begrippen als ‘schuld’ en ‘verdienste’ niet langer van toepassing zijn. Omdat een surrealistische tekst geschreven wordt ‘zonder vooropgesteld onderwerp’ en zonder intentie – behalve dan de intentie om het échte denken tot uitdrukking te brengen – kan de auteur nadien de ‘eigen’ tekst veroordelen zonder dat dit een contradictie inhoudt.

Wat Breton echter niet doet, ook niet bij monde van zijn hypothetische surrealist, is het automatisch handelen als zodanig veroordelen. De morele waarde van het automatisch schrijven, als dat tenminste zuiver automatisch is, staat los van de inhoud of de effecten van de automatische tekst. Dat schrijven zelf onttrekt zich aan de gangbare moraal, is in dat opzicht amoreel en leidt tot wat Foucault omschreef als de ‘demoralisering’ van de literatuur. Het surrealistische project rust precies op de overtuiging dat wat amoreel is ten opzichte van de gangbare moraal eigenlijk, volgens een nieuwe, authentiekere moraal, ‘goed’ is. Het automatisme legt een mentale activiteit bloot die aan de traditionele moraal ontsnapt, maar die, als doel van het surrealisme, door de surrealist als ‘goed’ geaffirmeerd moet worden.

Hoewel het automatisme op het eerste gezicht in een moreel vacuüm beoefend wordt, is het voor Breton dus wel degelijk moreel geladen. Surrealisten die met andere (esthetische, morele of financiële) intenties werk produceren, kan hij daarom berispen of excommuniceren op morele gronden. Het is niet hier dat Bretons hypocrisie te situeren valt. Hij houdt consequent vast aan het ideaal van het automatisme, zelfs wanneer de donkere kanten ervan duidelijk worden. In het Second Manifeste du surréalisme omschrijft hij ‘de eenvoudigste surrealistische daad’ als ‘met getrokken pistolen de straat opgaan en lukraak in de massa schieten’.[8] Het bepalende woord is ‘lukraak’: zelfs de meest gewelddadige handelingen zijn in het surrealisme moreel verdedigbaar als ze voortkomen uit een zuivere impuls, die niet door bewuste intenties ingeperkt of geremd wordt. Zelfs zo’n extreme daad draagt ‘haar eigen legitimatie in zich’. De vraag is wel waarom Breton het nodig vindt om zo’n extreem gewelddadige actie als voorbeeld te nemen van de ‘meest simpele surrealistische daad’. In principe komt eender welke handeling in aanmerking. Een plausibele reden is dat er geen extern criterium voorhanden is om een surrealistische van een niet-surrealistische daad te onderscheiden. Al wat zonder intentie gedaan wordt, kan in theorie op identieke wijze intentioneel uitgevoerd worden. Zowel de intentie als de afwezigheid ervan blijven in de praktijk onzichtbaar.

Bretons poëzie kan dit illustreren. Het eerste gedicht uit de bundel Poisson soluble (1924), volgens Breton ‘zuiver automatisch’ geschreven, bevat bijvoorbeeld de volgende zin: ‘In de verte zie ik niet langer helder, het is alsof er zich een waterval geplaatst heeft tussen het theater van mijn leven en mezelf, die daarin niet de hoofdrol speelt.’[9] De beeldspraak is misschien niet klassiek of evident, maar welke dichter zou dit niet bewust en beredeneerd hebben kunnen schrijven? Het surrealisme dreigt hier onzichtbaar te worden: automatisme kan banale teksten, beelden en daden voortbrengen, zonder dat die banaliteit voor Breton afbreuk doet aan de intrinsieke waarde van het automatisme zelf. De differentie tussen automatisme en non-automatisme, cruciaal voor de identiteit van het surrealisme, toont zich enkel wanneer de automatische daad zo onvoorspelbaar, zo wars van conventie en gezond verstand is, dat er iets van die oorspronkelijke andersheid in doorschemert.

Het verklaart ook Bretons bezwaren tegen de alexandrijnen van Desnos. In de vroege jaren twintig was Breton uitermate enthousiast over Desnos’ experimenten met het automatisme, waarbij hij vanuit een halfslaap schreef, sprak en tekende. In het eerste Manifeste oordeelt Breton dat het Desnos is ‘die de surrealistische waarheid misschien het dichtst van allemaal heeft benaderd’.[10] Ongetwijfeld de bekendste zin die deze slaapexperimenten opleverden, is het (moeilijk vertaalbare) ‘le volubilis et je sais l’hypoténuse’, dat Breton enkele maanden later zou overnemen als titel van een automatisch gedicht, in de bundel Claire de terre. Deze frase, die breekt met veel poëtische en literaire conventies, is de literaire tegenhanger van de misdaad die Breton als de ‘meest simpele surrealistische daad’ naar voren schuift. Wanneer Desnos enkele jaren later weer ‘reguliere’ verzen gaat schrijven, dreigt hij de zichtbaarheid van de surrealistische inspiratie teniet te doen. Het schandaal van de vroege experimenten verdwijnt achter conventie.

Toch belet in principe niets dat het ‘echte denken’ zich in klassieke verzen zou uitdrukken. Waarom zou dat denken minder authentiek of vrij spreken in alexandrijnen? Breton, Aragon en Éluard hebben automatische sonnetten geschreven, en sommige verzen van Desnos die tijdens slaapsessies ontstonden zijn helemaal niet buitenissig.[11] Desnos diende Breton in 1930 van repliek, en in zijn zelfgeschreven toelichting bij de bundel Corps et biens schemeren duidelijk diens principes door:

‘Want is het geen bewijs van vrijheid om, in 1930, naar believen in alexandrijnen te kunnen schrijven?… Met dien verstande dat het alexandrijn erbij wint als het wat mishandeld wordt en dat, nu het vers vrij is, de alexandrijn slechts één verschijningsvorm van het vrije vers is. De ars poetica van Robert Desnos […] laat zich in twee woorden vatten: alles mag [Toutes licences].'[12]

Desnos toont dat hij goed begrijpt waar de zwakke plek van Bretons surrealisme te vinden is. Ook voor Breton ‘mag alles’, maar wel op voorwaarde dat het exclusief uit het onbewuste komt. Daarom neigt hij ernaar enkel de meest vernieuwende en uit de band springende voorbeelden van automatisme te aanvaarden en de facto een nieuwe censuur in te voeren.

Bretons nadruk op misdaad en transgressie – die bij heel wat medesurrealisten terug te vinden is – laat zich verklaren door het feit dat de surrealistische moraal enkel zichtbaar wordt door te breken met de gangbare moraal.[13] De surrealistische daad moet daarom de misdaad, dat wil zeggen de bewuste overtreding van de moraal van ‘eerbare burgers’, simuleren. De ware differentie tussen beide moralen blijft aan het zicht onttrokken, maar Breton kan zo vermijden dat het surrealisme onzichtbaar wordt.

Als de zichtbaarheid van het surrealisme afhangt van de mate waarin het breekt met wat gangbaar is, en als de surrealistische daad enkel als misdaad kan verschijnen, blijft Bretons ‘hermoralisering’ dan niet gebonden aan die oorspronkelijke moraal? Een misdaad is een misdaad omdat de moraal erdoor overtreden wordt; zonder wet geen criminaliteit. En riskeert de nieuwe moraal van het surrealisme, door zich met de transgressie te associëren, uiteindelijk geen ophemeling van het kwaad of een vorm van hedonisme te worden?

Breton was zich van dit risico bewust. Hij wou vermijden het ‘dictee van het denken’ te reduceren tot een excuus om hedonistische uitspattingen te legitimeren. Dit toont zich, bijvoorbeeld, in de twaalf groepsgesprekken over seksualiteit die de surrealisten tussen 1928 en 1932 organiseerden. In het tweede gesprek, waarvan een transcriptie in het elfde nummer van La Révolution surréaliste verscheen, spreekt Breton zich uit tegen het libertinisme, dat hij eigenlijk als hedonisme definieert:

Jacques Prévert: Breton, wat begrijpt u onder libertinisme?

André Breton: Genot omwille van het genot.

Raymond Queneau: Keurt u dat wel of niet goed?

André Breton: Ik keur het uitdrukkelijk af.[14]

Op het eerste gezicht is dit een klassiek voorbeeld van de hypocrisie waarvan Breton zo vaak is beschuldigd: terwijl hij in zijn boeken ijvert voor een bevrijding van de liefde, keurt hij de vrije liefde af. In de eerste van de twaalf groepsgesprekken pleit hij voor de sluiting van bordelen ‘omdat het plekken zijn waar voor alles betaald moet worden, en omdat zij mij doen denken aan gestichten en gevangenissen’.[15] Het toont een conservatief trekje van de bourgeoisjongen die Breton was, maar het libertinisme, het bewust nastreven van het genot om het genot, is ook een soort negatieve tegenhanger van Desnos’ reguliere verzen. Waar dergelijke poëzie de surrealistische daad dreigde te verhullen achter de conventie, daar doet het libertinisme hetzelfde met misdaad. Wie een bordeel bezoekt, breekt met de gangbare moraal, maar begaat net zomin een surrealistische daad als iemand die een traditioneel sonnet schrijft. Beide zijn niet per definitie onverzoenbaar met de surrealistische daad, maar dragen wel het risico in zich dat de eigenheid van het surrealisme onzichtbaar wordt.

Anders dan in de polemiek met Desnos, lijkt Breton deze keer de voor de hand liggende repliek wel voor te zijn geweest. In de transcriptie van het gesprek over libertinisme voegt Breton namelijk nog iets toe aan zijn categorieke afkeuring. Het libertinisme is verwerpelijk, ‘behalve waar het een zeer verheven idee van de liefde dient’.[16] Breton had hier wellicht De Sade in gedachten, een van de voornaamste goden in het surrealistische pantheon en de libertijn bij uitstek, die hij in een eerder gesprek een gelijkaardige uitzondering gunde:

Raymond Queneau: Ik stel vast dat er bij de surrealisten een eigenaardig vooroordeel over homoseksualiteit leeft.

André Breton: Ik beschuldig de homoseksuelen ervan de maatschappelijke tolerantie met een geestelijk en moreel tekort op te zadelen, dat gewoonte dreigt te worden en iedere door mij gerespecteerde onderneming verlamt. Ik maak een uitzondering voor de afwijkende opvatting (die haar weerga niet kent) van De Sade […].

Pierre Naville: Hoe rechtvaardigt u deze uitzonderingen?

André Breton: Omdat per slot van rekening, voor iemand als Markies de Sade alles geoorloofd is, voor hem is seksuele vrijheid een zaak van leven en dood.[17]

Het lijkt, opnieuw, hypocriet. Maar ook hier loont het de moeite om de onderliggende redenering naar de oppervlakte te brengen. Volgens de moraal van het surrealisme ‘mag alles’ zolang het spontaan voortkomt uit het onbewuste en er geen bewuste intentie mee gemoeid is. Het nieuwe, of andere, aan deze moraal toont zich echter enkel wanneer ze misdadig en apert breekt met de gangbare moraal. Het surrealisme kan daarom verward worden met een simpele omkering van die moraal, wat het radicaal andere perspectief van waaruit het surrealisme aan moraal wil doen aan het oog onttrekt. Breton verzet zich dus tegen libertijnse tendensen bij zijn medesurrealisten, die hij categoriek veroordeelt, maar met die veroordeling riskeert hij de gangbare moraal van de ‘eerbare burgers’ te herbevestigen. De functie van De Sade in de bovenstaande citaten is precies het vermijden van die herbevestiging. Het sadisme, zo impliceert Breton, is geen bewuste uitwerking van een ‘voorliefde voor het genot om het genot’, maar beantwoordt aan de diepste menselijke instincten, die De Sade niet laat inperken door de gangbare zeden en moraal. Voor Breton is de libertijn De Sade de uitzondering die de regel bevestigt.[18]

Breton, maar ook bijvoorbeeld Éluard, heeft dan ook vaak geprobeerd om het geweld van de Markies weg te moffelen of te saneren. Eerder dan de radicaal nieuwe goedheid van de surrealistische daad te affirmeren in de sadistische misdaad, neigen de surrealisten ernaar het schandaal van die misdaden te minimaliseren. Zo vindt Breton, in zijn Anthologie de l’humour noir (1940), het nodig om aan te geven dat ‘de misdaden die [De Sade] zijn eerste gevangenisstraffen opleverden véél minder afschuwelijk waren dan men beweert’.[19] Éluard schrijft zonder ironie dat De Sade ‘een systeem uitwerkte dat aan mensen van beide geslachten hun natuurlijke vrijheid teruggaf en een volwaardig gemeenschapsleven mogelijk maakte’.[20]

Het is moeilijk om in deze rechtvaardigingen (en verdraaiingen) iets anders te zien dan een knieval aan de moraal van de ‘eerbare burger’. Het surrealistische ideaal, geïncarneerd in De Sade, schuift subtiel maar onmiskenbaar op naar het goede van de gangbare moraal. Voor een man als De Sade mag dan ‘per definitie alles toegelaten zijn’, het zou een vergissing zijn te denken dat hij die absolute vrijheid gebruikt heeft om de gruwelijke misdaden te plegen waarmee zijn naam geassocieerd wordt. De Sade, zo lijken Breton en Éluard te suggereren, had au fond een goed hart, en zeker had hij het beste voor met zijn medemensen. Die goedheid is echter niet die van de nieuwe moraal van het surrealisme, die kan schitteren in de misdaad, maar van de oude moraal waartegen Breton zich zo verzet.

Het surrealisme blijft dus vatbaar voor het traditioneel goede. De oorzaak daarvan is het punt van waaruit Breton aan moraal doet. Dat punt valt namelijk niet samen met dat van de surrealistische daad. Anders geformuleerd: de moraal van het automatisme is geen automatische moraal. De surrealistische hermoralisering kan zichzelf niet gronden in de moraal die ze voorstaat: het morele oordeel dat de surrealistische daad ‘goed’ noemt omdat die daad onmiddellijk uit het onbewuste voortkomt, ondergraaft de eigen morele autoriteit met dat oordeel, dat zelf wel gegrond is in het bewuste denken. De surrealistische moralist staat daarom zelf altijd buiten het goede dat hij verdedigt.

Breton kan het automatisme moreel verdedigen, maar hij kan zich voor die verdediging niet op het automatisme beroepen. Dat maakt zijn positie precair, zoals die van de hypothetische surrealist in de voetnoot van het eerste manifest. Ook hij lijkt geen vaste grond te kunnen vinden in de surrealistische moraal. Hij verdedigt zijn onschuld: hij is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de gewraakte publicatie, en de automatische daad valt buiten het domein van schuld en verdienste. Zijn bewuste denken, zijn ‘ik’, was niet betrokken bij het schrijfproces, en kan dus niet aansprakelijk gesteld worden. Maar dat ‘ik’ ontsnapt daarmee niet aan de noodzaak om zich te verhouden tot het boek dat in zijn afwezigheid ontstaan is. En voor die verhouding zelf kan de surrealist zich niet op een nieuwe moraal beroepen, althans niet zonder meteen aan authenticiteit in te boeten. Om aan die schuld te ontkomen, keert de surrealist zich weer naar de oude moraal die de verhouding tot het automatisme wel stabiele grond kan bieden. En dus gaat hij uiteindelijk akkoord met de veroordeling van zijn boek.

Bretons hypocrisie, zijn afwisselend progressieve en conservatieve standpunten, zijn wispelturige gemoraliseer, zijn symptomen van eenzelfde probleem. Als surrealistische moralist moet hij zichzelf steeds weer buiten het goede van de eigen moraal plaatsen. Breton moet zijn morele oordelen vellen vanuit een positie die hij niet kan verdedigen, en die hem vatbaar maakt voor de legitimaties van de traditionele moraal. Bretons schijnheiligheid is dus altijd een onvermijdelijk gevolg van de moraal die hij in zijn teksten verdedigt – een moraal die zichzelf onmogelijk maakt.

 

Noten

1. André Breton, ‘Surrealistisch manifest’, in: Ferdinand Drijkoningen, Jan Fontijn, Mojmir Grygar (red.), Historische avantgarde. Programmatische teksten van het Italiaans Futurisme, het Russisch Futurisme, Dada, het Constructivisme, het Surrealisme en het Tsjechisch Poëtisme, Amsterdam, Huis aan de drie grachten, 1986 [1924], p. 303, vertaling Ferdinand Drijkoningen.

2. Louis Aragon, De boer van Parijs, Groningen, Historische uitgeverij, 1998 [1926], p. 118, vertaling Rokus Hofstede.

3. André Breton, ‘Manifeste du surréalisme’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988 [1924], p. 344.

4. Michel Foucault, ‘C’était un nageur entre deux mots’, in: Dits et écrits. Tome I: 1954-1969, Parijs, Gallimard, 1994 [1966], p. 556.

5. Gérard Legrand, André Breton en son temps, Parijs, Le Soleil noir, 1976, p. 139.

6. Op. cit. (noot 1), p. 291.

7. Op. cit. (noot 3), p. 344.

8. André Breton, ‘Tweede manifest van het surrealisme’, in: op. cit. (noot 1), p. 326, gewijzigde vertaling.

9. André Breton, Poisson soluble, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988 [1924], p. 351. De opmerking over het gedicht staat in een brief van Breton aan Jean Gaulmier, 21 januari 1958, geciteerd in: Ibid., p. 1365.

10. Op. cit. (noot 1), p. 305.

11. Gérald Prunelle, ‘Le vers régulier chez les surréalistes, dedans ou dehors?’, in: Formules, nr. 11, 2007, p. 18.

12. Robert Desnos, Oeuvres, Parijs, Gallimard, 1999, p. 589.

13. Voor een goed overzicht, zie: Jonathan P. Eburne, Surrealism and the Art of Crime, Ithaca, Cornell University Press, 2008.

14. Jose Pierré (red.), Seksuele obsessies. Surrealistische séances, 1928-1932, Utrecht, Uitgeverij IJzer, p. 65, vertaling René Sanders, Willem Desmense, Rhodé Bouter.

15. Ibid., p. 45.

16. Ibid., p. 213. Deze toevoeging werd om onduidelijke redenen uit de eerste publicatie weggelaten, maar bevindt zich wel in de oorspronkelijke transcriptie.

17. Ibid., p. 37.

18. Voor een recente bespreking van de receptie van De Sade in het surrealisme, zie: Alyce Mahon, The Marquis de Sade and the Avant-Garde, Princeton, Princeton University Press, 2020, pp. 88-123.

19. André Breton, Anthologie de l’humour noir, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992 [1940], p. 891.

20. Paul Éluard, ‘L’intelligence révolutionnaire. Le Marquis de Sade (1740-1814)’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1968 [1927], p. 809.

Een vruchtbaar misverstand: surrealisme en politiek engagement

Ze zijn even beroemd als berucht, de klappen die André Breton in juni 1935, een paar dagen voor het grote Parijse schrijverscongres ter verdediging van de cultuur, uitdeelde aan zijn Russische collega-schrijver Ilja Ehrenburg. Ze waren elkaar om tien uur ’s avonds op de Boulevard du Montparnasse tegen het lijf gelopen. Breton herinnerde zich later dat Ehrenburg maar bleef ‘onderhandelen’ (parlementer), zonder een poging te doen de slagen af te weren.

Waarom deze publieke tuchtiging? Een paar maanden eerder had Ehrenburg zich in een boek bijzonder negatief uitgelaten over de surrealisten, van wie Breton de voorman was. Zij mochten dan van Hegel, Marx en de Revolutie houden, aldus Ehrenburg, aan ‘werken’ hadden ze een broertje dood. Liever bestudeerden ze de ‘pederastie’ en de ‘dromen’. Ze leefden van een erfenis of van een bruidsschat, maar beschouwden vrouwen ook als ‘conformisme’, waar ze ‘een ander programma’ tegenoverstelden: ‘onanisme, pederastie, fetisjisme, exhibitionisme en zelfs sodomie…’ Zoveel beledigingen verdienden een passende repliek, vond Breton. Met de vuisten.[1]

Wat hij niet wist, was dat Ehrenburg behoorde tot de Russische delegatie op het schrijverscongres waar hij zelf aan zou deelnemen. Toen de Russen dreigden zich terug te trekken als Breton het woord mocht voeren, besloot de congresleiding, afkomstig uit de Association des Écrivains et Artistes Révolutionnaires (AEAR), een communistische mantelorganisatie, dat hij niet meer welkom was. Zijn medesurrealist René Crevel, betrokken bij de organisatie van het congres, belegde inderhaast in de Closerie des Lilas een bijeenkomst om de Russen op andere gedachten te brengen. Het bleek vergeefse moeite. Na afloop van het mislukte overleg opende Crevel thuis de gaskraan, zonder er een lucifer bij te houden. De volgende dag werd hij gevonden, bewusteloos. Hij overleed een aantal uren later in het ziekenhuis. Op een van de briefjes die hij achterliet, gericht aan een vriendin, schreef hij: ‘Pardon, maar ik had het gevoel gek te worden.’ Op het andere stond: ‘Gelieve mij te cremeren. Walging.’[2]

Geschokt door Crevels zelfmoord, volgens Breton de schuld van de halsstarrige Russen, stond men een andere surrealist, Paul Éluard, toe Bretons toespraak ’s avonds laat voor te lezen, op de laatste congresdag. Naar bleek: terwijl het publiek zijn jas al aantrok en de lichten werden gedoofd, want de zaal was maar tot middernacht afgehuurd. Wat een afgang. En het had nog zoveel moeite gekost om Breton op de sprekerslijst te krijgen, omdat de congresleiding slechts eensgezinde protesten tegen het fascisme wenste te horen, en Breton had aangekondigd ook het recente vriendschapsverdrag tussen Frankrijk en de Sovjet-Unie kritisch te zullen bespreken. Daarnaast vond hij dat het lot van de in Rusland gevangengezette schrijver Victor Serge niet mocht worden verzwegen. De perikelen werden de laatste stuiptrekkingen in de moeizame relatie tussen het surrealisme en de communistische partij, waarvan Breton en enkele andere surrealisten een tijdje lid waren geweest. Eenmaal uit de partij gestapt, hoopten zij nog steeds met de communisten te kunnen samenwerken tegen het oprukkende fascisme en voor de door hen ook in Frankrijk gewenste proletarische revolutie. Die hoop was na het schrijverscongres definitief de bodem ingeslagen.

 

Het leven veranderen          

Op de kop af tien jaar tevoren, in 1925, was hun toenadering tot het communisme begonnen. Frankrijk stond toen de Spanjaarden bij in Marokko, nadat in het Rifgebergte een opstand van Berberstammen was uitgebroken tegen het Spaanse koloniale gezag. Tegen deze Marokko-oorlog tekenden de surrealisten fel protest aan, evenals de Franse Communistische Partij (PCF) en het tegen het communisme aanleunende tijdschrift Clarté, in 1919 opgericht door Henri Barbusse, schrijver van de pacifistische bestseller Le feu uit 1916. Samen met onder anderen de redactie van Clarté ondertekenden de surrealisten op 15 juli 1925 een door Barbusse opgesteld ‘Appel aux travailleurs intellectuels’, dat later in de zomer werd gevolgd door een rabiaat antinationalistische verklaring, opnieuw samen met de Clarté-redactie (maar nu zonder Barbusse), ‘La Révolution d’abord et toujours!’, die op 21 september 1925 verscheen in de communistische partijkrant L’Humanité. Rond die tijd stonden de namen van de surrealisten ook onder diverse andere protesten in L’Humanité, tegen de vervolging van communisten in Polen, Roemenië en Hongarije. Met de redactieleden van Clarté groeide algauw een innige band, waarbij op zeker moment de vraag opkwam of het, gezien de ideologische overeenkomsten, niet zinvol zou zijn om zich aan te sluiten bij de communistische partij.

De keuze voor het communisme was niet zo vanzelfsprekend als zij misschien lijkt. In het recente verleden hadden de surrealisten zich met weinig eerbied over het Sovjet-communisme uitgelaten. In een pamflet uit oktober 1924, Un Cadavre, gericht tegen de zojuist gestorven schrijver Anatole France (die door de communisten zeer werd gewaardeerd), had Louis Aragon, samen met Breton surrealist van het eerste uur, het bijvoorbeeld over het ‘aftandse Moskou’ (‘Moscou la gâteuse’); een belediging die hij nog erger maakte door te bekennen, toen iemand hem ter verantwoording riep, dat hij over de Russische Revolutie ‘zijn schouders ophaalde’; meer dan een ‘vage ministeriële crisis’ was het niet geweest.[3] Nadien verontschuldigde hij zich in een brief aan Breton met het argument dat alle surrealisten ‘dwaasheden’ (âneries) over het communisme hadden geuit, zij het niet op schrift.[4] Dat was vast waar, van enige sympathie voor het marxisme is vóór 1925 niets te merken. Voor zover de surrealisten zich met politiek inlieten, ging hun sympathie uit naar de anarchistische revolte. ‘Ik plaats de geest van de revolte ver boven die van alle politiek,’ had Aragon als verklaring gegeven voor zijn anticommunistische boutade.[5]

De anarchistische rebellie was een reactie op de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog, ongetwijfeld sterk beïnvloed door de geest van dada, die na 1918 (toen Tristan Tzara, samen met Hugo Ball bedenker van dada, van Zürich naar Parijs verhuisde) zich een tijdlang ook van de toekomstige surrealisten meester maakte. Maar vage anarchistische sympathieën koesterde iemand als Breton ook al vóór de oorlog, overgenomen van bewonderde symbolistische dichters die in het fin de siècle met het anarchisme flirtten. Eveneens van invloed was de ‘anarchistische’ roman L’ennemi des lois (1893) van Maurice Barrès, die zijn latere nationalisme in 1922 moest bekopen met een schertsproces, georganiseerd door een teleurgestelde Breton en diens dadaïstische kameraden.[6] Nog in het eerste nummer van La Révolution surréaliste, in december 1924, stond een fotohommage aan Germaine Berton, een jonge anarchiste die een activist van de ultrarechtse Action Française had doodgeschoten.

De anarchistische ‘revolte’ kreeg bij de surrealisten geen duidelijke politieke vorm. Het was meer een algehele rebellie tegen de burgerlijke maatschappij en haar moraal, religie en instituties. De oorsprong ervan moet waarschijnlijk allereerst in de literatuur worden gezocht, want afkeer van de bourgeoisie was in Frankrijk vanouds een vast onderdeel van de romantische traditie waartoe de negentiende-eeuwse symbolisten behoorden en waarvan de surrealisten zichzelf beschouwden als de twintigste-eeuwse ‘staart’.[7]

Aan de andere kant vloeide de rebellie bijna automatisch voort uit het surrealistische programma, dat zoals bekend zijn belangrijkste impuls had ontvangen van Sigmund Freud en diens herwaardering van het onbewuste als zetel van alle menselijke driften. Voor Breton was het een verborgen schatkamer die een geheel andere relatie tot en kijk op de dingen mogelijk maakte, weg van de eenzijdigheid van de gangbare, door rede en logica gecontroleerde ‘werkelijkheid’. De mens had in aanleg zoveel meer mogelijkheden tot zijn beschikking, als hij die onbewuste bron van driften, begeerten, dromen, illusies en fantasieën wist aan te boren. De surrealisten geloofden dat dat kon, via het procedé van de écriture automatique, maar ook via hypnose, al dan niet geveinsde aanvallen van waanzin of de nadere studie van dromen. Meer van dit soort methoden vinden of bedenken werd een belangrijke taak, met als einddoel – zoals verwoord in het eerste Manifeste du surréalisme uit 1924 – ‘de toekomstige versmelting van deze beide ogenschijnlijk zo tegenstrijdige toestanden, droom en werkelijkheid, in een soort absolute realiteit, in een surrealiteit’.[8] De beste definitie staat in het Second Manifeste du surréalisme uit 1930, waar Breton eraan herinnert ‘dat het surrealistisch denken eenvoudigweg streeft naar een volledige herovering van onze psychische kracht met geen ander middel dan de duizelingwekkende afdaling in onszelf’.[9]

Zoveel roekeloze diepgang, waarvan het ‘absolute non-conformisme’ bepaald geen weerklank vond bij Freud en diens psychoanalyse, moest wel in botsing komen met de heersende zeden, wetten en regels.[10] Maar vooralsnog zonder politiek kader. Het ging er in eerste instantie ook niet zozeer om ‘iets te veranderen in de fysieke en uiterlijke orde der dingen’, als wel ‘een beweging te creëren in de geesten’.[11] Dat het de surrealisten niettemin ernst was, blijkt uit hun verwoede pogingen hun ‘bevrijdende’ inspanningen niet te laten opsluiten in het domein van de ‘kunst’ en de ‘literatuur’. In een Déclaration van 27 januari 1925 lezen we: ‘Wij hebben niets met literatuur te maken; maar wij zijn, als iedereen, zeer wel in staat er gebruik van te maken als dat nodig mocht zijn.’[12] Geen kunst, geen literatuur – hier sprak zonder twijfel de nihilistische antikunst van dada een woordje mee, al schrijft Breton ook een voorbeeld te hebben genomen aan de bizarre dandy Jacques Vaché, met wie hij tijdens de oorlog had kennisgemaakt: ‘Zonder hem was ik misschien een dichter geweest.’[13] Het parool van de surrealisten was niet: kunst maken, maar – ontleend aan Rimbaud – ‘het leven veranderen’ (‘changer la vie’). Het ging er niet om gedichten te schrijven, maar om ‘de poëzie in praktijk te brengen’ (‘pratiquer la poésie’).[14] Niet l’art pour l’art, maar een revolutionaire, alomvattende levenskunst was de inzet.

 

Een esthetische revolutie

Volgens Peter Bürger in zijn klassieke studie Theorie der Avantgarde (1974) wilden de zogenaamde ‘historische’ avant-gardebewegingen (waarvan het surrealisme er een was, naast onder andere het futurisme en het expressionisme) de autonome kunst weer terugvoeren in de ‘praktijk van het leven’ (Lebenspraxis).[15] Daarvan was de kunst vervreemd geraakt in het ‘estheticisme’ oftewel de l’art pour l’art-ideologie, die in de negentiende eeuw door zoveel romantici (inclusief de symbolisten) was omarmd, met als resultaat een heilloos isolement. Afkerig van de burgerlijke wereld sloten dichters en kunstenaars zich op in hun spreekwoordelijke ‘ivoren toren’, aldus ook hun mogelijke invloed op de samenleving belemmerend. De avant-garde brak hiermee, aldus Bürger, door zich op haar beurt tegen het ‘instituut’ kunst te keren en weer de ruimte van het volle leven op te zoeken.

Dat laatste gaat zeker op voor de surrealisten, die de kunst niet als ‘vluchtplaats’ (refuge) wensten te gebruiken, maar hoogstens als startpunt voor een ‘geestelijke revolutie’. Daarbij braken zij, in principe althans, ook met het individuele kunstenaarschap door een uitspraak van hun held Lautréamont te omarmen: ‘De poëzie moet door allen worden gemaakt. Niet door één.’[16] Dat was mogelijk omdat het onbewuste, als bron van alle creativiteit, aanwezig was bij iedereen. Of zoals het in een surrealistische leuze heet: ‘Het surrealisme ligt binnen het bereik van alle onbewusten.’[17] In potentie was iedereen een dichter of kunstenaar, ook al wist men het zelf niet en ook al mocht het eigenlijk zo niet meer heten. Dat de surrealisten, ondanks hun afwijzing van alle ‘kunst’ en ‘literatuur’, nog wel als onderscheiden kunstenaars en dichters opereerden, liet zich begrijpen en rechtvaardigen doordat de beoogde ‘geestelijke revolutie’ nog moest plaatsvinden. Met hun ‘onderzoek’ en hun ‘experimenten’ (die in kunstwerken en gedichten hun neerslag vonden) deden zij voor hoe het moest. Zo bewezen zij dat een ontketening van onbewuste creativiteit inderdaad een nieuwe – surrealistische – werkelijkheid kon voortbrengen. Het surrealisme bevindt zich nu nog ‘in een voorbereidende fase’, schrijft Breton in het Second Manifeste du surréalisme, maar tegelijkertijd ziet hij ‘het einde daarvan naderen en dan zullen de schokkende denkbeelden die het surrealisme in zich draagt, met donderend lawaai uit de diepten breken en zich een vrije weg banen’.[18]

Deze voor de avant-garde (letterlijk: voorhoede) karakteristieke houding komen we al tegen bij de vroege Duitse romantici, die bij monde van Novalis al voor de andere naties werkten aan een ‘nieuwe geschiedenis’ en een ‘nieuwe mensheid’.[19] Ook de gedachte dat in iedereen een ‘kunstenaar’ school, leefde al bij hen, evenals de overtuiging dat de poëzie overal was, als hét creatieve element dat alles – mens en wereld – deed ontstaan en bij elkaar hield. Dankzij het verbijsterende fenomeen van de Franse Revolutie waren zij er bovendien van overtuigd dat alles in principe mogelijk was, met deze restrictie dat het na de ontsporing van de revolutie in de Terreur van Robespierre de kunst zou zijn die de revolutionaire idealen moest verwezenlijken, in een eigen – esthetische – revolutie. Je zou dit de geboorte kunnen noemen van het ‘engagement’ in de moderne, romantische kunst, ook al werd het toen nog niet zo genoemd.[20]

Als zodanig was dit engagement een antwoord op de prangende vraag na het ‘autonoom’ worden van de kunst (in het denken van Moritz, Kant, Schiller, Goethe en de Frühromantik), waartoe een dergelijke autonome, onafhankelijke, zelfs provocerend met het ‘nutteloze’ geassocieerde kunst eigenlijk diende. Friedrich Schiller kwam in zijn brieven over de ‘esthetische opvoeding’ (1795) met een invloedrijk antwoord: omdat de kunst door haar autonomie of ‘immuniteit’ niet helemaal tot haar eigen tijd behoorde, was zij in staat de kwalen daarvan – als het ware van buitenaf – te helen. De heilzaamheid van haar engagement ontleende de kunst dus uitgerekend aan haar autonomie. Geen engagement zonder autonomie! Het was een ingenieuze oplossing voor de ogenschijnlijk permanente identiteitscrisis, waarin de autonoom geworden kunst dreigde te verzinken. Kunst diende om de wereld te redden.

Helaas blijft het – tot vandaag – een pijnlijke vraag of de wereld zich wel door de kunst wil laten redden. Ook daarop kwam de kunst met een antwoord, dat de vorm kreeg van l’art pour l’art, voor het eerst als samenhangende doctrine geformuleerd door de Franse dichter Théophile Gautier in het voorwoord bij zijn roman Mademoiselle de Maupin (1835).[21] Met spot en teleurstelling (over de ook met veel poëtische verwachtingen belaste Revolutie van 1830) wijst Gautier elk maatschappelijk of moreel engagement van de hand – niet alleen uitgedaagd door de triomferende bourgeoisie, maar ook door haar tegenstander, het ‘socialistische’ saint-simonisme, die de romantische kunst had opgeroepen om als een ‘avant-garde’ de mensheid naar een betere, rechtvaardiger toekomst te leiden. Het was voor het eerst dat de begrippen ‘l’art pour l’art’ en ‘avant-garde’ in het esthetische discours opdoken, vrijwel gelijktijdig en meteen als tegenpolen.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw herhaalde dit zich, zij het nu omgekeerd. L’art pour l’art zette zich niet meer af tegen de avant-garde (zoals bij Gautier en nadien ook bij Baudelaire, die het begrip vond smaken naar kazernetucht en conformisme), het was juist de avant-garde die elke associatie met l’art pour l’art probeerde af te schudden.[22] Ditmaal waren het ook niet de ‘socialisten’ die de kunstenaars opriepen om zich met hun progressieve politiek te engageren, maar de kunstenaars, in casu de surrealisten, die hun engagement aanboden aan de socialisten, in casu de communisten, terwijl die daarin vooral een verkapte vorm van l’art pour l’art bleven zien.

 

Buiten of binnen de partij?

Waarom zochten de surrealisten uitgerekend hun heil bij de communisten, die toch niet bekendstonden als vrienden van het anarchisme waarmee de surrealisten tot dan toe hadden gesympathiseerd, hoe vaag en apolitiek ook? Het antwoord laat zich raden. Wilden de surrealisten ernst maken met hun bevrijding van de geest voor iedereen, dan moest hun revolte veranderen in een echte revolutie en moest zij van individueel massaal worden. Waar was in de vroege twintigste eeuw in Europa een revolutionaire beweging te vinden die een massa-aanhang kon claimen? Alleen het communisme kwam in aanmerking. Het had de ‘organisatie’ waar, zoals Breton toegaf, het surrealisme niets tegenover kon zetten.[23] En het had zich in Rusland bewezen, door daadwerkelijk een fundamentele regimewisseling te bewerkstelligen. Om de voorgenomen revolutie te ‘realiseren’, meende het surrealisme niet om het communisme heen te kunnen.

Zo begon een tien jaar lange worsteling van de surrealisten met de communistische partij. Het werd in veel opzichten een lijdensweg, en dan vooral om één reden: in zijn politieke engagement was het surrealisme niet bereid de eigen surrealistische, geestelijke of spirituele ‘revolutie’ op te geven, iets wat de communisten nooit hebben willen accepteren. Voor de surrealisten betekende dat een permanent laveren tussen Scylla en Charybdis: zij wilden niet terugglijden in de ‘kunst’ en de ‘literatuur’ om daar esthetisch en museaal te vegeteren, én zij wensten zich niet te laten opslokken door de partij, die geen behoefte had aan een surrealistisch ‘avontuur’, maar slechts aan partijgetrouwe propaganda. De surrealisten waren zich maar al te bewust van het gevaar van dat laatste. Vandaar dat zij aanvankelijk besloten wel voor het communisme te kiezen, maar buiten de partij te blijven.

Op deze manier hoopten zij de partij beter te kunnen ‘domineren’. Het surrealisme vertegenwoordigde in hun ogen een eigen ‘kracht’, net zoals de surrealistische poëzie als zodanig een ‘revolutionair’ potentieel bezat, los van enige expliciete boodschap, ‘als zij vormen en manieren van denken in het spel brengt die absoluut niet overeenstemmen met die welke zijn toegelaten in het domein van de esthetiek en de logica’. De surrealistische ‘kunst’ en de communistische politiek voerden een ‘parallelle actie’, maar wel ‘gescheiden’ (séparément).[24] Je zou kunnen zeggen: de surrealisten hielden zich verre van l’art pour l’art, maar konden zich niet onttrekken aan de autonomie die aan de basis ligt van de nog altijd actuele moderne, romantische opvatting van kunst en literatuur – in weerwil van het feit dat zij zich niet langer met ‘kunst’ en ‘literatuur’ wensten te identificeren. Deze paradox vormt in zekere zin de sleutel tot hun specifieke engagement.

Een en ander veranderde niet wezenlijk toen zij eind 1926, begin 1927 besloten alsnog lid te worden van de PCF, zij het niet als groep maar individueel.[25] Dat gebeurde mede onder druk van een pamflet (La Révolution et les intellectuels) van geestverwant Pierre Naville, die hen voor het dilemma stelde: hetzij te ‘volharden in een negatieve houding van anarchistische aard’, hetzij zich ‘resoluut te engageren op de revolutionaire weg, de enige revolutionaire weg: de marxistische weg’.[26] In zijn brochure Légitime défense (september 1926) verweerde Breton zich, onder meer door de tegenstelling tussen de ‘interne realiteit’ (van het surrealistische avontuur) en de ‘wereld der feiten’ (de sociale revolutie van het communisme) te ontkennen. Beide dienden volgens hem hetzelfde doel (de bevrijding, zowel innerlijk als uiterlijk, van de mens) en ooit zouden ze samenvloeien, maar voorlopig niet.[27] De zelfverzekerdheid was de facto toch minder groot, want een paar maanden na zijn ‘gerechtvaardigde verdediging’ meldde Breton zich bij de PCF, waar hij eind januari 1927 als lid werd aangenomen, na een reeks vernederende en bij voorkeur op een zo vroeg mogelijk tijdstip gehouden ondervragingen (‘politieverhoren’) door partijfunctionarissen. Tegelijk met hem werden ook Aragon, Éluard en Pierre Unik lid, terwijl Benjamin Péret dat al een paar maanden eerder was geworden.

 

In de partij

Nu begon de lijdensweg pas goed. Het verhaal is vaak verteld, dus het hoeft hier niet in alle details te worden herhaald.[28] Dat de surrealisten met hun bohemien levensstijl niet thuishoorden bij de communistische arbeiders, ondervond Breton meteen al in de ‘cel’ waarbij hij was ingedeeld. Hij zat er tussen arbeiders van een gasfabriek, die hem het leven zuur maakten. Toen ze hem opdroegen een rapport te vervaardigen over de gasfabricage in Italië, op basis van statistisch materiaal, was de maat vol.[29] Hij bezocht de bijeenkomsten van zijn ‘cel’ niet meer en na een jaar verzuimde hij zijn partijlidmaatschap te verlengen. Dat maakte echter niet eens zoveel verschil, omdat Breton en de andere surrealisten de samenwerking met de PCF niet verbraken.

Het patroon bleef grotendeels hetzelfde. De surrealisten betuigden hun trouw aan de proletarische revolutie en het historisch materialisme, maar dan stond er weer iets wat de partijleiding niet zinde in hun tijdschrift (dat sinds 1930, om de goede wil te tonen, niet meer La Révolution surréaliste heette, maar Le Surréalisme au service de la révolution) en had je de poppen aan het dansen. Iemand hoefde maar kritiek te leveren dan wel erotisch uit zijn slof te schieten (Ferdinand Alquié die het had over de ‘wind van systematische afstomping die waait uit de Sovjet-Unie’, Salvador Dalí die een in preutse communistische ogen ‘pornografische’ tekst had afgescheiden), of de surrealisten die wel nog partijlid waren werden ter verantwoording geroepen en moesten zich van de gewraakte passages distantiëren. Steeds bleek de vrijmoedigheid die de surrealisten zich permitteerden bij het najagen van hun eigen ‘revolutie’ onacceptabel.

Dat wil niet zeggen dat alles bij voorbaat vastlag. De jaren van het surrealistische engagement waren jaren van grote veranderingen in de Sovjet-Unie en de PCF. In het bijzonder de culturele koers lag niet vast en wisselde een paar keer. De surrealisten maakten daarvan gebruik door het surrealisme naar voren te schuiven als dé revolutionaire kunstrichting – tevergeefs, want meestal gaf de partijleiding de voorkeur aan de veel bravere Henri Barbusse, inmiddels hun grootste concurrent, die in 1926 was benoemd tot chef literatuur van L’Humanité. De vaak ongenadige aanvallen op hem zetten dan weer veel kwaad bloed. Ook moesten de surrealisten niets hebben van het idee van een ‘proletarische literatuur’, dat een tijdlang favoriet leek te zijn in Moskou, totdat het in 1934 werd ingeruild voor het ‘socialistisch realisme’. Het surrealisme was met geen van beide richtingen te verenigen.

In 1935 ontkwam Breton niet aan de ironische conclusie dat de PCF niet van avant-gardekunst hield, terwijl nota bene de hoofdredacteur van het gelijknamige blad van de reactionaire Action Française (Léon Daudet) Picasso aanprees als ‘de grootste levende schilder’.[30] Ter verdediging van de communisten kan worden aangevoerd dat het de surrealisten op dit punt niet aan dubbelzinnigheid ontbrak: enerzijds presenteerden ze zich als extreemlinkse radicalen, anderzijds opereerden ze als avant-gardekunstenaars in een Parijse monde van snobs en estheten, die met name de surrealistische schilders hooglijk waardeerden – onder de surrealisten niet toevallig degenen met de minste neiging zich met politiek in te laten. Het verwijt van burgerlijke ‘decadentie’ aan hun adres was daarom niet helemaal uit de lucht gegrepen. Tegelijkertijd was het zo, aldus een klagende Breton in een brief aan Éluard, dat het mondaine publiek het steeds meer liet afweten naarmate de politiek een grotere plaats innam in het surrealisme, met als gevolg steeds minder abonnees en toenemend geldgebrek.[31]

Het communistische engagement had ook tot grote interne conflicten geleid, die het surrealisme verzwakten. In elk geval numeriek, aangezien een aantal surrealisten die niets voor het communisme voelden, zoals Antonin Artaud, Robert Desnos, Joan Miró en Philippe Soupault, de club ontvielen, gedwongen dan wel uit eigen beweging. Het is bijna pijnlijk (maar ook verhelderend) om te lezen hoe de surrealisten elkaar aan een publiek gewetensonderzoek onderwierpen en de maat namen. Een enkele keer met onbedoeld komisch resultaat, zoals wanneer Breton iemand die in L’Humanité over sport schrijft de les leest: ‘Alles wat sportief is, is contrarevolutionair.’[32] Aan de andere kant verloor het surrealisme ook leden aan het communisme. Aragon brak in 1932 met Breton na een uiterst complexe ‘affaire’ naar aanleiding van zijn door de Franse justitie vervolgde pro-Sovjetgedicht ‘Front Rouge’. In 1938, jaren na het zo fataal verlopen schrijverscongres, deserteerde Éluard, om vervolgens de lofdichter van Stalin te worden. Met Aragon en Éluard raakte Breton zijn twee beste vrienden en steunpilaren kwijt. Dalí bleek op den duur niet te handhaven binnen het linkse surrealisme vanwege zijn provocerende opmerkingen pro Hitler en pro Franco. Dat de zelfmoord van René Crevel eveneens een gevoelig verlies betekende, dat in elk geval gedeeltelijk voor rekening van het (mislukte) engagement kwam, behoeft geen betoog.

 

Engagement na het communisme

Het lijkt bijgevolg een wonder dat het surrealisme (in de persoon van Breton) het engagement met het communisme zo lang heeft volgehouden. Waarom was hij er niet al veel eerder mee opgehouden? Er bestond eenvoudigweg geen serieus revolutionair alternatief dat aan de extreem radicale verlangens van de surrealisten voldeed. Daarbij komt dat Breton en de zijnen het bolsjewisme (dat zij hadden leren kennen via Trotski’s ‘menselijke’ boek over Lenin) in hoge mate idealiseerden, zonder oog te hebben voor de schaduwzijden van het Sovjetregime. Ook duurde het lang voordat zij de ware aard doorgrondden van Stalin, die juist in de jaren van hun engagement in Moskou aan de macht kwam. Zolang zij nog hoop koesterden op erkenning door de PCF, was het bovendien niet opportuun overdreven kritisch te zijn, al konden zij het zelden laten concurrerende communisten of fellow travellers als Barbusse grof op hun nummer te zetten.

Pas na het schrijverscongres van juni 1935 erkende Breton openlijk iets van de grimmige werkelijkheid van het Russische arbeidersparadijs. Niet dat het tot een veroordeling kwam van de terreur, die al onder Lenin en Trotski was begonnen – met uitzondering van de showprocessen in de jaren dertig, waar hij zich wél over uitliet. Wat hem vooral dwarszat, was het verraad aan de revolutie dat hij meende te bespeuren: de rehabilitatie van het ‘vaderland’, onder andere blijkend uit het Frans-Russische verdrag van mei 1935, toen Stalin steun beloofde aan de Franse nationale defensie (Breton had er in zijn bijdrage aan het schrijverscongres tegen tekeer willen gaan), de persoonsverheerlijking van de leider en de nieuwe cultus van ‘gezin’ en ‘ouders’ in de Sovjet-Unie. Wat zou er nog volgen, vroeg Breton zich af in zijn afrekening met het communistische engagement, Du temps que les surréalistes avaient raison uit augustus 1935. Misschien een herstel van de ‘religie’ en – ‘waarom niet’ – van het ‘privé-eigendom’, zodat het ‘gedaan zal zijn met de mooiste veroveringen van het socialisme’?[33]

Gespaard bleef vooralsnog het historisch materialisme, waarvan Breton tegen alle redelijkheid in volhield dat het niet in strijd was met de ‘geestelijke’ revolutie van het surrealisme. De misstanden van het stalinisme ging hij ook bij voorkeur te lijf met citaten van Marx en Engels, en zelfs van Lenin. Zo werd hij een vroege bestrijder van het totalitarisme – een van de redenen waarom Éluard met hem brak, want het totalitarisme stelde Stalin-Rusland op één lijn met Hitler-Duitsland en Mussolini-Italië.[34] Terwijl links Frankrijk zich verzoende met het communisme onder de Volksfront-regering van de sociaaldemocraat Léon Blum, mogelijk gemaakt door een nieuwe koerswijziging in Moskou, volhardde Breton in een antitotalitair, ultralinks extremisme. Het was dus bepaald niet zo dat hij zich na zijn afscheid van het Sovjet-communisme terugtrok in een verbitterd l’art pour l’art, zoals eerdere romantici dat hadden gedaan.

Met zijn vroegere vijand Georges Bataille richtte hij eind 1935 de antifascistische ‘strijdgroep’ Contre-Attaque op, hij steunde de Republiek tegen Franco tijdens de Spaanse Burgeroorlog, met de verbannen Trotski (die hij in 1938 opzocht in Mexico) schreef hij een pleidooi voor een ‘onafhankelijke revolutionaire kunst’, de Résistance liep hij mis aangezien hij de Tweede Wereldoorlog in Amerika doorbracht, maar na de oorlog sympathiseerde hij met de nu vergeten ‘wereldburger’ Gary Davis en al die tijd werkte hij in meer of mindere mate samen met diverse anarchistische groepjes en tijdschriften, die echter geen van alle het politieke gewicht hadden van de PCF.

 

Lyrisch element

Rest nog een ander motief: Breton bleef zich hoopvol vastklampen aan de PCF om koste wat het kost een terugval in louter ‘kunst’ of ‘literatuur’ te voorkomen.[35] Daarbij ging het niet zozeer om de politiek als wel om de specifieke missie die Breton het surrealisme toeschreef en die de creatieve duik in het onbewuste van een duidelijker omschreven maatschappelijke dimensie voorzag. In een lezing op 1 juni 1934 in Brussel gaat Breton er nader op in. De ‘psychologische en sociale structuur van de menselijke samenleving’, zo houdt hij zijn toehoorders voor, wordt voor een deel bepaald door een ‘lyrisch element’, dat van oudsher de zaak is geweest van ‘specialisten’ (lees: van dichters en kunstenaars).[36] Zij brengen met hun ‘poëzie’ de bezieling en de cohesie in de samenleving. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven, zegt Breton, die in een andere lezing van een klein jaar later dat ‘lyrische element’ nader identificeert als een ‘collectieve mythe’.[37] In de huidige wereld, getekend door een hevige klassenstrijd, moet het surrealisme dit ‘spirituele erfgoed’ bewaren en voortzetten. De surrealisten doen dat ook, aldus Breton, zij het niet als ‘kunstenaars’ of ‘literaten’, maar als ‘chemici en diverse andere soorten technici’.[38]

Alleen die ‘technici’ zijn niet vintage romantiek, ze verwijzen misschien naar Stalins benaming voor schrijvers als ‘ingenieurs van de ziel’. Maar voor de rest benadrukken deze ideeën nog eens, wellicht ten overvloede, hoezeer het surrealisme zich laat situeren binnen de langere romantische traditie. Een situering die ook enige relativerende afstand mogelijk maakt, na de concentratie op het communistische engagement. Daardoor kunnen dat engagement en de hardnekkigheid waarmee Breton altijd óók is blijven vasthouden aan de onafhankelijkheid van het specifiek surrealistische ‘avontuur’ een iets breder en dieper reliëf krijgen.

Het is namelijk niet zo dat het communisme, zelfs in zijn meest volmaakte realisering, bij Breton het laatste woord krijgt, al lijkt het daar soms wel op. Breton besefte ook dat de klasseloze maatschappij geen ‘panacee’ was en dat de ‘triomf van het communisme’ niet alle problemen kon oplossen. Sommige problemen waren misschien onoplosbaar: ‘Is de mens niet onontkoombaar een vijand voor de mens, zal de verveling niet pas eindigen met de wereld, is alle verzekering op het leven en de eer niet ijdel, etc?’[39] Ten onrechte gingen de communisten ervan uit dat het ‘morele kwaad’ (‘mal moral’) van de westerse wereld met materiële middelen kon worden geheeld. Volgens Breton was dit meer een taak voor het surrealisme.[40] Het surrealisme dat zich, zoals hij nadien zou betogen, eerder bezighield met de ‘condition humaine’ dan met de ‘condition sociale’.[41]

Hoewel het zelden sterk wordt benadrukt, veronderstelt het surrealisme een fundamentele ‘wanhoop’ in de mens, een gevolg van de ‘absurde’ constructie van de wereld, iets wat in het optimistische communisme volstrekt ontbreekt. ‘Leven’, schrijft Breton in 1923, is ‘de manier waarop [het individu] de onacceptabele menselijke conditie lijkt te hebben geaccepteerd.’[42] De surrealisten zijn ‘geen pessimisten’, heet het in dezelfde tekst, althans dat willen ze niet zijn, maar onder hun activistische ijver schemert vaak iets desperaats, iets wat even voluit zichtbaar wordt in hun soms excessieve gewelddadigheid, bijvoorbeeld wanneer Breton – in een beruchte passage uit het Second Manifeste du surréalisme – de ‘eenvoudigste surrealistische daad’ omschrijft als ‘met getrokken pistolen de straat op gaan en lukraak in de massa schieten’.[43] Iets dergelijks zul je zonder ideologisch alibi niet snel uit een communistische mond vernemen. Het tekent het fundamentele, in wezen onoverbrugbare verschil tussen het surrealisme en het communisme waarmee het zich met alle geweld wilde engageren, mede om een sluimerende existentiële wanhoop – die aan de door surrealisten geliefde poètes maudits herinnert – te bezweren.

 

Creatieve energie

Heeft het surrealisme zichzelf ook inhoudelijk ernstige schade berokkend door dit engagement desondanks zo lang na te jagen? Als beweging mag het surrealisme door het politieke engagement zijn versplinterd, als idee is het onaangetast gebleven, omdat het altijd los heeft gestaan (‘parallel’ doch ‘gescheiden’) van dat politieke engagement. Zelfs door de meeste dissidenten werd het, op hun manier, voortgezet. Het gaat om een au fond individueel avontuur, met weliswaar een collectieve intentie, maar iedereen moest de ‘volledige herovering van onze psychische kracht’ via de ‘duizelingwekkende afdaling in onszelf’ eerst zelf opknappen. De bedoeling was alle onbenutte mogelijkheden van de geest te actualiseren, teneinde een maximale werkelijkheidservaring tot stand te brengen. Een overvolle, intense, door en door tegenstrijdige mix van percepties, dromen, illusies, wanen, begeerten, perversies en fantasieën: daar komt de gewenste wonderbaarlijke surréalité, hét einddoel van alle surrealistische inspanningen, op neer.

De grote vraag is dan: is er überhaupt een politieke orde denkbaar, laat staan bestaanbaar, die daaraan kan beantwoorden? Misschien is de enige plek waar zoveel eenheid kan samengaan met zoveel tegenstrijdige verscheidenheid, de plek waar Breton en zijn surrealisten juist ver vandaan wilden blijven: het vermaledijde domein van kunst en literatuur, waar alle menselijke ervaringen, affecten, illusies, fantasieën en verlangens welkom zijn, naast en tegenover elkaar. En misschien heeft Breton dit diep in zijn hart altijd geweten en verklaart dát de bijna krampachtige hardnekkigheid waarmee hij aan zijn engagement met het communisme heeft vastgehouden, tegen beter weten in. Het verklaart ook zijn manifeste onwil om het eigen surrealistische avontuur ervoor op te geven.

Dat laatste was uiteraard volkomen terecht. Daarbij komt, zoals Breton achteraf heeft benadrukt, dat de periode van de worsteling met het communisme buitengewoon productief is geweest voor de surrealisten. In zijn Entretiens uit 1952 somt hij een indrukwekkende reeks titels op, verschenen tussen 1926 en 1929: Aragons Le Paysan de Paris en Traité du style, Artauds Pèse-nerfs, Crevels L’Esprit contre la raison, Desnos’ Deuil pour deuil en La Liberté ou l’amour, Éluards Capital de la douleur en L’Amour la poésie, Max Ernsts La Femme 100 têtes, Pérets Le grand jeu en zijn eigen Nadja en Le Surréalisme et la peinture, nog afgezien van de vele surrealistische schilderijen van Arp, Ernst, Masson, Miró, Man Ray, Tanguy en Dalí.[44] Voor de volle tien jaar van het engagement kan de lijst nog aanzienlijk worden uitgebreid.

In zijn brieven aan Éluard komen we soms een ontmoedigde, terneergeslagen Breton tegen, klagend over chronisch geldgebrek en taaie tegenwerking. Op zeker moment schrijft hij: ‘Ik houd niet meer van de poëzie, ik houd niet meer van de Revolutie, ik houd alleen nog van de liefde…’[45] Maar na zo’n depressieve brief moedigde Éluard (gesteund door Crevel, die samen met hem in Davos aan het kuren was tegen tuberculose) Breton aan de kont nog eens extra tegen de krib te gooien en het volgende nummer van Le Surréalisme au service de la révolution ‘zéér surrealistisch, en meer dan ooit’ te maken.[46] In werkelijkheid moet de energie vaker wel dan niet aanwezig zijn geweest, getuige alle literaire en artistieke productiviteit. Ook kwam er steeds meer succes en internationale erkenning voor met name de surrealistische schilders, Dalí (door Breton met een anagram ‘Avida Dollars’ genoemd) voorop. Misschien heeft het politieke engagement de creativiteit eerder bevorderd, juist omdat de resultaten bij de communisten nauwelijks gehoor vonden. Voor zover het engagement berustte op een gigantisch misverstand, is het buitengewoon vruchtbaar gebleken.

Welbeschouwd geldt hetzelfde voor het gehele romantische engagement, dat ontstond uit een verlangen naar zelfrechtvaardiging van de autonoom geworden kunst. Het misverstand schuilt in de aanname dat kunst of poëzie in staat is de wereld te redden, van welk gevaar of welke ondergang dan ook. Ook dat misverstand, inclusief de teleurgestelde reactie erop in de vorm van l’art pour l’art, heeft een ongehoorde creatieve energie losgemaakt, die de kunst- en literatuurgeschiedenis sinds de romantiek nog altijd zo opwindend maakt. Het surrealistische politieke engagement, mede dankzij de exemplarische kwaliteit ervan, vormt daarin niet het minst opwindende hoofdstuk.

 

Noten

1. André Breton, Entretiens, in: Oeuvres complètes. Tome III, Parijs, Gallimard, 1999, pp. 541-542. Over het incident, evenals over het surrealistische engagement, is overvloedig geschreven. Ik heb veel geleerd van Carole Reynaud Paligot, Parcours politique des surréalistes 1919-1969, Parijs, CNRS Éditions, 2010 [2001]. Informatief is Helena Lewis, The Politics of Surrealism, New York, Paragon House Publishers, 1988. Onmisbaar blijft Maurice Nadeau, Histoire du surréalisme, Parijs, Éditions du Seuil, 1964 [1945]. Nuttige, handzame hoofdstukken over het surrealistisch engagement, over het schrijverscongres en nog veel meer, zijn te vinden in: Michel Winock, Le siècle des intellectuels, Parijs, Éditions du Seuil, 1997. Nederlandse vertalingen van enkele surrealistische documenten, waaronder grote delen van de beide manifesten, werden gepubliceerd in: Ferdinand Drijkoningen, Jan Fontijn, Mojmir Grygar (red.), Historische avantgarde. Programmatische teksten van het Italiaans Futurisme, het Russisch Futurisme, Dada, het Constructivisme, het Surrealisme en het Tsjechisch Poëtisme, Amsterdam, Huis aan de drie grachten, 1986.

2. François Buot, Crevel, Parijs, Grasset, 1991, p. 420.

3. José Pierre (red.), Tracts surréalistes et declarations collectives. Tome 1, 1922-1939, Parijs, Le terrain vague, 1980, pp. 19-26; Louis Aragon, Chroniques I, 1918-1932, Parijs, Stock, 1998, p. 227.

4. Louis Aragon, Lettres à André Breton 1918-1931, Parijs, Gallimard, 2011, pp. 354-355.

5. Aragon, op. cit. (noot 3), p. 227.

6. Zie over dit proces: hoofdstuk 14 van Michel Sanouillet, Dada à Paris, Parijs, Flammarion, 1993; Arnold Heumakers, Langs de afgrond. Het nut van foute denkers, Amsterdam, Boom, 2020, pp. 29-30.

7.  André Breton, ‘Second Manifeste du surréalisme’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988, p. 803.

8. André Breton, ‘Manifeste du surréalisme’, in: Ibid., p. 319.

9. André Breton, op. cit. (noot 7), p. 791.

10. Freud begreep niet goed wat het surrealisme precies wilde, zoals hij bekende in een korte briefwisseling met Breton in december 1932. Als appendix toegevoegd aan Breton, ‘Les Vases communicants’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992, p. 213.

11. Paule Thévenin (red.), Archives du surréalisme I, Bureau des recherches surréalistes, Cahier de la permanence octobre 1924-avril 1925, Parijs, Gallimard, 1988, p. 123.

12. ‘Déclaration du 25 janvier 1925’, in: José Pierre (red.), Tracts surréalistes et declarations collectives. Tome 1, 1922-1939, Parijs, Le terrain vague, 1980, p. 34.

13. André Breton, ‘Confession dédaigneuse’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, p. 194.

14. André Breton, op. cit. (noot 8), p. 322.

15. Peter Bürger, Theorie der Avantgarde, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 1974, p. 44.

16. Lautréamont, Poésies II, in: Oeuvres complètes, Parijs, Le livre de poche, 1963, p. 364.

17. José Pierre (red.), Tracts surréalistes et declarations collectives. Tome 1, 1922-1939, Parijs, Le terrain vague, 1980, p. 32.

18. André Breton, op. cit. (noot 7), p. 820.

19. Novalis, ‘Die Christenheit oder Europa’, in: Schriften III, Stuttgart, W. Kohlhammer Verlag, 1968, p. 519.

20. Zie het derde deel van Arnold Heumakers, De esthetische revolutie. Hoe Verlichting en Romantiek de kunst uitvonden, Amsterdam, Boom, 2015.

21. Zie Arnold Heumakers, ‘Eldorado met en zonder vensters. Théophile Gautier en de dubbele agenda van l’art pour l’art’, in: Tirade, nr. 435 en 436, 2012. Online: arnoldheumakers.nl.

22. Charles Baudelaire, ‘Mon coeur mis à nu’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1975, p. 691.

23. André Breton, ‘Au grand jour’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992, p. 933.

24. Verslag van een bijeenkomst ten burele van Clarté op 7 oktober 1925, in: Michel Leiris, Journal 1922-1989, Parijs, Gallimard, 2021, p. 210. Soortgelijke ideeën doken ook op tijdens andere surrealistische bijeenkomsten, zie bijvoorbeeld Marguerite Bonnet (red.), Archives du surréalisme II, Vers l’action politique, Juillet 1925-avril 1926, Parijs, Gallimard, 1988, p. 36.

25. Wat wél verandert, is dat de communistische ‘bevrijding van de mens’ voortaan expliciet een ‘conditio sine qua non’ wordt genoemd voor de surrealistische ‘bevrijding van de geest’, zonder dat het laatste overigens ondergeschikt wordt gemaakt aan het eerste; in de praktijk blijft de gescheiden ‘parallellie’ gehandhaafd. André Breton, ‘Qu’est-ce que le surréalisme?’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992, p. 246.

26. Pierre Naville, La Révolution et les intellectuels, Parijs, Gallimard, 1975, pp. 76-77.

27. André Breton, ‘Légitime défense’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992, pp. 392-393.

28. Die details zijn in overvloed te vinden in Carole Reynaud Paligot, op. cit. (noot 1). Ter verklaring van de duur van het surrealistische engagement legt zij (onder invloed van de onvermijdelijke Bourdieu) te eenzijdig de nadruk op ‘literaire strategie’: het verlangen van de surrealisten door de PCF te worden erkend als dé revolutionaire kunststroming en zo de culturele koers van de PCF te bepalen.

29. André Breton, op. cit. (noot 7), pp. 795-796.

30. André Breton, ‘Position politique du surréalisme’, in: Oeuvres complètes. Tome II, Parijs, Gallimard, 1992, p. 419.

31. André Breton, Paul Éluard, Correspondance 1919-1938, Parijs, Gallimard, 2019, brief van 30 augustus 1931.

32. Marguerite Bonnet (red.), Archives du surréalisme II, Adhérer au Parti communiste? Septembre-décembre 1926, Parijs, Gallimard, 1992, p. 28.

33. André Breton, op. cit. (noot 30), pp. 468-471.

34. André Breton, Paul Éluard, op. cit. (noot 31), brief van 28 oktober 1936.

35. Deze suggestie wordt gedaan door: Robert Short, ‘The Politics of Surrealism 1920-36’, in: Raymond Spiteri, Donald LaCross (red.), Surrealism, Politics and Culture, Londen/New York, Ashgate, 2003.

36. André Breton, op. cit. (noot 25), p. 259.

37. André Breton, op. cit. (noot 30), pp. 414, 439. De ‘burgerlijke beschaving’ was dan ook des te onherroepelijker veroordeeld vanwege haar ‘absolute gebrek aan poëtische rechtvaardiging’ (p. 431). Over de wenselijkheid van een ‘moderne mythologie’ schrijft Aragon in het voorwoord bij Le Paysan de Paris (1926).

38. André Breton, op. cit. (noot 30), p. 259.

39. André Breton, op. cit. (noot 27), p. 283.

40. Ibid., p. 295.

41. André Breton, op. cit. (noot 1), p. 506. Dat het communisme geen ‘panacee’ was, staat eveneens hier.

42. André Breton, op. cit. (noot 13), p. 265.

43. André Breton, op. cit. (noot 7), pp. 782-783.

44. André Breton, op. cit. (noot 1), p. 513.

45. André Breton, Paul Éluard, op. cit. (noot 31), brief van 7 maart 1930.

46. Ibid., brief van 4 februari 1933.

Weg met werk! De kritiek van het surrealisme op loonarbeid

‘Qu’est-ce que le surréalisme?’ is de titel van een beroemde lezing gegeven door André Breton in 1934. De toespraak vond plaats in het Achturenhuis aan het Fontainasplein in Brussel, waar het nationaal syndicaat van de spoorwegen, de post, de telegrammen, de telefoon, de marine en de luchtvaart gevestigd was. De naam van het gebouw verwees naar de vakbondseis om elke werkdag te verdelen in acht uur rust, acht uur vrije tijd en acht uur arbeid. Breton presenteerde in zijn lezing twee definities van het surrealisme, geworteld in de ervaring van de droom en het vrije gedachtespel, die echter condensaties waren van een omvangrijke wolk van ideeën die ontstond gedurende de twee decennia voordien. Door wat hij omschreef als ‘het rijk van de logica’ af te wijzen, weerhield Breton zich ervan om iets samenvattends te zeggen. Hij bood alle aanwezigen de open invitatie aan om het surrealisme zelf te proeven door het te ontdekken als een werkwoord, eerder dan het te begrijpen als een substantief.

De vraag blijft ook vandaag moeilijk te beantwoorden, deels omdat, in tegenstelling tot andere avant-gardebewegingen, het surrealisme nooit gestorven is. Surrealisme was en is nog steeds een veranderlijke, sociaal-culturele beweging die grote delen van de wereld en het grootste deel van de vorige eeuw heeft bestreken, zoals bleek bij de recente tentoonstelling Surréalisme in het Centre Pompidou. Zoals de duizelingwekkende schaal en reikwijdte van die expo aantoonden, is het surrealisme veel te wild en onhandelbaar om integraal in een retrospectieve tentoonstelling of in een encyclopedische tekst te gieten. De curatoren in Parijs omarmden dit vrijgevochten karakter en selecteerden terecht het labyrint als ruimtelijk paradigma. Bezoekers werden naar binnen gelokt in een carnavalesk rijk en naar een centrum gevoerd – een knooppunt waarin de geboorte van het surrealisme en het eerste manifest uit 1924 werden omkaderd – vooraleer ze door een reeks kamers werden geleid die zich vermenigvuldigden als de nagalm, door tijd en ruimte, van die allereerste activiteiten.

Hoewel veel van de politieke betekenis van het surrealisme op de expo onderbelicht bleef en bezoekers onderworpen werden aan een verontrustende AI-reconstructie van de stem van Breton, weigerde de jubileumexpo terecht een samenhangend verhaal te vertellen. Zelfs in het domein van het gerespecteerde museum, als de essentie van een door de staat gefinancierde instelling, behield de stroming veel van haar identiteit als een psychisch-zintuiglijke ervaring in plaats van als een ideologie, een geschiedenis of een spektakel. Het is aannemelijk dat het surrealisme onverwerkbaar zal blijven, ongeacht hoeveel T-shirts met slogans over de surrealistische vrije liefde er in museum- en cadeauwinkels worden verkocht. Toch moet het duidelijk zijn dat de evasieve kern van deze transnationale beweging veel meer te maken heeft met wat surrealisme was en is, dan met curatoriële plannen of wetenschappelijke reconstructies.

Bekeken, vanuit een beperkt gezichtspunt, als een van de vele kunststromingen – in plaats van als het sociaal-culturele fenomeen zoals de meeste hedendaagse geleerden het zien – is het duidelijk dat het surrealisme een bepalende invloed heeft gehad, vergelijkbaar met die van het tijdperk van de romantiek, eerder dan met de vluchtige uitbarsting van energie die de andere avant-gardes in de moderne periode kenmerkt. Deze langlopende levensduur verklaart veel van de verrassende populariteit en van de relevantie van het surrealisme vandaag. De buitengewone visie van de Britse surrealist Leonora Carrington, wier lumineuze doeken in het Pompidou te zien waren naast die van andere vrouwelijke kunstenaars betrokken bij het surrealisme, zoals Ithell Colquhoun en Grace Pailthorpe, kan bijvoorbeeld niet genegeerd worden. Carringtons geschilderde en gebeeldhouwde vergezichten getuigen van een alternatieve wereld vol geheime kennis, een idiosyncratisch universum dat de recente rage voor kunstwerken die doordrenkt zijn van het occulte diepgaand beïnvloed heeft. De allesverslindende honger van het surrealisme omvat sinds 1924 zoveel paden van individueel en collectief onderzoek dat de beweging voortdurend verbanden vindt in het hier en nu.

Niettemin was surrealisme in de kern een luide oproep tot revolutionair bewustzijn, die de wereld wilde transformeren en het leven ten goede wilde veranderen. Het ging om ideeën die leden van de internationale surrealistische beweging, de afgelopen honderd jaar opgebouwd uit uiteenlopende groepen op elk continent buiten Antarctica, ontleenden aan mensen als Karl Marx en Arthur Rimbaud, naast denkers zoals Charles Fourier, Leon Trotski en vele andere voorgangers en uitverkoren medereizigers. Deze revolutionaire horizon is als kant van het surrealisme niet zo makkelijk op een museummuur te tonen, en in Beaubourg werd de beperkte politieke inhoud inderdaad naar een paar duistere hoeken verbannen. Toch reageert de radicaliteit van het surrealisme op enkele van de urgentste vragen van dit moment.

Het bekendste deel van dit verhaal gaat over de tijdelijke aansluiting van de Parijse surrealistische groep bij de Franse Communistische Partij tussen circa 1925 en 1936, een affiliatie gebaseerd op de surrealistische toewijding aan een antikapitalistische sociale revolutie, die abrupt eindigde toen de realiteit van Stalins autoritarisme, en die van de Partij in het algemeen, eindelijk duidelijk werd. Dit scenario is keer op keer opnieuw verteld, vaak onnauwkeurig, en de herhaling raakt een gevoelige snaar die de dialectiek oproept van de kritische relatie van het surrealisme met wat ‘de werkelijkheid’ genoemd zou kunnen worden. Surrealisme kan worden begrepen als een kritiek op de geleefde realiteit (surrealisme streeft naar een ‘echtere’ realiteit, naar een superieure manier van leven), maar zo’n polemiek bleef antiautoritair. De breuk van de beweging met het stalinisme was nooit een mislukking; het was een hernieuwde verankering van het antiautoritarisme.

Anders gezegd: er is een minder bekend hoofdstuk in het verhaal van het surrealisme dat weinig te maken heeft met politiek per se, en meer met de manier waarop het leven wordt geleefd en met de waarde van de levensduur zelf. Het surrealisme heeft misschien geprobeerd om te exploreren wat Freud en andere psychoanalytici ‘het onbewuste’ noemden – de diepe uithoeken van het denken die in de menselijke geest zijn gehuisvest – maar er was nooit een surrealisme zonder een tegelijkertijd scherp sociaal-politiek bewustzijn van het echte leven in de materiële wereld om ons heen. Een goed voorbeeld is de coherente antiwerkethiek. Surrealisten hebben de afgelopen eeuw en over de hele wereld diepgaand kritiek geuit op loonarbeid onder het kapitalistische systeem. Ze wilden werk zoals we dat kennen in de wereld van salarissen en bazen ongedaan maken, en de surrealistische revolutie verwierp elke linkse ethiek die deze noodzaak niet erkende.

Hoe werden surrealisten voorlopers van wat nu een ‘antiwerksentiment’ wordt genoemd? En welke rol speelde het kunstwerk in deze aanval op betaalde arbeid? Een eeuw geleden kwam een groep jonge Franse dichters en schrijvers uit de Eerste Wereldoorlog om zich halsoverkop in de grimmige jaren van een wereldwijde pandemie te storten. Er waren genoeg banen beschikbaar, maar de surrealisten, als burgerlijke rekruten voor witteboordenwerk en de professionele klasse, wilden zich niet aanmelden voor een carrière. Franse arbeiders in alle sectoren staakten intensief tijdens deze dodelijke griepjaren, en vochten voor kortere uren, een kortere week en bovenal hogere lonen. De surrealisten reageerden door hun eigen soort staking te organiseren: een leven lang loonarbeid weigeren, hoewel geen van hen kon steunen op substantiële erfenissen of kapitalistische investeringen.

André Breton en Louis Aragon, oorlogsveteranen die samen met vrienden het surrealistische geesteskind koesterden, kapten vrolijk met hun medische opleiding. Toen de jonge Jacques-André Boiffard in 1924 surrealistische fotografie ging studeren bij Man Ray, stopte ook hij met zijn medische studie. Dichter Philippe Soupault wist zich uiteindelijk te ontworstelen aan zijn rechtenstudie, net als een andere schrijver, René Crevel. Man Ray gaf het kleermakersvak van zijn familie in Brooklyn op, zonder nog om te kijken, en onderhield zich succesvol met commerciële fotografieklussen die zijn artistieke activiteiten financierden. Veel surrealisten waren afhankelijk van onzekere arbeid of van klusjes om te overleven, of het nu ging om secretariswerk (Robert Desnos), grafisch ontwerp (Óscar Domínguez) of kunsthandel (André Breton).

De Parijse surrealisten walgden van de Franse oorlogsinspanningen die resulteerden in miljoenen doden en wilden de nationale economie en het wederopbouwproject verlaten door te weigeren om verder bij te dragen als arbeiders en consumenten. Als dichters en schrijvers, leden van wat tegenwoordig de ‘creatieve klasse’ wordt genoemd, wisten ze dat de producten van hun intellectuele arbeid schandalig werden gedevalueerd in het marktsysteem, ook al was deze uitbuiting niets vergeleken met wat arbeiders op de fabrieksvloer ondervonden. Ze zochten naar manieren om zich te organiseren, om zich te verenigen en autonomie op te bouwen voor kunstenaars en kenniswerkers, naast de solidariteit die ze betoonden met proletariërs op de fabriekslijn. Ze experimenteerden met het idee van de kunststaking, waarbij de kunstenaar de productie stopzet en ‘werken’ terugtrekt uit het systeem van goederenruil. In de loop van een paar decennia richtten ze verschillende kunstenaarsvakbonden en -federaties op in samenwerking met, en ook onafhankelijk van, politieke groeperingen zoals de Franse Communistische Partij. Een daarvan, de Federatie voor een Onafhankelijke Revolutionaire Kunst, werd in 1938 opgericht in samenwerking met Leon Trotski. Het doel was om een sociaal geëngageerde omgeving voor kunst en kunstenaars te creëren die antipropagandistisch was en zich verzette tegen verstikkende ideologieën.

Aanbiedingen van comfortabele redactionele posities bij literaire tijdschriften of andere flashy banen werden door surrealisten principieel afgewezen. De verleiding van carrièrisme en ambitie werd tenietgedaan door een principiële weigering, vooraleer de patstelling van de achturige werkdag en het wondermiddel van een vast salaris de kans kregen om onuitroeibaar te worden. Leden van de Parijse groep, onder wie Max Ernst, werden berispt toen hun carrièrisme hun surrealisme in gevaar bracht.

De strijd om rond te komen zonder een vast loon was een beproeving, maar in een goedkoop naoorlogs Parijs waarvan de gentrificatie nog moest beginnen, was het een haalbaar, zij het consequent beladen en contingent doel. Het gedeelde ethos versterkte het moreel en vriendschappen maakten vaak gemeenschappelijke woonsituaties mogelijk, terwijl gezamenlijke organisatie en activistische inspanningen de zaak van principiële werkloosheid in toenemende mate vooruithielpen.

Surrealisten wilden de rol van werk in het moderne leven volledig opnieuw verbeelden. Dat deden ze door veel tijd te besteden aan lezen, schrijven, praten, drinken en roken in goedkope Parijse cafés, waar ze voor een dubbeltje konden rondhangen. In 1925 verklaarden ze een collectieve oorlog aan werk. Ze begonnen te pleiten voor ‘loonarbeid-abolitionisme’: ze eisten de ondergang van het vervreemdende systeem van betaald werk waarin een arbeider door een baas wordt gerekruteerd voor bepaalde taken, in ruil voor tijd, energie en productie. Ze waren antikapitalisten die, vooruitlopend op hun tijd, een wereld na het werk voor zich zagen. Ze ondernamen het schijnbaar onmogelijke project van collectieve permanente staking.

Het was niet de activiteit van creatief werk als dusdanig die de surrealisten aanklaagden. Ze waren voortdurend bezig met het produceren van kunstwerken, teksten en gezamenlijke evenementen. Autonome, vrijwillige, op affiniteit gebaseerde productie werd geaccepteerd. Het was de onvermijdelijkheid van werken voor een baas, onder het concept van een contract voor lichamelijke arbeid en de uren van iemands dag (iemands leven), waartegen zij protesteerden als een sociaal kwaad. Ze verzetten zich tegen het dwingende kapitalistische systeem van loon verdienen als middel om te overleven, en betreurden de koloniale en imperialistische geschiedenis en praktijken die de onderdrukking van mensen over de hele wereld ondersteunden.

‘Er is geen sprake van dat we niet alle moeite zouden doen om ons onvergankelijk recht om niet te werken te beschermen,’ schreef surrealist André Thirion in zijn essay ‘À bas le travail!’, gepubliceerd in Variétés in 1929. ‘De menselijke luiheid wordt voortdurend met de voeten getreden door de noodzaak om te werken met als enig doel het eigen bestaan in stand te houden,’ vervolgde hij. Hoewel Thirion als communistisch activist enige hoop had gesteld in de versnelling van de technologie om het aantal werkuren dat mensen nodig hebben te verminderen, was hij geen techno-optimist. Hij wist dat zelfs wanneer arbeidsbesparende machines de behoefte aan menselijke arbeid zouden verminderen, arbeiders zouden blijven worstelen met de omstandigheden van zowel noodzakelijke als vrijwillige dienstbaarheid. In die zin verschilde zijn marxisme van de arbeidersethiek van de Franse Communistische Partij in die tijd. Zijn socialisme was surrealistisch en utopisch van karakter.

Thirion voorspelde de waarschijnlijkheid van toekomstige gewelddadige revoluties door ontmenselijkte arbeiders en fulmineerde tegen de wijdverbreide ethiek van werkverslaving die zulke wanhoop aanwakkerde. Mensen kunnen nooit ontsnappen aan de realiteit van werk, gaf hij toe, en toch: waarom zou een levenslange opsluiting in onvermoeibare en vaak ellendige loonarbeid de maatstaf moeten zijn voor een mensenleven? ‘En daarom zeggen we shit tegen al wie zich zou schamen om een slechte arbeider te zijn onder dit regime, shit tegen wie de tijdelijk werklozen verachten… shit voor hen en voor alle contrarevolutionairen en hun ellendige idool, WERK,’ riep Thirion uit.

Een paar maanden nadat ‘À bas le travail!’ verscheen, werd Thirions essay ‘Note sur l’argent’ gepubliceerd in het twaalfde en laatste nummer van het tijdschrift La Révolution surréaliste. Voortbouwend op de veroordeling van maatschappelijke systemen in zijn vorige essay over arbeid, richtte hij zich in deze tirade op het onderwerp ‘meerwaarde’ in het kapitalisme. Voor Thirion was geld niet alleen een effect van dit systeem, maar eerder een primair middel tot uitbuiting. De verplichte handeling om geld te verdienen door je arbeid als handelswaar te verhandelen en geaccumuleerde rijkdom te verwerven voor de kapitalistische klasse, stond voor hem gelijk aan samenspannen met de machthebbers. ‘Door geen genoegen te nemen met het reduceren van bijna alle mensen tot werk, steelt [de kapitalistische klasse] van arbeiders de belachelijke waarde die ze aan dit werk toeschrijft, verrijkt zichzelf op die manier, en laat arbeiders alleen de belofte over om hun uitputtende arbeid de volgende dag nog eens aan te bieden,’ legde Thirion uit. De onvermijdelijke verplichting van loonarbeid betekende een verplichte deelname aan de besmette systemen van productie en consumptie via valuta.

Het is interessant om op te merken dat het surrealisme in de jaren dertig ook op beperkte schaal protesteerde tegen loonverschillen op basis van geslacht. Breton bracht de kwestie van genderongelijkheid ter sprake in een essay waarin hij de flagrante uitbuiting van mannelijke en vrouwelijke werknemers in de Franse autofabrieken van Renault aanviel. Hij publiceerde de tekst op 8 februari 1933 op de voorpagina van een protestpamflet van de Association des écrivains et artistes révolutionnaires met als titel ‘Aux neuf assassinés’. In een Renaultfabriek in de westelijke buitenwijken van Parijs was een verouderde boiler ontploft, waarbij negen doden en ongeveer tweehonderd gewonden vielen. Bretons essay op de voorpagina van het pamflet, ‘M. Renault est très affecté’, was een oproep namens vrouwelijke én mannelijke werknemers: ‘Hier heb je dan een man die twintigduizend mensen uitbuit tegen salarissen die voor vrouwen zo laag kunnen zijn als een frank per uur.’ Hij confronteerde de lezer met de volgende feiten: ‘Op een dag, in winkel 180, wordt het haar van een arbeider door een boormachine uitgetrokken. In nr. 5 wordt een arbeider geëlektrocuteerd. In nr. 3 worden twee vingers afgehakt… Een simpel ongelukje, toch?’

Hoewel het na de opkomst van het stalinisme in de jaren twintig en dertig duidelijk werd dat de communistische revolutie niet de gehoopte transformatie van werk en economie zou brengen, bleven veel surrealisten standvastig in hun afwijzing van compromissen met het kapitalistische systeem en in hun visie op een wereld bevrijd van de beperkingen van loonarbeid. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog begonnen nog meer surrealisten over de hele wereld, ver buiten Parijs, alternatieve, utopische, socialistische en anarchistische ideeën over speculatieve toekomsten te verkennen en horizonten voor klasseloze samenlevingen te visualiseren.

In de jaren zestig vormde een jonge groep vredes- en burgerrechtenactivisten de surrealistische groep van Chicago, en hun hernieuwde vraag naar een transformatie van werk ging hand in hand met hun oproep tot de ondergang van racistisch Amerika. De groep van Chicago is nog steeds actief, net als een aantal surrealistische groepen op verafgelegen locaties. Een verzameling surrealistische pamfletten en posters uit Chicago werd opgenomen in de succesvolle tentoonstelling Surrealism Beyond Borders van het Metropolitan Museum of Art in New York en Tate Modern in Londen in 2021 en 2022: bezoekers waren getuige van de strijd van deze groepen tegen loonarbeid, in het tijdperk van de tegencultuur. Aan het begin van het nieuwe millennium schreef surrealist Penelope Rosemont uit Chicago in een essay: ‘Om effectief te zijn, moet de strijd om werk af te schaffen bewust, vocaal, openbaar, georganiseerd en internationaal worden.’ Surrealisten strijden vandaag nog steeds voor een wereld waarin werk en plezier verenigd zijn.

Was de oorlog van het surrealisme tegen het werk voelbaar in de grote tentoonstelling in het Centre Pompidou in Parijs? Gezien de al vermelde uitgestrektheid van het surrealisme konden bezoekers zeker antiwerkperspectieven vinden, in de omarming van erotiek en plezier omwille van het plezier, of in de radicale verbeelding die zoveel surrealistische experimenten kenmerkte. Hoewel in de zalen gewijd aan de thema’s ‘bos’ of ‘vruchtbaarheid’ niet direct gesproken werd over antiwerkassociaties, was de connectie met de antiwerkethiek onvermijdelijk. Het zegt misschien meer over het ontologische karakter van het surrealisme dan over welke curatoriële keuzes ook, maar de tentoonstelling bevatte opvallend genoeg eveneens een selectie objecten die de obsessie liet zien van de beweging met functionele items: werkgereedschap dat nutteloos werd gemaakt door verschillende sabotages en listige operaties.

Eén deel van de tentoonstelling bevatte een reeks kunstwerken met sexy, verontrustende of dominante naaimachines van Man Ray en Konrad Klapheck, wat de surrealistische interesse in dit apparaat als symbool van gendergerelateerde industriële arbeid aantoonde. Boven deze voorwerpen hing het beroemde object van de Oostenrijkse surrealist Wolfgang Paalen, Nuage articulé (1937), een paraplu gemaakt uit sponzen, te zien op de Exposition Internationale du Surréalisme in Parijs in 1938. De sponsparaplu spreekt niet op dezelfde manier over de realiteit van industriële arbeid als de naaimachines van Man Ray en Klapheck, maar de schaduw die de paraplu wierp op de muur benadrukte het idee dat de kritiek van het surrealisme op werk niet alleen over arbeidsomstandigheden ging. De grond van de arbeidsethiek en de constante, meedogenloze productiviteit, gevoed door efficiëntie en functionaliteit, werd in twijfel getrokken. Als elk aspect van het leven onder het kapitalisme draait om uitwisseling en de reproductie van productiviteit, de vermenigvuldiging van de eindeloze machinaties van het kapitaal, dan articuleert de paraplu die de naaimachines overschaduwt het verlangen van het surrealisme om het kapitalistische bestaan tot in de kleinste en meest alledaagse details onwerkbaar te maken. Er werd gezocht naar een macro- en microkosmische disfunctionaliteit om een totale ineenstorting van het systeem te stimuleren, en om zo net genoeg ruimte te laten voor de conceptie van wat er op het onvoorstelbare kan volgen. Het surrealisme vraagt ons: wat komt er daarna?

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

Door de bomen het bos. Don Quixote Beeldentuin, Stedelijk Museum Amsterdam

Het initiatief voor de nieuwe beeldentuin van het Stedelijk Museum Amsterdam is opmerkelijk omdat de plaats van sculptuur in de meeste musea marginaal geworden is. Het lijkt alsof installatiekunst sculptuur verdrongen heeft. Sculptuur had in het begin van de twintigste eeuw een centrale, klassieke plaats naast schilderkunst. Iets minder belangrijk waren prenten en tekeningen, al is het maar omdat werken op papier slechts korte tijd getoond kunnen worden. De museumarchitectuur aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw nam als uitganspunt de optimale condities waarin schilderijen, maar ook sculpturen getoond en gezien kunnen worden. Schilderijen tonen zich het best wanneer natuurlijk licht van boven komt, vandaar dat musea uit deze periode steevast glazen daklichten hebben. Sculptuur komt het best tot z’n recht met andere lichtcondities; daklicht is op zich niet slecht, maar licht dat door ramen binnenvalt is van groot belang omdat de driedimensionaliteit van sculptuur op die manier reliëf verkrijgt.

Terwijl negentiende-eeuwse musea nog sacrale tempels voor kunst waren, werd aan het begin van de twintigste eeuw steeds vaker moderne en meer zakelijke architectuur ingezet voor de presentatie van kunst. In 1935 opende niet alleen Boijmans Van Beuningen, naar een ontwerp van Van der Steur, maar ook het Kunstmuseum in Den Haag, ontworpen door Berlage. Beide architecten maakten reizen langs Scandinavische en Duitse musea om de nieuwe vereisten voor museumarchitectuur te leren kennen, inclusief specifieke ruimtes voor sculptuur. In het Kunstmuseum van Berlage leidde dat tot een zaal die nu de ‘projectruimte’ wordt genoemd, voor wisselende tentoonstellingen die nog maar af en toe uit sculpturen bestaan. Recentelijk waren er bijvoorbeeld exposities te zien van Peter Buggenhout, Heringa/Van Kalsbeek en Hans Hovy. Ook de twee respectievelijke architecten van het huidige Kröller-Müller Museum, Henry van de Velde en Wim Quist, ontwierpen beeldenzalen voor sculpturen. De huidige directeur van Kröller-Müller, Benno Tempel, gaf aan Tadao Ando voor de komende uitbreiding, waar ten vroegste in 2026 een begin mee wordt gemaakt, wederom de opdracht een zaal voor sculpturen te ontwerpen.

Sculptuur vindt echter niet alleen een plek in zalen met zij- en daklicht. Mits ze goed zijn vormgegeven, zijn ook beeldentuinen geschikt. De lichtcondities wisselen met de opkomende en ondergaande zon, en het groen van struiken en bomen biedt een rustige, evenwichtige context. De open ruimte van de natuur zorgt ook voor problemen. De maatvoering van sculptuur is traditioneel gezien op de mens gebaseerd: beelden zijn kleiner of groter dan het menselijk lichaam. De toeschouwer verhoudt zich begrijpelijkerwijze vanuit het eigen lichaam tot sculpturen. In een beeldenzaal is de ruimte afgebakend, waardoor ook de ontmoeting tussen toeschouwer en beeldhouwwerk een duidelijke vorm aanneemt. In de open natuur is dat heel anders, omdat sculpturen zich kunnen verliezen in de ruimte, waardoor de toeschouwers zich er lastiger toe kunnen verhouden. Afhankelijk van het beeld moet er een goede plaats gezocht worden, of het park moet zodanig vormgegeven zijn dat er ruimte voor het beeld wordt geboden, in plaats van dat het beeld in het park opgaat. In België is het Middelheimmuseum in Antwerpen een goed voorbeeld. In Nederland is er het park rond het reeds vermelde Kröller-Müller Museum, en recentelijk ook de tuin van Museum Voorlinden in Wassenaar.

Het besef dat de presentatie van sculpturen aan bepaalde condities moet voldoen, is aan het eind van de twintigste eeuw langzamerhand verdwenen. Het Kröller-Müller Museum lijkt de uitzondering op deze tendens te zijn. De beeldenzalen van Boijmans Van Beuningen en van het Kunstmuseum worden zoals gezegd nog maar zelden voor sculpturen ingeruimd. De plaats van sculptuur in museumarchitectuur is vaak die van een decoratief element in een interieur. Zalen met alleen maar schilderijen aan de muur ogen niet aantrekkelijk, dus de oplossing is om in die zalen ook een of meerdere sculpturen te plaatsen. In klassieke musea stonden midden in de zaal vaak banken waar op kon worden uitgerust, ook om te kijken naar de schilderijen aan de wand. Deze banken zijn nu vaak door een sculptuur vervangen. In de opstelling van de vaste collectie van het Haagse Kunstmuseum is dat zelfs een vast principe geworden. Cel XXVI (2003) van Louise Bourgeois, Carrousel (1988) van Bruce Nauman, Nobby Bloke (2017) van Sarah Lucas, Into One-Another II To P.P.P. (2010) van Berlinde De Bruyckere: het gaat om sculpturen die worden ingezet voor een opstelling die meteen bij het binnenkomen aantrekkelijk oogt. Wat tegen deze werkwijze kan worden ingebracht, is dat sculpturen in het midden van een zaal een manier van kijken veronderstellen, bijvoorbeeld door te suggereren dat er overeenkomsten bestaan om de werken met elkaar te verbinden. Vaak zijn die slechts formeel van aard, omdat ze bijvoorbeeld met kleur te maken hebben. Dat de sculpturen op de eerste plaats als decorstukken ingezet worden, lijkt geen bezwaar.

Op dat vlak maakte het Stedelijk Museum Amsterdam het de afgelopen jaren helemaal bont met de opstelling van Zadkines gouden sculptuur Le Cerf (1923) in de thematische collectietentoonstelling, in een zaal met als onderwerp ‘de stad’. Wat de bijna twee meter hoge sculptuur van Zadkines hert in de stad te zoeken heeft, was totaal onduidelijk, maar het beeld stond er toch maar mooi aantrekkelijk te wezen. Juist het feit dat de rol van sculptuur in musea klein is geworden, heeft het mogelijk gemaakt dat er een speciaal museum voor sculpturen is gekomen, namelijk Beelden aan Zee in Scheveningen. Het bestaan van dit museum is, paradoxaal genoeg, symptomatisch voor de teloorgang van het belang van sculptuur. De marginale rol van sculptuur blijkt ook uit het lot van de expertise op dit gebied in de meeste musea. Het Rijksmuseum heeft nog een aparte conservator voor sculptuur, maar bij andere Nederlandse musea vallen kleine sculpturen onder de noemer ‘toegepaste kunst’. Grote sculpturen behoren tot het kennisgebied van conservatoren moderne – dat wil zeggen: autonome – kunst, niet van beelden in de zin van objecten, maar van images. Ook op dat vlak is het dus niet raar dat sculpturen een voornamelijk decoratieve rol spelen.

Een beeldentuin is een vrij te interpreteren concept, en in het Kröller-Müller Museum is het oorspronkelijke idee van een tuin als ‘vormgegeven natuur’ opgerekt door ook sculpturen buiten de tuinen te plaatsen, in de zogenaamde onontgonnen, vrije natuur, zoals het landschap van de Hoge Veluwe, of zoals een bos met aangeplante bomen. Richard Serra’s Spin out, for Robert Smithson (1972) en zijn massief stalen cilinder One (1987-1988) staan in zo’n landschap, terwijl Marien Schoutens Green Room/Vault (2016) en Sol LeWitts Six-Sided Tower (1993) niet in het park, maar in een bos staan.

Ook Amsterdam heeft sinds midden november vorig jaar weer een beeldentuin. Omdat de stad zevenhonderdvijftig jaar bestaat, zo is in een persbericht aangekondigd, heeft het Stedelijk aan de Amsterdammers hun beeldentuin teruggegeven, nadat die met de nieuwbouw van Benthem Crouwel Architecten in 2012 was verdwenen. Eerlijk gezegd was het mij totaal ontgaan dat het Stedelijk ooit een museumtuin heeft gehad. De uitloop van de cafetaria, met een terras, een trappen- en een waterpartij, was inderdaad een buitengebied waar een paar struiken en sculpturen stonden. Bij mooi weer werd het een ideale plek om koffie te drinken. Toch heb ik dit terras nooit met een beeldentuin geassocieerd. In de geschiedenis van het Stedelijk is er nauwelijks gereflecteerd over een plaats voor sculpturen, terwijl er wel veel is nagedacht over lichtinval, zowel door A.W. Weissman, architect van het oorspronkelijke gebouw uit 1895, als door directeur-curator Willem Sandberg, wiens ideeën bijgedragen hebben tot de zowel befaamde als verguisde, naar hem vernoemde vleugel uit 1954, die in 2006 werd gesloopt. Beiden waren van mening dat museumarchitectuur ten dienste moet staan van de kunst, maar tussen schilderijen en sculpturen maakten ze geen onderscheid. Weissman bepleitte dat zalen met bovenlicht ook zuiderlicht moesten hebben, niet ten behoeve van sculpturen, maar vanuit overwegingen omtrent atmosfeer: zalen zonder zuiderlicht maakten ‘een te koude indruk’, zoals Paul Kempers hem citeerde in zijn boek uit 2010 over de Sandbergvleugel. Voor de kabinetten aan de voorkant van het gebouw met noorderlicht ontwierp Weissman ‘zijlichtvensters waarvan het glasoppervlak niet werd onderbroken door stijlen of roeden – een egale, ongebroken lichtinval was het resultaat’. Sandberg, van zijn kant, liet door architect Frits Eschauzier een nieuwe vleugel bouwen, na hem tot in de details verteld te hebben aan welke voorwaarden deze uitbreiding moest voldoen. Het doel was niet langer een sacrale presentatie van kunst, maar het slechten van de kloof tussen het museum en de straat. Het publiek mocht zich niet geïntimideerd voelen, en de museumarchitectuur mocht geen barrières opwerpen. Daarom moesten ook alle decoraties in het interieur van Weissman het veld ruimen, terwijl Sandberg zijn museale idealen vooral in de nieuwe vleugel kon realiseren. Zoals Kempers het omschrijft, werd hij ‘de mythische ‘man van nu’ die zijn publiek verwelkomde in een helderwitte, transparante omgeving waar de voortbrengselen van de avant-garde baadden in egaal licht, met op de achtergrond zuurstof producerende gatenplanten voor een kunsthistorisch onbelemmerde ademhaling’. Die gatenplanten – onderdeel van een heuse Plant Collection die Inge Meijer in 2019 in een boek documenteerde – stonden er echter niet om zuurstof te produceren, maar om de museumzalen op woonkamers te doen lijken. Ook daardoor werd met succes afbreuk gedaan aan het tot dan toe verheven karakter van kunst, waarmee ogenschijnlijk weer een belemmering om een museum binnen te gaan werd verwijderd. Net als Weissman bepleitte Sandberg zijlicht, maar ook bij hem had dat niets te maken met de vereisten van sculpturen. Omdat veel ateliers in afwezigheid van daklicht wel zijlicht hebben, moesten ook museumpresentaties daarover beschikken. Dat met name schilders een atelier op het noorden verkiezen, het liefst ook met daklicht, werd daarbij voor het gemak vergeten. Niet meer het ‘gewijde’ licht van de negentiende-eeuwse kunsttempel, maar zijlicht, dat leek op de situatie thuis, wat – opnieuw – kunstenaar en toeschouwer nader tot elkaar kon brengen. Weissmans museum had idealiter zowel daklicht als hoog zijlicht, terwijl de Sandbergvleugel alleen over zijlicht beschikte, uit het noordoosten en zuidwesten. Volgens velen had dat dramatische gevolgen voor de presentatie van zowel schilderijen als sculpturen. Het licht ontnam sculpturen hun driedimensionaliteit. Edy de Wilde, directeur van het Stedelijk van 1963 tot 1985, vond de Sandbergvleugel ellendig omdat door de lichtinval van twee kanten schilderijen gingen glimmen en beeldhouwwerken plat werden. Het is opvallend dat achtereenvolgens De Wilde, Wim Beeren en – vooral – Rudi Fuchs het weer opnamen voor de ideale presentatie van kunstwerken, los van publieksoverwegingen. Volgens Fuchs, directeur van 1993 tot 2003, had kunst beschutting nodig, als een eigen intieme ruimte waarin de boze buitenwereld niet kon doordringen. Een dergelijke opvatting leek een terugkeer in te houden naar de negentiende-eeuwse kunsttempel waaruit ook Weissmans gebouw in Hollandse neorenaissancestijl voortgekomen was.

Toch heeft de Sandbergvleugel enkele keren een speciale plaats ingeruimd voor sculptuur. In de jaren vijftig zijn beeldhouwwerken diverse keren buiten de nieuwbouw geplaatst, niet in de zogenaamde beeldentuin die ook aan die vleugel grensde, maar aan de straatkant, in het grasperk dat de overgang vormde tussen de vleugel en de Van Baerlestraat. Sandbergs ideaal om de ‘man van de straat’ het museum in te krijgen, werd zo met het tegenovergestelde middel bereikt: de sculpturen werden op straat gezet, zodat niemand er nog omheen kon.

De vraag is dus hoe Rein Wolfs, directeur van het Stedelijk sinds eind 2019, zich met de nieuwe beeldentuin positioneert in deze geschiedenis van ideeën en theorieën over museumarchitectuur en over de plaats van sculptuur. De oude tuin, die het veld moest ruimen voor wat in de volksmond ‘de badkuip’ wordt genoemd, was niet vrij toegankelijk, en was enkel te betreden via de cafetaria, afgescheiden van het achterliggende museumplein. De nieuwe beeldentuin is echter gratis te betreden: een toegangsbiljet is enkel nodig voor het museum, niet voor de inkomhal waarin de nieuwe beeldentuin zich bevindt. Het ‘verjaardagsgeschenk’ is dus enkel in metaforische zin een beeldentuin. De sculpturen worden niet gecombineerd met gatenplanten, maar met bankjes om op uit te rusten, en om mails of whatsapps te beantwoorden.

De entree is sinds de heropening in 2012 al meerdere keren opnieuw ingericht. Een van de belangrijkste assets van het Stedelijk nam daarbij steeds weer een andere plaats in: een vestiging van de door Walther König gerunde boekhandel zoals die ook in andere Europese musea en kunsthallen te vinden is. De winkels van Nederlandse musea zijn beschamend slecht, en die van het Stedelijk was lange tijd de grote uitzondering. In de nieuwe organisatie van de inkomhal is de boekwinkel echter in de hoek gedrongen waar zich voorheen de garderobe bevond, met minder kasten, minder tafels met boeken, en vooral minder ruimte tussen de tafels en kasten als gevolg, wat rustig zoeken niet bepaald aanmoedigt. De garderobe is verplaatst naar de kelder, naar een ruimte die tot voor kort onderdeel was van de bibliotheek – nog zo’n van oudsher belangrijke pijler van het Stedelijk. De collectie is wereldberoemd en wordt vaker geraadpleegd dan de collecties kunstgeschiedenis van universiteitsbibliotheken. In plaats van bijna dagelijks vanaf twaalf uur kan de bibliotheek voortaan enkel nog op afspraak bezocht worden.

Van oudsher hebben musea naast een publieksfunctie ook een onderzoeksfunctie die ze met universiteiten delen. Onderzoeksresultaten worden in musea gepresenteerd aan de hand van tentoonstellingen en catalogi. Het is duidelijk dat ook de onderzoeksfunctie van het Stedelijk in een verdomhoekje zit, niet alleen letterlijk door de ingekrompen ruimte van de bibliotheek en de boekwinkel, maar ook omdat er nauwelijks nog catalogi gepubliceerd worden. Als dit wel het geval is, worden de artikelen doorgaans geschreven door conservatoren van de instellingen die de tentoonstellingen mee organiseren. Is er nog iemand in het Stedelijk die überhaupt kan schrijven?

Het grootste deel van de entreehal wordt nu ingenomen door een koffiebar met tafeltjes en stoelen en – het moet gezegd – een leestafel. Achter de vele mensen doemen een paar sculpturen op, links en rechts tegen de glazen buitenwanden. Achter de bar, in de uiterste hoek van de hal (met uitzicht buiten op Sight Point (for Leo Castelli) van Richard Serra uit 1975), bevindt zich het grootste aantal beelden, zodat hier toch nog het idee van een tuin ontstaat. Zowel binnen als buiten is het erg druk: in de hal verdringen koffiedrinkende bezoekers elkaar, buiten staan mensen in de rij voor het Van Gogh Museum of op weg naar de Albert Heijn. Wie zich op de sculpturen wil concentreren, wordt daarom onophoudelijk afgeleid door silhouetten van voorbijlopende mensen. Dat je door de bomen het bos niet meer ziet, is misschien ook van toepassing, maar zeker is het zo dat je door de mensen de beelden niet meer ontwaart. De sculpturen houden in deze ruimte alleen stand voor openingstijd en na sluitingstijd – zonder publiek. De dominantie van de horeca maakt de sculpturen totaal ondergeschikt. Ze vormen een cultureel verantwoorde achtergrond bij een voortreffelijke koffie. Hoe aangenaam dat ook mag zijn, in kennisoverdracht is het Stedelijk duidelijk niet langer geïnteresseerd, enkel nog in de ‘ervaringen’ die je in het museum kan opdoen. Of die ervaringen al dan niet artistiek of esthetisch zijn, is nauwelijks nog van belang.

De beelden in de entreehal worden gepresenteerd als de Don Quixote Sculpture Hall, een onverwachte en grappige naam, tot blijkt dat de ‘tuin’ mogelijk is gemaakt door een stichting die de Don Quixote Foundation wordt genoemd, die geleid wordt door Ridder Rolly van Rappard, hoofd van investeringsmaatschappij CVC Capital Partners, en die vorig jaar al 12,5 miljoen euro aan het Rijksmuseum schonk. Een van de 21 beelden in de entreehal van het Stedelijk is een bruikleen van deze stichting: een zebra op sterk water van Damien Hirst (The Incredible Journey, 2008). Een zo schaamteloos samenvallen van verschillende belangen is zelfs in Amerikaanse musea moeilijk voor te stellen, want door het tentoonstellen van een werk uit de eigen collectie, in een door de stichting gefinancierde ruimte, in een bekend publiek museum, stijgt de waarde van de verzameling. Terwijl Beatrix Ruf, directeur van het Stedelijk van 2014 tot 2017, terecht op de vingers getikt werd toen zij een zeer omstreden Mondriaan liet tentoonstellen, lijkt dit opwaarderen van een privécollectie via het Stedelijk nu het nieuwe normaal te zijn.

De nieuw ingerichte entreehal van het Stedelijk is een ontwerp van architect Paul Cournet en diens bureau CLOUD. Voor de gelegenheid werd aan Sabine Marcelis gevraagd een Stedelijk Chair te ontwerpen, volledig uit aluminium. Het resultaat doet nog het meest denken aan een lobby van een corporate bedrijf dat om de kapitalistische oogmerken enigszins te verdoezelen ook een bedrijfscollectie aanlegt. Sculpturen werken dan uitstekend om te laten zien dat zo’n corporatie niet alleen in geld, maar ook in cultuur is geïnteresseerd. Een coherent verhaal over beeldhouwkunst of de geschiedenis ervan wordt er echter niet verteld. Ouder of klassiek werk uit de collectie van het Stedelijk, zoals Tête Blanche uit 1970 van Niki de Saint Phalle (vlak naast de kassa van de boekhandel), staat schijnbaar probleemloos in de buurt van recentere aanwinsten van jongere kunstenaars, zoals Dive Board II uit 2021 van Anne Imhof. En zo bevindt ook de schitterende Halbfigur (1990), van gips gemaakt en in brons gegoten, van Hans Josephsohn zich totaal eenzaam tussen andere lukraak gekozen beelden.

Twee sculpturaal ogende zuilen in de entreehal, meteen links van de museumingang, maken de hedendaagse verwevenheid van kunst en geld onomwonden zichtbaar. Alle geldschieters van het Stedelijk staan erop vermeld, zowel families die donaties gedaan hebben als fondsen, waaronder natuurlijk de Don Quixote Foundation. Voorheen stonden de geldschieters op een muur vermeld, op een veel minder prominente plaats. In de buurt van de twee zuilen houden Torso géant (1957) van Hans Arp en Large Torso (1974) van Willem de Kooning zich op. Van alle opvattingen en idealen over presentatie en publiek van eerdere museumdirecteuren en architecten blijft niets meer over, omdat het vermogen om over zulke dingen na te denken ontbreekt.

 

• De Don Quixote Beeldentuin werd op 16 november 2024 onthuld in het Stedelijk Museum, Museumplein 10, Amsterdam.

De aaibaarheid van AI. Electric Dreams. Art and Technology before the Internet, Tate Modern, Londen

In 2022 lanceerde het Amerikaanse softwarebedrijf OpenAI twee producten die heel wat op z’n kop lijken te zetten, ook het hedendaagse kunstdiscours. DALL-E 2 is een model voor artificial intelligence dat tekst naar beeld kan vertalen, en ChatGPT is een chatbot die tekst kan voortbrengen. Met deze twee toevoegingen aan het open web kan de ‘gewone’ mens volop experimenteren met de creatie van content door middel van artificiële intelligentie, ongeacht de eigen artistieke bedrevenheid. Zowel DALL-E 2 als ChatGPT kunnen alles genereren wat de gebruiker op een scherm wil zien verschijnen, op voorwaarde dat de applicaties een adequate opdracht krijgen.

Sinds AI ‘gedomesticeerd’ is, wordt er bijna wekelijks een nieuwe analyse gepresenteerd van kunstmatige intelligentie en de invloed ervan op de kunsten. In kranten en tijdschriften wordt AI ofwel gerelativeerd als nieuw artistiek instrument, ofwel gepositioneerd als de bron van alle kwaad. De discussies gaan doorgaans over auteursrecht of over de soevereiniteit van de kunstenaar als primaire vertolker van de menselijke geest: een taak die we, zo lijkt het, onder geen beding aan machines willen afstaan. In die zin doet het debat denken aan discussies die in de negentiende en vroege twintigste eeuw over fotografie werden gevoerd. Ook toen werd de introductie van een machine – een camera – gezien als een verloedering van het ambacht dat de scheppende kunst is. In een opiniestuk met als titel ‘Genuine Art versus Mechanism’, gepubliceerd in Brush and Pencil in 1901, opperde de Zwitsers-Amerikaanse schilder Henrietta Clopath dat een ware kunstenaar de camera niet hoeft te vrezen, omdat een camera het artistieke oog ontbeert. Een foto is wellicht een perfecte imitatie van de werkelijkheid, schreef Clopath, maar een perfecte imitatie is saai: als kijker verlangen we juist naar de ruis van de menselijke hand. Clopath was het canonieke Kunstwerk-essay van Benjamin ruim twintig jaar voor, maar haar standpunt was niet zeldzaam. Aan het begin van de vorige eeuw zagen mensen ook al in dat de waarde van een kunstwerk deels bepaald wordt door de sociale context waarin het wordt gemaakt. Dat gegeven is vandaag niet veel veranderd.

Het afgelopen jaar probeerden meerdere grote kunstinstellingen de angst voor AI te bezweren met een expositie over computerkunst. Zo liep in het voorjaar van 2024 in het Whitney Museum of American Art in New York de tentoonstelling Harold Cohen. AARON, over het gelijknamige programmeermodel uit de late jaren zestig. Het werd door AI-pionier Cohen ontwikkeld voor een plotter – een apparaat om technische tekeningen te maken – en hij ‘leerde’ deze printer tekeningen van mensen en planten te genereren. Van die twee onderwerpen had Cohen datasets gemaakt die hij de plotter aanreikte, en op basis van dit beperkte referentiekader ging AARON aan het werk. In het Whitney werden niet alleen de resultaten van het experiment getoond, maar stonden ook twee voorgeprogrammeerde plotters die gedurende de looptijd van de expositie de werkwijze van AARON demonstreerden. Uit de zaalteksten en de algemene communicatie werd duidelijk dat het New Yorkse museum de expositie van Cohen met zowel educatieve als geruststellende intenties had geprogrammeerd. AARON, zo werd benadrukt, was een protoversie van generatieve beeldmodellen als DALL-E 2 of Midjourney. De technologie voor kunst die door computers wordt aangestuurd bestaat al vijftig jaar, zo leken curatoren Christiane Paul en David Lisbon te willen zeggen; in de jaren zestig werden we er net zomin door bedreigd als vandaag.

De tentoonstelling was tegelijkertijd te zien met het werk xhairymutantx (2024) van Holly Herndon en Mat Dryhurst, dat onderdeel uitmaakte van de Whitney Biennial. Herndon en Dryhurst zijn kunstenaars die in hun praktijk de voorkeuren (en vooral: de inherente vooroordelen) van AI-modellen onderzoeken. Met het project in het Whitney onderzochten ze de mate waarin artificiële intelligentie de ‘essentie’ van een persoon kan reproduceren. Een zelfgemaakt AI-model kreeg een grote hoeveelheid foto’s van Herndon waarop ze een overdreven lange, oranje pruik draagt. Zo werd het model getraind om aan te nemen dat alle mensachtige wezens van nature een dergelijk kapsel hebben. De bezoekers aan de Whitney Biennial werden uitgenodigd om het model opdrachten te geven, maar uit de beeldbank van het project blijkt dat de computer vervolgens moeite had om figuren te maken die afweken van de oranje blauwdruk van Herndon. Net als de tentoonstelling AARON één verdieping hoger, demonstreerde xhairymutantx dat AI niet zo bedreigend is voor kunstenaars als gevreesd, want een dergelijk model is vooralsnog volledig afhankelijk van alles wat het door mensen krijgt aangereikt. Of nog: AI is een gereedschap waarmee kunstenaars hun praktijk kunnen uitbreiden, geen eindproduct dat de artistieke praktijk vervangt.

Nog in New York werd vorig jaar de eerste overzichtstentoonstelling gepresenteerd van Auriea Harvey, een Amerikaanse computerkunstenaar die sinds de jaren negentig actief is in zowel de beeldende kunst als de gamewereld. In het Museum of the Moving Image in Queens werden haar werken getoond onder de titel My Veins Are The Wires, My Body Is Your Keyboard. Samen met haar partner Michaël Samyn, een Vlaamse kunstenaar, vormde Harvey jarenlang de gamestudio Tale of Tales, een initiatief dat zich richtte op formele innovatie in pc-games. In 2015 stopten ze met dit project omdat de gecommercialiseerde gamemarkt niet meer zo ontvankelijk was voor artistieke titels. Nu, tien jaar later, is er mede dankzij de actualiteit van AI weer belangstelling voor de samenkomst van digitale productiemethoden en beeldende kunst. Voor de tentoonstelling van Harvey bracht curator Regina Harsanyi het volledige oeuvre van de kunstenaar bij elkaar, van de op software gebaseerde werken en de interactieve websites uit de late jaren negentig tot aan de recentere realisaties, zoals 3D-geprinte sculpturen en NFT’s (non-fungible tokens) gekoppeld aan een uniek digitaal item.

Zoals de titel van de expo aangaf, stond de lijfelijkheid van het werk van Harvey op de voorgrond. De kunstenaar leerde haar partner Samyn via internet kennen, en de eerste fase van hun relatie speelde zich online af. De werken uit deze periode gaan over intimiteit en afstand, en over de sensuele potentie van technologie. Voor het online werk skinonskinonskin (1999) archiveerden Harvey en Samyn bijvoorbeeld hun liefdesbrieven en hun sessies cyberseks. Opnieuw werd, dit keer op een persoonlijke en directe manier, aangetoond dat de interventie van een computer als een verlenging van de mens kan fungeren, bijna als een artistieke prothese. Juist in een digitaal milieu, zo laat My Veins Are The Wires zien, vond Harvey de ruimte om intens belichaamde kunst te maken.

Een andere grote tentoonstelling die geënt is op de demystificatie van AI in de kunsten opende in november in Tate Modern in Londen. Electric Dreams. Art and Technology Before the Internet gaat over machinale kunst uit de twintigste eeuw, en uit de periode tussen 1950 en 1990 in het bijzonder. Dezelfde tijdsperioden worden dus aangereikt als in de twee expo’s in New York, met dien verstande dat de curator van Tate Modern, Val Ravaglia, zich niet zozeer concentreert op de artistieke filosofie van individuele kunstenaars, als wel op het historische spektakel dat technologie heeft veroorzaakt. Vanuit het gedachtegoed van de cybernetica, een vakgebied dat simpel gezegd de relatie tussen input en output onderzoekt, probeert de expositie vat te krijgen op de historische rol die algoritme en interactiviteit hebben gespeeld in de kunsten. De omvangrijke presentatie, met maar liefst vijftien zalen, is voor de helft thematisch ingericht, terwijl de andere helft wordt gewijd aan individuele installaties met een machinaal karakter.

De titel van de tentoonstelling, Electric Dreams, klinkt aanvankelijk wat flemerig. Er wordt een utopisch perspectief op technologie gesuggereerd, met het machinale als een speeltuin voor de menselijke geest. En er zit absoluut een speelse dimensie aan de band tussen mensen en machines, maar bij een historisch overzicht van machinale kunst mag je toch ook een kritische insteek verwachten. De decennia die het zwaartepunt van de tentoonstelling vormen, waren doordrongen van zowel economische als politieke omwentelingen, en minstens van enkele militaire catastrofes, en het lijkt naïef om de werken uit deze periode niet door een postmoderne lens van vervreemding te bekijken. Uit de opstelling blijkt ook algauw dat de curator een nogal didactische premisse voor ogen had. En dus worden de werken in Electric Dreams niet gepositioneerd als vertegenwoordigers van een onzekere, snel veranderende wereld, maar als curiositeiten in een museale wonderkamer.

In de catalogus schrijft Ravaglia dat Electric Dreams op ‘verbinding’ uit is – een weinig originele term die bovendien in de ruimste zin wordt opgevat. De tentoonstelling omvat namelijk niet alleen digitale werken gebaseerd op software die een letterlijke verbinding met een elektriciteitsnetwerk vereisen, maar ook kinetische werken die op de interventie van de kijker reageren: op de bewegingen of geluiden die het publiek voortbrengt. Het concept ‘verbinding’ fungeert dus als dubbele metafoor. De samenkomst van mens en machine die wordt verkondigd klinkt sympathiek, maar de vraag blijft in welke mate de vooropgestelde aaibaarheidsfactor aansluit bij de werkelijkheid. De actuele angst voor kunstmatige intelligentie en robotica, en voor de impact die deze ontwikkelingen op ons dagelijks leven dreigen te hebben, lijkt alleszins iets anders te suggereren.

In 2016 was in de Londense Whitechapel Gallery een filosofische voorganger op Electric Dreams te zien. De tentoonstelling Electronic Superhighway legde de nadruk op internetkunst – in 2016 was post-internet nog een buzzwoord – en op kunst die een beroep doet op netwerktechnologie in het algemeen, en ook in deze expositie werd het hoofd geboden aan nervositeit veroorzaakt door technologische innovatie. In nauwelijks tien jaar tijd is het object van onze angst behoorlijk verschoven. Anno 2016 had de onrust vooral te maken met toezicht. We ontdekten dat smartphones en tablets ons kunnen afluisteren, en dat de algoritmes van derden gebruikmaken van privégegevens om gepersonaliseerde producten en diensten aan te bieden. De smartphone, een toestel dat we een decennium geleden al non-stop bij ons droegen en dat we ook toen al de intimiteit van ons privéleven toevertrouwden, bleek een oog en een oor te hebben waarmee het kwetsbaarheden aftapt en vervolgens doorseint. Krantenartikelen uit die periode maanden ons aan om cameralenzen af te plakken met stickers, of telefoons in vliegtuigmodus te zetten tijdens een gevoelig overleg. Die angst om afgeluisterd te worden was volop aanwezig in Electronic Superhighway, in werken als Surveillance Shoe (2000) van Jill Magid of Asymmetric Love (2013) van Addie Wagenknecht: respectievelijk een hoge hak met ingebouwde enkelband en een kroonluchter met beveiligingscamera’s in plaats van lichtjes. Dergelijke artistieke gadgets mogen ondertussen kitscherig klinken, maar in 2016 waren ze een effectieve weergave van de paranoia omtrent privacy. Als Electronic Superhighway een indicatie geeft van hoe snel onze angsten evolueren – of van, wellicht, hoe snel we overgaan tot lethargie – dan zal het huidige ongemak over AI ergens in de komende tien jaar vast ook weer worden vervangen door een nieuwe technologische angst.

In de zoeterige omschrijving van Electric Dreams wordt nergens expliciet toegegeven dat de expo een reactie is op de zenuwachtigheid rondom mensvervangende technologie. En toch is de tentoonstelling al omineus nog voor ze goed en wel is begonnen. Een medewerker van het museum staat bij de ingang om bezoekers te attenderen op het ‘overweldigende’ karakter van sommige werken. Naast diezelfde ingang staat een groot bord met waarschuwingen voor flitsend licht, plotse geluiden, magneten, desoriënterende beelden en complete duisternis. Het heeft allemaal een praktische functie, maar toch insinueren dergelijke mededelingen meteen dat de vervlechting van kunst en technologie een mogelijk risico vormt. Daarmee is de toon gezet, en wordt het ineens duidelijk waarom de communicatie zo lieflijk blijft: als de nadruk wordt gelegd op de ontregelende en enerverende kracht van de getoonde werken, raakt het museum prompt alle toeristen kwijt.

Tate Modern doet er alles aan om een bezoek aan Electric Dreams zo laagdrempelig mogelijk te houden. Zo heeft de eerste zaal een uitgesproken instructieve functie. Zaalteksten verschaffen definities van termen als ‘cybernetica’ en ‘open systemen’. In vitrines liggen spraakmakende tijdschriften over technologie uit de jaren vijftig en zestig, waaronder een publicatie van de Amerikaanse bohemienschrijver Richard Brautigan. In een zijkamer toont een muurschildering de plattegrond van de expositie, zij het op een nagenoeg onleesbare manier: Electric Dreams wordt gepresenteerd als een soort stekkerdoos, met elk van de zalen als een ‘poort’. Veel aanlokkelijker zijn drie schilderijen van Atsuko Tanaka, gemaakt aan de hand van de performance Electric Dress uit 1956. Tanaka droeg een jurk van gloeilampen en baseerde de schilderijen – simpelweg Work getiteld – op het patroon van de veelkleurige peertjes en buizen. De felgekleurde doeken zijn verleidelijk om naar te kijken, en zijn ook inhoudelijk interessant omdat Electric Dress er niet eenduidig door gereproduceerd wordt. Tanaka maakte de schilderijen abstract genoeg, zodat de reeks gloeilampen ook als een doos eieren kan worden gelezen, of als een multiplicerende cel. Het maakt het drieluik Work tot een contemplatief object, waar je prettig in kan verdwijnen. Het werk van Tanaka valt duidelijk in de smaak, want de schilderijen worden veelvuldig gefotografeerd en online gedeeld.

In de tweede zaal, met als titel ‘Materialising the Invisible’, wordt er wat meer geduld gevraagd, onder meer voor de kinetische werken van Takis en Jesús Rafael Soto. Ook leden van de ZERO-beweging, die in de jaren vijftig naam maakten met minimalistische sculpturen en installaties, zijn vertegenwoordigd, zoals Heinz Mack, Pol Bury en Günther Uecker. Anders dan de schilderijen van Tanaka zijn hun werken beduidend minder fotogeniek, maar zeker niet minder indrukwekkend. 3069 White Dots on an Oval Background (1966) van de Belg Bury is hypnotiserend om naar te kijken – bewegen de bolletjes, of net niet? – en de onzichtbare, magnetische krachten van Takis’ Télélumière No. 4 (1963-1964) geven het werk een mysterieuze allure. Helaas lijdt deze zaal onder de inmiddels typische presentatiestijl van Tate Modern, die elders in het gebouw ook de retrospectieve van Mike Kelley teistert. De werken zijn rakelings naast elkaar gezet, zodat de individuele objecten weinig ademruimte krijgen en nauwelijks tot leven komen, alsof ze op stand-by staan in een magazijn of verdoffen door elkaars drukke gezelschap. Soms staan de kunstwerken zo dicht bij elkaar – de Bury en White Field (1964) van Uecker, bijvoorbeeld – dat het niet meteen duidelijk is of ze bij elkaar horen en één werk vormen. In de overige themazalen van Electric Dreams speelt hetzelfde probleem. De ‘overbevolking’ is zo mogelijk nog vervelender dan bij Ghost and Spirit van Kelley, omdat Electric Dreams – zoals de vele waarschuwingen bij de ingang al duidelijk maken – ook zonder die chaotische expositiewijze al overrompelend genoeg is.

Gelukkig is er de vaak krachtige eenvoud van individuele installaties. Light Room (Jena) van Otto Piene is een culminatie van het onderzoek naar lichtmachines dat de Duitse kunstenaar (en lid van de ZERO-groep) in de jaren zestig verrichte. De installatie werd pas in 2007 voor het eerst in de huidige vorm getoond. Piene veranderde een kamer in een soort kijkdoos, door een patroon van gaten in de wanden te maken en de ruimte geheel te verduisteren. Achter de gaten (of liever: perforaties) bracht hij felle lampen aan, die hij in een deinend ritme liet ontsteken. Zo ontstond er een ‘ballet’ van licht, dat elke twintig seconden een constellatie van hemellichamen op de wanden creëert. Het resultaat is adembenemend: een kunstmatige sterrenhemel blijkt net zoveel indruk te maken als het natuurlijke fenomeen zelf. Bovendien is het extra plezierig om in een ruimte te staan waar een individueel werk het enige focuspunt vormt. Een steward van Tate Modern begeleidt de bezoekers in groepen van vier de duisternis in, waar ze om beurten het spektakel van Piene kunnen ervaren. Zelfs in de drukte van de vernissage had Light Room een meditatieve kwaliteit, en het is ook iets intiems om met drie vreemden in de duisternis te zitten en samen te wachten op het licht. Light Room is een van de weinige werken in de expositie die ‘aan den lijve’ uit de verf komen als een totale ervaring, in plaats van als een gearchiveerd reliek.

Het meditatieve karakter wordt voortgezet in een kleinere presentatie van het werk van Brion Gysin, de Britse uitvinder en dichter die samen met William Burroughs de ‘cut-up’-techniek van de dadabeweging verder ontwikkelde. De iconische Dreamachine (1959) vormt het onbetwiste middelpunt van de aandacht. Rondom deze bewegende sculptuur zijn stoelen neergezet zodat het stralende werk ervaren kan worden zoals het bedoeld is: stationair en met de ogen dicht. Bezoekers lijken de noviteit te waarderen – hoe vaak maant een kunstwerk je aan om de ogen te sluiten? De zaal met Dreamachine is echter klein en verderop lonken de sculpturen van Katsuhiro Yamaguchi al, wat volledige overgave aan het werk van Gysin moeilijk maakt, ondanks de enscenering. De werken van Yamaguchi – acrylglazen sculpturen die aan het plafond hangen en zo het licht in de ruimte van kleur voorzien – krijgen net als die van Gysin een eigen zaaltje, maar ook hier staat alles dicht op elkaar, wat het navigeren door de ruimte een uitdaging maakt. Voor sommige bezoekers is het te veel: twee vrouwen verlaten de zaal onmiddellijk, klagend over misselijkheid en overprikkeling.

Environnement Chromointerférent (1974) van de Venezolaanse kunstenaar Carlos Cruz-Diez biedt verademing. De installatie is integraal nagebouwd, hoewel met digitale beelden in plaats van met de kleurendia’s uit 1974. Oorspronkelijk ontworpen om de bezoeker te desoriënteren, brengt dit environnement in de context van Electric Dreams juist een zekere rust door de eenduidigheid van het werk én door de geboden bewegingsruimte. In het midden van de geheel witte zaal staan drie witte kubussen, en in de periferie van de ruimte liggen ronde, witte ballen die de bezoekers mogen aanraken. Al dat wit – inclusief de muren van de zaal – dient als een multidimensionaal scherm waarop grafische details worden geprojecteerd: gele, zwarte en grijze strepen. Wanneer bezoekers tegen de ballen aan schoppen of rondom de kubussen lopen, wordt de projectie tijdelijk door hun schaduwen onderbroken. Het samenspel van schaduwen en flitsend licht, in combinatie met de stuiterende ballen, is zowel overrompelend als bevredigend. Onder de kinderen die naar de expositie zijn meegebracht, blijkt het werk van Cruz-Diez verreweg, en begrijpelijk genoeg, het meest populair.

Het is ook op dit punt dat het project van Electric Dreams duidelijk wordt. De expositie wil aan twee uiteenlopende groepen appelleren: enerzijds de cultuurbewuste, kranten lezende museumganger, anderzijds de spontane bezoeker die op zoek is naar een activiteit voor het hele gezin, en voor wie een hardcore kunsthistorische presentatie niet interessant lijkt. Interactieve, kleurrijke milieus bieden iets onverwachts en doen het tegelijkertijd goed op foto’s. De bezoekers die traditionele musea zoals Tate Modern de afgelopen jaren verloren aan allerhande pseudoartistieke immersive experiences – rondom Hyde Park bevinden zich onder meer Frameless, Van Gogh Experience, Bubble Planet en het tevens in Amsterdam gevestigde Moco Museum – zouden daarvoor kunnen terugkeren, gewend als ze geraakt zijn aan visuele overdaad. ‘Ernstige’ museumbezoekers lopen minder hoog op met de gladheid van dergelijke attracties en blijven op zoek naar kunsthistorische verdieping en kennisuitwisseling. Met de dubbele, afwisselende presentatieformats – themazalen en individuele installaties – doet Tate Modern met Electric Dreams een poging om beide doelgroepen samen te brengen. Voor twintigste-eeuwse computerkunst gaat het hart van niet elke recreant sneller kloppen, terwijl de waarschuwingen bij aanvang er net aanlokkelijk door worden, door een vooruitzicht te bieden op een kunsttentoonstelling als een wilde achtbaan. Dat bezoekers ook misselijk kunnen worden van al deze overdaad, is een risico dat Tate Modern klaarblijkelijk wil nemen.

De commerciële insteek getuigt echter van nog een concessie ten koste van het intellectuele publiek. De hoeveelheid didactische informatie in de themazalen geeft de tentoonstelling iets schools, alsof de bezoeker als een onbeschreven blad het museum betreedt, zonder voorkennis, en elk kunsthistorisch concept voor de eerste keer te horen krijgt. Het maakt de abstractere werken in Electric Dreams ook voor de niet-ingewijde bezoeker toegankelijk, maar de presentatie van de individuele kunstwerken lijdt er wel onder. Het is enigszins troosteloos om een boeiend werk als Dreamachine, zowel fascinerend als gedateerd, gedegradeerd te zien worden tot een didactisch moment. En het is ook enigszins beledigend, omdat de curator een fictieve bezoeker wil bedienen die geacht wordt werkelijk niets van de wereld te weten. Dergelijk intellectueel paternalisme reikt ver. Bij Tele-Mack (1968) van Heinz Mack wordt in de wandtekst vermeld dat dit videowerk in de Sahara werd opgenomen, ‘een woestijn in Noord-Afrika’.

De naïviteit die de tentoonstelling propageert heeft een ingrijpende weerslag op de vermeende autonomie van de bezoeker als kritisch subject. Als een museum de eigen bezoekers benadert alsof zij niets weten, en als het ware door de expositie ‘opgeleid’ moeten worden, ondermijn je hun intellectuele capaciteiten. Juist in een tijd waarin technologische innovatie sneller en sneller voortholt en het belangrijk is om op de hoogte te zijn van de sociopolitieke impact, goed zowel als kwaad, van deze veranderingen, heeft het iets sinisters om een publiek als vertierzoekende dwazen te bejegenen. Inhoudelijk klopt het ook niet helemaal bij de expositie, omdat de getoonde werken geworteld zijn in de politieke en artistieke verschuivingen van de afgelopen eeuw en resoneren met het hedendaagse debat over kunstmatige intelligentie. Vanwaar dan de schroom om de scherpere randen van het machinale kunstwerk te benoemen?

Het colofon van de expositie verraadt het antwoord. Electric Dreams werd mogelijk gemaakt door twee grote sponsors: modehuis Gucci en de Amerikaanse tech start-up Anthropic. Dit bedrijf blijkt achter het in 2023 gelanceerde AI-model Claude te zitten, dat werd ontwikkeld om te concurreren met ChatGPT van OpenAI en Gemini van Google. Een bijzondere, onderscheidende factor is dat de producten van deze firma gepresenteerd worden als constitutional of ‘grondwettelijke’ AI. Anthropic wil naar eigen zeggen uitsluitend AI-modellen ontwikkelen die op een ethische manier content genereren: helder, waarheidsgetrouw en vrij van een gewelddadige of anderzijds schadelijke inhoud. Deze werkwijze klinkt nobel, maar als hoofdsponsor van een expositie die over de rol van digitale technologie in de kunsten reflecteert, voelt de betrokkenheid van Anthropic enigszins dubieus. Welk aandeel hebben zij gehad in het karakter van de tentoonstelling? En zijn de infantiliserende zaalteksten misschien door Claude geschreven?

Toch is Electric Dreams niet volledig wars van politieke reflectie. In de voorlaatste themazaal zijn digitale werken van vrouwelijke kunstenaars verzameld, waaronder Fictional Videogame Stills / Would You Recognise a Virtual Paradise? (1991-1992). De Britse Suzanne Treister bedacht meerdere concepten voor dystopische videogames, waarvoor ze vervolgens mogelijke scènes ontwikkelde. De verontrustende opdrachten van deze fictieve games – bijvoorbeeld: ‘Please enact repetition of the crime’ – nodigen uit om na te denken over de gewelddadige inhoud van werkelijk bestaande games, en om stil te staan bij hoe ze extreme scenario’s zoals kernrampen en wereldoorlogen romantiseren. Ook Land (1988) van de Palestijns-Amerikaanse kunstenaar Samia Halaby wordt in deze zaal tentoongesteld. In de jaren zeventig was Halaby een van de eersten om de thuiscomputer als artistiek medium te verkennen. Voor Land, dat tussen software en videowerk zweeft, programmeerde ze een grafische sequentie van een landschap dat alsmaar opnieuw tot stand komt. Elk landschap blijft slechts enkele seconden bestaan voordat het wordt overgeschreven door een nieuw beeld. Het werk bekritiseert het ontstaan van de staat Israël: Halaby werd in 1936 in het toen nog Palestijnse Jeruzalem geboren, en na 1948 moesten de elfjarige Halaby en haar ouders hun thuisland verlaten. Het gezin emigreerde naar de Verenigde Staten, maar de gedwongen verplaatsing had vanzelfsprekend een grote impact. In haar werk toont Halaby het politieke geweld waaraan haar geboorteland de afgelopen zeventig jaar onderhevig is geweest. Gezien het conservatisme van veel moderne kunstinstituten – het Stedelijk Museum weigerde recent nog Palestina te noemen in communicatie over de tentoonstelling van Miriam Cahn, die meerdere werken over 7 oktober 2023 bevat – is het verfrissend dat Tate Modern het koloniale trauma van Palestina openlijk erkent. Dat dit bovendien gebeurt in een expositie die plaatsvindt in de museumvleugel vernoemd naar Eyal Ofer, de miljardair die tussen 1967 en 1973 voor de Israëlische luchtmacht werkte en in 2013 een grote donatie aan Tate deed, getuigt van lef, hoewel de financiële betrokkenheid van Ofer ook wrang blijft.

De primaire indruk die Electric Dreams achterlaat, is die van een ankerloze tentoonstelling. De expositie wil een link leggen tussen met AI gemaakte hedendaagse kunst en machinale kunst uit de vorige eeuw, maar neemt geen intellectuele positie in wat betreft de sociale en politieke processen rondom deze kunstvormen. Het doel lijkt volstrekt indexicaal te zijn, in de betekenis die Sianne Ngai aan deze term geeft: er wordt naar kunstwerken gewezen om te zeggen: ‘dit is interessant, en dit ook!’ Van een ‘hoe’ of een ‘waarom’ is er geen sprake. Dat gebrek aan historische reflectie draagt bij aan de rommelige indruk. Wat hebben werken als Electric Dress, Dreamachine en Land concreet met elkaar gemeen? Dat ze voortkomen uit technologie die voorbij de figuratieve schilderkunst gaat? Dat ze mogelijk worden dankzij een kabel in een stopcontact? In plaats van antwoorden op die vragen krijgt de bezoeker encyclopedische definities en topografische feiten: kennis, waardevol misschien, maar niet essentieel voor een diepgaand begrip. Electric Dreams lijkt puur gerealiseerd als commerciële geste, als tegengewicht voor de multimediale kunstattracties elders in Londen, als een vlucht door de twintigste-eeuwse innovatie dankzij machinekunst, en als een makkelijke manier om ‘moeilijke’ kunst te bekijken.

Elders in Londen is er deze winter gelukkig wel een coherente en afwijkende verkenning van kunst en technologie te beleven. Holly Herndon en Mat Dryhurst, die in 2024 xhairymutantx toonden op de Whitney Biennial, exposeren nu in de Serpentine Galleries de nieuwe installatie The Call. Ze bestudeerden dit keer de koortradities van het Verenigd Koninkrijk en vroegen vijftien koren om geluidsopnames te delen. Vervolgens werkten ze samen met de koren om een juridische handleiding voor de resulterende datasets vast te leggen. Hoe willen zij dat hun stemmen gebruikt worden? Wie mag er toegang hebben tot de datasets? De resultaten van deze onderhandelingen werden vervolgens getoond en ten gehore gebracht, in een symmetrische setting met beelden, luidsprekers en teksten, als in een kapel. Bij de expositie hoort een gratis publicatie waarin Herndon en Dryhurst alle stappen van het samenwerkingsproces toelichten, in de hoop een transparant beeld te geven van hoe AI op een ethische manier gebruikt kan worden om nieuw artistiek werk te maken. Zij kozen bewust voor de Angelsaksische koortraditie als gevalstudie, omdat deze kunstvorm zo’n lange en relatief goed gedocumenteerde geschiedenis kent. Door de productie- en disseminatiemethodes van een oude kunstvorm te bestuderen, komt een betrouwbare blauwdruk voor duurzame AI-kunst – als nieuwe kunstvorm – binnen bereik. The Call brengt in beeld hoe oude en nieuwe technieken elkaar kunnen aanvullen, en laat overtuigend zien hoe AI als artistiek instrument kan worden ingezet en de kunstenaar kan dienen in plaats van vervangen.

 

Deze tekst werd mogelijk gemaakt door het reisfonds van AICA Nederland.

• Electric Dreams. Art and Technology Before the Internet, tot 1 juni, Tate Modern, Bankside, Londen. De catalogus onder redactie van Val Ravaglia verscheen bij Tate Publishing, Londen, ISBN 9781849769242. Holly Herndon & Mat Dryhurst. The Call, tot 2 februari, Serpentine North Gallery, Kensington Gardens, Londen.

Een terugkeer naar onszelf?

‘Surrealisme is een kunst- en literaire stroming die ontstond in de jaren twintig in Europa, met als doel het bevrijden van de menselijke geest van de beperkingen van de logica en de dagelijkse realiteit. De stroming probeert de grenzen tussen droom en werkelijkheid te vervagen en geeft ruimte aan het onderbewuste, irrationele en fantasierijke. […] Bekende kunstenaars die tot het surrealisme worden gerekend zijn Salvador Dalí, René Magritte en Max Ernst. Ze gebruikten technieken zoals vervorming, juxtapositie en symboliek om hun ideeën uit te drukken.’

Deze definitie, opgesteld door ChatGPT op 22 augustus 2024, verschilt nauwelijks van wat in een gemiddeld museum of studieboek onder surrealisme wordt verstaan. Heel wat tentoonstellingen bieden precies deze (gesaneerde) versie van het surrealisme aan: mooi uitgelichte doeken van Ernst, Magritte en Dalí, met tekstbordjes over dromen en het onderbewuste. Voor extra verdieping wordt wellicht ook een Bellmer getoond met een opmerking over seks, naast werk van Carrington, Miller of Toyen en een opmerking over seksisme. Om het af te ronden wordt een zin over de Eerste Wereldoorlog toegevoegd met de term ‘trauma’. Voilà, een tentoonstellingsconcept! Het surrealisme werd in het jubileumjaar 2024 geregeld op een dergelijke manier door tentoonstellingsmakers uitgehold, met IMAGINE! 100 Years of International Surrealism in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel als een van de opvallendste voorbeelden.

Het surrealisme omvat vele ideeën en praktijken, maar een kernpunt is het bevragen van de dagelijkse realiteit als gegeven en als ‘normaal’. In een tijd waarin software, algoritmen en artificiële ‘intelligentie’ grote delen van onze werkelijkheid vormgeven, is dat bijzonder relevant. Zielloze machines produceren content, niet of nauwelijks te onderscheiden van wat gegenereerd wordt door onze vaak doelloze medemens. De alwetendheid van AI is natuurlijk schijn, maar desondanks niet minder intimiderend en met verstrekkende gevolgen, zoals slachtoffers van algoritmische discriminatie maar al te goed weten. Surrealistische creatieve technieken – schrijven, tekenen, schilderen zonder bewuste sturing – krijgen in het licht van niet-bewuste codesetjes die als personen overkomen bijna sinistere relevantie. Waar algoritmen proberen onze gedachten te voorspellen en te sturen, omarmt de surrealist juist het onvoorspelbare en ogenschijnlijk irrationele. Minstens net zo relevant zijn de surrealistische groepsspellen, gericht op het maximaliseren van een bepaalde vorm van toeval, hasard objectif. Ook zo ontsnap je aan de algoritmische determinatie waarmee Silicon en andere Valleys graag de werkelijkheid en de menselijke participatie indelen. Laten we cadavres exquis schrijven of tekenen en onverwachte verbindingen scheppen in plaats van ons te laten leiden door gepersonaliseerde, voorgekookte aanbevelingen.

Wat is surrealisme? Een internationale revolutionaire beweging gericht op de emancipatie van de geest, met kritische waakzaamheid als modus en vrijheid als doel. De mogelijkheden worden vooral duidelijk binnen een internationale, niet-Franse context. Surrealistische beeldtaal, vol dubbelheden, absurdisme en humor – ogenschijnlijke nonsens, in de ogen van het censurerende regime – bood Indonesische kunstenaars in de jaren tachtig van de vorige eeuw ruimte tot expressie van vervreemding en tot het (beperkt) bevragen van de sociaal-politieke opgelegde werkelijkheid onder de ‘nieuwe orde’ (Orde Baru) van Soeharto.[1] Surrealistisch denken in de vorm van poëzie bood Suzanne Césaire, haar man Aimé en vele anderen in Martinique in de jaren veertig ruimte om hun geest te dekoloniseren lang voordat een geïnstitutionaliseerd proces van dekolonisatie aanving. Dit schreef Suzanne Césaire in 1943:

‘Dat is surrealistische activiteit, een totale activiteit, de enige die de mensheid kan bevrijden door haar het onbewuste te onthullen, een van de activiteiten die zal helpen bij het bevrijden van mensen door de blinde mythes te verlichten die hen tot op dit punt hebben geleid.'[2]

Een van die actuele blinde mythes is dat meer controle vrijheid zou garanderen. Shoshana Zuboff spreekt van surveillance capitalism, dat de menselijke ervaring tot data en algoritmen reduceert en het winstoogmerk laat overheersen.[3] Techgiganten spinnen garen bij de alomtegenwoordige aanwezigheid van digitale ‘hulpmiddelen’ en platforms en maken nagenoeg elk aspect van ons geobserveerde leven tot een geldkwestie. Ook hier biedt Césaire raad: ‘En nu: een terugkeer naar onszelf.’[4] In een wereld waarin identiteiten worden gereduceerd tot datapunten is de herontdekking van het zelf nagenoeg een revolutionaire daad.

Is het surrealisme voorbij? Als je een deel van de musea en academici moet geloven wel. De historiciteit van de beweging biedt veiligheid (radicaliteit afgebakend in de tijd) en ook marktwaarde. Sinds enkele jaren worden recordprijzen betaald voor (twintigste-eeuwse) surrealistische kunst, verhandeld via veilinghuizen zoals Christie’s en Sotheby’s. Het houdt bovendien impliciet een eurocentrische (vooral rond Parijs gecentreerde) en chrononormatieve opvatting van de avant-garde en het surrealisme in stand. Als alles van belang en relevantie gebeurde in Parijs in de jaren twintig en dertig, maakt dat kunstenaars elders in ruimte en tijd sowieso tot navolgers.[5] Tentoonstellingen zoals Surrealism Beyond Borders, in 2020 en 2021 te zien in The Metropolitan Museum of Art in New York en in Tate Britain in Londen, hebben ruimschoots aangetoond dat de vork anders in de steel zit, en dat de bijziende focus op het Franse interbellum nauwelijks recht heeft gedaan (en doet) aan de beweging, haar levenshouding en haar mensen. Nu we een eeuw verder zijn, wordt het bereik van het surrealistische gedachtegoed en de omvang – geografisch en temporeel – meer dan duidelijk. Het surrealisme is een tijdsgewricht, een era, zoals de romantiek: een zijnsmodus, een mentaliteit, in onze moderne en metamoderne wereld.[6] Surrealisten schilderen, schrijven en publiceren ondertussen gewoon door, bijvoorbeeld in tijdschriften en zines die hedendaagse kunst, poëzie en polemiek publiceren, zoals het Franse Infosurr, het Canadese anarcho-surrealistische The Oystercatcher of Prehensile Tail van de Leeds Surrealist Group. Galerie ARTTRA in Amsterdam stelde vorige zomer werk van enkele actieve Nederlandse surrealisten tentoon, op de expositie Brumes Blondes.[7]

De relevantie van het surrealisme vandaag schuilt niet (alleen) in het feit dat er surrealisten actief zijn. Het is ook, misschien zelfs bij uitstek, het surrealistische gedachtegoed dat toepasbaar is op de wereld van vandaag, en dat zowel soelaas biedt als een middel tot kritisch bevragen, en zelfs tot intellectuele bewapening. Een voorbeeld is de diepe surrealistische afkeer van fascisme en autoritaire regimes, die kan inspireren in een tijd waarin rechts-populistisch denken, dat simplistische oplossingen biedt voor complexe problemen, geheel politiek salonfähig is geworden. Het Lenbachhaus München wijdt hier met Surrealismus + Antifaschismus een grote tentoonstelling aan, die nog loopt tot 2 maart. Daarnaast is er de dagelijkse confrontatie met het kapitalisme, waarvan de inherente logica alles, inclusief mensen en niet-menselijke organismen, reduceert tot product. Dit was de surrealisten al vroeg duidelijk. Uiteenlopende strategieën om de kapitalistische machine te dwarsbomen werden ontwikkeld, van werkweigering en staking tot sabotage en lijntrekken.[8] Dat laatste heet tegenwoordig quiet quitting, maar de andere activiteiten zijn nauwelijks minder relevant.

Minstens zo urgent is de vraag hoe we ons kunnen verhouden tot onze leefomgeving en tot niet-menselijke anderen. De gevolgen van eeuwen kolonialisme en ongebreidelde uitputting van mens, dier en planeet worden pijnlijk duidelijk. Momenteel bevinden we ons al diep in de sixth mass extinction, zonder twijfel van antropogene oorsprong, die op stoom ligt om een miljoen soorten planten en dieren weg te vagen. Posthumanistische, feministische denkers zoals Rosi Braidotti en Donna Haraway pleiten voor het smeden van nieuwe relaties met niet-menselijke wezens. Ook hier kan surrealistisch gedachtegoed leidend zijn, of in ieder geval een ingang bieden. Een diepe interesse in overeenkomsten of zelfs verwantschappen met dieren, organismen, zelfs stenen en mineralen, kenmerkt een breed scala aan surrealistische poëzie, kunst en gedachtegoed. Welbekend zijn de vele hybride wezens in de beeldende kunst, die wijzen op het artificiële onderscheid tussen mens en natuur door grenzen te vervagen of door er radicaal mee te breken, zodat de menselijke angst voor het natuurlijke centraal komt te staan, net als illusies over dominantie. Ook valt te denken aan de biomorfe vormen van bijvoorbeeld Toyen, Arp, Miró of Ouborg in diens surrealistische fase, of aan de ecopoëtica van sommige surrealistische schrijvers.[9] Op z’n minst neemt het surrealisme de relatie tussen de mens en de omgeving op niet-dualistische wijze onder de loep. De zekerheid over de moderne ontologische tegenstelling tussen mens en het meer-dan-menselijke valt weg.

Een veelvoorkomende misvatting is dat surrealisme zou neigen naar escapisme, naar je verliezen in bijvoorbeeld droomwerelden of onbewuste fantasieën. Het tegendeel is waar: surrealisme is een realisme omdat het zich altijd op de werkelijkheid richt. Het bevraagt hoe dingen zijn, waarom ze zo zijn, en het laat zien hoe het ook kan, hoe we het heden anders kunnen denken en ervaren – hoe het niet, of in ieder geval minder, antropocentrisch kan zijn. De ruimte voor automatisme en voor collectiviteit ondermijnt de idee dat de mens exceptioneel zou zijn.

Surrealisme is daarom verre van een historische curiositeit en kan een cruciale rol spelen in het navigeren door onze complexe, door technologie gedomineerde wereld. Het nodigt uit om de werkelijkheid te bevragen en te herscheppen. In een tijd waarin ‘alternatieve feiten’ en deepfakes elk begrip van de waarheid ondermijnen, zijn kritisch willen kijken, creatief kunnen denken en durven twijfelen essentieel. Het is zaak geen genoegen te nemen met de realiteit zoals die ons wordt voorgeschoteld. De werkelijkheid moet vermeden noch gedigitaliseerd worden, maar veranderd en getransformeerd.

 

Noten

1. Tessel M. Bauduin, ‘Surealis Yogya and other surrealist moments in Indonesia in the 20th century’, in: Kirsten Strom (red.), The Routledge Companion to Surrealism, Londen, Routledge, 2022, pp. 243-251.

2. Suzanne Césaire, ‘Surrealism and Us’ [1943], in: Daniel Maximin (red.), The Great Camouflage. Writings of Dissent (1941-1945), Middletown, Wesleyan University Press, 2012, p. 37.

3. Shoshana Zuboff, The Age of Surveillance Capitalism. The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power, New York, PublicAffairs, 2019.

4. Op. cit. (noot 2), p. 37.

5. Feitelijk ben ook ik niet in een positie om een eerste steen te gooien; de eerste jaren van mijn academische werk was ook ik nadrukkelijk gericht op de eerste drie decennia van de beweging, ten koste van de andere zeven, en speelden witte (en met name) Franse mannen een grote rol in mijn onderzoek.

6. Mijn dank aan Abigail Susik voor dit inzicht.

7. Laurens Vancrevel en Rik Lina (red.), Brumes Blondes. Schilders en dichters. 100 jaar Surrealisme, Amsterdam, Galeria ARTTRA, 2024.

8. Abigail Susik, Surrealist Sabotage and the War on Work, Manchester, Manchester University Press, 2021.

9. Zie bijvoorbeeld de analyse van André Bretons Amour Fou (1937) in: Donna Roberts, ‘The ecological imperative’, in: M. Richardson en K. Fijalkowski (red.), Surrealism. Key Concepts, Londen, Routledge, 2016, pp. 217-227, pp. 220-221.

Als alles een object is… Le surréalisme: bouleverser le réel, Musée des Beaux-Arts, Bergen

Nauwelijks vier maanden nadat de uitmuntende overzichtstentoonstelling Histoire de ne pas rire over honderd jaar Belgisch surrealisme de deuren sloot in Brussel, organiseert het Musée des Beaux-Arts de Mons een minstens even omvangrijke expo over hetzelfde onderwerp. In Bozar bracht Xavier Canonne, de auteur van een uitstekend referentiewerk over het Belgische surrealisme, een even overtuigende als prikkelende synthese van zijn onderzoek en inzichten. Le surréalisme: bouleverser le réel, de Bergense tentoonstelling, is samengesteld door Marie Godet, die in 2017 met het proefschrift Le poids du réel. Les surréalistes bruxellois et l’objet dans les années 1940 de titel van doctor in de Kunstwetenschappen behaalde aan de ULB. De expo in het Musée des Beaux-Arts omvat twee delen: op de eerste verdieping komen de surrealistische realisaties van de jaren twintig tot veertig aan bod, op de tweede verdieping staat enigszins verrassend de kunst van de jaren zestig centraal.

De centrale these omtrent de inzet van het Belgische surrealisme is voor Canonne en Godet identiek en wordt door hen opgehangen aan dezelfde datum die het eeuwfeest legitimeert: 1924. In dat jaar, op 15 oktober om precies te zijn, verscheen het Manifeste du surréalisme van André Breton. Bijna gelijktijdig bundelden drie Brusselse intellectuelen de krachten. Paul Nougé, Camille Goemans en Marcel Lecomte publiceerden van 22 november 1924 tot 20 juni 1925 ongeveer om de tien dagen een pamflet dat via de post bij door hen gekozen bestemmelingen in België en Frankrijk belandde. Elk vlugschrift werd gedrukt op een gekleurd vel papier: bovenaan stond de datum van de publicatie en de naam van de kleur, gevolgd door een cijfer – van Bleu 1 tot Nankin 22 – en onderaan werd de auteur vermeld en ‘Correspondance, Rue de Mérode 226, Bruxelles’. In zijn overzichtswerk omschrijft Canonne de reeks pamfletten als een ‘onderneming […] vol insinuaties, omwegen, referenties en allusies […] die de geadresseerde [verplichtte] tot lezen en eventueel tot het herlezen van zichzelf’. Godet zit op dezelfde golflengte: ‘Ze waren geadresseerd aan figuren uit de literaire en artistieke wereld en daagden hen uit om het eigen werk kritisch te bekijken.’ Ze omschrijft de Correspondance-pamfletten ook als de ‘eerste ontwrichtende objecten van het surrealisme in België’. Bij uitbreiding zien beide curatoren de ‘Brusselse groep’ – zoals René Magritte, Paul Nougé en anderen hun affiliatie omschreven – als een subversieve beweging ‘met als enige aanvaardbare intentie de radicale verandering van de wereld’ (Canonne) of ‘met als doel om een impact te hebben op anderen en een verandering teweeg te brengen in hun manier van kijken, denken en dus handelen’ (Godet). Beide curatoren beschouwen bovendien dichter en intellectueel Paul Nougé als de maître à penser van het Belgische surrealisme. Het is geen toeval dat Canonne zijn expo de titel gaf van Nougés eerste anthologie, samengesteld en uitgegeven door Marcel Mariën in 1956. (Op de achterflap van dat boek is overigens het volgende te lezen: ‘Exégètes, pour y voir clair, rayez le mot surréalisme.’)

In de eerste zaal van Le surréalisme: bouleverser le réel zijn naast de pamfletten negen foto’s uit Nougés negentiendelige fotoreeks La subversion des images te zien – een mijlpaal in de ‘surrealistische fotografie’. Met een uitvergroot citaat van de Brusselse taalpatholoog wordt zijn moreel leiderschap nog meer in de verf gezet. Ook in de tweede zaal staat Nougé centraal, maar hier eist de curator minstens evenveel aandacht op. Godet heeft slogans geselecteerd die Nougé bedacht voor een Correspondance-spektakel dat op 2 februari 1926 plaatsvond in het Théâtre Mercelis in Brussel. Gebruikmakend van een klassieke Belgisch-surrealistische strategie heeft ze naast elke slogan een verkiezingsaffiche gehangen, ontworpen in de tijd waarin de Brusselse auteur zijn slagzinnen bedacht. Het is een heus waagstuk dat wonderwel uitpakt. Naast een poster met een cartoon waaruit moet blijken dat de socialisten de bevolking door de gehaktmolen draaien – ‘Votez pour les catholiques’ – is de volgende tekst van de Brusselaar te lezen: ‘SECS/COMME LE/BOIS/VOUS/FLAMBEREZ CLAIR’. Beide delen van de montage versterken elkaar. De gehaktmolen wordt in verband gebracht met iets wat een barbecue moet voorstellen. De ruwe beeldtaal van de verkiezingsaffiche past naadloos bij Nougés woorden, die ware stroomstoten zijn.

Godets visie op het Belgische surrealisme mag dan grotendeels samenvallen met de door Canonne in Histoire de ne pas rire verdedigde stellingen, ze heeft niettemin een nagenoeg volledig verschillende expositie bedacht, zelfs op het niveau van de geselecteerde stukken. Dit is geen geringe verdienste. Waar Canonne koos voor een chronologische opbouw, benadert Godet haar visie op honderd jaar surrealisme in België thematisch. In lijn met haar doctoraat focust ze op het object, een onderwerp dat in Bozar slechts impliciet aan bod kwam. Maar wat is een object? Zoals gezegd karakteriseerde Godet de Correspondance-pamfletten als ‘ontwrichtende objecten’. Als in een van de zalen de reclameprenten van onder anderen Magritte en Auguste Mambour worden gepresenteerd, wordt stilgestaan bij de fascinatie van de surrealisten voor objecten waarvoor publiciteit wordt gemaakt. Met deze vaststelling neemt Godet echter geen genoegen. Als een volleerd retorisch jongleerder stelt ze: ‘Ook reclame werd soms een object, waardoor de grenzen ongewild vervaagden.’ In het tweede deel van deze zin lijkt ze vooral haar eigen benadering te karakteriseren. Alles in deze expositie is een object: het object waarvoor reclame gemaakt wordt, maar ook de reclame zelf, een object dat geschilderd is – een pijp bijvoorbeeld – en de pijp zelf (onder meer Pipe bleue van Marcel Broodthaers), Magrittes schilderij van een gipsen vrouwenhoofd – een hoofd dat zelf een object geworden is – en beschilderde gipsen dodenmaskers van dezelfde auteur. De associatielust van de curator is grenzeloos. Op zich zijn de verbanden geestig en zelfs inspirerend. Geen enkele relatie is uit de lucht gegrepen, maar niets wordt grondig uitgewerkt. In de meeste zalen doorkruisen doorgaans meerdere gedachtegangen elkaar, zonder welke redenering dan ook uit te diepen of af te maken. Waarom was Magritte actief als ontwerper van publiciteit? Omdat hij niets liever deed? Uit liefde voor de objecten waarvoor hij reclame maakte? Of uit economische noodzaak? Welk statuut hadden de ‘objecten’ die hij als reclameman bedacht? Voor Godet volstaat het om enkele tekeningen of affiches te tonen, met of zonder handtekening van de meester, met of zonder vermelding van zijn commercieel bureau, Studio Dongo. Over Magritte als publiciteitsmaker vertelt deze expo niets wezenlijks, maar wat wel blijkt, is dat de wereld van de publiciteit zich eveneens heeft geïnspireerd op het surrealisme. Ook dat is een thema in deze expo, waarop uiteraard verder niet wordt ingegaan. Wel is de bolhoed van Magritte te zien, waarover gesteld wordt dat het een object is geworden met grote marktwaarde, dat ondertussen deel uitmaakt van de collectie van de Luikse olieboer Uhoda. Het object is op die manier werkelijk overal: het object dat geschilderd wordt, maar ook een doek van een object is zelf een object. Om de these van het schilderij als commodity kracht bij te zetten, wordt de beroemde uitnodigingskaart van Broodthaers’ eerste solo in de galerie Saint-Laurent erbij gehaald: ‘Moi aussi, je me suis demandé si je ne pouvais pas vendre quelque chose et réussir dans la vie.’ Alles wordt aan elkaar gebreid, zodat niets er echt meer toe doet.

In de expo Histoire de ne pas rire in Bozar werd aandacht besteed aan Magritte en Nougé én aan hun intellectuele of artistieke erfgenamen. Werken van de jaren twintig tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werden samengebracht. Op de tweede verdieping van het Musée des Beaux-Arts de Mons houdt Marie Godet het bij een decennium – de jaren zestig – en brengt ze kunstwerken in secties bijeen die iconografisch bij elkaar lijken te passen. Zelf beweert ze in het tweede deel van de expo ‘surrealistische werken [te confronteren] met die van Belgische vertegenwoordigers van nieuwe artistieke bewegingen’. Het is een voornemen dat nooit ten uitvoer had mogen worden gebracht. Klassieke surrealistische werken – de assemblages van Marcel Mariën of de collages van E.L.T. Mesens bijvoorbeeld – hangen of staan naast kunst die makkelijkheidshalve onder te brengen valt bij de popart, het Nouveau Réalisme, de Nieuwe Visie of de conceptuele kunst.

In de eerste zaal vormt het motief van het ei het verbindende element. Een werk van Broodthaers (De eieren, 1967) hangt naast werken van Pol Bury (Casserole uit 1972, een pan met een tiental eieren), Paul Van Hoeydonck (Controlepost, 1963) en een schilderij van een reusachtig ei (Jane Graverol, De Blik, 1978). Waar de kijker op de eerste verdieping nog uitgedaagd wordt om na te denken over wat de werken met elkaar te maken hebben, wordt op de tweede verdieping eenzijdig gemikt op gelijkenissen op het vlak van de beeldtaal. Dat Van Hoeydonck met Controlepost bijna letterlijk op een andere planeet vertoeft dan Broodthaers, lijkt niets uit te maken. Het is voldoende om vast te stellen dat beide kunstenaars ‘iets doen’ met witte eiervormige objecten. Nu eens worden schilderijen van vrouwelijke figuren, dan weer konterfeitsels van fruit en groenten bij elkaar gehangen. Een geschilderd zaadzakje van Jef Geys (Doperwten, 1967) hangt schouder aan schouder met Les Couleurs de la vie (1974) van Mariën, een aardbei die de tanden ontbloot. Bij de doperwten en de aardbei horen verder nog kolen en wortelen. Er zijn accrochages met gebruiksvoorwerpen in de ruime zin van het woord – van wasknijper tot telefoontoestel – en opstellingen met bouwmaterialen – van baksteen tot betonblok. Dat elk werk uit een volledig ander intellectueel en artistiek universum komt, blijkt geen enkel bezwaar. Het tweede luik van Le surréalisme: bouleverser le réel berust volledig op beeldrijmen, die volstrekt betekenisloos zijn. De vele nietszeggende vragen waarmee de zaalteksten veelal worden afgesloten, spreken boekdelen. Als de curator de sectie met ‘de eierwand’ (dixit Godet) heeft toegelicht, vraagt ze zich af: ‘Is het nog mogelijk om het verschil te zien tussen een surrealistisch en een niet-surrealistisch object?’ Met deze bedenking haalt de curator eigenhandig haar project onderuit.

Le surréalisme: bouleverser le réel is een expositie met twee gezichten. In het eerste deel wordt een duizelingwekkend web van associaties geweven zonder dat deze op zich betekenisvolle verbanden ten gronde worden behandeld. Het samenbrengen van surrealistische en niet-surrealistische ‘objecten’ op basis van gelijkaardige motieven of materialen in het tweede deel van de expo is een ronduit gratuite exercitie.

 

• Le surréalisme: bouleverser le réel, tot 16 februari, Musée des Beaux-Arts, Rue Neuve 8, Bergen.

Kop noch staart. Surréalisme, Centre Pompidou, Parijs

Kunnen we er eindelijk mee ophouden elke moeilijk te begrijpen gebeurtenis in Belgenland te omschrijven als ‘Belgisch surrealisme’? Het surrealisme is niet Belgisch, maar Frans! Dat maakt de tentoonstelling in het Centre Pompidou ter ere van de honderdste verjaardag van deze kunststroming heel duidelijk. Hoewel er enkele belangrijke Belgische vertegenwoordigers zijn – Magritte en Delvaux zijn de bekendste – is het surrealisme helemaal verankerd in het Parijs van de eerste helft van de twintigste eeuw, en meer in het bijzonder in de kunstscene die André Breton vanaf 1924 rond zich opbouwde en die aan het einde van de jaren zestig uit elkaar viel.

Het surrealisme was, voor die tijd, enorm internationaal: zoals uit de tentoonstelling in Parijs blijkt, bevonden zich niet alleen Fransen (zoals Yves Tanguy, André Masson, Philippe Soupault), Duitsers (Max Ernst, Unica Zürn, Erwin Blumenfeld) en Spanjaarden (Salvador Dalí, Óscar Domínguez, Maruja Mallo) onder de surrealisten, maar ook Tsjechen (Jindrich Styrsky, Toyen), Japanners (Tatsuo Ikeda, Shuzo Takiguchi), Amerikanen (Helen Lundeberg, Lorser Feitelson), een Deense (Rita Kernn-Larsen), een Mexicaanse (María Izquierdo), een Chileen (Roberto Matta) en een Argentijnse (Eileen Agar). Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat deze kunstenaars elkaar meestal in Parijs hebben ontmoet. En het surrealisme was ook vrouwelijk! De kunststroming kende een groot aantal vrouwelijke leden, die bovendien bekend werden, zoals Dora Maar, Dorothea Tanning en Leonora Carrington. Er werd geflirt met de sociaal geconstrueerde grenzen van gender (zie het vrouwelijke alter ego van Marcel Duchamp, Rrose Sélavy) en de patriarchale maatschappij werd in vraag gesteld. Dit schreef Breton in 1944 in Arcane 17:

‘De tijd is gekomen om de ideeën van vrouwen te promoten ten koste van die van mannen, wier faillissement vandaag de dag behoorlijk tumultueus wordt voltrokken […]. Laat de kunst resoluut voorrang geven aan het zogenaamde ‘irrationeel’ vrouwelijke, laat ze in alle felheid alles als vijandig beschouwen dat, met de aanmatiging zich voor zeker en solide te houden, in werkelijkheid het kenmerk draagt van deze mannelijke onverzettelijkheid die, in termen van menselijke relaties op internationale schaal, vandaag meer dan voldoende laat zien waartoe ze in staat is. […] Alle verzoeken van de man afwijzen.’

Het is dus niet verwonderlijk dat het surrealisme in MeTootijden opnieuw interesse wekt. Ook de kritische houding tegenover de Franse kolonisatie destijds en het pleidooi om zich op een andere manier te verhouden tot de natuur en tot de kosmos, verzinnebeeld door een mens die zich niet meer gedraagt als meester over de natuur en als centrum van het universum, klinken actueel.

De expo Surréalisme, met Didier Ottinger en Marie Sarré als curatoren, is opgedeeld in veertien thema’s die elk een aparte zaal hebben gekregen: het labyrint, het medium, de droom, de collages, hersenschimmen, Alice in Wonderland, het monster, de moeder/zee (mère/mer), de mélusine (half vrouw, half slang), het bos, eros, de alchemie, de nacht en de kosmos. Deze iconografische thema’s belichamen stuk voor stuk de interesse van de surrealisten voor het irrationele, voor wat de logica en de ratio te boven of te buiten gaat. Het onbewuste en de droom sturen het bewuste heimelijk (in de war) en boren ook andere werelden aan, als medium. Het kind (Alice) is een wezen dat nog niet geformatteerd is door het aristotelische denken. De interesse in mythische figuren zoals de mélusine en de minotaurus komt voort uit de manier waarop zij de grens tussen mens en dier vervagen. De moeder en de zee zijn fascinerend als matrices van metamorfose, en de nacht en het bos als omstandigheden en plekken waarin onze dierlijke, intuïtieve kant boven komt drijven.

Het klopt natuurlijk dat deze onderwerpen vaak door surrealisten zijn afgebeeld. Dalí verbeeldt dromen waar letterlijk kop noch staart aan te krijgen valt. Victor Brauner construeert een houten tafeltje met de kop en de staart van een wolf (Loup-table, 1939-1947) en Dora Maar maakt fotocollages die baden in een uncanny sfeer (Le simulateur, 1936). Het gevaar van de tentoonstelling te organiseren rond deze iconografische thema’s is evenwel dat de filosofische insteek en de conceptuele dimensie van het surrealisme wat ondergesneeuwd raken. Om het eenvoudig te zeggen: een mélusine schilderen volstaat niet om meteen ook de voorgegeven grenzen tussen mens en dier in vraag te stellen. De kleine zeemeermin van Walt Disney is ook half vrouw, half vis, maar blijft tegelijkertijd prototypisch menselijk, en zelfs westers en vrouwelijk op een clichématige manier. Niet alleen datgene wat is afgebeeld moet de ratio tarten, maar ook, bijvoorbeeld, de manier waarop het kunstwerk tot stand komt, moet dooreengeschud worden. Interessant in deze context zijn de cadavres exquis. Jacques Prévert, Marcel Duhamel, Yves Tanguy en Georges Sadoul vormden een kinderspel om tot artistieke methode. Iemand schrijft een zelfstandig naamwoord op een papiertje (le cadavre), vouwt het dicht en geeft het door aan de volgende persoon, die er een adjectief aan toevoegt (exquis) zonder te hebben gelezen wat er op het briefje stond. De tweede deelnemer geeft het briefje aan een derde, die er een werkwoord aan toevoegt (boira), waarna de vierde persoon een lijdend voorwerp noteert (le vin), dat tot slot door nog een vijfde participant opnieuw van een adjectief wordt voorzien (nouveau): le cadavre exquis boira le vin nouveau. Prévert, Duhamel, Tanguy en Sadoul pasten deze methode toe op het beeld, wat resulteerde in figuren die enkel- en meervoudig tegelijkertijd zijn – lichaam én toestand, ding én schema. Bovendien tarten ze niet enkel de logica, ze halen esthetische principes zoals verhouding, harmonie en kleur onderuit. Wat kunnen surrealistische schilderijen lelijk zijn! Ook de mythe van de kunstenaar als een genie dat helemaal alleen te werk gaat, blijft niet overeind. Zelfs de meest ontregelde dérive van de meest maffe kunstenaar kan niet op tegen deze combinatie van vijf onwetende geesten met het toeval. Er zijn nog gelijkaardige procedés waarmee de surrealisten experimenteerden. De écriture automatique voltrok zich al dan niet onder invloed van drugs, en André Masson maakte tekeningen met vormen die tot stand kwamen door zand te laten vallen op lijmvlekken. In beide gevallen is het niet meer de kunstenaar die beslist, maar rijgen woorden of materialen zichzelf aan elkaar, van zodra ze in een zekere flow worden gebracht.

Deze methodologische experimenten komen wel aan bod in de tentoonstelling, maar eerder marginaal, terwijl ze toch de kern uitmaken. Het surrealisme heeft een zeer conceptuele basis. Het feit dat de surrealisten ook politieke standpunten innamen en dit engagement als een onderdeel van hun artistieke houding beschouwden, bevestigt dit. Afkeer van de kapitalistische consumptiedrang dreef velen onder hen op een bepaald moment in de armen van de Franse communistische partij. Ook is het zo dat Breton veel tijd en energie stak in het proberen beschrijven van de ideeën en de essentie van het surrealisme – hij schreef maar liefst drie manifesten.

Hoe deze conceptuele dimensie in een tentoonstelling aan bod kan komen zonder dat het publiek uren moet staan lezen, is een moeilijke vraag. Een tentoonstellingsmaker moet natuurlijk ook rekening houden met bezoekersaantallen en met de stroom van de mensenmassa door de expositieruimtes. Je kan, zoals Ottinger en Sarré hebben gedaan, de manuscripten van de verschillende surrealistische manifesten tonen, of je kan de conceptuele insteek vermelden in de muurteksten die de iconografische thema’s inleiden. Je zou ook kunnen werken met filmfragmenten, die als voordeel hebben dat ze veel en complexe informatie overbrengen in korte tijd. Het is vreemd dat deze optie niet is benut.

De tentoonstelling Surréalisme is duidelijk gemaakt voor het grote publiek. Dat blijkt uit de nogal voor de hand liggende iconografische thema’s, maar ook uit de aanvang van de expo. De bezoeker wordt naar binnen geleid via een poort die doet denken aan een pretpark of een spookhuis en komt terecht in een zaal die, bij wijze van inleiding, gevuld is met projecties van rondzwevende tekstfragmenten, beelden, motieven en tijdslijnen. De zaal rond het thema van de nacht werd donkerblauw geschilderd en verduisterd. Het is een goed idee om, net zoals de surrealisten zelf deden, te experimenteren met scenografie. Marcel Duchamp – huisscenograaf van de surrealisten – deed dat echter altijd om ook de ervaring van het kijken te bevragen. Zo maakte hij een tentoonstellingsbezoek haast onmogelijk door een web van touwen te spannen in de expo First Papers of Surrealism in New York in 1942, of bevuilde hij de bezoeker door jutezakken waarin steenkool had gezeten aan het plafond te hangen in de Exposition internationale du surréalisme in Parijs in 1938. De scenografie diende dus nooit zomaar om het kijken op te leuken. De grote verdienste van de tentoonstelling in het Centre Pompidou is evenwel dat minder bekende, maar daarom niet minder goede surrealisten ook getoond worden, en dat het publiek toch gedeeltelijk aanschouwelijk wordt gemaakt waar het hen destijds allemaal om te doen was.

 

• Surréalisme, 4 september 2024 tot 13 januari 2025, Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, Parijs.

Robert Desnos: dromen zonder te slapen

‘De droom is een tweede leven,’ schreef Gérard de Nerval in 1855 in Aurélia ou le rêve et la vie, een tekst die beschouwd kan worden als de eerste uiting van surrealistische literatuur, al zou de stroming zelf nog tachtig jaar op zich laten wachten.[1] André Breton heeft deze schatplichtigheid aan Nerval altijd toegegeven, en Aurélia lijkt in de jaren twintig van de vorige eeuw geschreven te kunnen zijn. Al snel wordt duidelijk dat het geen tekst over een droom is, noch een verslag van een droom, maar dat het als een droom is – het ideaalbeeld voor surrealistische dichters. Wat zij vooral wilden bereiken, was de uitschakeling van elke redelijke, causale of rationele relatie tussen woorden of beelden, precies zoals je ervaart als je droomt. Als droom ontmantelt een tekst de logica die het alledaagse bewustzijn in de greep houdt.

Breton vertelt in zijn Manifeste du Surréalisme uit 1924 over de dichter Saint-Pol-Roux die steeds als hij ging slapen een bordje op de deur hing waarop te lezen stond: ‘DE DICHTER WERKT.’[2] Breton zag heel goed de paradox die daarin schuilging:

‘Het spijt mij dat ik mijn gedachten formuleer op een wijze die door de droom in principe uitgesloten wordt. Hoe lang is het wachten nog op slapende logici en filosofen? Ik zou willen slapen om me aan de slapenden te kunnen overgeven, zoals ik me overlever aan hen die mij lezen, met wijd open ogen; om in deze materie niet langer voorrang te hoeven geven aan het bewuste ritme van mijn denken.'[3]

Wie van zijn droom een kunstwerk wil maken, loopt altijd tegen deze paradox aan: dromen zijn niet hetzelfde als teksten en tekeningen die op dromen geïnspireerd zijn. Ook Charles Baudelaire was zich daar bewust van: als de droom tot inspiratie dient voor poëzie, dan is het laatste wat je moet doen in slaap vallen om je te laten overrompelen door visionaire beelden. Het is juist zaak hard te werken en poëzie te scheppen. Poëtisch dromen: voor Baudelaire komt het neer op wakker zijn en schrijven, en hetzelfde geldt voor elke ‘bewustzijnstoestand’ die kunst kan inspireren. In zijn essay ‘Les Paradis artificiels’ uit 1860 beschrijft hij hoe opium of hasjiesj inspiratie kunnen opleveren, op voorwaarde dat je dergelijke middelen niet te veel gebruikt, want dan lukt het schrijven niet meer.[4] Geen wonder dat Baudelaire de verslaving aan deze middelen veroordeelt, want ze verhinderen het werk en de contemplatie. Wie zich overgeeft aan het slapen, komt niet meer toe aan schrijven. Surrealisme is een kunst, akkoord, maar het is ook een poging om de grenzen tussen het waken en slapen, tussen ‘hard werken’ en het tweede leven van de droom te overschrijden. Het is deze spanning tussen twee schijnbaar onverzoenbare posities die kunst surrealistisch maakt.

Nergens wordt dit duidelijker dan in het werk van een surrealistisch dichter van het eerste uur, Robert Desnos (1900-1945), die poogde daadwerkelijk te schrijven vanuit de bewustzijnstoestand van de droom. Dat was een sensatie. De jonge surrealistische dichters in de kring van André Breton, onder wie naast Desnos ook Philippe Soupault, Louis Aragon en René Crevel, namen de uitdaging van de droom ernstig. Ze kwamen vanaf 1922 bijeen in Club du Faubourg aan de boulevard Barbès in Parijs. De droomsessies die ze organiseerden werden ook regelmatig bezocht door Paul Éluard, Benjamin Péret, Max Ernst, Man Ray en Giorgio de Chirico en ze zouden tot de lente van 1924 voortduren. Op 28 september 1922 organiseerden ze een séance met als titel ‘Le spiritisme jugé par le public’. Op die avond was het Robert Desnos die alle aandacht op zich vestigde door en publique in slaap te vallen en in een soort van halfslaap de meest wonderlijke verzen te declameren.

Desnos was een opmerkelijke figuur, een dandy, met opvallend donkere slaapogen. Hij maakte de wilde jaren van dada in Parijs niet mee, want pas in maart 1922 keerde hij terug uit militaire dienst in Noord-Afrika. Onmiddellijk daarna stortte hij zich in de nog jonge surrealistische beweging. In ‘Une vague de rêves’ brengt Louis Aragon in 1924 verslag uit van een droomsessie van Desnos, die ‘alleen maar zijn ogen [hoeft] te sluiten om, te midden van bierglazen en schotels, aan het spreken te slaan, en de hele oceaan stort in door zijn profetische geraas en zijn wasem versierd met lange vaandels’. Aragon is ervan overtuigd: ‘Onder andere omstandigheden werd Desnos, als hij in dit delirium terecht zou komen, de leider van een religie, de stichter van een stad, of een tribuun van een volk in opstand.’[5]

Ook André Breton doet verslag van Desnos’ hypnotische slaapsessie. In ‘Entrée des médiums’ uit 1922 beschrijft hij wonderlijke taferelen met Desnos, nota bene in de passage waar Breton de eerste keer een definitie van surrealisme formuleert:

‘Men weet, tot op zekere hoogte, wat mijn vrienden en ik onder surrealisme verstaan. Dit woord, dat niet door ons is uitgevonden en dat we zo gemakkelijk hadden kunnen overlaten aan het vaagste kritische vocabulaire, wordt door ons in een precieze betekenis gebruikt. We zijn overeengekomen om er een zeker psychisch automatisme mee te beschrijven dat tamelijk goed overeenkomt met de staat van de droom, een staat die vandaag de dag nogal moeilijk te bepalen is…'[6]

Om deze ‘staat’ helder te krijgen, doet Breton een beroep op persoonlijke waarnemingen, onder meer van een sessie met Desnos die drie dagen eerder plaatsvond dan de séance die Aragon beschreef. Max Morise, René Crevel en Desnos zijn verzameld in Bretons huis. Crevel is de eerste die een ‘hypnotische slaap’ ingaat, en hij declameert een soort van pleidooi in een zaak van een vrouw die haar man heeft vermoord. Breton beschrijft het als ‘een declamatorische dictie, afgewisseld met zuchten, soms zelf zingend, het insisteren van bepaalde woorden, snelle passages die elkaar afwisselen, oneindige uitstel van sommige eindes, dramatische voordracht’. Dan volgt Desnos, die zijn hoofd op zijn arm laat zakken en krampachtig op de tafel begint te krabben:

‘Hij werd enkele ogenblikken later wakker, ervan overtuigd dat hij zich niet anders had gedragen dan wij. Om hem van zijn vergissing te overtuigen, moest elk van ons hem apart schriftelijk op de hoogte brengen van wat er was gebeurd. Crevel zei dat het krassen op de tafel kon duiden op een wens om te schrijven, dus werd afgesproken dat we de volgende keer een potlood in Desnos’ hand zouden leggen en een vel papier voor hem op tafel.'[7]

Aldus geschiedt en Desnos tekent een vrouw die is opgehangen. Breton brengt ook verslag uit van het gesprek dat hij en de andere aanwezigen hebben met de tegelijkertijd slapende, tekenende en schrijvende Desnos. Net voor het ontwaken slaat Desnos wild om zich heen, springt op en wordt wakker. De aanwezigen maken aanstalten zich daadwerkelijk te verhangen en Breton ziet zich genoodzaakt in te grijpen.

Dergelijke theatrale bewustzijnstoestanden onder hypnotische slaap staan in die eerste jaren van het surrealisme in het centrum van de belangstelling. Zoals Aragon het schrijft: ‘Robert Desnos heeft leren te dromen zonder te slapen.’[8] Desnos’ glossolalie lijkt direct uit de krochten van het onbewuste te komen, zonder enige censuur of talige organisatie. Het resultaat is een soort hardop dromen, of praten in je slaap. We weten niet of Desnos het hele gebeuren ensceneerde of dat hij werkelijk in staat was om in een hypnagogische toestand te dichten. Scepticisme overheerste in het café, maar sommigen zagen Desnos als een buitengewoon droomtalent, een soort van spiritistisch medium. Anderen zagen zijn optredens dan weer als een variatie op de écriture automatique. Het ‘automatisme’ – zich uiten vrij van de censuur van de rede – maakt deel uit van de definitie van surrealisme, maar Breton blijft zich bewust van de paradox waarop de hypnotische slaap drijft. Sommige mensen spreken in hun dromen, maar kan dat op commando? Wie het dromen tot een spreken wil maken, zal ‘technieken’ moeten gebruiken, zoals Freud dat deed toen hij zijn patiënten onder hypnose liet spreken, een techniek die hij overigens al snel liet varen. Freuds gehele droomduiding was pas mogelijk omdat er een cruciaal verschil bestaat tussen het dromen en het spreken. Een droom spreekt nooit voor zich en moet geduid worden. In Die Traumdeutung uit 1899 wordt duidelijk dat Freud geïnteresseerd is in het spreken van de patiënt over zijn droom, niet in zijn droom als droom. Breton, fervent lezer van Freud, besefte dat maar al te goed, en temperde de hooggespannen verwachtingen van de hypnotische slaap.

Het ideaal van de droom als bewustzijnstoestand verdween al snel bijna volledig uit het surrealisme, ook bij meester-dromer Desnos. Het is alsof hij besefte dat zijn medium niet de droom maar de taal was. Zo volgden de eerste schreden van het surrealisme eenzelfde weg als die van de vroege psychoanalyse: Freud verliet de hypnose om zich te richten op de structuren van het spreken zelf; bij Lacan speelde de droom als bewustzijnstoestand zelfs geen enkele rol meer. De neerslag van een droom op papier resulteert in een taal of een tekening waaruit het menselijke subject als bewustzijn verdwenen is. Of dat voor de hypnotische slaap ook geldt, is lang niet zeker.

In 1930 publiceert Desnos de bundel Corps et biens, die grotendeels bestaat uit gedichten die in de ‘heroïsche’ jaren van het surrealisme zijn ontstaan, maar die niet teruggaan op de droomsessies. De oudste delen, ‘Rrose Sélavy’, ‘L’Aumonyme’ en ‘Langage cuit’ volgen de ‘techniek’ van een fonetisch spel. In feite buit Desnos een eigenschap uit die vooral in de Franse taal veelvuldig voorkomt, namelijk homofonie. Woorden kunnen in betekenis verschillen maar toch hetzelfde klinken, zoals mer, mère en maire. Betekenis en klank worden uit elkaar gehaald om tot surrealistische frases te komen die de lezer dwingen de tekst niet, zoals gebruikelijk, te declameren maar te lezen. Voor Desnos is dit een surrealistische goudmijn. Het brengt hem dicht bij gedichten als dromen, maar zonder eerst in slaap te moeten vallen. Dromen wordt een talige techniek.

Neem een zin uit Corps et biens: ‘Abandonnons nos ancres dans l’encre’.[9] De poëtische werking gaat niet slechts schuil in de betekenis van de zin (‘Laten we onze ankers achterlaten in de inkt’), maar ook in de klank van de woorden. Het betekenisverschil tussen ancre en encre wordt enkel bij het lezen duidelijk, dus in gedrukte vorm, verankerd in inkt, en niet bij het voorlezen. In Corps et biens wordt dat dichterlijk in een grafische formule uitgedrukt, waarin er sprake is van een ‘gevangene’ van lettergrepen of van woorden, maar – in beide gevallen – niet van betekenis.[10] De metafoor van gevangenschap is cruciaal: in het dagelijkse leven zijn we gevangen in logica en rede, maar de dichter verkiest een andere gevangenschap, van klank en ritme. Van ‘vrijheid’ is dus geen sprake, want dat zou opnieuw een vrijheid van ‘denken’ en ‘rede’ impliceren.

De surrealistische dichter schrijft automatisch, zonder de censuur van het denken. Het is opnieuw verleidelijk dit spelen met woorden in het verlengde te zien van Freuds psychoanalyse. Ook daarin worden de droom en de freie Assoziation gebruikt om toegang te verschaffen tot het onbewuste van de sprekende patiënt. Natuurlijk is de zogeheten ‘vrijheid’ van de vrije associatie schijn: de patiënt gaat van de ene onvrijheid (van de taal) naar de andere (van het onbewuste). De techniek – Freud hechtte aan dat woord en vermeed te spreken over een ‘theorie’ – wordt een poëtische techniek, samengevat door Desnos in de frase: ‘Les lois de nos désirs sont des dés sans loisir’.[11] De associatie met de dobbelstenen van Mallarmé in diens beroemde gedicht ‘Un coup de Dés jamais n’abolira le Hasard’ (‘Een Dobbelsteenworp zal nooit het Toeval opheffen’) uit 1897 is hier onvermijdelijk.[12] Een letterlijke vertaling van Desnos’ frase zou zoiets opleveren als: ‘De wetten van onze verlangens zijn dobbelstenen zonder vrije tijd’, maar met de vertaling zijn we het gehele klankspel kwijt en alles wat daarmee samenhangt.

De freudiaanse associatie wordt in Desnos’ gedicht een klankassociatie die deels te begrijpen valt vanuit Freuds ideeën over de verspreking. Een postuum gepubliceerd gedicht van Desnos draagt als titel ‘Poésie! Ô lapsus’, en ‘lapsus’ is het woord dat Freud zelf gebruikt voor wat de ‘freudiaanse verspreking’ is gaan heten.[13] Bij Desnos speelt ook nog zoiets als wat er in het raadspelletje ‘klinkt als…’ gebeurt. La nuit klinkt bijvoorbeeld als l’ennui, dat weer lijkt op l’âme nuit. Wie la nuit wil zeggen, kan zich zomaar vergissen en uiteindelijk iets totaal anders zeggen. Volgens Freud kan dat een belangrijke onthulling impliceren, voor Desnos is het een surrealistische woordverschuiving. Wat ze beiden gemeen hebben, is de fascinatie voor het feit dat we altijd meer zeggen dan we willen, en dat we nooit zeggen wat we eigenlijk willen zeggen. Bij Desnos gaat het, zoals bij alle surrealisten, om het bereiken van een relatieve vrijheid (of een ‘vrije tijd’) die wordt verworven door zich te bevrijden van logica en narrativiteit, om de rijkdom van taal te exploreren. Maar het is de taal die zich vrij beweegt, niet de mens die schrijft, want die onderwerpt zich vrijwillig aan de taal. Dat is precies wat een surrealistisch dichter doet. Alles draait erom de censuur van de rede buitenspel te zetten en de taal ‘aan het koken te krijgen’: ‘Langage cuit’ – gekookte taal – is de titel van een deel van Corps et biens. Wat taal bijeenhoudt is niet langer de intentie van betekenis, noch het gebruik van die taal, maar een verschuiving die de taal zelf mogelijk maakt en die zelfs door haar wordt aangereikt.

Het verschil bestaat erin dat er bij Desnos, anders dan bij Freud, geen patiënt meer is. De associatie is niet langer mentaal of ‘psychisch’: de taal speelt met zichzelf. De techniek van Corps et biens is helder en het resultaat is licht en speels. De mogelijkheid om met taal iets te vertellen wordt onklaar gemaakt, zoals een bom die wordt ontmanteld. Wat overblijft is wat Saint-John Perse in Exil ‘un pur langage sans office’, ‘een zuivere taal zonder kantoor’ noemde – een ‘pure taal’, bevrijd van elk nuttig gebruik, zonder ‘kantoor’ van waaruit alles wordt bestierd.[14] Het rijm dat zo lang de poëzie heeft beheerd, wordt niet afgeschaft, maar integendeel, op de spits gedreven, geëmancipeerd. Met nog een zin met twee homofonen uit Corps et biens: ‘j’aime des desseins, non des seins’ – ‘ik hou van ontwerpen, niet van borsten’.[15] Desnos dicht zoals een kind dat klanken van de ouders nabootst, zonder benul van betekenis en een ‘juist’ gebruik van de woorden. Het kind weet niet wat het zegt, het is nog poëet, zoals Jean-Jacques Rousseau het schreef. Het kinderlijk dichten zal weldra worden afgeleerd, zodra het kind taal gaat gebruiken. Surrealistische kunst wil echter radicaal onbruikbaar zijn.

De aanzet tot het spel van de homofonie werd gegeven door Marcel Duchamp, die zijn dadaïstische alter ego Rrose Sélavy noemde, voor het eerst in 1921. Die naam klinkt als ‘Éros c’est la vie’. Een hoofdstuk uit Corps et biens draagt ‘Rrose Sélavy’ als titel. Het stamt uit de jaren 1922 en 1923 en het ‘onthult’ aan de hand van 150 stellingen wat door Rrose Sélavy wordt onthuld, zij het opnieuw door middel van frasen die op klanken drijven eerder dan op betekenissen.[16]

Desnos’ techniek lijkt het tegengestelde te zijn van de theatrale droomsessies: alleen de lezer zal zien dat er verschillende woorden gebruikt worden, die voor de toehoorder van de declamatie van de gedichten hetzelfde klinken. Jacques Derrida deed hetzelfde toen hij het differentiebegrip van het structuralisme presenteerde tijdens een openbare lezing, waarin de schrijfwijze différance – met een a in plaats van de gebruikelijke e – slechts in het schrift en niet door de klank herkenbaar was. ‘We kunnen hier niet om een geschreven tekst heen,’ sprak Derrida in 1968, ‘we kunnen er niet omheen ons te laten regelen door de ontregeling die daarin plaatsvindt, en waar het mij trouwens om begonnen is.’[17] Wat Derrida duidelijk wilde maken, is dat het gesproken woord noch het schrift communicatie zonder misverstanden garandeert: een spreker is tijdens een lezing aanwezig, maar om wat hij zegt te begrijpen, is de gedrukte tekst noodzakelijk, terwijl het lezen van een tekst altijd gepaard gaat met de foutieve veronderstelling van een afwezige ‘voorlezer’ ervan.

Had Desnos met Corps et biens iets gelijkaardigs in gedachten? Bij mijn weten verwijst Derrida nooit naar Desnos. Toch komen de wegen in Parijs altijd wel ergens samen. Het is bekend dat nogal wat Franse intellectuelen uit het midden van de twintigste eeuw, zoals Georges Bataille, Jacques Lacan of Yves Bonnefoy, in hun jonge jaren contacten onderhielden met de surrealisten. Ook Lacan maakte in zijn berucht moeilijke, latere seminaries rijkelijk gebruik van de homofonie, om van les noms-du-Père langs le non du Père aan te belanden bij les non-dupes-errent. In elk geval was Lacan bevriend met Michel Leiris, die zijn leven lang homofone woordenlijsten aanlegde. Twee keer publiceerde Leiris dergelijke lijsten, de eerste keer in 1939 als een verklarende woordenlijst, Glossaire j’y serre mes gloses, en in 1985 onder de titel Langage tangage ou Ce que les mots me disent. Het verbaast niet dat Lacan daarin geïnteresseerd was. De verschuiving – de verplaatsing van woord naar woord, in plaats van dat het woord betekenis ontleent aan een werkelijkheid daarbuiten – is voor Lacan immers niet zozeer mogelijk door taal, maar andersom: taal werkt bij gratie van verschuiving. Het heeft dan ook geen zin te beweren dat het werk van Desnos te reduceren valt tot taalspelletjes, omdat taal sowieso als spel bestaat. Alles wijst erop dat de surrealistische dichters dat wilden laten zien, horen en ervaren, tegengesteld aan de karikaturaal-romantische opvatting van poëzie als uitdrukking, bijvoorbeeld van gevoel. Inspiratie heeft plaatsgemaakt voor techniek, en waar de droomsessies nog begrepen kunnen worden vanuit een verlangen naar het tweede leven dat de droom is, lijkt Corps et biens ook daarmee af te rekenen. Robert Desnos maakte een ontwikkeling door van de ene droom naar de andere – van het dromen als een bewustzijnstoestand naar het dromen als talige procedure. Het tweede leven werd het leven van de tekst.

 

 

Noten

1. Gérard de Nerval, Aurelia, of De droom en het leven, Amsterdam, Van Gennep, 2015 [1855], p. 5, vertaling Hannie Vermeer-Pardoen.

2. André Breton, ‘Manifeste du Surréalisme’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988 [1924], p. 319. Vertaling in: Francine Drijkoningen, Jan Fontijn, Mojmir Grygar (red.), Historische avantgarde. Programmatische teksten van het Italiaans Futurisme, het Russisch Futurisme, Dada, het Constructivisme, het Surrealisme en het Tsjechisch Poëtisme, Amsterdam, Huis aan de drie grachten, 1986, p. 295.

3. Breton, p. 317; Drijkoningen, Fontijn, Grygar (red.), p. 293.

4. Charles Baudelaire, Onechte paradijzen: opium en hasjiesj, Amsterdam, Meulenhoff, 1981 [1860], vertaling Rein Bloem.

5. Louis Aragon, ‘Une vague de rêves’, in: Oeuvres poétiques completes. Tome 1, Parijs, Gallimard, 2007 [1924], p. 89. De vertaling door Rokus Hofstede van een gedeelte van dit essay opent dit nummer van De Witte Raaf.

6. André Breton, ‘Entrée des médiums’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988 [1922], p. 274.

7. Ibid., p. 277.

8. Op. cit. (noot 5), p. 91.

9. Robert Desnos, Œuvres, Parijs, Gallimard, 1999, p. 519. Van Corps et biens is enkel de reeks Les Tenèbres in het Nederlands vertaald: Robert Desnos, Praatzieke duisternis, Bleiswijk, Vleugels, 2017, vertaling Kiki Coumans.

10. Ibid., p. 515.

11. Ibid., p. 509.

12. Stéphane Mallarmé, Een Dobbelsteenworp zal nooit het Toeval opheffen, Wilsele, Litterarte, 2014, vertaling Paul Claes.

13. Op. cit. (noot 9), p. 30.

14. Saint-John Perse, Exil, ’s-Gravenhage, Boucher, 1963 [1945], p. 21, vertaling F.C. Terborgh.

15. Op. cit. (noot 9), p. 518.

16. Ibid., pp. 147-150, 502-512.

17. Jacques Derrida, Marges van de filosofie, Hilversum, Gooi & Sticht, 1989, pp. 27-28, vertaling Ger Groot.

De denkdemon van de dichter

Het is weinig bekend dat de jonge Jacques Lacan (1901-1981) ooit een gedicht ter publicatie heeft aangeboden aan een surrealistisch tijdschrift, maar ‘Hiatus irrationalis’ verscheen in 1933 in een nummer van Le Phare de Neuilly. Lacan schreef het sonnet in een klassieke, weinig surrealistisch te noemen versvorm, in augustus 1929 in Hardelot-Plage aan de Opaalkust – vandaar de vermelding ‘H.-P.’ onderaan – en stuurde het naar een vriend, de filosoof Ferdinand Alquié. Rond die tijd zou hij ‘een ernstige melancholische crisis’ hebben doorgemaakt, aldus Lise Deharme, de oprichtster en redactrice van Le Phare de Neuilly.[1] Zij inspireerde André Breton tot een passage in Nadja (1928): een vrouw die het Bureau Centrale de Recherches Surréalistes bezoekt, wordt gevraagd een van haar ‘hemelsblauwe handschoenen’ achter te laten. Als ze op het punt staat dat verzoek in te willigen, overvalt de ik-verteller een onbegrijpelijke, maar daarom niet minder panische schrik dat ze dit daadwerkelijk zou doen – ‘dat die handschoen voorgoed die hand zou verlaten’.[2] Dat de mens wezenlijk verlangend is, maar tegelijk dat verlangen niet altijd goed begrijpt, laat staan het complexloos kan omarmen, is een intuïtie die surrealisme en (lacaniaanse) psychoanalyse met elkaar delen.

De oorspronkelijke titel van het gedicht, ‘πάντα ῥεῖ’ (panta rhei), suggereert dat Lacan zijn poëtische beelden aan Herakleitos ontleende. Het moet zowat de bekendste, zij het wellicht apocriefe uitspraak van de presocratische filosoof zijn: ‘alles stroomt’. Ook het gedicht getuigt van een ‘stromende’ ontologie, waarin dingen en vormen door zweet, sap of bloed bestaan (regels 1 en 2), die als water of als stroom aan de dichter verschijnen (regels 2 en 4), tot hijzelf opgaat in een even stromend element (‘flux d’un élément’, regel 11), namelijk vuur (regel 14). Daartegenover staat het vaste van de oever (regel 5), de zwaarte van een denkdemon (regel 6) die stuit op een harde grond (regel 7), in sombere tinten geschetst. De ‘stroom’ van het gedicht lijkt te stremmen tot het vuur ter sprake wordt gebracht dat in de dichter smeult en hem tot een onsterflijke minnaar maakt (regel 14).

Het element dat stroomt, en waarmee de dichter zich vereenzelvigt, blijkt dus geen water, maar vuur. Het stemt overeen met de overgeleverde fragmenten van Herakleitos: vuur is naast water en aarde een kosmisch verschijnsel, dat destructief is, letterlijk maar ook metonymisch (als bliksem en oorlog), en dat voor twist en tegenstelling zorgt – voor ‘stroming’.[3] Het is bovendien niet alleen een element onder de elementen, het is als oerelement het principe, begin en beginsel, van alles wat bestaat. Vuur ligt ten grondslag aan alle dingen en vormen waar Lacan het over heeft, waardoor die slechts wendingen of ‘tropen’ zijn van het meer oorspronkelijke vuur. De meest uiteenlopende verschijningen zijn met elkaar verbonden door het vuur dat ze gemeenschappelijk hebben. Herakleitos betrekt vuur en logos (taal, woorden) op elkaar: ondanks alle beweging, ondanks alle onophoudelijke verandering en de schijn van een even onophoudelijke als onophefbare chaos, door ‘vuur’ veroorzaakt, is er een fundamentele ordening, een dieperliggende taal die het verband tussen de dingen articuleert. Zo bekeken geeft Lacans gedicht aan dat de ‘onsterfelijke minnaar’ op de dingen en vormen is betrokken, als manifestaties van hetzelfde, fundamentele vuurelement.

Deze metafysica mag dan niet naadloos in het surrealistische programma in te passen zijn, op één punt komen beide goed overeen: voorbij de verschijning is er een verborgen verband tussen de dingen. Dit verband is doorgaans aan het bewustzijn onttrokken, maar het wordt voor de surrealisten onthuld in de hasard objectif – ‘objectief’ vaststelbare toevalligheden, ontsproten aan of minstens corresponderend met een subjectief verlangen – en in de artistieke methodes van de écriture automatique en het cadavre exquis: de toevallige botsing of aaneenschakeling van woorden en beelden produceert een realiteit die vanwege de veelvormige, onverwachte, maar treffende betekenissen alleen als surrealiteit kan worden bestempeld. Breton spreekt in Nadja van ‘een geheimschrift [dat] ontcijferd wil worden’.[4] Het correspondeert aardig met de basisregel van de psychoanalyse, de vrije associatie: zeggen wat je te binnen schiet, zonder rekening te houden met grammaticale regels, de wens tot coherentie of normen van welvoeglijkheid. Voorbij het bewuste, redelijke denken is er een ander denken – vergelijk met de ‘denkdemon’ uit het gedicht – dat op een andere leest is geschoeid.

De verandering van titel – van ‘panta rhei’ (1929) naar ‘Hiatus irrationalis’ (1933) – is de voornaamste wijziging die het gedicht bij publicatie ondergaat. De uitdrukking hiatus irrationalis heeft Lacan wellicht ontleend aan Alexandre Koyrés studie van het werk van de vroegmoderne mysticus en – aldus Hegel – de eerste Duitse filosoof, Jakob Böhme.[5] Diens theologie, aldus Koyré, draait rond een irrationeel gat dat als een manifestatie van het kwaad kan worden opgevat: de mens is een ‘extra’ in Gods schepping, namelijk een verlangen dat opstandig is ten aanzien van Gods wil, en dat huist in de menselijke ziel. Die ziel is niets anders, aldus Böhme, dan een ‘duivels vuur, even boosaardig als de meest boosaardige demon’.

Met ‘Hiatus irrationalis’ als titel van het sonnet verschuift het gewicht van het ‘stromende’ panta rhei naar de regels waarin de denkdemon van de dichter op de harde grond stuit, op de zinledige god, op het dove, blinde kwaad, als een irrationeel gat dat wispelturig het ene of het andere laat ‘toe-vallen’. De vraag waarmee het gedicht de lezer achterlaat, is de vraag naar het verlangen: is er een geheime verwantschap tussen het subjectieve en het objectieve, en maken beide deel uit van een universum waarin alles van een raadselachtig verbindend, alleen door kunst en psychoanalyse te onthullen verlangen getuigt? Of is het verlangen net een breuk in de veronderstelde eenheid van het universum en opent het een irrationeel gat, zodat de dingen zelfs niet door een surrealistische logica met elkaar te rijmen vallen?

 

Noten

1. Elisabeth Roudinesco, Jacques Lacan. Esquisse d’une vie, histoire d’un système de pensée, Parijs, Fayard, 1993, p. 31, 580. Voor meer over de markante figuur van Lise Deharme, zie: Marie-Claire Barnet, ‘To Lise Deharme’s Lighthouse: Le Phare de Neuilly, A Forgotten Surrealist Review’, in: French Studies, nr. 57, 2003, pp. 323-334.

2. André Breton, Nadja, Meulenhoff, Amsterdam, 1980 [1928], p. 53, vertaald door Laurens Vancrevel en Renée de Jong-Belinfante.

3. Voor Herakleitos baseer ik me op de cursus Antieke filosofie. Ioniërs (Universiteit Gent, 1995-1996) van wijlen prof. em. Herman De Ley.

4. Op. cit. (noot 2), p. 99.

5. Alexandre Koyré, La philosophie de Jacob Boehme, Parijs, Vrin, 1929, p. 156 en 497. Andere filosofen die de uitdrukking bezigen, zijn Johann Gottlieb Fichte (Wissenschaftslehre, 1805) en György Lukács (Geschichte und Klassenbewußtsein, 1923), met wie Lacan hoogstwaarschijnlijk niet bekend was.

Hiatus irrationalis


Choses, que coule en vous la sueur ou la sève,

Formes, que vous naissiez de la forge ou du sang,

Votre torrent n’est pas plus dense que mon rêve ;

Et, si je ne vous bats d’un désir incessant,

 

Je traverse votre eau, je tombe vers la grève

Où m’attire le poids de mon démon pensant.

Seul, il heurte au sol dur sur quoi l’être s’élève,

Au mal aveugle et sourd, au dieu privé de sens.

 

Mais, sitôt que tout verbe a péri dans ma gorge,

Choses, que vous naissiez du sang ou de la forge,

Nature, – je me perds au flux d’un élément :

 

Celui qui couve en moi, le même vous soulève,

Formes, que coule en vous la sueur ou la sève,

C’est le feu qui me fait votre immortel amant.

 

H.-P., août 29

 

 

Dingen, of er nu levenssap of zweet in jullie vloeit,

Vormen, of jullie nu uit smeedwerk of uit bloed ontstaan,

Niet zwaarder en niet dichter dan mijn droom bruist jullie vloed;

En zou ik jullie niet met een gestaag verlangen slaan,

 

Dan waad ik jullie water door, de oever tegemoet;

Steevast trekt daar mijn denkdemon mij met zijn zwaarte aan.

Hij stuit, alleen, op barre grond, daar waar het zijn zich roert,

Op de god die zinledig is, op het dove, blinde kwaad.

 

Maar wanneer alle taal finaal gestrand is in mijn strot,

Dingen, of jullie nu uit bloed of uit smeedwerk ontstonden,

Natuur, – zal ik in het stromen van een element opgaan:

 

Wat blijvend in mij smeult, evenzeer jullie geeft het gloed,

Vormen, of er nu levenssap of zweet in jullie vloeit,

Vuur is wat mij onsterfelijk tot jullie minnaar maakt.

 

H.-P., augustus 29

 

 

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

• Oorspronkelijke publicatie in: Le Phare de Neuilly, nrs. 3-4, 1933, p. 37.

Louis Aragon en de surrealistische revolutie

 

Er is geen denken buiten de woorden.

– Louis Aragon[1]

 

Woorden openen de beschouwing

Als messen de huid.

– Hugo Claus[2]

 

We zien een keurig geschilderde pijp. Daaronder stelt een zin, in een even keurig handschrift, dat wat we zien geen pijp is. Hooguit wordt het beeld van een pijp getoond en laten we ons bedriegen door wat we zien. René Magrittes La Trahison des images (1928-1929) geldt als iconisch voor wat ‘surrealisme’ heet, de kunstrichting die honderd jaar geleden door André Breton met het bekende manifest de wereld in werd geschoten.

Als je wilt begrijpen waar surrealisme over gaat, moet je, oog in oog met elk kunstwerk met dit label, precies hetzelfde doen: je ziet surrealisme en je leest daaronder consequent: dit is geen surrealisme. Wat is het dan wél? Realisme – niets meer en niets minder. Je ziet een knotsgekke, irreële droomwereld waarin niets lijkt te kloppen, maar als je het surrealistische gehalte ervan echt wilt snappen, moet je beseffen dat je niet ziet wat je ziet, dat wat je ziet realisme is. Pas als je die klik maakt, zie je surrealisme.

Dit soort beelden – net zo goed als surrealistische teksten – willen ‘hout snijden’, willen laten zien wat waarlijk werkelijk is. ‘Ik ben je in mijn schilderkunst de waarheid verschuldigd en ik zal je die geven,’ schreef Paul Cézanne in 1905.[3] Wat surrealistische gedichten, teksten of schilderijen willen bieden, is niets minder dan waarheid, werkelijkheid. Of ze daar effectief in slagen is een andere zaak, maar de intentie en de belofte zijn er wel. Het ranzige, chaotische rariteitenkabinet dat surrealistische kunstwerken opdienen, zegt steevast dat dit de realiteit is, hyperrealiteit, surrealiteit, de realiteit zoals die door onze ‘normale’ realiteitsperceptie acuut verdrongen wordt, maar nu wordt ontsluierd als reëler dan wat we doorgaans voor realiteit houden.

De term werd bedacht door Guillaume Apollinaire. ‘Ik heb het bijvoeglijk naamwoord ‘surrealistisch’ gesmeed,’ zo schrijft hij in 1917 in het voorwoord bij zijn knotsgekke toneelstuk Les Mamelles de Tirésias.[4] Feministe Thérèse is het vrouw-zijn beu, wordt man, Tirésias, en spoort haar echtgenoot aan om op zijn beurt vrouw te worden. Hij baart vervolgens 40.050 kinderen (meer dan welkom in een land in volle oorlog), waarna, in het tweede en laatste bedrijf, Tirésias weer Thérèse wordt en haar man overtreft in procreatieve prestaties. Inderdaad behoorlijk geschift, maar voor Apollinaire beantwoordt enkel dit soort theater aan de eis terug te keren ‘naar de natuur zelf’. In het voorwoord schrijft hij:

‘En om, zo niet het theater te vernieuwen, dan minstens toch een persoonlijke inspanning daartoe te doen, heb ik gedacht dat je moet terugkeren naar de natuur zelf, maar zonder die te imiteren zoals fotografie dat doet. Toen de mens het lopen wilde imiteren, heeft hij het wiel gecreëerd, dat helemaal niet op een been lijkt. Hij deed aan surrealisme zonder het te beseffen.'[5]

Theater is imitatie, representatie van de ‘natuur’, niet zoals een foto, maar zoals de uitvinder van het wiel toen hij het lopen wilde imiteren. Het is van het soort surplus dat van een beenimitatie een wiel maakt. Net zoals het wiel een ‘surrealistische’ uitvinding is, hoort ook theater surrealistisch te zijn. Niet dat Apollinaire wil dat het theater per se aan uitvindingen gaat doen. Theater maakt het genoemde surplus waar door de fantasie vrij spel te laten. Theater dient geen (fotografisch) beeld van de realiteit te geven, maar vanuit die realiteit moet het de verbeelding haar autonome gang laten gaan. Het is, schrijft Apollinaire een paar regels verder, ‘mijn manier om de natuur te interpreteren’.[6]

De term ‘surrealisme’ is dus niet bepaald nieuw wanneer André Breton en zijn artistieke intimi in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw hun literaire experimenten als ‘surrealisme’ etiketteren. Ook zijn ze zich ervan bewust dat Apollinaire het woord gemunt heeft. Maar als we er Bretons Manifeste du Surréalisme uit 1924 op naslaan, betekent het voor hen toch niet geheel hetzelfde. Ook in hun ogen hoort literatuur – en dit slaat al snel op alle vormen van artistieke praktijk – zich te bewegen in het surplus van de imitatie. Anders dan bij Apollinaire legt Breton het accent echter niet op waar dat surplus heen wijst, dit wil zeggen op de inhoud van de fantasie die er de vrije loop in krijgt. In het Manifeste gaat ‘surrealisme’ over dat surplus als zodanig, over het procedé van imitatie in beelden en/of woorden op zich. Als Bretons surrealisme verbeelding de vrije loop laat, dan niet zozeer in de zin dat die een sprong maakt ‘van been naar wiel’, zoals Apollinaire voorhield, maar dat die verbeelding zich losmaakt van diegene die daarin aan zet is om zich zodoende op zichzelf terug te plooien – op haar eigen, van alle ik losgemaakte ‘beeldende’ werkzaamheid.

Surrealisme is voor Breton een zaak van wat hij als dichter écriture automatique noemt, een ‘automatisch schrijven’, een automatisme zonder ‘creatief autos’, zonder het ‘zelf’ van de creator. Surrealisme is niet uit op de extremen waartoe de verbeelding kan leiden, maar op de verbeelding als zodanig, op de formele werking ervan. Over de vroegste surrealistische experimenten schrijft Breton in zijn Manifeste:

‘Het ging erom terug te gaan naar de bronnen der dichterlijke verbeelding en, wat meer is, er te blijven. Ik beweer niet dat ik dat heb gedaan. Men neemt wel een zware last op zich als men zich wil vestigen in die verre regionen waar alles aanvankelijk zo slecht lijkt te gaan […]. En dan nog is men er nooit zeker van dat men er helemaal is.'[7]

De bronnen van de poëtische verbeelding zijn de woorden die spreken vóór ik het ben die ze hanteert. Zij liggen in een denken dat denkt vóór ik het ben die denkt. In zijn manifest debiteert Breton deze definitie:

‘SURREALISME, zn., o.: Puur psychisch automatisme waarmee men zich voorneemt in woord of geschrift of op welke andere wijze ook, de werkelijke wijze van functioneren van het denken tot uitdrukking te brengen. Dictee van het denken, zonder controle van de rede, in welke vorm dan ook, vrij van iedere esthetische of ethische vooringenomenheid.'[8]

Een denken vóór enige vorm van ‘ik’ of ratio zich ermee bemoeit: ziehier ‘le fonctionnement réel de la pensée’. Dát blootleggen, dát de vrije loop laten, is het doel van wat Breton ‘surrealisme’ noemt.

Geen wonder dat hij in Freuds psychoanalyse de bevestiging van zijn eigen surrealistische basisintuïtie onderkent. Daarmee haakt hij in, trefzekerder dan veel van zijn tijdgenoten, op wat je zonder meer de kern van Freuds denken kunt noemen. Het ‘onbewuste’ waarover die het heeft, is niet enkel het in de doofpot gestopte arsenaal aan onhebbelijke driften dat ons parten speelt. Het is eerst en vooral de ‘conditie’ van ons denken. Het is het denken – het ‘psychische automatisme’ – dat aan ons bewustzijn voorafgaat en het conditioneert. Het is het denkproces dat zijn gang gaat ook wanneer ons bewustzijn slaapt, ook wanneer we dromen dus. Onze dromen zijn niet de screens waarin we ons onbewuste naar ons slapende – en langs die weg wakende – bewustzijn overhevelen. Het onbewuste is per definitie niet bewust te maken. Het is het bad waarin ons bewustzijn is gedompeld. En dat we dromen, laat vooral dat bad zien.

Het toont de reële conditie van ons denken, dat wil zeggen het feit dat we ons verhouden ten aanzien van de realiteit vanuit een veld van woorden/beelden/denken dat ontsnapt aan onze gangbare ratio, ons ik, ons bewuste denken. Hier situeert zich het reële dat het surrealisme centraal wil stellen. Als we een surrealistisch gedicht lezen, als we naar een surrealistisch schilderij kijken, ligt het surreële niet in wat we zien, maar in ons zien zelf, in de conditie van ons kijken, een conditie waar we normaliter overheen kijken en waarop het surrealistische kunstwerk onze blik wil terugplooien. Het wil ons laten zien dat we niet zien wat we zien – dat we ons niet bewust zijn van datgene waarvan we denken ons bewust te zijn.

Louis Aragon behoort tot de kleine vriendenkring met wie André Breton in de vroege jaren twintig gezamenlijke literaire experimenten in slaap-, droom- of hypnosetoestand organiseerde – een ervaring die in het Manifeste du Surréalisme haar neerslag vindt in het concept écriture automatique. Ook al nam Aragon vaak aan die experimenten deel, hij voelde zich er niet helemaal in thuis. Zíjn literaire thuis was de roman, en die had voor de surrealisten afgedaan. Automatisch schrijven en het componeren van verhalen sloten elkaar zonder meer uit, aldus Breton. Niet zo volgens Aragon, die ook in die jaren volop aan romans werkte. In zijn ogen kon dat perfect in de geest van het surrealisme.

De aanzet van een roman die hij begonnen was – en die in 1926 onder de titel Le Paysan de Paris verscheen – had hij in de eerste maanden van 1923 voorgelezen in Bretons kring.[9] De reactie was lauw, zo niet afwijzend. Als we zijn biograaf Pierre Daix mogen geloven, ligt hier de reden waarom Aragon kort daarna, in 1924, ‘Une vague de rêves’ schreef en publiceerde in het door Paul Valéry, Léon-Paul Fargue en Valery Larbaud samengestelde tijdschrift Commerce. Hij wilde duidelijk maken dat hij wel degelijk op de lijn van zijn artistieke vrienden zat en dat wat hij schreef onversneden surrealisme was.[10]

Teksten van surrealisten over het surrealisme blinken zelden uit in helderheid. Dat geldt ook voor ‘Une vague de rêves’. Mede als effect van Aragons breuk met het surrealisme in het begin van de jaren dertig, is zijn tekst in de literatuur onderbelicht gebleven, een euvel dat pas laat in de twintigste eeuw is rechtgezet. In tegenstelling tot Breton, die het surrealisme hoofdzakelijk vanuit de literatuur beargumenteert, beweegt Aragons tekst, hoe literair bevlogen ook, zich duidelijker in termen die aan de filosofische traditie refereren. Dat heeft voordelen wat de helderheid ervan betreft. Surrealisme claimt nu eenmaal iets te zeggen te hebben over de fundamenten van hoe wij ons tot de realiteit verhouden, over hoe wij dit doen voordat ons ik zich opwerpt als manager van die verhouding. Alleen al daarom komt het surrealisme op het terrein waar bij uitstek de grondslagen van ons denken worden bevraagd: filosofie. Aragons verdediging van het surrealisme beroept zich dan ook bij momenten rechtstreeks op die filosofie en haar traditie.

Bretons manifest zoomt in op de écriture automatique. Dat van Aragon neemt een andere ingang. Zijn tekst opent met een schets van de existentiële ontreddering waarin hij verkeert. Hij is de draad kwijt, alles ontsnapt hem, hij is op het punt beland waar uit het leven stappen een optie wordt. Datzelfde ‘punt’, oog in oog met de dood, is het punt waarop het denken begint. De zin die volgt, windt er geen doekjes om en trekt conclusies die meteen tot de kern van het surrealisme leiden:

‘In elk geval begint op dat punt het denken; wat iets volslagen anders is dan dat spiegelspel waar dezen en genen in uitblinken, risicoloos in uitblinken. Heb je die duizeling ondervonden, al was het maar één keer, dan lijkt het onmogelijk dat je nog langer de werktuiglijke ideeën aanvaardt waar haast alles wat de mens onderneemt tegenwoordig op teruggaat.'[11]

Dat beginpunt van het denken is het punt waar het ik er niet meer is en waar evenmin iets anders nog is. Filosofisch uitgedrukt: het beginpunt van het denken is niet ‘het zijn’. ‘Werktuiglijk’ veronderstellen we dat, wanneer we zeggen ‘dit is dat’, wij het over het zijn van ‘dit’ of ‘dat’ hebben. Volgens Aragon ligt het anders. Het denken begint noch bij het ik dat ‘is’, noch bij het ‘zijn’ van de dingen waarover gedacht wordt. Het denken begint bij de woorden. Daar vindt het zijn grond, zijn fundament: ‘dat het denken alleen in woorden bestaat’ – zo luidt het verderop in ‘Une vague de rêves’, waarmee hij ingaat tegen zowat de hele filosofische traditie.[12] Voor Aragon is de plaats waar het denken gebeurt in de woorden, de woorden zoals die onafhankelijk opereren van het zijn (dat ze nochtans in elke zin waarin ze het woordje ‘is’ of ‘zijn’ laten vallen – in elke zin dus – benoemen).

Het moderne denken mag dan al lang niet essentialistisch meer zijn (sinds Kant weten we dat ‘das Ding an sich ein Unbekanntes’ is) en we mogen dan in het spoor van Comte (de tweede denker die Aragon noemt) positivist geworden zijn, we blijven de woorden als instrumenten van het denken beschouwen. Willen we hun ‘realistisch’ gehalte echter ernstig nemen, zo stelt Aragon, dan moeten we beseffen dat woorden geen instrumenten zijn waarmee we denken, maar de plaats zelf waar – exacter nog: de materie waarin – het denken gebeurt. Niet de fenomenen, niet de wetenschappelijke feiten geven grond en ‘materie’ aan ons denken. Het zijn de woorden die het denken hun grond en ‘materie’ geven. De realiteit, schrijft Aragon, is dus niet hetgeen waarvoor ‘mensen van goede wil’ haar houden. Om, in plaats van ons ik, het denken zelf aan het woord te laten – het onbewuste denken, de woorden – moeten we ruimte geven aan wat incompatibel is met onze ik-grip op de realiteit: ‘het toeval, de illusie, het fantastische, de droom’. Aragon vat die samen in de term ‘surrealiteit’.[13]

Vormt dit viertal nu op zich de ‘surrealiteit’, of geeft het er toegang toe? Helemaal helder is Aragon niet. Ook al niet omdat hij, zoals uit de aangehaalde passage blijkt, het surreële eerder als een ‘rapport’, een ‘verhouding’ lijkt te zien: een relatie tot de realiteit die anders is dan de alledaagse of de wetenschappelijke. Dat laatste lijkt mij dan ook wat hij hier gezegd wil hebben. ‘Toeval’, ‘illusie’, ‘het fantastische’, ‘de droom’ wijzen op andere mogelijkheden van relatie tot de werkelijkheid dan de gangbare. Die andere manieren om de werkelijkheid te benaderen wil het surrealisme promoten: elk van hen overstijgt op een eigen manier het beperkte van onze normale omgang met de realiteit. In hun geheel bieden ze daarom een vollediger en dus waarachtiger toegang tot de realiteit. Ze zijn met andere woorden surrealistisch, dus ‘realistischer’.

Echt realisme, surrealisme, vereist een verstoring van het gangbare realisme, van onze gangbare benadering van de realiteit. En die verstoring geeft toegang tot het surreële – het volle, echt reële. Twee pagina’s verder verwijst Aragon in dit verband naar de typische fenomenen en praktijken waardoor zijn surrealistische kompanen zo gefascineerd waren en trekt daar een voor hem kapitale conclusie uit:

‘Het feit dat de ontregelingen teweeggebracht door surrealisme, door fysieke vermoeidheid en door narcotica identiek waren en dat ze gelijkenis vertoonden met dromen, met mystieke visioenen, met de symptomatologie van geestesziekten, bracht ons tot een hypothese die als enige een verklaring kon bieden voor dit geheel van feiten en voor de samenhang ervan: het bestaan van een mentale materie, die we op grond van de overeenkomst tussen hallucinaties en gewaarwordingen wel moesten beschouwen als iets wat gescheiden was van het denken, en waarvan het denken, ook in zijn zintuigelijke modaliteiten, hooguit een particulier geval kon zijn. Die mentale materie ondervonden we door haar vermogen te stollen tot een vaste, tastbare vorm.'[14]

Dit is de ‘surrealiteit’: de ‘mentale materie’, ook opgevat als de materiële kracht waarop het denken teruggaat. En als die ‘materie’ zich onderscheidt van het bewuste denken, dan niet zozeer in de zin dat die voorbij dat denken zou gaan, maar veeleer dat zij de conditie van het denken uitmaakt. De ‘mentale materie’ is het bad waarin het bewuste denken baadt, waarin het mogelijk wordt. Het bewuste is slechts een ‘particulier onderdeel’ van het onbewuste denken. Het is niet meer dan een van de vele concretiseringen van de ‘mentale materie’. Wat wij doorgaans ‘realiteit’ noemen, is dus maar een van de vele werkelijkheden die mogelijk zijn. Voor het surrealisme is het zaak die volle waaier aan mogelijke realiteiten of realiteitsbenaderingen te exploreren, wat alleen mogelijk is door de matière mentale bloot te leggen en als vertrekpunt te nemen.

Op dezelfde pagina herneemt Aragon nog eens zijn stelling, nu vanuit een problematiek die onze moderniteit sinds haar ontstaan met zich meedraagt. Het denken kent zijn grond niet in het zijn, in de essentie van de dingen waarover het nadenkt. Die idee doemt in het Westen reeds op in de veertiende eeuw en kristalliseert zich al snel in wat ‘nominalisme’ is gaan heten. We zijn in de late middeleeuwen en God is nog steeds schepper van de werkelijkheid én van ons denken daarover. Maar, zo rijst de vraag, mogen wij er daarom van uitgaan dat ook God aan de wetten is gebonden die wij met ons denken in die werkelijkheid ontwaren? Wij vatten de dingen in wetten en concepten, maar dat die een directe weergave van hun essentie zouden zijn, is te pretentieus gesteld, aldus de nominalistische objectie. Dat zou immers impliceren dat wij, via kennis van de dingen, kennis zouden hebben van Gods denken en dat God derhalve ook aan de wetten van Zijn of ons denken onderhevig zou zijn. In het spoor van die objectie is de Reformatie en later de moderniteit ontstaan. Onze concepten zijn woorden, namen, die niet zijn verankerd in de essentie van de realiteit die ze noemen. Namen en woorden zijn slechts namen en woorden. Het is vanuit hun louter talige materialiteit dat ze naar de dingen verwijzen.

Aanvankelijk manifesteert dit nominalisme zich nog erg schoorvoetend en gehuld in een labyrint aan scholastische spitsvondigheden, maar met de opkomst van de moderniteit in de zeventiende eeuw en haar nieuwe, niet-essentialistische wetenschap levert het uiteindelijk de grondstructuur van het moderne denken. Voor Aragon is het surrealisme een laatste, radicaliserende stap in het steeds dieper tot de vezels van onze cultuur doordringende nominalisme. Hier wordt het woord niet alleen van zijn essentie losgekoppeld, maar ook van zijn geijkte betekenis en wordt de band met de werkelijkheid opnieuw opgevat vanuit de ontdekking van de ‘mentale materie’, het ‘onbewuste denken’, het denken zoals het altijd al in de woorden aan het werk was.

Al haast Aragon zich daaraan toe te voegen dat dit radicale, ‘absolute nominalisme’ ook vandaag nog verre van gemeengoed is en dat voor het surrealisme in dezen een militante opdracht is weggelegd. Twee jaar na zijn ‘pamflet’, in een reeks korte aforismen in het derde nummer van La Révolution surréaliste (in de jaren twintig dé spreekbuis van Bretons surrealistische groep), gaat Aragon nog eens uitdrukkelijk in op het nominalisme:

‘Wil je een bepaalde objectie tegen het nominalisme van weerwoord dienen, zet mensen er dan toe aan eens te letten op wat er gebeurt bij het begin van het slapen. Hoe de mens dan tot zichzelf spreekt, hoe langzaam en onmerkbaar zijn woorden het van hem overnemen, woorden die dan [op zich] verschijnen, zich realiseren. En als ze tenslotte hun concrete waarde bereiken, ziedaar dan het moment dat de slaper, zoals dat heet, droomt.'[15]

In de droom, in het moment tussen waak en slaap, kan men ervaren hoe het denken blijft doorgaan, ook als het ik aan het wegdeemsteren is. Dan ervaart men een denken dat alleen nog de materialiteit van woorden (of, wat op hetzelfde neerkomt en het uitgangspunt van surrealistische schilderkunst zal worden, de materialiteit van beelden) als motor heeft.

‘We zien nu dus wat het surreële is.’ Zo eindigt de alinea waarin Aragon het surrealisme een ‘absoluut nominalisme’ noemt. De notie van ‘het surreële’ is daarmee nog niet ten volle gevat, zo blijkt uit de zinnen die volgen:

‘Maar greep krijgen op het denkbeeld van het surreële is alleen mogelijk bij uitbreiding, in het beste geval wijkt het zoals de horizon wijkt voor de wandelaar, want net als de horizon is het een verhouding tussen de geest en iets wat het nooit zal bereiken. Wanneer de geest de verhouding van het reële aanschouwt, waarin hij alles wat is zonder onderscheid samenneemt, plaatst hij daar als vanzelf de verhouding van het irreële tegenover. En pas als hij die twee begrippen heeft overwonnen, stelt hij zich een algemenere verhouding voor, waarin deze twee verhoudingen naast elkaar staan – dat is het surreële.'[16]

Ik beken dat ik dit niet zonder schaamte citeer. Temeer omdat ik liet uitschijnen dat juist de filosofische referenties Aragons tekst een grotere helderheid geven. En met een filosofische referentie hebben we inderdaad te maken. Aragon leunt hier op Hegel, en die staat er niet meteen om bekend de meest heldere schriftuur te hanteren. U begrijpt mijn schaamte dus.

Toch kunnen we niet echt om die referentie heen en is ze bij nader inzien alsnog verhelderend. Hegel was een referentiepunt in de vroege surrealistische groep rond Breton, waarin een Franse vertaling werd gelezen, al in 1921, van een Hegelstudie door Benedetto Croce.[17] De referentie bij Aragon geeft uitsluitsel inzake een vraag die zich al eerder opdrong: het ‘surreële’, is dat nu iets reëels of is het een verhouding tot de realiteit? Met Hegel legt Aragon uit dat het dat laatste is. Het surreële is een verhouding, een rapport.

Voor Hegel is alles ‘verhouding’ – een idee dat hij tot in het extreme ernstig neemt. Het zijn is niet zomaar wat het is, het is een verhouding tot zichzelf – een ‘zichzelf’ dat daarom altijd anders is (‘zoals de horizon wijkt voor de wandelaar’) en altijd weer opnieuw een verhouding vergt en in die zin verhouding is. In zijn termen: het ‘zijn’ is een dialectisch proces, waarbij alles zich steeds weer tegenstelt aan het andere dan zichzelf, om in een later moment in dat andere pas echt zichzelf te herkennen. Daarom is ‘het zijn’ fundamenteel verandering, ‘geschiedenis’ en ook ‘bewustzijn’, ‘zelfbewustzijn’. Geist noemt Hegel het, wat Aragon vertaalt met esprit, ‘geest’, een centraal woord in het citaat.

In welke zin is het ‘zijn’ van de mens ‘geest’ (dat wil zeggen: ‘geschiedenis’ en ‘zelfbewustzijn’)? Even, kort door de bocht, een evocatie van hoe Hegel dat uitlegt. Altijd al was de mens er zich van bewust dat hij wezenlijk vrij is, maar dat zag hij pas echt – ‘reëel’ – wanneer hij oog in oog stond met een dode, een lijk, met ‘iemand’ die, vergeleken met hem, helemaal gelijk én helemaal verschillend was. Tot hij de dood die hij in dat lijk zag, ook – en ‘reëler’ – ontwaart in de blik van zijn levende medemens die op het punt staat hem te doden. Dan ontdekt hij dat de kracht van de dood geen andere dan zíjn kracht is, zijn levenskracht, de kracht die hem leert dat hij vrij is, niet omdat het zijn hem vrijheid gunt, maar omdat hij zelf vrijheid is. En, zo leest Hegel de geschiedenis, die vrije ‘doder’ ontdekt pas echt de kracht van de dood – die Kraft des Negativen – wanneer hij die ook concreet op zichzelf toepast en zichzelf negeert. In plaats van zijn medemens te doden, maakt hij hem tot slaaf. Zo wordt hij meester over een levende ander, een slaaf die voor hem werkt, en gaat hij op die manier pas werkelijk van zijn vrijheid genieten. Tot de tot slaaf gemaakte merkt dat zijn eigen ongelukkige bewustzijn (omdat hij zijn vrijheid, zijn essentie, verloren heeft) in feite beter af is dan dat van zijn meester. Die is gaandeweg immers aan zijn slaaf verslaafd geraakt en vreest nu in hem – terecht – iemand die alle reden heeft hem te doden. Het is de slaaf die dan werkelijk beseft vrij te zijn, en de meester zal van zijn slaaf het echte vrijheidsbesef moeten leren. En zo gaat de geschiedenis – dat wil zeggen: de ‘verhouding’ van de vrije mens tot zichzelf – verder in steeds weer elkaar opheffende tegenstellingen. Ziehier, in ultrakort bestek, de manier waarop Hegel het wezen, het ‘zijn’ van de mens denkt: een steeds veranderende verhouding met een steeds wijkend ‘zichzelf’.

Wat Aragon van Hegel overneemt en accentueert, is het negatieve moment dat in zijn eindeloze herhaling de eigenlijke motor van de geschiedenis vormt, alsook de ware aard van de vrijheid. De zelfbewuste vrijheid of, wat op hetzelfde neerkomt, de geest, is in de grond negatie, een nee dat naderhand ook steeds nee zegt tegen het eigen nee, en zo louter ‘rapport’, louter ‘verhouding’ is. Die geest wil in alles wat hij begrijpt – in elke ‘grip’ van zijn begrip – bij zichzelf thuiskomen, maar blijft telkens, omdat geest en begrip negatie zijn, in die verhouding met zichzelf steken. De geest is nooit iets anders dan een ‘verhouding’.

Wie dat inziet, ziet het surreële. Hij ziet het reële, maar dan als wat het werkelijk is, dat is de relatie met diens ‘andere’, het ‘irreële’. Wanneer je het ‘rapport’ tussen die twee ziet, heb je de ware, juiste kijk op het reële en zie je het surreële. Zo formuleert Aragon het in de laatste regels van de aangehaalde passage. Wanneer de ‘geest […] alles wat is zonder onderscheid samenneemt’, dan nog is hij ‘verhouding’, want dan ‘plaatst hij er het irreële tegenover’. En die ‘algemenere verhouding’: ‘dat is het surreële’.

Het surreële staat voor openheid, voor wat de beslotenheid van alles wat wij voor realiteit houden, openbreekt. Het plaatst de dingen in een ‘rapport’, een ‘verhouding’ met wat ze niet zijn, met hun tegendeel, en pas in die verhouding geven ze hun echte – surreële – realiteit bloot, een realiteit als een ‘steeds wijkende horizon’, een horizon waarin de hele cultuur baadt. Aldus de zin die volgt:

‘De surrealiteit, een verhouding waarin de geest de denkbeelden samenneemt, is de gemeenschappelijke horizon van religie, magie, poëzie, van de droom, van de waanzin, van de roes en van het nietige leven, dat beverige geitenblad, alsof onze hemel echt niets anders bevat.'[18]

Is alles één? Eén zoals orthodoxe hegelianen dat van het hegeliaanse systeem verwachten? Niet bepaald. Als alles één is, aldus Aragon, dan enkel in de negatie, in het verschil dat alles van alles onderscheidt. Dit verschil is dat van de taal, van de matière mentale die zich toont in de taal die denkt vóór ik het ben die denkt (te denken). Daar, in het domein waar de taal ik-loos spreekt, ‘is’ geen woord wat het ‘is’, valt geen woord samen met wat het zegt. Daar, in dat domein van ‘absoluut nominalisme’, bestaat een woord slechts in zoverre het verschilt van een ander woord, houdt het niet op te verwijzen naar andere woorden om te zeggen wat het te zeggen heeft, maar blijft het in die talige verwijzing (die ‘verhouding’) steken, eindeloos. Wat denkt vóór ik het ben die dat doet, is als een ‘dromengolf’, een golf van woorden en tekens die zijn gang maar gaat, eindeloos, nooit af, nooit gesloten.

Op die golf surft de hele cultuur. Het surrealisme, aldus Aragon en geestverwanten, wil die cultuur niet alleen wijzen op die golf waarop ze surft, het wil ook en vooral, vanuit het besef op die golf te surfen, die cultuur helemaal opnieuw opbouwen. Het surrealisme van de jaren twintig sympathiseert dan ook met het revolutionaire elan van zijn tijd. Het profileert zich niet toevallig als La Révolution surréaliste – meteen ook de titel van het tijdschrift waarmee het zich tussen 1924 en 1929 lanceert.

Of het surrealisme zijn revolutionaire aspiraties heeft waargemaakt? Het heeft de cultuur hooguit beïnvloed, en zeker haar beeldtaal. Maar in de ‘mentale materie’ die Aragon naar voren schuift, heeft de algemene cultuur geen nieuw grondvest herkend. Het surrealisme is ‘kunst’ gebleven, kunst die weliswaar uitdrukkelijk ‘realistisch’ wenste te zijn, maar in die wens is blijven steken. Zoals trouwens alle artistieke ‘ismen’ van de laatste eeuwen zich daarin zijn blijven vermeien.

Toch is er een praktijk buiten die van de kunsten waarmee het surrealisme, zoals ik al zei, een opvallende affiniteit vertoont: de psychoanalyse. Nu is de referentie aan Freuds theorie in die vroege teksten van Aragon en andere surrealisten alomtegenwoordig, maar de ruimte ontbreekt hier om zelfs maar een oppervlakkige schets te bieden van de relatie tussen surrealisme en psychoanalyse. De evocatie van één fotografisch werk kan hier volstaan, waarin Aragons ‘mentale materie’ onverwacht scherp in beeld komt en een link naar de psychoanalyse zich spontaan opdringt. Ik doel op een fotografisch kunstwerk uit de oorlogsjaren van de Belgische surrealist Marcel Mariën.[19]

De kunstfoto kwijt zich keurig van zijn taak: we zien een tafereel zoals dat waarmee een klassiek schilder als Jean-Auguste-Dominique Ingres zo beroemd is geworden: een vrouwelijk zittend naakt, gezien op de rugzijde. Maar het tableau doet meer. Het toont ons de realiteit van wat we zien, dat wil zeggen: de surrealiteit van onze ‘verhouding’ met wat we zien, de surrealiteit van ons kijken. De tekst geschreven op de rug van het naakt maakt het met zoveel woorden duidelijk: ‘Stom en blind, hier ben ik dan, bekleed met gedachten die jij me toedicht’.

Wat we zien is niet wat we zien: ook hier is dat de boodschap die het surrealistische werk ons te kennen geeft. Het gefotografeerde naakt dat onze blik lokt, is niet het reële dat we in een naakt menen te zien. Het reële wordt ons pas door het ‘kunstwerk’ getoond. ‘Me voici’, ‘hier ben ik dan’, zegt het ‘stomme’, ‘blinde’ kunstwerk, en het toont ons hoe het naakt waar we ons aan vergapen wel degelijk gekleed is, of bekleed met ‘ideeën’, met fantasieën die wij eraan toedichten. Het object van onze blik toont dat tussen ons en het getoonde object ‘ideeën’ in het spel zijn, ideeën die bij ons vandaan komen en die we nu pas zien, nu er dat ‘stomme’ en ‘blinde’ object is dat ons dat zegt. Dat blote ‘object’, dat naakte kunstwerk toont ons de matière mentale waarmee – en waardoorheen – we naar het naakt kijken. Het toont de libidineuze of esthetische ‘materie’ die de reële basis vormt voor de ‘verhouding’ tot wat we zien. Het toont de ‘materie’ van onze blik op dat naakt. Het toont het ‘nominalisme’ dat onze verhouding met de werkelijkheid schraagt.

Zoals Aragon het in zijn tekst stelde, installeert een nominalisme zich in de ruimte van de afstand tussen ons en de werkelijkheid. Zodoende houdt het onze verhouding met die werkelijkheid ‘open’. Die open ‘verhouding’ is de reële – lees: surreële – waarheid van onze relatie met de realiteit. Dit is de reële, surreële waarheid van wat wij gemeenlijk ‘werkelijkheid’ noemen.

Rijmt dit met hoe het er in een concrete psychoanalyse aan toegaat? Jawel. Psychoanalyse staat niet, zoals een alom verspreid misverstand beweert, voor een of ander betweterig verdict dat ons psychische leven reduceert tot een obsessionele verslaving aan de copulatiedaad en de variëteit aan derivaten daarvan. De inzet van de psychoanalyse is formeler en in die zin ook realistischer, surrealistischer. Wat wordt geprobeerd, is de analysant terug te werpen op diens open relatie met de werkelijkheid, een relatie die stoelt op wensen en verlangens. Op zoek naar zichzelf wordt de analysant geleid naar een punt waarop hij of zij zich herkent als iemand die samenvalt, niet met een vaststaand ‘zichzelf’, maar met een verlangen naar ‘zichzelf’ – een inherent open, nooit bevredigd verlangen, al was het maar omdat het ‘zichzelf’ is ‘zoals de horizon wijkt voor de wandelaar’.

Niet dat je die term bij Freud of Lacan aantreft, maar je kunt het gerust de realistische want surrealistische condition humaine noemen. Tussen de mens en het voorwerp van zijn verlangen (‘zichzelf’ incluis), gaapt het grenzeloos ‘opene’ van dat verlangen. Dat doet zijn beoogde object eindeloos wijken. Dat verlangen bevolkt zich met ‘ideeën’, zo laat Mariën de rug van het erotisch geëtaleerde naakt zeggen – ‘ideeën’, fantasieën die een even eigengereid als eindeloos ‘nominalistisch’ universum vormen waar de mens lustvol in rondtolt. Het is aan een surrealistisch kunstwerk die naam waardig om dit nominalisme absolu, die matière mentale, die vague de rêves naar de voorgrond te duwen. Vanaf de oevers van een kunstwerk rolt een golf van dromen naar ons toe.

 

 

Noten

1. Louis Aragon, ‘Une vague de rêves’, in: Oeuvres poétiques. Tome 1, Parijs, Gallimard, 2007 [1924], p. 87. De vertaling door Rokus Hofstede van een gedeelte van dit essay opent dit nummer van De Witte Raaf.

2. Hugo Claus, De Oostakkerse gedichten, in: Gedichten 1948-1993, Amsterdam, De Bezige Bij, 1994 [1955], p. 179.

3. Brief aan Émile Bernard, 23 oktober 1905, in: Paul Cézanne, Correspondance, Parijs, Grasset, 1978, p. 394.

4. Guillaume Apollinaire, Oeuvres poétiques, Parijs, Gallimard, 1956 [1917], p. 865.

5. Ibid., pp. 865-866.

6. Ibid., p. 866.

7. André Breton, ‘Manifeste du Surréalisme’, in: Oeuvres complètes. Tome I, Parijs, Gallimard, 1988 [1924], p. 327. Vertaling in: Francine Drijkoningen, Jan Fontijn & Mojmir Grygar (red.), Historische avantgarde. Programmatische teksten van het Italiaans Futurisme, het Russisch Futurisme, Dada, het Constructivisme, het Surrealisme en het Tsjechisch Poëtisme, Amsterdam, Huis aan de drie grachten, 1986, p. 298.

8. Breton, p. 328; Drijkoningen, Fontijn & Grygar (red.), p. 303.

9. Louis Aragon, De boer van Parijs, Groningen, Historische Uitgeverij, 1998, vertaling Rokus Hofstede.

10. Pierre Daix, Aragon. Une vie à changer, Parijs, Flammarion, 1994, p. 181.

11. Op. cit (noot 1), p. 83.

12. Ibid., p. 84.

13. Ibid., pp. 84-85.

14. Ibid., p. 87.

15. Louis Aragon, ‘Idées’, in: La Révolution Surrealiste, nr. 3, 1925, p. 30.

16. Op. cit (noot 1), pp. 87-88.

17. Benedetto Croce, Ce qui est vivant et ce qui est mort dans la philosofie de Hegel, Parijs, V. Guiard & F. Brière, 1910, vertaling H. Buriot.

18. Op. cit (noot 1), p. 88.

19. Mariën maakte in 1953 een variant op deze foto, met het model in een gelijkaardige positie, maar met een iets andere tekst. Zie: Xavier Canonne, Le surréalisme en Belgique: 1924-2000, Brussel, Mercatorfonds, 2007, p. 81.

Een dromengolf

Soms raak ik de draad van mijn leven ineens helemaal kwijt: ik zit ergens in een hoek van het heelal, bij een dampende kop zwarte koffie, tegenover opgepoetste stukken metaal, met om me heen het gaan en komen van grote zachte vrouwen, en ik vraag me af langs welke weg van waanzin ik finaal onder deze boog ben beland, en wat nu eigenlijk die brug is die ze hemel hebben genoemd. Dat moment, waarop alles me ontglipt, waarop enorme scheuren zichtbaar worden in het paleis van de wereld, enkel en alleen om het te kunnen rekken, zou ik mijn hele leven veil hebben, een spotprijs. Dan maakt de geest zich een beetje los van de menselijke mechanica, dan ben ik niet langer de fiets van mijn zintuigen, de slijpsteen waarop herinneringen en ontmoetingen worden gewet. Dan vat ik in mijzelf het toevallige, dan vat ik plots hoe ik mijzelf te buiten ga: het toevallige, dat ben ik, en zodra die stelling bij me is opgekomen, lach ik als ik terugdenk aan alle menselijke bedrijvigheid. Eenmaal op dat punt zou sterven waarschijnlijk van grootsheid getuigen, eenmaal op dat punt maken ze zich waarschijnlijk van kant, zij die op een dag met heldere blik vertrekken. In elk geval begint op dat punt het denken; wat iets volslagen anders is dan dat spiegelspel waar dezen en genen in uitblinken, risicoloos in uitblinken. Heb je die duizeling ondervonden, al was het maar één keer, dan lijkt het onmogelijk dat je nog langer de werktuiglijke ideeën aanvaardt waar haast alles wat de mens onderneemt tegenwoordig op teruggaat. En alle gemoedsrust die hem eigen is. Op de bodem van de speculatie die het zuiverst oogt, bespeur je een ononderzocht axioma, dat ontsnapte aan kritiek, dat samenhing met een ander vergeten systeem, en hoewel bedoeld systeem intussen had afgedaan, liet het toch dat routineuze spoor, die onbetwiste formule in de geest achter. Zo spreken de filosofen in spreekwoorden, zo argumenteren ze. Ze rijgen hun fantasietjes aan elkaar met die vreemde schakels, die ze hebben opgedolven uit beroemde graven. Ze onderscheiden aspecten van de waarheid, ze geloven in deelwaarheden.

Ik heb geleefd in de schaduw van een groot, wit bouwsel dat met vlaggen en kreten getooid was. Ik had geen toestemming om me te verwijderen van dat kasteel, genaamd Samenleving, en de lieden die op het bordes te hoop liepen, maakten op de mat een vreselijke stofwolk. Vaderland, eer, religie, goedheid, het was lastig jezelf te herkennen tussen de woorden zonder tal die ze lukraak naar de echo’s gooien. Toch ontwarde ik langzaam hun onwrikbaarste geloofsovertuigingen. Veel stellen die niet voor. ‘De neiging van elk wezen om in zijn bestaan te volharden’ is een van hun favoriete formules, hoewel het hedonisme in hun ogen maar weinig krediet verdient; willen ze om het even wat veroordelen, dan hebben ze genoeg aan de misprijzende uitdrukking ‘bezoedeld met finalisme’; en verder openen ze paragrafen van hun intellectuele leven graag met deze aanhef, waar ze verzot op zijn: ‘Laat ons de sluier van de woorden een ogenblik wegtrekken.’ Dat ze met zulke methoden niet verder raken dan hypotheses, en hypotheses a posteriori, is iets wat ze nooit beseffen. Hun geesten zijn hybride monsters, nakomelingen van de merkwaardige liefdesbetrekkingen tussen de oester en de buizerd. Maar de bultenaars van het denken deert het niet dat passanten uit bijgeloof hun gelukbrengende bochels betasten. Ze zijn de koningen van de wereld en de cipiers van dit cachot, vanwaaruit ik hun boertige liedjes en het gerammel van hun sleutels kan horen.

En als een willekeurige bezoeker zich ooit terloops afvroeg waar ik me zoal mee bezighield in mijn zelfverkozen afzondering, zoals het zonder ironie heette, als zo iemand, die niet wist of hij aan mij of aan zichzelf moest twijfelen, een ogenblik het zonderlinge van mijn bestaan besefte, dan blikkerde algauw, op het horen van mijn antwoorden, het ongeloof in diens ogen. Hoe zou hij kunnen bevatten dat ik allerminst streef naar geluk? Dat het denken alleen in woorden bestaat? En toch liet die bezoeker, gedragen door een mode, en door het geloof in de kracht van een doctrine, zich soms voorstaan op idealisme. Dan begon ik te begrijpen dat ik andermaal een stiekeme realist tegenover me had, zoals de mensen van goede wil tegenwoordig zijn, die leven op basis van een compromis tussen Kant en Comte, die een grote stap voorwaarts meenden te zetten toen ze het vulgaire idee van de realiteit verwierpen om de voorkeur te geven aan de realiteit als zodanig, het noumenon, dat povere, ontmaskerde pleisterbeeld. Bij zulke mensen is het vergeefse moeite ze te wijzen op de ware aard van het reële, ze uit te leggen dat het maar een verhouding is zoals andere, dat het wezen van de dingen geenszins samenhangt met hun realiteit, dat er andere verhoudingen zijn dan het reële die door de geest kunnen worden bevat, en die minstens even wezenlijk zijn, zoals het toeval, de illusie, het fantastische, de droom. Die uiteenlopende soorten komen samen en worden verzoend in een genre, namelijk de surrealiteit.

 

Langs welke weg, langs welke omweg een concept tot ons komt, daarmee zijn waarachtig wonderen gemoeid. De idee van surrealiteit kon het menselijk bewustzijn alleen beroeren bij de gratie van buitengewone scholen, en van wat er in de opgestapelde eeuwen is voorgevallen. En waar behaagt het zo’n concept dan op te duiken? In 1919, te midden van heel particuliere overwegingen, bij het oplossen van een poëtisch probleem, zij het wel op het moment waarop de morele dimensie van dat probleem zich begint af te tekenen, vindt André Breton, als hij probeert het mechanisme van de droom te bevatten, op de drempel van de slaap de drempel en de aard van de inspiratie. Aanvankelijk betekent die ontdekking, die alleen al in dat opzicht heel groot is, niets anders voor hem, net zomin als voor Philippe Soupault, die zich samen met hem wijdt aan de eerste surrealistische experimenten. Wat hen treft is een vermogen waarvan ze zich niet bewust waren, een onvergelijkelijk gemak, een bevrijding van de geest, een ongeëvenaarde productie van beelden, en de bovennatuurlijke toon van wat ze schrijven. In alles wat zo uit hen voortkomt zonder dat ze zich er verantwoordelijk voor voelen, herkennen ze wat zo weergaloos is aan de paar boeken, de paar woorden die hen nog ontroeren. Ze worden zich ineens bewust van een grote poëtische eenheid, die zich uitstrekt van de profetieën van alle volken tot geschriften als Les Illuminations en Les Chants de Maldoror. Tussen de regels door lezen ze de onvolledige ontboezemingen van hen die ooit het Systeem beethadden: in het licht van hun ontdekking raakt Une saison en enfer kwijt wat er raadselachtig aan is, en ook de Bijbel en enkele andere bekentenissen van de mens, onder hun beeldenmaskers.[1] Maar we staan aan de vooravond van dada; de moraal die in hun ogen uit die exploratie kan worden gedistilleerd, is de bluf van het genie; wat zich dan bij hen gaande maakt, is verontwaardiging tegenover die goochelarij, die zwendel, waarin de literaire resultaten van een methode worden voorgesteld, maar de methode zelf verborgen wordt gehouden, en waarin ook verborgen wordt gehouden dat die methode binnen ieders bereik ligt. Toegegeven, ook de eerste experimentatoren van het surrealisme, die aanvankelijk beperkt in getal zijn, laten zich op hun beurt verleiden door zulke literaire exploitatie, maar dat doen ze omdat ze weten ooit hun kaarten op tafel te zullen leggen, en omdat ze als eersten die grote, uit de diepte oprijzende betovering ervaren. En voorlopig gaan ze in alle rust hun gang, want de wereld moet hartelijk om hun liedjes lachen.

Hoe komt het dan dat ze zich plotseling inbeelden aan de rand van een afgrond te staan, hoe komt het dat hun de ogen worden geopend voor dat kometenveld dat ze nietsvermoedend hebben omgeploegd? Het komt door het onverwachte effect van het surrealisme op hun leven. Ze zijn erin gesprongen als in een zee, en als door een bedrieglijke zee dreigen ze nu door het surrealisme te worden meegesleurd naar open water, waar de haaien van de waanzin kruisen. Ik heb vaak moeten denken aan de mens die als eerste gevoelige membranen, kooltjes en koperdraad bijeenbracht, waarmee hij de trillingen van de stem meende te kunnen vastleggen, en die, nadat de machine was opgesteld, de onvervalste klank van de menselijke stem kon horen. Zo ook zagen de eerste surrealisten, die een uiterste staat van vermoeidheid hadden bereikt door overmatig gebruik van wat hun nog een simpel spelletje toescheen, de wonderen opkomen, de grote hallucinaties die gepaard gaan met de roes van religies en fysieke narcotica. Het was de tijd waarin we ’s avonds als jagers samenkwamen en ons tableau opstelden van de dag, het overzicht van de dieren en griezelplanten die we hadden verzonnen, van de beelden die we hadden afgeschoten. Zo brachten we, ten prooi aan acceleratie, een toenemend aantal uren door met die oefening die ons overleverde aan vreemde regionen van onszelf. We schepten plezier in het observeren van de curve van onze vermoeidheid, van de verdwazing die erop volgde. Toen verschenen de wonderen. Eerst meende elk van ons met een particuliere ontregeling van doen te hebben, en vocht tegen die ontregeling. Maar algauw openbaarde zich de aard ervan. Het was alsof de geest, aangekomen op dat scharnierpunt van het onbewuste, het vermogen kwijt was om te herkennen waarin hij verzeild raakte. Er bleven beelden in achter die gestalte kregen, die werkelijkheidsmaterie werden. Overeenkomstig die verhouding drukten ze zich uit, in een zintuigelijke vorm. Zo namen ze de kenmerken aan van hallucinaties, visuele, auditieve, tactiele. We ondervonden hoe krachtig beelden kunnen zijn. Het lukte ons niet langer ze te sturen. We waren hun domein geworden, we werden erdoor bereden. We reikten fantomen de hand, in bed op het moment van inslapen, op straat als de ogen wijdopen staan, met alle verschrikkingsorganen. Die verschijnselen verdwenen weer als we rust namen, als we ons onthielden van surrealisme, en daardoor beseften we hoezeer ze gelieerd waren aan vergelijkbare verschijnselen die volgen op het toedienen van een chemisch agens, en in eerste instantie schortten we uit angst de onderzoekingen op, die pas na verloop van tijd weer de overhand kregen in onze nieuwsgierigheden. Het feit dat de ontregelingen teweeggebracht door surrealisme, door fysieke vermoeidheid en door narcotica identiek waren en dat ze gelijkenis vertoonden met dromen, met mystieke visioenen, met de symptomatologie van geestesziekten, bracht ons tot een hypothese die als enige een verklaring kon bieden voor dit geheel van feiten en voor de samenhang ervan: het bestaan van een mentale materie, die we op grond van de overeenkomst tussen hallucinaties en gewaarwordingen wel moesten beschouwen als iets wat gescheiden was van het denken, en waarvan het denken, ook in zijn zintuigelijke modaliteiten, hooguit een particulier geval kon zijn. Die mentale materie ondervonden we door haar vermogen te stollen tot een vaste, tastbare vorm. We zagen hoe ze van de ene toestand in de andere overging, en door die gedaanteveranderingen, die ons op het bestaan ervan wezen, kregen we meteen ook een idee van de aard ervan. We zagen bijvoorbeeld hoe een geschreven beeld, dat in eerste instantie de kenmerken van het toevallige en het willekeurige had, onze zintuigen bereikte, zich ontdeed van zijn talige aspect, om verschijningsmodaliteiten aan te nemen waarvan we altijd hadden gedacht dat ze onmogelijk op te wekken waren, gefixeerd buiten onze verbeelding. Niets kon ons nog garanderen dat alles wat zich in het veld van ons bewustzijn en van ons lichaam afspeelde niet was ontstaan onder invloed van die paradoxale activiteit waaraan we ineens deel hadden. Zo stelden we ons ook de tegenhanger voor van wat we ervaarden, en reduceerden we in een kritische reflectie elke gewaarwording, elk denken tot één woord. Het absolute nominalisme vond in het surrealisme een eclatant bewijs, en die mentale materie waar ik het over had, die kwam ons welbeschouwd voor als de woordenschat zelf – er is geen denken buiten de woorden, het hele surrealisme levert argumenten voor die stelling, die tegenwoordig, hoewel ze geenszins nieuw is, op meer ongeloof stuit dan de vage, steevast door de feiten weersproken opinies van de realisten die op een mooie, regenachtige avond naar het Pantheon worden afgevoerd.

We zien nu dus wat het surreële is. Maar greep krijgen op het denkbeeld van het surreële is alleen mogelijk bij uitbreiding, in het beste geval wijkt het zoals de horizon wijkt voor de wandelaar, want net als de horizon is het een verhouding tussen de geest en iets wat het nooit zal bereiken. Wanneer de geest de verhouding van het reële aanschouwt, waarin hij alles wat is zonder onderscheid samenneemt, plaatst hij daar als vanzelf de verhouding van het irreële tegenover. En pas als hij die twee begrippen heeft overwonnen, stelt hij zich een algemenere verhouding voor, waarin deze twee verhoudingen naast elkaar staan – dat is het surreële. De surrealiteit, een verhouding waarin de geest de denkbeelden samenneemt, is de gemeenschappelijke horizon van religie, magie, poëzie, van de droom, van de waanzin, van de roes en van het nietige leven, dat beverige geitenblad, alsof onze hemel echt niets anders bevat.

 

[…]

 

Er is een roman van Marcel Allain waarin de mysterieuze Rood-Hart, na duizend-en-een verwikkelingen, dorst en aanhoudend gevaar, de luchtspiegelingen ervan, aankomt diep in het Hemelse Rijk bij het fabelachtige graf waar hij de ring hoopt te vinden die almacht verleent.[2] Wat ziet hij, terwijl nachtvogels opvliegen van de stoffige grafsteen bij het onteerde graf? Het scherpomlijnde spoor van een Wood-Milne-hak.[3] En ja hoor, waarde vrienden, het moet wel of we laten onze prooi eens te meer schieten en vangen een schim, het moet wel of we proberen tevergeefs aan de afgrond een waarheid te onttrekken. Maar die schim, maar die stilte jagen we al sinds mensenheugenis na, maar die grote mislukking laat niet af. Waarom lezen we in onze steden niet op een monument: Voor Phaëton, de dankbare mensheid? Ach ja. Hij duizelde graag en hij is gevallen![4]

Als ik onverhoeds het verloop van mijn leven gadesla, als ik vergeet hoe mijn geest wordt meegesleurd, en dat is makkelijk, als ik de betekenis van dit leven dat door me heen gaat, dat me ontsnapt, onverhoeds een beetje naar mijn hand zet… Wat heeft het te betekenen? Onverhoeds. Ik verwacht niets van de wereld; ik verwacht niets van niets. De betekenis van dit leven, toe maar: wat kan mij een ontdekking schelen, en of het denkbeeld ervan toepasbaar is? Kennen! De steen die in de afgrond wordt gegooid, kent alleen zijn eigen acceleratiegraad, en kennen kan dat eigenlijk niet worden genoemd. Moet je zien hoe de mens ten prooi is aan zijn spiegels en met zijn pathetische, theatrale stem uitroept: wat zal er van mij worden? Alsof hij de keus heeft. Grote vergeefsheid, woelige zee, ik ben je verweerde klif. Omhoog, omhoog, kind van de maan, o getijde: ik ben die zich verbruikt, en de wind mag me meevoeren. Een simpele gewoonte, wanneer het donker te dicht is, met zijn spoken, zijn verschrikkingen, dat ik mijn handen uitsteek naar de lichtbundels van de vuurtorens in de verte. Dat ik met die mentale streep de beruchte sterrenbeelden uitteken – simpele gewoonte. Dat ik binnensmonds zing. Dat ik ga, dat ik kom. Dat ik denk. Dat ik deze ogen, die niets hebben gezien, domweg opendoe.

Maar tussen alle wijsjes die ik soms neurie, is er toch één die me vandaag de vrije illusie van lente en weilanden geeft, een illusie van waarachtige vrijheid. Dat wijsje ben ik kwijtgeraakt, en dan schiet het me weer te binnen. Vrij, vrij: het is het uur waarop de ketting van de wind met zijn heldere schakels opvliegt door de watergolvingen van de lucht, het is het uur waarop de bolronde kogel de slaaf wordt van enkels, waarop handboeien sieraden zijn. Soms hakt de geketende op de muren van zijn kerker een inscriptie die een vleugelgeluid maakt op het steen. Soms houwt hij boven de kluisters het met veren getooide symbool van aardse liefdes. Hij droomt namelijk, en ik droom, meegevoerd, ik droom. Ik droom een lange droom waarin iedereen zou dromen. Wat er van dat nieuwe droombedrijf moet worden weet ik niet. Ik droom aan de rand van de nachtwereld. Wat wilden jullie me dan zeggen, mensen in de verte, die roepen met jullie hand aan de mond, die lachen om de gebaren van de slaper? Aan de rand van de nacht en de misdaad, aan de rand van de misdaad en de liefde. O Rivièra’s van het irreële, jullie casino’s zonder leeftijdsonderscheid openen de deuren van hun speelholen voor iedereen die wil verliezen! Geloof me, het wordt tijd dat winnen heeft afgedaan.

Wie is daar? Ha, goed zo: laat het oneindige binnen.

 

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

 

 

Voetnoten van de vertaler

1. Les Illuminations (1872-1875) en Une saison en enfer (1873) zijn dichtbundels van Arthur Rimbaud (1854-1891), Les Chants de Maldoror (1868-1869) is een boek van Comte de Lautréamont (Isidore Lucien Ducasse) (1846-1870). Over Lautréamont verklaart Aragon in Traité du style (1928) dat hij ‘de grote man van de surrealisten’ is.

2. Marcel Allain (1885-1969) is onder meer de auteur van het tweeëndertigdelige feuilleton over de gemaskerde crimineel Fantômas.

3. Wood-Milne is in de vroege twintigste eeuw een bekend merk van rubberzolen.

4. Phaëton is in de Griekse mythologie de zoon van de zonnegod Helios. Hij werd door Zeus uit de op hol geslagen zonnewagen gestoten en stortte neer op aarde.

 

• Oorspronkelijke publicatie: Louis Aragon, ‘Une vague de rêves’, in: Commerce, nr. 2, 1924, pp. 89-121. Voor deze gedeeltelijke vertaling werd gebruikgemaakt van: Oeuvres poétiques completes. Tome I, Parijs, Gallimard, 2007 [1924], pp. 83-88, 95-97. © Éditions Seghers, 1990, 2006, 2024.

De knipoog

‘Koud-warm’ is een kinderspelletje waar volwassenen niet genoeg van kunnen krijgen. Niet langer afhankelijk van ouders, zetten ze zich bij gelegenheid voor donoren te kijk. Gespeeld gewillig laten ze zich gek maken door een kakofonie aan stemmen die met variaties van ‘koud’ en ‘warm’ de zoektocht naar het geschenk begeleiden. Voor een cadeau moet gewerkt worden, het verlangen wordt aangewakkerd in een opruiend toneelstuk dat iedereen bij de act van het geven betrekt.

*

Paul, sadist en spelleider in Michael Hanekes film Funny Games uit 1997, leidt Anna rond haar Oostenrijkse landhuis met aanwijzingen die van frivoliteit gespeend zijn. Ze krijgen een macabere ondertoon, want ergens ligt Anna’s vermoorde hond Rolfi van warm naar koud te gaan. Op een gegeven moment kijkt Paul over zijn schouder en knipoogt naar de camera. Commentatoren komen met twee verklaringen: Haneke wou de kunstmatigheid van de film blootleggen, en hij wou zijn publiek medeplichtig maken. Ongetwijfeld hebben beide opties filmkritisch potentieel, maar gaan ze niet voorbij aan de structuur van de knipoog? Dat de aanduiding van artificialiteit niet voor alle knipoogsituaties geldt, ligt voor de hand. De gedwongen medeplichtigheid, daarentegen, lijkt op het eerste gezicht bijzonder beloftevol als motief. Dat de ontvanger aan de communicatie moet deelnemen, kan de indruk wekken dat de knipoger alleenrecht heeft, en misschien zelfs ‘soeverein’ genoemd kan worden.

*

Dat kinderen inzien hoeveel macht er van de knipoog uitgaat, blijkt uit een ander spel: knipoogmoordenaartje. Volgens scoutpedia.nl: ‘Wanneer de moordenaar naar een ander kind knipoogt, valt het kind waarnaar geknipoogd is, ‘dood’ op de grond neer.’ Het is geen minder gezaghebbende bron dan een tekst uit La Déclosion (2005) van Jean-Luc Nancy met als titel ‘D’un Wink divin’. Nancy zet het soevereiniteitsparadigma kracht bij door te verwijzen naar de prins uit vroegere tijden, die met een simpele knipoog genade schonk aan een terdoodveroordeelde. De beslissing over leven of dood voltrekt de soeverein tweeërlei: met en in een oogwenk. Nancy gebruikt het soevereiniteitsconcept van Carl Schmitt, die de mogelijkheid om een uitzonderingstoestand in te roepen centraal stelde. Het afkondigen van de ‘exceptie’ is volgens Schmitt de soevereine beslissing par excellence, omdat de orde erdoor wordt opgeheven. Initieel lijkt ook de knipoger over zo’n bevoegdheid te beschikken: de geldende situatie stokt en een andere situatie komt in de plaats. Medeplichtigheid in plaats van afzijdigheid, nabijheid in plaats van afstand, humor in plaats van sérieux, een bewuste in plaats van een onbewuste blik, een nieuw begin in plaats van een absoluut einde.

*

Toeschouwers die zoals in Funny Games een knipoog toegeworpen krijgen, verliezen hun onschuld: ‘Jij hebt dit geregistreerd, dus je kunt er niet onderuit.’ Aan een blik valt niet te ontsnappen. De knipoog brengt de blik in beweging, als bewuste handeling, eerder dan als een rustpositie van de ogen. Bovenop de verplichte registratie kan uitbeeldend worden aangespoord om ‘een oogje toe te knijpen’, alleen al omdat ogen zich zelfstandig laten afsluiten, in tegenstelling tot oren, neus en huid. Knipogen wordt dan samen-knipogen. Nancy wijst erop dat die betekenis al in het Franse (en Engelse) connivence vervat zit. Het woord, dat een stiekeme betrokkenheid impliceert, is een afgeleide samenstelling van cum (Latijn voor ‘samen’) en nictare (‘knipogen’). Het is niet moeilijk om naar elkaar knipogende politici en zakenmannen te zien bij de term ‘vriendjeskapitalisme’ – capitalisme de connivence in het Frans.

*

Eenzelfde geniepig ‘samen’ zit ook in (ac)complice, dat tot ‘samen-plooien’ terug te brengen valt. Hoewel plooibaarheid voor de mentale gesteldheid van de medeknipoger geldt, slaat het in de eerste plaats op diens oogleden, onontbeerlijk bij het knipogen. Het wordt benadrukt in het Engelse en Duitse woord wink of Wink, dat zijn oorsprong kent in het Proto-Indo-Europese weng-, wat ‘buigen’ of ‘krommen’ betekent. De verwantschap met een van de voornaamste knipoogfuncties, het wenken, houdt steek. Wenken gaat vaak met een kromming gepaard: een hoofdknik, het lichaam vooroverbuigen, met een schelpvormige hand naar zich toe scheppen, of met een oog ‘knippen’. De lichamelijke begroeting dient om de afstand tussen mij en de ander al een beetje te verkleinen zonder ze op te heffen. Het wenken heeft niet de directheid van de aanroeping, waarbij een naam als een bruut ‘Ik ken jou!’ weerklinkt. De wenkende knipoog behoudt de afstand tot de ander omdat niet voor het transparantere, verbale alternatief is gekozen. Die gelijktijdigheid van nabijheid en verte ligt volgens Georg Simmel ten grondslag aan het flirten. Nergens is dat duidelijker dan bij het stereotype van de flirtende vrouw: de knipoog herhaalt zich in eindeloos knipperen, vaak met lange wimpers om de afwijzend-accommoderende functie van de oogleden te accentueren door hun bereik te vergroten. (Hoewel de femme fatale ook van lange wimpers gebruikmaakt, is ze niet zo definitief als de venusvliegenvanger, een vleesetende plant met ‘wimpers’ die naar binnen krullen om een prooi tot de dood gevangen te zetten.)

*

Knipogen is knip-en-plakwerk. Na de relativering van een boodschap bedekt de knipoog een situatie met nieuw connotatief vernis. ‘Neem dit toch niet zo ernstig!’ of: ‘Jij en ik weten wat écht wordt bedoeld.’ Zoals Nancy schrijft, biedt ‘de knipoog altijd de schenking van een extra- of surplus-waarheid’. Al kan over die zwaarwegende woorden twijfel bestaan, van alle gebaren is de knipoog een van de meest doortastende.

*

Soms is dat vernis wit, en doet het verdwijnen zonder te vervangen. Er wordt aangemaand: ‘Hier is het laatste nog niet over gezegd!’ De situatie wordt als vergankelijk geponeerd. De knipoger maakt het einde voorlopig, als een moment dat herhaald kan worden en waarvan de vervolmaking oneindig wordt uitgesteld. Het gaat dan over een ‘knipoog die de blik onder de slag van een ooglid begraaft’, zoals Jacques Derrida in Mémoires d’aveugle (1990) schrijft. Over voortdurend uitstel – dat voor elke knipoog en zelfs voor elk teken kan gelden – hebben Heidegger (zögerndes Versagen), Derrida (différance) en Nancy (signe d’attente) intelligente dingen gezegd, maar hier volstaat Suske en Wiske. Deze stripverhalen eindigen, zoals sommige komische Hollywoodfilms, met een verkleining van het kader tot een ovaal dat een gezicht omlijst. Het knipogende oog sluit af, maar het geopende oog is al gericht op de toekomst, op de volgende aflevering. Voor nu is het voorbij, maar dat einde zal zich herhalen. (William Gaddis spreekt in The Recognitions (1955) van ‘stripverhalen, waarin het leven in een continuüm stroomde’.) Soaps, sitcoms, strips, series – allemaal knipogen ze, want ieder einde is niet meer dan een tijdelijke opschorting, een cliffhanger, die een nieuw begin aankondigt. Is het toeval dat een van de vele afleveringen van Seinfeld ‘The Wink’ heet?

*

‘Hoe knipoog je als je een eenoog bent’, vraagt de jonge Louis Seynaeve in Het verdriet van België (1983) van Hugo Claus. Inderdaad: heeft een knipogend oog niet altijd een rustend, open oog nodig? Is tweeogigheid niet noodzakelijk voor de knipoog? Opnieuw lijkt dat het soevereiniteitsparadigma te bevestigen. Tweeogigheid is onze manier van Janus-zijn, want het geeft ons – of het veruitwendigt – het vermogen te bedriegen en te misleiden. Had Odysseus zonder zijn twee ogen de eenogige Polyphemus kunnen ontlopen? De knipoog is de enige manier waarop ogen zich kunnen scheiden en verzelfstandigen tot ontkoppelde gerichtheden – de enige manier om een uitdrukkelijk tweevoudige blik te slaan. Niet inhoud, maar richting geeft de knipoog elan. (Niet zonder reden slaat ‘pinken’ in het Vlaams zowel op knipogen als op het inschakelen van een richtingaanwijzer.) Twee ogen laten toe je gespletenheid te bewaren zonder dat woordelijk te erkennen. Knipoog: de lichamelijke vertaling van halfbakken.

*

In verschillende richtingen getrokken, is de mens het enige wezen van wie de blik zich ontbindt. Naast de frontale blik – de startpositie – op primair (over)leven, dient er elders te worden gekeken – omhoog naar een koning of god, omlaag naar een onderdaan of kind, zijdelings naar een minnaar of vijand van een vriend, en vanuit een verbeelde ‘excentrische positionaliteit’ (Helmuth Plessner) naar zichzelf. De knipoog gebeurt per definitie zijdelings, maar maakt gewag van fundamentele gespletenheid, in talloze richtingen. De noodzaak van bedrog – of minder pejoratief: subtiliteit – betoont daarom net een gebrek aan soevereiniteit.

*

Als mens ben je allerlei partijen verantwoording schuldig, wat sneller voor de verdoken knipoog dan voor verbaliteit doet kiezen. De prins waarover Nancy sprak, moet in stilte genade schenken, in plaats van vrijuit, via het dictaat; elite, massa en God blazen in zijn nek. De mens is, in tegenstelling tot God, onmachtig in woordeloosheid. Zelfs Josef K. werpt tijdens de eerste hoorzitting in Kafka’s Het proces (1925) tegen dat de rechter-commissaris in plaats van met zijn arm te wenken gewoon luidop moet spreken. Ook binnen een kafkaësk rechtssysteem kan K. de gebrekkige soevereiniteit van de ambtenaar blootleggen, want diens ondoorzichtigheid betekent dat hij niet opereert in het volle licht van het woord, maar in de schaduw van een uitgestrekte arm. In het soevereiniteitsparadigma zijn barsten verschenen die zich niet zomaar laten repareren.

*

De enige die kan knipogen zonder aan soevereiniteit in te boeten, is God – ‘alogig’, want zonder de beperkingen van wie over geen, één of twee ogen beschikt. In tegenstelling tot Argus met zijn honderd ogen kan God veelvuldigheid wél in meerzinnige communicatie omzetten; in tegenstelling tot de mens is hij er niet toe genoodzaakt dat te verbergen. Omdat hij geen rekenschap moet afleggen, kan hij zijn gewilde ambiguïteit rechtuit – of met een knipoog, dat kiest hij zelf – aan de schepping communiceren. God heeft oneindig veel gezichten, die hij tegelijkertijd, met evenveel zeggingskracht en zonder angst voor represailles, kan opzetten.

*

Ook de autocraat wil alogig – goddelijk – worden, maar blijft genoodzaakt te knipogen. Hij denkt dat te bereiken met de combinatie van veelogigheid (surveillance) en eenogigheid (autarkie, met als tussenstappen mercantilisme, protectionisme en isolationisme). Alziend de bevolking observeren zonder van andere landen afhankelijk te zijn is het droomscenario van de dictator. De tweeogigheid, alsook de mogelijkheid te knipogen, blijft bewaard, maar zonder dat het moet. (Van alle staatsleiders waant Xi Jinping zich wellicht het meeste Argus, terwijl Kim Jong-un, als voortzetter van de Juche-ideologie, Polyphemus achternagaat.) Zowel veel- als eenogigheid kunnen voor een dictator effectief zijn, maar alleen als ze strikt gescheiden blijven. Eenogigheid wordt beter geen synoniem voor veelogigheid, want dan wordt vergeten dat andere standpunten cruciaal kunnen zijn. Dat demonstreerde dit jaar de terroristische aanslag op de Crocus City Hall nabij Moskou, die ondanks een waarschuwing van de VS niet werd verijdeld. Wie ontkent dat er andere ogen zijn, wordt in plaats van alogig blind.

*

Omdat ons globale leven-in-groep, onze socialiteit, alsook (voor velen) de gerichtheid op God, steeds het bestaan van derden inroept, dienen we altijd met minstens twee partijen rekening te houden. Met het open oog bewijzen we lippendienst aan de hoofdpartij, met het knipogende oog aan een nevenpartij – zonder dat we op het matje kunnen worden geroepen, zonder dat we die tweespaltige houding moeten opgeven. Eerder dan groots machtsvertoon, is de knipoog vooral een noodgedwongen antwoord op de macht van derden.

*

Dat zelfs de ‘veroneindiging’ van de knipoog een zwaktebod blijkt, wordt in Funny Games uit 2007 duidelijk. Deze Amerikaanse shot-per-shot-remake van de film uit 1997 herhaalt tien jaar later minutieus de folterpraktijken. Mocht Paul leven, dan zou hij zijn sadistische scenario door een ander gerepliceerd weten… Het toppunt van soevereiniteit? De soevereine knipoger duldt geen epigonen; de spelende knipoger moedigt hen aan. Paul knipoogt met de lach van het spelende kind, voor wie, zo schrijft Freud, herhaling boven nieuwigheid gaat. Pauls slachtoffers zijn pionnen in ‘grappige spelletjes’ die eeuwig kunnen doorgaan. Hun dood is een assemblage van nepbloed, een wapen zonder kogels en een ongemakkelijke lichaamshouding – morgen draaien we dat opnieuw! Pauls knipoog erkent dat door de mens veroorzaakt geweld, hoe creatief ook, altijd te kopiëren valt en daarom nooit de subjectiviteit van een soeverein kan uitdragen. Zoals van Suske en Wiske kan er van de Holocaust een nieuwe aflevering volgen.

*

Er zijn limieten aan de menselijke creativiteit, maar het valt op dat geweld jaar na jaar beter te registreren valt. Hoewel het kwaad – beschreven in annalen, afgebeeld door hofschilders, vastgelegd op film, live op propagandistische sociale media – dankzij steeds preciezere reproducties verder en dieper doordringt, heeft dat ook als resultaat dat geen enkele gewelddaad uniek blijft. Menselijk geweld ontvouwt zich volgens scenario’s die opnieuw uitgevoerd kunnen worden. Zoals van een film kan van het kwaad altijd een remake gemaakt worden. Knipogend dwingt een mens anderen tot de registratie van zijn daden, maakt hen medeplichtig, maar tezelfdertijd verklapt hij zijn gebrek aan soevereiniteit, net omdat een geregistreerde daad zich opnieuw kan voordoen – en, zo leert de geschiedenis van het kwaad, steeds exacter naarmate er grotere misdaden plaatsgrijpen.

*

Knipogen is niet als soeverein een uitzonderingstoestand instellen. Integendeel, het is de menselijke nietigheid erkennen, toegeven dat alles wat je doet in een continuüm verdwijnt, tot betere copycats zal leiden en op een oordeel wacht. Wij, mensen, zijn tweeogig, met de meervoudigheid die Polyphemus ontbeert, maar zonder de ‘alomheid’ die God soeverein maakt. Waar we een ander misleiden, doen we dat onder het dreigende toezicht van het Ene Oog. En dus moeten we verantwoording afleggen voor woordeloze spelletjes die al van bij aanvang niet exclusief de onze zijn.

Goden en underdogs. Pamela Phatsimo Sunstrum

De uit Botswana afkomstige multimediakunstenaar Pamela Phatsimo Sunstrum (1980) exposeert inmiddels bijna twee decennia, voornamelijk in de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Engeland. In Europa was haar werk nog maar mondjesmaat te zien, een enkele bescheiden presentatie in Berlijn, Brussel, Zürich en Den Haag uitgezonderd. Daar lijkt nu verandering in te komen. Onlangs kreeg The Gods and the Underdogs in KM21 in Den Haag de nodige aandacht en momenteel toont het Barbican Centre in Londen recent werk in de expo It Will End In Tears.

Sunstrum ontwikkelde zich in de eerste plaats als tekenaar. Dat is ze gebleven, ook als ze niet op papier werkt maar schildert. Ze is een echte storyteller, beïnvloed door fotografie en film, door etnografische en ecologische vraagstukken en door kwantumfysica. Ze verzamelt archiefmateriaal over uiteenlopende onderwerpen en gebruikt foto’s van onder anderen familieleden als studiemateriaal. Sunstrum is schatplichtig aan de literatuur van Ben Okri en aan het werk van de in Europa weinig bekende Zuid-Afrikaanse auteur Bessie Head, die een bescheiden maar indrukwekkende productie proza en poëzie heeft nagelaten. In de tijd dat de rassenwetten in Zuid-Afrika van kracht waren en het land door apartheid werd verscheurd, besloot Head nog voor haar dertigste haar geboorteland te verlaten en met een exit permit op zak in Botswana te gaan wonen. Dat besluit liet diepe sporen na. Op Sunstrum maakten die daad van verzet en de gevolgen ervan voor Head grote indruk.

Sunstrums werk roept vragen op over identiteit en machtsverhoudingen en over afkomst en geografisch-cultureel bepaalde condities. Het maakt haar tot een geëngageerde kunstenaar. Ze heeft een verzorgde teken- en schilderstijl en hanteert uiteenlopende materialen als krijt, acryl, olieverf en potlood en diverse soorten penselen en kwasten. Doorzichtig wit gegrondeerde houten panelen dienen als ondergrond. De structuur en de richting van de nerven blijven vaak zichtbaar en bepalen uiteindelijk mee de kwaliteit. Arceren doet ze graag, verticaal, horizontaal, diagonaal, soms laag over laag. Het is haar stilistisch handelsmerk. Prachtige effecten bereikt ze ermee, niet het minst door het subtiele kleurgebruik. Ze denkt goed na over de plaatsing van figuren en over de sfeer waarin ze de landschappen en de omgeving onderdompelt. Ze heeft een zoekende hand, veegt nogal wat uit en laat sporen van het werkproces meestal zichtbaar. Dat is wezenlijk; de zo verkregen gelaagdheid en detaillering zijn misschien net zo belangrijk voor haar als de verhalen die ze verbeeldt. Sunstrum laat zich bovendien inspireren door de ruimte waarin ze exposeert. Dat heeft geleid tot boeiende, theatraal aandoende ensembles, waarin haar partner, designkunstenaar Remco Osório Lobato, een grote hand heeft.

Vorig najaar zag ik You’ll be sorry, haar eerste solo in de klassiek ogende ruimte van de Goodman Gallery in Johannesburg. Die titel riep vragen op. Wie krijgt spijt, waarvan en waarom? Er hingen tekeningen en schilderijen van nog bestaande en van inmiddels uitgestorven steppedieren (de quagga), van benen in lang gras, van personen in een anonieme setting, in zichzelf gekeerd, niet in gesprek en schijnbaar vervreemd van elkaar. Vrolijk of uitbundig zijn ze nooit, eerder gedepersonaliseerd. Er hing bij Goodman ook een treffende potloodtekening, op twee grote papiervellen, van haar grootmoeder met een klein kind aan de hand, getiteld Ke ya gae (2023). Sunstrum merkte op hoe sterk deze Botswaanse vrouw was, waardoor zij een voorbeeldfunctie had. De expositie had een cinematografisch karakter, alsof je een storyboard onder ogen kreeg. Maar een duidelijke verhaallijn viel niet te ontdekken.

Omdat er een verstilde, ernstige en soms mysterieuze sfeer over haar tekeningen en schilderijen hangt, was ik bijna geneigd de inhoud voor lief te nemen. Maar daarmee doe je haar werk schromelijk tekort. Iets van diezelfde sfeer wist de Zuid-Afrikaanse, witte kunstenaar Jacobus Hendrik Pierneef op te roepen in strak gestileerde en ontvolkte landschappen in Zuid-Afrika. Sunstrum putte veel inspiratie uit Pierneefs werk, dat op het eerste gezicht koel oogt, maar na langer kijken doorvoeld overkomt.

Sunstrum heeft regelmatig moeten verhuizen. Geboren in 1980 in Mochudi, ten noordoosten van hoofdstad Gaborone in Botswana, vertrok ze in 1998 naar de Verenigde Staten, waar ze opleidingen volgde aan The University of North Carolina en in Baltimore. Ze was artist in residence in Panama en vestigde zich opnieuw in de States en wat later in Canada, Soedan, Sri Lanka, Malawi en Johannesburg. Inmiddels woont ze al enkele jaren in Den Haag, een stad waar ze het naar haar zin heeft en waar haar werk van de laatste jaren tot stand is gekomen.

In een recente dialoog met collega-kunstenaar Thenjiwe Niki Nkosi noemt Sunstrum zichzelf opnieuw een storyteller. Het overkoepelende thema bij Goodman was homecoming. Johannesburg betekende letterlijk thuiskomen, omdat ze langere tijd in die stad heeft gewoond en er samenwerkte met onder anderen David Koloane, een activistische kunstenaar, curator en de oprichter van de Bag Factory. Sunstrum snijdt het thema van thuiskomen aan op een wijze die niet opdringerig of expliciet is, maar die de verbeelding van de kijker alle ruimte verschaft. Ke ya gae is gebaseerd op een oude foto van haar grootmoeder. You’ll be sorry is ook de titel van een fraai schilderij van twee dames in bontjassen, met gemengde huidskleur, op de achterbank van een auto. Ze lijken ergens aan te komen of staan juist op het punt te vertrekken. Onbewogen kijken ze voor zich uit. Het is een scène die je kunt aantreffen in een Amerikaanse film van na de oorlog. Waar zijn deze vrouwen, wie kennen ze daar, wat zijn hun motieven? Speelde dit tafereel zich af voor of na het uitroepen van de onafhankelijkheid van Botswana in 1966? Gaat het wel om Botswana, of om Malawi of Soedan? Je krijgt enkel suggesties van een verhaal te zien. Het geeft een suspense-achtige twist aan haar werk. Zo laat ze haar eigen verleden toe en vestigt ze aandacht op locaties die politiek of historisch gekleurd lijken te zijn. Het zijn herinneringsbeelden aan tijd of ruimte, vaak bepalend voor hoe mensen zich ontwikkelen in een samenleving die getekend is of onder druk staat. Het maakte de presentatie in Johannesburg tot haar meest persoonlijke tentoonstelling tot nu toe.

De expositie in KM21 in Den Haag kwam tot stand in nauwe samenwerking met curator Yasmijn Jarram en Remco Osório Lobato. De titel The Gods and The Underdogs, ontleend aan een essay van Bessie Head, heeft onder meer betrekking op het koloniale verleden, op machtsstructuren en instituties en op de individuen – de underdogs – die er al dan niet tegen in verzet komen. Verzet zien we echter niet. Het gaat om een complexe, politiek-maatschappelijke problematiek, zonder expliciete stellingname. Diverse werken, waaronder The Interview II (2023), het portret van haar grootmoeder en het deels op Muybridges registratie van beweging gebaseerde And love was like a girl (dikgomo) (2023) hingen ook in Johannesburg. Het indrukwekkende The Knitter (2020) is een beeldend egodocument, een gelaagd schilderij (potlood, olie en acryl op houten paneel) van een breiende vrouw – de moeder van de kunstenaar, die onophoudelijk aan het breien was, en hier met maar liefst drie paar handen de streng wol vasthoudt. Ze is er één mee. Ze draagt een cape waarin planten en iets als grassen zijn verwerkt. Haar ogen zijn standvastig, geconcentreerd en kijken misschien wel naar een dorre hoogvlakte of naar beelden die uit haar verleden opdoemen. De blik is naar binnen gericht. Je zou willen weten wat er in haar omgaat, en wat de Botswaanse flora en fauna voor haar betekenen.

De tentoonstelling eindigde met een installatie, Exit Permit: twee monumentale schilderijen, naast elkaar op een houten raamwerk geplaatst, maar het ene zo’n halve meter vóór het andere en gecombineerd met meubels uit de collectie van het Kunstmuseum, een suggestie van Jarram waar Sunstrum gretig op inging. Stoelen van onder anderen De Bazel, Berlage en Van de Velde stonden op een houten podium, samen met de bekende staande klok van Cuypers uit het begin van de twintigste eeuw, als een tribune waarop het publiek plaats zou kunnen nemen. De meubelstukken vulden het onderwerp van de schilderijen aan en leken de scènes van commentaar te voorzien. Links, op de rug gezien: een rokende, welgestelde vrouw. Wat is haar identiteit? Ze lijkt te wachten, maar is ook zij een underdog? Rechts: een netjes opgeruimde bureautafel, overduidelijk gedateerd, want ja, de klok tikt de dagen stuk. Beide scènes bieden uitzicht op een ommuurd erf. De suggestie wordt gewekt van een wachtruimte die een onbestemd en onprettig gevoel kan geven, omdat er beslissingen worden genomen over individuen of families met soms verstrekkende gevolgen. De goden uit de titel van de expositie zijn er werkzaam, de underdogs wachten. De subtiele sfeer omhult het verhaal, maakt het theatraler en brengt een denkproces op gang.

It Will End In Tears, de huidige tentoonstelling met opnieuw een weinig opwekkende titel, heeft een ander karakter. Het Barbican Centre is een kolossaal, wat weerbarstig gebouw; brutalistische architectuur uit de jaren tachtig. De tamelijk smalle expositieruimte beneden heeft de vorm van een halve cirkel en is niet zo eenvoudig in te richten. Sunstrum koos, in samenspraak met curator Diego Chocano en met Lobato, voor een minimalistische, houten installatie waar de bezoeker over- en doorheen loopt. Dat hout resoneert met de panelen aan de muur, waarvan de structuur duidelijker zichtbaar is dan op vorige tentoonstellingen. Het is een ingrijpende transformatie van deze ruimte, die de kunstenaar typeerde als een liminal space en die haar erg interesseert, als een overgangsgebied in tijd en ruimte dat meestal over het hoofd wordt gezien. Het is alsof je een weg volgt langs filmopnames; je wordt voor even participant in soms confronterende scènes waar je liever niet bij betrokken wordt.

Jaren geleden introduceerde Sunstrum een alter ego in haar werk, Asme (as me), uit de behoefte haar eigen karakter een ontwikkeling toe te staan (‘the only body I have the right to use and abuse’). Het personage keert frequent terug, met diezelfde maskerachtige gelaten en wat neerslachtige gezichtsuitdrukking. Voor It Will End In Tears creëerde Sunstrum een nieuw personage, Bettina, die op een koloniale outpost terecht is gekomen. De theatrale setting sluit aan op en versterkt de thematiek van de werken. Ze liet zich inspireren door de femme fatale in onder meer de film noir, maar ook door misdaadromans. De expositie vertelt een weinig opbeurend verhaal over het dagelijks leven in en rond zo’n locatie. Op de panelen, genummerd als scènes, zien we onder meer een keuken, een slaapvertrek met een man en een vrouw op een bed, een vrouw met een mes en naderende auto’s met felle koplampen. Een lijk ligt voor een houten huis op de zanderige grond. En ten slotte begeven we ons in een setting met een lessenaar of iets als een preekstoel die een kerkruimte suggereert, en met op het paneel kerkgangers op een bank. Een en al onderliggende spanning, ingehouden emotie – wat is hier toch de achtergrond van, waarom is alles zo bedrukt? De verhaallijn is nadrukkelijker dan in Den Haag, zonder echt zwaar te worden. De kunstenaar moet goed hebben nagedacht over de mogelijkheden in teken- en schilderkunst om een verhaal als dit te vertellen. In de Londense vestiging van de Goodman Gallery waren in oktober een zestigtal tekeningen te zien, story board drawings, gemaakt ter voorbereiding van de tentoonstelling in het Barbican.

Hoewel Sunstrum vaak kiest voor de eenvoud van het beeld, zijn een flink aantal van haar tekeningen en schilderijen voller en complexer geworden met betekenissen, referenties en zonder twijfel ook met gevoelens, waar je als kijker naar kunt gissen zonder de emotionele diepgang volledig te kunnen peilen. De aangeroerde onderwerpen en de onderliggende problematiek: soms is het allemaal misschien wat te veel. Dan bekruipt je het gevoel dat Sunstrum zichzelf overvraagt. Maar de conclusie kan niet anders zijn dan deze: dit zijn boeiende tentoonstellingen van een sterke kunstenaar.

 

• The Gods and the Underdogs, van 22 juni tot 20 oktober, KM21, Stadhouderslaan 41, Den Haag; It Will End In Tears, tot 5 januari, The Curve, Barbican Centre, Silk Street, Londen.

Aangetekend schrijven. Thierry de Duve


Duchamp is de historisering zelf, het proces en de methode waarmee intellectueel werk wordt gehistoriseerd.

– César Aira

 

Omdat het singuliere kunstwerk niet vanuit en op zichzelf verklaard kan worden zonder een logische relatie met een bredere culturele en historische context, gaan alle moderne kunstgeschiedenissen uit van een verklarend principe. Deze principes – van Vasari’s ‘leven’ tot Panofsky’s ‘symbolische vorm’, van Riegls Kunstwollen tot Warburgs Nachleben – bepalen de betekenis van kunstwerken vanuit een specifieke opvatting van tijdelijkheid. Terwijl het premoderne vakmanschap tot een repetitieve en vrij lokale artistieke productie leidde, is moderne kunst inherent anders, en daarom wordt ze door de historicus anders in tijd en ruimte geplaatst. Ook hedendaagse kunstgeschiedschrijving steunt op dit principe. Betekenis vereist causaliteit en elk verhaal heeft een plot met acteurs en een conclusie die andere verhalen in gang zet.

Uitzonderingen op dit narratologische model zijn er in overvloed. Vooraleer het curatorschap zich tot een academisch specialisme ontwikkelde, werden intellectuelen uitgenodigd om tentoonstellingen op te zetten die gebaseerd werden op een alternatieve manier om kunstgeschiedenis te schrijven, zoals Arte Povera. Im Spazio (1967) van Germano Celant, Les Immateriaux (1985) van Jean-François Lyotard en Thierry Chaput, L’Informe: mode d’emploi (1996) van Rosalind Krauss en Yve-Alain Bois, of recenter Atlas. How to Carry the World on One’s Back (2010) van Georges Didi-Huberman. Deze tentoonstellingen becommentarieerden niet alleen de geselecteerde werken, maar introduceerden ook andere manieren om de kunsthistorische tijd te begrijpen, zoals – respectievelijk – een opkomende stijl, technologische innovaties, een esthetische notie of een intellectuele erfenis (Atlas was een hommage aan de nalatenschap van Aby Warburg).

Ook het kunsthistorische project van de Belgische historicus en filosoof Thierry de Duve (1944) is nauw verbonden met een tentoonstelling. Kijk, 100 jaar hedendaagse kunst werd door hem in 2000 samengesteld in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, het huidige Bozar. Kijk – of, in het Frans, Voici – werd intensief besproken in de lokale en internationale pers. In De Witte Raaf, nr. 89, verschenen een recensie door Camiel van Winkel en een gesprek tussen Thierry de Duve en Bart Verschaffel. Ook in dit geval overstijgt de waarde van de tentoonstelling echter de selectie van de gepresenteerde werken, want catalogus én expositie zijn te beschouwen als kritische experimenten met de kunstgeschiedenis.

Het oeuvre van De Duve wordt terecht geassocieerd met Marcel Duchamp, het nominalisme en de esthetiek van Kant – in 1996 verscheen zijn hoofdwerk Kant after Duchamp bij MIT Press, en dezelfde uitgeverij publiceerde in 1991 de door hem samengestelde bundel The Definitively Unfinished Marcel Duchamp. De Duves impact op de kunstgeschiedschrijving is echter complexer, omdat zijn interpretatie van het modernisme is opgebouwd rond de zorgvuldige analyse van één kunsthistorische gebeurtenis. Wat het conflict tussen de pausen en de Hohenstaufen-dynastie was voor Burckhardt – een vonk die de geboorte van de renaissance verklaarde – is de val van de officiële academische salon en de opkomst van de Salon des artistes indépendants in 1884 voor De Duve: een sleutelmoment dat een radicale verandering in het westerse esthetische regime motiveerde. Het verhaal is bekend: sinds de zeventiende eeuw oefende het Franse Beaux-Arts-systeem volledige controle uit op kunstenaars, niet alleen door hen op te leiden, maar ook door hun werk te tonen en op die manier carrièremogelijkheden te creëren. Al in 1863 organiseerde Napoleon III de Salon des Refusés, uit bezorgdheid over de wanverhouding tussen de ingezonden kunstwerken en de kunstwerken die daadwerkelijk werden geselecteerd en tentoongesteld. Bijna twee decennia later brak de Salon des artistes indépendants volledig met de Franse Académie. Zonder jury of prijs, en georganiseerd door artiesten zelf (zoals Signac en Redon), werden voortaan alle ingezonden kunstwerken tentoongesteld.

Of deze ‘regimewisseling’ een typisch Frans fenomeen is, zoals De Duve beweert, verdient meer onderzoek. Het heeft ongetwijfeld de grootste artistieke impact gehad in Europa, maar ook in 1863 kende de Russische academie een gelijkaardig fenomeen: de Zwervers (Peredvizjniki) waren een groep jonge artiesten die de academie van Sint-Petersburg achter zich lieten. Hun beweegreden was gelijkaardig: ze vonden de academie te conservatief en ze besloten reizende tentoonstellingen in te richten om het volk de kunst beter te leren waarderen. Hun realisme is inderdaad totaal anders dan het Franse modernisme, maar ze steunen ook in hun betoog op contemporaine literatuurcritici. Het lot van de Zwervers is betekenisvol: de kunstacademie kan hun groeiende invloed niet tegenhouden en aan het eind van de negentiende eeuw wordt ook hun werk gerecupereerd, getoond en onderwezen.

In Frankrijk maakte de academische auctoritas plaats voor een model waarin de particuliere verzamelaar, de handelaar en de criticus een belangrijke rol spelen. Een handelaar als Paul Durand-Ruel hielp Les Indépendants, samen met verzamelaars als Isaac de Camondo en Charles Ephrussi, en de perceptie van het impressionisme werd gevormd door schrijvers als Zola en Huysmans. Dit model was fundamenteel voor de opkomst van het modernisme: het was gebaseerd op intellectueel debat, op beelden die het schrijven motiveerden en op teksten die het kijken bepaalden – op ideeën en denkfiguren die de gevoeligheid van een nieuw publiek zouden bemiddelen en versterken.

Het esthetische regime van de Beaux-Arts (met de academie als centrale macht en autoriteit) maakte plaats voor wat De Duve aanduidt als Art-in-General. De notie is enigszins vergelijkbaar met het concept van de ‘postmediale conditie’ van Rosalind Krauss, omdat ook zij een verklaring wil ontwikkelen voor een democratisch esthetisch regime waarin we nog steeds leven – een regime waarin, aldus De Duve, het ‘in principe technisch haalbaar, esthetisch toegestaan en institutioneel legitiem is om kunst te maken van wat dan ook’. De artistieke monarchie is verdwenen en de republiek heeft de kunstwereld overgenomen.

Het meest fascinerende aan kunstgeschiedenis à la De Duve is de analyse van het complexe effect dat deze revolutie met zich meebrengt: democratisch enthousiasme is begrijpelijk, maar het moet complex en discutabel blijven. Zijn recente boeken ‘Voici’: vingt ans après en Duchamp’s Telegram bieden diepgaande kunsthistorische analyses van de intellectuele en esthetische gevolgen van deze regimewisseling. Dat iedereen (formeel) kunstenaar kan zijn, garandeert niet dat alle kunst even intelligent of relevant is; dat iedereen recht heeft op een esthetisch oordeel, betekent niet dat alle oordelen even waardevol zijn (vanuit artistiek en cultureel perspectief); en dat alles kunst kan zijn, brengt de productie én de interpretatie van kunst in een lastig parket.

‘Voici’: vingt ans après werd uitgegeven door La Lettre volée en is een archeologie van de gelijknamige tentoonstelling uit 2000. In de bundel wordt de originele catalogus hernomen, samen met zaalzichten van Philippe De Gobert en artikelen die over de tentoonstelling geschreven werden. Het meest waardevolle deel bevat twee van de lezingen die gehouden werden op een symposium over de tentoonstelling, georganiseerd door Herman Parret in het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven in december 2000, gevolgd door de antwoorden van De Duve. ‘Voici’: vingt ans après is een relevante publicatie, niet alleen omdat de catalogus uitverkocht is, maar ook omdat de oorspronkelijke tekst meer is dan een uitleg van de tentoongestelde werken. De Duve organiseerde Voici rond drie polen, die ook de opkomst van de hedendaagse kunst structureren: ‘dit ben ik’ (me voici, het kunstwerk presenteert zichzelf), ‘daar ben je’ (vous voici, de kijker is als protagonist betrokken bij het werk) en ‘hier zijn we’ (nous voici, er ontstaat een gedeelde ruimte tussen werk en publiek).

In zijn recensie van de tentoonstelling in De Witte Raaf – vertaald in ‘Voici’: vingt ans après – noemde Camiel van Winkel ‘het grote probleem van de gekozen opzet […] dat de drie thema’s of motto’s het moeten stellen zonder hun dialectische complement: ‘Dit ben ik niet’, ‘Daar ben je niet’ en ‘Hier zijn we niet’. Door de motto’s slechts in bevestigende vorm uit te spreken, geeft De Duve ze het karakter van bezweringen – formules gericht op het onderdrukken van twijfel over een vastomlijnde identiteit en op het ontkennen van fragmentatie en decentrering.’ Eerder dan een onbetwistbare kritiek op Voici lijkt dat een verlangen naar een expliciet uitgedrukte dialectiek, die echter impliciet in de tentoonstelling aanwezig was.

Na de val van het officiële academische salon in Frankrijk spreekt de kunstenaar tot iedereen, maar niet langer in naam van een sociale groep. De geadresseerde is een toeschouwer wiens positie wordt gerechtvaardigd door esthetische keuzes. De kunstenaar creëert niet langer met een specifieke toeschouwer in het vizier, maar experimenteert met facingness, dat te beschouwen valt als De Duves alternatief voor Clement Greenbergs flatness. Schilderen ‘in de tweede persoon’ creëert de intrigerende situatie waarin het werk – zoals in Manets Un bar aux Folies Bergère uit 1882 – ‘weet’ dat het bekeken wordt. De dialectiek tussen het kunstwerk en de kijker kan daarom niet anders dan open en negatief zijn, juist omdat kunstwerk noch kijker vanzelfsprekend zijn. Ze kunnen niet meer samenvallen, zoals in het premoderne artistieke regime, op basis van een gemeenschappelijke artistieke code. Te zien op Voici was bijvoorbeeld de installatie As Yet Untitled (1992-95) van Max Dean. Een robot voedt een papierversnipperaar met familiefoto’s die werden achtergelaten bij fotografen; het publiek kan beslissen of de documenten inderdaad worden versnipperd of, integendeel, in een archief worden bewaard. In de moderniteit zijn de esthetische ervaring noch het beeld zelf zekerheden die een gedeelde conventie volgen waarmee kunstwerken worden gerechtvaardigd en verklaard. De kijker (‘wij’) is geen gegeven, het publiek noch ‘de kunstwereld’, maar een komende gemeenschap, door een tijdelijke collectie bemiddeld.

De twee lezingen uit 2000 zijn van Herman Parret en Mieke Bal. Parret verbond de drie polen van Voici op een elegante manier met evenveel momenten die essentieel zijn voor de esthetische ervaring: aanwezigheid, aanraking en leven – een triade die systematisch in zijn eigen werk aanwezig is. Radicaal tegenovergesteld was de kritische bijdrage van Mieke Bal, die De Duves tentoonstelling benaderde vanuit een narratologisch perspectief, vooral naar het model van Émile Benveniste. Voor Bal spreekt elk kunstwerk de kijker aan ‘in de eerste persoon’, waarna het overschakelt naar ‘de tweede persoon’ wanneer de kijker antwoordt. In een dubbele repliek in ‘Voici’: vingt ans après – zijn oorspronkelijke reactie op de lezing uit 2000, en een nieuw postscriptum – benadrukt De Duve dat zijn benadering helemaal niet narratologisch, maar historisch en esthetisch gegrond is. Het is net de verhalende continuïteit tussen het werk en de kijker – een continuïteit die bemiddeld werd door gedeelde visuele en culturele conventies – die in de moderne kunst onmogelijk wordt. Het schilderij spreekt niet; het moet eerst worden aangesproken en het houdt geen rekening met de gedeelde smaak van het publiek. De Duve levert zo, in deze repliek, hetzelfde soort kritiek waarmee Jean-François Lyotard al in de jaren zeventig de lacaniaanse psychoanalyse aan kon vallen: moderne kunst is, net als het onbewuste, niet gestructureerd als een taal, maar gebaseerd op een verschil tussen beeld en taal, tussen figuur en betoog. Het modernistische beeld benadert kijkers door te zeggen: ‘Ik weet dat jullie er zijn.’ Deze kijkers delen echter geen organische of gefuseerde gemeenschap met dezelfde codes, en daarom kan het modernisme niet begrepen worden volgens een narratologisch model.

Het debat tussen Bal en De Duve is opmerkelijk, vooral omdat de curator van Voici er meer dan twintig jaar na datum nog uitgebreid op terug wenst te komen, door middel van een passioneel pleidooi voor de uitgangspunten van de tentoonstelling. Toch is het maar de vraag of Bal überhaupt door De Duve overtuigd kan worden – of zijn opvattingen over het modernisme, vanuit een kunsthistorisch standpunt, te verenigen zijn met haar eerder generische, structuralistische model. Hun twist valt vanuit een breder perspectief, en in vergelijking met andere kunsthistorische uitgangspunten, beter te begrijpen. Voor De Duve is een schilderij ‘in de tweede persoon’ altijd een uitdaging voor een kijker met een esthetische sensibiliteit die niet gelijk is aan die van het schilderij zelf. In de traditionele schilderkunst weet het publiek hoe het tekensysteem te lezen valt, en een gedeelde religieuze en historische iconografie bemiddelt dit proces. Niet alle geschilderde blikken zijn gelijk: bardame Suzon in Un bar aux Folies Bergère kijkt naar moderne, onbepaalde geadresseerden. Het zeventiende-eeuwse Nederlandse groepsportret dat Aloïs Riegl begin twintigste eeuw met chirurgische precisie analyseerde, is wat dat betreft helemaal anders. De geschilderde leden van allerlei corporaties – van Dirk Jacobsz’ Burgerwacht tot Rembrandts Nachtwacht – zijn intern ondergeschikt aan een leider of aan de totale coördinatie als groep. Deze blikken van militaire figuren, artsen en andere autoriteiten richten zich tot een kijker die de voorgestelde sociale en politieke orde accepteert en deelt. Beide situaties – bij Manet en bij Rembrandt – voldoen aan het narratologische model van Bal, maar vanuit het esthetische, iconologische en historische perspectief van De Duve verschilt de relatie met de toeschouwer radicaal. Het was Riegl die als eerste beschreven heeft hoe het subjectieve bewustzijn van de toeschouwer, diens ‘oplettendheid’ (Aufmerksamkeit) en het vermogen om zich al dan niet te identificeren, kan variëren. De wereld van Rembrandt wordt reeds ‘bevolkt’ door zijn kijkers – de kijker in de wereld van Manet moet nog ontstaan. Het is dus een bron uit de kunstgeschiedenis zelf die het debat tussen Bal en De Duve zou kunnen verduidelijken, en die meteen ook aangeeft hoe relevant de tentoonstelling Voici blijft voor de moderne kunstgeschiedschrijving.

De Duve geeft, zoals gezegd, de ineenstorting van het systeem van de Franse Beaux-Arts een paradigmatische functie binnen zijn moderniteitsbegrip, dat hij ontwikkelt op de meest canonieke en moderne manier: het regime van de Art-in-General neemt de plaats in van het Beaux-Arts-systeem zoals een republiek een monarchie opvolgt. Modern is de manier waarop De Duve deze transformatie opvat: het is eenrichtingsverkeer, zonder terugkeer, dat daarom een haast biologische, evolutionaire opvatting verraadt die aan negentiende-eeuwse kunsthistorici als Burckhardt en – inderdaad – Riegl doet denken. Hetzelfde geldt voor de manier waarop De Duve de figuur van Marcel Duchamp introduceert: de American Society of Independent Artists uit 1916 is niets anders dan een later spiegelbeeld van de Franse Salon des indépendants en Duchamp – de meester van de timing en de denker van de grenzen – zag zijn eigen tegenstrijdigheden bewezen toen het hem werd verboden Fountain in 1917 tentoon te stellen.

De originaliteit van De Duves benadering in het boek Duchamp’s Telegram ligt in de nauwkeurige, serene en kritische reconstructie van de redenen waarom Fountain door de American Society of Independent Artists werd geweigerd. Daarbij maakt hij een duidelijk onderscheid tussen het historische document, de esthetische waardering en de hypothetische interpretatie. Alleen in de voorlaatste zin van het boek noemt hij Fountain expliciet een kunstwerk, en in wat voorafgaat wordt het vooral gezien als een gedachte-experiment, bedoeld om de Amerikaanse Independents te bewijzen dat ze hun eigen principes zouden tegenspreken door het werk te verwerpen. Iedereen kon immers door gewoonweg lidgeld te betalen een werk tentoonstellen. Het artikel van Louise Norton in het tijdschrift The Blind Man ter verdediging van Fountain, net als de bijbehorende foto van Alfred Stieglitz van het urinaal – het maakt allemaal deel uit van Duchamps dramatisering van de onbewuste grenzen van de kunstwereld en de kunst. Dat hij – in de woorden van De Duve – op ‘een zoete, en heel private wraak broedde’, komt voort uit de eerdere weigering van Albert Gleizes en Jean Metzinger om Nu descendant un escalier (1912) tentoon te stellen.

Fountain is dus noch een bijzonder mooi werk, noch de eerste readymade. Meer nog: Duchamp is niet de eerste die triviale materialen in kunst verwerkte (denk aan de kubistische collages), en hij is evenmin de initiator van het idee van een salon voor onafhankelijke artiesten. Wat hij wel onthulde, was een tegenstrijdigheid in de historische verschuiving van Beaux-Arts naar Art-in-General. Er zit daarom een hegeliaans residu in de intuïtie van De Duve: met Fountain realiseerde Duchamp een proces dat al een tijdje aan de gang was. De condities waren er en eigenlijk had hij er persoonlijk nauwelijks nog iets mee te maken, als de historische kristallisatie van een evolutie.

Waarschijnlijk kan geen enkel modern kunsthistorisch model dat een bepaalde ‘logica’ belooft daaraan ontsnappen: de veranderingen van moderne esthetische regimes laten geen terugkeer toe, en wat wordt benadrukt zijn generieke, voorwaartse transformaties, na het uitputten van de mogelijkheden van eerdere historische momenten. De vraag blijft of het regime van de Beaux-Arts echt dood is, en of het niet eerder een gedaantewisseling heeft ondergaan, aangestuurd door opeenvolgende hervormingen in het kunstonderwijs. De Duve is zich bewust van die transformaties: van zijn boek Faire école (ou la refaire?) uit 1992 verscheen in 2008 immers een nieuwe editie. En ook Duchamp was zich bewust van de spanning tussen moderne kunst en democratie – de kunst kan niet zomaar in de democratie verdwijnen zonder kitsch of propaganda te worden – die ook een nieuwe ‘aansprakelijkheid’ van de beschouwer veronderstelt, om te verwijzen naar het gesprek tussen De Duve en Verschaffel, dat in 2001 in De Witte Raaf verscheen.

In Duchamp’s Telegram ligt de kunsthistorische transformatie vooral in een boodschap die niet meteen aan één individu is gericht, en die pas later betekenisvolle gevolgen zal hebben. Duchamp verstuurde een boodschap over deze regimewijziging die pas werd erkend door de kunstenaars van de jaren zestig. De geadresseerden die De Duve in het tweede deel van zijn boek bespreekt, zijn Bernar Venet, Nahum Tevet, Marcel Broodthaers en Donald Judd, samen met de hele kunst- en objecttraditie. Het ‘telegram’ wordt zo een historisch denkbeeld voor het Nachleben van een intuïtie. De wijziging hangt af van een handvol mensen, en het duurt even voordat het telegram wereldwijd beantwoord wordt, door de Amerikaanse minimalisten, maar ook door de Japanse Gutaigroep.

Centraal in het regime van de Art-in-General staat de moeilijke vraag naar rechtvaardiging: welke autoriteit is het die deze ‘kunst-in-het-algemeen’ rechtvaardigt? Eén mogelijk antwoord ligt in de documentatie van een esthetische ervaring die zelf een kunstwerk kan worden, zoals bij Stieglitz’ foto van Fountain. Een andere autoriserende instantie is het museum, dat recente hedendaagse kunst in de collectie kan opnemen. De Duve zet terecht vraagtekens bij deze tendens: het is riskant om werken te integreren die de tand des tijds nog niet hebben doorstaan. Toch blijft de analyse van het gebaar waarmee kunstwerken worden gerechtvaardigd erg dicht bij de gedateerde vraagstukken van de institutionele kunsttheorie. Museumwaarde is immers niet hetzelfde als artistieke waarde. Elk monument is een document, maar niet elk document is een artistiek monument. Als een museum een kunstwerk ‘opneemt’ in de collectie, dan is het niet meteen logisch noodzakelijk dat het kunstwerk ook een artistieke bestemming krijgt of een culturele rol zal spelen – wat vooral wil zeggen dat het op een intelligente manier onderdeel wordt van tentoonstellingen, debatten, teksten of boeken. Een goed werk is als een goede muzikale partituur of een goede standard in de jazz: het wordt gespeeld, het zet aan het denken.

De beste beschrijving van deze uitdaging doet zich voor wanneer De Duve beargumenteert dat intelligente kunstenaars, die werken binnen het regime van de Art-in-General, een paradox cultiveren: omdat er geen externe artistieke regels meer zijn, leggen kunstenaars interne artistieke regels aan zichzelf op. Het probleem is natuurlijk dat een kunstenaar niet kan optreden als een despoot die alleen voor zichzelf wetten maakt. Daarom moeten ze allemaal doen alsof – en het kantiaanse ‘Als Ob’ keert inderdaad terug in De Duves fenomenale analyse – die wetten ‘nog steeds worden opgelegd door het anonieme instituut van de kunst’. Kunstenaars moeten blijven pretenderen dat kunst op bredere culturele problemen reageert, en dus op kwesties die niet alleen henzelf aanbelangen. Het is een mogelijke conclusie: anders dan in de architectuur komt het realiteitsprincipe in de kunst altijd te laat, gemaskeerd en via de achterdeur naar binnen. Kunstenaars zijn vrij, maar het is net die vrijheid die een vloek vormt, en die diepgaande intelligentie vereist om vrijblijvend escapisme te vermijden.

Misschien is het ‘nieuwe’, na het telegram van Duchamp, geen relevante categorie meer voor de actuele kunst, en ‘nieuw’ zijn is zeker moeilijker dan voordien. In een lezing uit 2010, gepubliceerd in boekvorm onder de titel On Contemporary Art, legt de Argentijnse schrijver César Aira de werking van de hedendaagse kunst uit aan de hand van de wet van de afnemende meeropbrengsten. Als in productieprocessen alle factoren constant blijven, behalve één factor die groter wordt, dan zal de output op termijn lager worden. Als een zwaar gewicht op een veer wordt gelegd, dan zal die veer aanvankelijk indrukwekkend heen en weer deinen. Als vervolgens de veer opnieuw in beweging moet worden gebracht, is echter een onevenredig veel zwaarder gewicht vereist. Aira past dit toe op intellectueel werk: het kubisme was binnen een paar jaar uitgeput, ondanks alle ontmoedigende pogingen om het voort te zetten. Hoe zwaarder de kunstgeschiedenis op onze rug weegt, hoe meer inspanning er nodig is om de loop van de kunstproductie toch een klein beetje te veranderen.

Het zijn overwegingen die aangeven hoe de kunstgeschiedenis van Thierry de Duve een uitnodiging blijft om na te denken over wat het vandaag nog betekent om een betekenisvol kunstenaar te zijn. Concepten in de kunstwereld kunnen modes volgen en kunnen worden vermenigvuldigd, zodat ‘onderzoek’ en het aantal doctoraten verder exponentieel kan toenemen. Politisering lijkt een andere optie, door aan de hand van een checklist – humanism light – maatschappelijke relevantie aan kunst toe te schrijven. Iedereen met een minimum aan kunsthistorisch begrip weet dat dergelijke plannen niet noodzakelijk een betere kunst garanderen. Het zware kunsthistorische verleden kan niet anders dan doorwegen op het maken van nieuwe kunst, en het is niet omdat er steeds meer kunst wordt gemaakt – pace Aira – dat kunst een grotere impact zal hebben of dat er plaats voor iets ‘nieuws’ zal ontstaan. Integendeel: de vraag naar wat kunst in deze hypertechnologische tijden nog kan ‘doen’ (en voor wie) is relevanter dan ooit. Om al die kwesties op een geloofwaardige manier het hoofd te bieden, blijft een archeologie van de moderniteit en van het modernisme essentieel. Duchamp’s Telegram is het eerste deel van een tweedelig boekproject met als titel Modernism Revisited, en het is uitkijken naar het zo mogelijk nog intrigerender vervolg.

 

• Thierry de Duve, Duchamp’s Telegram. From Beaux-Arts to Art-in-General, Londen, Reaktion Books, 2023, ISBN 9781789146981; Thierry de Duve, ‘Voici’: vingt ans après, Brussel, La Lettre volée, 2024, ISBN 9782873176273.

Bevrijdingspoging van een bevolkingsgroep. Hannes Meyer en Freidorf

Tussen 1920 en 1921 vestigden honderdvijftig gezinnen zich in een nieuwe wijk op het platteland van Bazel, waar alle principes van de coöperatie zouden worden toegepast en uitgetest. Het doel was een buurt te creëren die de reikwijdte en de effecten van het coöperatieve economische model demonstreerde. Het project werd ontworpen door Hannes Meyer (1889-1954), een architect van Bazelse afkomst, vaak afgeschilderd als een oppositiefiguur, met name vanwege zijn verblijf in de Sovjet-Unie tussen 1931 en 1936. Zijn betrokkenheid bij de bouw van projecten die verband hielden met ‘sociale vooruitgang’ beperkt zich niet tot deze episode, maar bestrijkt vrijwel zijn hele carrière, in verschillende landen en binnen verschillende politieke regimes.

*

Meyer was een hoofdrolspeler in het eeuwfeest dat de Bauhaus-school in 2019 vierde. In Dessau begonnen Meyer en Hans Wittwer in 1927 een architectuurstudio als ‘meesters’. Toen Walter Gropius de school verliet, werd hij van 1928 tot 1930 vervangen door Meyer. De twee Baslers beschouwden architectuur, vanuit een antiacademische positie, als een constructieve discipline in de brede zin van het woord: studenten ontdekten hoe ze een werf moesten begeleiden dankzij mandaten van de gemeente, vooral op het gebied van studentenhuisvesting, terwijl de vergoedingen hun toestonden het hoofd te bieden aan de recessie. Theoretische training ging zowel over bouwtechnologie als over sociale en historische kritiek op de discipline.

*

Toen Meyer eind jaren twintig deelnam aan de initiatieven van moderne architecten, in Zwitserland of elders, neigde hij ertoe zich tegendraads op te stellen. In 1926 was het nummer van het tijdschrift ABC dat hij samenstelde geheel gewijd aan hedendaagse kunst, terwijl de redacteuren zich concentreerden op architectuur en op stedelijke projecten. In 1928, tijdens het eerste van de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM), trok Meyer de relevantie in twijfel van collectief gedragen manifesten zoals die door Le Corbusier werden voorbereid. In plaats van Urbanisme, het boek van Le Corbusier uit 1925, na te volgen, besloot hij het begrip van de stedenbouw grotendeels opnieuw te definiëren.

*

Hoewel Meyers eerste grote project als onafhankelijk architect – de wijk Freidorf, gebouwd tussen 1919 en 1924 – geen icoon van de architectuurdiscipline werd, heeft de realisatie wel een stempel gedrukt op het werk van historici als Francesco Dal Co en Jacques Gubler in de jaren zeventig. Freidorf wordt gezien als een gerealiseerde utopie, door een verhoopte toekomst vanuit het heden te projecteren, en door een stedelijke figuur voor moderne woningbouw te creëren die als prelude op de Siedlungen in Duitsland en Oostenrijk te beschouwen valt. Die karakterisering blijft geldig, maar een zorgvuldige observatie van de plannen, de iconografie van het project en de geschriften van de architect kan toelaten minder nadrukkelijke overwegingen te ontwikkelen over de aard van de coöperatie en haar historische rol.

*

De opdrachtgever van Freidorf was, in 1919, de leidende organisatie binnen de Zwitserse coöperatieve beweging: het Verband Schweizerischer Konsumvereine, opgericht in 1890. In de jaren tien begon het VSK zijn activiteiten uit te breiden door productiecoöperaties op te richten om de boycot te compenseren van leveranciers uit de particuliere sector, door zelf schoenen, brood en vlees te gaan produceren. Politiek gezien kan de Zwitserse coöperatieve beweging geassocieerd worden met de Grütliverein, een interprofessionele vereniging die al bestond sinds 1838, en die gewijd was aan permanente educatie en het sociale leven. De Grütliverein raakte politiek betrokken in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, toen er voor het eerst een wet werd voorbereid om fabrieksarbeiders te beschermen. De Grütliverein leverde de eerste leiders van de Zwitserse socialistische partij, opgericht in 1888. Door politieke en economische integratie door middel van onderwijs te bepleiten, distantieerde de moderne coöperatieve cultuur zich aan het begin van de twintigste eeuw van deze socialistische partij, die als iconografisch attribuut de figuur van Helvetia een exemplaar van Das Kapital liet uitkiezen. De aantrekkelijkheid van consumentencoöperaties, de economische vlaggenschipactiviteit van de Zwitserse beweging, is te danken aan het grote aantal leden, dat kwantumkortingen opleverde. De beweging zou niet effectief zijn als de politieke theorie verdeeldheid zaaide. Zo komt de coöperatie uiteindelijk in de handen terecht van de middenklasse, de buffer van het kapitalisme, wat de vraag oproept of ze het beeld hooghoudt van een democratie, of eerder van de illusie ervan.

*

Als architect, lid van de stuurgroep en uiteindelijk ook als bewoner van Freidorf, nam Meyer gedurende de eerste vijf jaar van het project deel aan bijna wekelijkse bijeenkomsten. Hij werd gevraagd om het coöperatieve logo te ontwerpen en satirische en didactische teksten te schrijven voor het VSK-persorgaan over de bezigheden van de bouwcommissie en de avonturen van het samenleven. Eveneens nam hij de leiding op zich van een toneelstuk en een tentoonstellingsruimte gewijd aan het VSK en Freidorf in 1924, te zien op de Internationale Tentoonstelling der Coöperatie en Samenwerking (EICOS) in Gent.

*

Freidorf komt herhaaldelijk voor in de geschriften van Meyer. In 1938, twaalf jaar nadat hij het woonproject had verlaten, verwees hij er nog steeds naar, op een conferentie in Mexico. Geamuseerd beschrijft hij de esthetiek van ideale steden, zoals ook Freidorf, als een portret van de hedendaagse heersende klasse. Meyers gevoel voor humor wordt gedemonstreerd door twee tekstfragmenten. Deze opsomming uit 1925, gepubliceerd in het tijdschrift Das Werk, van wat in Freidorf kan worden aangetroffen, getuigt bijvoorbeeld van de wetenschappelijke observatie van individuele identiteiten en van het huiselijke leven, waarvan enkele schoonheden en absurditeiten worden uitgelicht:

‘Een cellengebouw. Daarin allerlei getier, geuren en geluiden van de kasteel- en waakhonden, bijenkolonies, eenden, katers en katten, hanen en kippen, schildpadden, konijnen, goudvissen, motoren, harmoniums, weefgetouwen, piano’s, naaimachines, handorgels, grammofoons, tapijtkloppers, trommels en kanaries. Daarin allerlei wereldovertuigingen van dissidenten, geheelonthouders, antroposofen, atleten, altruïsten, voetballers, egoïsten, communisten, methodisten, conservatieven, Mazdaznan-aanhangers, Grütlianen, vegetariërs, niet-rokers en de afvalligen van al deze strekkingen. Daarin allerlei krantenreporters, schoenfabrikanten, magazijnbediendes, letterzetters, bureaucraten van alle niveaus, typisten, theoretici, onderwijzers, gediplomeerden, leerlingen, kooplieden, verkopers en het merendeel van de verkochten: kinderen, vrouwen, echtgenotes, dames.’

Een fragment uit 1928, gepubliceerd in het tijdschrift van het Bauhaus, is algemener, en toont, zij het evenmin zonder satire, de functionalistische uitgangspunten van Meyer:

‘Deze eisen zijn de exclusieve motieven van de woningbouw. We onderzoeken het dagelijks leven van elke bewoner van het huis en dit resulteert in het functionele diagram voor vader, moeder, kind, peuter en andere mensen. We onderzoeken de relaties tussen het huis, de bewoners en vreemden: postbode, voorbijganger, bezoeker, buurman, inbreker, schoorsteenveger, wasvrouw, politieagent, dokter, serveerster, speelkameraad, gasaansluiter, ambachtsman, verpleegster, bode. We onderzoeken de menselijke en dierlijke relaties met de tuin, en de interacties tussen mensen, huisdieren en huisinsecten.’

Dergelijke collectieve portretten voeren naar de kern van Meyers persoonlijke vragen over de verworvenheden van het socialisme. Zijn vader pleegde zelfmoord in 1899 omdat hij als bouwaannemer met een faillissement werd bedreigd. Na die tragedie bracht Meyer samen met zijn twee broers, tussen zijn tiende en zestiende levensjaar, de weekdagen door in een burgerlijk en religieus weeshuis; in het weekend was hij thuis bij zijn moeder. Zij deelde haar onderkomen met Emma Wahlen, een activiste in de arbeidersbeweging die regelmatig bezoek kreeg van Leonhard Ragaz, een theoloog uit Graubünden die zich tot het socialisme bekeerde en die vanaf 1906 redacteur was van het socialistisch-religieuze tijdschrift Neue Wege.

*

Het district Freidorf ontstond in de hoop de positieve effecten van sociale hervormingen te observeren, te ervaren en te demonstreren. Als zodanig kan het worden beschouwd als een empirisch onderzoeksproject. De opdrachtgever, het Verband Schweizerischer Konsumvereine, was in 1892 begonnen met de nationale centralisatie van de aankopen van coöperaties die lid waren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden risicovolle import-exporttransacties reserves noodzakelijk gemaakt, die vervolgens onderworpen werden aan de oorlogswinstbelasting. In plaats van een deel van dit bedrag van 7,5 miljoen CHF aan de staatskas te geven, wilde het VSK dit ‘sociale kapitaal’ – in zekere zin het spaargeld van ongeveer 360.000 aangesloten gezinnen – mobiliseren door te investeren in woningbouw. De ontstaansgeschiedenis van het project toont dus hoe solidariteitskapitaal de levens van werknemers kan verbeteren.

*

Gelegen halverwege tussen het administratieve hoofdkantoor in Basel-Stadt en het hoofdmagazijn in Basel-Landschaft, verwelkomde Freidorf de families van 150 werknemers van het VSK, die interesse hadden getoond in het project of aanbevolen werden door de directeur. Om een antwoord te bieden op een tekort aan kwalitatieve woningen, vooral ten gevolge van de bloei van de chemische industrie, werden aaneengesloten huizen gepland, verdeeld over drie verdiepingen, met een eigen ingang en moestuin. De bewoners zouden hun vrije tijd prettig buiten kunnen doorbrengen, bijvoorbeeld door met het gezin groenten, fruit of bloemen te verbouwen of door samen te spelen – voor de Tweede Wereldoorlog waren er niet veel alternatieven. De omvang en de generositeit van het plan kan blijken uit een ander project dat tussen 1913 en 1914 door de Basler Wohngenossenschaft werd gebouwd met financiële steun van het kanton. Deze coöperatie, in 1900 opgericht, bouwde 61 appartementen (30 met één kamer, 31 met twee of drie), op drie adressen in één bouwblok in de binnenstad.

*

Hoewel Freidorf onder nauwe sociale controle stond (althans wat betreft het deel van het salaris dat werd gebruikt om te sparen of om ‘coöperatief te consumeren’), bleef het dorp ‘vrij’: individuen waren juridisch en economisch onafhankelijk. Economisch gezien was de vrijheid ook terug te vinden in het financieringsmodel van Freidorf: omdat ze over eigen middelen konden beschikken, hoefden de bewoners geen rente te betalen over schulden, als factor van armoede en dus van afhankelijkheid. De keuze voor de naam Freidorf in 1919 – in een economische recessie, vlak na de Spaanse griep en de algemene staking van 12 november 1918, de Landesstreik waar ongeveer een kwart miljoen Zwitsers aan deelnamen – lijkt nog steeds paternalistisch en propagandistisch. De naam weerspiegelt de roman Das Goldmacherdorf (1817) van Heinrich Zschokke, die in 1918 opnieuw werd uitgegeven door het VSK, en waarin met satire en pragmatisme wordt verteld hoe een naoorlogs dorp, badend in armoede en bijgeloof, een economisch wonder tot stand brengt, net dankzij een samenwerkingspact.

*

Op het driehoekige perceel van Freidorf, achtenhalve hectare groot, staan de woningen aan weerszijden van vier parallelle straten in rijen van twee, vier, acht of veertien – geen van de 150 eengezinswoningen heeft vier eigen gevels. Hoewel het in de periferie van Bazel ligt, creëert het complex niet de illusie van individualiteit die latere woningen in voorsteden kenmerkt. Het bestaat uit huizen met een vrijwel identiek uiterlijk, die van elkaar verschillen door het soort publieke ruimte waarmee de toegang tot elke woning wordt georganiseerd, door de ligging in de rij en door de vegetatie in de voortuin. Elk huis heeft vier tot zes kamers, een keuken, een volledig uitgegraven kelder en bewoonbare zolders. Een houten gebinte ondersteunt de schuine daken, de bakstenen muren zijn aan de binnenkant bedekt met behangpapier en aan de buitenkant met lichtrode verf, beton wordt enkel voor de kelders gebruikt, en steen (kalk- of kunststeen) omlijst de ramen terwijl drie stenen treden naar elke voordeur leiden.

*

Onderlinge afhankelijkheid is de sleutel tot de sociale organisatie van het geheel, dat organisch is, maar vormelijk toch gedisciplineerd. De gemeenschappelijke ruimtes omvatten het vierkante plein, een ander, centraal en rechthoekig plein, en de promenade rondom het geheel. Het centrale gebouw, bekroond met een klokkentoren, huisvest de coöperatieve winkel, een restaurant, vier klaslokalen, een grote zaal en een bibliotheek op de tweede verdieping en een bowlingbaan in de kelder. Om het stof van de kantonnale weg te weren, is Freidorf omgeven door een muur met poorten die toelaten de moestuinen te doorkruisen en die het geheel een licht middeleeuwse sfeer geven.

*

Zonder de onfeilbare vastberadenheid van Oswald, de held uit Das Goldmacherdorf, en met slechts gematigd enthousiasme voor de op til staande verstedelijking van het platteland, berichtte Hannes Meyer in het tijdschrift Samenkörner over zijn eerste bezoek aan de ongerepte bouwplaats in 1919:

‘Weides en landbouwgrond met kersenbomen en walnoten, met rogge en bieten, met rode klaprozen, gele mosterd, groene klaver en een rij elektriciteitspalen. De kevers zoemden, de vogels zongen de lof van het plattelandsleven, het lawaai van de stad was in de verte te horen, de boerenknecht dreef de paarden in de wei met het knallen van de zweep – en de kleine architect werd verondersteld om met een ruw potlood als een naoorlogse beul een einde te maken aan dit machtige stuk van Gods aarde.’

In een ander artikel in hetzelfde tijdschrift, een paar maanden later, maakte hij melding van geordende (en heimelijk organische) architecturen, waarmee een pionierspopulatie van arbeiders op een ‘nieuwe’ of strategische locatie werd geïnstalleerd. Hij noemde hedendaagse en historische voorbeelden zonder moreel onderscheid tussen reformistische en koloniale intenties: de ‘werkkolonies’ van het Duitse bedrijf Krupp, de Engelse tuinsteden Letchworth, Bourneville en Port Sunlight, het cellulaire model van Amerikaanse industriële steden, Romeinse kampementen en koloniën in het markgraafschap Brandenburg.

*

Voor een kerstkaart, gedrukt en verspreid door het VSK, beeldde Meyer Freidorf af in een ets. De gedisciplineerde stedelijke figuur, hoewel onderbroken door enkele variaties, staat in sterk contrast met de wolkenkroon bewoond door kleine groepjes putti, dromend of musicerend. Tegenover de strengheid van economische solidariteit die tot de Zwitserse nationale cultuur zal uitgroeien, staat het evangeliserende ideaal van naastenliefde (of van nationale consensus), dat het project de uitstraling gaf die nodig was om een symbool van vooruitgang te kunnen worden. De subtiliteit van de kritiek die Meyer met deze ansichtkaart leverde, is verwarrend, en was misschien zelfs goed bedoeld. Was het typisch voor het VSK om zelfkritiek te publiceren? Hoewel niet alle leidinggevenden van de organisatie Meyers kritische talenten waardeerden, lijkt het erop dat de directeur van het VSK zich omringde met journalisten, kunstenaars of wetenschappers die andere standpunten deelden dan de zijne.

*

De intrede van de politieke moderniteit in Zwitserland kan worden gezien als een gevolg van de afhankelijkheid van buurlanden. In de achttiende eeuw bestond de oude confederatie uit dertien soevereine kantons, maar ook uit onderworpen gebieden en geallieerde kantons. Een eerste poging om een einde te maken aan het ancien régime vond plaats tijdens de bezetting door de troepen van Napoleon. Van 1798 tot 1803 kreeg een Helvetische republiek vorm. Democratische personaliteiten zetelden een paar jaar aan het hoofd van de nationale ministeries, terwijl de boerenbevolking over het algemeen nog steeds weinig bekommerd was om politieke rechten en de kantonnale regeringen tegen centralisatie gekant bleven. Ondanks de terugkeer van de soevereiniteit naar de kantons bleven bepaalde democratiseringswetten gehandhaafd, die bijvoorbeeld familiebanden tussen politieke vertegenwoordigers van hetzelfde orgaan beperkten. In een lokale verlichtingsbeweging die ‘helvetisme’ wordt genoemd, ontwikkelden filosofen en pedagogen zoals Isaak Iselin en Heinrich Pestalozzi theorieën over de noodzaak van onderwijs en economische onafhankelijkheid voor de plattelandsbevolking.

*

Wat volgde was een burgeroorlog tussen ‘aristocraten’, ‘patriotten’ en ‘republikeinen’, die Napoleon Bonaparte beëindigde met de afschaffing van de heerlijkheidsrechten en een tussen katholieke en protestantse kantons gedeelde wetgevende en uitvoerende raad. Op het Congres van Wenen na de val van Napoleon verkreeg de nieuwe federatie van 22 staten territoriale onafhankelijkheid en eeuwige neutraliteit, ook al was de sektarische strijd nog niet voorbij. Tijdens de Restauratie, tussen 1815 en 1830, werd in de kantons gedebatteerd over het nationale verhaal en over kwesties omtrent vrijheid. Het liberalisme werd sterker zonder duidelijk definieerbaar te worden, maar de protagonisten waren vastbesloten de politiek op de rede te baseren, in tegenstelling tot de kerk, maar ook in tegenstelling tot het voorstel van Jean-Jacques Rousseau voor de erkenning van een soeverein volk. Het idee van een macht beperkt door de scheiding der machten en van een representatief systeem van een aristocratische democratie, leek geschikter. In 1830, in een periode met sterke industriële groei, namen elf kantons een liberale grondwet aan die openbare parlementaire zittingen instelde, net als de vrijheid van persoon, vereniging, pers en het recht op eigendom. In het kanton Bazel leidde de gewapende mars van democraten echter eerst tot een oorlog en tot de splitsing van het kanton in twee delen. Het begin van de socialistische beweging dateert uit deze periode, en in 1838 werd de reeds vermelde Grütliverein als een reformistische en patriottische beweging opgericht.

*

De moderne Europese coöperatieve beweging kwam tevoorschijn in de jaren 1840, ook in Zwitserland. Een sterke recessie leidde tot de vorming van verenigingen voor de productie of de aankoop van voedsel en brandstof, naast een nagenoeg geïnstitutionaliseerde filantropie die aangemoedigd werd door religieuze en progressieve kringen. De coöperatieve beweging is vaak voorgesteld als een ‘natuurlijke’ reactie op de historische ontwikkeling van de bevrijding van individuen: na de afschaffing van de lijfeigenschap aan het begin van de negentiende eeuw werd de vrije vereniging van mensen aangemoedigd voor hun economische bescherming. Coöperaties zijn net als bedrijven economische verenigingen, maar in tegenstelling tot deze professionele organisaties die geassocieerd zijn met het ancien régime, is je aansluiten bij een coöperatie een kwestie van individuele wil, en zou de toegang voor iedereen verzekerd moeten zijn.

*

In 1848 – de start van de California gold rush, maar ook het publicatiejaar van het manifest van de Communistische Partij – werd de Zwitserse federale staat gesticht. Radicale politici verklaarden de oorlog aan de Sonderbund, een groepering van ultramontane kantons die de pauselijke soevereiniteit bepleitten. De nieuwe staat die ontstond, nam de leiding over de douane, de munteenheid en al snel ook over de spoorwegen. Parallel aan deze centralisatie behielden de kantons de leiding over de kerk en het onderwijs, met uitzondering van de Eidgenössische Technische Hochschule Zürich, die in 1855 door de federale staat werd opgericht om Zwitserse ingenieurs op te leiden. Het parlement was een soort compromis, als de combinatie van een Nationale Raad, evenredig aan de stemmen van de burgerbevolking, en een Raad van Staten met 44 vertegenwoordigers voor 22 kantons, die de socialistische beweging tevergeefs zou proberen af te schaffen. De uitvoerende macht bestond aanvankelijk uit zeven radicale liberalen, vooraleer de socialisten zich losmaakten. De conservatieve oppositie raakte geleidelijk geïntegreerd in het systeem dankzij het vetorecht over de beslissingen van gekozen functionarissen.

*

Met de opkomst van het liberalisme kwam er kritiek, in verschillende vormen. In Zürich en Bazel consolideerden zich in 1851 en 1865 twee consumentenverenigingen die leden probeerden te mobiliseren voor democratische ideeën. In de jaren zestig van de negentiende eeuw organiseerde de Eerste Internationale, opgericht in 1864, congressen in Zwitserland – in Genève (1866), in Lausanne (1867) en na Brussel (1868), waar een bijeenkomst twee jaar eerder nog verboden werd door de regering, in Bazel (1869). Deze opeenvolgende initiatieven, net als de vele arbeidersstakingen, schudden de Grütliverein wakker, waarna besloten werd de christelijk-egalitaire visie nog sterker uit te dragen, uit angst voor collectivisme. Al snel stonden ook door de staat gefinancierde productiecoöperaties en de staatsbescherming van werknemers op het programma. Waar Karl Marx het idee van het natuurrecht als ineffectief of misleidend beschouwde, stelde de reformistische Grütliverein een ‘praktisch socialisme’ voor, dat zich ver weg hield van doctrines. In 1871 stond het daarom veel minder aan de kant van de jakobijnen van de Commune dan aan de Pruisische zijde.

*

De oprichting van het VSK in 1890 gaf de Zwitserse coöperatieve beweging nieuwe zichtbaarheid en politieke draagkracht. Boycots in de particuliere sector versterken de alliantie met de Socialistische Partij. Hans Müller, voormalig ‘militant marxist’ en de eerste secretaris van het VSK voor propaganda en statistiek, maakte een onderscheid tussen ‘autocratische regeringen’ (zoals in Duitsland) waaronder het marxisme zich kon ontwikkelen, en een vorm van directe democratie die Zwitserland voorbestemde tot ‘coöperatief socialisme’. De klassenstrijd, met talrijke stakingen aan het begin van de twintigste eeuw, leidde tot de opkomst van de coöperatieve woningbouw en verzwakte de samenwerking tussen de Zwitserse arbeidersfederatie, de Grütliverein en de coöperatieve beweging, die politieke neutraliteit als motief aannam. Consumentenverenigingen probeerden de arbeidsomstandigheden te verbeteren, vooral door financiële hulp aan werklozen te geven, en zochten steun om het coöperatieve idee te verspreiden.

*

Van 1900 tot 1912 werd overwogen zowel gemeentelijke als coöperatieve woningen te bouwen. In 1912 werden in Bazel bouwrecht en leningen tegen verlaagde rentetarieven verleend aan bouwcoöperaties – het referendum van het burgerlijke kamp om dit initiatief te weren mislukte. Hans Müller maakte in 1921 de balans op van de mate waarin de Zwitserse wetgeving het bestaan en de ontwikkeling van coöperaties toestaat of ondersteunt. Hij herinnerde ook aan wat deze organisaties onderscheidt van de conventionele economische markt: bij een coöperatie is het de bedoeling om een deel van de winst te investeren in overeenstemming met de belangen van de arbeid en de ‘reproductie’ ervan (inclusief sociale en culturele ontwikkeling), en niet met die van het kapitaal zelf.

*

Als de keuze voor vooruitgang, zowel voor Hannes Meyer als voor de Zwitserse coöperatieve beweging, de deelname van werkers aan de economische dynamiek moet bevorderen, omvat die opvatting van de moderniteit al een kritiek op het liberalisme. Omschrijvingen van de negatieve effecten van de vooruitgang zijn vooral terug te vinden in de literaire stroming die gedefinieerd wordt als het Zwitsers poëtisch realisme (1850-1890). In de roman Die Käserei in der Vehfreude (1850, verfilmd in 1958), beschreef Jeremias Gotthelf de ontwikkeling van de kaasproductie in de Zwitserse valleien net als de sterke impact ervan, bijvoorbeeld op de afnemende autonomie van vrouwen, die geen toegang kregen tot coöperaties en er op economisch vlak op achteruitgingen. Het succes van productiecoöperaties kon negatieve menselijke eigenschappen naar boven brengen, zonder dat er nog controle over bestond. Ook werd de vraag gesteld, bijvoorbeeld door een rechtsgeleerde als Zaccaria Giacometti, naar de grenzen van het democratische dogma, dat zou kunnen leiden tot de afschaffing van de vrijheid. Systematisch zou de validatie van de keuze van een meerderheid wegen op minderheden, met het individu als kleinste eenheid.

*

De charme van een plattelandsgemeenschap die met handopsteking stemt, ligt in de voortdurende behoefte van leiders om een consensus te bereiken met de bevolking. Zowel individualisme als socialisme blijven op die manier ver weg. Het beeld van een dergelijke vergadering kan ook een zekere romantiek oproepen en een indruk van zelfbeschikking wekken. Dat beeld laat zich bovendien goed combineren met het idee van openheid naar de wereld en met de weigering om al te veel comfort na streven, bepleit door de coöperatieve beweging – als resultaat van economische solidariteit. Dit juiste milieu vinden is dus uiteindelijk ook een manier om in opstand te komen.

 

Vertaling uit het Frans: Christophe Van Gerrewey

Inzichten en citaten uit deze tekst zijn ontleend aan het binnenkort te voltooien proefschrift van de auteur aan de architectuurafdeling van de École Polytechnique Fédérale de Lausanne over Hannes Meyer en Siedlung Freidorf.

Die ongelooflijke aanwezigheid van dingen. Herzog & de Meuron

Dit is een bespreking van een boek over 25 architectuurprojecten waarvan de recensent er slechts twee daadwerkelijk bezocht heeft. Twentyfive x Herzog & de Meuron gaat over het oeuvre van het architectuurbureau dat in 1978 werd opgericht door Pierre de Meuron en Jacques Herzog, beiden in 1950 in Bazel geboren en opgeleid aan de ETH Zürich. Het boek is samengesteld door de Zwitserse architectuurhistorici Stanislaus von Moos (1940) en Arthur Rüegg (1942). Het is een publicatie met beeld en tekst, kortom reproducties, van en over een oeuvre dat, volgens Von Moos, sterk beïnvloed is door reproducties, en voornamelijk door beelden. Een tekst op basis van beelden van architectuur die op haar beurt is geboren uit beelden – een dubbel afgevlakte lezing?

Het is verrassend hoe Von Moos in zijn essay, ‘Focused Fuzziness’, het belang van beeldvorming in dit oeuvre thematiseert. In tijden van visuele verzadiging, façadisme door starchitects en wat Von Moos zelf ‘de festivalisering van de publieke ruimte’ noemt, krijgt dat iets complex- of zelfs schaamteloos. Het werk van Herzog & de Meuron werd sterk beïnvloed door vertogen over (beeldende) kunst uit de jaren zeventig en tachtig, gaat in hoofdzaak over ‘het produceren van beelden’ en is een voorbeeld van architectuur als ‘iconisch proces’, zo stelt Von Moos. Die aanpak hebben de architecten onderschreven. In een tentoonstellingstekst uit 1988 gaven ze aan eerder geïnteresseerd te zijn in de ‘geestelijke kwaliteit’ en de ‘immateriële wereld’ van de architectuur dan in de fysieke realiteit van gebouwen.

De tekst van Von Moos vangt aan met een bloemlezing van vroege samenwerkingen met kunstenaars, zoals Rémy Zaugg, Thomas Ruff, Joseph Beuys en Hannah Villiger, alsook met een reflectie over de aard van ‘zicht’ en ‘beeld’. Von Moos schrijft hoe ‘binnen de context van het modernisme in de kunst de ‘fenomenen’ die het brein meent te erkennen als werkelijkheid in realiteit nog ondoorzichtiger werden. Sinds de uitvinding van de stereoscopie door Charles Wheatstone is wat op de voorgrond verschijnt als ‘werkelijkheid’ niet zozeer wat gezien wordt, maar veeleer de intelligentie van het zien zelf.’ Verder heeft hij het, verwijzend naar Zaugg, over ‘het uitwissen van de grens tussen subject en object, tussen zelf en wereld’. Von Moos plaatst het werk van Herzog & de Meuron binnen een weefsel van vaak canonieke, westerse referenties rond beeldvorming, die hij niet zelden introduceert aan de hand van associatieve zinnen als ‘het is moeilijk om niet te denken aan…’

In zijn reflectie over visuele perceptie komt de nadruk te liggen op veranderende mechanismen en bewustwordingen van zicht, alsook op het object van het kijken – het kunstwerk of het gebouw. Het subject komt veel minder aan bod. Met een breder vizier is het ‘moeilijk om daarbij niet te denken aan’ bijvoorbeeld Laura Mulvey en haar werk rond the male gaze: sommige lichamen zijn het gewend om te kijken en andere worden als het ware getraind om bekeken te worden. Kijken is niet enkel een creatieve bezigheid, het is ook een psychologisch proces dat een machtsrelatie installeert waar subject en object zowel actor als product van kunnen worden. Onder andere architectuur medieert die relatie, bewust of onbewust, zoals Beatriz Colomina het heeft beargumenteerd in haar klassieker Privacy and Publicity. Modern Architecture as Mass Media uit 1994.

Von Moos lijkt die meer beladen kijk op het kijken aan te raken wanneer hij het heeft over ‘de visuele straal als wapen’, of over Duchamps Le Grand Verre of La Mariée mise à nu par ses célibataires même, maar hij gaat er niet op in. Van daaruit is het echter maar een kleine stap om niet ook ‘onvermijdelijk te denken aan’ dekoloniale benaderingen van het zien, zoals van Grâce Ndjako. In een lezing getiteld ‘World Sense vs. World View’ stelde zij dat het promoveren van het kijken tot primair zintuig eigen is aan moderne westerse culturen. Het leidt volgens haar tot een wereldbeeld en een maatschappij die hoofdzakelijk op basis van visuele kenmerken onderscheidingen maakt en waardeert, en zo strikte dualiteiten vastlegt tussen man en vrouw, wit en zwart, mens en dier, of geest en lichaam. Wanneer ‘de ‘fenomenen’ die het brein meent te erkennen als werkelijkheid in realiteit nog ondoorzichtiger’ worden, wanneer bijvoorbeeld beelden bestaan zonder dat een doorsneemens kan uitmaken of ze door een machine gemaakt zijn, kan dat wereldbeeld feller gaan wankelen dan Von Moos lijkt te suggereren.

Zijn betoog wordt interessant wanneer hij stelt dat het werk van Herzog & de Meuron de relatie tussen productie en reproductie problematiseert. Dat uit zich in het bijzonder in de scenografieën die ze maakten voor eigen tentoonstellingen, zoals Artist’s Choice. Perception Restrained in het MoMA in 2006 en Herzog & de Meuron. Une exposition in het Centre Pompidou in 1995 (in samenwerking met Zaugg). De tentoonstellingsruimte, zo stelt Von Moos, is een context waarin meer rek komt te zitten op functionele vereisten. Herzog & de Meuron grepen dat aan om ‘disfunctionele’ kijkmachines te ontwerpen. In het MoMA was er een gebrek aan licht en aan comfortabele zichtlijnen (Von Moos vermeldt het reële risico op een ‘stijve nek’ door televisieschermen in het plafond), in het Centre Pompidou baadde de expo in agressief, overdadig licht, als in een supermarkt. Volgens Von Moos zijn het strategieën die het kijken op scherp stellen: het probleem is dat het overaanbod aan mogelijkheden het kijken in feite verstrooit. Niet elke ruimte heeft evenveel licht nodig, en de obsessie met een panoramisch en zo direct mogelijk zicht brengt verschraling teweeg. Jacques Herzog had het in 2008 over een ‘bijna ondraaglijke vloed’ aan beelden die de architecten ertoe leidde om ze zo veel mogelijk uit het ontwerpproces te weren.

Als het oog niet meer vertrouwd kan worden – als dat ooit al het geval was – blijft enkel de directheid van het oog in relatie met andere zintuigen over. Het gevolg is een holistisch en belichaamd begrip van ervaring, waar architectuur zich bij uitstek toe leent. In plaats van een afbeelding wordt een gebouw dan – met twee termen die Geert Bekaert vaak hanteerde – een schaduwrijk obstakel. Voldoende citaten die Von Moos verzamelt ondersteunen ook die benadering. Wat hem het meest interesseert aan architectuur omschrijft Herzog als ‘die ongelooflijke aanwezigheid van dingen’.

Het tweede essay in dit boek, van Arthur Rüegg, is getiteld ‘Reading the Signs’. Het staat in productief contrast met de eerste tekst en bouwt er als het ware op voort. Rüegg beargumenteert hoe innovatieve aanpakken van bestaande gebouwen als een rode draad door dit omvangrijke oeuvre lopen. Hij bespreekt een aantal projecten, onder andere de torens voor het farmacieconcern Roche, gerealiseerd tussen 2009 en 2022 in Bazel, net als de renovatie van de Musiksaal (2020) in dezelfde stad, de restoratie van Park Avenue Armory in New York (sinds 2006), het CaixaForum in Madrid (2008) en Tate Modern in Londen (2000). Hoewel de laatste tussentitel van zijn stuk, ‘Voir ce que l’on voit’, het tegendeel doet vermoeden, legt Rüegg de nadruk op een volgens hem zorgvuldige maar ook meedogenloze aandacht voor het bestaande, het specifieke, het materiële: ‘wat wordt waargenomen, hier, nu en met alle zintuigen’.

De gebouwen van Herzog & de Meuron, op foto maar ook ‘in het echt’, zijn gebouwen die je wil aanraken. Wat Rüegg schrijft, resoneert met Von Moos’ lezing van de scenografieën: het kan het doel zijn van de architectuur om de perceptie van de materiële wereld scherp te stellen, door ons alerter te maken, het leven plezieriger, en de wereld echter. Architectuur wordt een middel tot bewustwording van een lichaam in de ruimte. Oorsprong noch uitkomst kunnen alleen maar een beeld zijn; ook details, textuur, volume, beweging en ruimtelijke ervaring spelen een rol, zoals de proefopstellingen en de vele testdocumenten in de archieven van het bureau eveneens suggereren. Dit is bovendien een architectuur die ongegeneerd draait om schoonheid, een woord dat de architecten vaak gebruiken in projectteksten, bijvoorbeeld als ze het hebben over ‘de schoonheid van de sporen van regenwater op een gevel’. Architectuur wordt zelfs omschreven als een poging om te kunnen omgaan ‘met de alomtegenwoordigheid van lelijkheid in de bebouwde omgeving’, precies door een bescheiden en punctuele dosis schoonheid bij te dragen. En het blijft inderdaad wonderbaarlijk hoe architecten (maar ook niet-architecten) wereldwijd er in een ‘verbijsterende warboel van omstandigheden’ in slagen om mooie, consequente, verrassende objecten te produceren, waarin mensen (en andere levende wezens) min of meer comfortabel vertoeven. In het geval van Herzog & de Meuron hebben ze daar bovendien, al decennialang, een financieel levensvatbare praktijk, of liever een zeer winstgevend bedrijf op kunnen baseren.

Zowel Von Moos als Rüegg ervaren bij momenten de noodzaak te vermelden dat Jacques Herzog en Pierre de Meuron niet langer twee ploeterende knullen zijn, maar ondertussen aan het hoofd staan van een bureau met bijna zeshonderd projecten, wereldwijd, op de teller. Op dergelijke momenten vallen woorden als ‘businessmodel’, ‘klanten’, ‘de architecturale mainstream’ en ‘de snel globaliserende toeristische economie’. Tegelijkertijd trachten de auteurs om het Zwitserse duo te portretteren als not your average starchitects, enerzijds door hun artistieke gevoeligheid te benadrukken en hun samenwerkingen en vroege referenties, en anderzijds door hun studententijd op te roepen, waarbij de invloed van leerkrachten als Aldo Rossi en socioloog Lucius Burckhardt uitgebreid aan bod komt. Om Herzog & de Meuron te kaderen als contextuele eerder dan als formalistische architecten, maakt Rüegg de weinig subtiele vergelijking tussen hun ‘reddende’ project voor de Barfüsserplatz in Bazel en dat van Zaha Hadid, die in 2004 een wedstrijd voor het Stadtcasino had gewonnen: ‘De oplossing die uiteindelijk werd uitgevoerd was net het tegendeel van Hadids poging om de Barfüsserplatz ‘op te ruimen’ met een icoon dat altijd een wet op zichzelf zou zijn gebleven.’

In het tweede deel van het boek zet de dialectiek tussen productie en reproductie, en tussen materiële en verbeelde realiteit zich voort. Rüegg en Von Moos selecteren 25 projecten, uitgebreid van beeld voorzien, net als van een korte beschrijving. De restrictie blijkt productief: er is ruimte voor plannen, bouwdetails, werffoto’s, voorstudies, maar ook voor het noemen van medewerkers, die naarmate de chronologische selectie vordert alsmaar talrijker worden. Het werk van Herzog & de Meuron oscilleert tussen het ‘spellen van elementen’, zoals Bart Verschaffel de aanpak van Charles Vandenhove omschreef, en het creëren van illusies, soms op het fantasmagorische af – de fuzziness waar Von Moos het over heeft. Gebouwen worden op een gearticuleerde manier opgetild en lijken te zweven, zoals het Plywood House (1985) of het CaixaForum. Materialen worden expliciet gestapeld en leiden tot constructies die fragiel, open en soms zelfs wankel lijken, zoals het depot voor Ricola (1987), de toren van Tate Modern of de werf van de Dominus Winery (1998). Gevels vertroebelen het zicht, zowel van binnen naar buiten als omgekeerd, maar worden punctueel doorboord door ramen en deuren, als ging het om grapjes of realitychecks, zoals in de bibliotheek in Eberswalde (1999) of het gebouw voor Ricola Europe (1993). Plannen zijn zakelijk, om dan onderbroken te worden door weelderige trappen, maniëristische ramen en afwerkingen waarvoor je met plezier op een trein zou springen om ze niet alleen in de virtuele, maar ook de werkelijke werkelijkheid mee te maken.

 

• Stanislaus von Moos, Arthur Rüegg, Twentyfive x Herzog & de Meuron, Göttingen, Steidl, 2024, ISBN 9783969991381. Van deze uitgave verscheen ook een Duitstalige editie.

You Can Tell a Book by its Cover (Lawrence Weiner). Rémy Zaugg

Een foto van Jan Kempenaers, geschoten in 2000, is een heel boek waard. Dat het beeld de cover heeft gehaald van een recent boek over Rémy Zaugg (1943-2005) is slechts een eerste bewijs. De even beredeneerde als veelgelaagde foto is in de eerste plaats een bijzonder geslaagde registratie van een werk van de Zwitserse kunstenaar. Een monumentaal gebouw aan het Sint-Jansvliet in Antwerpen, door stadsbouwmeester Emiel Van Haverbeke in 1933 opgeleverd, verleent toegang tot de Sint-Annatunnel onder de Schelde – de ‘voetgangerstunnel’. Op de strenge art-decogevel heeft Zaugg een tekstwerk aangebracht als onderdeel van de door Moritz Küng samengestelde expo Orbis Terrarum. Werelden van verbeelding (cartografie en hedendaagse kunst). Het zijn slechts zeven woorden, uitgevoerd in wit acrylglas, waarachter verlichting is aangebracht. Wanneer Kempenaers het gebouw en het werk van Zaugg in het vizier neemt, valt de avond en branden de lampen. Op het boekomslag zuigen de woorden, in het font Univers extra bold, alle aandacht naar zich toe. Zeven Nederlandse woorden staan vooraan op een voor het overige in het Duits en het Engels gestelde pil van bijna vijfhonderd bladzijden: MAAR IK/DE WERELD/IK ZIE/JOU.

Rémy Zaugg koestert een dubbele ambitie met dit tekstwerk. Als deelnemer aan Orbis Terrarum wil hij in de eerste plaats de verhouding tussen mens en wereld in vraag stellen. Op dramatische wijze worden de rollen omgekeerd: niet de mens aanschouwt de wereld, de wereld kijkt naar de mens; de wereld wordt opgevoerd als een subject dat de mens herleidt tot object – iets dat bekeken kan worden. De wereld is een fotograaf die alles objectiveert wat voor zijn lens komt. Het tekstwerk kan ook worden gezien als de seculiere variant van ‘God ziet mij’. De wereld ziet je, let op wat je doet. Doe het goede! Zaugg toont zich een waar moralist, maar hij roept niet zomaar met opgestoken vinger op tot ethiek. Hij brengt ook een warme boodschap. MAAR IK/DE WERELD/IK ZIE/JOU is niet per toeval op het statige gebouw terechtgekomen. Dat het naar de tunnel leidt die de rechter- met de linkeroever verbindt, is van wezenlijk belang. Zaugg ziet het gebouw, en bij uitbreiding het Sint-Jansvliet, als een ‘besondere Ort’, een ‘bijzondere plek’. Er wordt een andere plek, aan de overkant van de Schelde, door opgeroepen. Het tekstwerk signaleert dat twee werelden bij elkaar kunnen worden gebracht. Zaugg was overigens niet aan zijn proefstuk toe. Voorheen bracht hij ook op bruggen in Hamburg en Arnhem tekstwerken in wit acrylglas aan. Op de Nelson Mandelabrug in Arnhem staat bijvoorbeeld: HUIZEN – WIND – DE STROOM – DE VERTE – DE UTOPIE – INDONESIE – DE BOTEN – DE ZEE – BLAUWE LUCHT. Het is minder bezwerend of dwingend dan in Antwerpen, maar het woord ‘Indonesië’ roept opnieuw op tot moreel besef. Ook in Arnhem zag hij de brug bij uitstek als verbindend bouwwerk, als een kans om door de Rijn gescheiden stadsdelen op elkaar te betrekken. Het was zelfs een onverholen oproep om de rechteroever te ontwikkelen tot een zone die gelijkwaardig zou zijn aan de Arnhemse binnenstad op de linkeroever. Zaugg is een humanistische zorgverlener.

Rémy Zaugg. Der besondere Ort/The Particular Place, samengesteld door Eva Schmidt, bestaat voornamelijk uit essays over allerlei (aspecten van) werken van de Zwitserse kunstenaar en enkele gesprekken met en tussen personen die hem goed hebben gekend. MAAR IK/DE WERELD/IK ZIE/JOU vormt als het ware de rode draad, zoals ‘God ziet mij’ nog maar een halve eeuw geleden overal opdook in huiskamers en openbare gebouwen. Voortdurend wordt de lezer erop gewezen dat de wereld hem of haar ziet, al vanaf de eerste tekst, over projecten in Bazel. In 1997 ging de kunstenaar in op de uitnodiging van Peter Pakesch, toenmalig directeur van de Kunsthalle Basel, om een werk te realiseren op een functieloos en verwaarloosd terrein tussen de Elisabethenkirche en de Kunsthalle. Op een bruine muur, onderdeel van een installatie van Günther Förg, schilderde Zaugg dezelfde zeven woorden met wat er was overgebleven van de door Förg gekozen bruine verf, die hij een beetje mengde met paars-blauwe kleurstof. Over zijn interventie stelde de kunstenaar in een korte tekst, vreemd genoeg tweehonderd bladzijden verderop in het boek afgedrukt: ‘ABER ICH/DIE WELT/ICH SEHE/DICH zal een bewuste en actieve wereld laten zien. Op welke plek kan de subjectgeworden wereld spreken tot de mens die schijnbaar object is geworden, tenzij op een plek waar niemand zich heeft gevestigd, waar niemand positie heeft ingenomen en waar zich geen enkel zelfbewustzijn affirmeert.’ De uitvoering van het werk bij de Kunsthalle maakt ook duidelijk dat Zaugg een bijzondere interesse had voor perceptie. Hij speelde met de grenzen van de waarneming door met bruin-paars-blauwe verf te schilderen op een bruine achtergrond. Wie niet wist dat er iets was toegevoegd aan Förgs installatie, kon er achteloos aan voorbijlopen.

Wanneer architecten Jacques Herzog en Pierre de Meuron, met wie Zaugg veelvuldig projecten verwezenlijkte, hem in 1995 benaderden om een tentoonstelling te concipiëren in het Centre Pompidou, kwam de kunstenaar-curator met een radicaal puriteins voorstel. Hij koos voor een chronologische ordening, van het vroegste tot het laatste project van Herzog & de Meuron. Alle plannen, schetsen, foto’s en video’s werden op tafels gepresenteerd, in rijen keurig achter elkaar. Zaugg stond een volledig ahiërarchische aanpak voor: aan woonblokken voor studenten in Dijon werd evenveel aandacht besteed als aan de verbouwing van Tate Modern in Londen. De expositie omvatte slechts twaalf maquettes, ook op tafels gezet. In zijn essay over de tentoonstelling maakt Jean-Christophe Royoux de vergelijking met een klaslokaal of met de lijnen op een pagina: ‘architecturale performance was geheel afwezig’. Zaugg nam wel enkele kunstwerken op in de expo: drie grote foto’s van Thomas Ruff en drie schilderijen van hemzelf, waaronder BUT I/WORLD/I SEE/YOU. Streng en ascetisch bekijkt de wereld wat Herzog & de Meuron ontworpen hebben.

De titel van de bijdrage van Corinne Diserens is niets minder dan hetzelfde tekstwerk; het onderwerp is de door haar samengestelde expo Time and Tide. The Tyne International Exhibition of Contemporary Art (1993). Zaugg wou een werk realiseren in en op een iconisch gebouw, een depot uit 1902 in Newcastle upon Tyne. Hij wou schilderijen tentoonstellen en de imposante architectuur, de stad en het landschap middels ingrepen op elkaar betrekken. Het project bleek te ambitieus, werd met een jaar uitgesteld en vervolgens afgevoerd. Bij Diserens’ essay, dat voornamelijk bestaat uit citaten of parafrases van Zauggs tekst over het project, is BUT I/WORLD/I SEE/YOU afgebeeld. Het wekt de suggestie dat dit tekstschilderij zou zijn aangebracht op de enige blinde muur van de voormalige opslagplaats. In het concept voor Time and Tide speelde die muur alleszins een cruciale rol: enerzijds zag Zaugg het vlak als ‘een gezicht’ dat Newcastle upon Tyne frontaal aankijkt, anderzijds als een projectiescherm voor de stedelingen.

Bij de tekst ‘The second view’ van Christoph Doswald, over interventies in de openbare ruimte, staat een foto van een voorstel – opnieuw dezelfde zeven woorden – voor een gebouw waarin het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken zijn intrek zou nemen. De kunstenaar wilde het werk op de gevel aanbrengen, maar kreeg geen groen licht. In de bijzonder gulle beeldkatern, die om en bij 125 bladzijden telt, duikt IK/DE WERELD nog verschillende malen op. In 1994 werd het werk geschilderd op een blinde gevel tegenover de galerie Barbara Gross waar hij exposeerde. Zaugg realiseerde ook een zeefdruk met de zeven woorden, en hij wilde het tekstwerk op een muur van het Kröller Müller Museum exposeren – in niet minder dan 24 talen – naar aanleiding van zijn tentoonstelling in Otterlo in 1996. Het plan bleef steken in de ontwerpfase. Van het Neues Museum in Neurenberg, gebouwd tussen 1997 en 2000, kreeg de kunstenaar wel toestemming om het werk te integreren. In 2000 belandde de woordgroep zoals gezegd op de toegangspoort tot de Sint-Annatunnel. Vijf jaar later, vlak voor zijn overlijden, gaf Zaugg het werk in permanente bruikleen aan deSingel, waar Moritz Küng als curator werkte. IK/DE WERELD kan nog steeds worden bewonderd in de binnentuin van het Antwerpse kunstencentrum.

Schilderij, muurschildering, installatie, multipel, IK/DE WERELD is het allemaal. Tegenover een galerie, op de entree van een tunnel, op de gevel van een ministerie, op een museum of nauwelijks waarneembaar, het werk kan op vele en erg verschillende plaatsen of manieren worden opgesteld en op verscheidene manieren worden geïnterpreteerd, als verbindingsteken, als oproep tot moraliteit of als aansporing om kritisch te kijken, zoals in de expo over Herzog & de Meuron. Ook naar de herhaalde inzet van het werk moet echter scherp gekeken worden, en dat kan dankzij de teksten van de kunstenaar zelf. In een voorstudie voor een interventie bij de verbouwing van een administratief gebouw in Pantin tot het Centre National de la Danse, beschreef Zaugg in 2000 zijn methode. Vreemd genoeg vermomde hij zich als vrouw: ‘Welke houding neemt ze aan als ze ingrijpt in een bepaalde architectuur of plek? Welke methode past ze toe? Deze kunstenaar gooit vooroordelen en veronderstellingen overboord, ze brengt geen kant-en-klare oplossingen aan die eerder in een andere context zijn ontwikkeld, in de studio of waar dan ook ter wereld. Afgezien van haar professionaliteit, haar kennis en haar vaardigheden, kijkt ze naar de plek met de grote ogen van een pasgeboren kind, alsof ze de wereld aan het ontdekken is en er voor het eerst over nadenkt.’ De contradictie tussen deze plechtige beloften en de case van MAAR IK/DE WERELD/IK ZIE/JOU is te groot voor woorden. Het tekstwerk, in het atelier bedacht en gestockeerd, wordt toch op alle mogelijke plaatsen en in tal van contexten ingezet.

Het is niet het enige probleem van Zauggs praktijk als kunstenaar, curator, architect en stedenbouwkundige. Voor Sonsbeek 93 werkte hij een project uit voor twee bruggen, de reeds vermelde Arnhemse Nelson Mandelabrug en de John Frostbrug, enkele honderden meters verderop. Zaugg ontwikkelde een totaalconcept, en zou ook op de John Frostbrug woorden aanbrengen. Het project, dat niet alleen beide oevers maar ook beide bruggen dichter bij elkaar zou brengen, bleek te duur. De kunstenaar stelde zich tevreden met een halve oplossing. Voor de ingrepen in het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bern werkte hij een omvangrijk programma uit. Naast het gevelwerk deed hij voorstellen voor liftkokers en gangen. Christoph Doswald schrijft: ‘De kunstenaar ging resoluut om met het werkveld van het toekomstige gebouw, de relatie met Zwitserland en het buitenland (en vice versa) en de veelgelaagde thema’s die ermee gepaard gaan.’ Tijdens de constructiewerken werd evenwel beslist dat het bureau van Informatietechnologie en Telecommunicatie zich in het gebouw zou vestigen. Doswald parafraseert Zaugg, die gesteld zou hebben dat het werk ‘zijn plaats had verloren’ en ‘zijn raison d’être’. Toch trok hij zich niet terug als opdrachtnemer. Simon Baur bespreekt een werk voor het rijksarchief in Bazel: grote betonnen tegels waarin woorden in metaal zijn ingewerkt, vormen het looppad naar de ingang. Eén woord keert voortdurend terug, ‘wird’ – ‘wordt’: een archief is een instituut dat evenzeer de toekomst als het verleden borgt. Baur vermeldt dat er plannen zijn om het rijksarchief te verhuizen. Wat moet er dan met Zauggs werk gebeuren? Blijft het waar het is, dan verliest het zijn bestaansreden; verhuist het mee, dan is het niet meer site specific. Het is een keuze tussen de pest en de cholera, maar Baur spreekt zich ondubbelzinnig uit voor de tweede optie.

Precies omdat Zaugg zich soms als ethicus heeft gepositioneerd, en mede omdat hij in haast al zijn teksten extreem precieze analyses en radicale oplossingen heeft geformuleerd, dreigt vergeten te worden dat hij een pragmaticus was. Zijn interventie bij de Kunsthalle Basel in 1997 is het sprekendste voorbeeld: aan de installatie van Förg wijzigt hij haast niets, en dat hij met zijn ingreep de rommelige niet-plaats tot een besondere Ort heeft getransformeerd, kan onmogelijk worden beweerd. Wanneer Jan Kempenaers in 2000 voor het gebouw bij het Sint-Jansvliet stond, moet hij hetzelfde hebben gedacht. Aan de kadrering valt op dat het gebouw niet volledig frontaal is vastgelegd. De lens staat loodrecht op een telefooncabine, stadsmeubilair waar Zaugg van gruwde, maar die hij niet zomaar kon (laten) verwijderen. In de cel van Belgacom bevindt zich een man, gehuld in een blauwe korte broek en een wit T-shirt. Voor het art-decogebouw staat een rode auto geparkeerd. De elektriciteitskasten zijn clandestien beplakt met affiches. Op een poster is het woord ‘kozzmozz’ leesbaar – een ironische knipoog naar Orbis Terrarum? Uiterst links brandt een lichtbox, op de gevel van een drankgelegenheid waar MAES wordt geschonken. Kempenaers gunt Zauggs werk het middelpunt van de foto, maar heeft evenzeer oog voor de onverschillige wereld die naar de kunst kijkt.

 

• Eva Schmidt (red.), Rémy Zaugg. Der besondere Ort/The Particular Place, Snoeck, Keulen, 2022, ISBN 9783864423673.

Zoeken naar de mooiste boeken. Gesprek met Julie Peeters

Christophe Van Gerrewey: De wedstrijd voor The Most Beautiful Swiss Books bestaat sinds 1944. Het idee voor zo’n prijs werd een jaar eerder door Jan Tschichold gelanceerd, een Duitse grafisch ontwerper die in 1933 naar Zwitserland vluchtte. ‘Een dergelijk initiatief is niet alleen als wedstrijd waardevol,’ zo schreef hij in 1943 in het tijdschrift Der Schweizer Buchhandel. ‘Het is ook een manier om de smaak van het publiek te beïnvloeden, om het te interesseren voor mooiere typografie, voor illustraties en dergelijke meer, en ongetwijfeld stijgt ook de verkoop van de prijswinnende boeken, wat dan weer uitgevers en drukkers stimuleert om hun boeken met liefde vorm te geven.’ Dit jaar zat jij in de jury en mocht je de achttien mooiste Zwitserse boeken van 2023 selecteren.

Julie Peeters: Ik volg die prijs al lang. Ieder jaar verschijnt er een catalogus over de winnaars en dat is een boek waar ik altijd naar uitkijk. Het is boeiend om te zien wat er in Zwitserland gebeurt op het vlak van grafisch ontwerp. Dit jaar bestaat de prijs tachtig jaar en verschenen er twee publicaties, ontworpen door Julia Born.

C.V.G.: Born was ook de vormgever van het vorige jubileumboek uit 2004, Beauty and the Book, uitgegeven toen de prijs zestig jaar bestond.

J.P.: Ik studeerde nog aan Sint-Lucas Gent toen dat boek verscheen. Ik herinner me dat veel studenten er gebruik van maakten, maar ik heb het toen niet gekocht, en nu is het zeldzaam geworden.

Jozefien Van Beek: De nieuwe boeken zijn heel anders dan het meer klassieke of traditionele overzichtswerk uit 2004, ook wat vormgeving betreft.

J.P.: Dat is wel passend, vind ik. Het ene boek, waarin wordt teruggeblikt op de geschiedenis van de prijs, is vormgegeven als een cahier op A4-formaat. In de andere publicatie, met dezelfde afmetingen, worden de genomineerde boeken verzameld: het is een stapeltje papiervellen dat in de linkerbovenhoek aan elkaar is geniet, en dan is dubbel geplooid. Het voorste vel papier is iets dikker en functioneert als cover. Het is eenvoudig en toch radicaal, en tegelijkertijd spreekt er respect uit voor materialen, en oog voor detail. Ik heb zes jaar in Nederland gewoond en gewerkt, waar ook een sterke ontwerpcultuur bestaat, maar daar draait het boekontwerp vaker om één idee, om een oneliner die de nadruk legt op het ontwerpconcept en minder op de inhoud.

C.V.G.: Tschichold vermeldde in 1943 dat een prijs voor de mooiste boeken al langer in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten bestond, maar in Zwitserland nog niet. De oudste prijs in Europa is die van Nederland, de prijs voor de Best Verzorgde Boeken, die sinds 1925 bestaat en volgend jaar ook een jubileum viert.

J.P.: In België hebben we die traditie helaas niet. Tussen 2008 en 2014 was er wel de Prix Fernand Baudin, voor de mooiste boeken in Brussel en Wallonië.

C.V.G.: Fernand Baudin was in zekere zin de Belgische Tschichold, en hij heeft ook handboeken over typografie gepubliceerd.

J.V.B.: Welke boeken komen in aanmerking voor The Most Beautiful Swiss Books?

J.P.: De grafisch ontwerper moet de Zwitserse nationaliteit hebben of minstens vijf jaar in Zwitserland werken. Boeken die worden uitgegeven of gedrukt in Zwitserland kunnen ook bekroond worden.

C.V.G.: Dit jaar was er een longlist van 412 ingezonden boeken, gepubliceerd in 2023.

J.P.: De verzameling is heel divers. Het gaat om boeken over architectuur, fotografie, kunst, illustratie, design of grafiek, of het zijn tekstboeken, kinderboeken, kookboeken of thematische boeken. Ook die selectie is dus zeer ruim, maar de nadruk ligt toch vooral op architectuur, fotografie, beeldende kunst en ontwerp.

J.V.B.: Hoe gingen jullie te werk om een selectie te maken?

J.P.: In de nationale bibliotheek in Bern lagen alle boeken op tafels. De eerste dag namen de juryleden de boeken individueel door, om een snelle, intuïtieve selectie te maken. Elk jurylid kleefde op de boeken die interessant of boeiend leken een post-it. Aan het einde van de dag werden alle boeken met post-its verzameld. Toen vielen al ongeveer driehonderd boeken af. Op dag twee keken we hoeveel post-its ieder boek had gekregen, waardoor de voorkeuren zichtbaar werden. Daarna voerden we lange gesprekken. De eerste grote selectie was het makkelijkst, daarna werd het moeilijker.

J.V.B.: Welke criteria hanteerden jullie? Heeft de organisatie van de prijs, het Bundesamt für Kultur, van tevoren aangegeven waarop jullie moesten letten?

J.P.: Ja, maar die criteria waren niet zo uitzonderlijk. Ten eerste moesten we uiteraard letten op de fysieke aspecten van een boek, op het object zelf. Ten tweede is er de typografie, de lay-out, het design, de vormgeving. En tot slot is er de inhoud. Die drie kan je niet los van elkaar bespreken. Hoe wordt de inhoud vertaald in het ontwerp, dat is de vraag. We zochten dus naar boeken waarbij die drie elementen zodanig samengaan dat er iets unieks ontstaat.

C.V.G.: Wie zat er in de jury?

J.P.: Een van mijn medejuryleden was John Morgan, een Britse ontwerper die typografisch sterk is en ook lesgeeft in Düsseldorf. Hij is onder meer bekend van het boek Usylessly, dat Moritz Küng een paar nummers terug in De Witte Raaf heeft besproken. Gregor Huber is ook grafisch ontwerper, hij heeft een studio in Zwitserland samen met Ivan Sterzinger. Zij hebben bijvoorbeeld de monografie over het werk van Philippe Vandenberg uit 2017 vormgegeven. Gina Bucher is auteur en redacteur, onder meer van het boek Female Chic over het Zwitserse modelabel Thema Selection, dat enkele jaren geleden geselecteerd werd voor de prijs. Zij was als enige jurylid geen grafisch vormgever, en ze had duidelijk een andere blik. En Sereina Rothenberger, die een ontwerpbureau in Zürich leidt samen met David Schatz, was juryvoorzitter.

J.V.B.: Kan je een paar boeken noemen die jullie geselecteerd hebben?

J.P.: Er zit bijvoorbeeld een bijzonder architectuurboek in onze selectie, een monografie over het werk van de Zwitserse architect Thomas K. Keller, vormgegeven door Samuel Bänziger en Michel Egger. Veel architectuurboeken zien er hetzelfde uit, maar voor dit boek is er gewerkt met één fotograaf, Sebastian Stadler, die alle gebouwen heeft gefotografeerd. De beelden zijn zo geplaatst, in reeksen of repetitief, dat het resultaat aanvoelt als een filmische reis door de gebouwen van de architect. Ook Journaux de guerre, 1939-1944 sprong eruit, een verzameling oorlogsdagboeken van een kapitein in het Zwitserse leger. Het is een dik boek, gedrukt op bijbelpapier. De eigenlijke notities zijn op grijs papier gedrukt, de introductie en het commentaar op wit papier. Het is heel bureaucratisch materiaal, met paginalange lijsten van plaatsen waar soldaten overleden zijn, maar de tekst is toch op een heel poëtische manier gezet. We waren gecharmeerd om te zien hoe een onderwerp dat toch vrij zwaar is, vertaald werd naar een heel mooie en zachte typografie, met een passende papierkeuze.

C.V.G.: Vaak gaat het om boeken die zijn vormgegeven door ervaren bureaus. Je hoort weleens de kritiek dat er ontwerpers zijn die ieder jaar de selectie halen van The Most Beautiful Swiss Books.

J.P.: Dat speelde bij ons geen rol: er is geen rekening gehouden met vorige edities. We hebben ook een afstudeerproject geselecteerd, Walking as Research Practice, dat is vormgegeven door Jana Sofie Liebe uit Zürich, die studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Dat boekje is heel eenvoudig gebonden, zodat je het in alle richtingen open kunt plooien. Het papier heeft rafelige randen, en enkel de rechterkant is bedrukt, waardoor je het in één hand kan vasthouden terwijl je in de stad rondloopt. Alle door ons geselecteerde boeken werden ook ingezonden voor de wedstrijd Schönste Bücher aus alles Welt, die al sinds 1963 in Leipzig wordt georganiseerd. Walking as Research Practice won daar de Gouden Letter, wat bijzonder is voor zo’n spartaans boek. Het gaat lang niet altijd om prestigieuze coffee table books. Alles is dus mogelijk.

C.V.G.: Walking as Research Practice verscheen in een zeer beperkte oplage.

J.P.: De makers van het boek, studenten, hadden weinig geld, dus het is op 150 exemplaren gedrukt. Er is onlangs een nieuwe druk verschenen bij Roma Publications.

C.V.G.: De jury van The Most Beautiful Swiss Books moet ook telkens iemand aanduiden voor de Jan Tschichold Prijs, die niet wordt uitgereikt voor één boek, maar voor een carrière.

J.P.: Die prijs ging dit jaar naar het collectief Jungle Books, dat zowel boeken uitgeeft als vormgeeft, en dat bestaat uit Samuel Bänziger, Rosario Florio, Olivier Hug en Larissa Kasper. Er werd ook een publicatie van hen geselecteerd voor The Most Beautiful Swiss Books: Obstacles for Cows, een boek op groot formaat, over het werk van videokunstenaar Rhona Mühlebach, waarin kleine losse vellen zijn ingevoegd.

C.V.G.: In dit geval is het eerder een aanmoedigingsprijs, want het collectief is nog jong. Het eerste boek dat ze maakten dateert uit 2020.

J.P.: Meestal krijgen ontwerpers de Jan Tschichold Prijs ergens in het midden van hun carrière, wanneer ze al veel bewezen hebben. Daar hebben we lang over gediscussieerd. We vonden het interessant dat het collectief Jungle Books zelf boeken publiceert en kunstenaars een platform geeft. Ze zijn een community aan het creëren. Bovendien zijn ze gevestigd in Sankt Gallen, en niet in Zürich of Bazel, waar het grootste deel van de ingezonden boeken vandaan komen. Sankt Gallen is veel kleiner. We hadden het gevoel dat zo’n prijs voor hen echt een verschil kan maken. Wat ons wel opviel: er zijn bijna geen vrouwen die de Jan Tschichold Prijs hebben gekregen. Daar hebben we zeker op gelet: een vrouw maakt deel uit van het winnende collectief.

J.V.B.: Speelde dat bij de selectie voor The Most Beautiful Swiss Books ook een rol?

J.P.: Dat was geen doorslaggevend criterium, al hebben we het wel een beetje in de gaten gehouden. Er is zeker iets aan het verschuiven in het grafisch ontwerp. Ik geef al jaren les en de laatste tijd zijn mijn studenten bijna uitsluitend vrouwen, maar in Zwitserland blijft die wereld overwegend mannelijk, vooral wat het ontwerp van lettertypes betreft.

C.V.G.: ÉCAL (L’École cantonale d’art de Lausanne) is waarschijnlijk de bekendste school voor grafisch ontwerp in Zwitserland. Maar toch, zoals je zei, komen de meeste boeken uit Bazel en Zürich.

J.P.: Dat is waar de studenten belanden nadat ze afgestudeerd zijn. Waarschijnlijk heeft het met cultuur en traditie te maken: Lausanne is kleiner en Franser.

C.V.G.: The Most Beautiful Swiss Books worden elk jaar getoond in een reizende tentoonstelling.

J.P.: Dat is al zo van bij het begin – het heeft te maken met dat informerende en pedagogische aspect waar Tschichold naar verwees.

J.V.B.: Reizen de boeken ook naar België?

J.P.: Ik hoop de tentoonstelling van deze editie naar het KASK in Gent te halen, waar ik lesgeef. De Kunstenbibliotheek op de Campus Bijloke is daar een geschikte locatie voor. Makkelijk is dat niet. Vorig jaar werden er dozen met geselecteerde boeken geconfisqueerd door de douane, waarna ze verloren zijn gegaan.

C.V.G.: Heb je het gevoel dat de distributie van boeken de laatste jaren moeilijker is geworden? Toen ik afgelopen zomer een boek maakte met MIT Press, moest ik zelfs op mijn auteursexemplaren invoerrechten betalen, en ze werden twee weken ergens geblokkeerd in een depot.

J.P.: Door de Brexit is alles natuurlijk veel erger geworden, maar ik vrees dat ook België op dat vlak geen modelland is. Ik heb een paar jaar terug bijvoorbeeld een editie gemaakt bij Lineto in Zürich, de lettergieterij van Cornel Windlin. Ik had vrienden uitgenodigd om mij een woord te bezorgen, en al die woorden hebben we gedrukt met de originele blokletters waar een nieuw lettertype van Lineto op gebaseerd was. De edities werden vanuit Zwitserland verstuurd. Ik was op dat moment in New York, waar de zending na vier dagen al arriveerde, terwijl de enveloppen voor België vast kwamen te zitten bij de douane. Ik heb bijna zes weken lang moeten mailen en bellen, terwijl het artistieke project op de enveloppes zelf stond uitgelegd. Het was duidelijk dat het geen commercieel product was, maar in België wisten ze niet wat ze ermee aan moesten. Het Belgische postsysteem is een ramp. Uiteindelijk heeft iedere bestemmeling twintig euro douanekosten moeten betalen, terwijl het om een cadeau ging.

C.V.G.: De stipte postbedeling is iets typisch Zwitsers, maar in een van de teksten in het jubileumboek van The Most Beautiful Swiss Books wordt ook de vraag gesteld naar Zwitsers design. Je sprak al over durf en aandacht voor details. In Zwitserland lijkt alles bewuster ontworpen te zijn, zoals treintickets of de bewegwijzering in stations. Er zijn niet veel landen waarnaar een lettertype is genoemd – Helvetica Neue werd in 1957 ontworpen en is een soort nationale standaard geworden.

J.V.B.: Het heeft voor ons iets avant-gardistisch, terwijl het ginds mainstream is.

C.V.G.: Ja, en net daarom zijn er veel Zwitserse ontwerpers die niets met Helvetica te maken willen hebben.

J.P.: Dat klopt. Iets gelijkaardigs geldt voor het grid, het raster. In 1980 verscheen het boek Grid Systems van Josef Müller-Brockmann, dat heel invloedrijk is geweest in Zwitserland. Volgens zijn systeem start een pagina in een boek met een grid waaraan al de rest ondergeschikt is. Voor de lezer is zo’n raster onzichtbaar zodra de tekst op de pagina staat, maar de ontwerper gebruikt het wel bij alle ontwerpkeuzes. Ook al zie je het niet meer, je vóélt het voortdurend.

C.V.G.: Kan je een boek ontwerpen zonder grid?

J.P.: Zelf vind ik die boeken het boeiendst waarin je moeilijk kan zien wat het grid precies was. En die zal je in Zwitserland niet zo snel aantreffen. Dus op dat vlak is het grid hardnekkiger gebleken dan Helvetica. Ik zou niet zeggen dat ik volledig zonder grid kan werken, maar ik negeer het soms wel. Ik maak pagina’s graag intuïtiever op. Ik maak een grid, maar als ik voel dat tekst of beeld beter werken wanneer ik het grid loslaat, dan doe ik dat. Misschien bestaat het grid om je ertegen af te zetten.

C.V.G.: Karel Martens, die in 1998 de Werkplaats Typografie oprichtte in Arnhem, waar jij ook gestudeerd hebt, zou je een ‘gridman’ kunnen noemen. Dat blijkt zeker uit de nummers van het architectuurtijdschrift OASE die hij vormgeeft.

J.P.: Absoluut. Karel heeft een aantal dogma’s. Zo begint hij nooit lager dan vijf millimeter onder de bovenrand van een pagina. Hij houdt niet van verspilde witruimte. Voor veel drukkers is dat een probleem. Een andere regel: de binding moet volledig openvallen. En het papier dat hij gebruikt is nooit gestreken, altijd ongestreken. Ik heb dit jaar een boek gemaakt, samen met Scott Ponik, voor het Canadian Centre for Architecture in Montréal: The Lives of Documents. Photography as Project. Toen ik bij Karel op bezoek was, gaf ik hem een exemplaar. Nadien mailde hij me: hij vond het prachtig, maar ik had één hoofdzonde begaan: de binding.

J.V.B.: De rug was gelijmd?

J.P.: Ja, maar omdat het zo’n groot formaat had, viel het naar mijn mening ver genoeg open. Boeken met open bindingen vallen soms té ver open. Voor Museum M heb ik in 2020 een boek gemaakt over Thomas Demand, dat met koudlijm werd gebonden. Voor de eerste honderd exemplaren gebruikten we gewone lijm omdat ze voor de opening klaar moesten zijn. Eerlijk? Ik vind die gewone lijm beter. Een boek dat gebonden is met koudlijm – flexibele lijm is dat – valt extreem hard open. Het boek van Demand is zo dik dat het bijna uit zijn binding leek te barsten. Zoiets zou Karel fantastisch vinden.

J.V.B.: Heb jij zelf dogma’s?

J.P.: Ik werk al bijna acht jaar met dezelfde drukker, Benedict Press. Ik heb twee jaar in München gewoond toen ik de vormgeving verzorgde voor Kunstverein München. Toen heb ik die drukker leren kennen in Münsterschwarzach. Meteen vond ik de drukkwaliteit super. Ze zijn gelinkt aan een abdij, dus ze drukken voornamelijk bijbels en religieuze kalenders – ze kunnen drukken op heel dun papier. Af en toe maken ze kunstboeken. Als ik aan een opdracht begin, zeg ik meteen dat ik met mijn vaste drukker wil werken. Dat is een breekpunt. Als een opdrachtgever dat niet ziet zitten, gaat de opdracht niet door.

C.V.G.: Een ander basisconcept in je werk is een scheiding tussen beeld en tekst. Op een pagina staat ofwel beeld ofwel tekst.

J.P.: Ik ben geobsedeerd door het gedrukte beeld. Aan het KASK is het iets waar ik me samen met mijn studenten op concentreer. Typografie komt in de opleiding grafisch ontwerp altijd uitgebreid aan bod, maar beeld is even belangrijk. Het is belangrijk dat studenten daar een visie over ontwikkelen, zeker omdat ze door digitale beelden omringd zijn.

C.V.G.: Dit jaar maakte je een catalogus voor Isa Genzken. Ook in dat boek zijn tekst en beeld gescheiden.

J.P.: Dat boek hoorde bij de tentoonstelling Isa Genzken 75/75 in de Neue Nationalgalerie in Berlijn, ter ere van haar 75ste verjaardag. De curatoren hebben ervoor gekozen om voornamelijk bestaande teksten te herpubliceren – er is slechts één nieuwe tekst, van Diedrich Diederichsen. Het voelde natuurlijker aan om tekst en beeld afzonderlijk te behandelen. Maar de fotografie zelf, die was voor mij nog belangrijker. Buchholz, de galerie van Genzken, had hun fotograaf, Jens Ziehe, gevraagd om de expo vast te leggen. Hij werkt heel technisch, met drie paraplu’s, twee statieven en artificiële belichting. Terwijl het mooie aan die tentoonstelling net was dat er zonlicht binnenviel. De Neue Nationalgalerie van Mies van der Rohe heeft geen muren, en het oeuvre van Isa gaat over binnen versus buiten. Het was de gedroomde plek voor haar werk, dus ik heb ervoor gevochten om een tweede fotograaf aan te stellen die net dat kon vastleggen. Adrianna Glaviano kwam erbij. Zij maakte analoge beelden waarin schaduw zit. De combinatie werkt heel goed.

C.V.G.: Jouw werkwijze klinkt erg intensief.

J.P.: Voor mij is het de enige manier van werken. Als ik voel dat zoiets niet mogelijk is, begin ik er niet aan. Daardoor moet ik regelmatig opdrachten afslaan. Het geeft me de zekerheid dat ik de kwaliteit kan bieden die ik wil.

J.V.B.: Je maakt sinds 2017 ook een jaarlijks tijdschrift, BILL, ‘a magazine without words and publisher of slow visual reading’.

J.P.: Ook voor BILL werk ik enkel samen met Benedict Press. Elk nummer telt telkens dertien verschillende papiersoorten. Elke bijdrage, en dus elke fotograaf, krijgt een eigen papier. Dat was van in het begin het concept. In het nieuwste nummer werk ik met een combinatie van gewone binding en Japanse binding. Er zit ook bijbelpapier in. Zulke technische aspecten zien sommige drukkers niet zitten. BILL vergt veel dialoog en arbeid.

J.V.B.: Hoe functioneert BILL financieel? Kom je uit de kosten?

J.P.: Een exemplaar van BILL kost veertig euro. Ik financier alles zelf. De oplage schommelt tussen 1000 en 1500 en ik verkoop uiteindelijk alle nummers. Het is een traag tijdschrift: ik publiceer één keer per jaar. Maar het is niet tijdsgebonden, dus je kan het een jaar na verschijnen nog steeds kopen. Winstgevend is het niet. In 2019 heb ik van de Vlaamse Gemeenschap eenmalig projectsubsidies gekregen. Soms vraag ik een beurs aan, maar ik krijg zelden positief antwoord. In Zwitserland bestaan er meer subsidies voor het maken van boeken en tijdschriften. Dat bleek ook bij The Most Beautiful Swiss Books: je voelt dat er geld in die boeken zit.

C.V.G.: Er zijn niet veel tijdschriften waar geen tekst in staat – toch niet zo radicaal als bij BILL.

J.P.: En toch zijn er inspiratiebronnen, zoals bijvoorbeeld het Zwitserse tijdschrift Parkett. Het is dan niet alleen de vormgeving die me zo aanspreekt. Wat ik er mooi aan vind, ook bij een tijdschrift als Camera Austria, is het idee van de doorgedreven kunstenaarsbijdrage. Bij Parkett konden kunstenaars vrij beslissen om een volledig katern te vullen, een leporello te bedenken of een speciale pantonekleur te gebruiken. Hun kunstenaarsbijdrages zijn een werk op zich. Dat streef ik met BILL ook na.

C.V.G.: Voor Parkett was het belangrijk om kunstenaars te lanceren. Is dat met BILL ook een doel?

J.P.: Nee. Het is eerder een doel om werk te tonen zoals het nog nooit getoond werd. Ik wil dat BILL een nieuwe visuele expressie is van iemands praktijk. Ook belangrijk is de herpublicatie van bestaande bronnen. Ik neem de beelden niet letterlijk over, ik herfotografeer ze, zodat er een nieuwe laag ontstaat. In het recentste nummer toon ik bijvoorbeeld foto’s uit de jaren zeventig. Ik zag ze in een boek dat ik toevallig in een tweedehandswinkel vond. De kunstenaar, Mark Boyle, is overleden, maar zijn zoon gaf me toestemming om het werk opnieuw te publiceren. En door het te herfotograferen wordt het weer nieuw, want je ziet dat het foto’s zijn uit een boek. Boyle maakte samen met zijn kinderen een houten frame, een meter bij een meter groot, en legde het op het strand. Iedere week maakten ze van bovenaf een foto, zodat je kan zien wat de zee doet met het strand. Het beeld is gemaakt door het water.

J.V.B.: Jij geeft les, net als veel grafisch vormgevers. Is dat een financiële noodzaak?

J.P.: Ik geef maar één dag in de week les, dus het is niet mijn hoofdinkomen. Maar het zorgt voor een stabiele basis. Intussen geef ik veertien jaar les, sinds mijn 27ste, en het is erg belangrijk geworden. Het contact met studenten apprecieer ik enorm. Ik leer er zelf veel uit. En toch vind ik het ook nog altijd angstaanjagend om les te geven. Het houdt me scherp.

J.V.B.: Wat heb je zoal geleerd?

J.P.: Het boeit me om te zien hoe de huidige generatie omgaat met verschillende thema’s, zowel inhoudelijk als vormelijk. Meer dan ooit zijn studenten bezig met papier en print in plaats van met schermen en digitale beelden – terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Deze generatie keert terug naar handmatig werken. Ik ga vaak met mijn studenten naar de Kunstenbibliotheek van het KASK, een plek waar dingen spontaan kunnen gebeuren. Ik laat hen boeken zoeken, zodat ze ontdekkingen doen. Vaak gaat het niet eens om boeken over grafisch ontwerp. Ze leggen publicaties op tafel die we bespreken. Ook daar leer ik veel uit. Jonge mensen zien iets voor het eerst, benaderen het anders. Hun reflectie is puur.

C.V.G.: Heb je ervaring met Zwitserse boekencollecties?

J.P.: Een uitzonderlijke plek is de kunstbibliotheek van de Stiftung Sitterwerk in Sankt Gallen. Zij hebben een collectie met 30.000 boeken en vooral het classificatiesysteem is fantastisch. Alle boeken hebben een chip. Je mag de boeken terugzetten op een willekeurige plaats, waardoor de bibliotheek steeds organisch transformeert. Dankzij de chip kan je doelgericht zoeken, maar je kan ook het toeval zijn werk laten doen. Serendipiteit wordt mogelijk, net omdat er zo veel boeken op een heel geconcentreerde manier zijn samengebracht – extreem systematisch en wanordelijk tegelijkertijd.

 

• Jenny Keller (red.), The Most Beautiful Swiss Books 2023 Awarded in 2024; Julia Born, Sereina Rothenberger, Tan Wälchli (red.), An Autopsy of Tastes and Values. 80 Years of The Most Beautiful Swiss Books Competition, Bern, Federal Office of Culture, 2024, ISBN 978390992892. Daniel Buchholz, Christopher Müller (red.), Isa Genzken 75/75, Keulen, Verlag Walther König, 2024, ISBN 9783753305394.

Van Suhr naar Babylon. Fischli & Weiss


Alles, van de geschiedenis tot de hoge cultuur, beweegt zich onomkeerbaar richting zijn lot als bestanddeel van Disneyland – het museum der musea.

– Donald Kuspit [1]

 

Waar gingen mensen in de jaren zeventig naartoe als ze het kunst- en ontwerpvirus hadden opgelopen, maar de ‘klassieke’ weg van de moraliserende en belerende omgang met zulke zaken juist wensten te vermijden? Misschien wel naar Suhr in het kanton Aargau – naar Möbel Pfister. Inderdaad: het ‘grootste meubelhuis van Zwitserland’ moet de plek zijn geweest waar het besluit werd genomen om gezamenlijk artistieke acties te ondernemen. Daar is ook een soortement verklaring voor: de vader van David Weiss (1946-2012) was dominee geweest en de vader van Peter Fischli (1952), Hans, had indertijd zijn kennis als architect en beeldhouwer aan het Bauhaus opgedaan.[2] Dominee Weiss preekte in kerken die architect Fischli ontworpen had, zo hebben de kunstenaars in een interview verteld. Bijgevolg kwamen het preken, het bouwen en ‘de goede vorm’ als vormen van artistieke zelfrealisatie niet meer in aanmerking voor de twee, al bleven de moraal, de architectuur en de voorwerpen van het dagelijks leven als werkterrein op voorhand aanwezig.

Het ging om de massacultuur. Maar in tegenstelling tot Bauhaus en de scholen voor kunstnijverheid was het doel niet om de gecorrumpeerde status quo van de consumptiecultuur tegen te gaan met de utopie van een ‘goede vorm’ voor de massa’s, maar om deze status quo allereerst te inspireren en de huidige ‘inhoud’ ervan in twijfel te trekken. Daarbij gebeurde er iets onverwachts (als men de overeenkomstige signalen bij Picabia, Polke en in de popart over het hoofd ziet, fenomenen die de kunstenaars in zekere zin, zoals ze zelf benadrukken, de weg naar het meubelparadijs hebben gewezen): wat de ‘goede smaak’ allang dacht te hebben afgedaan als ‘kitsch’, dook plotseling en met volle kracht weer op als archiefkast van culturele archetypen.

We schrijven het jaar 1977 en de volgende halte op de reis van Suhr naar Babylon was Hollywood. Geen toevallige keuze. Hollywood begon net in het intellectuele discours van de jaren zeventig bepaalde tongen los te maken. Umberto Eco had zijn ‘reis naar de hyperrealiteit’ ondernomen om op locaties als Hearst Castle, de Madonna Inn, Disneyland en Ripley’s Believe It or Not-museum de bizarre dialectiek van echt en vals, die zich in deze sanctuaria van de alledaagse fictionaliteit verwerkelijkt, aan een minutieuze kritiek te onderwerpen.[3] En als gevolg daarvan leken de traditionele noties van realiteit onder de hemel van Californië langzaam uit elkaar te vallen, om zich als een universum van weerspiegeling opnieuw te constitueren. In het beste geval wisten concepten als ‘echt’ en ‘vals’, ‘authentiek’ en ‘afgeleid’ onder deze omstandigheden te overleven als magere projecties van een nog quasi-euclidische rationaliteit – of juist helemaal niet (na te lezen bij Baudrillard).

De film die Fischli & Weiss in 1979 in Hollywood, het Florence van het postmodernisme, hebben gedraaid (onder de titel Der geringste Widerstand), was meer een filmexperiment dan een Hollywoodproductie. Maar het feit zelf heeft een programmatisch karakter en de plot, als niet alles bedrog is, al helemaal. Twee nietsnutten, de een verkleed als rat, de ander als pandabeer, zwerven rond in Los Angeles. Ze gaan naar een kunstgalerie. De daar tentoongestelde sculpturen ontlokken hun kunstkritisch geleuter. Plotseling komt de boel op gang: er ligt een lijk in de galerie. De galeriehouder is vermoord. Bij de ‘echte’ kunst voegt zich de fictieve authenticiteit van het leven: fictief in zoverre dat het lijk op zijn beurt natuurlijk – we zijn in Hollywood – een lappenpop is.

De twee lanterfanters prakkezeren of hun rol die van detective of kunstenaar moet zijn (gelukkig lijken Fischli & Weiss zelf nooit tot een definitieve keuze te zijn gekomen). Ze besluiten de zaak als rechercheurs op te helderen en gaan aan de slag om het reilen en zeilen van de wereld – en hun eigen leven – te begrijpen aan de hand van allerlei kleine verklaringsmodellen. Aesopus, La Fontaine, Grandville, Martin Disteli en natuurlijk Walt Disney zijn hun voorzaten – om maar te zwijgen van Arp, Huelsenbeck en Ball. En passant debiteren ze spreuken als: ‘Op het linnen van het leven is de politieagent het penseel.’ Weiss spreekt als Beer en Fischli als Rat: hun filosofie hult zich met andere woorden in het gewaad van de kinderboekenfabel en permitteert zich geregeld om het pad van de kolder in te slaan. Nagenoeg alle thema’s van hun werk worden in deze dertig minuten durende film voor het eerst in het vizier genomen.

Ten eerste: het principe van de fabel. Fabuleren is een obsessie voor de twee kunstenaars. Ze kunnen het niet laten. En net als allen die fabuleren, zijn zij moralisten. Mogelijk denken ze dat de verloren onschuld van de kunst hoogstens herwonnen kan worden door spel en kattenkwaad. Net als Alexander Calder een halve eeuw eerder knutselen ze met de inventaris van keuken en kinderkamer een kindercircus in elkaar. Vervolgens worden de tableaus gefotografeerd (Wurstserie, 1980). Op een van deze foto’s, onder de titel Unfall, worden verongelukte auto’s voorgesteld door wortels en plakjes cervelaat. Eromheen staan sigarettenpeuken die het kijkende publiek simuleren. Elders (In Ano’s Teppichladen) zijn de gesneden stapels worst en peukenfiguurtjes omgetoverd tot een tapijtwinkel met wachtende klanten en haastige verkopers – een eerbetoon aan het meubelparadijs.

Ten tweede: het principe van de museale verzameling van levensminiaturen ten behoeve van een encyclopedisch ‘overzicht’. Er is sprake van ‘plotseling dit overzicht’. Dat is zowel een citaat uit de film als de titel van een installatie van 250 kerstspelachtige kleifiguurtjes c.q. op kleine schaal weergegeven scènes met pregnante inhoud (Plötzlich diese Übersicht, in 1981 tentoongesteld bij Pablo Stähli).[4]

Ten derde: de werken over het thema ‘echt’ en ‘vals’ – werken die vooreerst bedoeld lijken te zijn om het vooroordeel van de geschoolde middenklasse op de hak te nemen dat kunst ‘authentiek’ moet zijn, ‘origineel’. Fischli & Weiss weten natuurlijk dat hun sonde rechtstreeks aanstuurt op wat kunst sinds Aristoteles altijd is geweest en tegenwoordig in de vorm van de populaire cultuurindustrie pas werkelijk is: simia naturae, de na-aper van de natuur. Ze weten dat visuele authenticiteit in de oude kunst en de hedendaagse massacultuur alleen bereikt kan worden dankzij misleiding, dankzij het vervangen van het echte door het valse.

Verder, ten vierde: de geënsceneerde natuurwetten. De natuurkundige experimenten over het thema evenwicht en dynamiek, en de variaties op het paradigma van het perpetuum mobile. Zelfs de natuurlijke historie verschijnt bij Fischli & Weiss in de gedaante van een vertelling, als fabel. Vooral in Der Lauf der Dinge.[5]

Deze film legde in 1987 op documenta in Kassel de grondslag voor hun wereldroem. Om enigszins te kunnen beschrijven wat zich voor je ogen afspeelt, zou je eigenlijk moeten beschikken over het vocabulaire van een natuur-, schei- of werktuigbouwkundige. Ik ga het niettemin proberen: een propvolle plastic zak, slingerend aan een touw, raakt een band. Deze rolt vervolgens op een hellend vlak naar beneden en maakt zo een onafzienbare, maar minutieus berekende keten fysische en chemische reacties los. Er komen stoffen in actie waarvan ik het bestaan alleen ken dankzij de levensgevaarlijke experimenten van mijn scheikundeleraar van weleer. Stoffen die bijten, smelten of spontaan vlam vatten. Er zijn wielen van hout en rubber die wegrollen, maar dan weer aan hun ondergrond blijven kleven: bakken die wegglijden, omvallen, exploderen. Het is een ongelofelijk vasthouden, loslaten, afzakken, omvallen, terugklotsen, vollopen, zuchten en steunen, gevolgd door een bevrijdend cataractachtig leeglopen, enorme instortingen en bulderende stormen in een glas water (bijna dan). Het is de Negende Symfonie en de Golfoorlog ineen.

De kunstenaar als Dr. Mabuse (zo niet als reïncarnatie van de wereldschepper) en de kunst als poëtische natuurlijke historie: zulke formules zijn in de moderne kunst van Duchamp en Klee tot Tinguely en Beuys genoeg te vinden. Maar in dit geval zitten die formuleringen er net naast. Deze kettingreactie is namelijk niet zomaar de esthetische optekening van biochemische obsessies (zoals in het geval van de vrijgezellenmachines van Picabia of Duchamp), het is het gedocumenteerde natuurkundige proces zelf. Zo hebben de pioniers van de elektrotechniek in de achttiende eeuw hun verbaasde publiek met deze wetenschap vertrouwd gemaakt. We bevinden ons in het rariteitenkabinet van de vooruitgang.

Het werk zelf – laten we onszelf niets wijsmaken – heeft zo zijn verraderlijke kanten. Het onttrekt zich aan de blik die uitziet naar het grote en verhevene. Niet alleen verstopt Fischli zich achter Weiss en omgekeerd, beiden houden ervan om zich in de dracht van moraliserende Kleinmeister te steken, wat natuurlijk weer een vorm van ironische zelfvervreemding kan zijn. Hun oplossing lijkt telkens ‘camouflage’ te heten. Een dagblad uit Zürich had graag een ‘portret’ gepubliceerd dat eindelijk antwoord zou geven op de vraag: ‘Wie zijn Fischli & Weiss eigenlijk?’ Ze leverden een filosofische tekst in. Hoe kan men ‘eer bewijzen’ aan een werk waarvan de opvallendste eigenschap en het centrale thema juist de onzichtbaarheid is? Een voorbeeld uit vele: de kaart waarmee het publiek in Zürich in 1994 voor de uitreiking van de Kunstpreis aan de twee kunstenaars werd uitgenodigd – een kleurenfoto van zomervuurwerk op het meer van Zürich. Waarom niet? Men zou zulke foto’s – die soms in prachtige albums zijn gegroepeerd – op het eerste gezicht kunnen aanzien voor kalenderfoto’s van de Zwitserse spoorwegen of voor de, om een of andere reden ongebruikt gebleven, oogst van fotoagentschappen die Marlborough, Chesterfield, Kuoni of Imholz met visioenen van het aards paradijs uitrusten.[6] Alleen moet op de eerste blik dan een tweede volgen…

In een andere betekenis ‘onzichtbaar’ zijn de readymades in het nieuwe beursgebouw in Zürich.[7] Zoals een aangesnelde bewaker tegen Peter Fischli zei, die op het punt stond een van de bedoelde objecten te plaatsen (een lege fles drank? een rugzak?): ‘Dat kunt u hier niet neerzetten; hier moet kunst komen te staan.’ – Dan de ‘Bechtler-kamer’ aan de Hardturmstrasse, de Chamer Raum.[8] Heeft Zürich een beter gecamoufleerde kunstlocatie? Een voormalige controleruimte, toegewezen aan een of ander nabijgelegen fabriekscomplex, van buitenaf waarneembaar als Duchamps Étant donnés in het Philadelphia Museum of Art, waaraan het merendeel van de bezoekers voorbijgaat, omdat ze niet op het idee komen dat de houten deur in het duister een spleet heeft waardoor ze een blik in een verborgen ruimte kunnen werpen.

Er wordt echter nogal wat nieuwsgierigheid van de voorbijganger verlangd: hij moet het huisnummer zien, dan de onopvallende deur van de werkplaats vinden waarachter de installatie schuilgaat, en dicht genoeg bij de glazen opening komen staan om lang genoeg in de donkere kerker te gluren, tot zijn pupillen zich voldoende hebben verwijd voor waarneming. Waarneming waarvan? Een interieur, half werkplaats, half opslagruimte, met een stapel banden, een krukje, een plastic stoel (stijl medio jaren tachtig) en houten pallets. Ergens een telefoon, op de tafel een radio en een boormachine, verder plastic bakken met doeken, lege koffiebekertjes. Op de vloer een aktetas en vier, vijf koolrapen uit de tuin. Aan de muur een badstoffen handdoek. Zelfs een bakje met hondenvoer ontbreekt niet. Moet dit de reconstructie van een misdaad voorstellen?

Een eerste gedachte: natuurlijk, andermaal het meubelparadijs. Maar nu onder een ander voorteken. Dan het besef dat alles wat je hier ziet gekopieerd is. We hebben te maken met werkelijkheidssurrogaten. De banden, het krukje, de plastic stoel, de houten pallets, de telefoon, de radio, de plastic bakken met doeken, het koffiebekertje, de aktetas en de rapen: alles vals, alles nagemaakt uit polyurethaan en daarna geverfd. Dat van deze schijnbaar lukrake opeenhoping gewone voorwerpen een aura van grafcultus uitgaat die je de adem beneemt, zal daarmee te maken hebben.

Uiteraard worden hier opnieuw oude problemen onder de loep genomen. Ongeveer in de zin van de anekdote over de schilder Zeuxis, die volgens Plinius zo bedrieglijk druiven wist te schilderen dat vogels op het doek afvlogen om ze ervan af te pikken. Fischli & Weiss nemen er geen genoegen mee om zulke fabels en metaforen uit de schatkamer van de kunsttheorie simpelweg post festum te illustreren. Ze presenteren ons materiaalstalen uit ons geïndustrialiseerde dagelijks leven, en wij dienen ons telkens af te vragen waarmee we te maken hebben: met de werkelijkheid zelf, de werkelijkheid in de museaal vervreemde toestand van de readymade, het ‘model’, als niet meer dan documenterende werkelijkheidsweergave – of juist met de werkelijkheid van de kunst. Het is het oude Babylonische raadsel waarvoor Magritte de formule muntte: ‘Ceci n’est pas une pipe.’

Zo wordt het principe van de trompe-l’oeil gereactiveerd ten dienste van een nieuw nouveau réalisme van de gedesillusioneerde sociologische documentatie. Maar dat is niet alles. Hun grensoverschrijdingen tussen ‘echt’ en ‘vals’, ‘kunst’ en ‘kitsch’, evenals hun verraderlijke believe it or not zijn uiteindelijk vooral fijnkorrelige weerspiegelingen van de situatie van het leven op de ernstig door wormen aangevreten globe van tegenwoordig. En in zoverre zijn hun werken niet alleen maar grappig of droevig, maar ook – als kunst – in een ronduit ontroerend ouderwetse zin, waar.

 

Vertaling uit het Duits: Jan Sietsma

Aan de basis van deze tekst ligt een lezing gegeven op 26 augustus 1994 in de Tonhallesaal in Zürich, ter gelegenheid van de uitreiking van de Kunstpreis der Stadt Zürich aan Peter Fischli en David Weiss. Oorspronkelijke publicatie: Stanislaus von Moos, ‘Von Surh bis Babylon. Apropos Peter Fischli und David Weiss’, in: Idem, Nicht Disneyland. Und andere Aufsätze über Modernität und Nostalgie, Zürich, Verlag Scheidegger & Spiess, 2004, pp. 137-144. Bij de hier gepubliceerde vertaling werden de bibliografische voetnoten geactualiseerd. In 2021 verscheen het boek van Stanislaus von Moos over het werk Haus van Fischli en Weiss – gemaakt in 1987, en sinds 2018 permanent geplaatst in Zürich-Oerlikon – bij Verlag Walther und Franz König, Keulen.

 

Noten

1. Donald Kuspit, ‘Peter Fischli And David Weiss’, in: Artforum, nr. 3, 1989, p. 121. Opgenomen in een Duitse vertaling in: Patrick Frey (red.), Das Geheimnis der Arbeit. Texte zum Werk von Peter Fischli & David Weiss, München/Düsseldorf, Kunstverein München/Kunstverein für die Rheinlande und Westfalen, 1990, p. 287. Het meest beknopte overzicht op het werk van Fischli & Weiss wordt geboden door Bice Curiger (red.), Flowers & Questions. Fischli & Weiss. A Retrospective, Londen, Tate Publishing, 2006, gerecenseerd door Christophe Van Gerrewey in De Witte Raaf, nr. 128, 2007. Nagenoeg exhaustief is Renate Goldmann, Peter Fischli David Weiss. Ausflüge, Arbeiten, Ausstellungen: Ein offener Index, Keulen, Verlag der Buchhandlung Walther König, 2006. Over het vroege werk, zie ook: Stefaan Vervoort, ‘Der Geringste Widerstand. Verlichtingskritiek in het werk van Fischli & Weiss in de jaren 80’, in: De Witte Raaf, nr. 174, 2015, pp. 10-11.

2. Zie Karl Jost, Hans Fischli. Architekt, Maler, Bildhauer (1909-1989), Zürich, gta Verlag, 1992.

3. Umberto Eco, De alledaagse onwerkelijkheid. Essays, Amsterdam, Bert Bakker, 1985, vertaling Frans Denissen.

4. Eerste publicatie: Peter Fischli, David Weiss, Plötzlich diese Übersicht, Zürich/Recife, Stähli. Edition/Stahli Editora, 1982. Een totaaloverzicht van deze reeks sculpturen werd gepubliceerd in: Peter Fischli, David Weiss, Plötzlich diese Übersicht, Bazel, Schaulager Laurenz-Stiftung, 2015.

5. Zie over dit werk: Jeremy Millar, Fischli & Weiss. The Way Things Go, Londen, Afterall Books, 2007.

6. Peter Fischli, David Weiss, Photographs, Bern/Zürich, Swiss Federal Office of Culture, Patrick Frey, 1989; Peter Fischli, David Weiss, Sichtbare Welt, Keulen, Verlag der Buchhandlung Walther König, 2000.

7. Hans-Ulrich Obrist (red.), Peter Fischli & David Weiss. Bericht über den künstlerischen Schmuck im Neubau der Börse Zürich, Keulen, Oktagon, 1995, gefotografeerd door Niklaus Spoerri.

8. Zie ook: Boris Groys, ‘Simulated Readymades’, in: Parkett, nrs. 40/41, 1994, pp. 33-37. De ‘Bechtler-kamer’, Ohne Titel (Chamer Raum), werd voor het eerst geëxposeerd op de tentoonstelling Chamer Räume. Kunst am Ort in Cham in 1991. Tot 1996 was het werk te zien in een oud kantoorgebouw in Zürich. Sinds 2014 bevindt Ohne Titel (Chamer Raum) zich in Kunsthaus Zürich.

Goed of niet, dat interesseert me niet. Miriam Cahn

Met de grote tentoonstelling Reading Dust in het Stedelijk wordt Miriam Cahn, geboren in Bazel in 1949, door directeur Rein Wolfs op het Nederlandse erepodium van de hedendaagse kunst getild. Voor Wolfs, die de expo zelf cureerde, is zij de kunstenaar die in haar tekenachtige schilderijen op indringende wijze actuele conflicten toont. We zijn er weliswaar aan gewend deze scènes van geweld en machtsmisbruik, van slachtoffers en vluchtelingen, dagelijks in foto’s en films te zien, maar Cahn toont die wrede, genadeloze realiteit door middel van de schilderkunst, en dat is toch anders. Wolfs benadrukt de ernst waarmee Cahn misstanden aan de kaak stelt.

Daar werd bij het begin van haar loopbaan anders over gedacht, toen haar werk werd weggezet als niets voorstellend dramatisch gekras. Het debuut van Cahn in Nederland viel samen met haar deelname aan Feministische Kunst Internationaal in november 1979 in het Kunstmuseum in Den Haag, een expo die tot eind 1980 in Nederland rondreisde. Met uiteenlopend werk van kunstenaars die streden voor een gelijkwaardige positie van de vrouw in de kunst (en in de samenleving), riep de tentoonstelling behoorlijk wat agitatie op. Negatief reageerden critici vooral op het pleidooi van deelnemers om ‘vrouwelijke’ kwaliteiten in het werk en in het kunstenaarschap te omarmen. De bezwaren spitsten zich meer dan eens toe op het werk van Cahn. Critici ergerden zich aan de wilde wijze waarop zij haar toen nog abstracte houtskooltekeningen maakte, en vooral aan de titels van de boeken waarin ze werden gebundeld, zoals Anklage, Warten auf meine Blutung, Ich bin kein Indianer, Ein kotzende Frau en Vom weggehen (orgasmen vielleicht).

Na deze kritiek was het opmerkelijk dat Rudi Fuchs Cahn in 1982 uitnodigde voor documenta 7. Dat hij niet vertrouwd was met haar werk en vooral met Cahns praktijk om haar werken zelf als een installatie in te richten, bleek evenwel tijdens de opbouw. Toen Fuchs de presentatie naar eigen inzicht comprimeerde om ruimte te scheppen voor de bijdrage van een andere kunstenaar, ging Cahn niet akkoord. Nog voor de opening haalde ze haar tekeningen van de muur en nam ze mee terug naar Bazel.

Toch was de Nederlandse interesse niet verdwenen. Al in het najaar van 1982 toonde Wim van Krimpen werk van Cahn in zijn galerie in Amsterdam, samen met dat van landgenoten Martin Disler en Leiko Ikemura. Vijf jaar later werd ze uitgenodigd voor Tekenen 87, georganiseerd door de Rotterdamse Kunststichting en het Centrum Beeldende Kunst, en werken van Cahn werden geëxposeerd in Boijmans Van Beuningen. Anna Tilroe constateerde in de Volkskrant van 20 maart 1987 dat Cahn naast haar aandacht voor het vrouwelijke ook maatschappelijke verhoudingen en de verwoesting van de aarde behandelde. Tilroe vond de donkere krijttekeningen indrukwekkend, maar de kleurige aquarellen van atoompaddenstoelen te letterlijk en daarom ‘dodelijk’. Enkele weken later was Cahn vertegenwoordigd in de derde editie van de KunstRAI in Amsterdam, bij de Zwitserse galeries Stampa uit Bazel en Kaufmann uit Zürich.

In 1988 volgde een solo in Museum Arnhem, waar Liesbeth Brandt Corstius – een van de initiatiefneemsters van Feministische Kunst Internationaal – sinds 1983 directrice was. Naast kleurige aquarellen van kernproeven werden vooral zwarte krijttekeningen getoond, in groot en heel groot formaat, van figuren, dieren en landschappen vanuit vogelperspectief. Vooral de wat stille, in zichzelf gekeerde naakte vrouwenfiguren werden gewaardeerd. De titel van de tentoonstelling, Lesen in Staub, werd verklaard als een verwijzing naar de manier waarop Cahn de tekeningen maakte: liggend op vellen papier wreef ze bergjes krijtstof met haar handen uit tot grote krijttekeningen. Figuurlijk kon de titel ook uitgelegd worden: stof verbindt Cahn met vergankelijkheid, maar omdat ze niet gelooft in ‘iets’ na de dood, gebruikt ze het als zeer basaal materiaal dat vooral met het nu te maken heeft. Janneke Wesseling wees in NRC Handelsblad van 20 mei 1988 op Cahns weloverwogen manier van werken: ze tekent met haar hele lichaam, maar het beeld heeft ze van tevoren gepland, en daar stemt ze haar beslissingen op af.

De receptie was dus welwillender, en Brandt Corstius kreeg in 1988 tot haar verrassing twee series houtskooltekeningen aangeboden, als schenking aan het Arnhemse museum. Het zijn vijf heel grote en negen forse tekeningen uit 1982, onderdeel van de driedelige installatie Wach Raum, waarvan een deel bedoeld was voor documenta 7. Zo kwamen de eerste werken van Cahn in Nederlands museumbezit. Toenmalig conservator Anneke Oele, die in 1990 galeriehouder werd in Amsterdam, bleef zich inspannen voor Cahn en organiseerde in 1991 en 1993 exposities, waarna de krijttekeningen opnieuw op lovende kritieken konden rekenen. De vrouwenfiguren, zonder ogen, zonder gezichtsuitdrukking, een enkele met een dood kind in de buik, ‘primitief’ getekend zodat ze aan grottekeningen doen denken, riepen bij Renée Steenbergen (NRC Handelsblad, 15 april 1991) heftige emoties op, en zowel verschrikking als ontroering. Flora Striemer (Algemeen Dagblad, 5 april 1991) beschreef de kleine doeken, met luchtopnames van kerncentrales en vernietigingskampen als Auschwitz, als met ‘giftig geel, bloedrood en cyaanblauw’ geschilderd, ‘kleurdragers van de dood’.

Vervolgens bleef het stil. Hoewel er in het buitenland exposities plaatsvonden, kwam Cahn in Nederland pas in 2017 weer onder de aandacht toen Adam Szymczyk haar uitnodigde voor documenta 14. Cahn presenteerde werken uit de jaren tachtig en een royale keuze uit schilderijen die ze vanaf 2015 maakte. In 2020 was zij met overwegend recent schilderwerk vertegenwoordigd op de Biënnale in Venetië, en vorig jaar vond een grote solo plaats in Palais de Tokyo.

In deze laatste exposities domineerden schilderijen, onderling van verschillend formaat, maar opvallend door een wat lome uitstraling van verzadigde kleurvelden die het hele doek bedekken en de achtergrond van de voorstelling vormen. Daartussen en rondom werden oudere tekeningen geplaatst, maar weg was de duistere, sombere sfeer die om haar vroegere installaties hing. De huidige tentoonstelling in het Stedelijk vormt daarop geen uitzondering. De donkere krijttekeningen, zowel aantrekkelijk als afstotelijk, hebben plaatsgemaakt voor doeken vol vloeiend geschilderde brede banen blauw, geel, paars en rood, waartegen een of meerdere figuren zijn geplaatst. Vanwege het beperkte aantal krijttekeningen lijkt de titel van de tentoonstelling, Reading Dust, niet meer zo geschikt als destijds in Arnhem. ‘Onderdompelen in kleur’ is meer van toepassing.

Dat de onderwerpen niet minder zwaar geworden zijn, blijkt uit de Duitstalige titels van de vier zalen: ‘Nur Körper’, ‘Brutalitätenraum’, ‘Undastellbar’ en ‘Weinenmüssen’. In de eerste zaal overheersen naakte vrouwen, soms zwanger of barend, in de tweede zaal voeren machtsmisbruik en geweld de boventoon, in de derde het leed van slachtoffers en vluchtelingen, en in de kleine vierde ruimte worden portretten getoond van huilende nabestaanden en getuigen van de oorlog in Gaza, Israël en Libanon. Ook hier hangen oude tekeningen, groot en klein, tussen de schilderijen, maar de doeken van dit jaar, of van kort voordien, bepalen het beeld.

Schilderslinnen legt Cahn niet op de vloer, zoals het tekenpapier, maar ze spant en beschildert het tegen de wand. Ook hergebruikt ze doeken die reeds met kleurvelden en banen beschilderd zijn – resultaten van onbevredigende pogingen om abstract te schilderen in de jaren tien. Bij het creëren van figuratieve beelden blijft ze naar eigen zeggen trouw aan haar performanceachtige werkwijze. Ze schildert heel snel naar een geïnternaliseerd beeld en als dat na één of twee uur klaar is, wordt er niets meer gecorrigeerd of bijgewerkt. Dat proces legitimeert in zekere zin de manier waarop ze afziet van een beoordeling van de uitkomst. ‘Goed of niet goed, dat interesseert me niet’ is een vaak herhaalde uitspraak.

Toch lijkt Cahn minder direct ‘vanuit’ het lichaam te werken dan voordien. Ze was in de jaren tachtig en negentig een van de feministische kunstenaars die female sensitivism leken in te zetten om door te dringen tot ‘oerbeelden’, diep verborgen in het vrouwelijke onbewuste. Ze hield een werkschema aan van 25 of 26 dagen, waarna ze 5 of 6 dagen vrij nam, een ritme afgesteld op ovulatie en menstruatie. Nu stelt ze dat haar aandacht is verschoven naar het ontwerpen van een alternatief voor de male gaze, waarbij ze Courbets L’ Origine du monde (1866) als voorbeeld geeft. Hiertegenover plaatst Cahn de blik vanuit de barende vrouw, al lijken in Reading Dust de beelden van stevige erecties en ruige seksscènes meer in aanmerking te komen.

Een vaste en blijvende stelregel betreft de straffe regie. Cahn bepaalt niet alleen waaraan ze deelneemt, ze staat er ook op dat de selectie en de inrichting geheel bij haar liggen. Voor de keuze van werken, ook nu in Amsterdam, put ze uitsluitend uit haar ateliervoorraad. Via Skype geeft ze aanwijzingen voor de precieze indeling en plaatsing van de werken op de zaalwanden. Door het opvolgen van die regie stelt het Stedelijk hoge eisen aan het publiek. Zonder catalogus, zonder introductie over leven en loopbaan, zonder enige toelichting over de relatie met andere kunst in het museum, staat de bezoeker plots plompverloren in de eerste zaal, omringd door lichamen. Waar komen die vandaan, waar komt Cahns keuze uit voort, en wat wil zij hiermee? Waar te beginnen aan deze haast schouder aan schouder, frontaal opgestelde, staande en steunende, zwangere en barende vrouwen, waartussen dan ook nog eens andere lichamen liggen? Zonder hints van een titel, zonder herkenning, komen de geportretteerden eerder over als een gesloten, grimmig bataljon dan dat ze ieder op hun eigen wijze empathie opwekken. Vol divers werk in clusters werkt de zaal met ‘Brutalitäten’ als een immersieve installatie, maar ook na diverse rondgangen lijkt de samenhang niet verder te reiken dan die van afbeeldingen in een willekeurige krant. Het wordt niet duidelijk wat de schilderkunst van Cahn aan die reeds bekende scènes toevoegt. De volgende twee zalen zijn overzichtelijker: landschappen met figuren en portretten, op ooghoogte gepresenteerd. En toch lijken ook hier de werken onderling inwisselbaar.

De regie van Cahn impliceert dat geen enkel werk in bruikleen gevraagd mag worden, zodat ze geen rekening hoeft te houden met de condities van externe partijen. In Reading Dust ontbreken zelfs de werken uit de collectie van het Stedelijk, net zoals de zes werken die onlangs door het Centraal Museum in Utrecht zijn verworven. Jammer is vooral dat de serie vroege tekeningen uit Museum Arnhem niet in aanmerking kwamen, want die hadden een mooi en herkenbaar beginpunt kunnen vormen.

Directeur Rein Wolfs beheert niet alleen een gebouw zoals bijvoorbeeld de directeur van Palais de Tokyo, hij draagt ook zorg voor de collectie die er gehuisvest is. In plaats van die verantwoordelijkheid te nemen, stelt hij andere prioriteiten. Hij wil een podium bieden, aan Cahn en aan andere kunstenaars, zodat een verscheidenheid aan blikken op de conflicten in de wereld aan bod komt, en ‘zodat de debatten daarover op gang komen’. Wolfs wil van het Stedelijk in de eerste plaats een artist driven museum maken. Het klinkt mooi, maar zo’n debat begint bij een kunsttentoonstelling die wil communiceren, die audience driven is, die een publiek wil bereiken, in een museum dat daarvoor alles uit de kast wil halen.

 

• Miriam Cahn. Reading Dust, tot 26 januari, Stedelijk Museum, Museumplein 10, Amsterdam.

De parasieten van Parkett

Kritiek moet uiteindelijk niet oordelen, maar de relativiteit van elk oordeel bevestigen. Dit is wat Niklas Luhmann schrijft in Die Kunst der Gesellschaft uit 1995:

‘In plaats van via (vervulbare) eisen gerechtvaardigd te worden door de hogere klasse, wordt kunstkritiek [in de achttiende eeuw] een parasiet die zich voedt met de relatie tussen kunstenaar en toeschouwer (koper). De kritiek neemt als het ware de onzekerheden die binnen deze relatie ontstaan over, door ze te verwerken in het kunstsysteem zelf.’

Dat klinkt paradoxaal: als er iets is dat systemen niet verdragen, dan is het toch onzekerheid – het besef dat de manier waarop de dingen georganiseerd zijn hoogst relatief is? Alles wat is, had ook anders kunnen zijn – en zou in de meeste gevallen anders moeten zijn. Dat ongemakkelijke inzicht is een min of meer vaststaand onderdeel van de moderne kunst geworden. De kunstwereld blijft draaien zolang het toegestaan is het draaien ervan te problematiseren. Omdat dit ook geldt voor de wereld in het algemeen, wordt dat een verantwoording voor het bestaan van kunst. ‘Kunst is maatschappelijk protest tegen de maatschappij,’ schreef Adorno in Ohne Leitbild uit 1967; dat er niet alleen kunst maar ook kunstkritiek bestaat, laat toe de moderne kunst ‘moedig’ uit te roepen ‘tot paradigma van de moderne maatschappij’, zoals Rudi Laermans een kerngedachte van Luhmanns Die Kunst der Gesellschaft samenvatte (De Witte Raaf, nr. 74).

Die moed en dat zelfvertrouwen zijn geen verworvenheden. In het bovenstaande citaat wordt de metafoor van de parasiet op een positieve manier gebruikt, zoals Michel Serres dat deed in Le Parasite uit 1980, waarnaar Luhmann verwijst. Parasieten creëren de diversiteit en de complexiteit die het denken en het leven nodig hebben; ze maken het systeem minder systematisch en daarom beter. Desondanks is parasitisme, biologisch beschouwd, geen symbiose. Ook het coronavirus is een parasiet. De onzekerheid, de reflexiviteit of de contingentie die de kritiek aan de kunst aanreikt – en die kunst op haar beurt aan de maatschappij verstrekt – kan als een zegen, maar evengoed, of makkelijker, als een pest beschouwd worden, zij het als een variant die vooralsnog niet dodelijk is gebleken. Wie de kunstkritiek – als pars pro toto voor alles wat niet zomaar spoort, binnen de kunsten en elders – aan de kant wil schuiven, heeft met dat beeld van de parasiet een wapen in handen. En toch blijft het een geuzennaam die door critici, historici, journalisten, tijdschriftredacteurs, curatoren en sociologen – of, algemener, door alle niet-kunstenaars binnen de kunsten – kan worden gehanteerd. Dit is een citaat uit het boek Die unbewältigte Moderne. Kunst und Öffentlichkeit van Walter Grasskamp uit 1989.

‘De kraampjes van kunsttijdschriften nestelen zich als kleine parasieten in de opperhuid van de kunstbeursolifant, bloedzuigend om zich te informeren en om advertenties te verwerven in min of meer aanzienlijke verhoudingen, om dan al slingerend mee te rijden wanneer de kolos zich verplaatst, alsof zij het waren die de richting aangeeft waar de olifant voor gekozen heeft. En toch blijven ze zitten na de zoveelste koerswijziging en na de bijsturing die ook nog eens daarop volgt. […] Het kan de kolos geen barst schelen. Hij maalt niet in het minst om de symbiotische bijdrage die geleverd wordt door die kleine, meereizende groep die, gewoonlijk voorzien van belachelijk weinig financiële bagage, zich comfortabel schuilhoudt in een van zijn poriën.’

De toon is sarcastisch, maar het citaat bevestigt de thesis van Luhmann. De parasiet onderwerpt zich aan de almacht van de olifant zonder er wezenlijk aan bij te dragen, en vindt daarin een bestaansreden, zonder dat het voortbestaan van de olifant in het gedrang komt.

Het citaat van Grasskamp werd in december 1989 gebruikt in een artikel in Artforum van Bice Curiger, die in 1984 het kunsttijdschrift Parkett mee had opgericht. ‘Alle grapjes terzijde,’ zo schreef Curiger in haar tekst ‘Critical Reflections’ vlak na het citaat van Grasskamp, ‘is er voldoende reden om pessimistisch te zijn.’

‘En ik geloof dat het tijd is om al onze energie te stoppen in het verzekeren van een nieuw prestige voor de kunstkritiek. […] Waar is de energie om van de rug van de olifant naar beneden te klimmen, op zoek naar de kunst waar we zoveel om geven – met alle middelen aangereikt door de modernistische ideeën, en met alle mogelijkheden tot vragen stellen gecreëerd dankzij postmoderne inzichten?’

Dat deze vraag niet zonder antwoord of gevolg bleef, beweert Curiger dertig jaar later in een vervolgtekst, gepubliceerd op 20 maart 2023 in de Neue Zürcher Zeitung, met als stellige titel: ‘Es gibt keine Kritiker mehr’. Ze richt zich op de Zwitserse kranten, maar heeft het ook over een structureel probleem van de Zwitserse cultuur. Reeds in 1970, zo vermeldt Curiger, publiceerde schrijver Paul Nizon – ooit nog kunstcriticus voor de Neue Zürcher Zeitung – met het boek Diskurs in der Enge een ‘culturele noodoproep’. Ook hij leed onder ‘de ondraaglijke grenzen van Zwitserland, met een klimaat dat uitzonderlijke presentaties niet naar waarde weet te schatten’. Nizon emigreerde in 1977 naar Parijs.

Wat de verbittering van Curiger vooral suggereert, los van de situatie in Zwitserland, is dat de olifant de parasieten van zich heeft afgeschud. Bevrijd uit zijn vel, blijken ze niet levensvatbaar. Het artikel uit 2023 zet alleszins haar tekst uit 1989 in perspectief, net omdat ze toen wel degelijk in staat was om Parkett te maken. Historische voorbeelden van cultuurpessimisme hebben vaker het voordeel dat ze hun eigen ontkenning bevatten. Voor Curigers carrière zouden velen meerdere moorden plegen, zo toont een recent boek waarin wordt teruggeblikt op haar leven en werken. C is for Curator. A Life in Art werd geschreven door kunsthistoricus Dora Imhof, twintig jaar jonger dan haar onderwerp, en het staat toe om na te gaan hoe een Zwitserse vrouw vanaf de jaren zeventig zich op prominente wijze heeft voortbewogen in een heel bijzonder district van de kunstwereld, maar dan zonder zelf kunst te maken. Hetzelfde geldt, opmerkelijk genoeg, voor nog een tweede boek, over de bezigheden van Jacqueline Burckhardt, van 1984 tot aan het eind in 2017 coredacteur van Curiger. Zij werd vereerd met de door Theres Abbt en Mirjam Fischer samengestelde publicatie My Commedia dell’Arte.

Curiger werd geboren in 1948 in Zürich. Ze was criticus bij de krant Tages-Anzeiger en curator in Kunsthaus Zürich van 1993 tot 2013 (als opvolger van Harald Szeemann, met wie ze samenwerkte), waarna ze artistiek leider werd van de Fondation Vincent van Gogh in Arles. In 2011 was ze curator van de 54e kunstbiënnale in Venetië. Burckhardt werd geboren in 1947 in Bazel en promoveerde in 1989 met een proefschrift over Giulio Romano. Ze zetelde in talrijke aankoopcommissies, organiseerde de Schweizer Landesausstellung in 2002, cureerde de kunstwerken op de campus van farmagigant Novartis in Bazel (eveneens in de voetsporen van Szeemann), en organiseerde van 2009 tot 2014 een zomeracademie in het Zentrum Paul Klee in Bern.

In 1984 richtten Curiger en Burckhardt Parkett op, samen met Walter Keller en Peter Blum, met Dieter von Graffenried als uitgever en met Curiger als hoofdredacteur. Dat van twee ‘kunstparasieten’ nog bij leven een biografie of (in het geval van Burckhardt) een liber amicorum verschijnt, in een Engels- én een Duitstalige editie, laat het beste vermoeden over de nog steeds beschikbare financiële middelen. In het voorwoord van C is for Curator. A Life in Art worden maar liefst acht instituten, waaronder de stad en het kanton Zürich, maar ook de architectuurafdeling van de ETH Zürich en de LUMA Foundation van Maja Hoffmann, bedankt voor ‘hun genereuze financiële steun’.

Imhof plaatst Curiger binnen de ‘tweede generatie’ curatoren, na de pioniersgeneratie van de jaren zestig. Ze noemt andere vrouwen zoals Iwona Blazwick, Lynne Cooke, María de Corral en Catherine David, en dicht hun meer invloed toe dan critici op ‘de publieke perceptie van kunst’: ‘het waren curatoren en museumprofessionals […] die het discours over hedendaagse kunst en de historiografie ervan hebben aangestuurd’. Als discours begrepen wordt als een communicatieproces waarmee structuren tekstuele betekenis krijgen, is dat twijfelachtig. Het is moeilijk om een artikel, een idee of een concept van Curiger te noemen dat gemeengoed is geworden, en Imhof citeert zelden uit wat zij geschreven heeft. In My Commedia dell’Arte zijn een tiental teksten van Burckhardt opgenomen. Voor het merendeel gaat het om diepgaande curatoriële toelichtingen bij kunstwerken die ze ‘besteld’ heeft, met als bekendste voorbeeld de twaalf glas-in-loodramen die Sigmar Polke in 2009 voltooide in de Grossmünsterkerk in Zürich, een jaar voor zijn dood.

Het toont hoe beiden een belangrijke rol hebben gespeeld in het bemiddelen van kunstenaars en critici, door te garanderen dat ze kunst kunnen maken en tentoonstellen, of teksten kunnen schrijven en publiceren. In een hommage in My Commedia dell’Arte vergelijkt kunst- en architectuurhistoricus Kurt W. Forster (aan wie het boek is opgedragen) Burckhardt met de patrons of beschermheren van de familie Gonzaga aan wie Giulio Romano en de stad Mantua in de zestiende eeuw zoveel te danken hadden. ‘Enkel een soort van slimme ‘toneelregie’ die kunstenaars samenbracht in een arena,’ zo schrijft hij, ‘enkel een activiteit schatplichtig aan de ‘persoonlijke band’ met kunstenaars, en enkel een cultureel en politiek ‘objectief’ slaagde erin te verhinderen dat het hertogdom verduisterd werd door al de twistzieke hofhoudingen van de Renaissance.’ Burckhardt zelf is inderdaad vol lof over de CEO van Novartis, onder wiens patronage ze de campus van Novartis met kunstwerken vulde; de CEO van Ernst & Young, wiens hoofdkwartier ze inrichtte met schilderijen; en de CEO van Nestlé, met wie ze samenwerkte als voorzitter van de Fondation Nestlé pour l’art: ‘Hij waarschuwde me dat ik op geen enkele manier moest proberen hedendaagse kunst aan hem uit te leggen, maar ik kon zijn hulp inroepen wanneer dat nodig was.’ Het zijn ervaringen die leidden tot haar ‘stratuswolktheorie’: je moet altijd naar de zon reiken, het ‘topmanagement’, want anders raak je verstrikt in lager hangende nevels. Het is beter een parasiet te zijn op de kop dan in de staart van de olifant.

Veel van hun echte peers leerden Curiger en Burckhardt begin jaren zeventig kennen in de talrijke bars in Zürich, een stad waarvan de gentrificatie en de ‘schoonmaak’ nog een aanvang moest nemen. Zij en hun tijdgenoten vonden elkaar in een voorliefde voor popart en popmuziek, net als in een verlangen naar het buitenland en – in het bijzonder – naar de Verenigde Staten, precies omdat in Zwitserland, ook in de relatief moderne stad Zürich, zo weinig kansen voor nieuwe kunst en cultuur aanwezig waren. In 1974 schreef Curiger een pagina van de Tages-Anzeiger vol met ‘indrukken over de hedendaagse kunstscène in New York’, in een artikel met als titel: ‘De prachtigste bloemen groeien op een mesthoop’. In 1975 werkte ze mee aan de even multimediale als feministische tentoonstelling Frauen sehen Frauen, waarvoor ze ook de poster maakte, op basis van een zelfportret. In 1976 ontmoette ze Andy Warhol in een galerie in Zürich – er zijn foto’s van. In 1977 schreef ze haar eerste artikel over Sigmar Polke, een interview in het Zwitserse tijdschrift Kunst-Nachrichten.

In 1980 vormde de tentoonstelling Saus und Braus. Stadkunst in de Städtische Kunstkammer zum Strauhof in Zürich een meervoudige doorbraak. De cover van de catalogus – zwarte silhouetten van een schilder, een muzikant, een filmmaker en een schrijver – werd vormgegeven door Peter Fischli, die een jaar eerder met David Weiss was gaan samenwerken. Het beeld geeft zowel de interdisciplinaire als populaire ambities van de expo weer. ‘In Saus und Braus leben’ betekent zoiets als een luilekkerleventje leiden – dat ze daartoe voorbestemd waren, wilden de makers van de expo niet langer ontkennen. Hier trad een jonge generatie Zürcher naar voren die de zelfgekozen ernst en de gespannen rust van hun stad beu waren, en die zich tegelijkertijd wensten te verzetten tegen een eenvormige, minimalistische en als humorloos ervaren levens- en kunststijl enerzijds, en een technocratische opdeling in afgebakende disciplines anderzijds. Op Saus und Braus was voor het eerst werk te zien van Fischli & Weiss, de kunstenaars wier oeuvre Curiger waarschijnlijk nog het meest intensief mee heeft begeleid. Ze stelden hun Wurstserie (1979) tentoon – foto’s van met worsten en andere huis-, tuin- en keukenobjecten gemaakte taferelen, zoals een brandend appartementsgebouw, een besneeuwd berglandschap of een modeshow. Het toont de speelse aspiraties van deze generatie: van grootse revolutionaire idealen was er geen sprake, en verandering moest zich binnenskamers manifesteren, met reeds in het dagelijks leven voorhanden zijnde elementen. Dit is wat Curiger erover schreef in de catalogus van Saus und Braus – de allereerste reflectie over het werk van het duo, in een tekst die tien jaar later het eerste item vormde in de door Patrick Frey samengestelde bloemlezing Das Geheimnis der Arbeit. Texte zum Werk von Peter Fischli & David Weiss.

‘Hoe aangenaam voor het gemoed zijn eigenlijk een vilten vloerkleed, een eierdoos, stof- en haarballen? Nog altijd ‘warmer’ en menselijker dan het snelweglandschap dat erdoor wordt gesimuleerd? Een ongeval met auto’s als cervela’s en mensen als sigarettenpeuken is een leuke grap, omdat afstanden worden gebruikt om goocheltrucjes uit te halen met de scherptediepte van onze psychologische optica. In de geweldige fotobeelden van Fischli & Weiss wordt de feitelijk verstikkende aard van onze situatie net vanuit die ambivalentie abrupt benadert.’

Ontsnappen aan die als verstikkend ervaren situatie – of eerder nog: van binnenuit verandering creëren – was ook een van de drijfveren, enkele jaren later, achter de oprichting van Parkett. Het idee kwam van Walter Keller, die al in 1978 met een ander tijdschrift was gestart: Der Alltag. Sensationsblatt des Gewöhnlichen. Ook betrokken was Peter Blum, die sinds enkele jaren een galerie runde in New York en advertentie-inkomsten wist te verzekeren. Het legde een geopolitieke basis: met Zürich als hoofdkwartier, ook financieel, zou een as tot stand komen tussen de Duitstalige kunstscene in Europa, via Keulen over Zürich en reikend tot in Venetië, om vervolgens de oceaan over te steken tot aan de instituten en beroemdheden in de Verenigde Staten en in New York, waar Parkett over een redactiekantoor beschikte. Alle teksten werden zowel in het Duits als in het Engels gepubliceerd, en voor vele kunstenaars maakte het tijdschrift een introductie in Amerika of Europa mogelijk.

Parkett was een tijdschrift-in-boekvorm, dankzij het aantal pagina’s, maar ook dankzij het hoogwaardige papier, de zorgvuldig geselecteerde illustraties en het drukwerk in kleur. De vormgeving was in handen van Trix Wetter en leek associaties met Helvetica Neue zo veel mogelijk te vermijden, door het gebruik van schreefletters, maar ook door het logo op de cover. Curiger tekende de zeven drukletters zelf, als een wapperende wimpel. Haar moeder borduurde de titel – een idee van de Italiaanse schilder Enzo Cucchi – op een stuk linnen en voegde krulletjes toe aan de letters A, R en T.

Aanvankelijk kwam in ieder nummer één kunstenaar aan bod, gaandeweg werden het er meer. In de drie nummers van de eerste jaargang in 1984 waren dat respectievelijk Enzo Cucchi, Sigmar Polke en Martin Disler – een Italiaan, een Duitser en een Zwitser. Een jaar later was Eric Fischl de eerste Amerikaanse kunstenaar in het tijdschrift, met zijn figuratieve, zonnige, heldere schilderijen van suburbaan Amerikaans geluk. De kunstenaars werden uitgenodigd om een editie te maken die afzonderlijk werd verkocht in oplages tussen de vijftig en honderd exemplaren, en om enkele pagina’s in het nummer te verzorgen. De leporello van Polke, meer dan vijf meter lang, met foto’s van bewerkte fotonegatieven van Los Desastres de la Guerra van Goya, gedrukt op zijdepapier met een motief van spinrag, maakt het tweede nummer vandaag tot het duurste op de tweehandsmarkt. De oplage van Parkett varieerde van 2000 tot 11.000, verspreid in zestig landen, zodat er maximaal, van alle nummers, ongeveer 700.000 exemplaren circuleren.

In het lange gesprek met criticus en curator Juri Steiner dat haar boek opent, blikt Burckhardt trots terug op al die voor het tijdschrift gemaakte kunstwerken, bestemd voor privaat eerder dan voor publiek gebruik: ‘vandaag kan je nog altijd je appartement in een klein, kostbaar museum voor hedendaagse kunst omtoveren met de edities van Parkett’. Van de editie die Sigmar Polke in 1984 maakte, verwant aan de leporello en getiteld Desastres und andere bare Wunder, blijft er op de nog steeds actieve website van het tijdschrift één exemplaar beschikbaar voor de prijs van 18.000 euro.

Meer dan de helft van de teksten in Parkett ging niet over het werk van de geïnviteerde kunstenaars: in afzonderlijke rubrieken (‘Cumulus’, ‘Les infos du paradis’, ‘Balkon’) werd ook de kunstactualiteit belicht, werden kunstenaars geïnterviewd of boeken besproken. Toch viel Parkett vooral te beschouwen als een tentoonstelling of een Kunsthalle op papier, en Curiger trad op als curator en redacteur tegelijkertijd. Een onvertogen of negatief woord viel zelden: het tijdschrift stond kunstenaars bij en kwam voort uit enthousiasme. Zoals Burckhardt het omschrijft: ‘Ik behoor toe aan een categorie van critici die geïnteresseerd zijn in kunst die een snaar bij je raken. Ik ga mijn energie niet verspillen aan het afkraken van kunst; that’s no fun.’ Volgens de Amerikaanse curator Kathy Halbreich was Parkett ‘heel erg zoals Bice zelf: elegant, niet ideologisch, een pleitbezorger voor kunstenaars, en intellectueel caleidoscopisch omdat het een aantal perspectieven aanbood over elke kunstenaar door verschillende auteurs. Parkett was zeer reflectief, intelligent, maar het was tegen hoogdravende onzin, tegen retoriek.’

Wat er zoal schortte aan het project van Parkett werd al in 1986 samengevat door de Zwitserse kunstenaar Miriam Cahn. Curiger had haar uitgenodigd, via een brief, om een ‘insert’ te maken: tien tot twaalf pagina’s, als een ‘onafhankelijke, zelfstandige beeldbijdrage ZONDER COMMENTAAR’. Voor eerdere nummers hadden Polke, maar ook Lothar Baumgarten, John Baldessari, Robert Mapplethorpe en Edward Ruscha dergelijke stukken geleverd. Cahns antwoord werd gepubliceerd in 2019 in het boek Das zornige Schreiben, samen met andere brieven en geschriften van de kunstenaar. In de biografie van Curiger blijft het onvermeld.

‘jammer genoeg ben ik helemaal niet enthousiast over het idee. wat de stijl betreft, is parkett het volstrekt tegenovergestelde van wat ik versta onder een kunsttijdschrift. het is ook lichtjaren verwijderd van mijn idee over kunst en kunstenaar zijn. mijn werk komt tot stand tegen de achtergrond van feministische theorieën, maar de technieken en het zelfbegrip ervan zijn tegelijkertijd totaal provisoir. jouw magazine past perfect bij het postmodernisme. het is heel aantrekkelijk vormgegeven (aantrekkelijk in de traditionele, klassieke betekenis), mixt modes met kunst en trends, treedt op als de makelaar van een (artificiële) amerikaans-europese as zonder dat er ook maar één pijnlijke vraag wordt gesteld, het internationale jetsettoerisme danst op jouw dansvloer – waarom niet. nu dat er zelfs een paar verzamelaars mij aan het verzamelen zijn en een paar musea mij aankopen en tentoonstellen, nu komt het plots bij jou op dat ik ook publicaties maak en reeksen in offset direct vanuit het origineel – en nu besef je dat ik heel netjes zou passen in je ‘insert’-programma. dat is niet heel erg nieuw/geestig en het is bovendien overbodig vanuit het oogpunt van informatie – ik heb al van die gedrukte stukken gemaakt, en het meest aantrekkelijke, vermoed ik, is dat uit het museum voor moderne kunst in bonn. ‘miriam cahn in parkett’ (tussen ons tweeën: denk je dat het klopt om mij aan te spreken in dat advertentiejargon?) – al zeker helemaal NIET in een onbecommentarieerd stuk. ik zou nog bereid zijn om een soort van dispuut op te voeren, maar dan zeker niet als een ‘insert’, en evenmin als een ‘leuke’ conversatie, en veeleer goed voorbereid (en niet: aantrekkelijk). wat denk je van (gewoon als ogenblikkelijk idee) cahn-stalder-winterler-müller versus curiger-burckhardt-schenker-amann of iets dergelijks? wat zeg je hiervan? niet beledigend bedoeld. groeten, miriam.’

Cahn verdween uit de geschiedenis van Parkett, maar haar brief wijst zeker op de zorgeloze methode van Curiger en Burckhardt. Als er van problemen of strijd sprake is, dan nooit intern; critici, curatoren noch kunstenaars zijn het ooit oneens; geld houdt op met stinken als het voor kunst wordt aangewend; de kunstwereld wordt een volstrekt vreedzame, utopische republiek, veel intenser, mooier en kleuriger dan de echte, saaie, maar toch ook complexe en conflictvolle wereld buiten. Het blijkt ook uit de essayistische groepstentoonstellingen die Curiger cureerde in Kunsthaus Zürich, zoals Endstation Sehnsucht (1994), met onder anderen Sophie Calle en Raymond Pettibon; Zeichen und Wunder (1995), rond de Georgische kunstschilder Niko Pirosmani; The Birth of the Cool (1997), over Amerikaanse schilderkunst; Freie Sicht aufs Mittelmeer (1998), met jonge Zwitserse kunstenaars (de titel verwijst naar het ‘platleggen’ van de Alpen, zodat de Middellandse Zee zichtbaar wordt en het isolement van Zwitserland doorbroken raakt); of The Expanded Eye (2006), over visueel ‘experiment’ in de hedendaagse kunst. De thema’s zijn vaak algemeen en niet erg complex, en er spreekt vooral een groot respect uit voor kunstenaars, en een vertrouwen in het vermogen van kunstwerken om het werk zelf te doen, als ze genoeg plaats krijgen, zorgvuldig gepositioneerd worden, en niet te veel last hebben van elkaar. De etymologische wortels van het woord ‘cureren’ – verzorgen om te genezen – zijn ver weg; de kunst is niet ziek, volgens Curiger, en waarom zou je aandacht besteden aan de vele ziektes van de wereld als er kunst bestaat?

Parkett belichaamt die positie, net als de individuele trajecten van Burckhardt en Curiger. Een zenit in de bezigheden van Burckhardt is de reeds vermelde samenwerking met Polke die afliep in 2009. Zijn glasramen in Zürich kwamen iets later dan de pixelramen die Gerhard Richter in de Dom van Keulen installeerde. Ze hebben, in hun probleemloze, kleurige, paradijselijke schoonheid, niets van de vervreemding of abstractie van Richters Domfenster. Het Zwitserse zonlicht dat als een weldadige bron in de Grossmünsterkerk naar binnen valt, hoeft niet gebroken te worden, maar verheerlijkt, versterkt en opgesmukt. Het hoogtepunt in Curigers carrière als curator was de Biënnale van Venetië in 2011, en alleen al de ongelukkig gekozen titel toont aan hoeveel er sindsdien is veranderd. ILLUMInations verwijst naar de Europese verlichting, naar de enkel in het Engels bestaande (en voor de Amerikaanse markt geproduceerde) essaybundel Illuminations van Walter Benjamin, maar ook naar het blijvende belang van natiestaten. In een recensie van die Biënnale in Artforum sprak Claire Bishop over ‘een overheersende sfeer van gedempte kalmte’ en ‘een panorama van goedaardige gelijkmoedigheid’, maar ook over ‘een vermoeide afkeer van het globale en een nostalgie voor het plezier van bekende entiteiten, die noodzakelijkerwijs lokaler zijn’.

Hetzelfde kon op dat moment al over Parkett gezegd worden, dat in 2014 dertig jaar bestond – hoelang tijdschriften kunnen overleven zonder, als virussen, in iets geheel anders te muteren om de resistentie van de wereld te blijven verschalken, is een moeilijke vraag. Maar dat Parkett in 2017, toen het laatste nummer verscheen, en ook nog vandaag, oneigentijds werd, ligt om vele redenen voor de hand. Om te beginnen lijkt het alsof kunstenaars geen ‘middenveld’ meer nodig hebben en hun promotie zelf kunnen verzorgen, al was het maar aan de hand van een echte monografie, waarin niet ook de ondertussen steeds meer als concurrenten ervaren collega’s aan bod komen. Uiteraard heeft de opkomst van het internet de zogezegd kosteloze verspreiding van informatie met zich meegebracht, ten nadele van papier en drukwerk. Daarmee samenhangend werd het steeds ouderwetser om nog een dialoog tot stand te willen brengen tussen West-Europa en de Verenigde Staten, als het al geen tevergeefse poging was om de notie van ‘het Westen’ ongeschonden in leven te houden. Een tijdschrift wordt niet alleen door ons aller ‘schermtijd’ bedreigd, er wordt ondertussen ook van verwacht dat het de totalitaire veelstemmigheid, toegankelijkheid en alomvattendheid van het internet, en dus inderdaad van ‘onze tijd’, probeert te imiteren.

Natuurlijk is ook Zwitserland veranderd, alle isolationisme ten spijt. ‘In een land waarin welvaart pragmatisme voortbrengt, hebben artistieke expressie en intellectuele stimulatie geen prioriteit,’ zegt Burckhardt in My Commedia dell’Arte. In de strijd om die uitzonderlijke welvaart te behouden, in de economische crisis die sinds 2008 voortduurt en alleen maar erger wordt, wordt kunst ook door de vrijgevige CEO’s van weleer als een overbodige luxe beschouwd. Wanneer de artistieke ‘grondstroom’ bovendien niet meer samenvalt met het postmodernisme, maar met een zelfkritische, onttoverde, door en door negatieve kijk op zowel kunst als maatschappij, dan wordt die luxe begrijpelijkerwijze als ronduit schadelijk ervaren. Ook in die langs alle kanten toxische situatie blijft kunst dus het paradigma van de maatschappij. De zieke en vermoeide olifant is zijn parasieten moe, die van de weeromstuit harder dan ooit proberen te bijten.

 

• Theres Abbt, Mirjam Fischer (red.), My Commedia dell’Arte. Jacqueline Burckhardt, Zürich, Edition Patrick Frey, 2024, ISBN 9783907236710; Dora Imhof, C is for Curator. Bice Curiger. A Life in Art, Keulen, Verlag der Buchhandlung Walther und Franz König, 2022, ISBN9783753301464. Van beide boeken verscheen ook een Duitstalige editie.

Eén zin uit elk nummer van Parkett

1 (1984). Parkett wil partijdig en waaghalzerig explosieve ‘niet-actualiteiten’ cultiveren en in alle kalmte altijd ter plekke zijn waar er iets beweegt. Bice Curiger, ‘Lieve lezer’.

2 (1984). Museummedewerkers, gemeentebesturen, verzamelaars, critici, kunsthistorici en het publiek bepalen de sociale structuur rond het fenomeen ‘kunst’, met de kunstenaar in het midden – want het is zonder twijfel de kunstenaar die de draaiende motor, de levendige kracht is, op wie al de rest zich richt. Jan Hoet, ‘Cumulus… uit Europa’.

3 (1984). Maar die duizeling zakt nooit van mijn hoofd naar beneden, langs mijn tong, mijn ingewanden, mijn meest intieme delen, naar mijn tenen en verder neerwaarts – zoals dat wel gebeurt wanneer ik geconfronteerd word met jouw werk. Anna Tilroe, ‘Brief aan Martin Disler’.

4 (1985). Net zoals een oester een vreemd deeltje nodig heeft om een parel te vormen. Meret Oppenheim, ‘De brieven tussen Bettina Brentano en Karoline von Günderrode’.

5 (1985). Als van taal uitspraken over kunst worden verwacht, dan moet die taal transparant blijven. Alexander van Grevenstein, ‘Cumulus uit Europa’.

6 (1985). Zijn gedichten, vaak in die laconieke stijl, zijn korte dialogen over monstruositeiten, in een onverschillige toon. Antje von Graevenitz, ‘Armando, de dichter’.

7 (1986). Hij maakte het zelfs onmogelijk om te raden welke droom van eenheid hij uitgesloten had. Carter Ratcliff, ‘Hoe de schilderijen van Brice Marden te bestuderen’.

8 (1986). De tentoonstellingsmaker moet zichzelf proberen vergeten en doen alsof niemand verantwoordelijk was voor de installatie van de presentatie, alsof het werk als vanzelf de eigen tentoonstelling heeft georganiseerd. Rémy Zaugg, ‘Reizen heen en weer. Gesprek met Siegmar Gassert’.

9 (1986). Wie de traditie van de abstracte kunst allervitaalst verbindt met representatie zal begrijpen dat dit geen regressie naar toegeeflijke figuratie hoeft te impliceren. David Shapiro, ‘Over de kunst van Francesco Clemente’.

10 (1986). Maar spel is de essentie van alles dat echt ernstig is, en geen andere hedendaagse kunstenaar heeft de gelijkheid en de onlosmakelijke verbinding tussen deze twee termen duidelijker gemaakt, terwijl er evenmin iemand anders zoveel manieren gevonden heeft om buitenstaanders te strikken in de ontologische bewegingen die dit besef veroorzaakt. Robert Storr, ‘Nergensman. Bruce Nauman’.

11 (1986). Water stroomt als een waterval over naakte vrouwen in stomende, softfocus wellust. Rosetta Brooks, ‘Leven in het donker. Troy Brauntuch’.

12 (1987). Omdat zijn metafysica geworteld is in wat actueel en materieel is, schuwt zijn kunst metamorfose (die kunstgreep die het ene ding in het andere transformeert en het een nieuwe identiteit verleent – zoals Picasso deed met het fietszadel en het stuur die zijn stierenkop omvatten) net als handhavingen van de transcendente aard van kunst, haar vermogen om wat onbetekenend is te verheffen naar een hogere orde dankzij de macht van de verbeelding van de kunstenaar. Lynn Cooke, ‘Het narrenschip. Bill Woodrow’.

13 (1987). Een koppel slangen, doodgewoon – dagelijks gevoed met een muis uit Münster – kijkt en monstert maand na maand alles wat komt en gaat. Rebecca Horn, ‘Het tegenbewegende concert. Beschrijving van een installatie’.

14 (1987). Vrede, dat weten we toch allemaal, is een voortzetting van oorlog gevoerd met andere middelen! Bernard Marcadé, ‘Een spelbreker in dialectische speculatie. Ian Hamilton Finlay’. 

15 (1988). Hoewel het ene beeld kan veranderen of tot een ander beeld kan leiden, is het allesbehalve zeker dat dit ook zal gebeuren. Alain Cueff, ‘De ruimte van transitieve beelden. René Daniëls’.

16 (1988). En als het enige overgebleven relict van het traditionele theater is het enkel nog de functie van de acteurs die overblijft om opnieuw gedefinieerd te worden. Hans-Thies Lehmann, ‘Robert Wilson, scenograaf’.

17 (1988). Het is, zo je wil, een manier om onze persoonlijkheden te neutraliseren, om ons zoveel mogelijk te depersonaliseren en ons te transporteren naar een sfeer die onder kosmische invloed staat, waar onze identiteiten ophouden te bestaan en we deel worden van het grotere geheel. Paul Groot, ‘Matt Mullican’.

18 (1988). Ik denk dat kunstenaars verondersteld worden andere mensen te laten lijden. Mike Kelley, ‘De kunstenaar als model voor het lijden? Een rondvraag van Parkett’.

19 (1989). De kunstenaars van vandaag moeten niet langer iets handhaven dat niet gehandhaafd kan worden; ze handelen als consumenten, politici, groepen verenigd door gedeelde belangen, die bestaande vormen kortsluiten met iets anders, iets dat buiten de kunst ligt – in het beste geval: de waarheid. Diedrich Diederichsen, ‘Dat koop ik’.

20 (1989). Hier ligt, voor mij, de ware aard van de tegenstelling tussen kunstreportage en kunstkritiek: reportages definiëren objecten door hun ruilwaarde, kritiek door hun gebruikswaarde. Dieter Schwarz, ‘Cumulus uit Europa’.

21 (1989). De verhulling zelf van gezicht en ogen maken het beeld zichtbaar van een geliefd wezen dat een beslissende rol speelt in het maken van een bij uitstek mannelijk werk – net als in de vraag of de veronderstelde auteur van dat werk moet bestaan of niet bestaan. Patrick Frey, ‘Ada, de beeldvrouw van Katz’.

22 (1989). Dus het is niet zozeer de fotografie die bijzonder medeplichtig of gemeen is – elke representatie is even schuldig. T.J. Clark, ‘Jeff Wall. Drie fragmenten uit een discussie’.

23 (1990). De rede: een meedogenloos scalpel dat in onze hersenen pulkt en ons dwingt de idiotie te onderkennen van het merendeel van onze ‘rationele’ aannames tot nog toe. Joyce Carol Oates, ‘Rede Kunst. Richard Artschwager’.

24 (1990). Rationeel gekozen doelen, obsessies en economische, subjectieve of historische neigingen raken verstrikt in een dynamische context die alleen een kunst erkent die wordt voortgedreven door bekommernis om de arme, vuile, genegeerde, achtergelaten delen van de kunst, en met de vragen die voortkomen uit hun dynamiek, eerder dan om de vooruitgangsgerichte kwesties en principes die intrinsiek zijn voor het kunstsysteem. Jutta Koether, ‘C-Cultuur en B-Cultuur. Jeff Wall’.

25 (1990). Het is een illusie, natuurlijk, maar een illusie die zichzelf altijd onthult, en in die revelatie wordt de traditionele moraliteit van het trompe l’oeil binnenstebuiten gekeerd. Dave Hickey, ‘Leven in het grote licht. James Turrell’.

26 (1990). Wie bang is, geniet overduidelijk van het consumeren van onbevreesdheid. Wilfried Dickhoff, ‘We zijn niet bang. Günther Förg en Philip Taaffe’.

27 (1991). Het is de prijs die kunst moet betalen om de dood te overleven: individuele mythologieën die de mythes van jeugd en heldendom ondermijnen en vermoorden. Harald Szeemann, ‘De bron van de jeugd. Louise Bourgeois en Robert Gober’.

28 (1991). Inderdaad: ik zou willen beweren dat, tot voor kort, niemand ooit zo gekeken heeft, en ik denk dat een dergelijke blik binnenkort zeldzaam zal zijn. Ulrich Loock, ‘Tijd van schilderen, tijd van representatie. Franz Gertsch’.

29 (1991). Bij het opstijgen naar dat pantheon waar, zoals we allemaal weten, genie geen gender heeft, wordt uiteindelijk dit afgebogen in de kritiek – als het al niet helemaal gedegradeerd wordt tot kritische vergetelheid: al die elementen in het werk die er net de differentie van uitmaken. Abigail Solomon-Godeau, ‘Geschikt om te framen. De kritische omwerking van Cindy Sherman’.

30 (1991). De burgers aan het einde van de twintigste eeuw zijn wellicht getuige geweest van de volwassenwording van het scepticisme. G. Roger Denson, ‘Sigmar Polke, scepticus en sofist, twijfelt’.

31 (1992). Net zoals een door de zon beschenen object een schaduw werpt, zo zal het oeuvre van elke kunstenaar, als het substantieel is, een oeuvre met gedupliceerd werk meedragen, aangewakkerd door de zoeklichten van publieke aandacht. Camiel van Winkel, ‘Rood, geel en blauw. Een zoektocht naar wat echt is’.

32 (1992). Een wanhopig verlangen een zin voor werkelijkheid vast te houden leidt tot een situatie waarin het hele idee van een zin voor werkelijkheid in vraag wordt gesteld. Liam Gillick, ‘Werk maken en het je rug toekeren. Bethan Huws’.

33 (1992). De uitnodiging bestaat erin te onderzoeken wat het precies is dat maakt dat deze objecten de individualiteit van hun maker overschrijden, niet het minst wanneer een dergelijke notie enkel in termen van gender wordt begrepen. Anne M. Wagner, ‘Hoe feministisch zijn de objecten van Rosemarie Trockel?’

34 (1992). Seks is veranderd in tekens van seks en deze tekens zijn daarna losgemaakt van betekenis; ze worden gewoon herhaald. Kathy Acker, ‘Rode vleugels. Over Spiritual America van Richard Prince’.

35 (1993). Iets dat te maken heeft met het repetitief slaan van ledematen, zo hard mogelijk, tegen de vloer, of van ledematen gewikkeld rond stoelen – in essentie de volledige verlatenheid van het lichaam – is ook intens seksueel. Roselee Goldberg ‘Anne Teresa De Keersmaeker in New York 1991/92’.

36 (1993). Radicaal zijn is makkelijk, mooi zijn is dat niet. László F. Földényi, ‘Vagevuur van de zintuigen. Rudolf Schwarzkogler (1940-1969)’.

37 (1993). Als er nog altijd zoiets bestaat als een aristocratisch principe in de schilderkunst, dan is het dit: geweld tonen zonder gewelddadig te zijn. Hans Rudolf Reust, ‘Stille muziek. Luc Tuymans’.

38 (1993). Als er zoiets bestaat als een utopisch penthouse voor onze fantasieën, dan zijn dit de voorsteden ervan. Ingrid Schaffner, ‘Draai 970-MUSE. De pornografische spiegel van Marlene Dumas’.

39 (1994). De interactie van de delen binnen een geheel is de essentie van een compositie, en generaties lang werd ons aangeleerd dat een goede compositie geïdentificeerd wordt door eenheid, integriteit en – een natuurlijk resultaat van de eerste twee – de blijvende kracht ervan. Susan Tallman, ‘Sociale werken. Felix Gonzalez-Torres’.

40/41 (1994). Ooit was het mogelijk deze informatie in de Bijbel terug te vinden – nu gaan mensen ernaar op zoek in tentoonstellingscatalogi. Boris Groys, ‘Gesimuleerde readymades. Peter Fischli en David Weiss’.

42 (1994). Het is een oude stijlfiguur van onze eeuw dat we het zonder de menselijke figuur kunnen stellen om het over mensen te hebben. Rudolf Schmitz, ‘De beteugelde monumentaliteit van het onzichtbare. Rachel Whiteread’. 

43 (1995). Radio is om verschillende redenen een wondermooi medium. Gavin Bryars, ‘Een man in een kamer, gokkend. Juan Muñoz’.

44 (1995). Kunst als een komma in een leven dat al te vaak lijkt op één lange, voorgeprogrammeerde zin? Luk Lambrecht, ‘Woordlandschappen. Mark Luyten’.

45 (1995). Als je voor dat soort levendigheid kiest, verklaart dat dan waarom je zoveel verschillende media gebruikt? Jan van Adrichem, ‘Waar zal dat eindigen? Gesprek met Sarah Lucas’.

46 (1996). Eeuwenlang heeft de schilderkunst geprobeerd optische verschijnselen te imiteren, dus het mag niet verbazen als blijkt dat iets van de afbeelding zich aan de afgebeelde objecten heeft vastgehecht. Kurt W. Förster, ‘Authentieke imitaties van echte replica’s. Richard Artschwager’.

47 (1996). Achter het merendeel van de werkelijk grote en creatieve verwezenlijkingen in wetenschap, filosofie, literatuur en kunst ligt een fundamentele interesse in het wezen van het menselijke bestaan en de voorwaarden voor menselijk gedrag. Elizabeth Janus, ‘De onschuldigen van Thomas Schütte’.

48 (1996). Bestaat er een niet-geïnstrumentaliseerde of niet-verdinglijkte kant van het sociale object van de taal, of niet? Catherine de Zegher, ‘De O’s van Orozco’.

49 (1997). De tijd is rijp, denk ik, om het aura van kunstwerken ondergeschikt te maken aan hun atmosferische eigenschappen. Udo Kittelmann, ‘1 + 1 = 3’.

50/51 (1997). We hebben de neiging om fotografen te rangschikken naargelang de mate waarin ze zich bewust zijn van de ongeneeslijke corruptie van de fotografie. Peter Schjeldahl, ‘Epifanie. Thomas Struth’.

52 (1998). In aanraking komen met kunstenaars, dealers, critici en verzamelaars betekent verplicht worden te nippen van de Jumbo Gro van Tex Avery: iedereen – kat, muis, hond, kanarie – probeert iedereen in lengte te overtreffen, met vaak absurd komische proporties tot gevolg, wat een pijnlijke scène is voor mij, zeker als ik niet de grootste kan zijn. Jean-Claude Lebensztejn, ‘Zeeziekte. Malcolm Morley’.

53 (1998). Als je het woord hijacking ingeeft op internet, of je zoekt naar beelden op www.footage.net, dan krijg je zoveel informatie dat je niet meer weet waar te beginnen. Johan Grimonprez, ‘Geïnterviewd door Catherine Bernard’.

54 (1998). We hebben de constante aanwezigheid nodig van anderen zonder dat we hen willen erkennen als individuen. Arthur C. Danto, ‘Het Gesamtkunstwerk van Beat Streuli’.

55 (1999). Het subject wordt pas tastbaar als een bundel constellaties, concepten en dramaturgieën, opgebouwd uit meerdere elementen, die vooreerst in relatie staat tot mediale representaties. Beatrix Rüf, ‘Hybride werkelijkheden. Eija-Liisa Ahtila’.

56 (1999). We denken niet na over muren, en we hangen schilderijen aan de muur zodat we er niet naar moeten kijken. Briony Fer, ‘De muren van Ellsworth Kelly’.

57 (1999). We bevinden ons in de heel reële wereld van vandaag, hier aan het eind van de eeuw. Christine Van Assche, ‘Doug Aitken, de Stalker van het fin de siècle’.

58 (1999). We kunnen niet langer doen alsof we zonder omweg objecten produceren die, op basis van hun eigenschappen en los van de plaats die ze bekleden, kunstwerken ‘zijn’. Slavoj Žižek, ‘Modernisme en het stalinistische sublieme’.

59 (2000). We erkennen nu, met enige vertraging, een hele reeks verbazingwekkend originele kunstenaars die vrouwen waren. Griselda Pollock, ‘Drie gedachten over vrouwelijkheid, creativiteit en verstreken tijd. Yayoi Kusama’.

60 (2000). Goede kunst, zowel vanuit het standpunt van de kunstliefhebber als van de theoreticus, is kunst die op mysterieuze wijze een antwoord in zich lijkt te dragen op een vraag die we nog niet kennen. Thierry de Duve, ‘Interview door Cay Sophie Rabinowitz, Brussel, 3 april 2000’.

61 (2001). Het is vandaag duidelijk dat globalisering van de stad het monument van onze tijd gemaakt heeft. Okwui Enwezor, ‘Fasen van een monument. Liisa Roberts’.

62 (2001). Hoe meer de wereld wordt gekortwiekt, hoe meer de volharding ervan gesignaleerd wordt. Adrian Searle, ‘Betwijfel de dag. Thomas Demand’.

63 (2001). Je kan een soort van leibniziaans cureren bedenken, een inrichting van tentoonstellingen die de galerijruimte toestaat het geheel te weerspiegelen, niet door de ruimte vol met objecten te proppen, maar eerder door te tonen dat alles eigenlijk al aanwezig was, opgeplooid in een oneindig gecompliceerde, labyrintische ruimte. Daniel Birnbaum, ‘Van de White Cube naar Super Houston. Vijf tentoonstellingen in Portikus Frankfurt’.

64 (2002). Veel mensen in de kunstwereld, en vooral kunstenaars, betreuren het dat er vandaag haast geen simpele, alledaagse tentoonstellingen meer zijn. Rudi Fuchs, ‘Rondvraag. Leren van ‘documenta’’.

65 (2002). Van de juiste afstand bekeken wordt elk schilderij vlak. Bart Verschaffel, ‘Vieze prentjes. Michael Raedecker’.

66 (2002). Het laat niet alleen toe om het werk te maken, maar blijft bovendien zichtbaar in het resultaat. Daniel Buren, ‘Gesprek met Pierre Huyghe’.

67 (2003). Misschien dat ons tijdperk vol digitale reproductie en een overdaad aan toegankelijke, supersnelle en onvermijdelijke visuele informatie de nood veroorzaakt om beelden te isoleren, om terug te keren tot uitgesproken representatie, en om stil te blijven staan bij betekenis, circulatie, vertaling en hercontextualisering. Lauri Firstenberg, ‘Notities over vernieuwde appropriationismen.’

68 (2003). Uiteraard, met dank aan satelliettelevisie en zenders als CNN, heeft de wereld het grootste deel van het voorbije decennium gespendeerd aan het kijken naar journalisten in kogelvrije vesten die verslag uitbrengen van oorlogsgebieden zoals Bosnië. Douglas Fogle, ‘De westerse toerist. Franz Ackerman’.

69 (2003). De kunstwereld heeft iemand nodig om het illusoire tapijt van een nieuwe consensus uit te rollen. Yuko Hasegawa, ‘Rondvraag. De aandachtseconomie’.

70 (2004). Zestig seconden helpen om van video het waarlijk democratische instrument te maken dat het van in het begin al claimde te zijn. Tineke Reijnders, ‘Een heel leven in één minuut’.

71 (2004). Pogingen om bizarre of verrassende fenomenen te verbergen of te onderdrukken zijn in toenemende mate gebruikelijk geworden. Wayne Baerwaldt, ‘Vrijheid in de vrije ruimte. John Körmeling’.

72 (2004). Uiteindelijk is dat de schandalige grap die alle kunst kenmerkt: je wil het kunstwerk bezitten, het intellectueel en materieel overnemen; maar de eigenlijke kwaliteit die iets tot kunst maakt kan je je niet toe-eigenen, noch als kennis noch als product, en alleen maar ervaren, keer op keer, op nieuwe manieren. Juliane Rebentisch, ‘De fetisjkunst van Monica Bonvicini’.

73 (2005). De oorsprong van historisch besef is tegelijkertijd een staat van ahistorische ervaring. Jan Verwoert, ‘Aan de randen van de geschiedenis. Anri Sala’.

74 (2005). In kunst, massacultuur, politiek, relaties tussen de geslachten – waar het ook is dat de revolutie start, het lijkt nooit echt ergens heen te gaan. Dominic van den Boogerd, ‘Aan het werk. Lucy McKenzie’.

75 (2005). Met alle respect voor Jean Baudrillard, maar zouden we dit kunnen zien als een voorbeeld van een simulacrum dat letterlijk aan het origineel voorafgaat? Michael Lobel, ‘Ongepaste toe-eigening. Elaine Sturtevant’.

76 (2006). De geschiedenis is een verzameling van verschillende manieren van kijken. Madeleine Schuppli, ‘Vliegen in amber. Julie Mehretu’.

77 (2006). Van zodra mensen hun huidige levenswijze niet langer vanzelfsprekend als de enig mogelijke beschouwen, opent hun bewustzijn zich voor een nieuwe reeks mogelijkheden; ze beseffen dat een andere wereld mogelijk is en dat andere vormen van subjectiviteit beschikbaar zijn. Chantal Mouffe, ‘Carsten Höller en het Boudewijnexperiment’.

78 (2006). Het is daarom dat populisme zich voordoet in kunstinstituten die om aandacht willen vragen: veel kunst is er simpelweg niet heel goed in om aandacht voor zichzelf te creëren, dus zijn andere strategieën nodig. Charles Esche, ‘Herwaarnemingen. Olaf Nicolai’.

79 (2007). Het is eigen aan de ecologie van de informatiemaatschappij dat media altijd terug zullen komen om te spoken, zelfs als de mechanismen die hun productie aansporen of de databank van beelden onophoudelijk beweren geen fysieke lading dragen. Pamela Lee, ‘Over het overleven van beelden. Jon Kessler’.

80 (2007). Hier, waar alles zichtbaar is, hier is leegte niet niets; het is iets dat van tel blijkt. Pamela Echeverría, ‘Space escondido. Dominique Gonzalez-Foerster’.

81 (2007). Meestal voel ik gêne wanneer ik naar mijn kunstwerken kijk of erover praat, maar op een dag word je beroemd, iets waar ik evenmin voor gevochten heb. Ai Weiwei, ‘Gesprek met Jacques Herzog’.

82 (2008). Alleen wanneer kunst de transformatie van een doorleefde ervaring bewerkstelligt, kan de allegorie echt worden en de zoektocht naar een oorsprong stopgezet. Adam Szymczyk, ‘Een echte allegorie en de oorsprong van de wereld. Paweł Althamer’.

83 (2008). Aan het einde van je dagen moet je een uitzicht hebben – geen helder uitzicht, maar toch een uitzicht. Tacita Dean, ‘Je kan niet naar huis. Robert Frank’.

84 (2008). Het probleem is niet dat kunstkritiek conceptueel te complex is, maar integendeel dat de poëtica en de esthetiek ervan – zelfs wanneer de kritiek vermoedelijk het meest theoretisch wordt – te vaak opzettelijk worden belemmerd, gemarkeerd door een gevaloriseerd onvermogen om te reageren op hoe betekenis werkelijkheid wordt dankzij meervoudige, onverenigbare of overlappende discoursen – ‘verwantschap’, in de termen van Shaw – binnen één enkel werk. Charles Bernstein, ‘Loopt de kunstkritiek vijftig jaar achter op de poëzie?’

85 (2009). Terwijl de figuratieve strekking getint is met melancholie en een vorm van nostalgie, en de abstracte strekking gekarakteriseerd kan worden door decoratieve elegantie, zijn beide toch afhankelijk van een conceptuele basis die de makers distantieert van hun productie. Anne Pontégnie, ‘Schilderen zonder te stoppen. Josh Smith’.

86 (2009). Ik kan me gewoonweg niet voorstellen dat mensen vandaag in staat zijn, laat staan dat ze het zouden willen, om onophoudelijk toe te laten dat hun subjectiviteit wordt gedefinieerd, zonder dat ze toegang hebben tot een dimensie van radicale negatie in hun dagelijkse leven. Benjamin H. Buchloh, ‘Co-existentie, ja – gelijkwaardigheid, nee. Gesprek met Francesco Bonami’.

87 (2010). Als de wereld rondom ons bestaat uit een reeks schermen of oppervlakken waarop de boodschappen van het consumentisme worden geprojecteerd, dan is het ons intieme contact met de materiële korrel van die oppervlakken die de sleutel biedt tot veel van wat we begrijpen. Michael Archer, ‘De maan werd vuurrood. Cerith Wyn Evans’.

88 (2011). Wanneer in het hedendaagse kunstdiscours de vraag wordt gesteld naar het politieke potentieel van kunst (en soms lijkt het alsof er niets anders gevraagd wordt), dan is het de belangrijkste tendens, minstens sinds de jaren negentig, om het onderscheid tussen beide bepalende termen in vraag te stellen: om ‘de lijn tussen kunst en leven te vervagen’, zoals dat dan heet. Carrie Lambert-Beatty, ‘Essentieel vreemd. Paul Chan’.

89 (2011). Maar wanneer het abstracte denken actief is in de kunst in plaats van in de filosofie, dan kunnen relaties niet anders dan zich vermenigvuldigen en bevriezen in de objectvorm. Marina Vishmidt, ‘Toch moet ik nog schrijven om het schrijven te verbergen. Haegue Yang’.

90 (2012). Misschien zijn gender en genre ondeelbaar. Jaleh Mansoor, ‘Schilderen, plooien. R.H. Quaytman’.

91 (2012). ‘Documenta is een gemoedstoestand,’ zo lees ik opnieuw, en heel kort vraag ik me af waarom ik dan vijfduizend kilometer heb moeten vliegen om dat te kunnen zien. David Velasco, ‘Uit de rol gevallen. Jérôme Bel, Disabled Theater’.

92 (2013). Hij heeft al lang geleden besloten dat identiteit als constructie geen adequaat politiek, intellectueel of artistiek kader aanreikt, en hij weigert het label van inheemse of minderheidskunstenaar, omdat hij dat beperkende adjectief beschouwt als een stempel van ongelijkheid. Dirk Snauwaert, ‘Een gezicht van steen. Jimmy Durham’.

93 (2013). Immigratie krijgt de schuld voor de lauwe economische groei van 0,6 % in Zwitserland in het eerste kwart van het jaar (vergeleken met 1,1 % in 2012), net als een oververhitte vastgoedmarkt. David Breslin, ‘De restauratieact van Valentin Carron’.

94 (2014). Beelden van gecontroleerde explosies zijn eerst en vooral tekenen van de fundamentele vloeibaarheid van kapitaal, van de manier waarop het vastgezette vormen achterlaat van zodra winstgevendheid een verschuiving in geografische locaties dicteert – en zelfs de meest duurzame betonnen structuren kunnen het begeven wanneer de economie hun overbodigheid dicteert. Tom McDonough, ‘Gecontroleerde explosie. Cyprien Gaillard’.

95 (2014). Zowel kunst als religie beloven een soort van transcendentie die berust op blind vertrouwen, op het geloof dat de wereld anders kan zijn, en beter kan worden, en dat de toekomst een plek kan zijn waarin samenlevingen eerlijker en rechtvaardiger worden, dat de toekomst überhaupt bestaat en dat we een actieve rol kunnen spelen in het kneden en vormgeven van de structuur ervan. Kaelen Wilson-Goldie, ‘Verloren en gevonden. Wael Shawky’.

96 (2015). De vraag rijst echter of het mogelijk is zich een esthetiek voor te stellen (misschien in de bredere zin van ‘stijl’) die geen centrum heeft waarin de menselijke geest zich bevindt. Nicolas Bourriaud, ‘Kunst als virus. Pamela Rosenkranz’.

97 (2015). De software voor tekstverwerking van een schrijver, de software voor montage van een filmmaker en de software voor grafisch ontwerp van de beeldende kunstenaar zijn allemaal varianten van elkaar geworden; typemachine, Steenbeck en tekentafel zijn vervangen door hetzelfde toetsenbord, scherm en dezelfde muis. Ed Halter, ‘Nawerkingen. Hito Steyerl’.

98 (2016). Maar het is misschien wel de collectieve aanwezigheid van het publiek – hoe beladen of gecompromitteerd de vorm ook moge zijn – die de kern is van wat een museum bezield maakt, en niet performance (of fotografie, sculptuur, schilderkunst, of wat voor medium dan ook). Claire Bishop, ‘De dood staat haar goed. Maria Hassabi in het museum’.

99 (2017). De uitdaging bestaat erin zich te concentreren op het vertellen en het navertellen; op gespin en verduistering, op graden van waarachtigheid, en op de tegenstellingen en leugens die verloren raken tussen tweets en updates. Sven Lütticken, ‘Irakees gefluister. Omer Fast’.

100/101 (2017). Dus het verlies van een tijdschrift als fysieke entiteit brengt ook een soort van geheugenverlies met zich mee. Jacqueline Burckhardt, ‘Rondetafelgesprek in Berlijn’.

 

Selectie en vertaling: Christophe Van Gerrewey

Parkett werd in 1984 opgericht door Jacqueline Burckhardt, Dieter von Graffenried, Walter Keller, Peter Blum en hoofdredacteur Bice Curiger. Het laatste nummer verscheen in 2017 met als titel ‘Expanded Exchange’. Alle nummers van Parkett zijn te consulteren op de website E-Periodica.

De vleugels van de duif

De twee dames die, voorafgaandelijk aan het Zwitserse seizoen, waren gewaarschuwd dat hun plannen niet doordacht waren, dat de passen niet vrij zouden zijn, de lucht niet mild, de herbergen niet open – de twee dames die, nogal typisch, heel wat vermoedelijk goedbedoeld protest hadden moeten trotseren, werden nu wonderbaarlijk aangemoedigd om aan hun avontuur een vervolg te geven. Het was het oordeel van hoofdkelners en ander personeel aan de Italiaanse meren dat hun nu werd meegedeeld; zijzelf – de jongsten onder hen, althans – waren zich ook vaak bewust geweest van ongeduld, en van gedurfde dromen; zodat een van de dingen die ze samen concludeerden – en wat ze concludeerden was van een eindeloze variëteit – erin bestond dat in die theatrale paleizen van de Villa d’Este, van Cadenabbia, van Pallanza en Stresa, vrouwen op hun eentje, hoezeer ze zich ook versterkt wisten door een reisbibliotheek vol instructieve boeken, ertoe neigden bedrogen en misleid te worden. Hun fantasieën waren bovendien bescheiden geweest; ze hadden bijvoorbeeld niets vitaals op het spel gezet met de hoop de Brünigpas over te steken. Precies dat waren ze gelukkigerwijs aan het doen wanneer we hen ontmoeten, en alles wat ze wensten, vanwege de wonderlijke schoonheid van de vroege bergbeklimmerslente, was dat die pas langer zou zijn en de plekken om te pauzeren en te rusten talrijker.

Dat was in elk geval de doorschemerende houding van mevrouw Stringham, de oudste van de twee vriendinnen, die haar eigen kijk had op de ongedurigheden van de jongste, waar ze zich desondanks slechts op de meest indirecte wijze tegen verzette. Ze bewoog zich voort, die bewonderenswaardige mevrouw Stringham, in een fijne nevel van observatie en argwaan; ze bevond zich in de positie, zoals ze zelf dacht, veel meer te weten over Milly Theale dan Milly zelf wist, en toch moest ze die kennis zowel achterhouden als activeren. Als een vrouw die van nature uit het minst ter wereld gevormd was, zoals ze maar al te goed besefte, voor dubbelhartigheden en labyrinten, merkte ze dat ze door een nieuwe reeks omstandigheden, vooral door een nieuwe persoonlijke relatie, toegewijd was geraakt aan persoonlijke subtiliteit; ze moest nu in feite erkennen dat deze cursus in geheimenissen – ze kon nauwelijks zeggen hoe ze het anders moest noemen – voor haar een aanvang had genomen de dag waarop ze met Mildred New York verlaten had. Ze was precies daarom vanuit Boston overgekomen; ze had weinig van het meisje gezien – of ze had haar maar kort gezien, want mevrouw Stringham, als ze al iets zag, zag veel, zag alles – voordat ze haar voorstel aanvaardde; en ze had zich dienovereenkomstig, door haar daad, in een boot geplaatst die ze, menselijkerwijs gesproken, meer en meer als een van de grootste beschouwde, hoewel eveneens, ongetwijfeld, in veel opzichten, vanwege de omvang ervan, als een van de veiligste. In Boston, de winter ervoor, had de jongedame in wie wij geïnteresseerd zijn ter plekke een diep maar bijna stilzwijgend beroep op haar gedaan, en zo in haar geest de verlegen ambitie gewekt dat er assistentie, dat er toewijding te betuigen viel. Het kleine leven van mevrouw Stringham was vaak bezocht geweest door verlegen ambities – geheime dromen die een tijdje hadden gefladderd tussen nauwe muren zonder nog maar de moed te verzamelen door de schemerige ramen naar buiten te kijken. Maar deze verbeelding – de inbeelding van een mogelijke band met dat opmerkelijke jonge ding uit New York – had moed verzameld en had zich, onmiddellijk, gepositioneerd op de voordeligste uitkijkplaats die er te vinden was, om daar, zo viel te beweren, te blijven staan en dan, slechts een paar maanden later, met verrassing en vreugde, de onmiskenbare flits van een signaal op te vangen.

Milly Theale had vrienden in Boston, als ze zo te omschreven vielen, van recente makelij, en het viel te begrijpen dat haar bezoek aan hen – een bezoek dat niet kort zou uitvallen – was ondernomen, na een reeks sterfgevallen, met het oog op een bijzondere vrede die New York niet te bieden had. Er werd vrijelijk erkend dat er veel was – misschien zelfs te veel – dat New York had kunnen bieden, maar er werd ook aangevoeld dat dit geen verschil maakte, in de belangrijke waarheid dat wat je vooral te doen stond, wanneer het leven, of de dood, zijn slag sloeg, er uiteindelijk op neerkwam je situatie zo grondig mogelijk te ondergaan. Daar kon Boston je als niets anders bij helpen, en de stad had Milly, naar alle veronderstellingen, een dergelijke mate van assistentie aangereikt. Mevrouw Stringham zou het nooit meer vergeten – want het moment was nog niet vervaagd, noch had de oneindig fijne vibratie die het in gang zette enigszins opgehouden – die eigen eerste aanblik van de opvallende verschijning, toen nog onaangekondigd en onverklaard: de slanke, voortdurend bleke, delicaat verwilderde, abnormaal, aangenaam hoekige, jonge persoon, van niet meer dan tweeëntwintig zomers die enige sporen hadden nagelaten, wier haar zo uitzonderlijk rood was, zelfs voor echt haar, dat het in alle onschuld toegaf te zijn, en wier kleding opmerkelijk zwart was, zelfs voor rouwgewaden, wat ook de betekenis was die ze uitdrukten. Het was New Yorkse rouw, het was New Yorks haar, het was een New Yorkse geschiedenis, voorlopig nog verward, maar veelvuldig, van het verlies van ouders, broers, zussen, bijna elk menselijk aanhangsel, allemaal op een schaal en met een zwaai die een groter terrein had bestreken; het was een New Yorkse legende van affectie, van romantisch isolement, en boven alles was het, zoals de meesten het zagen gezien de massa geld die zich op de rug van het meisje had opgestapeld, een reeks New Yorkse mogelijkheden. Ze was alleen, ze was zwaar beproefd, ze was rijk, en vooral, ze was vreemd – een combinatie van dien aard dat de aandacht van mevrouw Stringham erdoor getrokken werd. Maar het was de vreemdheid die de sympathie van deze goede dame het meest bepaalde, omdat ze er wel van overtuigd moest zijn dat die veel groter was dan wie dan ook – met als enige uitzondering Susan Stringham – kon veronderstellen. Susan maakte voor zichzelf uit dat Boston haar helemaal niet zag, en alleen bezig was met haar Boston te laten zien, en dat elke veronderstelde affiniteit tussen de jonge vrouw en de stad misleidend en ijdel was. Zij was haar aan het zien, en ze beleefde het ronduit diepste moment van haar leven door nu te gehoorzamen aan het instinct om het visioen te verbergen. Ze kon het niet uitleggen – niemand zou het begrijpen. Ze zouden slimmige dingen zeggen, typisch voor Boston – mevrouw Stringham kwam uit Burlington, Vermont, dat ze stoutmoedig hooghield als het echte hart van New England, met Boston ‘te ver naar het zuiden’ – maar die zouden alles alleen maar troebeler maken.

Er kon geen beter bewijs zijn, dan deze snelle intellectuele breuk, van de indruk die werd gemaakt op onze vriendin, die zelf, zo wist ze maar al te goed, slechts het gereflecteerde licht van de bewonderenswaardige stad weergaf. Ook bij haar had het leven zijn slag geslagen, maar het had haar niet opvallend gemaakt; het was prozaïsch gebruikelijk geweest, hoewel het ongetwijfeld om een degelijke dosis ging; en dat ze dit alles had doorstaan, had niet meer dan gebruikelijk geleken – gebruikelijk, tenminste, in de ogen van Boston. Eerst had ze haar man verloren en daarna haar moeder, met wie ze na de dood van haar man weer had samengewoond, zodat ze nu, kinderloos, nog scherper vrijgezel was dan voorheen. Maar dat nam ze nogal kouwelijk licht op omdat ze, zoals ze het noemde, genoeg had om van te leven – in zoverre tenminste dat ze van brood alleen leefde, want dat ze inderdaad nauwelijks genoegen nam met dat dieet bleek uit de naam die ze gemaakt had – Susan Shepherd Stringham – als medewerker van de beste tijdschriften. Ze schreef kortverhalen en ze geloofde graag dat ze haar eigen ‘stem’ had, de kunst om New England te laten zien zonder het volledig in de keuken te tonen. Ze was zelf niet in de keuken grootgebracht; ze kende anderen voor wie dat evenmin gold, en voor hen spreken was voor haar dus een literaire missie geworden. Waarlijk literair zijn was altijd al haar dierbaarste gedachte geweest, de idee die haar slimme kleine pincetjes voortdurend in positie hield. Er waren meesters, modellen, beroemdheden, voornamelijk buitenlandse, die ze ook als dusdanig te boek stelde en in wier licht ze op ingenieuze wijze werkte; er waren anderen die ze, hoe er ook over hen gebabbeld werd, tot de idioten rekende, want ze had onderscheidingsvermogen; maar alle categorieën lieten haar in de steek – ze hadden in ieder geval geen betekenis meer – van zodra ze zich in de aanwezigheid van het echte ding bevond, het romantische leven zelf. Dat was wat ze in Mildred zag – wat haar hand absoluut een tijdje te veel deed trillen voor de pen. Het leek haar dat ze een openbaring had gehad – zoals zelfs het verfijnde en grammaticale New England die niet kon aanreiken; en omdat ze bestond uit kleine fijne herinneringen en vindingrijkheden, kleine nijverheden en ambities, vermengd met iets moreels, persoonlijks, dat nog intenser sympathiek was, had ze het gevoel dat haar nieuwe vriendin haar geen genoegen zou doen als hun vriendschap zich niet zou ontwikkelen, en dat er tegelijkertijd van niets anders iets zou overblijven als dat wel zou gebeuren. Tot het opgeven van al de rest was ze echter danig bereid, en terwijl ze zich onledig hield met haar zaken in Boston, met die voor Boston typische rechtschapenheid, hield ze zichzelf in werkelijkheid de hele tijd in bedwang. Ze droeg haar ‘knappe’ vilten hoed, zo Tirools, en toch ook, hoewel gevederd vanuit de vleugels van de adelaar, zo werkelijk huiselijk, met dezelfde directheid en zekerheid; ze bevestigde haar bonten boa met dezelfde oprechte voorzorgsmaatregelen; ze behield haar evenwicht op de ijshellingen met dezelfde geoefende vaardigheid; ze opende, iedere avond, de krant met dezelfde mengeling van spanning en gelatenheid; ze woonde haar bijna dagelijkse concert bij met hetzelfde zuinige geduld en met dezelfde spaarzaamheid met passie; ze flitste de openbare bibliotheek in en uit met een air alsof ze in haar zak de sleutel van de kennis gewetensvol terugbracht of moedig met zich meenam; en uiteindelijk – dat deed ze nog het meest – bekeek ze het dunne straaltje van een fictieve ‘amoureuze interesse’ via dat ietwat kronkelige kanaal in de tijdschriften, dat ze daar vooral voor wist vrij te houden. Maar het echte werk vond al die tijd elders plaats; het echte werk was teruggegaan naar New York en had de twee onopgeloste vragen, zo duidelijk onderscheiden, achtergelaten, over waarom het echt was en of ze er ooit nog zo dichtbij zou behoren te zijn.

Voor de figuur waarmee deze vragen verband hielden had ze een passende omschrijving gevonden – ze dacht ervoor aan zichzelf, altijd, als aan een meisje met een achtergrond. De grote realiteit lag in het feit dat al heel snel, na slechts twee of drie ontmoetingen, het meisje met de achtergrond, het meisje met de kroon van oud goud en de rouw die niet was zoals de rouw van Boston, maar die tegelijkertijd rebelser was in alle somberheid en frivoler door alle franjes, haar had verteld dat ze nog nooit iemand zoals zij had gezien. Ze hadden elkaar dus ontmoet als wederzijdse nieuwsgierigheden, en die simpele opmerking van Milly – als ze al simpel was – werd het belangrijkste dat haar ooit was overkomen; het beroofde de amoureuze interesse tijdelijk van actualiteit en zelfs van relevantie; het bracht haar in de eerste plaats, in hoge mate, tot dankbaarheid en vervolgens, in niet geringe mate, tot compassie. Maar met betrekking tot deze relatie was dit in ieder geval wat de sleutel tot kennis bleek; het lichtte in de geschiedenis van de arme jonge vrouw op zoals niets anders dat kon. Dat de potentiële erfgename van al die generaties nog nooit iemand had gezien zoals deze al bij al typische kortverhalenschrijver was een waarheid die – vooral omdat de aankondiging ervan met bescheidenheid, met nederigheid, met spijt gepaard ging – nogal een situatie creëerde. Het legde bij de oudere vrouw, wat betreft de leegte die moest worden gevuld, een last van verantwoordelijkheid, maar vooral bracht het haar ertoe te vragen wie de arme Mildred dan had gezien, en welke reeks contacten er nodig was geweest om zulke rare verrassingen voort te brengen. Dat was in werkelijkheid het onderzoek dat werd beëindigd door de lucht te klaren: het viel te voelen dat de sleutel van de kennis in het slot klikte vanaf het moment dat mevrouw Stringham besefte dat haar vriendin van cultuur ontbeerd was gebleven. Cultuur was wat zij zelf voor haar vertegenwoordigde, en het was boven alles zaak dat principe na te leven. Zij, de slimme dame, wist wat dat principe zelf vertegenwoordigde, ze kende de grenzen van wat ze in de aanbieding had, en ze zou zeker gealarmeerd zijn geraakt als er niet iets anders was dat sneller was gegroeid.

Dat was, gelukkig voor haar – en we geven het in haar eigen woorden weer – het gevoel van een schrijnende pathos. Dat, in de eerste plaats, was wat haar aansprak, wat de deur naar de romantiek voor haar leek te openen, meer nog dan een nog roekelozer verband met wat in de roddelbladen stond. Want dat was in wezen het punt: het was rijk, romantisch en onpeilbaar om, zoals duidelijk was, miljoenen inkomsten per jaar te hebben, over jeugd en intelligentie en zo niet over schoonheid, dan toch in gelijke mate over een hoge, schemerige, charmante, dubbelzinnige eigenaardigheid te beschikken, wat nog beter was, en daar bovenop dan nog eens te genieten van grenzeloze vrijheid, de vrijheid van de wind in de woestijn – het was onuitsprekelijk ontroerend om zo uitgerust te zijn en toch door het lot gereduceerd te worden tot kleine vergissingen, bescheiden van geest.

Het bracht de verbeeldingskracht van onze vriendin terug naar New York, waar afwijkingen op intellectueel gebied zo voor de hand lagen, en in feite zorgde het ervoor dat een bezoek dat ze daar momenteel aflegde van belang ging overlopen. Aangezien Milly haar zo lief had uitgenodigd, zou ze proberen of ze het kon uithouden onder de spanning van zoveel vertrouwen in haar geest; en het opmerkelijke was dat ze het zelfs drie weken had uitgehouden. Maar tegen die tijd was haar geest betrekkelijk stoutmoedig en vrij geworden; nieuwe hoeveelheden werden verwerkt, over het geheel genomen ging het om een andere verhouding – en dat had voor verfrissing gezorgd: ze was dienovereenkomstig naar huis gegaan met een volledige beheersing van haar onderwerp. New York was uitgestrekt, New York verraste, met vreemde geschiedenissen, met wilde kosmopolitische achtergebleven generaties die voor alles verantwoordelijk waren; en om dichter bij de luxueuze stam te zijn geraakt waarvan het zeldzame wezen de laatste bloem was, de immense, extravagante, ongereguleerde cluster, met vrijgevochten voorouders, knappe dode neven, lugubere ooms, mooie verdwenen tantes, personen die met borsten en krullen samenvielen, bewaard gebleven, hoewel volledig blootgesteld, in het marmer van beroemde Franse beitels – dit alles, om nog maar te zwijgen van het effect dat dichter bij de stam groeide, zou iemands kleine wereldruimte zowel overbevolkt als uitgebreid hebben. Ons koppel had in elk geval een uitwisseling tot stand gebracht; de oudere vriendin was zo bewust intellectueel als mogelijk geweest, en de jongere, rijk aan persoonlijke openbaring, was net zo onbewust onderscheidend geweest. Dit was poëzie – het was ook geschiedenis – zo dacht mevrouw Stringham, op een fijnere toon zelfs dan Maeterlink en Pater, dan Marbot en Gregorovius. Ze regelde gelegenheden voor het lezen van deze auteurs met haar gastvrouw, eerder misschien dan daadwerkelijk lange passages te doorkruisen; maar wat ze bewerkstelligden en wat ze nalieten zonk voor haar al snel weg in de vage diepten van het louter relatieve, zo snel, zo sterk had ze haar centrale aanwijzing vastgegrepen. Al haar scrupules en aarzelingen, al haar angstig enthousiasme, hadden zich tot één enkel alarm gereduceerd – de angst dat ze werkelijk onhandig en grof tegen haar metgezel zou optreden. Ze was absoluut bang voor wat ze haar zou kunnen aandoen, en om dat te vermijden, om het met vroomheid en hartstocht te vermijden, zou ze liever helemaal niets doen, haar onaangeroerd laten omdat geen enkele aanraking, hoe licht, hoe rechtvaardig, hoe ernstig en bezorgd ook, half goed genoeg zou zijn, en hoe dan ook een lelijke smet op perfectie – dit drong zich nu op als een consistente, inspirerende gedachte.

Minder dan een maand na de gebeurtenis die de houding van mevrouw Stringham zo had bepaald – op de hielen, namelijk, van haar terugkeer uit New York – bereikte haar een voorstel dat bij haar de vraag opriep met wat voor delicaatheid ze te kampen zou krijgen. Zou ze zo snel mogelijk met haar jonge vriendin naar Europa vertrekken, en zou ze daartoe bereid moeten zijn zonder voorwaarden te stellen? Het onderzoek werd met een telegram geopend; er werden afdoende verklaringen beloofd; extreme urgentie werd gesuggereerd, en tot algemene overgave werd geïnviteerd. Het was ter ere van haar oprechtheid dat ze zich ter plekke overgaf, hoewel het misschien niet helemaal in overeenstemming was met haar logica. Ze had vanaf het begin heel bewust iets willen opgeven voor haar nieuwe kennis, maar ze twijfelde er nu niet aan dat ze praktisch alles opgaf. Wat de zaak besloot, was de volheid van een bepaalde indruk, de indruk waar ze gaandeweg meer en meer doordrongen van was geraakt en die ze in de mate van het mogelijke tot uitdrukking zou hebben gebracht door te zeggen dat de charme van het schepsel zonder twijfel lag in de grootsheid van het schepsel. Ze zou er genoegen mee hebben genomen het daarbij te laten, tenzij ze inderdaad zou hebben toegegeven, op vertrouwder wijze, dat Mildred de grootste indruk in haar leven had nagelaten. Dat was in elk geval het meest complete verslag dat ze van haar kon opstellen, en het was duidelijk dat enkel een compleet verslag zou volstaan. Haar situatie, zoals iets dergelijks werd genoemd, was van een grootse schaal, maar toch was het net niet dat. Het was haar aard, voor eens en voor altijd – een aard die bij mevrouw Stringham de term in herinnering riep die in de kranten altijd werd gebruikt voor grote nieuwe stoomboten, voor de buitensporige hoeveelheid water die ze ‘trokken’, zodat, wanneer je er in je kleine bootje voor had gekozen om te blijven hangen en te naderen, je niet meer te doen had dan dankbaar te zijn, eenmaal de beweging op gang kwam, voor de manier waarop de diepgang aan je trok. Milly trok veel water, en hoe vreemd het ook mag lijken dat een eenzaam meisje, dat niet robuust was en dat een hekel had aan kabaal en vertoon, de stroom als een zeemonster beroerde, toch dreef haar metgezel mee met het gevoel heftig aan haar zijde te schommelen. Meer dan bereid, evenwel, tot die opwinding, faalde mevrouw Stringham vooral in haar eigen consistentie. Zichzelf voor onbepaalde tijd vastklampen leek een omslachtige manier om haar handen af te houden. Als ze er zeker van wilde zijn aan te raken noch vuil te maken, zou het ongetwijfeld een eerlijker plan zijn geweest om haar vriendin niet binnen handbereik te houden. Dit erkende ze in feite ten volle, en daarmee ook de mate waarin ze verlangde dat het meisje haar leven zou leiden, een leven dat zeker zoveel fijner zou zijn dan dat van om het even wie. De moeilijkheid verdween echter, door goed geluk, van zodra ze verder had ingezien, waartoe ze spoedig in staat was, dat zij, Susan Shepherd – de naam waarmee Milly zichzelf voor het grootste deel amuseerde – niet iemand anders was. Ze had afstand gedaan van dat karakter; ze had nu geen leven meer te leiden; en ze geloofde oprecht dat ze aldus uitstekend toegerust was om dat van Milly zelf te leiden. Geen enkele andere persoon, daar was ze zeker van, beschikte in dezelfde mate over deze kwalificatie, en het was eigenlijk om dat te handhaven dat ze met veel plezier aan boord ging.

Er was sindsdien veel gekomen en gegaan, hoewel niet in vele weken, en van het beste was ongetwijfeld de reis zelf geweest, via de gelukkige zuidelijke koers, naar de opeenvolging van havens aan de Middellandse Zee, met Napels als verblindende finale. Twee of drie dingen waren hieraan voorafgegaan; incidenten, inderdaad tamelijk levendige taferelen van hun laatste veertien dagen thuis, waarvan er van de kant van mevrouw Stringham één had geleid tot een blitzbezoek aan New York, achtenveertig ademloze uren daar, voorafgaand aan haar laatste overkomst. Maar het grote, aanhoudende zeelicht had de rest van het beeld opgedronken, zodat vele dagen lang andere vragen en andere mogelijkheden klonken met even weinig effect als een trio fluitjes in een Wagner-ouverture. Het was de Wagner-ouverture die praktisch de boventoon voerde, omhoog door Italië, waar Milly al was geweest, nog verder de Alpen in, die ook gedeeltelijk bekend waren bij mevrouw Stringham; alleen was het reisritme dit keer niet geheel ideaal, en in feite al te gehaast vanwege de grote rusteloosheid van het meisje. Er werd van haar verwacht, zo had ze eerlijk toegegeven, dat ze rusteloos zou zijn – dat was gedeeltelijk de reden waarom ze ‘geweldig’ was – of het was in ieder geval een gevolg, zo niet een oorzaak. Toch had ze zichzelf misschien niet helemaal aangekondigd als iemand die zo hard aan het koord trok. Het was bekend, het was mooi voor mevrouw Stringham dat ze een achterstand had in te halen, de kansen die voor haar waren verstreken door de baldadige gewoontes van voorvaderen die dol waren op Parijs, of eerder de minst hoogwaardige kanten ervan, tot er niets anders overbleef; maar de vaagheid, de openheid, de gretigheid zonder punt en de interesse zonder pauze – allemaal onderdeel van de charme van haar eigenaardigheid zoals aanvankelijk voorgeschoteld – waren proportioneel opvallender geworden naarmate ze zegevierden over beweging en verandering. Ze had kunsten en eigenaardigheden waar niet veel over te zeggen viel, maar die een dagelijkse genade waren als je ermee leefde; zoals de kunst om bijna tragisch ongeduldig te zijn en dat toch zo licht als lucht te maken; om onverklaarbaar verdrietig te zijn en het toch zo helder te maken als de middag; om onmiskenbaar vrolijk te zijn, en het toch zo zacht te maken als de schemering. Mevrouw Stringham begreep tegen die tijd alles, werd meer dan ooit bevestigd in verwondering en bewondering, in haar inzicht dat het leven genoeg was om simpelweg de gevoelens van haar metgezel te voelen; maar er waren speciale sleutels die ze nog niet aan haar bos had toegevoegd, indrukken die haar, plotseling, als nieuw zouden kunnen beïnvloeden.

Deze specifieke dag op de grote Zwitserse weg was, om de een of andere reden, vol daarvan geweest, en de indrukken verwezen, provisoir, naar een diepere diepte dan ze had weten te peilen – hoewel ze in twee of drie van dergelijke diepten, zo moet daaraan worden toegevoegd, lang genoeg gegluurd had om te merken dat ze plotseling teruggetrokken werd. Het was, kortom, niet de vredeloze toestand van Milly die haar nu zorgen baarde – hoewel, aangezien Europa het grote Amerikaanse kalmeermiddel was, die mislukking tot op zekere hoogte opgemerkt moest worden: het was de vermoedelijke aanwezigheid van iets daarachter – iets dat daar sinds hun vertrek toch niet zomaar zijn plaats had kunnen innemen. Waar enig vers motief voor onrust plotseling uit voort was gekomen viel, kortom, niet te achterhalen. Het was maar een halve verklaring om te zeggen dat de opwinding, voor elk van hen, op natuurlijke wijze was afgenomen, en dat wat ze hadden achtergelaten, of geprobeerd hadden achter te laten – de grote ernstige feiten van het leven, zoals mevrouw Stringham ze graag noemde – langzaam weer zichtbaar aan het worden was, zoals objecten die door de rook tevoorschijn komen naarmate de rook begint op te trekken; want dit waren algemene verschijningen waarvan het eigen voorkomen van het meisje, haar werkelijk grotere vaagheid, zich eerder leek los te maken. De dichtste benadering van een persoonlijke angst waaraan de oudere dame zich tot nu toe had overgegeven, was dat ze de gelegenheid nam zich af te vragen of wat ze meer dan wat dan ook in handen had, niet een van de fraaiere, een van de fraaiste, een van de zeldzaamste – zoals ze het noemde, zodat ze het niets ergers kon noemen – gevallen van Amerikaanse intensiteit was. Ze had net een moment van schrik gehad – ze vroeg zich af of haar jonge vriendin haar enkel zou trakteren op een ingewikkeld zenuwdrama. Maar na het verloop van een week had haar jonge vriendin, naarmate ze vorderden, de vraag effectief beantwoord en haar de indruk gegeven, hoewel voorlopig nog onduidelijk, van iets dat een realiteit had, in vergelijking waarmee de nerveuze verklaring grof zou zijn geweest. Mevrouw Stringham bevond zich vanaf dat uur, met andere woorden, in de aanwezigheid van een verklaring die een gedempte en ongrijpbare vorm bleef, maar die, zeker eenmaal de scherpte ervan was toegenomen, alles en meer dan alles zou verklaren, en onmiddellijk het licht zou worden waarin Milly gelezen moest worden.

Een kwestie als deze kan in ieder geval spreken van de stijl waarmee onze jonge vrouw wie haar nabij was kon beïnvloeden, en getuigen van het soort belangstelling dat zij op kon wekken. Ze werkte – en schijnbaar geheel zonder opzet – op de sympathie, de nieuwsgierigheid en de fantasie van haar naasten, en we zullen zelf nauwelijks dichter bij haar komen dan door hun indruk te voelen en, indien nodig, hun verwarring te delen. Ze reduceerde ze, zo zou mevrouw Stringham hebben gezegd, tot een instemmende verbijstering; en dat was voor die goede dame, na de laatste analyse, precies wat het meest in harmonie was met haar grootsheid. Ze overtrof, ontsnapte aan elke maat, en was alleen maar verrassend omdat zij verre van geweldig waren. Zo kwam het dat op deze wonderlijke dag op de Brünigpas de betovering om naar haar te kijken meer dan ooit onweerstaanbaar was geworden; een bewijs van waartoe – al was het dan gedeeltelijk – mevrouw Stringham, net als de rest, was teruggebracht. Ze had bijna het gevoel haar jonge vriendin te volgen als om haar op een gegeven moment te bespringen. Ze wist dat ze dat niet zou moeten doen, ze was niet naar buiten gekomen om haar te bespringen, maar toch voelde haar aandacht aan als geheimzinnig en haar observatie als wetenschappelijk. Ze zag zichzelf alsof ze zweefde als een spion, tests uitvoerde, vallen zette en tekens verborgen hield. Dit zou echter slechts duren totdat ze goed zou weten wat er aan de hand was; en kijken was, intussen, immers ook een manier om zich aan het meisje vast te klampen, niet minder dan een bezigheid, een voldoening op zichzelf. Bovendien kwam het plezier van het kijken, als daar een reden voor nodig was, voort uit een gevoel van haar schoonheid. Haar schoonheid had oorspronkelijk helemaal geen deel uitgemaakt van de situatie, en mevrouw Stringham had er, zelfs in de eerste bloei van vriendschap, met niemand openlijk over gesproken; ze had immers al vroeg ingezien dat het, voor domme mensen – en wie, zo vroeg ze zich soms stiekem af, was er niet dom? – veel uitleg zou vergen. Ze had geleerd er niets over te zeggen totdat het eerst vermeld werd – wat af en toe gebeurde, maar niet al te vaak – en dan ging ze er op volle kracht in mee. Vervolgens toonde ze enthousiasme voor de perceptie die overeenkwam met haar eigen perceptie, en tegelijkertijd betwistte ze, achterdochtig, allerlei bijzondere details; terwijl ze, over het algemeen, had geleerd zichzelf te verfijnen, zelfs tot het punt waarop ze woorden ging gebruiken die de meeste mensen gebruikten. Ze gebruikte die woorden om te doen alsof zij ook dom was en om het onderwerp af te sluiten; ze sprak over haar vriendin als doodgewoon, als lelijk zelfs, als er op een bijzonder hardnekkige manier werd aangedrongen; en als, wat uiterlijk betreft, zo ‘vreselijk boordevol’. Dit was haar manier om een gezicht te beschrijven dat ongetwijfeld, dankzij iets te veel voorhoofd, te veel neus en te veel mond, samen met te weinig louter conventionele kleuren en conventionele lijnen, expressief, onregelmatig en exquis was, zowel bij het spreken als bij het zwijgen. Als Milly glimlachte, dan was dat een publieke gebeurtenis – als ze dat niet deed, dan was het een geschiedenishoofdstuk. Ze waren op de Brünig gestopt voor de lunch, en de charme van de plaats had, voor hen, om een langer verblijf gevraagd.

Mevrouw Stringham bevond zich nu op een terrein vol spannende herkenningen, kleine scherpe echo’s van een verleden dat ze in een beduimeld doosje bewaarde, maar dat, eens de veer onder druk stond en de inhoud aan de lucht werd blootgesteld, nog steeds zo hard bleek te tikken als een degelijk oud horloge. Het gebalsemde ‘Europa’ van haar jongere jaren was deels samengevallen met drie jaar in Zwitserland, een periode van ononderbroken scholing in Vevey, met beloningen als bewijs van verdienste in de vorm van zilveren medailles vastgebonden met blauwe linten, en van milde bergpassen aangevallen met alpenstokken. Het waren de beste studenten die, tijdens de vakantie, de hoogste plekken bereikten, en onze vriendin kon nu, op basis van haar vertrouwdheid met de bescheiden pieken, inzien dat zij een van de besten was geweest. Deze herinneringen, vandaag sacraal omdat ze in de verstilde kamers van het verleden werden voorbereid, hadden deel uitgemaakt van de algemene vorming die voor twee zussen, dochters die al vroeg vaderloos waren, was uitgezet door hun dappere moeder uit Vermont, die haar op dit moment voorkwam alsof ze blijkbaar, bijna zoals Columbus, geheel zonder hulp een concept van de andere kant van de wereld had uitgewerkt. Ze had Vevey, vanuit een natuurlijke intuïtie en met een buitengewone volledigheid, vanuit Burlington bestudeerd, waarna ze was ingescheept, gevaren had, geland was, verkend had en, vooral, haar aanwezigheid te gelde had gemaakt. Ze had haar dochters de vijf jaren in Zwitserland en Duitsland gegeven die hen daarna altijd een maatstaf zouden aanreiken waarmee zowat alles te vergelijken viel, en die vooral de jongste – Susan was de jongste – met een karakter zouden bestempelen dat, zoals mevrouw Stringham meermaals de gelegenheid had gehad om tegen zichzelf te zeggen, al het verschil maakte. Het maakte keer op keer en in de meest onverwachte situaties het verschil dat zij, dankzij het eenzame, spaarzame, sterke vertrouwen van haar ouders, een vrouw van de wereld was. Er waren genoeg vrouwen die allerlei dingen waren die zij niet was, maar die, aan de andere kant, dat niet waren, en die ook niet wisten dat zij dat was (wat ze leuk vond – het degradeerde hen nog verder) en die evenmin wisten hoe het haar in staat stelde hen te beoordelen. Ze had zichzelf nog nooit in dergelijke mate in dit licht gezien als tijdens deze fase van haar in gezelschap uitgevoerde, zij het enigszins ongerichte pelgrimstocht, en dat bewustzijn gaf misschien meer aanleiding tot haar pleidooi voor een pauze dan ze besefte. De voorgoed voorbije dagen waren van ver weg naar haar teruggekeerd; ze maakten deel uit van het gevoel van de koele hoge lucht en van al het andere dat als een onverwoestbare geur rond het gescheurde kledingstuk van de jeugd hing – de smaak van honing en de luxe van melk, het geluid van koebellen en het ruisen van beken, het aroma van vertrapte gewassen en de duizeling van diepe kloven.

Milly voelde deze dingen duidelijk ook, maar bij momenten beïnvloedden ze haar metgezel – dat was precies de manier waarop mevrouw Stringham het zou hebben uitgedrukt – zoals de prinses in een klassieke tragedie een vertrouweling zou hebben beïnvloed als die ooit een persoonlijke emotie zou zijn toegestaan. Dat een prinses alleen maar een prinses kon zijn, was een waarheid waarmee, in essentie, een vertrouweling, hoe responsief ook, moest leven. Mevrouw Stringham was een vrouw van de wereld, maar Milly Theale was een prinses, de enige met wie ze tot nu toe te maken had gehad, en ook dit maakte, op een eigen manier, een wereld van verschil. Het was een volkomen definitieve lotsbestemming voor de drager ervan – het was voor alle anderen een volkomen tastbare eigenschap. Mogelijk was het, met de ermee gepaard gaande eenzaamheid en andere mysteries, het gewicht waaronder ze vermoedde dat het bewonderenswaardige hoofd van haar metgezel af en toe, en altijd zo onderdanig, zich gebogen hield. Milly had er tijdens de lunch volledig mee ingestemd dat ze bleven logeren en had haar alleen gelaten om kamers te bekijken, kwesties te regelen en afspraken te maken over de reservatie van hun koets en paarden; zorgen die nu als vanzelfsprekend op de schouders van mevrouw Stringham waren gevallen en die haar toch om de een of andere reden, vooral bij deze gelegenheid, duidelijk maakten – allemaal aangenaam, rijkelijk, bijna groots – wat het was om met de groten te leven. Haar jonge vriendin had, in sublieme mate, de gave gesloten te blijven voor wat zich algemeen als moeilijk aanbood, iets waar ze zich bovendien helemaal niet van af maakte, zoals je veel charmante mensen zag doen, door het dan maar aan anderen door te geven. Ze hield het volkomen op afstand: het kwam nooit in haar invloedssfeer; de meest klagerige vertrouweling had het niet naar binnen kunnen slepen, en het pad van een vertrouweling betreden betekende overeenkomstig zonder die moeilijkheden te leven. Diensten waren met andere woorden zo makkelijk te verlenen dat de hele zaak leek op een hofleven zonder de ontberingen. Het kwam natuurlijk neer op de vraag naar geld, en onze aandachtige dame had tegen die tijd herhaaldelijk bedacht dat als je over het ‘verschil’ praatte, het daar gewoon mee samenviel, en dat het net dit was, onvergelijkbaar en niets anders, eenmaal alles was gezegd en gedaan, dat het bepaalde. Een minder vulgair, een minder gratuit geld uitgevend of paraderend persoon had ze zich niet kunnen voorstellen, maar het was desondanks de waarheid der waarheden dat het meisje niet aan haar rijkdom kon ontkomen. Ze mocht haar gewetensvolle metgezel er dan zo veel als mogelijk alleen mee laten en er nooit een vraag over stellen, zelfs nauwelijks een verwijzing ernaar toelaten, maar het zat in de fijne plooien van het hulpeloos dure zwarte jurkje dat ze over het gras liet slepen terwijl ze nu verstrooid wegwandelde; het zat in de merkwaardige en schitterende haarlokken, opgestoken zonder enig oog voor de mode du jour, die kwamen piepen van onder de overeenkomstige onverschilligheid van haar hoed, met een louter persoonlijke traditie die een soort nobel gebrek aan elegantie suggereerde; het lag op de loer tussen de bladzijden van de nog ongesneden pocket van Tauchnitz, die ze, voordat ze naar buiten ging, mechanisch met zich mee had genomen. Ze kon het niet wegkleden, niet weglopen, niet weglezen, niet wegdenken; ze kon het niet weglachen in wat voor dromerige afwezigheid dan ook en het niet wegblazen in een of andere zachte zucht. Ze had het niet kunnen verliezen als ze het had geprobeerd – dat was wat het betekende om echt rijk te zijn. Het moest dat zijn wat je was.

Toen ze na een uur nog niet was teruggekeerd, nam mevrouw Stringham, hoewel de heldere middag nog jong was, in alle voorzichtigheid dezelfde richting, om haar te vergezellen voor het geval ze zin had in een wandeling. Maar het doel om zich bij haar aan te sluiten was in werkelijkheid minder duidelijk dan een gepast vooruitzicht op een mogelijk te verkiezen afstandelijkheid: zodat de goede dame, opnieuw, te werk ging met een kalmte die haar zelfs in haar eigen ogen enigszins ‘stiekem’ maakte. Dat kon ze evenwel niet helpen, en het kon haar niets schelen, want ze wist zeker dat ze niet echt over de schreef wou gaan, maar op tijd wou stoppen. Om in staat te zijn op tijd te kunnen stoppen ging ze zachtjes verder, maar ze moest bij deze gelegenheid verder gaan dan ooit tevoren, want ze volgde tevergeefs, en dan uiteindelijk toch met enige angst, het voetpad waarvan ze meende dat Milly het had genomen. Het liep een heuvel op en kwam uit in de hogere alpenweiden waarin ze, al die voorbije dagen, zo vaak hadden willen ronddwalen, als ze boven of beneden liepen; en toen verborg het zich in een bos, maar het ging toch altijd weer omhoog, omhoog, kennelijk met een klein groepje bruine oude hooggelegen chalets als doel. Mevrouw Stringham bereikte te zijner tijd de chalets, en daar ontving ze van een verbijsterde oude vrouw, een mens dat heel beangstigend was om te aanschouwen, een aanwijzing die haar afdoende verder gidste. De jongedame was niet lang voordien gezien terwijl ze passeerde, over een heuvelrug en naar een plek waar de weg weer zou dalen, zoals onze ontevreden onderzoeker het een kwartier later feitelijk vaststelde, op een duidelijke en bijna alarmerende wijze. Het leidde ergens heen, en blijkbaar helemaal de ruimte in, want de grote kant van de berg leek, van waar zij omhoog trok, geheel weg te vallen, hoewel waarschijnlijk slechts naar een lagergelegen punt, uit het zicht. Haar onzekerheid was bovendien van korte duur, want vervolgens werd ze zich bewust van de aanwezigheid op een stuk rots, twintig meter verderop, van het boek van Tauchnitz dat het meisje tevoorschijn had gehaald, en dat daarom wees op haar passage even voordien. Ze had zich ontdaan van het boek, dat een last was, en was uiteraard van plan het bij terugkomst weer op te halen; maar aangezien ze het nog niet had teruggepakt, wat was er dan in hemelsnaam van haar geworden? Mevrouw Stringham – ik haast me om het te zeggen – zou dat binnen enkele ogenblikken zien, maar het was volledig bij toeval dat ze, vooraleer dat moment voorbij was, het feit van haar eigen nabijheid niet had verraden door haar dieper geworden onrust.

De hele plaats leek, met de afdaling van het pad als vervolg op een scherpe bocht die werd gemaskeerd door rotsen en struiken, plotseling steil naar beneden te vallen en zo een puur en eenvoudig ‘uitzicht’ te worden, een zicht van grote omvang en schoonheid, maar naar voren geworpen en duizelingwekkend. Milly, vanuit de belofte van dat zicht even hogerop, was er regelrecht op af gelopen en had niet haltgehouden vooraleer het allemaal voor haar lag; en hier, op wat haar vriendin met schrik erkende als een duizelige rand, zat ze op haar gemak. Het pad zorgde eigenlijk voor zichzelf en voor wat het te doen stond, maar de stoel van het meisje was een rotsblok aan het einde van een kort voorgebergte of van een uitloper die slechts naar rechts wees in de richting van golven van lucht, en die daar zo was geplaatst, door een goede of net door een wrede speling van het lot, om uiteindelijk compleet zichtbaar te worden. Want mevrouw Stringham onderdrukte een kreet toen ze inzag wat volgens haar het gevaar was van zo’n plek voor een jonge vrouw; het risico te struikelen, uit te glijden, te duikelen, voorover te storten door één enkele verkeerde beweging, door een knik van het hoofd – hoe kon je het weten? – in om het even wat zich beneden bevond. Duizend gedachten brulden, deze minuut lang, in de oren van de arme dame, maar zonder, zoals het zich voordeed, die van Milly te bereiken. Het was een commotie waardoor onze waarnemer intens stil bleef en haar adem inhield. Wat haar als eerste werd aangeboden, was de mogelijkheid van een verborgen intentie – hoe wild het idee ook was – van een verraden overeenstemming van Milly’s grillen met een vreselijke verborgen obsessie. Maar aangezien mevrouw Stringham zo bewegingloos bleef staan alsof één geluid, één lettergreep, de fatale duw zou hebben veroorzaakt, had zelfs het verstrijken van een paar seconden een gedeeltelijk geruststellend effect. Het gaf haar de tijd om de indruk te krijgen die, toen ze een paar minuten later zachtjes op haar schreden terugkeerde, de scherpste zou zijn die ze weer met zich meenam. Het was de indruk dat als het meisje daar diep en onbesuisd zat te mediteren, het toch geen sprong was die ze overwoog; integendeel, terwijl ze neerzat, bevond ze zich veel meer in een staat van verheven en onbeperkte bemeestering die niets te winnen had bij geweld. Ze keek neer op de koninkrijken van de aarde, en hoewel dat alles op zich haar natuurlijk naar het hoofd kon stijgen, zou dat niet met de bedoeling zijn eraan te verzaken. Was ze een keuze aan het maken, of wou ze het allemaal? Deze vraag, voordat mevrouw Stringham had besloten wat te doen, maakte andere vragen ijdel; en in overeenstemming zag ze, of dacht ze dat te doen, dat als het gevaarlijk zou kunnen zijn om te roepen, om op de een of andere manier een verrassing te laten klinken, het waarschijnlijk veilig genoeg zou zijn om zich terug te trekken zoals ze was gekomen. Ze keek nog een tijdje, hield haar adem in, en ze zou achteraf nooit weten hoeveel tijd er verstreken was.

Niet veel minuten waarschijnlijk, maar toch leken het er niet weinig, en ze hadden haar zoveel stof tot nadenken gegeven, niet alleen terwijl ze naar huis sloop, maar ook terwijl ze in de herberg wachtte, dat ze er nog steeds mee bezig was toen, laat in de middag, Milly weer verscheen. Ze was op dat punt van het pad blijven staan waar de Tauchnitz lag, had het boek opgepakt en, met het potlood dat aan de ketting van haar zakhorloge hing, een woord gekrabbeld – à bientôt! – over de breedte van de omslag; vervolgens had ze, zelfs terwijl de vertraging van het meisje bleef oplopen, gekeken hoe laat het was zonder opnieuw gealarmeerd te raken. Want ze zag nu dat het grote inzicht dat ze had meegenomen net lag in de overtuiging dat de toekomst voor haar prinses niet zou bestaan in de vorm van een scherpe of eenvoudige verlossing uit de menselijke conditie. Het zou voor haar geen kwestie zijn van een vliegende sprong en daarmee van een snelle ontsnapping. Het zou een kwestie zijn de gehele aanval van het leven volledig onder ogen te zien, waarvan ze het algemene patroon inderdaad direct voorgeschoteld had gekregen terwijl ze daar op haar rots zat. Zo kon mevrouw Stringham tegen zichzelf zeggen, zelfs na nog een pauze van enige lengte, dat als haar jonge vriendin nog steeds afwezig bleef, dit niet zou zijn omdat ze – welke gelegenheid zich ook aanbood – de draad had doorgesneden. Ze zou geen zelfmoord hebben gepleegd; ze wist dat er onmiskenbaar een ingewikkelder passage voor haar was weggelegd; dit was precies het visioen waarin ze, met niet weinig ontzag, ontdekt was. Het beeld dat zo bij de oudere dame bleef, behield het karakter van een openbaring. Tijdens de ademloze minuten van haar toezicht had ze haar metgezel opnieuw gezien; haar type, aard, kenmerken, haar geschiedenis, haar staat, haar schoonheid, haar mysterie, het had zich allemaal onbewust aan de alpenlucht verraden, en het was weer allemaal samengebracht om de vlam van mevrouw Stringham opnieuw te voeden. Het zijn dingen die voor ons duidelijker zullen verschijnen, en ze worden in afwachting kort weergegeven door het enthousiasme dat onze vriendin sterker ten deel viel dan enige twijfel. Het was een bewustzijn waaraan ze nauwelijks gewend was, maar het was alsof onder haar voeten een mijn lag gevuld met iets kostbaars. Ze leek bij de opening te staan, die nog niet geheel was vrijgemaakt. De mijn moest enkel in werking worden gesteld en zou zeker een schat opleveren. Ze dacht daarbij helemaal niet aan Milly’s goud.

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

Oorspronkelijke publicatie: hoofdstuk 1 van boek 3 van Henry James, The Wings of the Dove [1902], in: Novels 1901–1902, New York, The Library of America, pp. 284-299.

De bergpas van Turner

In april 2021 kocht ik op een veiling een autotype naar een ets van J.M.W. Turner (1775-1851): een carbonkleurig cliché van de Gotthardpas. De aanleiding voor mijn aanschaf was een oproep tot deelname aan een Zwitserse conferentie. Op de veiling zocht ik naar geografisch materiaal – plattegronden en kaarten – dat mij een historisch ankerpunt kon bieden om het vraagstuk van de topologie concreet te situeren. En daar verscheen: de bergpas van Turner. 

De Gotthardpas is vernoemd naar Godehardus van Hildesheim (960-1038), beschermer van marskramers die in dit geval te voet tussen Zwitserland en Italië reisden. Turners impressie van deze bergpas is vermoedelijk ontstaan rond 1804 en wordt aangeduid als een schets uit zijn Liber Studiorum. Een ezel met een drijver bevindt zich, heel klein getekend, voor een smalle tunnel, aangelegd voor het transporteren van goederen per muilezel. Het is een zogenaamd lastdierpad dat door omwonenden als tolweg werd beschouwd. Rond de jaren 1830 werd de weg verbreed en voor postkoetsen geschikt gemaakt. In 1882 werd er een spoorwegtunnel gegraven, dwars door het Gotthard-Alpenmassief.

De prent toont een gigantische kloof met, ongeveer in het midden op een smalle richel, een ezel met een muilkorf en bepakt met goederen. In de verte, op flinke afstand en nog in de tunnel, staat een donkere mensfiguur, in daglicht tegen de opening. De ingang wordt geaccentueerd door dekstenen, met links tussen de rotsen iets dat lijkt op een spontaan waterfonteintje. Rechts van de weg verschijnt de kloof, en het voorste massief in de schaduw steekt sterk af tegen de felverlichte Alpen op de achtergrond. Het is indrukwekkend op een sublieme manier, en de beschouwer moet vermoedelijk vooral ontzag ervaren en geïmponeerd worden. Het was zoals bekend Edmund Burke die in het Engeland van Turner (en van Constable) het accent legde op het sublieme in de natuurbeleving naast, of in plaats van, meer eenvoudige en traditionele schoonheidservaringen.

Er bestaat een aquarel van Turner die bijna dezelfde situatie laat zien als op mijn exemplaar en die dateert uit 1804. Daarop verschuift de focus naar de diepte van de kloof, met aan weerszijden de enorme hooggebergten. Bijna uit het beeld verdwenen zijn twee lastdieren met witte bagage op de rug, die over een stenen brug lijken te passeren. Het grote verschil met de prent ligt in de prominente aandacht voor de damp die oprijst uit de kloof. Witte wolken met hier en daar roestbruine schemer doemen op, in een verticale beweging richting horizon en hemel. Het is bekend dat Turner reizen maakte naar Zwitserland in 1802, 1836 en 1844. 

In een schilderij dat Turner rond dezelfde tijd voltooide, in 1804, spelen wolkachtige formaties opnieuw een hoofdrol. Het toont heel prominent de zogeheten Duivelsbrug die de Schöllenenkloof overspant, over de bedding van de Reuss. Het werk is spectaculair door de weergave van hoogteverschillen, met een duidelijke noord-zuidaccentuering dankzij vallend water en opstijgende lucht. Hier zijn het niet zozeer lastdieren die het beeld ‘humaner’ maken, maar een karavaan van marcherende mannen in legeruniform. Er is aldus sprake van een andere, tweede soort sublimering: het markeren van de (napoleontische) oorlog tussen Fransen en Russen die over dezelfde Gotthardpas strijd voerden, niet zo heel lang voordat Turner zijn reizen begon. Het ontzag voor de gevaren van de natuur wordt gedocumenteerd en aangevuld met angst en ontzag voor de mens. Dat olieverfschilderij is overigens in het bezit van Kunsthaus Zürich. Toen het Dordrechts Museum, ook in 2021, een schilderij van Turner in langdurige bruikleen ontving, zei de cultuurwethouder: ‘Dordrecht is niet alleen de stad van Cuyp, maar ook van Turner.’ Is niet ook Zwitserland een beetje van Turner? Of is Turner een beetje van Zwitserland? De Gotthardpas en de afbeeldingen ervan kunnen alleszins helpen om een idee te krijgen van een sense of place, een soort van identificatie met een cultureel karakter.

Michel Serres stelt in zijn derde boek van de Hermès-reeks, La Traduction uit 1974, de vraag naar de historische plaats die we aan het werk van Turner moeten toekennen. Turner staat bij hem voor een ommekeer in het culturele denken over vooruitgang. Is voor 1800 het mechanische, stabiele model dominant geweest in wetenschap en filosofie, dan treedt daarna het tijdperk van de thermodynamica op de voorgrond. Deze omwenteling leidt tot een industriële revolutie, en Turner zou er als eerste in geslaagd zijn die vorm te geven. Door het promoveren van Turners oeuvre tot een avant-gardistische exceptie weet Serres de beeldende kunst een epistemologische plek te geven in de moderne cultuurgeschiedenis: ‘Turner begreep en onthulde de nieuwe wereld, de nieuwe materie. De ervaring van het stochastische vervangt de kunst om vorm te tekenen.’ 

Om dat met meer overtuiging te brengen, gebruikt Serres een aantal werken van Turner die inderdaad wijzen op het contrast tussen een pre-industriële praktijk en daaropvolgende ontwikkelingen, zoals zeilboten versus stoomschepen. De scheepvaart is de beeldtechnische favoriet van Turner, en het treinmotief als modern verschijnsel is van latere datum. Een karakteristiek voorbeeld is zijn schilderij waarop een flink stoom uitstotend sleepschip een ‘afgetakelde’ achttiende-eeuwse oorlogsbodem – de Téméraire – aan de lijn het beeld uitsleept. En dat ook nog eens bij een ondergaande zon. Alle referenties die Serres noemt, wijzen erop hoe Turner veelvuldig tracht aan te brengen – te imiteren – hoe vaste materie overgaat in mistige, gasachtig vervluchtende scènes. Zijn conclusie is die van een fluïde werkelijkheid waarin toeval een grote rol speelt. De topologisch redenerende exegeet moet nu, net als zijn wiskundige collega, toegeven dat zijn systematische benadering op methodisch vlak onvolledig is geweest, want plaatselijk en tijdelijk. Er staat altijd een nog onbekende factor te wachten op verklaring.

Wat het autotype en de aquarel uit 1804 betreft, is het precies die kloof tussen het mechanische gesjok van de muilezels en de dampende, chaotische thermodynamiek van de natuurkunde die het onbekende ruimte geeft. Symbolisch worden deze domeinen nog versterkt en verbonden door een tunnel en een brug – traditionele gemeenplaatsen voor het overbrengen van informatie. 

Hoe specifiek wordt de Gotthardpas, als sublieme, markante verbeelding van de overgang tussen Noord- en Zuid-Europa, tussen oud en nieuw, tussen de negentiende en de eenentwintigste eeuw, maar ook als een strikt lokale, bergachtige plek, die als Zwitsers motief tot iconische proporties wordt veroordeeld, waar de botsing van hete en koude lucht stoom opwekt, en waar een fraai verbeelde bergwandeling een gebeurtenis op papier wordt? Van de Gotthardpas is het met de auto richting Zürich of Luzern ongeveer 53 minuten rijden naar Morschach. Daar werden in juni 2021 vuren ontstoken, de zogenaamde Höhenfeuer. Op de Rütli, de alpenweide die met de legende van de stichting van Zwitserland is verbonden, werd zo nogmaals de Zwitserse soevereiniteit geclaimd ten opzichte van de Europese Unie. Vuur is voor Serres een zinnebeeld van een premodern wereldbeeld. Is het toeval dat de Zwitserse medicus Johannes Hofer (1669-1752) in 1688 voor het eerst het woord ‘nostalgie’ gebruikte in zijn proefschrift Dissertatio medica de nostalgia, oder Heimwehe? Turner wordt vandaag vooral gezien als een zielkundige romanticus in plaats van als de avant-gardistische realist die Serres in hem zag. Het is een romantiserend retroperspectief dat een nieuwe dynamiek werd toegedicht door de ontwerpers van The Bank of England, want na de Brexit in 2020 werd een nieuw biljet van twintig pond bedrukt met een portret van Turner, met op de achtergrond de stoomsleepboot en het zeilschip. De identificatie van Groot-Brittannië met Turner wordt bovendien versterkt door de naar hem genoemde prijs voor hedendaagse kunst, georganiseerd door Tate Gallery en ingesteld in 1984.

Dat Turner een cultureel ondernemer en een avonturier was, staat buiten kijf. De schilderijen en aquarellen die rond 1804 ontstonden naar aanleiding van zijn Europese tocht, waren de eerste werken die hij in zijn eigen galerie verkocht. Of hij de eerste moderne kunstenaar was, is een minder interessante vraag dan te beschouwen in welk artistiek vocabulaire hij grasduinde. Er is een schilderkunstige lijn die loopt van zeventiende-eeuwse landschapsschilders naar allerlei natuurafbeeldingen die dienstdoen als achtergrond op portretten en religieuze schilderstukken. De verbeelding van natuurfenomenen als de kern van Turners oeuvre beschouwen doet zijn werk tekort. Het is interessanter om de topologie van de Gotthardpas te verbreden en te actualiseren. Hoe ziet de interactie tussen het individu, de kunstenaar en het sociale domein, tussen ethiek en esthetiek, er ondertussen uit? Als het gaat over natuur, over het sublieme en over een thuisgevoel, dan is duidelijk dat de huidige thematische interesse voor klimaat en natuur alle artistieke disciplines overstijgt. De fraaie land art van Long en Smithson wordt nu geconfronteerd met gerecycleerde sculpturen van Peter Smith en Steve McPherson. De natuur wordt nauwelijks nog begrepen als een intimiderend ruw fenomeen met een eigen wil, maar veeleer als een instrument met nukken af en toe, die we kunnen proberen te beheersen, of overeind proberen houden, ook voor onze eigen gezondheid, bijvoorbeeld door duurzame waterstof uit te stoten in plaats van fijnstofwolken te produceren. Sublieme gevoelens lijken zich vooral te beperken tot gecultiveerde virtuele werelden zoals gecreëerd door AR, VR of AI. Als we het sublieme nog steeds met zowel schoonheid als afschuw verbinden, is er toch meer reserve gekweekt die zich uit in maatschappelijk engagement met weinig romantisch perspectief. En ook de toppen van de Alpen in Zwitserland zijn nog steeds verschrikkelijk indrukwekkend en ontroerend, maar ze hebben geen unieke plaats meer in een typisch Zwitserse identiteit, die veeleer bepaald wordt door een historische en federale neutraliteit, als uitzondering in een Europees landschap. 

Die uitzondering, centraal gelegen, was destijds ook de aanleiding voor tijdgenoten van Turner om het continent te bezoeken. Alpiene formaties leenden zich goed voor schilderachtige en poëtische vergezichten, alsmede voor een langer verblijf. Lord Byron, die Engeland was ontvlucht, heeft zich geïnspireerd gevoeld door deze omgeving. Zijn dramatische gedicht ‘Manfred’, voltooid in 1817, speelt zich af in de Berner Alpen en blinkt uit in metafysische, faustiaanse speculatie. Over de Mont Blanc – niet in Zwitserland gelegen, maar wel zichtbaar aan de overkant van het meer van Genève – schreef P.B. Shelley in 1817 zijn beroemde gedicht, waarin hij openbaart dat ‘I seem as in a trance sublime and strange / To muse on my own separate phantasy’. De bergtop wordt een culminatiepunt waarop de aardse, wilde natuur tot in de hemel reikt. Turner zelf was meer down to earth. Vriend en reisgenoot Farington noteert uit één hunner conversaties in 1802 hoe hij vond dat de Zwitsers het moeilijk hadden, maar toch vriendelijk waren voor Britse gasten. Wat het landschap betrof, had hij mooie ‘fragmenten en afgronden’ gezien, ‘heel romantisch, en opvallend groots’, om te besluiten dat ‘het land over het geheel genomen Wales overtreft, en Schotland ook…’ 

Turner heeft de Mont Blanc zelf ook veelvuldig getekend, zoals te zien is in zijn digitaal gearchiveerde schetsboeken. Hoe stoom, mist en zwangere lucht niet alleen te schetsen, maar ook te schilderen, te vertalen in kleur – het is in principe een kwestie van licht en donker. In het seculiere, postromantische heden heeft het toerisme veelal een eind gemaakt aan wat onrepresenteerbaar verheven is in het sublieme natuurgevoel. Waarschijnlijk is het de stedelijke cultuur die nu overwonnen moet worden, inclusief dramatische gebeurtenissen. Het ontzagwekkende in de esthetische houding is, met dank aan Lyotard, materiëler en tragischer geworden. Bij Turner valt er gelukkig nog niemand in de kloof, terwijl in de meeste steden een Duivelsbrug een luchtspiegeling blijft. En bij de Gotthardtunnel valt er nu vooral rekening te houden met filevorming.

Wat is ‘Zwitsers’?

Terugdenkend, misschien, aan de straat met arcades en puntgevels in Bern waarin hij, van 1904 tot 1905, de vijf artikelen schreef waarmee hij de fysica en de kosmologie veranderde, of aan de Universiteit van Genève, waar hij in 1909 zijn eerste doctoraat kreeg, honoris causa, benoemde Albert Einstein (die het Zwitserse burgerschap behield tot aan het eind van zijn leven) Zwitserland als ‘het mooiste hoekje op aarde dat ik ken’.

Die schoonheid is zowel vanzelfsprekend als uniek. Ze overweldigt in de hoge bergen van het Berner Oberland, in de abrupte valleien van de Engadin, door de stille meren en de donkere wouden van de Jura. Sinds de achttiende eeuw hebben reizigers, denkers, kunstenaars, ballingen en rijken de wijngaarden opgezocht en het licht, opmerkelijk levendig vergeleken met de kilte van hoger gelegen plaatsen, van Leman of Ticino. Het gehamerde goud van de herfst in Wallis is onvergelijkbaar; of de intrede van de lente in de alpages boven Rilkes Muzot en Nietzsches Sils Maria.

Maar deze lieflijkheid is uniek dankzij de menselijkheid ervan. Met uitzondering van de alpenhoogtes of van de geïsoleerde vallei voorbij Vulpera, in de oosterse hoek, is de wandelaar zelden buiten bereik. De klokken van oude torens reiken bijna tot aan de bergtoppen. De lichten van steden en dorpen zijn zichtbaar vanaf de bergpassen en rond de kloof van de vallei. Wijngaard en uitgehouwen steen, de Romeinse brug en de romaneske stadspoort, grote daken rond boerenerven, loggia’s en arcades die aan Basel en Bolzano, aan Bern en Lugano, hun oude stedelijkheid geven, vertellen over een bestendigheid, over een aandachtig opportunisme van menselijke nederzetting en gebruik, vreemd aan de verkwistende leegte van, bijvoorbeeld, de Noorse bergen of zelfs de onbeheerste bossen van New England. De mens is waakzaam thuis in Zwitserland sinds het begin van de geschiedenis […]. De schoonheid van het land wordt versterkt, maar ook afgerond, bedwongen door zijn aanwezigheid. Het affect kan, bij momenten, dat zijn van een middeleeuwse miniatuur, met diepten en een nauw begrensde lichtsterkte.

Het kan dat de schoonheid en het patina van dit ‘mooiste hoekje op aarde’ (ik heb Kashmir niet gezien) de verenigde factor ervan uitmaakt. Het is niet makkelijk om te bepalen waar de nationale identiteit elders een bron zou hebben.

De etnische, linguïstische, religieuze onderverdelingen van Zwitserland, van wat, letterlijk en formeel, de Zwitserse Confederatie is, zijn welbekend. […] Dialecten variëren, vaak scherp, van de monding van een vallei tot het hoogste bereik ervan. Religieuze en linguïstische grenzen – de twee vallen niet noodzakelijk samen – doorsnijden straten in Freibürg-Fribourg. Onbekwaam of onwillig om Duits of Zwitsers-Duits te gebruiken, maar wel in de noodzaak, meer en meer, te communiceren met werkgevers, directeurs, managers en werknemers die binnenstromen uit Duitssprekend Zwitserland, vallen de Genèvers, in banken en verzekeringen, in hotels en supermarkten, terug op Engels. Amerikaans-Engels is goed op weg, zoals in zoveel hybride gemeenschappen, om de interlingua te worden van de Zwitserse financiën en industrie, van technologie en informatie. Vlotheid in drie of vier talen – Frans, Duits, Italiaans, Engels – wordt, voor zaken en banken, stilaan een dagelijkse noodzaak. Daaraan wordt toegevoegd, zeker wat betreft Basel, Bern en Zürich, de kennis van het thuisdialect, van de lokale, sterk afwijkende zijtak van zestiende- en zeventiende-eeuws Duits. […]

In vele regio’s en gemeenschappen zijn de lijnen van familiale en professionele scheiding scherp getrokken. Minstens één universiteit, zo wordt gezegd, heeft decennialang gezocht naar een evenwicht tussen het aantal protestanten en katholieken in het professorencorps. Voor de protestanten van la Suisse romande behoudt Miltons tegenstelling tussen Genève en Rome, zijn aanroeping van heilige strijd en compromisloze hervorming in de ‘ijskoude grotten van Helvetia’, een aura van actualiteit. Algemener zijn de materiële, etnische en psychologische afstanden tussen Zürich en het op Frankrijk gerichte Genève groot, net als die tussen de protestantse bankier en de katholieke herder, tussen de aartsconservatieve stadsvaders van Lausanne en de jeugdcultuur die twee jaar geleden op de straten uitbrak in bruusk geweld en anarchistische bespotting. De feitelijke kleinheid van het land (40.000 vierkante meter) concentreert en kartelt de breuklijnen van onderlinge dissociatie.

Wat is, desondanks, ‘Zwitsers’?

Hoewel Zwitserland geen De Tocqueville heeft voortgebracht en er evenmin door is ontleed, zijn er veel pogingen geweest om deze vraag te beantwoorden. Normaal gezien heeft het argument te maken met gedeelde geschiedenis. De paradox en de mogelijkheid van het samenleven tussen kantons, talen, geloofsovertuigingen en afgetekende gevoeligheden groeide, op een pijnlijke manier, uit een vastberadenheid onafhankelijk te zijn en excentriek te blijven binnen en tegenover de grote Europese natiestaten. Die vastberadenheid maakt de kern uit, zowel mythisch als historisch, van het zelfbeeld van Zwitserland. Coherentie kwam voort uit verzet tegen Oostenrijkse, Bourgondische en Franse indringers. Vaak lokaal en internationaal verdeeld, bracht dit verzet een alternatief model tot stand voor dat van het gecentraliseerde Europese nationalisme. Zelfs aangevallen door het buitenland of aan de winnende hand, bleef Zwitserland een federatie, sterker aan de grenzen dan in het centrum, een plebiscitaire republiek, trots gericht op het behoud van het lappendeken van interne autonomieën. Zwitserse neutraliteit […] is de complexe omstandigheid, maar ook het product van dit conservatisme. Het is niet alleen een bescherming tegen de buitenwereld; het helpt een zekere politieke zwakte en provincialisme in het centrum te verzekeren. Generaals zijn verdachte wezens die enkel getolereerd kunnen worden tijdens zeldzame momenten van ongewenste crisis (zoals wereldoorlogen die losbarsten aan de grenzen).

Toch wordt het Zwitserse leger het voornaamste cement genoemd in de structuur van de confederale identiteit. Of dit nog altijd zo is, wordt druk besproken. De grote rol van de legerdienst, van de jaarlijkse reserve en de territoriale plichten is onmiskenbaar in het Zwitserse leven. Hetzelfde geldt voor het zakendoen en bankieren, zelfs binnen het academische establishment, voor vriendschappen gevormd en patronage gecultiveerd tijdens de militaire training (officieren hebben de neiging om tot een vrijmetselarij te behoren van sociale en economische bevordering). Het is echter niet langer duidelijk in welke mate dienstplicht en legertraining regionale en taalkundige grenzen eroderen. […] Voorlopig nog sporadisch, en bovendien in hoge mate gecensureerd, worden er fundamentele twijfels geuit over de dienstplicht, vooral door jongeren. Het grote taboe van gewetensbezwaarde dienstweigering wordt stilaan zwakker. Het is hier dat een aantal van mijn collega’s aan de Universiteit van Genève, zelfs ex-officieren die jaarlijks opgeroepen worden, de toekomstige uitdaging zien voor de sinds lang vaststaande conventies over wat ‘Zwitsers’ is.

Wat vertelt de literatuur over de inhoud van die ontwijkende term? […] Regionalisme, worteling in lokale kleur, karakteriseert niet enkel dialectliteraturen en ‘primitivistische’ stromingen in Zwitserse poëzie en fictie. Het maakt ook een belangrijk element uit in het werk van meesters als Gottfried Keller, Carl Spitteler of C.F. Ramuz. Zelfs wanneer de visie en bezorgdheden veelomvattend zijn, is een Zwitserse schrijver geneigd om, als een havik, rond een aparte hoek van de geboortegrond te cirkelen. Een Zwitsers oor vangt een welomschreven gevoel voor plaats op, de subtiele banden met een scène, zelfs in ‘internationale’ romanciers, zoals verkenners van de thuisloze moderniteit als Max Frisch en Adolf Muschg […].

Een tweede en blijvende streng is die van opstand. De zelfonderdrukking van een levendig gevoel, van anarchistische impulsen, de sluwe voorkeur voor gedisciplineerde middelmatigheid die ingebouwd zit in het Zwitserse educatieve en politieke bestaan (de positieve term zou ‘overleving’ zijn), onderdrukken en ergeren de Zwitserse literatuur. Al in de jaren 1840, getuige de jonge Keller, was de schreeuw er een van verstikking, van gesmoorde tirades. Het Geneefse woord is morosité. De echt groten zijn ofwel geïmporteerd (Calvijn, Nietzsche, Hesse, Thomas Mann) of ze vertrekken in bitterheid (Rousseau, Klee). Vandaar een heftig ‘anti-Zwitsers’ karakter in veel van het beste Zwitserse schrijven: in Dürrenmatt, in Frisch, in Conrad Ferdinand Meyer, in die oneerbiedige satiricus Gerold Späth. Vandaar de perfecte toepasselijkheid van dada binnen het decor van Zürich. Wat kan een kunstenaar doen, wat kan een kunstenaar hopen te veranderen in dat bleke sanatorium van een land – een sanatorium in wiens kelders, zoals Spitteler toonde in zijn verbazingwekkende novelle Conrad der Leutnant, vlagen van versmachtend geweld hun werk doen?

Waar de opstand in essentie impotent is, daar ligt de optie van eenzaamheid voor de hand. Na tien jaar is het mijn voorgevoel dat een vorm van isolement vaste prik is in Zwitserland. Het beroemde etiket van Marvell blijft hangen: ‘a fine and private place’. Dat fijne en die privacy zijn echt. Ik ken geen andere gemeenschap waarin het recht om te denken, om te werken in aangename privacy, binnen materiële privileges en doeltreffendheden die de inbraken van het publieke leven minimaliseren, op een preciezer manier is verzorgd. Het is net omdat het, één keer per jaar, de grootse en wilde trommels is toegestaan de nacht te wekken in het beroemde carnaval in Basel, dat de geest en het gebaar achter gesloten deuren zo tastbaar zijn. Maar de wenk naar de grafzerk in de regels van Marvell is ook van toepassing. Er is, dwars door de Zwitserse literaturen, een motief van zelfbegrafenis, van ondergrondse innerlijkheid.

Het dagboek van Amiel, bijgehouden in virtuele geheimhouding van 1847 tot 1881, beslaat ongeveer 17.000 gedrukte pagina’s. Ludwig Hohl, wiens Bergfahrt naast de verhalen van Kleist kan staan, leefde, letterlijk, in een soort grot of verborgen kelder onder wat hij beschouwde als het vulgaire verkeer van de Geneefse straten. Van Stiller en Andorra tot aan zijn recentste ficties, wordt Max Frisch (zoals Rousseau voor hem) geobsedeerd door eenzaamheid, de machteloosheid van menselijke nood en communicatie. Niet zelden heeft de verplichte of gekozen privacy van de Zwitserse schrijver, diens gevoel voor innerlijk exil, geleid tot mentale ineenstorting en zelfs tot zelfmoord. De namen, de tragische carrières van Adolf Wölfli, Robert Walser, Karl Stamm of Hans Morgenthaler schieten te binnen.

Zelfs door Jacob Burckhardt, die ik beschouw als de meest representatieve man van geest en gevoel die de Zwitserse cultuur heeft voortgebracht (er zijn belangrijke manieren waarop Rousseau en Jung ‘outsiders’ blijven) werd een evenwicht ternauwernood bereikt, en dan nog onder onophoudelijke stress. Burckhardts betoverde maar resistente relaties met Nietzsche, de afwisseling van genereuze fascinatie en ontwijkende schrik in zijn houdingen tegenover zijn jongere collega aan de Universiteit van Basel, belichamen een diepgaande angst voor het irrationele. En ook Jacob Burckhardt was een man van eenzaamheden in een klein en druk land.

Regionalisme, satirische ergernis en eenzaamheid zijn cruciaal voor de Zwitserse literatuur en het kritisch denken. Maar zowel het bewijs dat literatuur aanreikt, net als de interpretatie van zulk bewijs, wordt overgedramatiseerd en is, in sommige opzichten, atypisch. Zelfs als bevoorrechte getuige spreekt de schrijver tegen de keer. Tien jaren zijn, zoals ik heb ondervonden, te kort om het palimpsest van Geneefse sociëteiten te leren kennen, laat staan die van Zwitserland. Mijn indrukken over wat Zwitsers is, zijn wat ze zijn. Maar twee van die indrukken vallen op.

Onder druk gezet, en indien überhaupt bereid om toe te geven aan de nieuwsgierigheid van een outsider, zal een Zwitser geneigd zijn het eigen ethos, de specifieke cultureel-nationale identiteit, weer te geven in concentrische, verweven cirkels, die verschillende brandpunten hebben. In een land dat nooit oorlog gekend heeft, geen buitenlandse bezetting en nauwelijks civiele strijd, kennen en bewonen families vaak hun eigen ononderbroken afkomst. Scène, dialect en biecht zijn goed bewaard gebleven en informatief. Maar hetzelfde geldt voor de ontelbare professionele, militaire of paramilitaire associaties, broederschappen of clubs waar de Zwitsers aan vastkleven met uiterste verknochtheid, levenslang. Niemand die nog nooit een lokale schuttersvereniging heeft aanschouwd op weg naar de verplichte oefeningen kan een begrip ontwikkelen van de ware betekenis van Helvetische solidariteit. Er zijn weinig auberges die niet over een eigen Stammtisch beschikken waarrond politieke, professionele of atletische broeders zich scharen in even goedgeregelde als hechte gezelligheid. Deze overgeërfde en uitgekozen verwantschappen zijn de min of meer discrete sleutels tot het spel van compromis en onuitgesproken wederkerigheid in het parlement van Bern en de federale agentschappen.

Maar het is precies het door elkaar geweven, veelgelaagde karakter van de Zwitserse loyaliteit en zelfherkenning dat een cruciale onthouding bepaalt van centraliteit. Toen er overlegd werd over de meest geschikte titel voor een literair tijdschrift aan de Universiteit van Genève – niet dat het huis van Calvijn zich overgeeft aan dergelijke lichtzinnigheden – had mijn collega Michel Butor een precieze ingeving. Het zou L’Anti-centre moeten heten, zo zei hij.

De tweede impressie is al bij al speculatiever.

Geen andere Europese gemeenschap, en niet veel gemeenschappen buiten Europa, hebben eeuwen van vrede gekend (de napoleontische invallen waren heel kort) of een vergelijkbare materiële welvarendheid en sociale rust. Er zijn lelijke concentraties van armoede, zowel landelijk als stedelijk; er zijn tijden van economische recessie waarin de frontalier en de gastarbeider de deur worden gewezen om werkloosheidsstatistieken te maskeren. Maar over het geheel genomen, en vooral in deze eeuw van wereldoorlogen, politieke terreur en klassenstrijd, is Zwitserland griezelig gespaard gebleven. Het heeft een unieke wapenstilstand met de geschiedenis onderhandeld, en ervan geprofiteerd ook.

Voor de gelovige calvinist bevestigt deze paradijselijke vrijstelling de uitverkiezing tot gratie. Op een seculier niveau laat een dergelijke bekrachtiging zich nog voelen door de patriciër en de bankier in Zürich die weet dat het merendeel van de buitenwereld, los van wederzijdse haat en ideologische verschillen, zich nog altijd zal spoeden, zelfs ten koste van negatieve rente, om geldelijke reserves tot bij hem te brengen. Maar voor andere Zwitsers (en zeker voor de meer bedachtzame onder mijn studenten) is zulke zelfgenoegzaamheid, hoe voorzichtig, hoe sober ook de uiterlijke manifestaties ervan, niet langer aanvaardbaar. Het ‘sparend voorbijgaan’ van Zwitserland – uitgehongerde, opgejaagde mannen en vrouwen staarden hopeloos voorbij Franse en nazistische bewakers tijdens de jaren veertig, naar die andere zijde van het treinstation van Genève, overstromend met licht, veiligheid en voedsel – is radicaal verontrustend. Wat staat Zwitserland te wachten na zo’n uitzonderlijk lot vol veiligheid en privilege? Wat staat het te wachten, zo zouden sommigen daaraan toevoegen, na zo’n volgehouden en vaak zalvige zelfzucht? Het syndroom, als dat woord zich laat gebruiken, is dat van ‘The Beast in the Jungle’ van Henry James. Wanneer, waar zal het beest springen? De vorm die ik tref in Genève is er een van ‘omgekeerde voorbestemming’. Na zo lang het eigenlijke bastion geweest te zijn van alledaagse zegeningen, zal Zwitserland grimmig te grazen worden genomen. Het onverbiddelijke punt van de fabel van James is natuurlijk dat het nobele dier nooit zal springen.

Ik herhaal dat dit de trachtende impressies zijn van een gast. Het zou kunnen dat het nog het meest Zwitsers is om de vraag niet te stellen.

 

Vertaling uit het Engels: Christophe Van Gerrewey

Oorspronkelijk verschenen als ‘What is ‘Swiss’?’ in: Times Literary Supplement, 7 december 1984, pp. 3-4.

Baas in eigen burcht. ‘Self-Determination. A Global Perspective’ in Dublin

Zelfbeschikking kan gelden voor een land of een lichaam, maar vaak geldt het voor allebei tegelijk, zo bevestigt het vorig jaar verschenen Contraception and Modern Ireland. In dat boek beschrijft Laura Kelly hoe de katholieke kerk na de Ierse onafhankelijkheid rond 1922 nog steeds invloed had op het contraceptiebeleid. Katholieke tradities blijven sterk aanwezig, maar tijdens het referendum over abortus in 2018 bleek de roep om zelfbeschikking sterker. Tegenwoordig is abortus in België gratis bij zwangerschappen tot en met twaalf weken, terwijl in Nederland de grens op vierentwintig weken ligt. Toch zijn die regels nergens vanzelfsprekend. Met de intrekking van het mijlpaalarrest Roe v. Wade in 2022 staan ze ook in de Verenigde Staten opnieuw onder druk, en kan iedere staat nu zelf bepalen of abortus al dan niet legaal is.

De tegenovergestelde omwenteling in Ierland maakt deel uit van een geschiedenis van twintigste-eeuwse revoluties, waarvan er een aantal samenkomen in het leven van Constance Markievicz. Zij volgde in Londen een opleiding om schilder te worden, maar al snel werd ze gebeten door politiek. Tijdens de Paasopstand in Dublin van 1916 vocht ze mee tegen de Britten, waarna ze de eerste verkozen vrouw werd in het Britse Lagerhuis. Ze nam geen zitting, maar werd samen met andere leden van haar partij Sinn Féin (‘Wijzelf’) de grondlegger van het Dáil Éireann. In dit fonkelnieuwe Ierse Lagerhuis was ze de eerste vrouwelijke minister sinds het verklaren van de onafhankelijkheid. Daarvoor had ze in 1909 al geschreven dat ‘de eerste stap op weg naar vrijheid erin bestaat onszelf te realiseren […] niet als Ieren of louter als vrouwen, maar als Ierse vrouwen die dubbel tot slaaf zijn gemaakt en een dubbele strijd te voeren hebben.’

Markievicz dacht intersectioneel avant la lettre: volgens haar was de versmelting van nationalisme en feminisme noodzakelijk. Maar na het uitroepen van de Irish Free State in 1922 doken weer conservatieve ideeën over contraceptie op, alsof de vrouw had gestreden om moeder te kunnen zijn. Dergelijke golfbewegingen stonden centraal op Self-Determination. A Global Perspective, een tentoonstelling afgelopen winter in het Irish Museum of Modern Art (IMMA) in Dublin. De Finse kunstenaar Minna Henriksson maakte voor de gelegenheid de wandtekening Limits of the State, vol met historische feiten en verbindingen met contraceptie, soms ook in relatie tot haar geboorteland. Voor het geluidswerk Motherhood/Birth Control ging ze in gesprek met Ierse wetenschappers, die vertellen hoe vrouwen verkapte manieren vonden om hun ongenoegen over moederschap en anticonceptie te uiten. Na de onafhankelijkheid was er nog een lange weg af te leggen tot aan de huidige wetgeving, die pas veranderde na het referendum van meer recente datum. Twintigduizend mensen gingen in 2016 de straat op voor de vijfde editie van de March of Choice, waarbij de organisatoren refereerden aan de Paasopstand: ‘In 1916 droomden mensen van een beter Ierland, een land van zelfbeschikking en het recht om hun eigen lot te kiezen. Honderd jaar later vechten we nog steeds voor dat recht: er kan geen vrijheid zijn zonder lichamelijke autonomie… Dit is onze Opstand.’

De ondertitel van de tentoonstelling, A Global Perspective, doet iets anders vermoeden, maar op Self-Determination werd er vooral aandacht besteed aan kunstenaars uit andere ‘jonge’ landen in het oosten en ten zuiden van Europa. Kunstwerken werden ontleend aan collecties van naties die in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog een vorm van onafhankelijkheid verkregen: voor Finland en Oekraïne was dat in 1917, voor Estland, Letland en Polen in 1918, voor Egypte in 1922, en voor Turkije in 1923. De aanleiding voor deze focus was een grootschalig project van de Ierse overheid, getiteld Decade of Centenaries. Het vond plaats tussen 2012 en 2023, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Ierse republiek. Die ontstaansgeschiedenis was dermate woelig en kende zoveel gebeurtenissen dat een decennium inderdaad gepast leek – één jaar aanwijzen was onmogelijk.

In het voorwoord van de publicatie bij Self-Determination wordt vermeld dat de Decade of Centenaries de onafhankelijkheid van Ierland ‘op een passende, proportionele, respectvolle en sensitieve wijze’ wil herdenken. In de ambitieuze tentoonstelling kwamen in totaal 110 kunstenaars aan bod, gepresenteerd in thematische zalen, met titels als ‘National Allegories’ of ‘Childhood in the New States’, en werden verbanden gelegd voorbij nationale grenzen. De Ierse moderne kunst van bijvoorbeeld Seán Keating en Jack B. Yeats werd ‘gedecentreerd’, zoals Stephen O’Neill het omschrijft, een literatuurwetenschapper die meewerkte aan het project. De betekenis van zijn uitspraak, verwant aan het werk van een kunsthistoricus als Partha Mitter, moet niet worden onderschat, zeker niet gezien de actuele nationalistische sentimenten. Zet je kunst van eigen bodem bij een dergelijke herdenking van onafhankelijkheid centraal, of durf je een stap opzij te zetten, zoals het Irish Museum of Modern Art deed? En wat levert het op?

In de herfst van 2022 organiseerden O’Neill en zijn collega Lisa Moran een leesgroep over zelfbeschikking, met op de leeslijst onder andere een toespraak van president Woodrow Wilson ten tijde van de vredesonderhandelingen in Parijs. Op 11 februari 1918 sprak Wilson in het Amerikaanse Congres expliciet over self-determination als een ‘dwingend principe van actie [waarbij] de nationale aspiraties van landen gerespecteerd dienen te worden, en volkeren voortaan alleen nog door hun eigen instemming kunnen worden gedomineerd en bestuurd’. In Worldmaking after Empire. The Rise and Fall of Self-Determination uit 2019, een andere publicatie die O’Neill besprak, wijst Adom Getachew erop dat Wilson dit idee van zelfbeschikking niet heeft uitgevonden. Een paar jaar eerder had Lenin de strijd om nationale zelfbeschikking veeleer gezien als een noodzakelijk kwaad op weg naar de internationale revolutie. Toch zou hij de huidige samenwerkingen tussen landen en de Europese integratie waarschijnlijk afkeuren. Natiestaten opereren vandaag misschien eerder als een ‘franchise’ van transnationaal kapitaal, zoals Sven Lütticken het omschrijft in de bundel Propositions for Non-Fascist Living uit 2019, samengesteld door Maria Hlavajova en Wietske Maas. Tegenwoordig geldt dat zeker voor Ierland, met Dublin als de Europese standplaats van Google en Meta, dankzij de lage belastingtarieven, maar met een woningcrisis als bijgevolg.

O’Neill en Moran organiseerden samen met onder anderen Sophie Byrne en Nathan O’Donnell een vierdaagse conferentie in november 2022, die resulteerde in de publicatie Art and Self-Determination. A Reader. In dit boek worden kunstwerken uit de tentoonstelling besproken, maar de bundel is eerder een verlengstuk dan een catalogus, met bijdragen van academici, dichters en kunstenaars. O’Donnell betoogt in zijn tekst dat kunstenaars in de natiestaten van de jaren twintig en dertig herkenbaar modern werk wilden maken, dat blijk moest geven van kosmopolitische en economische ontwikkelingen binnen de internationale wereldorde. Vele schilderijen op Self-Determination illustreren dat. De kunstenaar Sava Šumanović, geboren in Oostenrijk-Hongarije maar met de Joegoslavische identiteit, reisde naar Parijs om in de leer te gaan bij André Lhote, om vervolgens het kubistische De herderin (1924) te schilderen. De herderin heeft monumentale proporties, met kloeke armen zoals de gespierde vrouwenfiguren van Michelangelo, en ze bevindt zich, half liggend, in een berglandschap. Šumanović werd ook geïnspireerd door lokale beeldtradities, en dat strookt met de andere uitdaging waar O’Donnell naar wijst: naast het volgen van internationale trends moesten jonge natiestaten een onderscheidende, nationale identiteit creëren.

Het streven bestond er dus in gelijkwaardig te zijn aan grootmachten, maar zich toch als natie te onderscheiden. De vraag naar wie wel wordt gerepresenteerd, en wie niet, werd pertinenter. O’Donnell stelt dat het ontstaan van ‘minderheden’ een onontkoombare consequentie werd van het nationalisme – met een verbasterd Nederlands gezegde: waar een natie uitgehakt wordt, vallen spaanders. Daarom waren de jaren twintig en dertig ook een periode van etnisch nationalisme, virulent antisemitisme en grootschalige, gedwongen migratie. Als een bijdrage aan de reader leest deze uiteenzetting ergens als een excuus, want in de gehele tentoonstelling waren maar enkele werken te zien met de beeltenis van immigranten. Met nog een andere zegswijze: zij vallen wel vaker tussen wal en schip.

Uitzonderingen waren het kubistische Vluchtelingen (1917) van Jēkabs Kazaks uit Letland en Emigranten (1929) van Manuil Shechtman uit Oekraïne. Dat laatste doek, geschilderd in een ‘neo-Byzantijnse’ stijl, toont mensen op een kar die wegvluchten voor pogroms. In de volgende zaal werd een hedendaags videowerk van Larissa Sansour en Søren Lind getoond, gemaakt in opdracht van het IMMA. Aan de hand van privébeelden en geacteerde scènes vertelt Familiar Phantoms het verhaal van Sansours vader, een communist die wegvluchtte uit Palestina en in Moskou belandde. Daar leerde hij Sansours moeder kennen, waarna ze terugkeerden naar zijn thuisland. Palestina bleef voor de kunstenaar aanvoelen als een wachtruimte, als een land vol pijnlijke herinneringen die ze niet heeft beleefd, maar die telkens kunnen terugkeren.

Van al de kunstwerken die werden gemaakt om te reflecteren op de problematiek van de tentoonstelling waren de interventies van Array Collective, een alias van elf kunstenaars en activisten uit Belfast, het meest interessant. Verspreid over het IMMA zetten de werken aan tot nadenken over zelfbeschikking in relatie tot zowel een onafhankelijke natiestaat als tot het menselijk lichaam. Stormont-Na-Gig: Still Not Erected to Mark the Centenary of Northern Ireland (2023) leidt bijvoorbeeld terug naar de pro-choice-beweging en naar het Ierse abortusreferendum. De rotsachtige, nogal eigenaardige sculptuur heeft ongeveer de grootte van een kleine spiegel, en werd gemaakt uit hetzelfde type Jura-kalksteen dat werd gebruikt voor Stormont, het parlementsgebouw even buiten Belfast, in Noord-Ierland. Vanwege de regionale geschiedenis spreekt het collectief over hun locatie in termen van een relatiestatus op Facebook – ‘het is ingewikkeld…’ – want ze worden niet alleen gezien als Iers, maar ook als Brits, anders hadden ze in 2021 de Turner Prize niet gewonnen.

Stormont-Na-Gig is spannender dan veel van de schilderijen uit het interbellum, die vaak als historisch bewijsmateriaal functioneerden. De titel geeft aan dat de sculptuur een figuur toont, geïnspireerd op de Sheela na gig, in de Keltische traditie een vrouwenfiguur die haar vulva uiteen spreidt. De bovenzijde toont vlasbloemen, gebaseerd op het logo van de Northern Ireland Assembly, terwijl in een driehoekige inham in het midden een vijftal piepkleine betogers en vrouwen met kinderwagens te zien zijn, mogelijk met de boodschap dat kinderen krijgen geen plicht is, maar een individuele mogelijkheid. Door het gebruik van de kalksteen van het parlementsgebouw zinspeelt Array op het idee dat langdurige strijd iets kan opleveren: er kunnen ook nieuwe normen en waarden in steen worden gebeiteld.

Het werk werd geïnstalleerd tegen een muur met constructiefoto’s van Stormont, afkomstig uit een souveniralbum dat werd geschonken aan James Craig, een pro-Britse unionist die van 1921 tot 1940 eerste minister van Noord-Ierland was en het gebouw als een persoonlijk project beschouwde. Staand op een granieten stoeptegel uit Belfast nodigde de sculptuur uit jezelf kleiner te maken en gehurkt naar de figuurtjes te kijken. Zulke subtiliteiten zaten ook in andere interventies verstopt, met een materialiteit die schijnbaar achteloos, maar eigenlijk heel zorgvuldig door Array werd ingezet. Een ander voorbeeld was een porseleinen bordje in een kast, fraai bewerkt met een glazuur van groentinten dat de levensverwachting per Ierse regio weergeeft, met letters die rond het eiland dansen en de betekenis van de verkleuringen onthullen. Nog een knappe interventie, Worm Link/Nasc Péiste (2023), was opgebouwd uit blauwe postzegels, in een vitrine tussen andere postzegels uit Ierland, Letland, en Oekraïne uit de jaren twintig. Op het eerste gezicht is het knooppunt Westlink zichtbaar, dat delen van het noordwesten van Belfast afscheidt van de rest van de stad. Door een lenticulaire 3D-techniek veranderen de snelwegen in wormen, tegen een rode achtergrond, wanneer je langzaam je hoofd heen en weer beweegt.

Ook dit werk van Array werd geïnspireerd door folklore. In dit geval gaat het om een mythische worm die de grens tussen Ulster en Connacht doorboort, en zo ook de grens zou kunnen oversteken tussen het republikeinse zuiden en het noorden van Ierland, dat na de onafhankelijkheidsverklaring decennialang onderdeel bleef van het Verenigd Koninkrijk. Na de Brexit kreeg dit landsdeel een aparte status, om een ‘harde’ grens met de EU op het eiland te voorkomen – een grens die honderd jaar eerder al behoorlijk arbitrair was. Zodoende begaven niet alleen nationalisten en unionisten zich aan weerskanten van de lijn, maar ook protestanten en katholieken, zoals het al te duidelijk werd tijdens de gewelddadige Troubles. In de tentoonstelling was te zien hoe Brian O’Doherty – de Iers-Amerikaanse kunstenaar en criticus die in 1976 het begrip white cube muntte – onder zijn pseudoniem Patrick Ireland in 1980 Ireland: A Modest Proposal maakte, waarin de opgelegde grenzen op ludieke wijze werden verplaatst. Een landkaart werd zodanig verknipt dat Belfast zich ineens vlak naast Dublin bevindt, om te verbeelden hoe Ierland kan worden gedekoloniseerd, zoals Christa-Maria Lerm Hayes het verwoordt in de bundel Charting Space. The Cartographies of Conceptual Art uit 2023, samengesteld door Elize Mazadiego.

De politieke lading van de werken en interventies was niet schreeuwerig, je moest er als toeschouwer iets voor doen. In een intieme ruimte, die leek op het atelier van Array, vielen potjes te bekijken met gedroogde bloemen of rabarberstengels, maar er konden ook schetsboeken worden doorbladerd. Een glazen hangertje in de vorm van een watermeloen hing in het raamkozijn, en tijdens de vernissage deelde Array schijfjes watermeloen uit – een statement dat van solidariteit met Palestina getuigt. Meerdere keren op Self-Determination draaide het daarom: hoe kunstwerken, alledaagse visuele cultuur en zowel monumenten als architectuur nationale en politieke betekenissen met zich meedragen, ook al zijn ze niet meteen zichtbaar.

De nagebouwde atelierruimte van Array bevond zich in de Courtyard Galleries van het museum, gesitueerd op een heuvel in de Dublinse buitenwijk Kilmainham. De zeventiende-eeuwse architectuur, bedoeld als ziekenhuis voor veteranen, werd geïnspireerd door Les Invalides in Parijs. Daarna kreeg het gebouw tal van andere functies, vooraleer het in 1991 een museum werd. Halverwege de jaren zeventig speelde Joseph Beuys met de gedachte er een campus van zijn Free International University op te richten, maar uiteindelijk herformuleerde hij dat instituut als een netwerkstructuur. Eerder werd voorgesteld het hospitaal in te richten als het parlement van de Irish Free State, zoals te zien op tekeningen die betekenisvol tegenover Stormont-Na-Gig hingen.

De keuze voor dat parlement in Dublin, het Oireachtas, viel uiteindelijk op het Leinster House, centraler gelegen aan Kildare Street, hoewel op de binnenplaats nog een Brits monument stond van beeldhouwer John Hughes. Die sculptuur werd in 1908 geplaatst ter ere van Queen Victoria, heerser over het Verenigd Koninkrijk en toen dus ook over Ierland, waar ze als bijnaam ‘de hongerkoningin’ droeg. Na het officiële ontstaan van de Ierse republiek in 1949 werden monumenten getransporteerd naar het voormalige ziekenhuis, toen een dépendance van het National Museum. In 1986 werd het beeld van Victoria verscheept naar Sydney, waar het nu voor het negentiende-eeuwse Queen Victoria Building staat.

In het hoofdgebouw van het Irish Museum of Modern Art was in de zaal ‘The Power Struggle’ werk te zien van twee kunstenaars die openlijk naar het beeld van Victoria verwezen. Stream of Consciousness (2022) van Niamh McCann is een bronzen neus, aan de wand gemonteerd en gemodelleerd op de neus van een standbeeld van een andere Ierse onafhankelijkheidsstrijder, en IRA-lid, Michael Collins. De neus bevindt zich precies ter hoogte van het gezicht van Victoria, zichtbaar op een archieffoto van de binnenplaats van het National Museum. Uit de bronzen neus ‘stromen’ twee kromme rietstengels, die eindigen in een zwarte baksteen op een houten tafeltje. Het iconoclastische gebaar van McCann valt te zien als een overschrijving van de geschiedenis: de neus van Collins is afgehakt, maar ontneemt het zicht op de Britse koningin. Er is altijd baas boven baas in een wedstrijdje vernedering, waarin McCann dan wordt verslagen door István Lászlo. Deze Hongaarse kunstenaar maakte een 3D-versie van het standbeeld, dat via een QR-code verschijnt op je smartphone, zodat je Victoria kunt bespieden. Ze blijkt volledig beklad met leuzen: ‘transporteer de hongerkoningin naar Australië’, ‘zoveel pijn en leed’, ‘als het beweegt, zoen het.’

Ongeacht de terechte kritiek op de Britse overheersing zijn deze werken zelf ook agressief – en enigszins misogyn. Een ander schilderij in dezelfde ruimte, van de Oekraïense kunstenaar Oksana Pavlenko, versterkt dat vermoeden. Het werk in overwegend bruintinten van tempera dateert uit 1932, maar werd toen gecensureerd en letterlijk begraven, totdat het tijdens de Maidan-revolutie van 2014 weer tevoorschijn kwam. Het toont een feministische bijeenkomst in Oekraïne na de Oktoberrevolutie, tijdens de oorlog met de Sovjet-Unie tussen 1917 en 1921. De centrale figuur is een vrouw op blote voeten met een hoofddoek, met een herkenbare religieuze en regionale identiteit. Ze oreert met gebalde vuist, terwijl een andere vrouw met opgestoken vinger een kindje tot stilte maant. ‘Nee nee, mama is even bezig’, is de suggestie, want ‘het succes van de revolutie hangt af van de deelname van vrouwen’, zo staat op een poster in de achtergrond.

Pavlenko geeft de vrouw daadkracht en reduceert haar niet tot de rol van moeder. Hetzelfde gold voor andere kunstenaars uit de jaren dertig, zoals bleek uit de zelfportretten in de Garden Galleries. Lydia Mel uit Estland toont zichzelf met een kort kapsel, in een overhemd met stropdas, terwijl landgenoot Karin Luts zichzelf ten voeten uit heeft geschilderd met een moderne bob, rechterhand in de zij: kom maar op! Aleksandra Beļcova uit Letland deed ook nog wat rode lipstick op. Allemaal kijken ze de toeschouwer recht in de ogen, voor niemand bang, wat je wel zou worden van de helblauwe ogen zonder pupillen die de Poolse Maria-Ewa Łunkiewicz-Rogoyska zichzelf toebedeelde. Elk moment lijken ze een lasterstraal te kunnen terugvuren naar de male gaze.

Anders dan op de tentoonstelling was in de reader nog meer ruimte voor een mondiale visie. Gwen Farrelly beschrijft hoe het MoMA met Persian Frescoes in 1932 probeerde om de perifere status van dergelijke werken te versterken, wat de expo een antecedent maakt van Primitivism in 20th Century Art: Affinity of the Tribal and the Modern, georganiseerd in hetzelfde museum in 1981, waarop Afrikaanse kunst werd afgedaan als ‘tribaal’ en ‘primitief’. In mildere bewoordingen, maar nog steeds niet bepaald positief, is er volgens Róisín Kennedy ook geringschattend over Ierse moderne kunstenaars gesproken. In Art and the Nation State: The Reception of Modern Art in Ireland uit 2021 schrijft zij dat hun werk als marginaal is beschouwd ten opzichte van wat in kunstmetropolen als New York werd geproduceerd. Vaak werd hun werk door een Anglo-Amerikaanse en formalistische lens bekeken, of juist in een kritische dialoog met greenbergiaans modernisme. Kennedy nuanceert door te stellen dat Ierland niet te makkelijk in één adem met andere gekoloniseerde landen moet worden genoemd, hoewel ze aangeeft dat een weloverwogen toepassing van postkoloniale theorieën kan bijdragen aan een reconstructie van de Ierse kunstgeschiedenis. Het is een voorzichtige positie die deels in overeenstemming is met de zienswijze van de Ierse curator en criticus Lucy Cotter, uiteengezet in een artikel in Third Text uit 2005. Afgelopen jaar vroeg Sjoukje van der Meulen zich op de website van hetzelfde tijdschrift af in welke mate het begrip ‘postkolonialisme’ nog kritisch potentieel heeft. Begint die notie, in andere contexten, te veel betekenis en historische specificiteit te verliezen? Van der Meulen stelt die vraag aan het einde van een bespreking van drie tentoonstellingen in de Baltische staten, landen die met uitzondering van Litouwen ruimschoots vertegenwoordigd waren op Self-Determination. Zo valt ook te begrijpen hoe deze tentoonstelling probeerde om de Ierse moderne kunst te presenteren tegen de achtergrond van de simultane wordingsprocessen van onafhankelijke natiestaten en van afbrokkelende ‘koloniale’ mogendheden. Dat gebeurde zonder een eenduidig centrum in ere te herstellen, en zonder een duidelijke hiërarchie na te streven.

Kritisch engagement met de natiestaat was lang niet vanzelfsprekend, laat staan vanuit een postkoloniaal perspectief. Geert Buelens heeft in 2019 in De Witte Raaf (nr. 197) opgemerkt dat het na de dekolonisatiegolf in de periode 1945 tot 1965 nog decennia heeft geduurd vooraleer oprechte interesse voor de waarde van niet-westerse kunst zich voordeed. Significante veranderingen kwamen pas jaren na Magiciens de la terre uit 1989, bijvoorbeeld dankzij de inspanningen van Okwui Enwezor en de door hem gecureerde documenta11 in 2002. Twee jaar eerder sprak de huidige directeur van het IMMA, Annie Fletcher, met Sarat Maharaj, een van Enwezors cocuratoren, voor het Ierse tijdschrift Circa. Maharaj had een essay geschreven over de ‘onvertaalbaarheid van de ander’, een formulering die resoneert met Édouard Glissants ideeëngoed, en in het gesprek met Fletcher heeft hij het over de moeilijkheden van ‘culturele vertalingen’ bij het ‘zichtbaar maken’ van gemeenschappen en culturen. De levensgeschiedenissen van Fletcher en Maharaj in respectievelijk Ierland en Zuid-Afrika, met een sterk voelbare erfenis van koloniale overheersing, kunnen daarbij een rol hebben gespeeld. Voor beiden dient een tentoonstelling niet om een culturele identiteit te beklinken, maar is elke expo ‘voorlopig, tijdelijk, als gebeurtenis’, zoals Boris Groys het omschrijft in Logik der Sammlung (1997). De waarde van cureren ligt in het verkennen van experimentele relaties; de onvertaalbaarheid en opaciteit van de ander mag intact blijven, als alternatief voor apartheid, segregatie of voor de nationalistische drang tot gelijkschakeling.

Rond de eeuwwisseling was Maharaj onderzoeker aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht, terwijl Fletcher vanuit Amsterdam opereerde als criticus en curator. Vervolgens trad zij in 2007 aan in het Van Abbemuseum in Eindhoven, waar ze van 2012 tot 2019 hoofdconservator werd en (mede)verantwoordelijk was voor Be[com]ing Dutch (2007-2008), maar ook voor Museum of Arte Útil (2013-2014), samen met Tania Bruguera, Be[com]ing More (2017) en voor de solotentoonstelling Xenogenesis van de Otolith Group (2019), die meereisde naar Dublin. Het wekt geen verbazing dat Fletcher als directeur van het IMMA haar interesse voor nationale identiteiten, de politieke werkingskracht van kunstwerken en het mondiale strijdtoneel verder verkent. Toch wordt Self-Determination gepresenteerd als een groepsprestatie, geconcipieerd door Fletcher, maar ontwikkeld met vele anderen. ‘IMMA ziet zichzelf niet als een autoriteit wat betreft dit onderwerp’, zo stond in de openingstekst. ‘Ons project is gebaseerd op een proces van speculatief onderzoek, en op de raadpleging, de uitwisseling en het delen van kennis met een veelheid aan onderzoekers, kunstenaars en curatoren.’ De wens om andere hiërarchieën te verkennen leeft dus ook op het niveau van de organisatie.

Doet het museum daadwerkelijk afstand van de eigen autoriteit, als een ‘speculatieve instantie’, zoals Fletcher het formuleerde in de publicatie bij het Plug In-project van het Van Abbemuseum (2006-2009)? Ook het IMMA heeft nog een directeur, een collectie, en had – tijdens Self-Determination – een ‘eerste’ zaal, in het hoofdgebouw, nagenoeg volledig gevuld met goudkleurige letters. Bij mijn tweede bezoek, een ruime maand later, was dit werk van de Turkse kunstenaar Banu Cennetoğlu voor een groot deel gekrompen. Dat was geen technische fout, want de krimp van de met helium gevulde ballonnen van right? (2022) was symbolisch. Samen vormden de letters een ‘boeket’ van een artikel uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, in 1948 opgesteld door de Verenigde Naties, in dit geval corresponderend met het recht op mobiliteit, op asiel en op een nationaliteit. Deze mensenrechten zijn als een werkwoord, zo lijkt Cennetoğlu te zeggen – als we er niets mee doen, lopen ze leeg als een ballon. 

Toch smeulde in Self-Determination, ondanks deze en andere kritische interventies, een gevaar. Werd de nationalistische lading van kunst ontmanteld, of was er sprake van een hernieuwde belangstelling voor de eigen nationaliteit? Welke impact had deze presentatie? Bleek de natiestaat echt een slecht idee, of keek ik naar de diagonalen van Arnold Akberg uit Estland om vervolgens te denken: dat kon onze Van Doesburg toch beter? In Dublin werden de wordingsprocessen van jonge natiestaten en hun zelfrepresentatie in een overweldigende hoeveelheid uit de doeken gedaan. Self-Determination voelde als een kleine biënnale aan, met transnationale paviljoenen uit het interbellum en interventies van hedendaagse kunstenaars. Een gevolg van deze opstelling, wellicht onbedoeld, is dat de kunst van Ierse bodem een hernieuwde legitimiteit kreeg. In de reader beschouwt Timothy Ellis-Dale legitimiteit niet voor niks als ‘de meest belangrijke vorm van kapitaal voor iedere nieuwe staat in haar claim tot zelfbeschikking.’ Op Self-Determination werd niet enkel gedecentreerd, de Ierse moderne kunst werd ook op gelijke golflengte met die uit andere landen geplaatst.

De tweeledige opdracht van internationaal meetellen en nationaal onderscheiden, die O’Donnell goed heeft ingeschat, blijft daarmee van kracht. Het lijkt futiel, maar het land van herkomst wordt in de thematische zalen en in de reader nog gewoon benoemd. Het maakt nog steeds uit waar kunst vandaan komt, vooral gedacht vanuit nationale kaders van zelfbeschikking. Self-Determination was een uiterst zorgvuldig gecureerde tentoonstelling, maar toch schuilt in een dergelijke transnationale remix nog steeds dat historische risico. Altijd weer een beetje meer nationaal zelfvertrouwen op het wereldtoneel kan omslaan in nationalisme, overmoed, of erger: in de wil tot overheersing. Zou een toekomstbestendige vorm van soevereiniteit mogelijk zijn, met progressieve waarden, op basis van solidariteit en van interne en internationale gelijkwaardigheid? Misschien ontstaat zo alsnog een tevreden vorm van zelfbeschikking, die een pas opzij doet, op de plaats.

 

Deze tekst werd mogelijk gemaakt door het reisfonds van AICA Nederland.

Self-Determination. A Global Perspective, van 30 november 2023 tot 21 april 2024, Irish Museum of Modern Art, Kilmainham, Dublin 8.

Bloemen, platen en escapisme. ‘Modern Nature’ in La Becque

Wat gebeurt er als je een plek creëert met woon- en werkruimtes in de meest prachtige natuur, en kunstenaars uitnodigt om te leven en te werken op het snijvlak van natuur, milieu en technologie? Een dergelijke oase van rust en creativiteit is zich sinds vijf jaar aan het vormen aan het Meer van Genève: kunstenaarsresidentie La Becque. Hier kunnen zowel gerenommeerde kunstenaars als jonge talenten drie maanden lang een project uitvoeren waarvoor ze via een open oproep geselecteerd zijn. Ze kunnen in afzondering werken en tegelijkertijd in dialoog staan met een gelijkgestemde gemeenschap. De deelnemers leven in villa’s die uitkijken over het door bergen omgeven meer en maken gebruik van werkplaatsen, inclusief een geavanceerde geluidsstudio.

Mijn zomerse bezoek wordt gekleurd door geluidskunst en muziek. Zo vindt het multidisciplinaire programma Modern Nature plaats, met verschillende muzikale voordrachten, en zijn er in het nabijgelegen Lausanne gratis optredens van muzikanten en dansgezelschappen van wereldniveau tijdens de stadsfeesten. Aan de andere kant, ten oosten van La Becque, wordt het Montreux Jazz Festival georganiseerd. In La Becque zelf zijn verschillende vormen van geluidskunst te beleven. De New Yorkse geluidskunstpionier Marina Rosenfeld (1968) laat tijdens een studiobezoek bijvoorbeeld zien wat de negatieve ruimte van geluid is. Op haar bureau ligt een plastic zakje gevuld met een wollige substantie. De flinterdunne draden zijn het resultaat van duizenden uren afgespeelde muziek: de accumulatie van een minuscule hoeveelheid vinyl die door de naald uit de plaat gekrast wordt. In de haarscherpe foto’s van dit materiaal, tegen een witte achtergrond, doen de wolkachtige constellaties denken aan oervormen als de Venus van Willendorf. Het is alsof Rosenfeld muziek tastbaar maakt als materie, op de meest verfijnde manier. Videowerken tonen, ver ingezoomd, de interactie tussen een ronddraaiende elpee en de naald, met een, uiteraard, indringende soundtrack.

Ook voor de in Kosovo geboren en in Amsterdam wonende kunstenaar Astrit Ismaili (1991) maken geluid en muziek integraal onderdeel uit van een beeldende praktijk. Het resulteerde onlangs in een muziekalbum, The First Flower, waarmee Ismaili een alternatief evolutieverhaal vertelt, als metafoor voor vloeibare seksualiteit en zelfbeschikking. Aan de rand van het meer zingt Ismaili een nummer van het album, een glas met water en een bloem balancerend op het hoofd.

Ismaili gebruikt zelfbedachte en motorisch aangestuurde draagbare muziekinstrumenten en ‘lichaamsuitbreidingen’, die eerder te zien waren in het Stedelijk Museum Amsterdam. Het sluit aan bij La Becques focus op de kruising van kunst, natuur en technologie. Maar tijdens de residentie richt Ismaili zich op een geheel ander medium: tekeningen die de chaotische maar harmonieuze interacties tussen mensen, het bovennatuurlijke en machines uitbeelden. Figuren die in de performances terugkomen, leven nu in een wereld op papier, aangevuld met elementen die fysiek nog niet mogelijk zijn.

In een recent artikel op de website van Art Basel over Zwitserse kunstenaarsresidenties, wordt gevraagd of het niet romantisch en achterhaald is om inspiratie te zoeken in een vreemd land. Door te veranderen van werkomgeving vinden echter vaak ontmoetingen plaats die nieuwe ideeën kunnen opleveren en die invloed hebben op de manier waarop je je als kunstenaar door de wereld beweegt. Een residentie kan een verandering van tempo bieden, trager of sneller. De Braziliaanse kunstenaar Luana Vitra (1995) vertelt over wat het landschap, al dat water omgeven door bergen, met haar doet: ‘De stilte en het uitzicht bieden een ander perspectief en doen ook denken aan de beperking van onze perceptie. Als mensen zijn we heel beperkt in hoe ver we kunnen kijken: een landschap in de verte ervaren we als blauw.’

Blauw is een terugkerende kleur in het werk van Vitra, dit najaar ook te zien bij Kunstinstituut Melly in Rotterdam. De kunstenaar groeide op in een mijnbouwregio en maakt performances en installaties met materialen als koper en ijzer, waarmee ze de psycho-emotionele beleving van landschappen verkent. Te midden van het Zwitserse berglandschap werkt ze aan een installatie met blauwgekleurde ijzerkorrels en buizen, verbonden door magneten in plaats van door lasnaden. Bij godsdienstige gebruiken in Bahia, Brazilië, wordt blauw geassocieerd met de god van ijzer en technologie. Het is verwant aan het blauw dat Yves Klein gebruikte, het International Klein Blue: ‘Hij heeft dat blauw niet uitgevonden,’ zegt Vitra. ‘Het is een soort blauw dat hij niet kende in de Europese context, waar het blauw lichter is, zoals we hier zien als we naar de bergen kijken. Het is een kleur die hij buiten Europa zag.’ Of het nu gaat over grondstofwinning of kleurgebruik, Vitra werpt een kritische blik op toe-eigening, vroeger en nu.

Welke rol speelt grondstofwinning, met name fossiele brandstof, in de wereldorde en de daarvan afgeleide oorlogen en conflicten? Zijn wij als mensen niet steeds verder verwijderd en vervreemd van de natuur? Komt dit door de invloed van technologie op hoe we ons door de wereld bewegen? En hoe kijken we tegenwoordig naar onze biologie en identiteit? Is dit alles de moderne natuur?

Het jaarlijkse programma Modern Nature van La Becque is geïnspireerd op het oeuvre en de denkwijze van Derek Jarman (1942-1994), de Britse kunstenaar en filmmaker die streed tegen conservatisme en vóór acceptatie. De tuin van La Becque is een eerbetoon aan de tuin die Jarman maakte rond zijn cottage aan de ruige zuidkust van Engeland, in de acht jaar voor zijn dood door een aidsgerelateerde ziekte. De tuin was een levenswerk – nauwkeurig omschreven in zijn dagboeken uit 1989 en 1990, die onlangs bij Das Mag in vertaling verschenen. De tuin vormde het decor van Jarmans experimentele film The Garden uit 1990 met muze Tilda Swinton, en is nog altijd een bedevaartsoord voor liefhebbers van zijn films, boeken en tuinkunst. Tegenwoordig is het ook een residentieplek voor kunstenaars en schrijvers. De herinterpretatie van Jarmans tuin bij La Becque is, net als het origineel, een gesamtkunstwerk en een toneel voor makers en denkers. Principes die Jarman hanteerde, zoals werken met lokale en inheemse plantensoorten, het vermijden van muren of hekken, en het creëren van een scenografie op basis van gevonden elementen, worden ook hier toegepast.

In 2024 neemt Modern Nature water als uitgangspunt voor ‘vloeibaar denken’, als ruimte voor ‘grenzeloze verbeelding’. In de tuin van La Becque, een deel van het meer dat is drooggelegd, drijven we af naar een ‘breder, kolkend, verschuivend terrein’. Ook gaat deze editie volgens het programmaboekje uit van het vermogen van water om begrippen als grenzen op te heffen. Dat voelt als een wat romantisch idee van water en grenzen, dat past bij Zwitserland als land zonder kustlijn, als grondgebied afgesloten van schrijnende situaties (zoals in buurland Italië) wanneer mensen verdrinken op zoek naar een waardiger bestaan. 

Het programma begint sterk, met een lecture performance van mediëvisten Robert Mills en Clovis Maillet over waterachtige thema’s in Jarmans werk die zij in verband brengen met middeleeuwse literatuur, kunst en cultuur. Mills vertelt hoe Jarman stelde dat de middeleeuwen in zijn verbeelding een paradijs waren, geïnspireerd door een middeleeuwse tekst waarin menselijke belichaming in verband wordt gebracht met motieven zoals water en fluïditeit. De lezing, met het Meer van Genève op de achtergrond, roept een beeld op van de mogelijkheden en de vloeibaarheid van seksualiteit die tot uiting kwamen in zijn oeuvre.

Andere bijdragen gaan eveneens uit van de verbinding van water met veranderlijkheid, zoals van de Franse kunstenaar Salomé Chatriot (1995), het Braziliaanse geluidskunstenaarsduo Fronte Violeta en een aantal jonge, voornamelijk Zwitserse kunstenaars. Wat blijkt is het vermogen van Jarmans nalatenschap om generaties en geografieën te overstijgen. Van boven aan de helling, waar La Becques ‘villa’s’ zich bevinden, daalt Chatriot langzaam en geconcentreerd af naar de plek waar het publiek haar opwacht. In een gewaad van vissenschubben ademt ze een aantal minuten in een schelpvormige sculptuur die met allerlei draden is verbonden met een computer. Het klinkt als wanneer iemand te dicht in een microfoon ademt; komt het geruis uit de sculptuurmachine, of simpelweg van de contactmicrofoon op haar gezicht? Bij afloop lijkt ze tot in het water af te gaan dalen, maar ze loopt in plaats daarvan met een grote boog om het publiek heen tot ze uit het zicht verdwijnt.

Interessanter is de bijdrage van Fronte Violeta. Het duo gaat verder dan het creëren van een fotogeniek beeld. Ze laten, door onder andere geluid en geur in te zetten, een belichaamde uitwisseling ontstaan tussen henzelf, de natuurlijke omgeving en het publiek. Te midden van de bloemperken van de door Jarman geïnspireerde oase of tuin speelt het duo elektroakoestische muziek. Op de platen staat in het midden één enkele bloem, die door de draaitafel eindeloos om de as blijft draaien. In de tuin en tussen het publiek worden brokjes wierook geplaatst gemaakt van rozemarijn, ‘een kruid dat gebruikt wordt om doden te herdenken, maar dat ook op vele plekken ter wereld in tuinen groeit, waardoor het deze tuinen verbindt,’ zo zegt het duo achteraf. Een diepe bas laat de grond trillen, terwijl golven van het meer zacht tegen rotsen klotsen en in de microfoon ritmisch zinnen herhaald worden, zoals: ‘gentle rain falling; violent thunderstorms’.

Terwijl zwanen nieuwsgierig komen aanzwemmen, vervolgt de performer: ‘I worried it was something important. What was so important it needed remembering?’ Het zijn quotes uit Jarmans dagboeken en in combinatie met de muziek en de geuren is het alsof de woorden weergalmen tot in onze lichamen, de planten in de tuin en zelfs tot in het water. Een van de performers klimt over het muurtje dat de tuin van het water scheidt, en plaatst de microfoon in het water, met een hydrofoon als resultaat. Het duo laat de plaat met de roterende bloem langzaam uitspelen en de performance eindigt. Dan neemt een van hen het woord om te vertellen hoe Palestijnen in Gaza niet in de eigen zee kunnen en mogen zwemmen. Het lijkt een ongeplande voordracht, direct uit het hart.

Anders dan in de natuur, wordt in de tuin niet alles de vrije loop gelaten. Het doel is doorgaans om een vorm te behouden, in een proces van afbakenen, onderscheiden en categoriseren. In die zin is de tuin op te vatten als een aanslag op de zowel logische als natuurlijke processen, van enerzijds zich verplaatsen om te overleven en anderzijds tot bloei komen door onverwachte kruisbestuivingen. Dit gebrek aan bewegingsvrijheid en ‘laten leven’ doet denken aan het conservatisme en individualisme, en vooral de xenofobie en polarisatie, van het huidige Europa. Ook al is er meer emancipatie en acceptatie dan toen Jarman eind jaren tachtig Prospect Cottage creëerde, toch voelt het heden als een moment van achteruitgang. Zo is er een sterk opkomend homonationalisme waarmee geprobeerd wordt andere vormen van xenofobie te rechtvaardigen.

In 2016 vroeg Laurie Cluitmans zich in een essay over Prospect Cottage in De Groene Amsterdammer af of schrijven over een tuin niet een vorm van escapisme is. Ze concludeerde dat Jarmans levenswerk niet slechts een toevluchtsoord was en dat de tuin ook begrepen kan worden als een poging tot engagement met de complexiteit van de wereld en als een tijdelijke autonome zone om die wereld beter te doorgronden. Wat als we niet alleen de tuin, maar ook kunst en performance als tijdelijke realiteiten opvatten die gezamenlijk worden ervaren, en waarmee de wereld net anders kan worden gezien? De bijdragen van kunstenaars als Fronte Violeta onderschrijven het vermogen van performance om verbinding en resonantie op te roepen, en een tijdelijke gemeenschap te creëren dankzij momenten van gezamenlijke ervaring. Dat kan escapistisch zijn, maar het kan ook iets zeggen over de wrange realiteit buiten. 

Tijdens Modern Nature wordt het mogelijk te ervaren hoe het historische oeuvre van een kunstenaar weerklinkt in het werk van kunstenaars en denkers van nu. Het programma laat toe thema’s als fluïditeit, water en tuin op het spoor te komen, zeker in relatie tot de door grenzen en tegenstellingen gekenmerkte politieke realiteit. La Becque laat zien dat kunstenaars in staat zijn om alternatieve relaties met technologie, natuur en milieu in kaart te brengen. De realiteit, vaak wrang en troosteloos, kan soms ook betoverend zijn.

 

• Modern Nature. An Homage to Derek Jarman, Part Five, 5 tot 6 juli, La Becque, La Tour-de-Peilz, Zwitserland.

Hand- en netwerk. Gunta Stölzl

Van gordijnen tot vloerkleden en van dekens tot meubelstoffen: textiel vormt ons dagelijks leven. Ook aan het Bauhaus was men zich daar terdege van bewust. Johannes Itten (1888-1967) en Gunta Stölzl (1897-1983) waren cruciaal in het belang dat aan de Duitse school, tussen 1919 en 1933, aan textiel werd gegeven.[1] Itten behoorde in 1919 tot de eerste Meister in Weimar, waar zijn Vorkurs, de introductiecursus van een halfjaar, de wortels van het onderwijs vormde. Stölzl maakte in 1919 deel uit van de eerste lichting studenten. Toen zij een werkplaats moest kiezen om zich te specialiseren in een ambacht, was zij de kartrekker van de ‘vrouwenklas’, met steun van Itten. Deze klas fuseerde met de textielafdeling, die de studenten al snel als weverij inrichtten.

In het ambacht van het handweven zagen zij een belangrijke rol weggelegd voor het verbeteren van het moderne interieur: zonder stoffen geen woning. De Bauhauswevers benaderden stoffen op een nieuwe manier. Ze werden niet langer bepaald door een patroon of een getekend ontwerp op papier, maar door de grondbeginselen van het weven, het kruisen van horizontale en verticale draden. De wijze waarop dat gebeurt, heet in weverstaal de ‘binding’. Daarnaast stelden de Bauhauswevers, en Gunta Stölzl in het bijzonder, dat een stof altijd een functie in een ruimte vervult.[2] In het samenspel van binding en materialen zochten zij naar stoffen die kunnen integreren in het interieur, die dienstbaar kunnen zijn. Het weven gebeurde uitdrukkelijk niet op machines. Hoewel er in latere jaren werd samengewerkt met de industrie, werd er gewerkt op handweefgetouwen. Alleen in het experiment, met de eigen handen, kon de perfecte stof, de ultieme combinatie van materiaal en binding gevonden worden.[3]

In 1925 moest het Bauhaus onder politieke druk verhuizen van Weimar naar Dessau. Gunta Stölzl werd in 1927 als eerste vrouw benoemd tot Jungmeister, hoofd van de textielwerkplaats. Ze behield deze positie tot ze in 1931 het Bauhaus verliet en naar Zwitserland emigreerde. In Zürich zette ze als zelfstandig handweefster van voornamelijk interieurstoffen de filosofie van het Bauhaus voort. Haar carrière in Zürich was lang: in 1968 ging Stölzl met pensioen en sloot ze haar bedrijf. Daarop wijdde ze zich tot haar dood in 1983 aan haar grote liefde: wandkleden, vervaardigd met de gobelintechniek, met de hand geweven, en voorzien van voorstellingen of versieringen, . In diezelfde periode kwam de textielkunst, aangevoerd door de fiber art movement, in de internationale belangstelling te staan.[4] Zwitserland speelde hierin een leidende rol, onder meer met de tapisseriebiënnales van Lausanne (1962-1995). Waar de naam van bijvoorbeeld de Zwitserse textielkunstenares en -docente Elsi Giauque is gevierd als pionier, bleef Stölzls invloed onderbelicht. Haar latere wandkleden werden voornamelijk in kleine, lokale tentoonstellingen geëxposeerd en vonden hun weg naar privécollecties, deels van vrienden en bekenden.

Pas recent wordt de nadruk gelegd op Stölzls Zwitserse carrière. De tentoonstelling dit najaar in Kunstmuseum Thun, met als titel Gunta Stölzl & Johannes Itten. Textile Universen, waar ik als historicus aan heb meegewerkt, toont dat duidelijk aan. Het is bijna veertig jaar geleden dat er in Zwitserland een expositie aan Stölzl werd gewijd, toen in 1987 de tentoonstelling Gunta Stölzl. Weberei am Bauhaus und aus eigener Werkstatt het Museum für Gestaltung in Zürich aandeed, maar zoals de titel suggereert, lag het zwaartepunt op de Bauhausjaren.

In 2018 ontmoette ik via een reeks toevalligheden de familie van Gunta Stölzl. Zo maakte ik kennis met haar werkarchief, dat lag opgeborgen in een ladekast. Het gaat om het archief van proefstalen en ontwerpen dat Stölzl bijhield. De ordening, net als de notities of de beoogde toepassing van de stoffen, vormen vandaag vaak raadsels voor de onderzoeker. De omvang van het archief leidt echter tot één prangende vraag: hoe kan het dat de Zwitserse carrière van Stölzl nauwelijks onderzocht is? Hoe kan het dat een ontwerper die zo belangrijk is geweest voor het legendarische Bauhaus zo onzichtbaar is gebleven, vooral in het land waar ze ruim een halve eeuw werkzaam was?[5] Wie vandaag een bezoek brengt aan Zürich, moet grote moeite doen om haar sporen te vinden. Aan de Florastrasse 41, het adres waar Stölzl zo’n dertig jaar haar werkplaats leidde, staat een bordje van Monumentenzorg, dat echter nergens de huurder vermeldt. De kunstmusea die de stad rijk is, hebben geen werk van haar in de collecties zitten. De gemeente verwierf twee wandkleden, die inmiddels allebei als vermist gelden. De enige plek waar werk te vinden is, is in een van de lades van de vaste opstelling in het Museum für Gestaltung. Stoffen zijn kwetsbaar en kunnen weinig licht verdragen, maar het is een treffende metafoor voor Stölzls receptie in Zwitserland: weggestopt, makkelijk overheen te kijken, maar zeer verrassend voor wie de lades opentrekt.

De eerste verrassing in Stölzls Zwitserse carrière deed zich voor aan het Bauhaus in Weimar, dat Itten al begin 1923 verliet na conflicten met directeur Walter Gropius. Itten was al opgeklommen tot de hogere rangen van de zoroastrische Mazdaznan-beweging, wat botste met de zakelijke Gropius. Voor Stölzl was Ittens kunstonderwijs van grote invloed geweest en ze betreurde zijn vertrek. Samen met zijn gezin keerde hij terug naar zijn geboorteland Zwitserland om zich te vestigen in de Mazdaznan-commune Aryana in Herrliberg. Hier zette hij de Ontos-Kunstschule en de Ontos-Werkstätten op, een kleine kunstschool die in oktober 1925 alweer de deuren sloot, waarna Itten naar Berlijn vertrok. Het is opvallend dat de Ontos-Werkstätten alleen een handweverij omvatten, waar geknoopte tapijten en gobelins gecreëerd werden, technieken die ook aan het Bauhaus werden beoefend.

Zoals de tentoonstelling in Thun laat zien, was Itten zeer geïnteresseerd in textielkunst. Zelf was hij absoluut geen wever, en hij zocht voor de Ontos-Werkstätten iemand om de weverij te leiden. Zijn keus viel op Gunta Stölzl, die zich echter meer dan vijfhonderd kilometer verderop aan het Bauhaus bevond, waar ze net haar basisopleiding had afgerond. Stölzl had weinig affiniteit met de holistische Mazdaznan-doctrine, maar toch moet het aanbod interessant hebben geleken, komend van een kunstenaar die ze zeer bewonderde. Ze verbleef van februari tot augustus 1924 in Herrliberg.[6] Een andere student uit Weimar, de Zwitser Heinrich Otto Hürlimann, sloot zich aan in april. Ook Hürlimann heeft nooit de eer gekregen die hem toekomt, maar hij kan met recht worden gezien als de Forrest Gump van de Zwitserse textielwereld: hij studeerde aan het Bauhaus, verbleef in Herrliberg en richtte een handweverij op in Schafis, waar hij zijn nicht Elsi Giauque leerde weven. In 1926 kreeg hij een deeltijdse baan als weefdocent aan de Kunstgewerbeschule in Zürich, een positie die hij tot december 1962 behield. Toen Itten in 1938 definitief naar Zürich terugkeerde om de Kunstgewerbeschule en het Kunstgewerbemuseum te leiden, werd hij Hürlimanns directeur. In 1944 rekruteerde Itten ook Giauque voor de textielafdeling. Naast zijn werk als docent leidde Hürlimann verschillende handweverijen, ook samen met Stölzl tussen 1931 en 1937.

In 1924 was Stölzl echter naar Weimar teruggekeerd omdat ze het Bauhaus miste. Enkele maanden later verhuisde ze mee naar Dessau, waar ze de taak kreeg om als Werkmeister de weverij op te zetten. Twee jaar later werd ze gepromoveerd tot Jungmeister. Haar korte tijd op Zwitserse bodem bij Itten had haar de benodigde ervaring opgeleverd, op een steenworp van waar ze zich niet veel later in Zürich zou vestigen.

In 1931 eiste de NSDAP de sluiting van het Bauhaus. Na nog enkele maanden in Berlijn, geteisterd door huiszoekingen van de Gestapo, werd het Bauhaus opgedoekt. Stölzl was een van de slachtoffers van dit politieke steekspel. Begin 1931 nam ze ontslag na langslepende aanklachten, die waren begonnen nadat ze in 1928 samen met de Joodse Bauhaus-architect Arieh Sharon de Vhutemas-school in Moskou had bezocht. De twee begonnen een relatie en trouwden in 1929, toen Stölzl al hoogzwanger was van hun dochter Yael. Na de bevalling keerde Stölzl terug naar haar baan, hoogst ongebruikelijk voor die tijd. In de weverij bevonden zich enkele vroege aanhangers van de NSDAP, die onophoudelijk klachten tegen haar bleven indienen, zowel op professioneel als op persoonlijk vlak, gesteund door lokale politici.[7] Stölzl besefte dat er geen mogelijkheden meer waren in de stervende Weimarrepubliek. Ze probeerde het nog bij Itten, die op het punt stond aan een volgend textielavontuur te beginnen als directeur van de Fachschule für textile Flächenkunst in Krefeld, maar tevergeefs. In de herfst van 1931 emigreerde ze met haar dochtertje naar Zwitserland.

In Zürich kreeg ze de kans om handweverij S-P-H Stoffe op te starten, samen met oude bekende Hürlimann en Gertrud Preiswerk, een Zwitserse Bauhausstudente die bij haar in Dessau had gestudeerd. Haar man, Arieh Sharon, kwam niet mee: hij vertrok naar het toenmalige Brits Mandaatgebied Palestina om zijn paspoort te verlengen. Niet lang daarna kondigde hij aan te willen scheiden. De situatie werd voor Stölzl ronduit penibel. Eensklaps was ze een alleenstaande moeder. Als immigrante moest ze regelmatig haar woon- en werkvergunning verlengen, een constante bron van onzekerheid. Haar Duitse nationaliteit was ze door haar huwelijk kwijt en na de machtsgreep van de nazi’s was een terugkeer onmogelijk. Haar Brits-Palestijnse paspoort kon ze door de scheiding zomaar kwijtraken. In Zwitserland werden Duitsers in de loop van de jaren dertig met steeds meer wantrouwen bejegend. Tot overmaat van ramp ging S-P-H Stoffe in 1933 failliet. Preiswerk moest het bedrijf verlaten, zodat Hürlimann en Stölzl een doorstart konden proberen te maken. Aan deze onzekere jaren kwam pas in 1942 een einde, toen Stölzl door haar huwelijk met de Zwitserse auteur Willy Stadler Zwitsers staatsburger werd.

Toch wist ze zich al in de jaren daarvoor te profileren als textielontwerper voor Zwitserse woningen en architecten. Ze werd al in januari 1933 toegelaten tot de Schweizerischer Werkbund (SWB), wat haar toegang gaf tot een netwerk van gelijkgestemde ontwerpers, architecten en kunstenaars. Nog belangrijker is dat Stölzl eind 1937 een eigen bedrijf begon, Handweberei Flora, aan de Florastrasse in Seefeld. Als vrouw had ze toestemming van een echtgenoot nodig om een onderneming te leiden. Een man had ze op dat moment niet. In plaats daarvan koos ze voor een commanditaire vennootschap met een van de eerste zelfstandige vrouwelijke architecten in Zwitserland, haar goede vriendin Elsa Burckhardt-Blum. Handweberei Flora zou dertig jaar bestaan. Met een handvol medewerkers zette Stölzl voort wat ze aan het Bauhaus was begonnen: handgeweven stoffen creëren die perfect integreren in het interieur, in woningen of in openbare ruimtes.

Ondanks alle onzekerheden stond Stölzl er als immigrante in 1931 niet alleen voor. Een klein netwerk had zij al. Zo kende ze Hürlimann en Preiswerk, maar ook de kunstenaars Berta Tappolet en Luise Meyer-Strasser, die een atelier voor toegepaste kunst in Zürich hadden. Vóór haar Bauhaustijd, tussen 1914 en 1919, had Stölzl aan de Kunstgewerbeschule in haar geboortestad München gestudeerd. Tappolet en Meyer-Strasser waren haar medestudenten en een hechte vriendschap ontstond. Toen Stölzl naar Zürich emigreerde, kon ze de eerste weken bij de familie Tappolet wonen. Professioneel kon ze, naast Elsa Burckhardt-Blum, al vroeg bouwen op de Zwitserse architect Hans Fischli (die in 1952 trouwens de vader werd van Peter Fischli van het duo Fischli & Weiss). Als enfant terrible van het Nieuwe Bouwen had Fischli kort aan het Bauhaus gestudeerd, waar hij bevriend raakte met Stölzl, maar ook met schilder en graficus Max Bill, die het briefpapier van Stölzls eerste handweverijen in Zürich zou ontwerpen.[8]

Terug in Zwitserland maakte Fischli naam met zijn Haus Schlehstud in Obermeilen, een houten huis met plat dak dat als ongewone verschijning in het straatbeeld de piepjonge architect op veel controverse kwam te staan.[9] Stölzl kreeg ook de opdracht om voor de atelierruimte in het huis een multifunctionele wandbekleding te creëren, die als prikbord voor Fischli’s ontwerpen en tekeningen kon dienen.[10]

In 1939 deed Fischli opnieuw een beroep op Stölzl, als adjunct-hoofdarchitect van de Landesausstellung, in goed Zwitsers beter bekend als de Landi, die plaatsgreep langs de Zürichsee, in tientallen paviljoens ontworpen door toonaangevende architecten. De expositie had als doel om Zwitserland te tonen aan een nationaal en internationaal publiek. De paviljoens waren gewijd aan kunst en cultuur, klederdracht en mode, maar ook aan industrie, economie, educatie, politiek en toerisme. De tentoonstelling trok ruim tien miljoen bezoekers, die op kleine bootjes door paviljoens konden varen of met een kabelbaan tussen de linker- en rechteroever van het meer zweven. De Landi, door de economische crisis meermaals uitgesteld, was een belangrijk onderdeel van de zogenoemde geistige Landesverteidigung. Angstvallig hadden de Zwitsers de expansiedrift van Hitler en het fascisme gevolgd. Tijdens de voorbereidingen van de expo vond de Anschluss plaats, en de Landi was in volle gang toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. De torenhoge bezoekersaantallen hangen daarmee samen: de Landi werd aangegrepen als een bekrachtiging van de Zwitserse saamhorigheid en onafhankelijkheid.

Des te bijzonderder is het dat de weefsels van Stölzl, officieel nog geen Zwitserse, in meerdere paviljoens te zien waren. Voor de afdeling Wohnen leverde ze stoffen voor modelinterieurs van de gerenommeerde interieurbedrijven Betz en Simmen & Cie. Ze werkte mee aan een vitrine van de Schweizerischer Werkbund. Modestoffen waren te zien in het innovatieve Kleider machen Leute-paviljoen.[11] Ook aan het Frauenpavillon nam ze deel, dat gewijd was aan alle rollen die de vrouw in de Zwitserse samenleving vervulde en waar een politieke oproep werd gelanceerd voor vrouwenstemrecht. De artistieke leiding was in handen van Berta Tappolet. Hier vormden Stölzls stoffen de bekleding, de letterlijke achtergrond, van de vitrines. Alsof dit nog niet voldoende haar positie bevestigde, kreeg zij last minute nog een reuzeopdracht van Fischli. Onverwachts was een paviljoen dat gewijd had moeten worden aan Zwitserse leveranciers van levensmiddelen (Nestlé, Maggi, Knorr) leeg gebleven, omdat de bedrijven weigerden met hun concurrenten in één ruimte te presenteren zonder logo’s. Fischli besloot dit paviljoen om te toveren tot een Vergnügungspalais, een amusementspaviljoen met een ronde dansvloer. Hij voorzag dit ‘paleis’ van een fotogenieke façade met cirkels, die hijzelf omschreef als ‘sexy’. Het cirkelmotief herhaalde hij in het interieur. Groot was mijn verbazing toen ik in het stadsarchief van Zürich een verdwaalde factuur vond: Handweberei Flora leverde ruim driehonderd meter wandbespanning met de naam Kreise, ‘cirkels’.[12] In Stölzls werkarchief bevindt zich nog een stofmonster met die naam, een bruine, glanzende wandbespanning met cirkels. Wie het spaarzame beeldmateriaal bestudeert, kan de stof inderdaad op de wanden van het Vergnügungspalais onderscheiden. De Landi vormt een cruciale, maar nog onbekende sluitsteen van Stölzls assimilatie in Zwitserland, via haar hand- en netwerk.

Nadat Stölzl begin 1968 haar werkplaats sloot, dacht ze niet aan een welverdiend pensioen. Haar werkruimte werd in gebruik genomen door schilder en graficus Richard Paul Lohse, vertegenwoordiger van de concrete kunst. Zelf behield ze één gobelingetouw, dat ze in haar kantoortje installeerde, tot ze in 1974 een kamer vond in haar woonplaats Küsnacht. Al in 1926 had Stölzl haar wandkleden gepositioneerd binnen het domein van de vrije kunst, in tegenstelling tot haar interieurstoffen. Desalniettemin zag ze ook hierin het belang van het samenspel tussen kunst en architectuur. Tijdens deze latere jaren benadrukte ze wat ze al aan het Bauhaus had verwoord: haar gobelins waren geen afbeelding (Bild), maar een wandoppervlak (Wandfläche). Ze beoogde een vernieuwing van de gobelintraditie, waarin wandtapijten steeds meer als een reproductietechniek van de schilderkunst werden gebruikt – denk aan de tapijten in de Sixtijnse Kapel, gemaakt naar ontwerpen op papier (cartons) van Rafael. In Stölzls ogen werd het eigen karakter van het weven en van textiele materialen ontkend. Zij liet haar wandkleden bepalen door het weefgetouw en door de techniek van het weven, het kruisen van horizontale en verticale draden. Dat wil niet zeggen dat de gobelins uitsluitend de abstract-geometrische vormentaal van het Bauhaus spreken. In late werken zijn bijvoorbeeld motieven uit het Zwitserse berglandschap te herkennen. Het uitgangspunt is niet het beeld, maar het ontsluieren van de mogelijkheden binnen de toch strakke grenzen van het weefgetouw.

Hoe legio die mogelijkheden zijn, tonen de late kleden, waarin te ziet valt wat Stölzl omschreef als ‘het vrije spel van de fantasie, beheerst door de techniek van het weven’.[13] Ze werkte niet volgens een strak ontwerp op papier, maar experimenteerde met de verschillende garens tijdens het weefproces. Het ‘mengen’ van kleuren werkt bij het weven, waarin kleureffecten ontstaan door het kruisen van de draden, anders dan in de schilderkunst. Stölzl toont zich een meester in het samenbrengen van een ongelooflijke hoeveelheid kleuren in één gobelin. Daarnaast wist ze ook beweging en dynamiek aan te brengen binnen het wetmatige kruisen van de draden. Door het bewust laten ontstaan van Schlitze, gleuven in het weefsel, opende Stölzl haar werken letterlijk naar de ruimte en naar de wand erachter. Het is een techniek die ze al in haar gobelins aan het Bauhaus toepaste, en waarmee ze het kleed benadrukte als ruimtelijk, in de breedste zin van het woord. Hoewel wol domineert, zijn er ook andere, verrassende materialen te ontdekken.

Ik was overdonderd toen ik Impromptu mit Steinen (1978), onderdeel van een Zwitserse privécollectie, voor het eerst zag tijdens de opbouw van de tentoonstelling in Thun. Het werk is inderdaad geen ‘afbeelding’, maar een oppervlak dat met vele kleuren, materialen en structuren zowel visueel als tactiel uitnodigt. De openingen, gleuven, losse kettingdraden, knopen en vlechten zijn ontelbaar. Kleine ronde steentjes, vastgenaaid in de wol, realiseren een bijzonder materiaalcontrast. Enkele vlakken zijn niet met matte wol geweven, maar met iets wat zich nog het beste laat identificeren als glanzend cadeaulint. Stölzls werk nam nooit het monumentale karakter aan van dat van haar jongere tijdgenoten binnen de fiber art movement, zoals de Poolse Magdalena Abakanowicz, die in 2022 en 2023 met een overzichtstentoonstelling in Tate Modern en het Musée cantonal des Beaux-Arts in Lausanne werd geëerd. Stölzl bleef bij het letterlijke en figuurlijke kader van het weefgetouw, daar waar de nieuwe generatie zich bewust distantieerde van het getouw, dat als té beklemmend werd beschouwd. Toch lijken de subtiele openingen en het veelvoud aan oppervlaktestructuren in haar gobelins een soort knipoog naar de jongere generatie: de vragen waar zij in textiel mee bezig waren, onderzocht Stölzl al een halve eeuw.

Een duotentoonstelling met werk van Stölzl en Itten, die een ander levenspad volgden en textiel op een andere manier benaderden, lijkt misschien niet meteen vanzelfsprekend. Toch droegen zij allebei in grote mate bij aan de vernieuwing van textieldesign en textielonderwijs. Allebei brachten ze het langste deel van hun carrière door in Zürich, nadat ze Duitsland hadden moeten verlaten. Hoewel ze in Zwitserland een ander en vooral druk leven hadden, bleven ze contact houden. Itten is de bekendere naam, maar ook zijn bijdrage aan de textielwereld werd overschaduwd door de aandacht voor zijn rol als schilder of pedagoog. Dat hij een textielschool in Krefeld leidde, tot zijn gedwongen ontslag eind 1937, is weinig bekend. In Zürich selecteerde hij stoffen voor de Landi en organiseerde hij textieltentoonstellingen als directeur van het Kunstgewerbemuseum. Bovendien gaf hij leiding aan de Textilfachschule in Zürich tussen 1945 en 1960. En het inmiddels verloren gegane textiele Velum (1938) ontwierp hij tijdens zijn korte verblijf in Nederland voor het trappenhuis van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Uit de tentoonstelling in Thun blijkt zijn blijvende interesse voor het zoeken naar patronen en motieven, juist in het totaal alledaagse – lucifers, de vlekken van een koe, een ginkgoblad. Voor Stölzl is het weefgetouw de rode draad. Het spel met materiaal en kleur binnen het strikte kader van het weefgetouw bleef haar fascineren, zowel in interieurstoffen als in textielkunst. In haar werkplaats ontstonden handgeweven meters stof die het alledaagse leven in haar tweede thuisland vormgaven.

Dat zowel Itten als Stölzl nu pas samen voor het voetlicht treden, hoeft niet noodzakelijk te verbazen. Beiden hielden zich grotendeels bezig met toegepast textiel, bedoeld om te gebruiken en daarom te verslijten. Bovendien heeft juist wat vanzelfsprekend is de neiging om vergeten te worden. Het was toen niet anders dan nu: we weten waar we onze eetkamerstoelen gekocht hebben, maar wie heeft de bekleding gemaakt of ontworpen? Bij de modelinterieurs die werden gepresenteerd tijdens de Landi van 1939 werd Stölzls weverij genoemd als leverancier, maar voor de gemiddelde koper bleef haar bijdrage onzichtbaar. Enkele maanden geleden ontdekte ik in het Landesmuseum in Zürich een archief van interieurbedrijf Simmen, met een aantal dozen ongedateerde interieurfoto’s. Dankzij naspeuringen met een vergrootglas zijn op tientallen foto’s stoffen uit Stölzls werkarchief te identificeren – op banken, stoelen, de vloer, en zelfs als wandkleed aan de muur. Toch was nergens in het Landesmuseum haar naam of die van haar bedrijf terug te vinden. In Thun is daarom een vitrine gewijd aan dit fotomateriaal, om te tonen hoe Stölzls stoffen opgingen in het interieur waarvoor ze ontworpen waren, maar ook om erop te wijzen hoe gemakkelijk ze over het hoofd worden gezien.

Textiel is voor musea geen eenvoudige klus. Het is kwetsbaar en vergt een eigen manier van conserveren, behandelen en presenteren, die de meeste musea niet gewend zijn. Bij de opbouw van de tentoonstelling in Thun kwam er waardevolle ondersteuning van de Abegg-Stiftung in Riggisberg, een expertisecentrum op het vlak van textielconservatie en -restauratie. Een van de restauratoren merkte terecht op dat zowel Itten als Stölzl spielerisch met hun materiaal omgingen. Het is het tactiele, flexibele, diverse en inderdaad speelse karakter van textiel dat Gunta Stölzl en Johannes Itten is blijven prikkelen. Wie hun textiele sporen volgt, spint bovendien een groter web van namen uit de Zwitserse kunst-, architectuur- en designgeschiedenis.

 

• Gunta Stölzl & Johannes Itten. Textile Universen, 17 augustus tot 1 december, Kunstmuseum Thun, Hofstettenstrasse 14, Thun, Zwitserland. De catalogus, samengesteld door Helen Hirsch en Christoph Wagner, verscheen bij Hirmer Verlag, München, ISBN 9783777442983.

 

Noten

1. Dit artikel is gebaseerd op promotieonderzoek aan de Universiteit Groningen naar Stölzls gehele oeuvre, dat begin 2025 wordt voltooid.

2. Zie bijvoorbeeld Gunta Stölzl, ‘Weberei am Bauhaus’, in: Offset, nr. 7, 1926, pp. 405-406.

3. Voor de Bauhausweverij en de invloed ervan in Nederland, zie: Mirjam Deckers, ‘Bauhausweven in Nederland. Tussen alledaags gebruik, architectuur en abstractie’, in: Rode Haring, nr. 11, 2024, pp. 2-21.

4. Een cruciale publicatie is: Mildred Constantine, Jack Lenor Larsen, Beyond Craft. The Art Fabric, New York, Van Nostrand Reinhold, 1972. De twee auteurs waren verantwoordelijk voor de belangrijke reizende tentoonstelling Wall Hangings (1968-1969).

5. Een uitzondering is de masterscriptie van Christine Eissengarthen, From Bauhaus to Switzerland. Gunta Stölzl and Her Years in Zurich (1931-1983), Milton Keynes, The Open University, 2007.

6. Zie ook Peter Schmitt, ‘Johannes Itten und der Aryana-Bund in Herrliberg’, in: Christa Lichtenstern, Christoph Wagner (red.), Johannes Itten und die Moderne, Ostfildern, Hatje Cantz Verlag, 2003, pp. 139-155. Hier wordt vermeld dat Stölzl al in 1923 naar Herrliberg kwam, maar dit lijkt om een vergissing te gaan. De hier genoemde data komen uit de Niederlassungskontrolle der Gemeinde Herrliberg (met dank aan Antonia Baumann, VVH-Dorfarchiv Herrliberg).

7. Zie Mirjam Deckers, ‘Gunta Stölzl. Aufstieg und Fall in Dessau’, in: Anke Blümm, Elisabeth Otto, Patrick Rössler (red.), Bauhaus und Nationalsozialismus, München, Hirmer Verlag, 2024, pp. 184-187; Mirjam Deckers, ‘Gunta Stölzl verlässt das Bauhaus. Denunziation und Intrigen in der Webereiwerkstatt’, in: Anke Blümm, Elizabeth Otto, Patrick Rössler (red.), …ein Restchen alter Ideale. Bauhäuslerinnen und Bauhäuslern im Nationalsozialismus, Göttingen, Wallstein, 2024, te verschijnen.

8. De vele connecties tussen het Bauhaus en Zwitserland werden besproken in: Gregory Grämiger, Ita Heinze-Greenberg, Lothar Schmitt (red.), Die Schweizer Avantgarde und das Bauhaus. Rezeption, Wechselwirkungen, Transferprozesse, Zürich, gta Verlag, 2019. Voor Bills contacten met Fischli en Stölzl, zie: Angela Thomas, A Subversive Gleam. Max Bill and His Time 1908-1939, Zürich, Hauser & Wirth, 2022, in het bijzonder pp. 323-333.

9. Zie: Sebastian Holzhausen, ‘Der Schweizer Architekt Hans Fischli. Ein unorthodoxer Avantgardist’, in: Philipp Oswalt (red.), Hannes Meyers neue Bauhauslehre. Von Dessau bis Mexiko, Basel, Birkhäuser, 2019, pp. 206-220. Lezenswaardig zijn ook Fischli’s memoires in: Hans Fischli, Rapport, Zürich, Orell Füssli, 1978.

10. Fischli beschreef deze wandbespanning in een interview met Karl Jost, 1984, Schweizerisches Kunstarchiv, Sammlung zu Hans Fischli von Karl Jost, HNA 39B.3.3, 112.

11. Zie Katharina Tietze, ‘‘Kleider machen Leute’. Der Modepavillon auf der Schweizerischen Landesausstellung 1939’, in: Michaela Breil (red.), Jahrbuch netzwerk mode textil 2018, Augsburg, Wißner-Verlag, 2018, pp. 68-79.

12. Stadtarchiv Zürich, Bestand VII.80, no. 45b.

13. Gunta Stölzl, ‘Die Künstlerin über ihre Arbeit’, uitnodiging voor Gunta Stadler-Stölzl. Bildteppiche, Paulus-Akademie, Zürich, 1980.

De vrije geest. Adya van Rees-Dutilh

In de collectie van het Kunstmuseum Basel bevindt zich een intrigerend zijden borduurwerk, ongeveer vijftig bij veertig centimeter groot, uit 1914. Het werd gemaakt door Adrienne Catherine (‘Adya’) van Rees-Dutilh (1876-1959), in wier overlijdensbericht stond te lezen dat zij als een van de eerste Nederlanders een ‘volstrekt abstract werk’ maakte. Van moedwillig non-objectieve, gegenstandslose of ‘pure’ abstractie was in de West-Europese kunst pas sprake vanaf de jaren twintig. Het borduurwerk uit 1914 heeft duidelijk een abstracte vormentaal, die net als het kleurgebruik – roze, crèmekleurige en goudgele lumineuze tinten tegen een zwarte achtergrond – niet zo snel te plaatsen is in bekende kunststromingen. De titel Sanduhr geeft aan dat er welzeker sprake is van representatie, en inderdaad vallen zonder al te veel moeite de contouren te herkennen van een zandloper in close-up tegen een zwarte achtergrond. Deze combinatie van abstracte vormentaal met figuratieve houvast sluit aan bij de beoefening van ‘abstractie’ door kunstenaars rond deze tijd, inclusief Kandinsky, in de vorm van een (veelal organisch) abstraheringsproces. Adya van Rees-Dutilhs borduurwerken, wandtapijten, tekeningen en collages, gemaakt tussen ongeveer 1911 en 1930, horen thuis in de bredere geschiedenis van de abstracte kunst, maar ze zijn daarin tot op heden niet of nauwelijks opgenomen. Veel van haar textiele werk – haar belangrijkste medium – is verloren gegaan. Enkele abstracte werken uit de jaren 1913 tot 1915 kunnen echter geduid worden in het licht van haar internationale avant-gardenetwerk, van tentoonstellingen en tijdschriften waarin haar werk te zien was, en van biografische gegevens. Het belangrijkste moment was ongetwijfeld haar participatie in wat later de eerste dadatentoonstelling zou worden genoemd – onder anderen door Tristan Tzara en Richard Huelsenbeck tussen 1916 en 1920, en in 1938 ook nog door Alfred Barr – in Zürich in 1915. Hier werd Sanduhr voor het eerst getoond.

Over het borduurwerk uit 1914 bestaat een belangrijke getuigenis van Hans Arp, die het werk tot aan zijn dood in 1966 in zijn bezit had. Arp, Van Rees-Dutilh en haar partner Otto van Rees (1884-1957) organiseerden in november 1915 de tentoonstelling Moderne Wandteppiche, Stickereien, Malereien, Zeichnungen in de galerie van kunsthandelaar, verzamelaar, reformaanhanger, schooldirecteur en latere dadamecenas Han Coray in Zürich. In Galerie Tanner – later Galerie Dada – toonde Otto van Rees schilderijen uit de jaren 1912-1914, en uit 1915 enkele collages uit papier en stof. Van Adya van Rees-Dutilh en Hans Arp waren er geen schilderijen of collages te zien, maar wel recente tekeningen, wandtapijten uit wol en zijden Wandstickereien, waaronder Sanduhr. In 1955 schreef Arp aan deze tentoonstelling een belangrijke functie toe, die niet eenzijdig gelegen was in een abstracte vormentaal (‘al mijn werk was ‘abstract’, zoals dat destijds werd genoemd’), maar in een combinatie hiervan met een zoektocht naar nieuwe materialen. Opvallend is dat Arp Sanduhr en één wandkleed van hemzelf (uitgevoerd door zijn zus of door Van Rees-Dutilh) cruciaal achtte.

‘Het wezenlijke […] aan deze tentoonstelling was, dat kunstenaars die het olieverfschilderen beu waren, op zoek gingen naar nieuwe materialen. De belangrijkste en eerste documenten van deze experimenten zijn een borduurwerk van A.C. van Rees-Dutilh […] en een van mijn wandtapijten.'[1]

Arp zag 1915 als de geboorte van zijn kunstenaarschap, hoewel hij al sinds 1907 schilderde. Voor hem was deze tentoonstelling bovendien beslissend omdat hij op de opening Sophie Taeuber ontmoette, met wie hij, zoals bekend, vanaf 1916 het materiaalonderzoek in wol, zijde, stof en papier (collage) zou voortzetten. De samenwerking met het echtpaar Van Rees kwam na de tentoonstelling ten einde. In februari 1916 werd in het Cabaret Voltaire in Zürich officieel de dadabeweging afgekondigd. In de zomer van 1916 bevonden vele dadaïsten zich net als het echtpaar Van Rees in het Zwitserse kunstenaarsdorp Ascona. Hier woonde Van Rees-Dutilh een optreden bij van Charlotte Bara, die ook af en toe optrad in Cabaret Voltaire. Adya en Otto van Rees verhuisden eind 1916 terug naar Parijs, waar in maart 1917 hun derde kind werd geboren. In 1919, op weg van Parijs naar Zwitserland, raakte het gezin betrokken bij een ernstig spoorwegongeluk. De oudste dochter kwam om het leven en Otto’s revalidatie duurde anderhalf jaar, een tijd die in Nederland werd doorgebracht. Door al deze omstandigheden maakte het paar dus niet actief deel uit van de hoogtijdagen van dada. Wel zijn in de eerste nummers van het tijdschrift Dada uit 1917 foto’s afgedrukt van hun werk, en ook waren van beiden werken te zien in de I. Dada Ausstellung in Galerie Dada in januari en februari 1917. Ze ondertekenden eveneens in 1918 Richard Huelsenbecks Berlijnse dadamanifest.

De samenwerking met Arp werd voorafgegaan door een gezamenlijke, moderne, deels abstracte muurschildering door Arp en Otto van Rees in 1915 voor de Pestalozzischool in Zürich, waarvan Han Coray directeur was. Dit type school is gebaseerd op de methodiek van de negentiende-eeuwse Zwitserse pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi en stelt de natuurlijke opvoeding van het kind centraal. Van Rees werd door Coray uitgenodigd en beschilderde één muur in z’n eentje. Een tweede fresco maakte hij met Arp, die hij in 1915 in Ascona leerde kennen, en wiens werk hij in 1913 al had kunnen zien op de Erster Deutscher Herbstsalon.

Een muurschildering voor een progressieve school paste precies in het wereld- en kunstbeeld van het echtpaar. Adya Dutilh kwam uit een welgestelde Rotterdamse familie, maar had sterke links-libertijnse overtuigingen. Vanaf haar veertiende volgde zij een teken- en schilderopleiding, eerst bij Barbara van Houten in Den Haag en tussen 1896 en 1900 in het atelier van Ernest Blanc-Garin in Brussel, een van de weinige plekken waar vrouwen naar naakt konden schilderen. Aan het begin van de twintigste eeuw leerde zij Otto kennen in Blaricum. Het naburige Laren was sinds de negentiende eeuw een kunstenaarsdorp, maar de aantrekkingskracht van Blaricum lag voor Dutilh in de tolstojaanse christelijk-anarchistische coöperatieve landbouwkolonie van de Internationale Broederschap, mede opgericht door Otto’s vader, professor Jacob van Rees. Dutilhs oudere zus Johanna (die als zangeres al in 1896 uitvoeringen gaf bij La Libre Esthétique) was nauw betrokken bij de Internationale Broederschap. In Blaricum woonde en werkte Dutilh aan het begin van de twintigste eeuw samen met de Vlaamse socialist en kunstenaar Christine Verbrugghe en met de Nederlandse kunstenaar Jo Koster, die beiden met haar bij Blanc-Garin hadden gestudeerd. Dutilh brak door met een sociaal bewogen portret van een lokale arme boerin, onder meer te zien op de Salon de la Libre Esthétique in Brussel in 1902. Vanaf 1903 schilderde zij in Blaricum zij aan zij met Otto van Rees. Kunstenaar Lou Loeber groeide op in Blaricum en herinnerde zich hoe zij als kind Adya en Otto in reformkledij op blote voeten in de tuin van Otto’s houten atelierhut zag schilderen. Als Adya niet direct in de kolonie woonde, dan hing zij toch de idealen ervan aan, zoals vegetarisme, antimilitarisme, vereenvoudiging van zeden, het vrije huwelijk en verwerping van alle staatsdwang. Inderdaad ging het paar eind 1904 in Parijs een vrij huwelijk aan – na de geboorte van hun tweede dochter toch gevolgd door een wettelijk huwelijk. Van Adya’s idealistische geestdrift getuigen de volgende citaten uit haar brieven aan Otto in 1904.

‘De waarheid, de nauwgezetheid, waarmee [Jacob van Rees] zijn beginsel wil uitleven!! [….] Ja, dat willen wij ook hè! […] Wij weten wat we [door ons vrije huwelijk] te dragen zullen hebben, bespotting, minachting van velen, maar […] wij zullen ons scharen bij hen, die ook strijden voor waarheid – weggooien alle conventies, alle vormen die zogenaamd de fatsoenlijkheid moeten handhaven.'[2]

Otto van Rees volgde geen formele opleiding tot kunstenaar, maar werd door Jan Toorop aangespoord om naar Parijs te gaan. In 1904 betrok hij via Kees van Dongen een atelier in de Bateau-Lavoir, boven het atelier van Picasso, terwijl hij in de leer ging bij Eugène Carrière. Het was het begin van een nomadisch bestaan voor het paar, en van wat zou uitgroeien tot een enorm netwerk in avant-gardekringen in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Adya Dutilh bleef zich aangetrokken voelen tot het idee van de kunstenaarskolonie. Vanuit haar wens om Barbizon te zien, het Franse plaatsje dat midden negentiende eeuw zo belangrijk was geweest voor de Franse schilderkunst, volgde ongetwijfeld hun zomerse vestiging in het nabijgelegen Fleury-en-Bière, in eerste instantie samen met Van Dongen en diens vrouw, de kunstenaar Guus van Dongen. Het paar Van Rees bleef hun zomers buiten de stad doorbrengen, om de in de reformkolonie gepropageerde levensstijl te kunnen voortzetten en hun eigen groenten te verbouwen. Otto’s oudste zus Lizzy woonde inmiddels in München voor een medische studie en ging daar een vrij huwelijk aan met een Russische edelman. Zij kwam in contact met reformkolonisten uit het eveneens op tolstojaanse principes gebaseerde Monte Verità in Zwitserland – de naam van de berg verwijst naar Tolstoj, de ‘man van de waarheid’. Otto’s moeder, pianist, voegde zich bij haar dochter en begeleidde vanaf 1905 de androgyne, expressionistische, Russische danser Alexander Sakharoff, die met zijn partner Clotilde von Erp deel uitmaakte van de cirkel rond Der Blaue Reiter (Alexej von Jawlenksy schilderde in 1909 zijn portret) en ook enige tijd in Monte Verità danste. Sakharoff werd in de jaren twintig leermeester van Lizzy’s dochter Genia, die in Duitsland en België danste onder de naar Tolstoj verwijzende artiestennaam Rostowa (Natasha Rostova is een dansend personage in Oorlog en vrede). Het lag voor de hand dat Monte Verità ook Adya en Otto zou aantrekken, maar wederom verbleven zij vanaf 1912 ’s zomers niet in de kolonie maar in Ascona, een dorp dat vele kunstenaars aantrok. Het is heel goed mogelijk dat Otto van Rees daar niet alleen Hans Arp, maar ook Han Coray leerde kennen.

Tussen 1904 en 1914 stond Van Rees’ werk onder invloed van wat hij zag en hoorde in Parijs: via de laatnegentiende-eeuwse Pont-Aven-groep en het fauvisme kwam hij tussen 1907 en 1910 tot wat Adya ‘het vlakke schilderen’ noemde: een decoratief kleurgebruik in grote vlakken met duidelijke contouren, en een toenemende schematisering die leidde tot een steeds minder diepe weergave van de ruimte.[3] Deze schematisering kreeg het karakter van een ‘abstrahering’: de emancipatie, autonomie en harmonie van lijnen, vlakken en kleuren werden steeds belangrijker, al bleef zijn werk figuratief. Mondriaan, die tussen 1912 en 1914 in Parijs leefde en er het echtpaar Van Rees leerde kennen, beschreef Otto in 1918 in een brief aan Theo van Doesburg als ‘een fijne kerel, niet helemaal vast, een zoeker naar het nieuwe’.[4] In 1912 zat Adya overigens model voor een kubistisch schilderij van Mondriaan: Portret van een dame, dat zich in Kunstmuseum Den Haag bevindt.

Adya van Rees-Dutilh hield na de geboorte van haar eerste dochter in 1906 op met schilderen, om zich tot 1913 volledig aan het borduren te wijden. Een van de redenen was wellicht dat je een borduurwerk makkelijker kunt wegleggen en weer oppakken dan een schilderij – een noodzakelijke voorwaarde voor creatie met een baby of klein kind in de buurt (haar tweede dochter werd geboren in 1910). Zelfs vandaag nog worden vrouwelijke kunstenaars die moeder worden en de textielkunst omarmen in Engeland denigrerend knitters genoemd. Maar voor Van Rees-Dutilh was het moederschap ongetwijfeld niet de enige impuls tot borduren: de toegepaste kunst, inclusief het borduren, stond in de nadagen van de art nouveau en de jugendstil in hoog aanzien in Europa. Het is aannemelijk dat Van Rees-Dutilh bekend was met Henry van de Veldes wandtextiel La Veillée des Anges uit 1893 – uitgevoerd door zijn tante in zijden borduurwerk en wolapplicatie – waarmee hij het eind van de schilderkunst verkondigde; en met Hermann Obrists monumentale zijden jugendstilborduurwerken vanaf 1895. (Sophie Taeuber volgde trouwens een opleiding op de door Obrist gestichte school voor toegepaste kunst in München.) Van Rees-Dutilhs borduurwerk en wandtapijten van vóór 1913 zijn niet overgeleverd, maar Otto vermeldde in een brief aan zijn vader in 1910 wel dat Adya werkte aan een borduurwerk ‘voor Amerika’ – wellicht voor de verzamelaar van moderne kunst Arthur Jerome Eddy Jr. uit Chicago, die veel werk van Otto aankocht.[5] Eveneens in 1910 exposeerde Van Rees-Dutilh voor het eerst een borduurwerk, in de Rotterdamse Kunstkring.

Een mogelijke aanwijzing voor haar werkwijze is langs een omweg terug te vinden in de catalogus van de Exposition de la Broderie et de ses applications in het Musée Galliera in Parijs in 1912. Daarin wordt ‘Mme Van Reed Dutilh’ [sic] vermeld als een van de meer dan tachtig exposanten, onder wie zowel mannen als vrouwen. Een citaat van haar is niet opgenomen, maar wél van haar vriendin en collega Christine Verbrugghe, die in Parijs woonde en ook wandborduurwerken maakte, die echter integraal verloren lijken te zijn. In de catalogus worden Verbrugghes werken omschreven als ‘reconstructies van archaïsche borduurwerken’ uitgevoerd in ‘de meest primitieve techniek’.[6] Het lijkt erop dat Verbrugghe net als Van Rees-Dutilh haar borduurwerk binnen bredere ontwikkelingen in de beeldende kunst situeerde, want zij vermeldde als inspiratie niet de decoratieve kunst maar de schilderkunst, namelijk die van Vlaamse en Italiaanse primitieven. Zij werkte dus in lijn met kunstenaars die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw een vernieuwing van de kunst (en de maatschappij) zochten via ‘primitieve’ benaderingen, en die een terugkeer naar de kunst van voor de renaissance propageerden, zoals de prerafaëlieten, William Morris, Nabis, synthetisten, cloisonnisten, symbolisten… maar ook de fauves en expressionisten. Wellicht werkten de twee borduurkunstenaars samen, of in overeenstemming. In Adya’s zijden borduurwerken uit 1914 en 1915 is een vergelijkbaar gebruik van lijn, kleur en modellerende borduursteek te herkennen als wat in het citaat van Verbrugghe wordt aangeduid.

‘Ik tracht mijn onderwerp zo sober mogelijk uit te drukken, zowel in lijnen als in kleuren. […] De glans en reflectie van het prachtige materiaal bieden middelen die kleur niet heeft in de schilderkunst; bovendien gebruik ik voor het borduren van een figuur slechts één tint zijde en verkrijg ik de modellering van de figuren door de richting van de borduursteek.'[7]

Drie jaar later toont Arps korte begeleidende tekst in de catalogusbrochure van de tentoonstelling Moderne Wandteppiche, Stickereien, Malereien, Zeichnungen eenzelfde nadruk op kleur, lijn en vorm, met een verlegging van prioriteiten. Arps tekst opent aldus: ‘Deze werken zijn gebouwen gemaakt van lijnen, vlakken, vormen en kleuren. Ze proberen het onuitsprekelijke boven de mens te benaderen, het eeuwige.’[8] Het uitgangspunt was dus niet langer het onderwerp, maar allereerst de beeldende middelen en hun constructie (Bau), hoewel een inhoudelijke opdracht aanwezig bleef. Opvallend is dat ook Arp fulmineerde tegen de illusionistische renaissancekunst, die hij als verantwoordelijk beschouwde voor de corruptie van mens (individualisme en egoïsme) en maatschappij (gebrek aan gemeenschap en broederschap): ‘De illusionistische beelden van de Grieken en de illusionistische schilderkunst van de renaissance brachten de mens ertoe zijn aard te overschatten en zorgden voor verdeling en onenigheid.’[9] De werken in de tentoonstelling in Galerie Tanner, aldus Arp, ‘keren zich af van de egoïstische mens’ en drukken ‘haat’ uit tegen ‘diens schaamteloosheden’, maar ook haat tegen ‘beelden, schilderijen’. In plaats daarvan proberen ze een (sinds de middeleeuwen) verloren wijsheid over de mens te benaderen, te weten ‘het onzegbare’ en ‘het eeuwige’, dat zich zowel in beeldende aspecten als in de geest uitdrukt: ‘Wijsheid was het gevoel voor hoog, groot, breed, puntig, verheffend, zwaar, diep, gezond, licht, kleurrijk. […] Wijsheid was het gevoel voor de gemeenschappelijke werkelijkheid, het mystieke, de bepaalde onbepaaldheid […].’[10] De ware kunst, aldus Arp, is ‘werkelijkheid’; een werkelijkheid die gemeenschappelijk is. De ‘nieuwe kunst’ wilde de bovengenoemde gevoelens weer rechtstreeks uitdrukken, in plaats van zich als ‘kunststuk’ te verliezen in afgeleide thema’s en bijzaken. Ook toonde Arp zich in overeenstemming met de vigerende kunstopvattingen van zijn tijd, met de opmerking dat deze ‘nieuwe kunst’ helemaal niet zo nieuw was: ‘De ‘nieuwe kunst’ is zo nieuw als de oudste schepen, steden en wetten, en werd beoefend door de oude volkeren van Azië, Amerika, Afrika, en meest recentelijk door de Goten.’[11]

Zowel in Frankrijk als in Duitsland werd in die tijd door kunstenaars en architecten teruggegrepen naar de gotiek, bijvoorbeeld in de geschriften van Wilhelm Worringer en door de wijdverspreide nadruk op de collaboratieve Bauhütte, zoals in het Bauhaus. En borduurwerk was een eminente kunstvorm in de middeleeuwen, getuige onder meer het in wol geborduurde Tapisserie de Bayeux en de vele met zijde geborduurde gotische kazuifels en wanddecoraties. Het lijkt erop dat Adya van Rees-Dutilhs sterke maatschappelijke overtuigingen doorklinken in Arps tekst. Het zou erop wijzen dat zij ook inhoudelijke grond had om haar penseel te verruilen voor de boorduurnaald, in een poging ‘nieuwe kunst’ te maken – een gemeenschappelijke, ‘werkelijke’ kunst die niet gecorrumpeerd zou zijn door (valse) burgerlijkheid.

De retrospectieve inlijving van de tentoonstelling uit 1915 binnen dada, allereerst door Tristan Tzara, heeft alles te maken met de door Arp verwoorde antiburgerlijke drijfveren en de zoektocht naar ‘primitieve’ waarheid. Volgens Tzara bevatte Moderne Wandteppiche, Stickereien, Malereien, Zeichnungen ‘noch kunst, noch schilderkunst’. Beide beweringen zijn onjuist, en ook was er strikt genomen geen sprake van de door Arp in de catalogus gepropageerde anonimiteit, want elk werk was door een van de kunstenaars gemaakt en werd als zodanig gepresenteerd. Wel zat er een vorm van anonimiteit in het zich afkeren van de individualiserende ‘handtekening’ van de schilder in de verftoets, ten faveure van de schaar (zoals bij Otto van Rees) en de borduurnaald. Zoals ook Christine Verbrugghe aangaf in het citaat uit 1912, is het mogelijk om enkel met de richting van de borduursteek figuren te modelleren, maar de steek zelf blijft altijd recht. In Van Rees-Dutilhs keuze voor de borduurnaald valt op die manier een verband te zien met Marcel Duchamps afkeer van zowel de ‘poot’ (la patte) van de imiterende schilder, als van la pâte, het materiaal van de schilderkunst als medium van een individualistische, aan de commercie en de illusie ondergeschikte, verburgerlijkte kunstenaar.

Ook werd in verschillende vormen van samenwerking het kunstwerk ten dele geanonimiseerd, of in elk geval gemeenschappelijk gemaakt. Otto van Rees en Hans Arp maakten samen een muurschildering; Adya van Rees-Dutilh voerde een ontwerp van Arp (simpelweg getiteld Gestaltung) uit in een zijden wandborduurwerk; en er lijkt bovendien een uitwisseling van vormen en composities in verschillende media te hebben plaatsgevonden. Zo is er een foto van een verloren borduurwerk van Adya dat de compositie overneemt van een collage door Otto voor het omslag van een portfolio voor Arps tekeningen, en bestaat er een houtreliëf van Arp dat een replica in hout lijkt van het borduurwerk dat Van Rees-Dutilh naar zijn ontwerp had gemaakt.[12]

Adya toonde in Zürich ook twee wandtapijten uit een ander samenwerkingsproject uit 1912: ‘composities’ naar ontwerp van de Duitse kunstenaar Otto Freundlich, waar enkel zwart-witfoto’s van zijn overgeleverd. De samenwerking met Freundlich kan worden gezien als een opmaat naar de tentoonstelling in Zürich in 1915. Hetzelfde geldt voor haar vriendschap met de Duitse expressionistische dichter-criticus Ludwig Rubiner, net als Freundlich actief betrokken bij het literair-politieke tijdschrift Die Aktion, een platform voor het expressionisme. Rubiner woonde tussen 1912 en 1913 met Carl Einstein in Parijs en verbleef in de zomer van 1912 in Fleury bij het echtpaar Van Rees. In 1913 tekende Adya zijn portret en in juli 1914 publiceerde Die Aktion een werk van haar op de cover. Beide tekeningen waren te zien in Galerie Tanner in 1915. Eveneens vanaf 1915 woonde Rubiner in Zürich; er bestaat een foto van hem met het gezin Van Rees tijdens de kerstviering in 1915.

Rubiner en Van Rees-Dutilh waren geestverwanten. Vanaf 1912 propageerde Rubiner in enkele manifesten de messianistische maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar als ‘Geest’. In april 1914 publiceerde hij in Die Aktion het manifest ‘Maler bauen Barrikaden’, waarin hij ‘ware’, ‘geestelijke’, ‘visionaire’ kunst afzette tegen de ‘kapitalistische handelwijze’ die alles wat op de wereld voorhanden is uitbuit, in plaats van iets met het eigen organisme voort te brengen. In de schilderkunst verbergt deze handelwijze zich volgens Rubiner achter ‘traditie’ en ‘stijl’. De kunstenaar heeft een antikapitalistische politieke rol.

‘Schilders, weet dat jullie spirituele wezens zijn, of blijf uit onze buurt! Jij bent hier om de gave van het oog te gebruiken om het geestelijke, waar we allemaal uit voortkomen, als een ruimte in de wereld te plaatsen. […] Schilder, jij verlangt; jij werpt de wereld omver; jij bent een politicus! Of je blijft een gewone mens.'[13]

Volgens Rubiner leefden de grootste kunstenaars op dat moment in Parijs, met Picasso als voornaamste voorbeeld van een visionaire kunstenaar die middels het oog ‘het geestelijke’ als ‘ruimte’ schept. Als belangrijkste figuur na Picasso noemde hij Robert Delaunay. Een van Van Rees-Dutilhs drie abstracte tekeningen die te zien waren bij Galerie Tanner heeft als titel Der freie Geist (1913). Het thema zou gebaseerd kunnen zijn op gesprekken met Rubiner, hoewel ook Freundlich er iets mee te maken lijkt te hebben gehad.

Otto Freundlich studeerde kunstgeschiedenis bij Heinrich Wölfflin voordat hij besloot kunstenaar te worden. Hij zou zijn leven lang theoretische teksten schrijven. Tussen 1908 en 1914 woonde hij in Parijs, had hij een atelier in de Bateau-Lavoir en raakte nauw bevriend met Adya en Otto van Rees, bij wie hij meerdere zomers in Fleury logeerde en met wie hij socialistisch-anarchistische overtuigingen deelde, alsmede het geloof in de mogelijkheid van een nieuwe mens. In 1912 was Freundlich medeverantwoordelijk voor de selectie Parijse avant-gardekunstenaars voor de Sonderbund-Ausstellung in Keulen, onder wie ook Adya en Otto. Hun werk was in 1913 eveneens te zien op de Erster Deutscher Herbstsalon georganiseerd door Herwarth Walden in zijn galerie Der Sturm in Berlijn. Walden en Freundlich stonden in nauw contact.

Het lijkt erop dat Otto Freundlich ook Adya van Rees-Dutilhs stilistische ontwikkeling beïnvloedde. In de schilderkunst verkondigde hij, tegen het kubisme in, al vroeg het standpunt van de ‘rein flächigen Malerei’.[14] Het is zeer aannemelijk dat Van Rees-Dutilhs eerdergenoemde term ‘het vlakke schilderen’ direct verbonden is met Freundlichs schilderkunstige opvattingen. Op foto’s van haar textiele composities naar Freundlich uit 1912, is te zien dat de wandkleden zijn opgebouwd in kronkelende vlakken uit één kleur, waarbij zwart een belangrijke plaats inneemt, net als in Sanduhr. Waar Otto van Rees enige tijd inspiratie vond in het cloisonnisme, richtte Freundlich zich rechtstreeks tot de inspiratiebron voor die stijl, namelijk de glas-in-loodschilderkunst. Zijn liefde voor het gotische glas-in-loodraam bracht hem er zelfs toe in 1914 een tijdlang een atelier te bewonen in de kathedraal van Chartres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Freundlich niet betrokken bij dada, maar hij was wel medeorganisator van de eerste Duitse dadatentoonstelling in 1919 in Keulen.

Freundlich was bovendien een aanhanger van Nietzsche. Aannemelijk is daardoor het verband met Van Rees-Dutilhs keuze voor de titel Der freie Geist, in het Duits, voor haar abstracte potloodtekening uit 1913. In Jenseits von Gut und Böse uit 1886 bespreekt Nietzsche vrije geesten als mensen die zich losmaken van vooroordelen en die in isolatie en volledige onafhankelijkheid leven. De vrije geest heeft als onafhankelijk denker een masker nodig om de eigen ware aard te verbergen, omdat gedachten verkeerd begrepen zullen worden door ‘mindere’ geesten. Het is verleidelijk om Van Rees-Dutilhs weergave van de vrije geest als een abstracte, in geometrische vlakken opgebouwde mannentronie te interpreteren als precies zo’n masker. De stilistische benadering in deze tekening wordt net als die van de twee andere abstracte mannenkoppen in Van Rees-Dutilhs tekeningen meestal losjes geduid als ‘kubo-futuristisch’. Het is echter ook mogelijk om, via Freundlich, in de dynamische en geometrische vlakverdeling van de koppen op de drie tekeningen een zoektocht te zien naar een flächige opdeling – niet enkel in het oppervlak van het kunstwerk, maar ook in het oppervlak van de voorstelling of de gezichten. In elk geval deelt Van Rees-Dutilh met Freundlich een trieste receptiegeschiedenis: Der freie Geist werd in 1937 in Volk en Vaderland, het orgaan van de NSB, gepubliceerd als voorbeeld van ontaarde kunst, terwijl Freundlichs sculptuur Der Neue Mensch (1912) in datzelfde jaar werd afgedrukt op de kaft van de catalogus van de Entartete Kunst-tentoonstelling in München.

Van Rees-Dutilhs derde potloodtekening uit Galerie Tanner stond in juli 1914 zoals gezegd op het omslag van Die Aktion. De titel is Fantômas, en het onderwerp leidt terug naar de artistieke ontwikkelingen in Parijs, waar Guillaume Apollinaire en Max Jacob in 1912 de Société des amis de Fantômas oprichtten. Fantômas was het hoofdpersonage in een populaire Franse misdaadromanserie, gepubliceerd vanaf 1911. Vanaf 1913 werd de doorslechte, anticonformistische gemaskeerde bandiet Fantômas, die steeds van uiterlijk en verblijfplaats wisselde, ook een van de eerste cinematografische (anti)helden. De voltallige Parijse intelligentsia was in de ban van de man met de duizend gezichten, en dit zou nog jaren aanhouden, tot aan Cocteau en de surrealisten (en zelfs tot bij Louis de Funès). Voor de avant-gardedichters rondom Apollinaire, die in de Eiffeltoren, de auto en het vliegtuig symbolen zagen voor de vernieuwing van de bronnen voor de dichtkunst, maakte Fantômas deel uit van een hedendaags-modern populair repertoire. De in Parijs woonachtige Zwitserse dichter Blaise Cendrars noemde hem een moderne Aeneas, die hij vergeleek met zijn eigen ideaal van de dichter als vrije, nomadische mens zonder afkomst, identiteit of groepsmentaliteit, die alle regels en normen verwerpt. Hoewel hij een moordenaar was, stond ook Fantômas dus model voor de vrije geest. Van Rees-Dutilhs keuze voor het verbeelden van de gemaskerde Fantômas plaatst haar in het hart van de avant-garde, voor wie voorwerpen en thema’s uit het dagelijks leven bronnen voor de kunst werden. Mondriaan getuigde in zijn brief aan Van Doesburg in december 1918 dat Otto van Rees voor de Eerste Wereldoorlog in Parijs in de kring van Apollinaire verkeerde. In 1929 noemde André Salmon in een begeleidende tekst voor een solotentoonstelling van Van Rees in Parijs Max Jacob diens ‘spirituele peetvader’.[15]

De vraag blijft: waar komen Van Rees-Dutilhs abstracte vormentaal en kleurgebruik in Sanduhr vandaan, behalve van bij Freundlich? Het werk staat niet los van Otto van Rees’ collages – een medium dat voor Arp vanaf 1916 doorslaggevend zou worden, en dat hij ogenschijnlijk van Van Rees heeft overgenomen. Die maakte zijn eerste collage terwijl hij in 1915 in Amsterdam in een militair hospitaal lag. Hij gebruikte onder andere glimmende sigarettenpapiertjes; op een foto blijkt het te gaan om een ietwat primitieve weergave van een danser.[16] De dienstdoende arts vond de collage een teken van afwijkend gedrag en ontsloeg de patiënt meteen van de dienstplicht. Maar waar haalde Van Rees zelf het idee vandaan om collages te maken in een abstracte vormentaal? Ze hebben stilistisch weinig van doen met het synthetisch kubisme. Het antwoord zou voor beide echtelieden hetzelfde kunnen zijn: bij Sonia Delaunay-Terk.

Het is aannemelijk dat Adya en Otto bekend waren met het werk van de Delaunays. Robert Delaunay, die ook voor Rubiner als voorbeeld gold, was een gigant in het Parijse artistieke milieu voor de Eerste Wereldoorlog. Vermoedelijk maakte Sonia Delaunay-Terks werk meer los bij zowel Adya als bij Otto. Als intermediair trad Blaise Cendrars op, met wie het paar bevriend was. Eind 1913 werd in Parijs als samenwerking tussen Cendrars en Delaunay-Terk het ‘eerste simultanistische boek’ gepubliceerd: een verticale leporello van het gedicht ‘La Prose du Transsibérien et de la petite Jehanne de France’ met een ‘picturale interpretatie’ door Delaunay-Terk. Het belang van dit werk voor Adya valt op te maken uit de titel van een wandkleed uit 1914 tentoongesteld in Galerie Tanner: Le Transsibérien. In zijn fresco voor de Pestalozzischool in Zürich plaatste Otto een rechtstreeks beeldcitaat uit Delaunay-Terks bijdrage aan de leporello: een Eiffeltoren met een gebroken cirkel eromheen. Ook had Delaunay-Terk op de Erster Deutscher Herbstsalon in Berlijn in 1913 vijftien ontwerpen voor boekomslagen getoond, waaronder een omslag voor een gedicht van Cendrars: een collage van eenvoudige geometrische vormen in gekleurd en glimmend geknipt papier. Een beplakt stofomslag voor Der Sturm uit 1912-1913 is een collage van gekleurd papier in geometrische vormen, maar heeft – net als Sanduhr – een donkere achtergrond. Delaunay-Terks simultanistische kleding, voor het eerst te zien op het Bal Bullier in 1913 in Parijs, bestond uit een patchwork van geometrische vormen, en ook hier speelde de kleur zwart een belangrijke rol. Adya gebruikte de collagetechniek in de jaren twintig voor affiches, en ook Delaunay-Terk borduurde sinds 1907 een tijd wandbeelden, zij het in wol. Haar inspiratie was folkloristische Oekraïense borduurkunst.

Na de Eerste Wereldoorlog bleef het lange tijd stil rond Adya. Het gezin verbleef tot 1926 in Nederland, en ’s zomers in Ascona, waar Otto zich in 1924 aansloot bij de kunstenaarsvereniging Der Große Bär, opgericht door Marianne von Werefkin. Hij decoreerde kerken in Zwitserland, en zijn naam duikt in Parijs regelmatig op. Een wat tendentieuze getuigenis over een mogelijke spirituele crisis bij Adya na de dood van haar dochter in 1919 is terug te vinden in een brief van Martinus Nijhoff aan zijn vrouw Netty, opgetekend in Parijs in november 1922. De bron van Nijhoff was Matthieu Wiegman, een Nederlandse schilder in Parijs, die Otto in 1918 in Bergen had leren kennen:

‘Zij hebben eén kind [sic] verloren, en toen is, volgens Wiegman, de vrouw hysterisch-Katholiek geworden, als een non gaan leven in de buurt van een klooster in Oosterhout, en overstelpt nu haar man van verwijten van zonde en gebrek aan bidden. Van Rees schijnt wanhopig van haar te houden, maar ziet haar langzamerhand uit zijn gezichtskring verdwijnen en zich terugtrekken in een nevel van gebeden en berouw. Daarbij komt, altijd volgens Wiegman, dat v. Rees door die vrouw en door haar geest geheel gedomineerd wordt, zoodat hij eigenlijk afgescheiden van haar niet geestelijk leeft, dus als ’t ware slaapt.'[17]

In 1929 liet Van Rees een huis bouwen nabij Ascona, waar Adya tot na de Tweede Wereldoorlog zou blijven wonen, terwijl Otto vanaf 1935 voornamelijk in Nederland verbleef: ‘Mijn vrouw […] heeft nooit van Holland gehouden en wou me daar niet vergezellen,’ tekende hij in 1948 op.[18] Uit brieven van Van Rees-Dutilh blijkt inderdaad dat zij een grondige afkeer had van het Nederlandse kapitalisme en van de situatie in de Nederlandse koloniën.

In april 1930 leverde ze nog een belangrijke bijdrage aan de tentoonstelling van de losse groep abstracte kunstenaars Cercle et Carré, in 1929 in Parijs opgericht door de Uruguayaans-Spaanse kunstenaar Joaquín Torres-Garcia en de Vlaamse dichter Michel Seuphor. ‘ADYA’ toonde hier drie werken en een citaat van haar werd afgedrukt in het gelijknamige tijdschrift: ‘In de kunst moet men zich, boven alles, toewijden aan deze waarheid, dat de constructie (zichtbaar of gevoeld) zo noodzakelijk is als de voet is voor het menselijk lichaam.’[19] De voet is natuurlijk het lichaamsdeel dat de mens in staat stelt rechtop te staan (richting het hogere), maar vooral om vooruit te komen. Voor iemand die al sinds 1914 ‘constructies’ maakte, moet het belang daarvan vijftien jaar later nog steeds vanzelfsprekend zijn geweest. Binnen Cercle et Carré werden de vele deelnemende vrouwelijke kunstenaars helaas evenmin serieus genomen.[20] Het enige wat Seuphor zich later van Van Rees-Dutilh herinnerde, was dat ‘de veel mededeelzamer Adya gelukkig haar zwijgzame man aanvulde’.[21] Voor Van Rees-Dutilh bracht ook deze belangrijke tentoonstelling geen bekendheid voor haar abstracte werk. Compromisloos liet ze zich niet van haar pad brengen, zoals blijkt uit een brief uit 1940 van Otto van Rees:

‘Jij die meer talent hebt dan ik, die gemakkelijker werkt, met meer beslistheid, met meer phantasie, met meer studie en onderlegging. Die nummer een was op de academie, die al schilderes was toen ik nog in de bokkewagen zat. […] Je had evengoed portretten kunnen maken als ik, of broderies die voor het publiek bevattelijk waren, voor het publiek dat koopt. Zooals ik het ook moet doen.'[22]

 

• Adya en Otto. Pioniers binnen de avant-garde, 28 september 2024 tot 2 maart 2025, Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112. Bij de tentoonstelling verschijnt de publicatie Otto & Adya van Rees. Pioniers binnen de avant-garde van Irène Lesparre, Zwolle, Waanders Uitgevers, ISBN 9789462625884.

 

Noten

1. Hans Arp, Unsern täglichen Traum [1955], Zürich, Die Arche, 1995, pp. 9-10.

2. Adya Dutilh, Dagboekaantekeningen, manuscript, Blaricum, 1904, part. coll. Geciteerd in: Lien Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920, Amsterdam, Meulenhoff, 1994, p. 89.

3. Adya van Rees-Dutilh aan Magda van Rees, ongedateerd, Archief Van Rees Stichting, inv. nr. PRO/A III B7, geciteerd in: Irène Lesparre, ‘Adya van Rees-Dutilh’, in: Linda Modderkolk (red.), Vrouwenpalet. Haar kunst, haar verhaal, 1900-1950, Zwolle, Waanders, 2022, p. 46.

4. Piet Mondriaan aan Theo van Doesburg, Laren, woensdag 4 december 1918, mondrianpapers.org, Huygens Instituut en RKD.

5. Geciteerd in: Willem Enzinck (red.), Otto en Adya van Rees. Leven en werk tot 1934, Utrecht, Centraal Museum, 1975, p. 28.

6. Saint André de Lignereux, Exposition de la Broderie et de ses Applications au Musée Galliera, 1912. Rapport général, présenté au nom du jury, Parijs, Musée Galliera, 1912, p. 33.

7. Idem, p. 43.

8. Getranscribeerd in: Herbert Henkels, ‘The beginning of dadaism. Arp and Van Rees in Zürich 1915’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek (NKJ) / Netherlands Yearbook for History of Art , 1972, p. 387.

9. Idem.

10. Idem.

11. Idem.

12. Op. cit. (noot 5), p. 82.

13. Rubiner, ‘Maler bauen Barrikaden’, in: Die Aktion. Wochenschrift für Politik, Literatur, Kunst, nr. 17, 1914, pp. 353-364.

14. Uli Bohnen (red.), Otto Freundlich. Schriften, Keulen, Dumont, 1982, p. 9.

15. Op. cit. (noot 5), p. 48.

16. Op. cit. (noot 5), p. 39.

17. Martinus Nijhoff aan Netty Nijhoff, ongedateerde brief, Parijs, poststempel 12-XI-1922. Gepubliceerd in: Andreas Oosthoek, ‘Martinus Nijhoff, een ondernemer in Parijs’, Maatstaf, nrs. 11-12, 1987, p. 24.

18. Geciteerd in: Jaapjan Berg, ‘Adya van Rees-Dutilh’, in: Nio Hermes (red.), Met Verve. Charley Toorop, Lizzy Ansingh, Jacoba van Heemskerck, Lou Loeber, Sorella, Adya van Rees-Dutilh, Amsterdam, In de Knipscheer, 1991, p. 89.

19. Cercle et Carré, nr. 1, 1930, n.p.

20. Zie: M. Lluïsa Faxedas, ‘Women Artists of Cercle et Carré. Abstraction, Gender and Modernity’, in: Woman’s Art Journal, nr. 1, 2015, pp. 37-46.

21. Op. cit. (noot 5), p. 96.

22. Otto van Rees aan Adya van Rees-Dutilh, 7 mei 1940, RKD, Den Haag, Archief Otto van Rees en Adya van Rees-Dutilh, nummer toegang 0466, inv. nr. 10. Gedeeltelijk geciteerd in: op. cit. (noot 3), p. 60, en gedeeltelijk op de website van het Stedelijk Museum Schiedam.

Waar is het midden?

Christophe Van Gerrewey: ‘De horrorjob van Zürich’, zo wordt op 20 januari 2022 jouw nieuwe baan, als directeur van het Kunsthaus, omschreven in de Neue Zürcher Zeitung door Philipp Meier. Dat lijkt niet aantrekkelijk.

Ann Demeester: Ja, maar de laatste zin van dat artikel is: ‘Ann Demeester geeft niet de indruk dat ze uitdagingen uit de weg gaat.’ Ik had niet verwacht geselecteerd te worden toen ik solliciteerde, hoewel ik al jaren verliefd was op het Kunsthaus. Het was tijdens de pandemie een lang en gefaseerd sollicitatieproces, heel gedegen. De vacature is in juli 2020 open verklaard. Een jaar later, in juli 2021, werd bekendgemaakt dat ik Christoph Becker zou opvolgen, die 22 jaar directeur is geweest van het Kunsthaus. Het selectiecomité had eerst een klassieke stercurator voor ogen, als opvolger. Tijdens het proces werd duidelijk dat er op alle fronten verandering was gewenst en dat een traditioneel profiel niet zou volstaan. Ik zou in functie treden op 1 januari 2023, omdat ik niet meteen wou opstappen als directeur van het Frans Hals Museum in Haarlem.

C.V.G.: Toch ben je al eerder voor het Kunsthaus beginnen te werken.

A.D.: Er brak een crisis uit die de museumleiding niet meer onder controle kreeg. De geest was uit de fles. Op 9 oktober 2021 is de nieuwbouw van het Kunsthaus Zürich voor het publiek geopend, na een plan- en bouwperiode van bijna twintig jaar.

C.V.G.: Het gaat om een uitbreiding door de Britse architect David Chipperfield, met wel erg ruim bemeten marmeren trappartijen, die de oppervlakte van het Kunsthaus meer dan verdubbelt – het is nu het grootste museum in Zwitserland.

A.D.: Er is een eigen collectie die reikt van Rembrandt tot Pipilotti Rist en van Munch en Monet tot Anri Sala. Het Kunsthaus heeft bovendien een aantal private collecties in bruikleen, zoals de verzameling van Hubert Looser of die van de familie van de Joodse Werner Merzbacher – twee Zwitserse zakenmannen die trouwens nog in leven zijn. Het is over een andere collectie in langdurige bruikleen dat er controverse is ontstaan: die van de Stiftung Sammlung E.G. Bührle, die uit iets meer dan tweehonderd kunstwerken bestaat, voornamelijk laatnegentiende-eeuwse, vroegtwintigste-eeuwse schilderkunst: Cézanne, Corot, Degas, Gauguin, Manet, Monet, Renoir, Van Gogh, Picasso enzovoorts.

C.V.G.: Enkele weken voor de heropening in oktober 2021 publiceerde historicus Erich Keller zijn boek Das kontaminierte Museum. Das Kunsthaus Zürich und die Sammlung Bührle. Het is een pamflet tegen het rapport dat op vraag van de stad en het kanton Zürich al in november 2020 werd opgemaakt door een andere historicus, Matthieu Leimgruber, en waarin Bührle als een onvergeeflijke opportunist werd gekenschetst, die echter ook een product was van de Zürcher elite. Volgens Leimgruber bleef het mogelijk de werken uit zijn collectie te tonen, maar niet zonder die context te benadrukken.

A.D.: De discussie over die collectie sluimerde al jaren, maar het is door de heropening dat er een storm uitbrak. De werken waren nu voor het eerst weer te zien, in een nagelnieuw, imposant en elegant huis.

C.V.G.: Op 11 oktober 2021 schreef The New York Times: ‘A Nazi Legacy Haunts a Museum’s New Galleries’. Bührle verwierf zijn rijkdom, en dus zijn kunstverzameling, op een niet bepaald menslievende manier, en dat het Kunsthaus met zijn collectie uitpakte, werd het instituut kwalijk genomen.

A.D.: Emil Bührle was een Duitser, geboren in 1890, die in 1924 naar Zürich verhuisde. Zijn fortuin maakte hij als wapenfabrikant, en tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde hij, met officiële toestemming van de Zwitserse staat, zowel wapens aan de geallieerden als aan nazi-Duitsland. Het maakte hem letterlijk tot de rijkste man van Zwitserland. Het probleem is niet alleen de herkomst van zijn geld, maar ook de manier waarop hij die kunstwerken verworven heeft. Veel van de schilderijen in zijn collectie waren oorspronkelijk het eigendom van Joodse verzamelaars, en de omstandigheden waarin zij de kunstwerken hebben verkocht – of eerder hebben moeten verkopen, ook tegen lage prijzen – blijven onduidelijk. Als al die eigenaars nooit door de nazi’s vervolgd zouden zijn geweest, dan zou Bührle nooit zoveel kunst hebben verzameld.

C.V.G.: Bij de heropening en de tentoonstelling van de collectie in de herfst van 2021 kwamen die kwesties dus niet aan bod?

A.D.: Te weinig. Er was een documentatieruimte over de biografie van Bührle, met een chronologische zaaltekst met foto’s en documenten. 

C.V.G.: Begin november 2021 gaf Lukas Gloor, de directeur van de Stiftung Bührle, zijn ontslag, met als dreigement de suggestie dat de collectie niet in het Kunsthaus hoefde te blijven. Er is een antecedent: in 2001 vroeg Friedrich Christian Flick aan Rem Koolhaas om een privémuseum in Zürich te ontwerpen, waar hij de collectie van zijn vader, de nazimisdadiger Friedrich Flick, zou kunnen exposeren. Ook dat initiatief veroorzaakte verzet, en deze collectie kwam in 2005 terecht in het Hamburger Bahnhof in Berlijn. Was de vrees terecht dat het Kunsthaus de Sammlung Bührle zou verliezen?

A.D.: Dat weet ik niet, maar het gaf aan hoe gespannen de sfeer was. Het was duidelijk dat het zo niet verder kon, en dat het nodig was het gesprek zo open mogelijk te voeren.

C.V.G.: Eind december 2021 zei je voorganger Christoph Becker op een persconferentie dat hij voorafgaandelijk aan de tentoonstelling van de Bührle-collectie de steun had gekregen van Ronald Lauder, de voorzitter van het World Jewish Congress. Kort daarna werd dat door de advocaat van Lauder ontkend: er was met betrekking tot het ontwerp van de documentatieruimte nooit een verzoek geweest. 

A.D.: Dat heeft ertoe bijgedragen dat mijn aanstelling is vervroegd. Ik heb vanaf maart 2022 een week per maand in Zürich doorgebracht en ben in de zomer met mijn familie verhuisd.

C.V.G.: De Bührle-collectie aanpakken werd je belangrijkste taak.

A.D.: Dat zou je denken, maar begin augustus brak er brand uit in het museum: een elektrisch apparaat in een verpakkingsruimte in het oude gebouw vatte vuur. De rook verspreidde zich bijna overal, waardoor we 400 kunstwerken moesten onderzoeken, en een tijdlang is enkel de nieuwe vleugel toegankelijk geweest.

C.V.G.: Op 15 maart 2023 heb je, samen met Philipp Hildebrand, de voorzitter van het Zürcher Kunstgesellschaft dat het Kunsthaus leidt, een nieuwe aanpak voorgesteld voor kunstwerken die ooit eigendom waren van vervolgde Joden. De herkomst van kunstwerken die van eigenaar wisselden tussen 1933 en 1945 zou opnieuw onderzocht worden om na te gaan of de verkoop al dan niet het gevolg was van nazivervolging.

A.D.: We besloten proactief te handelen, en dus niet langer te wachten tot we benaderd werden door de nazaten van de voormalige eigenaars. Uiteindelijk volgt het Kunsthaus, voor de eigen verzameling, de internationale standaard, zoals die al in 1998 is vastgelegd in de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art. Al voor mijn aantreden heeft het Kunstgesellschaft, samen met de stad en het kanton, aan de Zwitserse historicus Raphael Gross, directeur van het Deutsches Historisches Museum in Berlijn, gevraagd om de herkomst van de Sammlung Bührle opnieuw te onderzoeken.

C.V.G.: Als tegenexpertise?

A.D.: Eerder als een second opinion, als reactie op het schandaal en vermoedelijk ook op basis van voortschrijdend inzicht. Het veranderende besef, hier in Zwitserland, over de eigen rol in de Tweede Wereldoorlog zal zeker een rol gespeeld hebben. De positie op dat verleden is altijd ogenschijnlijk helder geweest: Die Schweiz war keine Täter-Nation – het zijn de nazi’s die verantwoordelijk zijn voor de Holocaust, niet de Zwitsers. De toenmalige interpretatie van neutraliteit heeft er echter wel toe geleid dat Zwitserland een van de belangrijkste draaischijven was voor de handel in cultuurgoederen van nazislachtoffers. 

C.V.G.: In afwachting van de resultaten hebben jullie besloten om in november 2023 al een nieuwe tentoonstelling te openen, gewijd aan de verzameling van Bührle.

A.D.: Enerzijds deden we dat omdat de druk hoog was: er moest een alternatief komen voor de opstelling uit 2021. De stad Zürich heeft daar expliciet om gevraagd. Anderzijds wilden we benadrukken dat het om een leerproces gaat dat zich niet zomaar laat afsluiten, en dat resultaten altijd deels voorlopig zijn. Het was belangrijk om de discussie ernstig te nemen, en zo veel mogelijk posities aan het licht te brengen. Als een museum – ook een museum voor schone kunsten – kritisch wil zijn en zich tot het heden wil verhouden, dan moet je complicaties en problematische aspecten van het verleden durven benoemen en onderzoeken. 

C.V.G.: Vind je het niet vreemd dat net jij als buitenlander, als Belg, het gezicht werd van die vernieuwingsoperatie?

A.D.: Ik sta om te beginnen aan het hoofd van een team dat voornamelijk uit Zwitsers bestaat. Maar er zijn veel mensen die me gezegd hebben dat enkel een buitenlander deze taak ten gronde kan aanpakken. Als Zwitser, maar bijvoorbeeld ook als Duitser, zou ik te zeer betrokken partij zijn, misschien ook op emotioneel vlak.

C.V.G.: Consider me Switzerland…

A.D.: Ja, in zekere zin is dit een discussie waarin de Zwitsers hun traditionele neutraliteit niet kunnen behouden. Ik behoud afstand, maar het is toch iets dat me zeer ter harte gaat. Ook in België of in Nederland is het een taak om het nationale verleden ter discussie te stellen, en om na te gaan hoe kunstcollecties tot stand zijn gekomen. Ik probeer de kwestie algemener te benaderen: het is met deze blik dat we, in veel landen, vandaag naar kunst kijken, door ons met de herkomst van kunstwerken bezig te houden. De geldstromen die kunst mogelijk maken – het is een thema waarin onze tijd geïnteresseerd is. Kijk naar de manier waarop de naam van de farma-industrieel Sackler uit instituten is verwijderd, in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Dit is geen typisch Zwitsers probleem, het is alleen Zwitsers gekleurd.

C.V.G.: Bemoei je met je eigen zaken – dat heb je niet te horen gekregen? 

A.D.: Nee, helemaal niet, hoewel ik besef dat die spanning er is. Maar ook dat is niet typisch voor Zwitserland. In Nederland waren ze razend enthousiast over het boek dat David Van Reybrouck over Congo heeft geschreven, maar Revolusi, zijn boek over Indonesië uit 2020, werd op meer kritiek onthaald.

C.V.G.: In juli 2023 besloot het collectief KKKK – Komitee Kunstraub Konfiskation Kommunikation – het Kunsthaus op weg te zetten, door de website te kraken en de QR-codes bij de werken van Bührle te vervangen. Ze noemen op hun website de collectie ‘de Zwitserse versie van een Holocaustmemoriaal’, en ze eisen de teruggave van alle werken die Bührle van bij Joodse verzamelaars verkreeg, maar ook de verkoop van alle andere werken uit de collectie én de inrichting van de vrijgekomen kamers in het Kunsthaus ‘als een museum voor de geschiedenis van het Zwitserse migratieregime, de buitenlandpolitiek en de wapenindustrie tijdens de Tweede Wereldoorlog’.

A.D.: Voor dat laatste zijn andere instituten beter geschikt – het Landesmuseum bijvoorbeeld, ook in Zürich, waar de nationale geschiedenis van Zwitserland wordt tentoongesteld. Je kan die actie van het KKKK zien in de traditie van het dadaïsme: in Zwitserland, en zeker in Zürich, zijn er altijd progressieve en radicale stromingen aanwezig geweest.

C.V.G.: Een week voor de opening van de collectietentoonstelling, eind oktober 2023, werd bekend dat de wetenschappelijke adviesraad, samengesteld met het oog op de verzameling van Bührle, besloot op te stappen. Zeven leden, onder wie Matthieu Leimgruber, de historicus die het eerste onderzoek had uitgevoerd, tekenden protest aan bij de uitvoering van de tentoonstelling, die als titel droeg Eine Zukunft für die Vergangenheit. Sammlung Bührle: Kunst, Kontext, Krieg und Konflikt.

A.D.: De adviesraad heeft ons tijdens het proces begeleid en hun continue feedback op het concept was erg waardevol. In de eindfase is er veel discussie ontstaan over de begeleidende teksten. Uiteindelijk vond de adviesraad dat Bührle te prominent naar voren kwam, ten nadele van de Joodse Vorbesitzer, die de kunstwerken, en vaak ook hun leven, verloren tijdens en door het nazisme.

C.V.G.: Bührle staat inderdaad centraal. Toen ik de expo bezocht, hoorde ik een Nederlandse bezoeker tegen zijn vrouw zeggen: ‘Wat een slechte man!’

A.D.: Wij vonden het onvermijdelijk om Bührle centraal te stellen: hij is de aanleiding waarom we de discussie over de pijnlijke aspecten van de collectie voeren. Voor ons waren de teksten een belangrijk onderdeel, maar de video-interviews met talloze betrokkenen, de digitale interactieve enquête en de dialoogsessies die we organiseerden in de tentoonstelling – het discursieve nevenprogramma – waren minstens even wezenlijk. Het veroorzaakte oproer in de pers, maar de adviesraad en wijzelf zijn blijven praten. We agreed to disagree. Dissensus moet je accepteren als je dit soort controversiële issues aankaart. 

C.V.G.: Er werd zelfs gesuggereerd dat die Joodse verzamelaars opnieuw in een marginale positie werden geduwd, in de collectiepresentatie.

A.D.: Ik heb veel begrip voor dat standpunt, maar het zou een andere tentoonstelling hebben opgeleverd. We hebben ervoor gekozen de context te tonen waarin Bührle zijn collectie kon verwerven, met ook biografische portretten van de Joodse verzamelaars, maar zij zijn inderdaad niet het uitgangspunt.

C.V.G.: De hele situatie is ongetwijfeld nog complexer geworden door de aanval van Hamas in Israël op 7 oktober 2023 en de nog steeds voortdurende bombardementen van Israël in de Gazastrook. Elke zweem van antisemitisme moet sindsdien koste wat het kost vermeden worden in de Duitstalige wereld.

A.D.: Natuurlijk, en die invloed van actuele gebeurtenissen is belangrijk: het toont nog maar eens dat kunst niet buiten de maatschappij staat, en dat je kunstwerken en collecties niet kan isoleren in de tijd waarin ze tot stand zijn gekomen. Tegelijkertijd is Zwitserland Duitsland niet: de censuur die daar nu plaatsgrijpt, is een fenomeen dat we hier niet kennen. 

C.V.G.: Eine Zukunft für die Vergangenheit opent met het gedeeltelijk impressionistische olieverfschilderij Irène Cahen d’Anvers (La Petite Irène) van Auguste Renoir uit 1880. Het werd gemaakt op vraag van de vader van de geportretteerde, en het werk wordt, in de presentatie in het Kunsthaus, in verband gebracht met het lot van de kinderen van Irène Cahen d’Anvers: haar dochter Béatrice, diens echtgenoot en hun twee kinderen werden vermoord in Auschwitz, terwijl Irène zich tijdens de oorlog kon verschuilen in Parijs. Het schilderij werd door de nazi’s gestolen na de val van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog, en het kwam terecht in de collectie van Hermann Göring, die het ruilde met een Duitse kunsthandelaar voor een Florentijnse tondo. Na de oorlog heeft Irène Cahen d’Anvers het werk kunnen recupereren, maar in 1949 heeft ze het via een Parijse galerist verkocht, die het dan weer heeft doorverkocht aan Emil Bührle.

A.D.: Kunstwerken tragen keine Schuld, dat is een van de motieven die we hanteren in de tentoonstelling. Irène Cahen d’Anvers (La Petite Irène) is een beeld waarin veel samenkomt, en het maakt de problematiek meteen heel persoonlijk. 

C.V.G.: Na die Renoir en een reeks thematische ruimtes volgt een chronologische rangschikking, niet op basis van het tijdstip waarop de werken voltooid zijn, maar op basis van het moment waarop Bührle ze in handen kreeg. In de tweede zaal hangen een aantal late Monets, zoals Le Bassin aux nymphéas, reflets verts, voltooid tussen 1920 en 1926 – meer dan vier meter breed en twee meter hoog. Het is redelijk ontluisterend om die kunstwerken te bekijken, niet vanuit wat de kunstenaar ermee trachtte te bereiken of vanuit hun positie in de kunstgeschiedenis, maar vanuit de vraag hoe de doeken van eigenaar zijn gewisseld, en in welke omstandigheden. Vorm en inhoud komen niet meer aan bod – het gaat over kunst als eigendom, over de ‘identiteit’ van kunstwerken, waar de kunstenaar niet voor gekozen heeft.

A.D.: Het gaat vooral over de context van een kunstwerk, ook na de voltooiing ervan. Ik denk enerzijds dat het een fase is, en dat er een moment zal aanbreken waarin we ook de werken uit de collectie van Bührle weer met een esthetische en kunsthistorische blik kunnen bekijken. Anderzijds hoeft het ene het andere niet uit te sluiten: waarom zouden historische of politieke omstandigheden de werken niet beïnvloed kunnen hebben? Monet is aan zijn waterlelieschilderijen begonnen kort nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, en hij heeft er alles aan gedaan om tijdens dat conflict zijn activiteiten niet te moeten staken – waarom zouden we die werken niet kunnen bekijken in het licht van de conflicten die later zouden volgen?

C.V.G.: In een recensie van de tentoonstelling door Gerhard Mack, bekend omdat hij het verzameld werk van architecten Herzog & de Meuron heeft samengesteld, werd gesuggereerd dat de kunstwerken worden gebruikt of zelfs misbruikt om een debat aan te zwengelen. ‘Debatte kommt vor Kunst,’ schreef hij, opnieuw in de Neue Zürcher Zeitung, op 5 november 2023. In een opiniestuk schreef redacteur Thomas Ribi al twee dagen eerder, in dezelfde krant: ‘Altijd vriendelijk en kritisch willen zijn en geen fouten maken, dat lijkt de hoofdprioriteit te zijn geweest.’ Hij beweerde dat de leden van de adviesraad ‘gevlucht’ waren met het oog op hun reputatie en hij vond hun claims overtrokken, maar ook de te grote nadruk op Bührle stuitte hem tegen de borst. ‘Dat het bij dit alles ook over kunst zou kunnen gaan, dat wil men blijkbaar niet te sterk benadrukken.’

A.D.: Het lijkt me een basisfunctie van kunst om een gesprek op gang te brengen, en waarom zou je dan voorbehoud maken bij sommige onderwerpen? 

C.V.G.: Het is opmerkelijk hoe nauwgezet en kritisch jouw activiteiten, en die van het Kunsthaus in het algemeen, door de Neue Zürcher Zeitung worden gevolgd en bekritiseerd.

A.D.: Dat is ook hun taak, als ‘stadskrant’. Wat me opvalt, nu ik hier twee jaar woon en werk, is de extreme tweespalt die er in Zürich, en waarschijnlijk in Zwitserland in het algemeen, blijkt te bestaan. In Nederland en België is dat veel minder het geval. Er is in Zürich overduidelijk de conservatieve kant, die inderdaad door de Neue Zürcher Zeitung wordt vertegenwoordigd. Zij zien het museum als een refugio, een paleis voor schoonheid, totaal bevrijd van de taak om aan nationaal zelfonderzoek te doen. En dan is er de jongere, meer progressieve groep, die een stem vindt in de andere krant van Zürich, de Tages-Anzeiger, en die wil dat het museum een kritisch instituut is dat machtsstructuren onderzoekt en ook Zwitserland zelf in vraag stelt.

C.V.G.: In de Tages-Anzeiger van 2 november 2023 schreef Christoph Heim: ‘Door al het eerbetoon aan wapenproducent Emil G. Bührle komt het Kunsthaus er niet toe de Joodse verzamelaars echt te waarderen. Directrice Ann Demeester heeft haar vuurdoop niet doorstaan.’

A.D.: Zie je – dat bedoel ik! Het ene kamp vindt dat we Bührle onrecht aandoen en de kunst veronachtzamen, terwijl het andere kamp vindt dat we Bührle op een piëdestal zetten. Iedere ochtend als ik arriveer op kantoor liggen de twee kranten mooi naast elkaar op mij te wachten: de Tages-Anzeiger links en de Neue Zürcher Zeitung rechts. Maar waar is de krant die in het midden durft te liggen?

C.V.G.: In het hart van de tentoonstelling Eine Zukunft für die Vergangenheit staat een reeks televisieschermen met talking heads: verschillende betrokkenen laten hun licht schijnen over de problematiek. Het zijn allemaal Zwitsers, met uitzondering van de Franse kunstenaar Raphaël Denis, die werk heeft gemaakt over roofkunst, en die een ander argument aanhaalt. Volgens hem is het onterecht om Bührle tot ‘curator’ te verheffen: waarom zou zijn collectie zonder tussenstappen in een tentoonstelling moeten worden vertaald? Dat is een probleem dat zich voordoet bij elke privécollectie, of bij elke verzameling in het algemeen. Opvallender is wat Severin Pflüger zegt, die van 2016 tot 2022 voorzitter was van de FDP, de liberale partij in Zürich. Hij noemt het hele debat een ‘grotesk politiek drama’, en hij sluit laconiek af met de mededeling blij te zijn dat het kabaal voorbij is. De films dateren van eind 2023, en zijn mededeling was voortvarend, maar de wens is de vader van de gedachte: zou het niet kunnen dat kunst als pars pro toto wordt gebruikt om een nationaal probleem te beslechten?

A.D.: Dat is natuurlijk zo, maar ik hoop en ik denk niet dat het hiermee is afgelopen. Ik heb het al over het Landesmuseum gehad: ik ben benieuwd of zij nu hun kijk op de vaderlandse geschiedenis gaan aanpassen.

C.V.G.: Zoiets zou toch extreem bedreigend zijn? De provenance van de rijkdom van Zwitserland ondervragen en misschien zelfs rechtzetten – waar zal dat eindigen?

A.D.: Geen enkel land heeft er baat bij de eigen geschiedenis niet onder ogen te zien. En nogmaals: je hoeft daarin niet noodzakelijk een extreme positie in te nemen, maar waarom zou je er niet minstens een gesprek over kunnen voeren?

C.V.G.: De voorlopig recentste episode in het debat vangt aan op 19 juni, wanneer Kunsthaus Zürich, of liever het Zürcher Kunstgesellschaft dat het instituut bestuurt, een besluit neemt met betrekking tot een werk uit de eigen collectie: L’Homme à l’ombrelle (1865/1867) van Claude Monet.

A.D.: Er is inderdaad een overeenkomst getroffen met de erven van Claude Sachs, een Joodse verzamelaar die Duitsland moest ontvluchten en delen van zijn collectie heeft moeten verkopen om zich in Zwitserland te kunnen vestigen. Dit werk zal verkocht worden, en de opbrengsten zullen worden verdeeld onder het Kunsthaus en de erfgenamen van Sachs.

C.V.G.: Een week na die aankondiging, op 26 juni, worden de resultaten bekendgemaakt van het onderzoek door Raphael Gross naar de herkomst van de Sammlung Bührle. Hij zegt dat eerder onderzoek ‘fundamenten’ heeft gelegd, maar nog niet aan de eisen voldoet, en dat de provenance van minstens 62 en uiteindelijk zelfs 133 werken opnieuw moet worden onderzocht.

A.D.: Ja, dat klopt, en ook de Stiftung Sammlung E.G. Bührle heeft besloten om voor zes werken uit de collectie een overeenkomst te zoeken met de wettelijke erfgenamen van voormalige eigenaars. Dat ligt volgens hen in lijn met de meer recente ‘best practices’ zoals die in maart van dit jaar geherdefinieerd zijn in de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art. Zwitserland – meer bepaald het Bündesamt für Kultur – heeft dat document onderschreven, waardoor kunstteruggave zich ook aandient in het geval van Fluchtgut. Het is niet omdat een kunstwerk niet expliciet bij iemand is weggehaald, dat moeilijke levensomstandigheden niet ook de verkoop ervan noodzakelijk hebben gemaakt. In plaats van over roofkunst wordt er in provenance studies daarom over Fluchtgut gesproken, ‘vluchtgoed’: eigendom waar iemand onvrijwillig afstand van heeft moeten doen. Maar die term gebruiken we bij het Kunsthaus niet meer – we hebben het over NS-verfolgungsbedingt entzogene Kulturgüter.

C.V.G.: Het gevolg is dat er zes werken verdwenen zijn op de tentoonstelling Eine Zukunft für die Vergangenheit, waaronder Jardin de Monet à Giverny (1895) van Claude Monet of Der alte Turm (1884) van Vincent van Gogh.

A.D.: Het is natuurlijk jammer dat we die werken – voorlopig – niet meer kunnen tonen. Maar het onderzoek is heel precies gebeurd, wat ook blijkt uit één afzonderlijke casus binnen die groep van zes: La Sultane (1871) van Édouard Manet, waarvoor de stichting een ‘symbolische compensatie’ zal aanbieden.

C.V.G.: Neem het me niet kwalijk, maar ik citeer toch nog één keer uit de Neue Zürcher Zeitung, een opiniestuk van 31 juli door advocaat Daniel Lampert: ‘Standvastigheid tegenover allerlei vrijgevige neigingen – met alle respect voor de slachtoffers van nazistische misdaden – zou helemaal niet amoreel zijn, maar wel bevorderlijk voor het behouden van de instemming van de meerderheid van de bevolking.’ En ook in de Tages-Anzeiger schreef Rico Bandle, al op 22 juni: ‘Nu zien Zwitserse musea zich bedreigd door het verlies van sommige van hun waardevolste schilderijen.’

A.D.: Het zijn reacties die nogmaals tonen wat voor enorme en – voor dit land – snelle veranderingen zich aandienen, over de rol van Zwitserland tijdens de Europese kolonisatie en de Tweede Wereldoorlog. Het beschermende schild van de neutraliteit is deels verdwenen, en het inzicht is ontstaan dat Zwitserland geen actieve dadersrol speelde, maar wel een facilitator was, een enabler. Dat is een pijnlijke realiteit met heel veel grijswaarden. Het debat zwenkt van het ene extreem naar het andere. Dat de collectie van Bührle kritisch moet worden bekeken, daar is iedereen het stilaan over eens, maar als er kunstwerken verwijderd worden, dan wordt er op de rem getrapt. Sommigen zeggen onomwonden dat de Zwitserse neutraliteit een businessmodel is; anderen roepen luidkeels – if push comes to shove en je echt op zoek gaat naar erfgenamen – dat we drie generaties later niet meer verantwoordelijk zijn voor historisch onrecht. Het zijn soms paradoxale reacties, die met schrik gepaard gaan, en die niet meer dan menselijk zijn. Het hoort bij een overgangsfase naar een andere omgang met een zeer ingewikkelde geschiedenis.

Lezersbrief

In hun stuk ‘Ellende heeft een duivel van mij gemaakt. Genealogie van het politieke heden’ in het vorige nummer van De Witte Raaf plaatsen Thomas Decreus en Hans Demeyer kritische kanttekeningen bij recente tijdsdiagnoses, zoals de door mij gehanteerde notie van hyperpolitiek: het tijdperk sinds 2008 wordt gekenmerkt door een terugkeer van politiek engagement zonder vast institutioneel kader, met een onvermogen om sociale verandering af te dwingen als gevolg.

Hun kritiek is tweeledig. Een eerste deel richt zich op de chronologie die de periode van 1989 tot 2008 als een tijd van postpolitiek beschrijft, een tweede op het onrechtstreekse pleidooi voor herinstitutionalisering dat erin vervat zit. Dat laatste zou getuigen van nostalgie naar een klassencompromis dat steriliserend werkt voor emancipatorische politiek. Zo wordt hyperpolitiek als symptoom gelezen – als de manifestatie van politieke melancholie die het verbeeldingsvermogen van links gijzelt. Door zich hooghartig af te sluiten van protestbewegingen en neurotisch naar twintigste-eeuwse modellen te turen, plaatst de politieke filosofie zich theoretisch en praktisch aan gene zijde van de werkelijkheid. Decreus en Demeyer stellen ook dat de chronologie van de postpolitiek de aanwezigheid van rechtse politisering verdonkeremaant. Zoals Zwarte Zondag en de opkomst van Europees extreemrechts aangeven, besloegen de jaren negentig een ambitieus klassenoffensief dat de politiek naar rechts trok en het politieapparaat ongeziene macht bezorgde. Repressie, dwang, onderdrukking: ze geven de persistentie van politiek aan in een tijdperk waarin er van politiek bewustzijn officieel geen sprake meer kan zijn.

Postpolitiek toch als politiek typeren komt dus neer op de aanwezigheid vaststellen van georganiseerd staatsgeweld. Dat vormen van geweld politiek kunnen zijn, laat zich natuurlijk moeilijk ontkennen. Maar het argument van Decreus en Demeyer lijkt vervaarlijk dicht bij het idee te komen dat de loutere aanwezigheid van geweld genoeg zou zijn om te spreken van politiek. Dat uit zich ook in een afkeer voor abstractie, als ze poneren dat je niet van postpolitiek mag spreken als je geen slachtoffer bent van de lichamelijke oorlog die tegen de lagere klassen wordt gevoerd – een statement dat een banvloek op veel theorie impliceert, die van Decreus en Demeyer incluis.

Een visie op hedendaags engagement als genetisch verminkt door neoliberalisme wordt dus als kritiek van het concept hyperpolitiek ingezet. De afstand tot het oorspronkelijke argument is mij nochtans niet duidelijk. Postpolitiek handelt niet over de afwezigheid van overheersing. Sterker nog, de neoliberale orde veronderstelt die repressie expliciet. Eerder gaat postpolitiek over de afwezigheid van een krachtmeting en dus over een radicale asymmetrie binnen klassenverhoudingen. Die kan binnen een middenklasse als zalige verlossing van publieke plichten ervaren worden – aan de overkant is het een hel zonder tegenmacht, die het politieke conflict ontdoet van ideologische inhoud. Want elke vorm van politiek veronderstelt een vorm van ‘dissensus’, zoals Rancière het betitelt: het gearticuleerde meningsverschil over het uitbeelden en boetseren van een sociale wereld. Zonder tegenmacht geldt alleen de consensus van de machthebber.

Dat de opstanden vooral hulpeloosheid en zwakte uitdrukken, duwt de hyperpolitieke analyse – pace Decreus en Demeyer – dichter tegen de hunne aan. Maar allengs dreigt in hun analyse iets anders: hulpeloosheid wordt gegentrificeerd en zelfs genormaliseerd, en primaire rebellie wordt het nec plus ultra van elke politiek. ‘Het begrip ‘verzet’ zegt weinig over de aard van waartegen verzet wordt aangetekend,’ stelde Moishe Postone ooit, noch ‘over de reconstructie van mogelijkheden voor zowel overheersing als emancipatie.’ Op rechts zijn er ook ambitieuze vormen van rebellie, van boerenprotesten tot antilockdownmarsen. Dergelijk ‘verzet tegen overheersing’ moet niet als non-emancipatorisch worden afgedaan. Hun destitutie mag dan een rechtse overwinning uitdrukken – wat als het die rechtse overwinning op den duur verlengt en versterkt?

Die ambiguïteit uit zich ook in het gebruik, in hun tekst, van Frankenstein als metafoor voor de verbannen Ander van de neoliberale orde. De verwijzing is onthullend. Shelleys roman geeft net aan dat de opstand van Frankenstein door socialisering komt, en niet door uitsluiting. Het postpolitieke tijdperk is er niet alleen een van exclusie, maar ook een van (re-)inclusie in een marktorde, waarmee destitutie een dubbelzinnige verhouding heeft. Die dubbelzinnigheid kenmerkt de gele hesjes, die Decreus en Demeyer aanhalen, nog het sterkst: een beweging zonder leiders en kaders, maar ook zonder ideologische sturing of historische oriëntatie, die vooral formules voor extreemrechtse mobilisatie leek te bieden.

Het contrast tussen hyperpolitiek en massapolitiek, die dan ‘normatief opgeladen’ zou worden, vertoont volgens hen ook conservatieve reflexen. Massapolitiek betekent dan geen contestatie of opstand, maar eerder integratie, regimentatie en onderwerping: de arbeiders en subalterne klassen schuiven zich in de burgerlijke orde in en delegeren hun macht aan omkoopbare representanten. Een herwaardering van de verzuilde massapolitiek zou misplaatste weemoed vertonen voor ordentelijke vormen van arbeidersverzet.

Die stelling verraadt vooral de eigen aanhankelijkheid van Decreus en Demeyer aan verzuilde sjablonen. In Hyperpolitiek geef ik aan dat massapolitiek in twee helften uiteenvalt: een ‘wildere’ variant die eind negentiende eeuw aanvangt en tijdens de jaren veertig eindigt, en een ‘ingebedde’ variant die na 1945 opgeld doet. Alle massapolitiek over één verzuilde kam scheren is daarom nogal lui: Lenin en De Gaulle waren beiden producten van massapolitiek, maar dat maakt hen nog niet hetzelfde.

‘Integratie’ is eveneens te onbepaald om de trajecten van radicale bewegingen te lezen. ‘Het is weinig overtuigend de verzorgingsstaat te verwerpen uit hoofde van abstracte ideeën over vrijheid,’ zo stelde Marcuse in 1964 in One-Dimensional Man. ‘Zeker, de aangeboden materiële en geestelijke artikelen mogen dan van een slechte kwaliteit zijn, waardeloos, onzinnig – maar bevrediging der behoeften is nog altijd een sterker argument dan geest en kennis.’ Dat het massapolitieke tijdperk die bevrediging wel bood, is duidelijk in de nostalgie die niet alleen denkers, maar ook electoraten koesteren naar deze periode, al was het maar voor de radicaal andere toekomst die het massapolitieke heden ooit leek te bieden. Zoals Chris Marker stelt, voelt elk politiek engagement na 1989 als ‘de eindeloze repetitie van een toneelstuk dat nooit in première is gegaan’. Dergelijke massapolitiek rehabiliteren is – de vergelijking komt van Baudrillard – als het klonen van een dinosaurus. Maar voorbij het idee dat men niet tweemaal in dezelfde rivier kan stappen, is een onderzoek naar dat massapolitieke verleden geen antiquarische bezigheid, maar een peiling naar de emancipatorische opties van het heden.

Juist dat onderzoek lijken Decreus en Demeyer uit te sluiten. Als intellectueel links wel aansluiting zou zoeken bij ‘destitutieve’ bewegingen, dan tekent er zich een bredere emancipatorische horizon af. Daarmee wordt de politiek filosoof behoorlijk wat eer aangedaan: het idee is dat protestpolitiek zou stagneren door een tekort aan filosofische appreciatie. ‘De taak van de criticus’, zo stelde Postone, ‘is niet per se om aan te tonen welke weg naar de emancipatie leidt, maar eerder welke wegen er zeker niet heen leiden omdat het doodlopende straatjes zijn.’

Dat het destitutief (non-)subject geen supporters zou hebben, klinkt eveneens grandioos. Al sinds de jaren zestig bestaan er denkers die dit ongestructureerd verzet een warm hart toedragen, van Negri over Clover tot Graeber. De vraag blijft wat die bewegingen vermogen in een wereld waarin het status quo steeds dodelijker blijkt. Klimaatpolitiek is ook een kwestie van lichamelijk overleven: onze stofwisseling aanpassen om niet aan ons productief potentieel ten onder te gaan. Het idee dat we voor die vraagstukken weinig kunnen leren van de twintigste eeuw is gespeend van melancholie, maar lijdt als visie aan een andere kwaal: historische megalomanie, of de overtuiging dat onze tijd conceptueel zelfvoorzienend zou zijn en geen lessen kan trekken uit het verleden. Dan lijkt weemoed me verkieslijker boven grootheidswaanzin.

Anton Jäger

 

Reactie van Thomas Decreus en Hans Demeyer:

Op 27 juni 2023 werd de zeventienjarige Nahel Merzouk door het hoofd geschoten tijdens een verkeerscontrole door de politie in Nanterre. Het zette de Franse banlieues in vuur en vlam. Er volgden dagenlang confrontaties met de ordetroepen, en menig politiekantoor of gemeentehuis werd belaagd en in brand gestoken. Het is een patroon dat al decennialang terugkeert: als reacties op dodelijk politiegeweld breken revoltes uit die geen leiders, structuren, alternatieven of programma’s voort lijken te brengen. In ons essay hebben we die opstanden als ‘destituerend’ geduid. Van de Arabische Lente tot de gele hesjes, van Black Lives Matter tot de protesten tegen de genocide in Gaza: steeds opnieuw gaat het om bewegingen zonder uitgesproken of eenduidige structuren, zonder coherent eisenplatform of programma en vooral mét de ambitie om, Walter Benjamin indachtig, aan de noodrem te trekken, iets te ontbinden, onwerkzaam of onoperationeel te maken. 

Dat is in de eerste plaats een observatie en een vaststelling. We schuiven destitutie niet naar voren als ideaal of als model, laat staan als het werk van een (non-)subject of als een uitgekiend middel om emancipatie te bewerkstelligen. Zelfs op de vraag of deze protesten de machtsbalans positief hebben gewijzigd, zouden we tentatief ‘nee’ antwoorden. Onze inzet is veel bescheidener: hoe kunnen we deze revoltes niet als een tekort begrijpen? Hoe destitutie niet steeds weer te lezen als een onvolmaakte, onvolwassen of onproductieve vorm van politiek? Dat is immers wat Anton Jäger en anderen wel telkens doen.

De historische sequentie massapolitiek – postpolitiek – hyperpolitiek installeert, al dan niet gewild, een normatief begrip van politiek, en een tweedeling tussen een waarlijk politiek handelen en een gebrekkig, of zelfs on- en antipolitiek handelen. Vaker dan niet loopt deze tweedeling gelijk met tweedelingen op het vlak van burgerschap, kleur, gender alsook klasse. Vanuit deze optiek kunnen de protestmarsen en opstanden na de moord op Nahel slechts tekortschieten. Ze zijn met gemak te lezen als postpolitiek, omdat ze ideologisch ongearticuleerd of veelvormig zijn en dus geen gearticuleerde krachtmeting veronderstellen. Ze kunnen evengoed als hyperpolitiek worden gelezen, als een kortstondige, affectief gedragen eruptie die zich niet vertaalt in langdurig engagement of structurele verandering. 

Anders dan wat Jäger beweert, zijn we niet gekant tegen inspiratie uit het verleden. Ons essay is net een bescheiden aanzet tot een genealogie van het heden. De grootheidswaanzin die ons wordt toegeschreven is onterecht. De kwestie is niet of er lessen te leren vallen uit het verleden, maar vanuit welk verleden we het heden willen begrijpen. Andere geschiedenissen van sociaal verzet, revolte en rebellie worden verdonkeremaand door de massapolitiek als ijkpunt te hanteren. Als Jäger schrijft dat ook ‘electoraten’ nostalgie koesteren naar het ‘massapolitieke tijdperk’ omdat het ‘bevrediging’ bood, dan is het tekenend dat hij hier, noch elders, de vraag stelt wie er ‘bevrediging’ werd aangeboden en wie er nostalgisch is. Het verraadt de exclusiviteit van het historische verleden waaruit hij lessen wil putten.

De massapolitiek kende inderdaad een brede en gevarieerde geschiedenis, maar daarnaast bestaat er ook een andere geschiedenis van revolte en politiek handelen. Koloniale contexten kennen een lange geschiedenis van opstanden waarin de destituerende tendens dominant was: brandstichting, plundering, vernietiging van eigendom, het doden van kolonisatoren en vervolgens het verlaten van de koloniale orde. In The Many-Headed Hydra. The Hidden History of the Revolutionary Atlantic (2020) beschrijven Peter Linebaugh en Marcus Rediker bijvoorbeeld brandstichting, samenzwering en rebellie in de Amerikaanse kolonies. Deze achttiende-eeuwse opstanden waren niet ongeorganiseerd of spontaan, maar ze waren wel rizomatisch, besmettelijk, niet keurig in te dammen of te sturen. Er was zelden een duidelijke ideologische articulatie: religieuze motieven, natuurrechtelijke inspiratie, vrijheidsdrang, woede en wraak liepen in elkaar over. De opstanden waren niet het werk van een georganiseerde massa, maar van menigten die als wanordelijk, crimineel en monsterlijk werden aangezien in de ogen van de heersende klassen.

Opnieuw aansluiting zoeken bij de minderheidstendens van destitutie kan een historische constellatie aan het licht brengen die nagenoeg onzichtbaar blijft door een eenzijdige focus op massapolitiek. Er bestaat een andere ‘traditie van de onderdrukten’, zoals Benjamin het schreef, die geenszins samenvalt met een minderwaardige vorm van politiek. De opstand na de moord op Nahel vertoont dan continuïteit met de Watts Uprising in ’65 of de Nat Turner Rebellion in 1831, als uitdrukking van destituerend verzet tegen een raciaal en koloniaal gestructureerde orde.

Tot slot willen we begrijpen waarom dit verzet vandaag dominant is. De hypothese is dat destitutie een antwoord is op een orde die zich kenmerkt door toenemend geweld, door buitensluiting zonder enig perspectief op emanciperende inclusie en door de dominantie van infrastructurele macht. Anders dan ideologische, representatieve macht, zoals die in politieke instellingen wordt beoefend, ligt infrastructurele macht besloten in de configuratie en vormgeving van de wereld: in bijvoorbeeld de productie, distributie en toegang tot levensmiddelen via op imperialistische leest georganiseerde logistieke ketens, in de stedelijke planning die banlieues op afstand plaatst van sociale voorzieningen, of in de digitale infrastructuur waarin iedereen steeds meer moet produceren en consumeren – om te kunnen voorzien in het leven. Dergelijke macht, immanent aan het leven, kun je volgens het comité invisible niet bekritiseren, maar slechts aanvallen, vernietigen, besmeuren, bezetten.

Het rechtse offensief van de voorbije jaren gold als de ideologische legitimatie hiervan door in toenemende mate een geracialiseerd onderscheid te maken tussen leven dat het waard is geleefd te worden en leven dat kan worden opgeofferd in naam van de veiligheid en de bescherming van leven dat wel waardevol wordt geacht. Zie de Europese buitengrenzen. Zie Nahel. Zie Gaza. Zie de klimaatcatastrofe.

De huidige orde pretendeert zelfs niet langer dat ze inclusie of integratie nastreeft, en hanteert racisme en andere vormen van ontmenselijking om bevolkingen aan te zetten tot de verdediging van die orde: de verdediging van ‘onze’ mensen tegenover de horde ‘anderen’. Voor al die critici en commentatoren die een belangenconflict willen organiseren – daar heb je er een. Een nostalgische fixatie op louter parlementair conflict dat de massa zou mobiliseren blijft er echter blind voor. Met onze tekst willen we tonen dat necropolitiek de norm is en destitutie daarom het dominante antwoord.

Een steen boven het dorp

 

This changing of focus in the eye, moving the eye itself when looking at things that do not move, deepens one’s sense of outer reality.

– Nan Shepherd, The Living Mountain

 

Boven het Zwitserse dorp Kandersteg, in het Berner Oberland, is een berg sinds vijf jaar aan het schuiven gegaan. De Spitze Stei lijkt niet bijzonder hoog met zijn 2975 meter, maar mocht hij volledig naar beneden komen, na zich al meerdere meters te hebben verplaatst, dan zouden er twintig miljoen kubieke meter aan rotsblokken, puin, gruis en modder het dal in kukelen, het equivalent van 1,7 miljoen kiepercontainers, zo heeft een journalist berekend. De gemeente Kandersteg treft maatregelen. Met camera’s, gps-trackers en infraroodmeters wordt bijgehouden hoeveel beweging er in de steenmassa zit. Elke week komt er een nieuwsbulletin uit dat in een speciale rubriek (Informationen Rutschung Spitze Stei) op de gemeentelijke website verschijnt, waar ook een reeks krantenartikelen na te lezen is, vooral uit het jaar 2022, toen de berg met zo’n twintig centimeter per dag aan het kuieren sloeg. Deze top moet de meest gemonitorde spits ter wereld zijn, een grijze patiënt die daar onder de witte lakens in de buitenlucht ligt te wachten tot het misgaat.

Met name Duitse kranten berichten graag over Zwitserland, als over een kleinere, eigenzinnige, stuurse broer, en het land wordt dan altijd minstens één keer de Eidgenossenschaft genoemd, een koosnaam, niet geheel van ironie gespeend, met een verwijzing naar de eden die de kantons al in de late middeleeuwen zwoeren om bij elkaar te blijven. Een Duitse journalist becijferde dat die 1,7 miljoen kiepercontainers, als je ze op vrachtwagens achter elkaar opstelt, een file veroorzaken van het noorden van Alaska tot aan het Argentijns-Chileense Vuureiland. Mocht de berg in één keer naar beneden komen, dan zouden 411 van de 745 bewoonde huizen in Kandersteg vernietigd worden, al is het waarschijnlijker dat het bergpuin gefaseerd naar beneden schuift, zodat een camping en de bebouwing langs de hooggelegen Oeschinensee en de daaruit naar beneden stromende Öschibach onder stenen bedolven zullen worden. De gemeente heeft een alarmsysteem opgetuigd, bewoners moeten er rekening mee houden en in staat zijn hun woning binnen 24 uur te verlaten.

Een vallende berg vormt een existentiële bedreiging, mensen staan machteloos tegenover het gevaar. Dit steenvolume is als een meteoor met vertraging, die eerst ijzig kalm, onmerkbaar langzaam op de bewoonde wereld afstevent, om alleen de laatste minuten een rotvaart te bereiken, het scenario voor een rampenfilm, met een contemporaine twist. De nakende catastrofe heeft een oorzaak waar de mens een hand in heeft gehad: temperaturen stijgen en daardoor neemt de permafrost af die in de bergen als lijm tussen de stenen en tegelijk als een soort waterafstotende kit fungeert. Als regenwater door de dooi diep een berg binnendringt, wordt die instabieler, en hoewel natuurlijk niet alle bergtoppen zullen instorten, zullen er zeker nog andere bergen instabiel worden. 

De Süddeutsche Zeitung stelde vast dat in de gemeente Kandersteg een meerderheid voor de Zwitserse klimaat- en innovatiewet van juni 2023 gestemd heeft, terwijl bewoners van buurgemeenten in het conservatieve Berner Oberland tegen waren. (De Zwitserse Volkspartij, de SVP, haalt in deze streek vaak een derde van de stemmen en heeft wortels in de vooroorlogse boerenbeweging, wat tastbaar werd in de beruchte, later vaak geïmiteerde verkiezingsposter uit 2007, met een groep witte schapen die een zwart schaap uit de kudde trappen, onder het motto Sicherheit schaffen.) De implicatie was, aldus het liberale dagblad, dat mensen het belang van progressieve klimaatwetten inzien als het water hun aan de lippen staat; verandering komt instinctief tot stand, uit zuiver lijfsbehoud.

*

De ICE is nauwelijks vertrokken of de trein buigt bij Breukelen af, mindert vaart, boemelt tot voorbij Gouda, om daar een halfuur tussen de eindeloze weilanden van het Groene Hart stil te staan en vervolgens in de omgekeerde richting verder te gaan. Met veertig minuten vertraging komen we in Utrecht aan, de eerste tussenstop, en op het Duitse spoornet in het Ruhrgebied volgt extra oponthoud, waar op het drukke station van Keulen nog een tiental minuten worden bijgevoegd. Een zongebruinde Nederlandse zestiger, in pantalon en overhemd, met het lichte accent van een welgestelde Bosschenaar, belt zittend naast zijn vrouw met de oude studievriend die hem die middag van de trein komt oppikken. Hij verontschuldigt zich, zegt dat hij normaal nooit met de trein reist, en nu hij dit meemaakt, meer dan een uur oponthoud, hij kan het zelf ook niet geloven, heeft hij ontzettend veel spijt van zijn keuze. Wat kunnen ze doen, vraagt hij zich hardop af, er klinkt zelfmedelijden en radeloosheid door in zijn stem, behalve de volgende keer met het vliegtuig gaan? Ze staan met hun rug tegen de muur, en zijn vrouw knikt zorgelijk van ja, je moet me geloven, Christiaan: we staan met onze rug tegen de muur.

De overstap in Bazel verloopt vlot en een uur later dan gepland rijdt de intercity Bern binnen via het Lorraineviaduct. Zo’n dertig meter lager laten gebruinde zwemmers zich in het transparante, groenblauwe water van de Aare stroomafwaarts drijven, de luchtbel van hun felgekleurde waterzak binnen handbereik. De Zwitserse grondwet bestaat 175 jaar, de kranten staan er vol van, het is een schitterende zomerdag. Algauw trekt de Thunersee aan de andere zijde van de treinruit voorbij. Zonnebaders liggen op smalle grasstroken op te warmen in de allerlaatste zonnestralen. De trein passeert Interlaken-West en stopt vijf minuten later in Interlaken-Ost, en de meest valide reizigers sprinten de coupé uit om de volgende roodgekleurde trein te halen die, precies volgens schema, nog eerst zes minuten halt houdt op het nabijgelegen perron. Het raam is opengeschoven, koele berglucht stroomt naar binnen, een Amerikaans stel maakt ruzie over de plek waar ze zullen gaan zitten, en welke positie ze ook innemen, ze blijven ontevreden. Het rode treintje stijgt in ruime bochten omhoog het dal in, afwisselend in felle zon en diepe schaduw, met machtige blikken op het bergmassief dat het einde van alle wegen aankondigt.

Zijn Zwitserse bergen de mooiste ter wereld? De treinreizigers maken onvermoeibaar foto’s, maar hoe heten de toppen die ze in het vizier nemen? Is die hoogste daar de Eiger, de Mönch of de Jungfrau? In Lauterbrunnen verlaten alle passagiers de stoptrein, sommigen onder hen stappen nog over op een kleinere tandradtrein richting de hoger gelegen bergstations, vanwaar je naar het schijnt zelfs tot ín een gletsjer kunt rijden.

Een compacte menigte mensen wandelt met rugzakken en rolkoffers naar het onderkomen voor de nacht. Hier is maar één straat. Je vindt er restaurants, hotels, bergsportzaken, een kerk, een supermarkt en, daar waar de bebouwing ophoudt, een over de gehele lengte (297 meter) met schijnwerpers uitgelichte waterval. De terrassen aan de hoofdstraat hebben zich op de bergtoppen gericht, zelfs het buitenplaatsje van de goedkoopste hostelkamer kijkt erop uit. De bergen zijn er als je gaat slapen, ze glanzen ’s nachts in het maanlicht, en het eerste dat je ziet wanneer je ’s morgens de gordijnen openschuift, is de eeuwige sneeuw op hun toppen.

*

Zwitserse bergen zijn de mooiste ter wereld omdat ze door zoveel ogen zijn gezien. En niet alleen gezien, ook getekend, gefotografeerd, gefilmd, geschilderd en geaquarelleerd. Van John Ruskin is een schets van de vallei van Lauterbrunnen overgeleverd, tegenwoordig in de collectie van The Metropolitan Museum of Art in New York: gemaakt met waterverf, gouache, pen en bruine inkt, met grillige inkervingen in de bergen, een blauw waas rond de toppen, de bomen als krullerig schaamhaar tegen de flanken van de helling. 

Ruskin werd op het spoor van het dorp gezet door het gedicht ‘Manfred’ van Lord Byron, die reeds in de zomer van 1816 in Zwitserland verbleef met The Traveller’s Guide Through Switzerland (1810) van M.J.G. Ebel als leidsman. Op zijn rondreis bewonderde Byron onder meer de destijds nog onverlichte Staubbach-waterval, ‘een paardenstaart, wapperend in de wind’, en de Eiger en de Jungfrau. Elke vijf minuten hoorde hij een lawine naar beneden storten, alsof ‘God vanuit de hemel de duivel met sneeuwballen aan het bekogelen was’. 

Voor Ruskin vormde ‘Zwitserland’ een nogal ruim en normatief begrip. Sommige plaatsen in het Zwarte Woud en bijvoorbeeld ook het Franse Chamonix beschouwde hij als karakteristiek Zwitsers, vanwege de heldere meren die hij aantrof, de dichtbebouwde bergdorpen en oude kerken. Zwitserland was de plek waar hij naar eigen zeggen het ‘meest intense geluk’ had ervaren, toen hij er als veertienjarige voor het eerst met zijn ouders doorheen was getrokken. 

John Hayman stelt in John Ruskin and Switzerland (1990) dat Ruskin liever in de dalen dan nabij de toppen verbleef; hem ging het om de afwisseling tussen de desolate, zonverlichte plateaus en de bewoonde, gecultiveerde, schaduwrijke benedenwereld. Rotsformaties noemde hij ‘de kathedralen van de aarde’, verplichte kost voor kunstenaars om kennis te verwerven over grote, steile steenvolumes en imposante hoogte- en diepteverschillen. De bergen vormden een leerschool op zich, een gigantische wetsteen waaraan de artistieke waarneming kon worden gescherpt.

Ruskin had een ideologische voorkeur voor het land. Zwitserland was voor hem de plek waar de bewoners met veel moeite hun autonomie ten opzichte van de Habsburgers hadden bevochten. Hij roemde de vrijheidszin én het conservatisme van de bevolking, die bestond uit goede christenen, niet bezoedeld door het strikt hiërarchische denken van het zuidelijke Rome, waarvoor juist Zwitserland met zijn garde de betrouwbare hoeders leverde. 

Er is gezegd dat Ruskin zijn geliefde bergen ten slotte de rug toekeerde nadat de gletsjers begonnen te smelten, aan het einde van de negentiende eeuw, na jaren koolstofuitstoot door fabrieken. Hij zou de eerste zijn geweest die conclusies verbond aan zichtbare klimaatverandering.

Aannemelijker is het dat zijn gezondheid te wensen overliet. Hij kampte met verstandsverbijstering en zware depressies, waardoor hij meer en meer aan huis gekluisterd bleef. Zeker is dat hij door schoorstenen uitgespuwde dampen verafschuwde, en de Zwitserse steden steeds meer verpest vond door spoorwegen en hotels, met ‘werkloze architecten, die de stadsbesturen overhalen om de oude stadswallen te laten slopen, louter en alleen voor een baantje’. De bergen waren voor hem een toevluchtsoord waar de verderfelijke negentiende-eeuwse beschaving nog niet was doorgedrongen, een boven alle gewoel verheven, onaantastbare, hemelse bestemming.

*

Om de hoogste bergen in de ogen te kunnen kijken, ze in volle glorie te aanschouwen in hun grijs-blauw-witte wazige schittering, afstekend tegen de donkergroene dennen en de diepblauwe lucht, moet je hoogtemeters overwinnen, en dat is wat toeristen hier doen. De grootste groep neemt de kabelbaan of een treintje naar boven, tot aan het dorpje Mürren, waar het zicht op de bergwand van Eiger, Jungfrau en Mönch al bijna perfect is vanaf een door Oost-Europese uitzendkrachten bestierd terras aan de Via Alpina. Dan zijn er de bergwandelaars, die te trots of te gierig zijn om van het treintje gebruik te maken. Zij volbrengen de tocht op eigen kracht, eten onderweg Bretzels en chocoladerepen. En dan zijn er de bergbeklimmers, die altijd hoger willen, ver voorbij de kabelbanen en dagjesmensen. Ze strijken neer in de berghutten op krap drieduizend meter boven zeeniveau, staan de volgende morgen voor dag en dauw op om een top te beklimmen, voorzien van ijspriem, helm, touwen, klimijzers. Ruskin had een hekel aan hen. Ze verpestten de magie van de bergen, meende hij, door ze te willen bedwingen in plaats van ze uit de verte, in het juiste perspectief, te vatten in een pentekening. 

Vandaag is het zelfs in Mürren, dat op 1650 meter hoogte ligt, bloedheet. In een schuine bergweide net boven het dorp stijgen paragliders op, twee aan twee, ze zoeven over de landweg, de debutanten als kangoeroetjes gehecht aan de buik van de instructeurs, ze slaken kreten van ontzetting en verrukking, voor zover die twee te onderscheiden zijn. Het pad zoekt zigzaggend een weg tussen de grote sparren en de rotsen, nog even is er schaduw, en zelfs een verkoelende waterval, en na het passeren van de boomgrens volgt dan het echte alpiene landschap, steeds meer steen, steeds minder groen, in plaats van koebelgeklingel klinkt af en toe de schrille kreet van een bergmarmot; wie geluk heeft, ziet een groep gemzen wegschieten in een kloof. Kijk, daar, een vos die tussen de stenen door sluipt, hongerend naar een hol met een paar piepjonge marmotten. 

Het laatste, nee, het op een na laatste stuk – je denkt altijd weer te vroeg dat je er al bent – voert over een met bergpuin bedekte gletsjer. Het ijs smelt hoorbaar weg onder de voeten van de wandelaars. Het is de dag waarop demonstranten in Den Haag een snelweg blokkeren, met als eis dat de overheid stopt miljardensubsidies aan fossiele brandstoffen uit te reiken. In de blauwe hemel maakt een lijnvlucht de balans op door een enkele condensstreep te trekken.

Gletsjers waren ooit duistere, kwade geesten. Met hun ijzingwekkend lange baarden boezemden ze de mensen angst in, je kon er beter verre van blijven, ze slokten je op met hun malende tanden en splijtende kaken, en als je in een diepe gletsjerkloof verdween, vond niemand je ooit nog terug. Tegenwoordig staan ze opnieuw symbool, maar dit keer duiden ze op een algehele impotentie: het onvermogen van aardbewoners om maatregelen te treffen om de rap stijgende temperaturen tegen te gaan, of zelfs maar af te zwakken. Het smeltende ijs is niet langer louter een natuurfenomeen, het heeft zijn onschuld verloren, die zwetende berg is een teken van onmacht en nalatigheid.

Een steile klim, tegen de wand van het gletsjerdal op. De tocht wordt loodwaar als de zuurstof in de lucht afneemt, ruim boven de tweeduizend hoogtemeters. Er zijn stukken waarbij je om de tien meter moet rusten, leunend op twee stokken, om op adem te komen, het liefst in de schaduw van een rotsblok, je hart gaat tekeer, je hijgt als een astmatische hond, er verschijnen wazige vlekken in je gezichtsveld. De waterflessen zijn zo goed als leeg. Een man met grijze stoppelbaard houdt even halt op de smalle richel waar we rusten, steekt een sigaret op, vraagt waar we vandaan komen, en dan – de tweede vraag die hij stelt – of we denken dat klimaatverandering door mensen veroorzaakt wordt. Meteen geeft hij het volgens hem goede antwoord: nee.

*

De telkens weer grote verrassing, de opluchting ook, al staat het op elke kaart ingetekend, om op grote hoogte, zo net onder de wolken, in een dor en stenig maanlandschap na een urenlange wandeling die nooit zonder gevaar is de contouren van een berghut te zien. De stenen zijn net een tint donkerder dan de berg, er ligt leisteen op het dak, de luiken zijn gekleurd, bij het terras aan de zuidkant staan zonnepanelen en wapperen vlaggen van het land, het kanton en de Alpenvereniging. Voor de bouw van de deels zelfvoorzienende berghut waren vijfduizend helikoptervluchten nodig, meldt een plakkaat naast de ingang. Er lopen varkens rond, het menu deze avond vermeldt varkensgebraad. 

Op deze top zijn pakweg honderd mensen bijeen, en allemaal hebben ze vandaag liters zweet gelost om over de gletsjer en bergflank tot hier te komen. Na een klein etmaal in de buitenlucht, waar een mens bestaat uit oeroude lichaamsfuncties en zich richt op sporen zoeken, is er opeens een dwingend sociaal verband tussen een aantal wildvreemde mensen met wie je een tafel deelt. En hoe groot de reserve bij aanvang ook is, als eenmaal het eten wordt verdeeld, ontstaat er onherroepelijk een zekere mate van vertrouwdheid. De zeven Zwitsers tegenover en naast ons kunnen maar deels Zwitserduits en Duits met elkaar praten, omdat er twee van hen Franstalig zijn, al houden die twee zich uit verlegenheid, arrogantie of een minderwaardigheidsgevoel aanvankelijk ver van het gesprek. De consensus onder de Zwitsers aan tafel, met een fabuleus uitzicht op de bergen van Wallis, aan de andere kant van de ruit, waar ook ergens, net niet met het blote oog te zien, de gekromde spits van de Matterhorn moet liggen, is dat de Oostenrijkse berghutten veel beter zijn dan de Zwitserse. Goedkoper, dat sowieso, maar Oostenrijkers zijn ook vriendelijker en bieden meer service; de inrichting is er minder spartaans en het aanbod aan tweepersoonskamers aanzienlijk groter, daar hoeven ze absoluut niet chauvinistisch over te doen. We drinken een laatste glas, beducht om naar bed te gaan.

De slaapzaal, het Lager, is niet meer dan een plankenvloer vol matrassen, af en toe door houten schotten afgescheiden. Iedereen ligt in zijn eigen overtrek, de wollen dekens zijn deze zwoele nacht overbodig, aan de lange zijde van de zaal staat één raampje open. In deze bedrukkende ruimte valt de mensheid grofweg in twee groepen te verdelen: zij die rekening houden met anderen en zo weinig mogelijk lawaai maken, laat staan het zaallicht aanknippen bij het omkleden, en degenen die lak hebben aan de rest, en dus nog even naar Duitse schlagers gaan liggen luisteren voor het slapengaan. Je moet het ze duidelijk maken zonder ze een klap op hun kop te geven, of ze dat ding uit willen zetten, er ligt hier vijftig man bij te komen van een heel zware dag.

Iedere slaapzaalgebruiker moet er die nacht wel een keer uit, naar buiten, naar het toilethok. Het is aardedonker, het uitzicht op de bergen is verdwenen, in plaats daarvan zijn het de sterren die fonkelen alsof ze op deze hoogte opeens grijpbaar zijn. Dit is de hemel die de middeleeuwers nog gezien moeten hebben, als ze uit Italië via de Lötschenpas naar het zuiden van Duitsland trokken, een onwerelds mooie sterrennacht.

Bij het ontbijt is er thee, yoghurt, muesli, een snee oud brood en aspirine om de hoofdpijn te dempen. Onder een lichtblauwe lucht en in de ochtendkoelte begint de dag, de stemming is hoopvol, uitgelaten, we kunnen vandaag afdalen naar onze bestemming. 

*

De wandeling voert in dezelfde richting als de evolutie, miljoenen jaren samengepakt in een handvol uren: te beginnen met ijs en sneeuw, vervolgens de stenen, spaarzame grasbegroeiing, een schrikachtige steenbok, alpenrozen, de eerste struiken, her en der wat bomen, een weide met een tiental gedomesticeerde runderen met een grote ijzeren bel om hun dikke nek.

Onderweg passeren we nog één Scharte, een immer winderige doorgang van een bergrug. Een man met zonnebril, lichte rugzak en een langwerpige koker kondigt aan dat er binnen korte tijd een alpenhoornconcert te horen zal zijn. Hoe hij dat weet? Hij is de muzikant. Uit de overmaatse tekenkoker haalt hij een zwarte plastic cilinder en schuift die net zo lang uit totdat hij een alpenhoorn in de handen heeft. Na zijn mond te hebben natgemaakt met speeksel zet hij het mondstuk aan zijn lippen. Hij woont in Bazel, maar komt uit Oostenrijk. Na afloop deelt hij kaartjes uit met zijn Instagramaccount.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw bracht James Baldwin een winter door in Leukerbad (Löeche-les-Bain), aan de andere kant van dit massief, in Wallis. Hij schreef erover in ‘Stranger in the Village’, met name over het verschil tussen Amerikaans en Europees racisme. De moeder van zijn vriend en geliefde Lucien Happersberger bezat er een kleine woning, Baldwin kon er zonder al te veel afleiding werken aan zijn romandebuut Go Tell It on the Mountain (de titel verwijst naar een Afro-Amerikaanse spiritual). Het leven in Leukerbad was goedkoop en er was zoveel minder afleiding dan in Parijs, waar hij in een depressie was verzand. ’s Avonds bezochten Baldwin en Happersberger naar verluidt de dorpskroeg, de schrijver danste er met een paar dames, en dan keerden de twee aangeschoten huiswaarts. 

Teju Cole brengt Baldwin in herinnering wanneer hij Leukerbad bezoekt, en dan met name de Gemmipas, die de kantons Wallis en Bern met elkaar verbindt. Hij is die middag, schrijft hij in ‘Far Away From Home’ (2016), de enige die zich vanuit het bergrestaurant naar buiten waagt om foto’s te maken van de door sneeuwjacht nauwelijks zichtbare bergen. Het is zinloos om bergen te fotograferen, bedenkt Cole, er bestaan inmiddels, nadat Ruskin er halverwege de negentiende eeuw mee begon, zoveel beelden van witte bergtoppen en steile rotsen dat we er niet meer met verwondering naar kunnen kijken – alle oorspronkelijkheid is verloren gegaan. Toch blijft hij foto’s schieten, ondanks de kou en het gemis van een goede, winddichte regenjas, als blijk van erkentenis voor de beeldpioniers en de bergen zelf, in de hoop ook mettertijd zijn begrip van Zwitserland scherp te kunnen stellen.

Een andere voorganger die Cole vermeldt is Pieter Bruegel de Oude. Tijdens zijn Italiëreis in 1553 en 1554 passeerde hij de Alpen, en dat maakte zo’n indruk op de schilder dat hij zich ging specialiseren in verticale landschappen, onder meer met De jagers in de sneeuw (1565). In Bruegels werk, schrijft Cole, maakt het landschap zich los van de overgeleverde mythische of Bijbelse betekenis en wordt het een op zichzelf staand onderwerp – de moeite van het bestuderen waard, een ingelijste bron van schoonheid.

Verticaliteit is de kwintessens van het berglandschap. Of je nu naar boven of naar beneden kijkt, de omgeving biedt zich aan om gezien te worden, telkens is er weer een nieuw uitzicht op rotsen, morenen, granieten wanden, bosschages en sparrenwouden, met dank aan het voortdurend wisselende hoogteverschil, en op de grond is er zicht op de planten en kruiden aan beide zijden van het pad, flora die naargelang de ondergrond en hoogte verandert, van alpenroos tot gentiaan, van monnikskap tot orchidee, verte en nabijheid vragen beide om aandacht, inderdaad als op een groot canvas. 

*

De twee Zwitserse jagers zitten met hun rug tegen een rotsblok, hun vale groene T-shirts net een tint donkerder bij de oksels en de onderrug. Ze kijken omhoog door hun verrekijkers, speuren naar de gemzen die ze vandaag hopen af te maken. Beneden, zo’n honderdvijftig meter lager, het azuren oppervlak van de Oeschinensee. Het meer is schokkend prachtig, juist omdat het samenvalt met het idee van een pittoresk bergmeer – het is dermate oorspronkelijk en onvervalst dat het kitsch lijkt. Het ligt daar bruegeliaans in de diepte, je zou erin willen plonzen als Icarus. Nog half in de schaduw van de bergrug dalen we af, terwijl de eerste dagjesmensen met verhitte gezichten al via het pad omhoog wandelen, alsof ze aan een strafmars bezig zijn.

Aan de oever van het meer het eerste teken van de grote bergbeweging. Het kortste pad naar de Fründenhütte is afgesloten, wegens vallende stenen en een onstabiele berg – in geen geval te betreden. De gehele linkeroever is tot verboden gebied uitgeroepen. Daar, precies tot aan de rand van het meer, bestaat een aanzienlijke kans op aardverschuivingen. De grens ligt vlak bij het drukbezochte restaurant. De lawine zal kennelijk, zo is de verwachting van de autoriteiten, halthouden waar het massatoerisme begint. We nemen een duik in het water, in ons bezwete ondergoed. De watertemperatuur is hoger dan je van een bergmeer verwacht.

De Oeschinensee is achtduizend jaar geleden ontstaan toen maar liefst twee berghellingen naar beneden roetsjten. Er ontstond een natuurlijke stuwdam en een meer, dat in 2007 door Unesco op de Werelderfgoedlijst werd gezet en zo, ook doordat de selfies met die azuurblauwe achtergrond zo populair zijn, een toeristische topbestemming werd. Het oorspronkelijk bescheiden berghotel heeft de aanblik van een pretparkuitspanning gekregen, naast de menukaart valt er ook een lijst met huisregels te raadplegen: niet met ontbloot bovenlijf op het terras zitten, geen zelfbereide etenswaren nuttigen, geen geweld gebruiken tegen het personeel.

Het laatste stuk van de afdaling verloopt via een gloednieuw bergpad, in de begroeide berghelling uitgehakt en -geboord, zodat de route niet meer via de flank van de Spitze Stei hoeft te verlopen. De bestaande asfaltweg is afgesloten. In het brede stroombed van de Öschibach zijn bulldozers bezig puin te schuiven en worden hogere betonnen wanden aangelegd, een Deltawerk voor de komende zondvloed.

Beneden, bij de grotere bergstroom de Kander, ligt Kandersteg. Al in de vroege middeleeuwen kwamen hier de eerste handelsreizigers langs, via de Gemmipas en de Lötschenpas; lokale landarbeiders boden aan de reizigers tegen betaling in draagstoelen naar de bergpassen te brengen. Tegenwoordig hebben ze daar taxibusjes voor, bestuurd door mannen en een enkele vrouw van rond de pensioenleeftijd. Het dorp beschikt over een treinstation, een openluchtzwembad, een internationaal scoutscentrum en, al sinds de achttiende eeuw, een met de jaren groeiend aantal hotels. 

Aan een plek waar een catastrofe heeft plaatsgevonden kun je zwaarwichtige gedachten wijden, stilstaand bij een jaren later opgericht, zorgvuldig onderhouden monument, maar een gebied dat in de toekomst mogelijk getroffen zal worden, daar valt nog altijd relativering aan te ontlenen. Vandaag zal het wel zo’n vaart niet lopen. Het zwaard van Damocles is een machtig ding, een vlijmscherp stuk ijzer dat in de lucht hangt aan één enkele paardenhaar. Een mooi beeld. Op de telefoon bekijken we wat voor weer het morgen wordt, en hoeveel centimeters de berg vandaag verschoven is.

Er is nog veel werk

Na drie maanden renovatie gaat het Aargauer Kunsthaus weer open om een urgent sociaal probleem aan te pakken: racisme, met name in de spiegel van James Baldwin. Het laat enerzijds zien hoe een Zwitsers museum over dit onderwerp kan exposeren zonder de eigen witte blik te reproduceren, maar het toont anderzijds ook dat er nog veel werk te doen is. 

‘Deze mensen kunnen qua macht nergens ter wereld vreemden zijn; ze hebben de moderne wereld gemaakt, ook als ze dat niet beseffen. De meest ongeletterde onder hen is, anders dan ik, verwant aan Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine […].’ Het zijn woorden zoals deze waarvan de scherpte je onmiddellijk raakt en die nog lang impact blijven hebben. In het essay ‘Stranger in the Village’ uit 1953 ging de Amerikaanse schrijver en burgerrechtenactivist James Baldwin (1924-1987) nader in op de schok die zijn ontmoeting met de bewoners van het bergdorp Leukerbad veroorzaakte. Curator Céline Eidenbenz (1978) heeft de racismedebatten in de nasleep van de Black Lives Matter-beweging, de controverses rond de Zwitserse koloniale erfenis en de nationale rol in de trans-Atlantische slavenhandel en, niet in de laatste plaats, de huidige brede receptie van Baldwins werk, als kansen gezien om een tentoonstelling te maken in het Aargauer Kunsthaus over racisme in de spiegel van James Baldwin en van de hedendaagse kunst. Zwitserland komt daarbij vaak, maar niet uitsluitend, in beeld. Om ervoor te zorgen dat niemand gekwetst raakt en dat het structurele geweld zich niet herhaalt, werd het team van het Aargauer Kunsthaus, dat grotendeels bestaat uit witte mensen zonder enige ervaring met racisme, bijgestaan door een speciaal opgerichte adviesraad en werd het personeel ook bijgeschoold tijdens workshops.

Volgens curator Eidenbenz was het een wederzijds besluit om de tentoonstelling te laten beginnen en eindigen met de stem van James Baldwin. Voor de film Un étranger dans le village uit 1962 van de Frans-Zwitserse regisseur Pierre Koralnik (1938) keerde de auteur bijna tien jaar na de publicatie van zijn essay terug naar Leukerbad. De tweede zaal is ook gewijd aan Baldwin: documenten getuigen van zijn connectie met Zwitserland en de getoonde werken laten zien hoe hij en zijn teksten het onderwerp van kunst werden. Voorbeelden zijn het portret James Baldwin I (1965) dat de Zwitserse kunstenaar Hanny Fries (1918-2009) met balpen tekende tijdens een lezing in Zürich, of een foto van The Firsts – James Baldwin (1924-1987) een portret uit 2018 dat Sasha Huber (1975) met een nietpistool op een raamluik in Leukerbad schoot, zodat een monument voor de schrijver ontstond. Bovendien verruimt de tentoonstelling met verschillende standpunten en perspectieven, vooral ingenomen door mensen van kleur, die in het kunstveld nog te weinig zichtbaar zijn en die, begeleid door citaten uit Baldwins tekst, een licht werpen op specifieke aspecten van het complexe onderwerp.

De figuur Childs Play 01 (2022) van James Bantone (1992) staat als campagnebeeld op de tentoonstellingsposter en doet denken aan Baldwins beschrijvingen van hoe de kinderen in Leukerbad zichzelf zwart schilderen, ongegeneerd zijn haar aanraken, naar hem wijzen of hem het n-woord toeroepen. Omgekeerd kan de zwarte figuur met de uitgestrekte arm worden geïnterpreteerd als een zwart kind dat aan witte bezoekers aanmanend vraagt: ‘Heb jij baat bij racisme?’ Ze kunnen zich onbehaaglijk voelen wanneer ze, in de woorden van Baldwin, beroofd worden van ‘hun zo gekoesterde naïviteit […] aangezien er bij de naïviteit van de witte mens heel veel wilskracht komt kijken. […] De witte mens houdt de zwarte mens het liefst op een zekere menselijke afstand omdat hij dan gemakkelijker zijn naïviteit kan bewaren en niet ter verantwoording kan worden geroepen voor door zijn voorouders of buren gepleegde misdrijven.’ Het is een eenvoud die er als vanzelfsprekend van uitgaat dat de wereld wit is voor witte mensen, terwijl deze genormaliseerde dominantie voor alle ‘anderen’, die voor ‘vreemdelingen’ moeten doorgaan, onnatuurlijk is en wordt gekenmerkt door structureel geweld – een geweld dat wordt onderdrukt en ontkend.

Het zwarte kind lijkt zich ook in de spiegel af te vragen: ‘Lijd ik onder racisme?’ Wat de installatie van Bantone toont, is dat mensen van kleur in de oneindige reflectie leven tussen twee spiegels: de spiegel van de vervreemdende samenleving en de spiegel van de vreemdeling die ze zelf zijn. Wat overblijft is (zelf)kritische reflectiviteit en zelfironische afstand. Maar hoe behoud je intellectualiteit en ironie in het aanschijn van geweld en wreedheid? De muurtekst Life is Better When I’m Cruel uit 2016 van Martine Syms (1988) geeft, in een onthullende parodie op zelfhulpboeken en kalenderuitspraken, het enige mogelijke antwoord: helemaal niet. In de spiegel van zwarte mensen die in Zwitserland wonen, toont Sirah Nying (1998) bezoekers het alledaagse racisme dat mensen van kleur vandaag de dag nog steeds ervaren in Zwitserland met het videowerk white eyes, black skin (2022). Het maakt je er bewust van wat een voorrecht het is om niet voortdurend in angst te hoeven leven voor verbale of fysieke aanvallen. Bovendien is structureel racisme ook dodelijk: ‘raciaal profileren’ op basis van normen, vooroordelen en stereotypen leidt keer op keer tot fataal politiegeweld – niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Zwitserland. Sasha Huber heeft portretten opgedragen aan drie van dergelijke slachtoffers in haar serie Shooting Stars (2023): Mike Ben Peter Amadasun (Nigeria 1983 – 2020 Lausanne, Zwitserland), Hervé Bondembe Mandundu (Congo 1989 – 2016 Bex, Zwitserland) en Nzoy Roger Wilhelm (Zwitserland 1984 – 2021 Morges, Zwitserland).

Lege, geschilderde lijsten op de witte muur laten zien hoe de eigen collectie van het Aargauer Kunsthaus getoond zou kunnen worden als alle werken van witte kunstenaars verborgen bleven, maar tonen daarnaast hoe weinig kunst van mensen van kleur in de meeste collecties, ook Zwitserse, vertegenwoordigd is. Alleen het schilderij Margaridas Brancas (1973) van de Afro-Braziliaanse kunstenaar Maria Auxiliadora da Silva (1935-1974) hangt toch aan de muur, als uitzondering die de regel bevestigt. Het Aargauer Kunsthaus bevraagt zelfkritisch het eigen bezit en legt de vinger op het pijnpunt van institutioneel racisme: wie verzamelt wat voor wie? Curator Céline Eidenbenz hoopt dat een deel van de tentoongestelde werken hun weg naar de collectie zal vinden. Stranger in the Village. Rassismus im Spiegel von James Baldwin is tevens de start van een meerjarig proces waarin de collectie onder de loep wordt genomen, met bijzondere aandacht voor herkomst, voor problematische titels en voor de representatie van ‘anderen’.

De verhalen die aan het licht komen zijn tragisch. In de surrealistische, nachtmerrieachtige taferelen van Devoir de mémoire (2023) vertelt de Senegalese kunstenaar Omar Ba (1977) over de kolonisatie, slavernij, deportatie en missionering van Afrikaanse mensen door Europeanen. Fantasmagorische figuren op een zwart-wit schaakbordpatroon getuigen van inhumane strategieën en menselijke lotsbeschikkingen. Het is een monumentaal beeld, geschilderd op kartonnen dozen die tot een muur zijn opgestapeld, alsof Ba alle verhalen uitpakt over geweld, maar ook over de wil om te leven, die in de archieven begraven liggen.

Ook Zwitserland was en is als land zonder koloniën verstrikt in (post)koloniale machinaties – ondanks of juist dankzij de mantel van de zo vereerde neutraliteit. Denise Bertschi (1983) laat dat op indrukwekkende wijze zien met Neutrality as an Agent. Please ensure the gate is properly closed… (2022), een multimediale reeks over de ‘Swiss Club’ in Zuid-Afrika: schijnbaar onschuldig ogend gezwelg in groepsgedrag gaat hand in hand met de banaliteit van het kolonialisme. Koffie, suiker, fetisjen – alles wordt een handelsartikel, een object, iets om mee uit te pakken. De ogenschijnlijk puur wetenschappelijke praktijk van het verzamelen, opmeten en categoriseren is koloniaal van aard en werkt nog steeds na in hedendaagse beeldregimes: van de etnografische tot de exotiserende, witte blik. Namsa Leuba (1982) ironiseert en ‘herapprorieert’ stereotypen en onteigenende afbeeldingen van ‘vreemden’ en ‘anderen’ in haar fotoserie Zulu Kids (2014).

Zelfs goedbedoelde inspanningen op het vlak van empowerment en ‘diversiteit’ lopen altijd het risico te ontaarden in louter diversity washing en stellen de betrokken personen eigenlijk voor onoplosbare problemen. Jonathan Horowitz (1977) illustreert dit dilemma met zijn werk Power (2019), dat in relatie staat tot de emoji die zo populair zijn in digitale communicatie. Ofwel kiezen mensen van kleur voor de beschikbare beeldjes en handgebaren een huidskleur en maken ze zich zichtbaar waar ze onzichtbaar zouden kunnen zijn, ofwel kiezen ze de gele ‘standaard’ en verwijderen ze hun identiteit. Voor witte mensen daarentegen zorgt deze standaardinstelling er blijkbaar voor dat ze ‘kleurenblinde’ discussies over huidskleur en racisme kunnen vermijden.

Hoe kan een Zwitsers museum dus over racisme exposeren zonder clichés of zonder de eigen witte blik te reproduceren? Ruimte geven aan diverse stemmen, luisteren, kritische zelfreflectie, participatie en inclusiviteit nastreven – zij het dan in de vorm van een adviesraad, bestaande uit experts over complexe onderwerpen. De raad beval bijvoorbeeld een woordenlijst aan, maar stelde ook grondbeginselen in vraag, zoals het feit dat deze tentoonstelling slechts over één specifieke vorm van racisme gaat, namelijk antizwart racisme. Die focus werd echter gerechtvaardigd door de nauwe band met de tekst van James Baldwin. Om het bewustzijn over de alomtegenwoordigheid van racisme te vergroten en het antiracistische bewustzijn te ontwikkelen, werd er ook meer dan gebruikelijk gebruikgemaakt van bemiddeling. Laura Arminda Kingsley (1984) bracht twee participatieve ruimtes tot stand rond de vraag ‘Hoe willen we samenleven?’ om uit te nodigen tot zelfreflectie, educatie en dialoog. Sasha Huber, prominent aanwezig in de tentoonstelling en tevens lid van de adviesraad, benadrukt hoe het aan het einde van het proces normaal zou moeten zijn dat tentoonstellingen uiteenlopende posities laten zien, zodat mensen van kleur niet afzonderlijk worden tentoongesteld. Curator Céline Eidenbenz is zich ervan bewust dat dit slechts de eerste stappen zijn op weg naar duurzame ontwikkeling. ‘Er is nog veel werk!’ herhaalt ze vaak in gesprekken. Alleen meedogenloze eerlijkheid, de wil om te leren en af te leren, maar ook tolerantie voor fouten kunnen taboes tegengaan. Het helpt nu eenmaal niemand als je niet eens begint, gewoon omdat je bang bent om te falen.

 

Oorspronkelijke publicatie: Kunstbulletin, nr. 11, 2023, pp. 12-16.

Vertaling uit het Duits: Christophe Van Gerrewey

 

• Stranger in the Village. Rassismus im Spiegel von James Baldwin, van 3 september 2023 tot 7 januari 2024, Aargauer Kunsthaus, Aargauerplatz, Aarau. De catalogus verscheen in 2024 bij Scheidegger & Spiess, Zürich, ISBN 9783039421824.

Een vreemde in het dorp

Alles wees erop dat er vóór mij nog nooit een zwarte man voet in dit Zwitserse gehucht had gezet. Voor mijn komst was me verteld dat ik waarschijnlijk iets van een ‘bezienswaardigheid’ in het dorp zou zijn; ik ging ervan uit dat dat betekende dat er weinig mensen met mijn huidskleur in Zwitserland waren, en ook dat stadsmensen buiten de stad altijd een ‘bezienswaardigheid’ zijn. Het kwam niet in me op – misschien omdat ik Amerikaan ben – dat er mensen konden bestaan die nog nooit een zwarte hadden gezien. Dat valt niet alleen te verklaren door het feit dat het dorp zo afgelegen ligt. Het dorp ligt hoog in de bergen, maar vanuit Milaan ben je er in vier uur en vanuit Lausanne in drie. Wel is het zo goed als onbekend. Weinig mensen die vakantieplannen maken zouden ervoor kiezen hier te komen. Aan de andere kant kunnen de dorpelingen zo te zien gaan en staan waar ze willen – wat ze ook doen, en wel naar het stadje aan de voet van de berg, met zo’n vijfduizend inwoners, dat de dichtstbijzijnde plaats is om naar de bank of bioscoop te gaan. Het dorp zelf heeft geen filmhuis, geen bank, geen bibliotheek, geen theater; er zijn weinig radio’s, één jeep, één stationwagen; en op het moment van schrijven één typemachine, de mijne, en mijn buurvrouw hier had er nog nooit een gezien. Er wonen zo’n zeshonderd mensen, allemaal katholiek – wat ik afleid uit het feit dat de katholieke kerk het hele jaar door geopend is, terwijl de protestantse kapel, die op een heuvel op een afstandje van het dorp staat, alleen open is in de zomermaanden als de toeristen komen. Er zijn een stuk of vijf hotels die nu allemaal gesloten zijn, en een stuk of vijf bistro’s waarvan er in de winter maar twee geopend zijn. Ze doen weinig, want om negen of tien uur ’s avonds is het dorp al uitgestorven. Er zijn een paar winkels, een slager, een bakker, een épicerie, een ijzerwarenwinkel en een geldwisselkantoor – dat geen reischeques kan wisselen; die sturen ze naar de bank beneden, een onderneming die twee à drie dagen in beslag neemt. Er is nog een gebouw dat het Ballet Haus heet, dat in de winter gesloten is en in de zomer voor God weet wat wordt gebruikt, maar niet voor ballet in elk geval. Er is blijkbaar maar één schoolgebouw in het dorp, en dat is voor de jonge kinderen; ik vermoed dat dit betekent dat hun grote broers en zussen op enig moment van de berg afdalen voor de rest van hun opleiding – misschien ook in het stadje beneden. Het landnschap is bijzonder grimmig, met aan vier kanten zover het oog reikt bergen, ijs en sneeuw. De hele dag door lopen de mannen, vrouwen en kinderen door deze witte wildernis, ze dragen wasgoed, hout en emmers melk of water, en soms gaan ze op zondagmiddag skiën. De hele week door zie je jongens en jonge mannen sneeuw van de daken schuiven of hout uit het lagergelegen bos op sleden voorttrekken.

De enige echte attractie van het dorp, en de reden van het toeristenseizoen, is het water uit de warme bron. Een zorgwekkend groot deel van de toeristen is kreupel of half kreupel, en komt ieder jaar opnieuw – gewoonlijk uit andere delen van Zwitserland – voor het water. Hierdoor hangt er in het dorp op het hoogtepunt van het seizoen een nogal angstaanjagend heilige sfeer, het wordt een soort tweederangs Lourdes. Er is vaak iets prachtigs, en soms iets verschrikkelijks, aan de aanblik van een persoon die een van zijn vermogens is kwijtgeraakt, iets waar hij nooit bij stil heeft gestaan totdat het verdwenen was, en die vecht om dat terug te krijgen. Maar mensen blijven mensen, op krukken of zelfs op hun sterfbed; en de eerste zomer dat ik hier was, omringd door dorpelingen en kreupelen, waaide er waar ik ook ging een wind van verbazing, nieuwsgierigheid, amusement en verontwaardiging met me mee. Die eerste zomer bleef ik twee weken; ik was niet van plan om terug te komen. Maar dat deed ik wel, in de winter, om te werken; het spreekt vanzelf dat er in het dorp geen enkele afleiding is en bovendien is het er extreem goedkoop. Nu, een jaar later, is het alweer winter, en ben ik er weer. Iedereen in het dorp weet hoe ik heet, hoewel ze mijn naam bijna nooit gebruiken; ze weten dat ik uit Amerika kom – al lijkt het erop dat ze dat nooit echt zullen geloven, zwarten komen immers uit Afrika – en iedereen weet dat ik een vriend ben van de zoon van een vrouw die hier is geboren en dat ik in hun chalet verblijf. Maar ik ben nog evenzeer een vreemdeling als op de dag dat ik hier aankwam, en als ik over straat loop roepen de kinderen in het Duits: ‘Neger! Neger!

Ik moet toegeven dat ik in het begin veel te geschokt was om er echt op te reageren. Als ik reageerde probeerde ik vriendelijk te zijn – een aanzienlijk deel van de opleiding van de zwarte Amerikaan (al lang voordat hij naar school gaat) is dat hij ervoor moet zorgen dat mensen hem ‘aardig’ vinden. Die lach-en-de-wereld-lacht-mee-techniek werkte in deze situatie ongeveer even goed als in de situatie waarvoor die was bedoeld, dat wil zeggen helemaal niet. Want niemand wiens menselijke gewicht en complexiteit niet wordt of werd erkend, kan immers aardig worden gevonden. Mijn glimlach was gewoon het zoveelste nieuwe fenomeen, dat hen in staat stelde mijn tanden te zien – ze zagen nauwelijks dat ik glimlachte, ik dacht haast dat ik evengoed had kunnen grommen en dat niemand echt verschil zou zien. De lichamelijke kenmerken van de zwarte die me in Amerika een heel andere en haast vergeten pijn bezorgden, waren in de ogen van de dorpelingen gewoon wonderbaarlijk – of hels. Sommige mensen vonden dat mijn haar de kleur van teer had, de structuur van draad of de textuur van watjes. Er werd gegrapt dat ik het lang kon laten groeien om een winterjas voor mezelf te maken. Als ik meer dan vijf minuten in de zon zat, kwam er steevast een dapper wezen naar me toe dat voorzichtig zijn vingers op mijn haar legde, alsof hij bang was voor een elektrische schok, of zijn hand op de mijne, stomverbaasd dat die niet afgaf. Ik moet toegeven dat dit allemaal de charme van oprechte verbazing had; er zat geen spoortje in van opzettelijke onvriendelijkheid; maar ook bleek nergens uit dat ik als mens werd gezien: ik was gewoon een levend wonder.

Ik wist dat ze het niet onvriendelijk bedoelden, en dat weet ik nu nog steeds; maar dat moet ik mezelf wel telkens als ik uit het chalet kom blijven vertellen. De kinderen die ‘Neger!’ roepen, kunnen onmogelijk weten wat voor echo’s die klanken in mij oproepen. Ze lopen over van welwillendheid, en de dapperen glimmen van trots als ik blijf staan om een praatje te maken. Maar toch zijn er dagen dat ik het niet kan opbrengen om met een glimlach te blijven staan, dat ik geen zin heb om met ze te spelen; dat ik daarentegen juist verbitterd in mezelf mompel, precies zoals ik dat deed in de straten van een stad waar deze kinderen nooit zijn geweest, toen ik niet ouder was dan zij nu: ‘Je móéder was een nigger.’ Joyce heeft gelijk als hij zegt dat de geschiedenis een nachtmerrie is – maar misschien is het de nachtmerrie waaruit niemand ontwaakt. Mensen zijn gevangen in de geschiedenis en de geschiedenis is gevangen in hen.

Er bestaat een traditie in het dorp – naar verluidt in veel meer dorpen – waarbij Afrikanen worden ‘gekocht’ om ze tot het christendom te bekeren. Het hele jaar door staat er iemand voor de kerk met een kistje met een gleuf, versierd met een zwarte gedaante, waar de dorpelingen hun francs in deponeren. Tijdens het carnaval, voor de Vastentijd, worden twee dorpskinderen zwart geschminkt – in de bloedeloze duisternis schijnen hun blauwe ogen als ijs – en worden er fantasiepruiken van paardenhaar op hun blonde koppies gezet; in die vermomming vragen ze de dorpelingen om geld voor de missionarissen in Afrika. Van de opbrengst van het kistje bij de kerk en die van de zwart geschminkte kinderen heeft het dorp vorig jaar zes of acht inwoners van Afrika ‘gekocht’. Dit kreeg ik te horen van de glunderende vrouw van de uitbater van een van de bistro’s, en ik liet niet na mijn verbazing en genoegen te uiten over de goede zorgen van het dorp voor de zielen van de zwarten. De vrouw van de uitbater van de bistro straalde veel oprechter dan ik, kennelijk met het idee dat ik nu verlost was van mijn zorg om de zielen van minstens zes verwanten. Ik probeerde niet te denken aan die verwanten die zo kortgeleden gedoopt waren, aan de prijs die voor hen was betaald, of aan de persoonlijke prijs die ze zelf zouden betalen, en ik zweeg over mijn vader die zijn eigen bekering te serieus had genomen, maar die in zijn hart de witte wereld (die hij heidens noemde) nooit echt had vergeven dat ze hem hadden opgezadeld met een Christus in wie ze, in elk geval te oordelen naar de manier waarop ze hem behandelden, zelf niet meer geloofden. Ik dacht aan witte mannen die voor het eerst voet zetten in een Afrikaans dorp, vreemden zoals ik hier ook een vreemde ben, en probeerde me de verbijstering voor te stellen van de bevolking die hun haar aanraakte en zich verwonderde over hun huidskleur. Maar het is een groot verschil of je de eerste witte man bent die Afrikanen zien, of de eerste zwarte man die witte mensen zien. De witte man beschouwt de verbijstering als een eerbetoon, want hij komt om te veroveren en de lokale bevolking te bekeren; voor hem is hun inferioriteit niet eens im Frage; terwijl ik geen enkele gedachte aan veroveringen wijd en me bevind tussen een volk waarvan de cultuur mij beheerst, die me in zekere zin zelfs heeft geschapen, mensen die me meer angst en woede hebben gekost dan ze ooit zullen beseffen en die niet eens weten dat ik besta. De verbijstering waarmee ik ze begroet had als ze een paar honderd jaar geleden in mijn Afrikaanse dorp waren beland, zou hun hart met vreugde hebben vervuld. Maar de verbijstering waarmee zij mij vandaag de dag begroeten kan mijn hart alleen vergiftigen.

En dat blijft zo, wat ik ook doe om het anders te zien, hoe gezellig ik ook klets met de vrouw van de uitbater van de bistro, hoe goed ik uiteindelijk ook bevriend ben geraakt met hun zoontje van drie, hoeveel saluts en bonsoirs ik tijdens het wandelen ook uitwissel, hoe goed ik ook weet dat je niemand verantwoordelijk kunt houden voor wat de geschiedenis doet of heeft gedaan. Ik zei dat de cultuur van deze mensen me beheerst – maar je kunt ze nauwelijks verantwoordelijk houden voor de Europese cultuur. Amerika komt voort uit Europa, maar deze mensen hebben Amerika nog nooit gezien en de meesten van hen hebben van Europa ook niet meer gezien dan dat stadje aan de voet van de berg. Toch bewegen ze zich voort met een aplomb dat ik nooit zal hebben; en ze zien mij – niet geheel onterecht – niet alleen als een vreemde in het dorp, maar als een verdachte nieuwkomer zonder geloofsbrieven bij alles wat ze – hoe onbewust ook – hebben geërfd. Want hoe ongekend afgelegen en verschrikkelijk primitief dit dorp ook is, toch maakt het deel uit van het Westen, het Westen waar ik op zo’n vreemde manier op geënt ben. Deze mensen kunnen qua macht nergens ter wereld vreemden zijn; ze hebben de moderne wereld gemaakt, ook als ze dat niet beseffen. De meest ongeletterde onder hen is, anders dan ik, verwant aan Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal in Chartres vertelt ze iets wat die mij niet vertelt, en als iemand hier ooit het Empire State Building in New York zou zien, zou dat daar ook voor gelden. Hun liederen en dansen hebben Beethoven en Bach voortgebracht. Ga een paar eeuwen terug en ze leven in volle glorie – terwijl ik in Afrika zit en de veroveraars zie aankomen. De woede van de geminachten is op individueel niveau zinloos, maar ook volslagen onvermijdelijk; deze woede, die zo vaak wordt weggewuifd, die zelfs door mensen die er dagelijks mee te maken hebben slecht begrepen wordt, is een van de dingen die de geschiedenis tot stand brengt. Woede kan alleen moeizaam en nooit afdoende door intelligentie in toom worden gehouden, en is daarom niet vatbaar voor argumenten. Dat is een feit dat niet begrepen wordt door de gewone vertegenwoordigers van het Herrenvolk, die zulke woede nooit gevoeld hebben en zich die niet kunnen indenken. Ook kun je woede nooit verbergen, tenzij je huichelt. Met zulke huichelarij kun je onnadenkende mensen misleiden, maar versterk je ook de woede en voeg je er minachting aan toe. Ongetwijfeld zijn er evenveel manieren om met het resulterende complex van spanningen om te gaan als er zwarten op de wereld zijn, maar er is niet één zwarte die ooit geheel van deze innerlijke oorlog verlost zal kunnen zijn, aangezien zijn eerste besef van de macht van de witte mens ongetwijfeld gepaard ging met woede, huichelarij en minachting. Het is hier cruciaal dat, aangezien witte mensen in de wereld van de zwarte mensen zo’n zware last vertegenwoordigen, de witte mensen voor de zwarte reëel zijn op een manier die verre van wederkerig is; en dat de houding van de zwarte mensen tegenover de witte er altijd op gericht is om de witte hun zo gekoesterde naïviteit te ontnemen, of ze er op zijn minst een hoge prijs voor te laten betalen.

De zwarte mens probeert de witte uit alle macht zover te krijgen dat die hem niet meer als een exotische zeldzaamheid beschouwt en hem als mens aanvaardt. Dit is een zeer beladen en moeilijk moment, aangezien er bij de naïviteit van de witte mens heel veel wilskracht komt kijken. De meeste mensen zijn van nature niet bedachtzaam, zoals ze ook niet kwaadaardig zijn, en de witte mens houdt de zwarte mens het liefst op een zekere menselijke afstand omdat hij dan gemakkelijker zijn naïviteit kan bewaren en niet ter verantwoording kan worden geroepen voor door zijn voorouders of buren gepleegde misdrijven. Toch moet hij wel in de gaten hebben dat hij de betere positie heeft, en ook zal hij het vermoeden niet geheel kunnen uitbannen dat de zwarte mensen hem daarom haten. Hij wil niet gehaat worden, hij wil ook niet van plaats wisselen, en op dat punt in zijn ongemak ontkomt hij er nauwelijks aan zijn toevlucht te nemen tot die legendes die witte mensen over zwarten hebben bedacht, en die gewoonlijk het effect hebben dat de witte mens verstrikt raakt in zijn eigen taal, waarin de hel alsmede de eigenschappen die je naar de hel zullen brengen, pikzwart worden genoemd.

Bovendien zit er in iedere legende een kern van waarheid, en de basisfunctie van taal is om het universum te beheersen door het te beschrijven. Het is heel veelzeggend dat zwarte mensen, in de verbeelding en overweldigend vaak in de praktijk, buiten bereik van de verlossing blijven, ondanks het feit dat het Westen al eeuwenlang Afrikanen ‘koopt’. Ik durf te zeggen dat er een onmiddellijke behoefte is om je los te maken van die overduidelijk niet-verloste vreemdeling, van wie je bovendien niet weet wat voor wraakgevoelens hij koestert; en tegelijkertijd is weinig ter wereld aantrekkelijker dan het idee van de onuitsprekelijke vrijheid die niet-verlosten zich kunnen permitteren. Als onder het zwarte masker een mens schuil blijkt te gaan, kun je niet ontsnappen aan een ontzaglijke verwondering over wat voor soort mens dat dan is. Hoe je verbeelding andere mensen ziet wordt natuurlijk ingefluisterd door de codes van je eigen persoonlijkheid, en het is een van de ironische aspecten aan de relatie tussen zwarten en witten dat de zwarte de witte leert kennen door wat de witte mens in zijn verbeelding van de zwarte mens maakt.

Zo zei ik al dat ik nog evenzeer een vreemdeling in dit dorp ben als in mijn eerste zomer hier, maar dat is niet helemaal waar. De dorpelingen verbazen zich inmiddels minder over de textuur van mijn haar dan toen, en meer over mij. En het feit dat de verbazing zich nu op een ander niveau afspeelt, laat zich zien in hun houding en hun blikken. Sommige kinderen proberen heerlijk, hilarisch, soms verbijsterend ernstig vriendschap te sluiten op de onvoorspelbare manier van kinderen; en andere kinderen, die geleerd hebben dat de duivel een zwarte man is, zetten het als ik aan kom lopen met oprechte doodsangst op een schreeuwen. Sommige oudere vrouwen lopen me nooit voorbij zonder vriendelijk te groeten, en lopen me zelfs helemaal niet voorbij als ze kans zien op een praatje; terwijl andere vrouwen hun blik op de grond richten, weg- kijken of hun neus ophalen. Sommige mannen drinken met me en zeggen dat ik moet leren skiën – deels, vermoed ik, omdat ze zich niet kunnen voorstellen hoe ik eruit zou zien op ski’s –, willen weten of ik getrouwd ben en stellen vragen over mijn métier. Maar andere beschuldigen le sale nègre er achter mijn rug van dat hij hout steelt, en in sommige ogen kan ik die bijzondere, intense, paranoïde kwaadwillendheid al zien waarvan je soms ook een glimp opvangt in de ogen van Amerikaanse witte mannen zodra ze tijdens een wandeling met hun meisje een zwarte man zien aankomen.

Er ligt een angstaanjagende afgrond tussen de straten van dit dorp en de straten van de stad waar ik geboren ben; tussen de kinderen die nu ‘Neger!’ roepen en degenen die toen ‘Nigger!’ riepen – die afgrond is de ervaring, de Amerikaanse ervaring. Wat me nu wordt nageroepen is voornamelijk verbazing: ik ben hier een vreemde. Maar in Amerika ben ik geen vreemde, en als diezelfde uitroep in Amerika door de lucht vliegt, is het een uitdrukking van de oorlog die mijn aanwezigheid in de Amerikaanse ziel teweegbrengt.

Want als ik in dit dorp ergens van doordrongen ben geraakt is het dit: dat er een tijd was, niet eens zo gek lang geleden, dat Amerikanen eigenlijk nog helemaal geen Amerikanen waren maar ontevreden Europeanen die een groot, onbekend continent voor zich zagen, en bij wijze van spreken een marktplein op liepen en voor het eerst zwarten zagen. De schok van die aanblik wordt ongetwijfeld weerspiegeld in de stelligheid waarmee werd besloten dat zwarte mensen niet echt mensen waren maar vee. Het klopt dat dit idee enorm aan aantrekkelijkheid won dankzij de behoefte van de kolonisten in de Nieuwe Wereld om hun morele aannames te verzoenen met het bestaan van – en de behoefte aan – slavernij, en het klopt ook dat dit idee met een typisch Amerikaanse botheid laat zien hoe alle meesters in meer of mindere mate tegenover hun slaven stonden.

Maar los van alle voormalige slaven en slavenhouders en het drama dat voor Amerikanen ruim driehonderd jaar geleden in Jamestown begon, zijn er minstens twee verschillen. Waar slaven er in eerdere periodes wel van uitgingen – en soms ook terecht – dat ze ooit de macht uit de handen van hun meesters zouden kunnen rukken, kon de Amerikaanse zwarte slaaf dat niet. Dit was een gedachte geworden die door de moderne tijd, met al zijn gigantische veranderingen in de dimensies en doelen van de macht, ter dood was gebracht en die nu pas weer, op geheel nieuwe wijze en met afschuwelijke implicaties, nieuw leven wordt ingeblazen. Maar zelfs al was die veronderstelling met dezelfde intensiteit blijven bestaan, dan nog zou de Amerikaanse zwarte slaaf die niet hebben kunnen aanwenden om zijn toestand iets van waardigheid te geven, aangezien die veronderstelling leunt op een andere: dat de slaaf, in ballingschap, een band met zijn verleden behoudt en een manier heeft – al is het maar in zijn herinneringen – om de gedaantes van zijn vroegere leven eer te betonen en in stand te houden: kortom, dat hij zijn identiteit kan bewaren.

Bij de Amerikaanse zwarte slaven was dit niet het geval. Die zijn uniek onder de zwarten in de wereld omdat hun verleden hun bijna letterlijk in één klap is afgenomen. Je vraagt je af wat de eerste slaaf in hemelsnaam te vertellen had aan het eerste donkere kind dat hij voortbracht. Ik heb gehoord dat er Haïtianen zijn die hun stamboom terug kunnen volgen tot Afrikaanse vorsten, maar als een Amerikaanse zwarte zo ver terug wil, komt zijn tijdreis abrupt tot stilstand bij de handtekening op het verkoopcontract dat voor zijn voorouder dienstdeed als verblijfsvergunning. In de tijd – om nog te zwijgen over de omstandigheden – dat gevangengenomen zwarten tot slaaf werden gemaakt om uiteindelijk de zwarte Amerikanen te worden, was er in de verste verte geen kans dat hij ooit de macht van zijn meester zou overnemen. Er was ook geen reden om aan te nemen dat er ooit iets aan zijn toestand zou veranderen, en ook was er al heel snel niets meer wat erop wees dat zijn situatie ooit anders was geweest. Het was, in de woorden van E. Franklin Frazier, noodzakelijk voor hem geworden ‘een reden te vinden om te leven onder de Amerikaanse cultuur, of te sterven’. De identiteit van de zwarte Amerikaan komt voort uit deze extreme situatie, en de evolutie van die identiteit was een bron van ondraaglijke angst in de hoofden en levens van zijn meesters.

Want de geschiedenis van de zwarte Amerikaan is ook uniek omdat de kwestie van zijn menselijkheid, en dus van zijn rechten als mens, voor meerdere generaties Amerikanen een brandende kwestie was, zo brandend dat die uiteindelijk werd gebruikt om het land te verdelen. Uit die ruzie komt het gif van het predicaat ‘Nigger!’ voort. Het is een ruzie die in Europa nooit is gemaakt, en daarom is Europa oprecht niet in staat te begrijpen hoe of waarom die ruzie in de eerste plaats begon, waarom de gevolgen ervan zo vaak rampzalig en altijd onvoorspelbaar zijn, en waarom die tot op de dag van vandaag niet helemaal is beslecht. De zwarte bezittingen van Europa lagen – en liggen – in de koloniën, op afstand, waardoor ze geen enkele bedreiging voor de Europese identiteit vormden. En als ze toch een probleem voor het Europese bewustzijn vormden, dan bleef dat probleem aangenaam abstract; uiteindelijk bestond de zwarte mens niet als mens in Europa. Terwijl die in Amerika, zelfs als slaaf, een onmisbaar deel van de maatschappij was, en geen Amerikaan eraan kon ontkomen zich tot hem te verhouden. Tot op de dag van vandaag proberen Amerikanen de zwarte te abstraheren, maar de aard van die abstracties laat juist de gigantische invloed zien die de aanwezigheid van de zwarte mens op het Amerikaanse karakter heeft gehad.

Als je de geschiedenis van de zwarte in Amerika bekijkt, is het essentieel te erkennen dat de morele overtuigingen van een persoon of een volk nooit zo eendimensionaal zijn als het leven – dat niet moreel is – ze afschildert; ze vormen een referentiekader en een onmisbare hoop, namelijk de hoop dat ze, als het leven zich van zijn slechtste kant laat zien, in staat zullen zijn boven zichzelf uit te stijgen en over het leven te triomferen. Het bestaan zou zo goed als ondraaglijk zijn als die hoop er niet was. Nogmaals: ook als het ergste is gezegd, betekent het verloochenen van een overtuiging geenszins dat je ervan bevrijd bent. Als dat niet zo was, zouden er helemaal geen normen meer zijn. Maar we moeten wel erkennen dat moraliteit is gebaseerd op ideeën en dat alle ideeën gevaarlijk zijn – gevaarlijk omdat ze altijd leiden tot actie, en omdat niemand kan voorspellen waartoe die actie leidt. En ook gevaarlijk omdat de mens, die merkt dat hij onmogelijk trouw kan blijven aan zijn overtuigingen en zich er ook niet van kan ontdoen, tot onmenselijke uitwassen kan overgaan. De ideeën waarop Amerikaanse overtuigingen gebaseerd zijn, zijn niet in Amerika ontstaan, al lijken veel Amerikanen dat wel te denken. Die kwamen uit Europa. En de vestiging van een democratie op het Amerikaanse continent was lang niet zo’n radicale breuk met het verleden als de noodzaak voor Amerikanen om dit concept zo ver uit te breiden dat het ook zwarten kon omvatten.

Dat was, letterlijk, een harde eis. Zo was het onmogelijk voor Amerikanen om hun overtuigingen los te laten, niet alleen omdat die het enige waren wat de door hen doorstane offers en het door hen vergoten bloed rechtvaardigde, maar ook omdat die overtuigingen het enige bastion waren tegen de morele chaos die net zo concreet was als de fysieke chaos van het continent waarvan het hun lot was het te veroveren. Maar de Amerikanen raakten verzeild in een situatie waarin deze overtuigingen een idee bedreigden dat, of je het nu leuk vindt of niet, het leeuwendeel vormde van de erfenis van het Westen, het idee van de witte superioriteit.

Amerikanen hebben zichzelf berucht gemaakt door de scherpte en wreedheid waarmee ze aan dit idee hebben vastgehouden, maar ze hebben het niet bedacht: en de wereld heeft niet gezien dat juist die excessen waar de Amerikanen zich schuldig aan hebben gemaakt een onvergelijkbaar ongemak impliceren over de levensvatbaarheid en kracht, zo niet de geldigheid van dat idee. Het idee van de witte superioriteit gaat er simpelweg van uit dat witte mensen de scheppers van de beschaving zijn (van de huidige beschaving, dat wil zeggen de enige die ertoe doet; alle eerdere beschavingen zijn niet meer dan ‘bijdragen’ aan die van ons) en daarmee de hoeders en verdedigers van die beschaving. Het was voor Amerikanen dus onmogelijk de zwarte mens als een van hen te accepteren, want daarmee zouden ze hun status van witte mens in gevaar brengen. Maar als je hem niet accepteerde ontkende je zijn menselijkheid, gewicht en complexiteit; en de inspanning die het vergde om dat wat overduidelijk en onmiskenbaar was toch te ontkennen, dwong de Amerikanen tot rationalisaties die zo fantasievol waren dat ze bijna ziekelijk werden. De witte Amerikaan zal een manier moeten vinden om samen te leven met de zwarte zodat hij kan samenleven met zichzelf, dat is de basis van het Amerikaanse ‘Negro Problem’. De geschiedenis van dit hele probleem kan worden teruggebracht tot hoe Amerikanen deze noodzaak in de praktijk brengen: hoe ze er – met lynch- of andere wetten, met segregatie of juridische acceptatie, met terreur of concessies – mee in het reine proberen te komen, eraan voorbijgaan of (wat meestal gebeurt) beide tegelijk doen. De vertoning die hieruit voortkomt is even dom als afschuwelijk en heeft iemand ertoe gebracht om heel nauwkeurig te observeren dat de ‘zwarte-in-Amerika een soort geestesziekte is die witte mensen treft’.

In deze lange strijd, een strijd die nog lang niet gestreden is en waarvan de onvoorziene effecten nog door veel generaties gevoeld zullen worden, was de drijfveer van de witte mens het bewaken van zijn identiteit, terwijl de zwarte mens werd gedreven door zijn noodzaak een identiteit te bepalen. En ondanks de verschrikkingen die de zwarte in Amerika heeft moeten, en tot op de dag van vandaag nog steeds soms moet, doorstaan, ondanks de wrede en onontkoombaar ambivalente positie die hij in zijn land heeft, is de strijd om zijn identiteit lang geleden al gewonnen. Hij is geen bezoeker aan het Westen maar een staatsburger, een Amerikaan; even Amerikaans als de Amerikanen die hem verachten, die hem vrezen, die hem liefhebben – de Amerikanen die een mindere versie van zichzelf werden of juist boven zichzelf uitstegen omdat er geen ontkomen was aan de uitdaging die hij vormde. Hij is misschien de enige zwarte ter wereld van wie de relatie met de witte mens verschrikkelijker, subtieler, en betekenisvoller is dan de relatie van het verbitterde eigendom tot de onzekere eigenaar. Zijn overleving hing, en zijn ontwikkeling hangt, af van zijn vermogen om zijn bijzondere status in de westerse wereld ten voordele van zichzelf aan te wenden, en wie weet ook ten voordele van die wereld. Het is zijn taak om uit zijn ervaringen datgene te creëren wat hem steun en een stem kan geven.

Ik zei al dat de kathedraal in Chartres de mensen in dit dorp iets zegt wat hij mij niet kan zeggen; maar die kathedraal zegt mij ook iets wat hij hun niet kan zeggen. Misschien worden zij geraakt door de machtige torens of de glorieuze ramen; zij kennen God dan ook al langer dan ik Hem ken, en op een andere manier, en ik ben doodsbang voor de gladde, bodemloze put in de crypte waarin ketters hun dood tegemoet werden gegooid, en voor de weerzinwekkende, niet te missen waterspuwers die uit het steen lijken te springen om te verkondigen dat God en de duivel nooit los van elkaar zullen staan. Ik betwijfel of de dorpelingen aan de duivel denken als ze voor een kathedraal staan, aangezien niemand hen ooit met de duivel heeft vereenzelvigd. Maar ik moet eerst de status accepteren die de mythe me in het Westen heeft gegeven, voordat ik ook maar kan proberen die mythe te veranderen.

En terwijl zwarte Amerikanen hun identiteit hebben gevonden door geheel van het verleden vervreemd te raken, koesteren witte Amerikanen toch nog steeds de illusie dat de Europese onschuld ooit weer hersteld kan worden, dat ze kunnen terugkeren naar een toestand waarin zwarten niet bestaan. Dat is een van de grootste denkfouten die Amerikanen kunnen maken. De identiteit die ze met hand en tand willen beschermen heeft door die strijd een verandering ondergaan: Amerikanen lijken minder op andere witte volkeren in de wereld dan je je kunt voorstellen. Zo is het volgens mij niet overdreven om te stellen dat het Amerikaanse wereldbeeld – waarin de donkere krachten in het bestaan doorgaans weinig ruimte krijgen, zodat morele kwesties tot op de dag van vandaag in verblindend zwart en wit worden afgeschilderd – veel te danken heeft aan de strijd die Amerikanen hebben gevoerd om een menselijke, niet te overbruggen scheiding tussen zichzelf en de zwarte Amerikaan in stand te houden. Pas nu begint bij sommigen van ons het besef door te dringen – toegegeven: nog niet heel sterk, tergend langzaam en duidelijk vol tegenzin – dat dit wereldbeeld gevaarlijk onnauwkeurig en volslagen nutteloos is. Want het beschermt onze morele hoogmoed, tegen de afschuwelijke prijs van een minder ferme greep op de werkelijkheid. Mensen die de werkelijkheid niet onder ogen zien roepen hun eigen vernietiging over zich af, en wie zijn naïviteit per se wil bewaren als deze allang dood is, maakt een monster van zichzelf.

Het wordt tijd om te beseffen dat het interraciale drama dat zich op het Amerikaanse continent afspeelt niet alleen een nieuwe zwarte heeft voortgebracht, maar ook een nieuwe witte. Er is geen enkel pad dat de Amerikanen terug zal brengen naar de eenvoud van dit dorpje in Europa, waar witte mensen nog de luxe hebben mij als vreemdeling te zien. Voor iedere levende Amerikaan ben ik geen echte vreemde meer. En een van de dingen die Amerikanen van andere volkeren onderscheidt is dat geen enkel ander volk ooit zo diep betrokken is geweest bij het leven van zwarten, en vice versa. Als we dit feit met al zijn implicaties accepteren, zie je al snel dat de geschiedenis van het Amerikaanse ‘Negro Problem’ niet alleen beschamend is, maar ook een prestatie. Want zelfs als het ergste is gezegd moet je er nog aan toevoegen dat de eeuwige uitdaging die dit probleem met zich meebrengt altijd, en op welke manier dan ook, het hoofd is geboden. En het is deze zwart-witte ervaring die van onschatbare waarde zal blijken in de wereld waar we nu mee te maken hebben. Die wereld is niet wit meer en zal dat ook nooit meer zijn.

 

Vertaling uit het Engels: Eefje Bosch en Manik Sarkar

Oorspronkelijke publicatie: ‘Stranger in the Village’, Harper’s Magazine, nr. 1241, 1953, pp. 42-48. Deze vertaling is een voorpublicatie uit Een zoon van Amerika van James Baldwin, te verschijnen op 30 juli bij uitgeverij De Geus, Amsterdam, ISBN 9789044549959.

Het kwaad kan altijd terugkeren

Christophe Van Gerrewey: Je bent in oktober 2012 vanuit Brussel naar Zürich verhuisd, waar je toenmalige partner woonde. Welk beeld had je van het land? 

Sophie Nys: Helvetica Neue is mijn favoriete lettertype, maar meer affiniteit was er vooraf niet.

C.V.G.: Had je een idee van wat je te wachten stond? 

S.N.: Ik had al een paar ervaringen door deel te nemen aan groepstentoonstellingen. Eind mei 2012 liep er in Circuit, een kunstruimte in Lausanne, een solotentoonstelling, op uitnodiging van kunstenaar-curator Frédéric Chapon. Ik werkte sinds 1999 aan een beeldarchief, met snapshots van kunstwerken die ik maakte in musea of galeries, en waarvan het me goed leek dat ik ze me zou herinneren.

C.V.G.: Een soort privéarchief?

S.N.: De motivatie achter dat project was heel banaal: ik heb een geheugen als een vergiet, en ik had een naslagwerk nodig. Soms ging het om dubbele beelden, van het kunstwerk en het onderschrift. In Lausanne heb ik dat project afgerond. In een oplage van twintig exemplaren is toen de zesde versie van Catalog verschenen – een publicatie waarin die zwart-witfoto’s werden verzameld. In Circuit heb ik vijftig afbeeldingen tentoongesteld, van bijvoorbeeld Valie Export, Sylvie Eyberg, Yoko Ono, Thomas Hirschhorn of Roy Lichtenstein. Ze werden afgedrukt op wit papier en bevestigd op houten wanden, geïnspireerd door de ‘sokkels’ van Lina Bo Bardi. Er is in Lausanne ook een editie gemaakt met als titel Tuttle: een foto van Octogonal Cloth Piece van Richard Tuttle uit 1969.

C.V.G.: De expo heette O Bäume, die du nicht fällst! Dat is een regel van Paul Celan uit de bundel Von Schwelle zu Schwelle uit 1955. In de vertaling van Ton Naaijkens: ‘O bomen die je niet velt!’ Ging het om een selectie kunstwerken die overeind moesten blijven – een persoonlijke canon in het gigantische woud van de kunstgeschiedenis?

S.N.: Die titel werd voorgesteld door curator Frédéric Chapon. Hij had de tentoonstelling goed voorbereid. Het zou kunnen dat hij iets dergelijks in gedachten had.

C.V.G.: Waarom besloot je om het beeldarchief in 2012 af te ronden?

S.N.: Ik ben met dat project begonnen in 1999 tijdens mijn verblijf aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht, omdat ik toen de mogelijkheid kreeg om peperdure digitale camera’s uit te lenen, die nog even recent als zeldzaam waren. Een voordeel was dat ik kosteloos beelden kon maken als ik tentoonstellingen bezocht. Daarna democratiseerde het digitale fototoestel, en werd het steeds vaker verboden om te fotograferen in musea. Vooral tijdens tijdelijke tentoonstellingen vond ik dat opvallend. Het werd onmogelijk om mijn naslagwerk compleet te houden, dus ben ik ermee gestopt.

C.V.G.: Dat is paradoxaal: vanuit technologisch oogpunt werd het steeds makkelijker om waar dan ook foto’s te maken met je telefoon.

S.N.: Ja, dat klopt, maar ik ben een late gebruiker, ik heb pas in de zomer van 2013 een smartphone gekocht. Ondertussen is dat ‘beeldverbod’ ook weer veranderd: nu mag je alles fotograferen en online delen omdat het reclame oplevert. Alleen een flits gebruiken, dat mag meestal niet.

C.V.G.: Hebben die ervaringen, bijvoorbeeld in Lausanne, bijgedragen aan je besluit om te verhuizen naar Zwitserland?

S.N.: Niet bepaald. Ik ben nogal impulsief. Toen ik achttien of negentien was, was ik vol van Nederland. Die fascinatie ging over vormgeving – vorm en architectuur. Het is deels daarom dat ik aan de Jan van Eyck Academie heb gestudeerd, van 1999 tot 2001, na mijn studies aan Sint-Lucas Gent, van 1992 tot 1996. Ik had iets gelijkaardigs met Zwitserland: het vermoeden dat vorm in de cultuur zit ingebed, veel meer dan in België, en als vanzelfsprekend beschikbaar wordt gesteld. Ken je de jaarrapporten van Ringier? Ringier is een Zwitserse mediagroep die al sinds 1833 bestaat en die hun annual reports vergezeld laten gaan van een kunstenaarspublicatie die je online kan bestellen.

C.V.G.: Ik heb in 2008, in nr. 135 van De Witte Raaf, het jaarverslag van 2007 besproken, of althans het artistieke luik ervan: Sonne, Mond und Sterne van Fischli & Weiss.

S.N.: Dat zoiets gratis verkrijgbaar is, dat heeft zeker mijn beeld van Zwitserland bepaald. Of neem een kunstenaar als Rémy Zaugg, en hoe hij ruimte, vorm, architectuur en boekcultuur benaderde… Hij ligt begraven in Porrentruy, in het noorden van de Jura, waar ik in 2013 mijn tweede solo in Zwitserland heb kunnen organiseren, in Les Halles.

C.V.G.: In 2012, het jaar van je vertrek, heb je deelgenomen aan Un-Scene II in Wiels in Brussel, een groepstentoonstelling met werk van jonge kunstenaars die in België gevestigd zijn. Je toonde onder meer Twelve Proverbs: handgeschilderde houten platen, in tinten rood, die telkens betiteld zijn met een Vlaams spreekwoord. 

S.N.: Twelve Proverbs is een abstracte versie van Twaalf spreuken op borden uit 1558 van Pieter Bruegel de Oude, als een soort test om te zien hoe algemeen herkenbaar die zegswijzen zijn los van de traditionele iconografie.

C.V.G.: In een bespreking van Un-Scene II in De Witte Raaf, nr. 159, schreef Caroline Dumalin dat deze editie toonde hoe Brussel ‘de beste context biedt om veelbelovende, integere en internationaal georiënteerde praktijken tot ontwikkeling te laten komen’. Had je niet het gevoel iets achter te laten, iets af te breken dat je aan het opbouwen was, afscheid te nemen van een jonge generatie Brusselse kunstenaars? Het zijn ‘carrièristische’ vragen, maar was het strategisch om naar Zürich te verhuizen?

S.N.: Daar heb ik nooit zo over nagedacht… Ik ben niet iemand die plannen uitzet. Ik had evenmin het gevoel iets achter te laten. Ik heb in 2012 voor één jaar loopbaanonderbreking aangevraagd aan Sint-Lukas Brussel, waar ik doceerde, en nu nog steeds doceer. Dat was mijn Brotjob, zoals dat in het Duits heet, waarmee ik een vast inkomen kon garanderen. Ik wist helemaal niet dat ik vijf jaar weg zou blijven. Het besluit om terug te keren naar Brussel in 2017 werd deels ingegeven door het feit dat je maximaal vijf jaar loopbaanonderbreking kan aanvragen – daarna vervalt je contract.

C.V.G.: Misschien was de deelname aan Un-Scene net een aanleiding om iets anders te gaan doen, op een andere plek?

S.N.: Ja, het leek een goede timing. Achteraf kan je zeggen dat ik in de meeste Belgische musea en op interessante plekken iets had kunnen realiseren – met uitzondering van het SMAK in Gent, om de een of andere reden. Het was een frisse kans om in een andere omgeving terecht te komen. Bovendien kreeg ik nog steeds opdrachten uit België, ook al woonde ik in Zwitserland. Ik ben in 2014 bijvoorbeeld gevraagd om een kunstintegratie te realiseren in het Herman Teirlinckgebouw op de Thurn en Taxissite in Brussel: La dormance des graines, twee plafondmedaillons boven de wintertuinen waarrond de kantoren gegroepeerd zijn. Er was zeker continuïteit.

C.V.G.: Je bleef ook onder dak bij Galerie Greta Meert in Brussel, waar je tussen 2005 en 2023 vijf solotentoonstellingen hebt gemaakt.

S.N.: Dat is altijd een belangrijke steun geweest. Ik werkte als assistent in de galerij van Greta, en ik woonde in het gebouw in Molenbeek waarin ook het atelier van Marthe Wéry zich bevond. Sylvie Eyberg en Pierre Lauwers waren mijn buren, en zij hebben mij aangeraden bij Greta. Zij heeft in 2004 mijn tentoonstelling Airs Classiques gezien in Bozar in Brussel. Bozar had toen nog een reeks die FreeSpace heette, waarmee ze in samenwerking met NICC een platform boden aan jonge kunstenaars. Dus na die expo kreeg ik op een avond telefoon van Greta. Ik zie nog mijn grote Nokia oplichten, en toen ik haar naam zag, dacht ik meteen: de galerij staat in brand! Maar ze vroeg of ik met haar wou werken, als kunstenaar. Ik had die vraag totaal niet verwacht.

C.V.G.: Je was nog jong.

S.N.: Ik heb me afgevraagd of ik niet had moeten aansluiten bij een galerie die gerund wordt door leeftijdsgenoten. De galerie van Greta bestaat al sinds 1988. Het is een heel stabiele context. Zij is erg loyaal, en concreet heeft het betekend dat ik min of meer om de drie jaar kon tonen waar ik mee bezig was.

 

Toelatingsvoorwaarden

C.V.G.: Ben je subsidie in België blijven aanvragen tijdens je Zwitserse jaren?

S.N.: Nee. Dat heb ik pas achteraf beseft, dat zoiets mogelijk was. Veel kunstenaars zetten dat precies daarom in hun cv: ‘Living and working in Brussels and Berlin’ Ik heb jarenlang geen ondersteuning ontvangen van de Vlaamse overheid, misschien is dat een van de redenen waarom ik in 2022 een ‘Beurs bewezen talent’ heb gekregen.

C.V.G.: Kreeg je in Zwitserland financiële ondersteuning?

S.N.: Ik heb het geluk gehad snel een atelier te vinden, eind 2012, in de Kirchenweg in Zürich, in een prachtig kantoorgebouw uit 1967 van Haefeli Moser Steiger. Het beantwoordde meteen aan mijn hooggestemde verwachtingen over de Zwitserse architectuur!

C.V.G.: Hoe ben je daar terechtgekomen?

S.N.: Die kantoren zouden omgevormd worden tot luxeappartementen, en het gebouw werd door de vennootschap Projekt Interim aangeboden voor tijdelijk gebruik. Het was en is een extreem dure wijk, met een park en met zicht op het meer. Een eindje verderop woonde Tina Turner. Ongeveer twintig maanden lang hebben daar, in afwachting van de verbouwing, kunstenaars, maar ook muzikanten, architecten en ontwerpers verbleven. Ik heb er bijna één jaar gewerkt, van november 2012 tot september 2013 – en gewoond ook, trouwens, wat eigenlijk niet mocht. De huurprijs bedroeg 150 CHF per maand, inclusief alle kosten, dat is bijna niks.

C.V.G.: Was er een strenge selectieprocedure?

S.N.: Ik heb op internet gezocht naar atelierplekken en ik ben waarschijnlijk een beetje agressief geweest. Ik had het gevoel: dit moet ik hebben! Op een weinig Zwitserse manier ben ik blijven aandringen, en uiteindelijk kreeg ik een van de kleinste studio’s toegewezen: het was niet vanzelfsprekend om in die kamer op ware grootte dingen uit te proberen.

C.V.G.: Waren er veel buitenlanders onder je medebewoners?

S.N.: Nee. Voor mensen in de creative industry in Zürich is het heel duur om een aparte werkplek te huren. Er wordt dus vaak een beroep gedaan op dergelijke initiatieven voor tijdelijk verblijf, en kunstenaars weten dat ze na een jaar weer van atelier moeten veranderen.

C.V.G.: Na je verblijf langs de Kirchenweg ben je in de Stiftung Binz39 beland, opgericht in 1983, die werkruimtes aanbiedt voor kunstenaars, langs de Sihlquai in Zürich.

S.N.: Ja, maar dat verblijf heeft nog een tijdje overlapt met mijn periode in de Kirchenweg. En in september, oktober en november 2013 ben ik naar New York geweest, voor een residentie bij Residency Unlimited in Brooklyn – dat verblijf werd wel nog ondersteund door de Vlaamse overheid. Stiftung Binz39 heb ik ook gewoon op internet gevonden.

C.V.G.: Wat waren hun toelatingsvoorwaarden?

S.N.: Zij selecteren op basis van portfolio, en dan word je uitgenodigd voor een gesprek. Ik kwam terecht in een groep van zes of zeven kunstenaars.

C.V.G.: Wat betekent dat voor jou, als kunstenaar, op praktisch vlak, verhuizen? Wat neem je mee als je een nieuwe studio betrekt? Is het een logistiek zware operatie?

S.N.: Ik had uit Brussel twee dozen meegenomen: een doos met mijn favoriete boeken en een doos met spullen, gereedschap, bureaumateriaal… Mijn basisuitrusting is een laserprinter, A4-formaat, en internet – een computer. Ik heb altijd een chronische achterstand op het vlak van wat mij interesseert: er zijn altijd nog onderwerpen die ik moet aanpakken en waarover ik materiaal moet verzamelen – papier dat ik moet uitprinten en ergens onderbrengen.

C.V.G.: Met internet verwerf je kennis.

S.N.: Ja, hoewel ik in Zwitserland vaker bibliotheken heb bezocht, gewoon omdat er zoveel schitterende collecties zijn. Ik weet nog dat ik in mijn eerste werkkamertje in Zürich in 2012 geïnteresseerd ben geraakt in de pest, wat dan geleid heeft tot een reeks werken, waaronder de video Full of Piss and Vinegar, die begin 2014 bij Greta Meert zijn getoond. Wat mij fascineerde waren vooral de peststenen, waarvan in de middeleeuwen geloofd werd dat het schraapsel als medicijn kon werken. Op internet heb ik ontdekt dat er zich in Lochem in Nederland, in de steunbeer van een kerk, nog zo’n peststeen bevindt, danig afgeschraapt en bijna voor de helft verdwenen. Het is een prettige manier om iets te ontdekken, en om associatief verbanden te leggen. Er was een dokter in de middeleeuwen die geloofde dat hij met een citroen zijn neus kon beschermen tegen besmetting. Veel couranter was het gebruik van sponzen met azijn om dingen of lichaamsdelen te ontsmetten. In het werk Lochem, uit 2013, zijn die voorwerpen, als in een stilleven, gecombineerd op een houten tafel.

C.V.G.: Het toont – zes jaar voor covid – hoe de omgang met een pandemie haast onvermijdelijk met vreemd of zelfs komisch gedrag gepaard kan gaan. 

S.N.: Door bezig te zijn met die peststenen heb ik vooral beseft hoe je ogenschijnlijk heel verschillende dingen toch kan verbinden. Het was voor dat project dat ik een smartphone heb gekocht.

C.V.G.: Maak je altijd prints van wat je vindt online – afdrukken op papier, op A4-formaat?

S.N.: Ja, absoluut. Dat heb ik nodig. Ik weet niet waarom. Misschien is het typisch voor mijn generatie, alsof we een tegenhanger nodig hebben die uit de boekcultuur stamt.

C.V.G.: Het is makkelijk om notities te maken, met de hand, op wat je hebt afgedrukt.

S.N.: Zo werk ik nog steeds. Ik ben bezig aan een bijdrage aan de Biënnale van de Schilderkunst in het Roger Raveel Museum, op uitnodiging van Melanie Deboutte, dus ik heb allerlei foto’s afgeprint van Raveel, maar ook van zijn oeuvre.

C.V.G.: Je hebt een printer, maar geen kopieermachine.

S.N.: Nee. Ik had vroeger een flatbedscanner, maar daar heb ik de vloer van mijn atelier mee proberen scannen, en toen was-ie kapot. In plaats van een boek te kopiëren of te scannen, neem ik foto’s met mijn telefoon, die ik kan printen.

C.V.G.: Het verlangen naar kennis is sterk aanwezig in je werk – nieuwsgierigheid, de drive om dingen te weten te komen. Dat is wat een toeschouwer ziet die met je werk geconfronteerd wordt, en vaak is die kennis waar je naar streeft historisch van aard. In 2013 was een vroeg werk van jou, de video Lénine en pensant, te zien op de tentoonstelling The Way of the Shovel. Art as Archaeology, gecureerd door Dieter Roelstraete in het Museum of Contemporary Art in Chicago. Lénine en pensant, uit 2005, gaat over een gigantisch beeld van Lenin in Siberië, maar ook over zijn opvattingen over de rol van de vrouw in een socialistische maatschappij. Je graaft, inderdaad als een archeoloog, naar restanten uit het verleden die een actuele betekenis kunnen hebben, of die helemaal niet zo historisch blijken te zijn.

S.N.: Dat klopt, maar ik ben geen archeoloog, ik ben een expert in niks. Ik ben een amateur of een nerd. Soms verwacht ik dat academici, experts of historici mijn werk ergerlijk vinden, maar mijn ervaring is, vreemd genoeg, omgekeerd: ‘specialisten’ zijn erdoor gefascineerd dat ik als kunstenaar dicht bij hun werkveld kom. Ik word niet als bedreigend ervaren – terecht trouwens, want ik vergeet alles, ik heb er het brein niet voor om alomvattende kennis te verzamelen. Ik doe fragmentarisch kennis op, en wil die inderdaad delen, door die kennis om te zetten in iets dat ik kan tonen.

C.V.G.: Is het daarom dat je boeken maakt? Met een boek kan je op een meer duurzame manier kennis delen dan met een tentoonstelling of een kunstwerk.

S.N.: Met publicaties breng je dingen op een geconcentreerde manier samen. In de reeks werken over de Zwarte Dood heb ik in 2014 de publicatie Der Pestpatron gemaakt, over de patroonheilige van de pest, Sint-Rochus, die ziek werd en uit zijn dorp werd verbannen. Hij werd enkel nog door een hond, die hem brood bracht, in leven gehouden. In de iconografie van Sint-Rochus toont hij meestal een pestwond op zijn bovenbeen, en hij tilt zijn pij een beetje op. Zijn beeltenis doet denken aan de manier waarop beroemde vrouwen vaak poseren, op de rode loper, met één been bloot. Daarom heb ik Sint-Rochus gematcht met foto’s van die celebrity’s, bij wie ik telkens een hond heb gezet met een stuk brood in de muil.

C.V.G.: Het toont culturele continuïteit: de menselijke nood aan heiligenbeelden, aan iconen.

S.N.: Het boek is een nuttig medium om dat te tonen, om die beelden – en dus die gebruiken – bij elkaar te brengen, ondanks de afstand in de tijd. Ik probeer verzamelingen te creëren, in een boek, of liever: ik probeer te onthullen dat er verzamelingen bestaan, en dat de objecten die er deel van uitmaken niet uniek zijn. Het resultaat is een overzicht dat voordien al bestond, maar op een onzichtbare manier.

C.V.G.: Het is zoals bij Fischli & Weiss: Plötzlich diese Übersicht, een reeks sculpturen die in 1982 in boekvorm zijn samengebracht, hoewel de connectie tussen de onderdelen bij hen enigmatischer blijft, of niet cultureel of historisch te verklaren valt. Het is in boekvorm dat ze een geheel vormen en overzicht suggereren.

S.N.: De bladzijden van een boek zijn voorbestemd om eeuwig bij elkaar te blijven, als geliefden. De titel van een boek uit 2015, to love, verwijst daarnaar: in die publicatie worden foto’s verzameld van wafelijzers uit het Musée Historique de Mulhouse – op de linkerpagina één deel, rechts het andere deel. Ter gelegenheid van een huwelijk tussen leden van rijke families werd zo’n wafelijzer met de hand gemaakt, met de wapenschilden aan iedere zijde. De liefde werd letterlijk samengesmolten en geconsumeerd. Het boek to love onthult een verzameling of een reeks waarvan de meeste mensen niet wisten dat ze bestond. In een bibliotheek in Zürich heb ik een recept gevonden, Duitstalig, voor de ‘Mülhauser Waffeln’, dat ook in de publicatie is opgenomen, links van de titelpagina. 

C.V.G.: En wat is in dit geval de historische continuïteit?

S.N.: Op de binnenzijde van de kaft achteraan staat een foto van het huwelijk in 2011 van Prins Albert II van Monaco met Charlene Wittstock. Een van de titels van Albert II is ‘baron van Altkirch’ – Altkirch is de stad in Frankrijk, vlak bij Mulhouse, waar ik in 2015 een solo had in kunstcentrum Crac Alsace. Dus mocht dat huwelijk eeuwen geleden voltrokken zijn geweest, dan waren er waarschijnlijk ook wafels gebakken.

 

Onderdeel van het meubilair

C.V.G.: Je volgende solotentoonstelling in Zwitserland, na die in Lausanne in 2012, vond plaats in Les Halles in Porrentruy in 2013. Hoe ben je daar beland?

S.N.: Via de Zwitserse kunstenaar Boris Rebetez, die in Brussel heeft gewoond. Hij is uit de Jura afkomstig, en Les Halles wordt door kunstenaars gerund. In 2008 heeft Michael Van den Abeele daar ook tentoongesteld.

C.V.G.: Je tentoonstelling in Porrentruy opende met Keiner soll hungern! Keiner soll frieren! Het is een installatie, tegen een wand, die een haast ideale, om niet te zeggen zuivere visie op het exotisme toont: een kokosnoot, een kokosmat, een jutezak, schelpenzand, twee houten roerspatels en een mosstok.

S.N.: De titel is ontleend aan een nazistische propagandaposter uit Duitsland uit het midden van de jaren dertig, terwijl de objecten verwijzen naar de nazi’s die na de Tweede Wereldoorlog gevlucht zijn naar landen als Argentinië, Brazilië en Paraguay. 

C.V.G.: De titel van de tentoonstelling was Nudisme, végétarisme.

S.N.: Dat zijn praktijken die werden aangehangen door de Duitse auteur August Engelhardt. Hij verzamelde op het eiland Kabakon, een Duitse kolonie vlak bij Papoea-Nieuw-Guinea, een groep mensen rondom zich die hij verplichtte om enkel nog kokosnoten te eten. Hij ontwikkelde daar een theorie voor die ‘kokovorisme’ heet: door het eten van kokosnoten kan de mens zich tot op een goddelijk niveau verheffen.

C.V.G.: Binnen de context van Nudisme, végétarisme lijkt Keiner soll hungern! Keiner soll frieren! een kritiek op nazisme en kolonialisme tegelijkertijd, net zoals Engelhardt nudisme en vegetarisme combineerde. En hungern verwijst naar een dieet, terwijl frieren – koud hebben – iets is wat je in Papoea-Nieuw-Guinea niet snel zal doen.

S.N.: Het is weer het resultaat van ogenschijnlijk verschillende dingen bij elkaar zetten en betekenisvol maken. En bij Engelhardt: de combinatie van idealisme en zelfvernietiging – die man is maar 43 geworden!

C.V.G.: Engelhardt was een sympathieke zonderling, wat je van de nazibeulen die naar Zuid-Amerika vluchtten niet kan zeggen. Er blijkt uit je werk vaak een fascinatie voor machtige mannen die, jammer genoeg, ook fout bleken te zijn.

S.N.: Mai Abu ElDahab heeft mij daarop gewezen, op die obsessie met machtige mannen. Zij was curator bij Objectif Exhibitions in Antwerpen, toen ik daar in 2010 een solotentoonstelling had. Maar het gaat ook om weerzin, eerder dan om fascinatie – het gaat om macht die angst inboezemt, al wordt ze dan uitgeoefend vanuit een groteske of zelfs lachwekkende positie. Daarom was mijn lectuur van Alte Meister jaren geleden, de roman van Thomas Bernhard uit 1985, zo belangrijk… de brompot die verondersteld grote mannen van hun sokkel haalt. Ik heb op dat boek de film Die Hütte gebaseerd, uit 2007, over de hut die Heidegger voor zichzelf liet bouwen in het Zwarte Woud.

C.V.G.: Was je tevreden over Nudisme, végétarisme in 2013?

S.N.: Ik vond dat het te snel moest gaan. Ik had niet genoeg tijd. Er vielen een paar dingen samen, ik weet niet meer goed wat. Die tentoonstelling is slecht gedocumenteerd, er zijn nauwelijks foto’s van, hoewel ik het parcours precies had vormgegeven.

C.V.G.: Heb je herinneringen aan de vernissage? Porrentruy is een plek in het noorden van Zwitserland, niet bepaald centraal gelegen.

S.N.: Het was een heel lokale gebeurtenis. Ik ben gevraagd om lid te worden van de kunstenaarsgroep achter Les Halles, maar daar ben ik niet op ingegaan.

C.V.G.: Toen Nudisme, végétarisme in 2013 opende, was je atelier in Zürich net verhuisd naar Stiftung Binz39. De kunstenaars die ginds verblijven, nemen deel aan een groepstentoonstelling, maar ze mogen ook een solotentoonstelling maken. 

S.N.: Er werden regelmatig dingen georganiseerd. Ik heb Dora García uitgenodigd om naar de stichting te komen, zij was in die periode in Zürich bezig met The Joycean Society, de leesgroep die zich al jarenlang concentreert op Finnegans Wake van James Joyce.

C.V.G.: Je solo in Stiftung Binz39 in 2015 heette Sitzen ist das neue rauchen. Waar kwam die zin vandaan – ‘zitten is het nieuwe roken’?

S.N.: Dat hoor je toch vaker? We leiden een ongezond zittend bestaan, meestal achter de computer. De eerste keer dat ik die zin in het Duits hoorde, werd hij uitgesproken door Christoph Schifferli, een verzamelaar van kunstenaarsboeken. Zijn collectie sluit vooral aan bij het dadaïsme, maar hij verzamelt ook recentere publicaties. Hij is een van de eerste Zwitsers die mij heeft uitgenodigd om koffie te drinken. Ik voelde mij als buitenlander niet altijd even hartelijk ontvangen.

C.V.G.: En met Schifferli had je dat gevoel niet?

S.N.: Nee, hij is een hartelijke en grappige man. Er is iets – hoe moet ik het zeggen – stresserends aan Zwitserland en aan de omgang met Zwitsers. Ik heb dat nog steeds, als ik er ben – je wordt zelfbewust, en de schrik neemt toe om buiten de lijntjes te kleuren, of om iets fout te doen. Het maakte mij ontzettend onzeker: het besef geen Zwitser te zijn, en net daarom per definitie verkeerde dingen te doen, of belangrijke dingen niet door te hebben.

C.V.G.: Kende Schifferli je werk?

S.N.: Hij wist dat ik kunstenaarspublicaties maak, en hij had de tentoonstelling gezien in Lausanne in 2012. Hij heeft toen een van de twintig edities van Catalogue VI gekocht, en ik had zijn naam opgevangen. Hij heeft een theorie over kunstenaarsboeken: het is in periodes dat de schilderkunst het niet goed doet dat artiesten publicaties maken. Schifferli had een tentoonstellingsplek in de Erikastrasse in Zürich, Archiv, die hij openhield met Geraldine Tedder. In de kelder werden zijn boeken gestockeerd, en op de verdieping was er een toonplek. Ongeveer gelijktijdig met de tentoonstelling in Binz39 heb ik daar een kleine expositie kunnen maken, met de dubbele titel Tisch Table Tavolo en Stuhl Chaise Sedia. Ik maakte een variant op de hutch table uit de Verenigde Staten: een stoel die je kan kantelen, zodat de cirkelvormige of vierkante rugleuning het tafelblad vormt.

C.V.G.: Het vertrekpunt van Sitzen ist das neue rauchen, de tentoonstelling in Binz39 in de vroege zomer van 2015, was een van je Brotjobs in Zwitserland: vanaf april 2014 ben je suppoost geworden in de Kunsthalle Zürich. Je hebt met je telefoon foto’s gemaakt, minstens één per dag, van de tentoonstelling Once Again The World Is Flat van de Amerikaanse kunstenaar Haim Steinbach, die liep van 24 mei tot 17 augustus 2014, terwijl jij op een krukje zat toe te kijken en het gedrag moest controleren van de bezoekers. Daardoor krijgt die fotoreeks een ‘regulerend’ aspect: jij bent het die moet toezien op wat anderen doen. Een suppoost is iemand met macht, of toch een enigszins autoritaire figuur die de orde moet bewaken.

S.N.: De Kunsthalle Zürich was nochtans een ontspannen context om in te werken: mijn collega-suppoosten waren ofwel kunststudenten, ofwel waren ze net afgestudeerd. 

C.V.G.: Het is een ander thema in je werk: wie heeft er autoriteit over iemand anders? Suppoosten, als je daar gevoelig voor bent, kunnen een tentoonstellingsbezoek verpesten met hun berispingen. Ze representeren alleszins het instituut, als plaatsvervanger van de directeur. Toen jij in de Kunsthalle begon te werken, had Beatrix Ruf het voor het zeggen.

S.N.: Ja, en zij was inderdaad eerder streng, maar al in september 2014 vertrok ze naar het Stedelijk Museum Amsterdam en werd ze opgevolgd door Daniel Baumann. Hij heeft recent, na tien jaar, zijn vertrek aangekondigd. Onder Baumann werd de Kunsthalle opener, met minder aandacht voor canonieke verzamelaarskunst, met minder grote namen ook.

C.V.G.: Had je voordien contacten bij de Kunsthalle?

S.N.: Ik kende iemand van de technische ploeg, van het team dat de tentoonstellingen opbouwt. Suppoost is zowat de slechtst betaalde baan in Zwitserland, dus ze zochten regelmatig nieuwe mensen. Ik werkte daar twee tot drie dagen per week, maar ik heb geen opleiding of zo gevolgd: het belangrijkste was het alarmsysteem in- en uitschakelen.

C.V.G.: Kon je in Zwitserland leven van het inkomen als suppoost? Je bent les gaan geven, eerst in ECAL, de kunst- en designhogeschool in Lausanne, en daarna in HEAD, de hogeschool in Genève. En toch ben je, tot je terugkeerde naar België in september 2017, als suppoost blijven werken.

S.N.: Het Zwitserse bestaansminimum werd in die periode berekend op 4000 CHF: dat wil zeggen dat je daarmee in je levensonderhoud kon voorzien, zonder meer – op reis gaan of iets dergelijks behoorde niet tot de mogelijkheden. Ik heb nooit 4000 CHF per maand verdiend, maar mijn basiskosten waren laag. In de Kirchenweg moest ik weinig betalen voor een atelier, en daarna kon ik in Stiftung Binz39 gratis over een studio beschikken. Twee jaar gratis een atelier: dat bestaat niet in België, voor zover ik weet. Ik ben in oktober 2014 moeder geworden en dat veranderde de zaken, omdat ik meer stabiliteit nodig had. Dus ook daarom heb ik de positie als Aufsicht in Zürich aangehouden.

C.V.G.: In een museum zitten als suppoost lijkt wat op de situatie in Alte Meister van Bernhard, hoewel jij betaald werd en geen toeschouwer was. Reger en Atzbacher, de hoofdpersonages, zitten neer en kijken naar elkaar of naar de kunstwerken. Ze worden onderdeel van het meubilair.

S.N.: Met dat verschil dat museumbezoekers, zeker in Wenen, meestal op stevige of zelfs luxueuze meubels zitten. Op de cover van Sitzen ist das neue rauchen staat het vouwkrukje waarop wij als suppoosten moesten plaatsnemen. Je kon kiezen, als werknemer in de Kunsthalle, tussen een zwarte plastic klapstoel van IKEA, of dat krukje met een zitvlak in textiel, waarvan ik vond dat het beter zat. Ik heb die foto’s in het boek al zittend gemaakt, en soms zie je ook de rand van de pagina die ik aan het lezen was. Je zit een beetje lager dan op een gewone stoel, dus veel autoriteit straalde ik waarschijnlijk niet uit. 

C.V.G.: Comfortabel kan dat toch niet zijn? Je was in de zomer van 2014, toen die tentoonstelling van Steinbach liep, bovendien zwanger.

S.N.: Je mag als suppoost niet eens zitten! Je moet rondlopen, maar het zitten wordt gedoogd, zij het op een meubel dat niet erg permanent overkomt. Het is daar dat de titel naar verwijst, Sitzen ist das neue rauchen: vroeger stonden fabrieksarbeiders soms zestien uur onafgebroken overeind, maar vandaag wordt vooral zitten als ongezond beschouwd, terwijl voordien roken het primaire risico vormde voor de gezondheid.

C.V.G.: Er staan nooit bezoekers op de foto’s in het boek.

S.N.: Nee, en dat maakt dat ik net op die momenten werkloos was als suppoost, maar wel aan het werk kon als kunstenaar, door te lezen: er was niemand om in het oog te houden.

C.V.G.: We zien op de foto’s wel steeds de werken van Steinbach.

S.N.: Het had ook een andere expositie kunnen zijn, maar ik vind zijn werk speciaal en fotogeniek, ook door de scenografie met gipswanden en stalen kaders.

C.V.G.: Onderaan op elke pagina, onder iedere foto, staat de volledige datum.

S.N.: Het gaat iedere keer om één dag van mijn leven die ik daar heb doorgebracht, tijdens de openingsuren.

C.V.G.: Wat was er te zien op je tentoonstelling in Stiftung Binz39 met dezelfde titel?

S.N.: Bijna niets. Tijdens mijn verblijf heb ik de kamers vaker leeg in plaats van gebruikt gezien. Het was een manier om te tonen dat het onmogelijk is om in een tentoonstellingsruimte geen tentoonstelling te maken. Om het even wat je doet, wordt, tijdens een expo, onderdeel ervan.

C.V.G.: During the exhibition, the gallery will be on show…

S.N.: Er werden 500 exemplaren gedrukt van het boek Sitzen ist das neue rauchen, dat iedereen gratis mee kon nemen, op een plank boven de deuropening tussen twee van de kamers. En er stonden een paar vouwstoelen – de mijne, het ‘origineel’, dat ik heb kunnen ontlenen bij de Kunsthalle Zürich, maar ook andere exemplaren, genoemd naar mijn collega-suppoosten, zoals Dimitrea of Benjamin.

C.V.G.: Dus de toeschouwers bezochten een lege tentoonstelling, en ze konden in een boek bladeren met foto’s van een andere tentoonstelling, maar zonder bezoekers…

S.N.: En tot slot was er nog een pendant van de tentoonstelling als de lichten werden uitgeschakeld – de rug van elk tentoongesteld exemplaar van het boek werd met de hand genummerd door Gregory Polony met neonverf, zodat de nummers oplichtten in het ultraviolette licht van een neonlamp.

C.V.G.: Waarom voegde je dat toe aan de tentoonstelling?

S.N.: Dat had te maken met het verschil tussen een uniek werk en de serialiteit van een editie. Het is voortgekomen uit een samenwerking met Gregory. De aanleiding was een profiel voor een neonlamp dat al in de tentoonstellingsruimte van Stiftung Binz39 aanwezig was. Gregory had eerder in 2015, tijdens een verblijf aan de Jan van Eyck Academie, de tl-lampen in de bibliotheek daar door blacklights vervangen. Ik had foto’s van die interventie gezien, en dat was blijven hangen.

C.V.G.: De exemplaren van het boek zijn dus gratis verdeeld?

S.N.: Ja, maar niet de volledige oplage van 500 exemplaren. De publicatie als ‘werk’ of als concept kon worden aangekocht, waarbij er een nieuwe editie gemaakt kon worden met een andere boekenplank geïntegreerd in de architectuur. Een verzamelaar zou dan investeren in iets wat niet te controleren valt. Zo’n aankoop heeft vooralsnog niet plaatsgevonden.

C.V.G.: Sitzen ist das neue rauchen was eind vorig jaar onderdeel van een groepstentoonstelling in Kunsthaus Zürich: Zeit. Von Dürer bis Bonvicini, gecureerd door Cathérine Hug. Het werk is alleszins niet vergeten.

S.N.: Het nadeel van zo’n reusachtige groepstentoonstelling is dat er – paradoxaal, gezien het onderwerp van die expositie – weinig tijd is en nog minder budget. Ik had graag voor de gelegenheid een nieuwe druk gemaakt, met een andere kleur voor de cover, maar dat is niet gelukt. Er zijn gewoon een tiental exemplaren van de eerste druk tentoongesteld.

C.V.G.: En het was niet toegestaan om een exemplaar mee te nemen.

S.N.: Nee, dat klopt.

C.V.G.: Zit het werk ondertussen in de collectie van het Kunsthaus? En zijn er überhaupt werken van je aangekocht door Zwitserse instituten?

S.N.: Nee – nul. Er is één Zwitserse verzamelaar die een werk heeft gekocht toen ik ginds woonde, en vorig jaar op Art Basel heeft hij een ander werk aan zijn collectie toegevoegd. 

C.V.G.: Je publicaties zitten toch in bibliotheken?

S.N.: Ja, dat wel, ik heb exemplaren van boeken gedoneerd aan instituten of bibliotheken. En Roland Früh, die lesgaf aan de Werkplaats Typografie in Arnhem en aan ECAL in Lausanne, heeft de collectie van het Schweizerisches Institut für Kunstwissenschaft (SIK-ISEA) in Zürich ook aangevuld met mijn boeken.

C.V.G.: Zijn je kunstwerken beter vertegenwoordigd in Vlaamse of Belgische collecties?

S.N.: Dat valt mee, maar het zou altijd anders kunnen. Er zit bijvoorbeeld één werk in de collectie van het SMAK in Gent, Fort Patti II uit 2015, maar dat heb ik zelf cadeau gedaan. Het is een groot werk, het stond op het punt uit plaatsgebrek vernietigd te worden. Toen heb ik naar de man gebeld die nog steeds directeur is van het SMAK en hij heeft mijn geschenk aanvaard.

 

De esthetiek van administratie

C.V.G.: Toen Sitzen ist das neue rauchen in 2015 opende, liep er zoals je zei tegelijkertijd een andere, kleine tentoonstelling in Archiv, op initiatief van Christoph Schifferli. Maar bij die tentoonstelling heb je weer een andere publicatie gelanceerd: Buch Livre Libro, een boek dat je in de zomer van 2015 ook hebt ingediend voor de Swiss Art Awards. Hoe werkt die prijs?

S.N.: De organisatie beweert dat het de oudste kunstprijs ter wereld is, ingericht in 1899. De Swiss Art Awards worden ingericht door het departement cultuur van de federale overheid. Kunstenaars of architecten, maar ook curatoren of critici, die in Zwitserland wonen of de Zwitserse nationaliteit hebben, kunnen een portfolio indienen. Een jury stelt een shortlist op, en alle kandidaten – in 2015 waren het er iets meer dan vijftig, denk ik – mogen tentoonstellen tijdens Art Basel.

C.V.G.: Het boek dat je voor de prijs indiende, Buch Livre Libro, is in zekere zin je eerste Zwitserse werk, omdat je het enkel in Zwitserland had kunnen maken, en omdat het een reactie lijkt op de context. Dat blijkt uit de titel, in de landstalen, Duits, Frans en Italiaans – alleen het Reto-Romaans ontbreekt. Mocht je een gelijkaardige versie in België maken, dan zou de titel zijn: Boek Livre Buch.

S.N.: Ik weet niet of zo’n Belgische variant iets zou opleveren. Het boek zou waarschijnlijk niet zo dik zijn en geen 432 pagina’s tellen. Ik heb van de grootste Zwitserse supermarkt, Migros – een federatie van regionale coöperaties – het aanbod ‘witte producten’ alfabetisch gecatalogeerd: M Budget. Op iedere pagina staat een foto van één product, van frambozenyoghurt over witte herensokken tot een keukenvergiet.

C.V.G.: Er is enerzijds de expliciete systematiek en de herkenbare vormgeving waarmee die huismerkproducten worden aangeboden, maar anderzijds toch ook de kwaliteit en de reikwijdte ervan: je kan weinig bedenken dat bij M Budget niet voorhanden is.

S.N.: Ze springen in het oog, dat is waar, door de groene achtergrond met witte letters, en door altijd weer dezelfde, eenvoudige etiketten, die drie landstalen… Het is een esthetiek, vind ik, die aan popart doet denken.

C.V.G.: Het heeft ook iets intrinsiek conceptueels, toch? Je bent wat dat betreft goed terechtgekomen in Zwitserland. Er is iets aan die cultuur dat zich goed leent voor jouw methode… Vormen van rationalisatie, de esthetiek van administratie en bureaucratie, de verknoping van verlichting en seriële commercialisering: Benjamin Buchloh heeft het in zijn bekende essay uit 1990 toegepast op de conceptuele kunst, maar hij had het net zo goed over Zwitserland kunnen hebben. Ook jouw fascinatie met reeksen of overzichten is goed besteed: er zijn veel dingen die in Zwitserland reeds als reeks bestaan.

S.N.: Van A tot Z… Ik weet niet zeker of Zwitserse humor bestaat, maar er zit zelfironie in. Neem de aanstekers in Buch Livre Librofeuerzeuge, briquets of accendini: verpakt per vijf, mooi naast elkaar, in de kleuren groen, wit, groen, wit, groen – de kleuren van de achtergrond, het behangpapier als het ware, van Migros zelf. Ze lachen er een beetje om, maar ze zijn er ook trots op. In reacties op Buch Livre Libro is M Budget vaak ‘cult’ genoemd.

C.V.G.: Door wie?

S.N.: Sommige Zwitsers suggereerden dat. Ik begreep het zelf niet zo goed.

C.V.G.: Het is cult, als een kleine, intense subcultuur, maar het is tegelijkertijd alomtegenwoordig. Het ‘cultkarakter’ bestaat er misschien in dat een deel van de bevolking de budgetlijn op die bijzondere manier apprecieert. De meeste mensen kopen M Budget omdat het – relatief – goedkoop is.

S.N.: Weet je dat ik van Migros een levensmiddelenpakket cadeau heb gekregen, om mij te bedanken na publicatie van Buch Livre Libro? Er zat zelfs een brief van de directie bij! Op een bepaalde manier worden ze daar vrolijk van, denk ik, van M Budget, en er gaat emotionaliteit mee gepaard. Het wordt een beetje riskant als buitenlanders zich er mee gaan bezighouden. Het is moeilijk om je vinger er precies op te leggen, op wat er op het spel staat.

C.V.G.: Er zit een vanzelfsprekendheid in die wij misschien niet herkennen… That is how you do things…

S.N.: Vanzelfsprekend, ja, maar al snel ook absurd. Ik herinner me dat ik pas in Zwitserland woonde en risotto wilde maken. Dus ik ga naar Migros om rijst en groenten te kopen, en witte wijn. Wat blijkt? Het is een van de ‘ethische’ principes van Migros om geen alcohol of tabak te verkopen! Je kan er alles krijgen, behalve alcohol en tabak. En ook daar is een oplossing voor: in de buurt van iedere Migros, vaak gewoon vlak ernaast, bevindt zich een Denner, een andere supermarkt, die wel alcohol en tabak verkoopt, met een meer ‘marginale’ identiteit. Blijkt dan dat Migros al sinds 2007 eigenaar is van Denner… Dat is toch hypocriet? Ik kon mij daaraan ergeren, misschien is dat een typisch Belgische reactie – en wij hebben vast andere problemen. Je gaat boodschappen doen, maar voor wijn of bier moet je naar een andere supermarkt. Je vindt dat in de Japanse cultuur ook terug: bepaalde dingen onuitgesproken laten, en ze dan naast elkaar zetten alsof er niets aan de hand is.

C.V.G.: Eind 2015, kort na de Swiss Art Awards en Sitzen ist das neue rauchen, heb je deelgenomen aan een groepstentoonstelling in Haus Konstruktiv in Zürich.

S.N.: Dat was ook een prijs, de Zurich Art Prize, voor kunstenaars woonachtig in het kanton Zürich. Opnieuw is het een jury die een twintigtal kunstenaars op portfolio selecteert. Haus Konstruktiv is gevestigd in een voormalig industriegebouw en heeft een eigen verzameling.

C.V.G.: Daar heb je, in 2015, één nieuw werk getoond: Monument des ongles (left hand).

S.N.: Een ander gelijkaardig werk, Monument des ongles (right hand), heb ik al begin 2015 tentoongesteld in Crac Alsace, een kunstencentrum in Altkirch in Frankrijk, als onderdeel van een solo met als titel Ein Tisch ohne Brot ist ein Brett, met Elfi Turpin als curator. Ik had op een document uit 1882 in het Musée de l’Impression sur Etoffes in Mulhouse gelezen dat bij de meeste arbeidsongevallen in de textielindustrie de handen beschadigd werden, en vooral de vingers. Eind negentiende eeuw waren de arbeiders in die Franse regio vooral migranten uit Duitsland en Zwitserland.

C.V.G.: Dus opnieuw, net als bij Sitzen ist das neue rauchen, stond werk centraal.

S.N.: Monument des ongles (right hand) in Altkirch bestaat uit vijf schilderijen op doek, met acrylverf beschilderd in tinten oranje, paars, roze. Die doeken zijn geplooid en genaaid tot zakken om de bovenste kootjes van de vingers van een hand te vormen, inclusief de nagel. En die zakken heb ik gevuld met haar van de inwoners van Altkirch, verzameld in lokale kapperszaken.

C.V.G.: Het gaat om verschillende vormen van handwerk: jouw schilderactiviteit, de textielarbeid uit de negentiende eeuw, en het knippen door de kapper. En de vingers lijken onregelmatig verkleurd, alsof ze inderdaad bij het werk geblesseerd zijn, met bloeduitstortingen en blauwe nagels tot gevolg. Of zijn het de vergeelde of bruinige vingers van een kettingroker?

S.N.: Die link met Sitzen ist das neue rauchen is eerder toevallig, denk ik. Ik wou vooral kleuren kiezen die niet met een bepaalde huidskleur te verbinden zijn, precies om de bijbehorende connotaties te vermijden – politiek correct of niet. Monument des ongles (left hand), eind 2015 tentoongesteld in Zürich, is op dezelfde manier tot stand gekomen, maar toen werden de vingertoppen gevuld met gedroogd gras, met de hand gemaaid op de Messeplatz in Basel.

C.V.G.: De Messeplatz – de ‘Beursplaats’ – is het plein gelegen aan het beurs- en congrescentrum in Basel. Valt daar veel gras te maaien? Het is een volledig verhard plein voor de beurshallen die Herzog & de Meuron in 2013 bouwden.

S.N.: Op het plein voor het gebouw zelf is er inderdaad niet veel groen te bespeuren, maar op een uitloper vind je wel een paar bomen en grasperkjes.

C.V.G.: Is het gras een relikwie van het beursgebouw, waar tijdens Art Basel artistieke en commerciële activiteiten als nergens anders verknoopt raken?

S.N.: Dat speelt een rol, maar het verwijst ook naar het verleden van Zwitserland als agrarisch land. Dat is iets wat ze vaak cultiveren: ‘Wij zijn een land van boeren,’ zeggen ze dan, terwijl de economische activiteiten zich uiteraard op heel andere gebieden afspelen.

C.V.G.: Van een land van boeren is het een land van banken geworden, zonder een klassieke industriële revolutie als tussenfase.

S.N.: De oogst binnenhalen, dat blijft het belangrijkste, en dat toont Monument des ongles (left hand) ook, met het gras dat dus handmatig is geoogst.

 

De zwaarte van een geschiedenis

C.V.G.: Begin 2016 heb je je atelier in Zürich verhuisd naar de Rote Fabrik.

S.N.: De residentie in Stiftung Binz39 liep ten einde. Ik heb een tijdje thuis moeten werken omdat ik niet meteen iets anders vond. De Rote Fabrik, ook een voormalig fabrieksgebouw dat nu als cultuurcentrum gebruikt wordt, wordt eveneens gesubsidieerd door de stad Zürich. Daar kon ik opnieuw goedkoop een studio huren. Het was duurder dan in de Kirchenweg: 260 CHF per maand. Maar ik ben er tot oktober 2017 gebleven.

C.V.G.: Je hebt in 2016 weinig tentoongesteld, maar wel werk gemaakt voor Maniera in Brussel, de galerij die architecten en kunstenaars inviteert om meubels en objecten te maken. Jouw werk voor Maniera werd eind 2016, begin 2017 in Brussel geëxposeerd – een dubbeltentoonstelling met Valérie Mannaerts. Je toonde zes objecten of meubelstukken met als titel, voor de serie, Onkelhaft (Avuncular). In de volkenkunde is ‘avunculaat’ de aanduiding voor de rol van de broer van de vader of moeder. Maar het adjectief onkelhaft (in het Duits) of avuncular (in het Engels) betekent ook vriendelijk en goedmoedig, in de verhouding tussen een oudere en een jongere persoon. Het gaat, met andere woorden, opnieuw over machtige mannen. Een oom kan een heel aanwezig lid zijn in een familie.

S.N.: Ik heb, voor de duidelijkheid, nooit iets voorgehad met een oom.

C.V.G.: In elk geval staat een oom symbool voor huiselijkheid en vertrouwdheid, maar blijft hij ook op de een of andere manier vreemd of ‘uithuizig’. Dat geldt ook voor de meubels, die je vervolgens een Nederlandse naam gaf, zoals Spiegel, Kniebank of Hoekkastje. Telkens volgt tussen haakjes de toevoeging Wolo, wat verwijst naar je atelier in de Rote Fabrik, in de wijk Wollishofen, een naam afgeleid van Wolo, een stam van de Alemannen die zich ginds in de vijfde eeuw gevestigd heeft. Je lijkt op die manier traditionele, maar soms ook ‘beladen’ meubels, soms letterlijk, een draai te willen geven, door bijvoorbeeld een tafel te maken die ook als een stoel overeind kan worden gezet, of omgekeerd. 

S.N.: Ja, dat klopt. Tafel / Stoel (Wolo) is een meubelstuk gebaseerd op een historisch type, een hutch table uit de Verenigde Staten die vooral in een koloniale context werd gebruikt. Ik probeer die geschiedenis niet te ontkennen. Sommige van die stukken zijn geschilderd in een donkerbruine kleur, met een speciale, nogal giftige verf die buiten Zwitserland niet verkocht mag worden. In een tekst bij de reeks Onkelhaft voor Maniera heeft Asli Ciçek geschreven dat ik de meubelstukken met die coating ‘verzegel in hun eigen geschiedenis’, maar ze tegelijkertijd een ironische en vrolijke verschijningsvorm geef. Dat is waar, denk ik: het is een poging om de zwaarte van een geschiedenis, of de blijvende invloed ervan, te relativeren en lichter te maken.

C.V.G.: Halverwege 2017 begin je werk te tonen dat nog explicieter Zwitsers wordt, ook omdat het inspeelt op een lokale context. Voor een tentoonstelling in het Helmhaus, getiteld Eine Ausstellung für Dich en gecureerd door Daniel Morgenthaler, heb je een plakkaat ontvreemd uit Platzspitz, een park in Zürich vlak naast het treinstation, aan de achterzijde van het Landesmuseum.

S.N.: Aan die tentoonstelling ging een ander project vooraf. Ik had een voorstel gedaan aan de dienst Kunst und öffentlicher Raum van de stad Zürich om een monument op te richten voor de tientallen mensen die in dat park overleden zijn, eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Platzspitz had als bijnaam Needle Park, omdat je er vrijelijk, in de openlucht, heroïne kon gebruiken zonder gearresteerd te worden. Dat werd door de politie gedoogd in de hoop het drugsprobleem in Zürich op één plaats te concentreren, en dat is gelukt. Er is uitgerekend dat daar tussen 1988 en 1992 zo’n 7,4 miljoen spuiten werden ingeruild – een gemiddelde van vijfduizend per dag. Van over de hele wereld trok die plek druggebruikers aan. Het park werd uiteindelijk voor een jaar gesloten. In 1992 werd er een omheining geplaatst, in een fake historiserende stijl, en dat hekwerk staat er nog altijd – het kwaad kan altijd terugkeren…

C.V.G.: Waaruit bestond je voorstel? 

S.N.: Ik wou het hek verwijderen en één fragment laten staan, zoals ze met de Berlijnse Muur hebben gedaan.

C.V.G.: Was de stad Zürich geïnteresseerd?

S.N.: Nee, en ik ben nog altijd gechoqueerd dat er geen enkele commemoratie is terug te vinden in dat park, waar zich het grootste dodelijke drama in de recente geschiedenis van Zürich heeft afgespeeld. Morgenthaler heeft mij daarna uitgenodigd om deel te nemen aan een tentoonstelling, en voor die gelegenheid heb ik een van de vier aluminium platen gestolen die aan het hekwerk van Platzspitz bevestigd waren. Er waren vier ingangen, destijds, en die platen werden gebruikt om openingsuren te communiceren – eerst is nog geprobeerd alles te reguleren, maar dat was tevergeefs – en daarna om de sluiting aan te kondigen.

C.V.G.: Wat heb je dan in 2017 in het Helmhaus in Zürich getoond?

S.N.: Naast de plaat, met als titel Table of contents, hingen vier foto’s van Gertrud Vogler, een Zwitserse fotograaf die vooral sociale kwesties in beeld heeft gebracht. Zij heeft het leven in en rond Platzspitz gefotografeerd, maar de foto’s die ik selecteerde tonen het park op het moment dat het hekwerk werd geïnstalleerd, iets wat met protesten gepaard ging. De omheining is omvergehaald en is verstevigd moeten worden.

C.V.G.: Omdat het hekwerk er nog staat, kan je het misschien toch als monument lezen. Het herinnert expliciet aan de tijd dat het er in het park nog anders aan toeging.

S.N.: Dat is misschien zo, maar het hek heeft toch vooral een waarschuwende functie. Of liever: het kan ieder moment weer in functie treden. Daarom heeft het ook mijn aandacht getrokken, nog voor ik weet had van die hele geschiedenis van het Needle Park. In Zwitserland bestaat er een volwassen omgang met de natuur: als ze zes zijn, krijgen kinderen een zakmes. De natuur is niets om bang voor te zijn, en een hek rond een park plaatsen, dat is niet nodig en komt zelden voor. Dat er toch een omheining rond Platzspitz staat, dat is helemaal niet om eraan te herinneren wat daar ooit is gebeurd!

C.V.G.: Het hek staat er om te zorgen dat het nooit meer opnieuw gebeurt.

S.N.: Dat denk ik wel. En op zich is dat begrijpelijk, want het was een extreme situatie, toen – er hing naar het schijnt geen schors meer aan de bomen.

C.V.G.: Heb je de plaat teruggeplaatst na de tentoonstelling?

S.N.: Nee, ik heb die plaat nog steeds, en ik heb ze in 2019 ook tentoongesteld in KIOSK in Gent, op de solotentoonstelling Family Nexus. Het mooie aan die plaat, vind ik, is dat het object werkt als een fotogram: het hekwerk heeft na al die jaren een indruk achtergelaten op het aluminium.

 

Pestkop

C.V.G.: Ter gelegenheid van Art Basel vindt in Basel ieder jaar een ‘kunstparcours’ plaats, waaraan je in 2017 hebt deelgenomen.

S.N.: Ja, en de curator, Samuel Leuenberger, had mij toegestaan om twee voorstellen te realiseren – een enigszins vreemde beslissing, vond ik, maar goed.

C.V.G.: 102 Craters on Venus is het eerste werk voor Parcours: een publicatie als een papieren ‘correctie’ op een situatie die je aantrof in het Naturhistorisches Museum, waar de aula van de universiteit van Basel deel van uitmaakt. In dat historische auditorium hangen honderd portretten van onderzoekers en professoren. Het recentste portret werd toegevoegd in 1914, en daarna hingen de muren vol, met als gevolg dat de portrettengalerij volledig mannelijk is.

S.N.: Ook dat werk was niet het gevolg van ‘onderzoek’, in de zin dat ik een project en een vraag definieer en dan gegevens verzamel om een antwoord te formuleren. Ik gebruik de data die voorhanden zijn of wat zich aanbiedt.

C.V.G.: In 102 Craters on Venus verzamel je 102 vrouwen, die in de zestiende, zeventiende, achttiende of negentiende eeuw actief waren als wetenschapper of schrijver – alfabetisch gerangschikt op voornaam, van Adelaida Lukanina (1843-1908), die ontdekte dat eiwit geoxideerd kan worden om ureum te produceren, tot Zsófia Torma (1832-1899), van wie in 1894 het boek Ethnographische Analogien werd gepubliceerd. Het is een werk dat in 2017 vooruitliep op een aantal evoluties. Wat jij toen deed, is wat universiteiten en andere instituten de afgelopen vijf jaar zelf zijn gaan ondernemen, door eregalerijen uit te breiden of door een ander aanwervingsbeleid te voeren.

S.N.: Toch is dat werk niet enkel feministisch geïnspireerd. De portrettengalerij in Basel brengt ook aan het licht dat het merendeel van de professoren nazaten waren van de ‘betere’ families uit de streek, en dan betrof het vaak niet eens de meest intelligente of getalenteerde zonen, want van hen werd verwacht dat ze voor de familiebedrijven of de banken bleven werken. Niet alleen het geslacht van deze professoren is relatief, ook de reden waarom ze professor werden, en waarom ze werden tentoongesteld.

C.V.G.: De lijst van 102 Craters on Venus bevat maar één Zwitserse vrouw, Enriqueta Favez (1791-1856), een chirurg.

S.N.: Zij werd geboren als vrouw, maar ze leefde als man. Enriqueta Favez werkte in Spanje en in Cuba, en belandde in de gevangenis. 

C.V.G.: In de reeks komt maar één Zwitserse voor, die dan nog als man bekend is geworden. Het maakt 102 Craters on Venus ook tot een kritiek op nationalisme of protectionisme.

S.N.: Of, algemener, op de manier waarop machtsposities, al dan niet aan universiteiten, traditioneel en lokaal worden ingevuld.

C.V.G.: Ook op dat vlak werd je verwend in Zwitserland. Niet alleen ‘past’ een conceptuele of seriële aanpak bij dat land, het is ook zo dat er zich veel macht concentreert op manieren die allesbehalve transparant te noemen zijn. Het is niet verwonderlijk dat Jean-Jacques Rousseau, met zijn geworstel met de obstakels die transparantie in de weg staan, in Genève geboren is. Het geldt ook voor de verhoudingen tussen de geslachten: alle westerse samenlevingen zijn patriarchaal, maar in Zwitserland is het allemaal net nog een tikkeltje erger. Of ze zijn alleszins trager en conservatiever – heel Zwitserland bestaat ten behoeve van het behoud van Zwitserland.

S.N.: In één kanton in het noordoosten, Appenzell Innerrhoden, is het stemrecht voor vrouwen pas in 1990 ingevoerd! Zwitserland is een van de laatste landen in Europa die aan vrouwen het recht toekenden om te stemmen, en tegelijk het eerste land waarin dit recht werd ingevoerd na een referendum onder het mannelijke deel van de bevolking. Natuurlijk is Zürich, waar ik heb gewoond, nog anders dan la Suisse profonde. Maar toch is het iets wat tijdens mijn verblijf langzaam naar binnen is gesijpeld: het besef van de traditionele structuur van die samenleving, en de resistentie tegen verandering.

C.V.G.: Een resistentie die je nog het best kan garanderen dankzij bureaucratie en administratie. Het is paradoxaal dat in een land waar de treinen zo stipt rijden, alle andere facetten van de samenleving op vertraging berusten.

S.N.: Het is een besef dat waarschijnlijk verlammend moet werken, of dat je moet verbergen achter parades. De viering van 1 mei in Zürich: dat is een feestelijke, trotse optocht, maar het is ook een manier om even alle linksigheid uit de kast te halen, terwijl je op 2 mei weer de multinationals binnenlaat en het mondiale grootkapitaal overeind houdt.

C.V.G.: Het andere werk dat je toonde op het parcours van Art Basel in 2017 was Footnote to a fountain. Gele jerrycans werden bij elf fonteinen in de stad gezet, als een herinnering aan hun historische functie: drinkbaar water ter beschikking stellen, vaak in een spaarbekken, maar ook als een sociale en publieke ontmoetingsplaats functioneren. Het toont de ultieme welvaartstaat die Zwitserland nog steeds is, als een natie die het als haar taak ziet het voortbestaan en welzijn van de burgers te garanderen.

S.N.: Basel heeft een van de oudste watervoorzieningssystemen in Europa. Veel van die fonteinen zijn bovendien mooi en representatief: er staan sculpturen naast, of ze vormen sculpturen op zich. Het zijn soms prestigeobjecten, zoals de Pisonifontein op de Münsterplatz, de eerste fontein gemaakt uit kalksteen uit Solothurn. Het merkwaardige is dat al die fonteinen grotendeels overbodig zijn geworden – iedereen heeft stromend water thuis – maar dat ze toch blijven lopen.

C.V.G.: Eind 2017 heb je een boek gemaakt over publieke drinkfonteinen, maar dan in Zürich. Divided we stand, together we fall documenteert een reeks van 89 fonteinen van recentere datum, maar opvallend is dat ook op de foto’s altijd water loopt uit deze fonteinen. Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Is er geen knop waar je op moet drukken om het water te laten lopen?

S.N.: Nee, helemaal niet! Dat is net een van de opmerkelijke of gekke dingen: ook die fonteinen in Zürich lopen constant – onafgebroken. Er is helemaal geen aan- of uitknop! Ook dat is zo wonderlijk aan Zwitserland: er is nauwelijks een besef van schaarste, waarschijnlijk omdat er in de meeste gevallen geen schaarste is. Ook de verlichting of de verwarming in kantoorgebouwen wordt niet uitgeschakeld.

C.V.G.: Dat zal recent toch veranderd zijn, kan ik me voorstellen. De klimaatcrisis treft Zwitserland hard, vooral door het smelten van de gletsjers en de bedreiging van het skiën als nationale sport.

S.N.: Toch verkeert het land voortdurend in een staat van paraatheid – lichten aan, kranen open… Er is altijd wel een gevaar dat de nationale uitzonderingstoestand uit evenwicht kan brengen. Het komt tot uitdrukking in de cover van Divided we stand, together we fall: wit en blauw zijn de kleuren van de stad Zürich, maar in de linkerbenedenhoek schemert er rood door, alsof er net een zon is ondergegaan.

C.V.G.: De bronzen fonteinen die je gefotografeerd hebt, kwamen er na een ontwerpwedstrijd in 1973, gewonnen door Alfred Aebersold. Het zijn bronnen aangesloten op een alternatief en autonoom netwerk van waterleidingen, voor het geval dat een buitenlandse mogendheid het echte, grotere netwerk zou vernietigen of vergiftigen. Het zijn dus noodwaterbronnen. Dat ze uit de jaren zeventig stammen, laat vermoeden dat de huidige infrastructuur van Zwitserland in die periode is geïnstalleerd, maar dat geldt waarschijnlijk voor veel westerse landen. Was er een aanleiding voor de installatie van de noodbronnen?

S.N.: Dat weet ik niet. In de jaren zeventig koelde de Koude Oorlog een beetje af, maar daar was Zwitserland niet direct in betrokken. Het was hun menens: ik heb een ontwerptekening teruggevonden voor een Verteilbatterie, een ‘verdeelbatterij’: een verlengstuk met acht kranen waarmee acht emmers tegelijkertijd gevuld kunnen worden.

C.V.G.: In de sokkel van de fontein onderaan is er links een uitsparing, en rechts, iets hoger, een uitstulping. Waar dienen die voor?

S.N.: Er zijn twee types noodwaterbronnen: type B is de ‘eenvoudige’ uitvoering, zonder extensies of accessoires, en type A, veel couranter, bevat een Hundetrog, een kleiner fonteintje om je hond te laten drinken, en een Abstellfläche, om je tas op te plaatsen voor het geval dat je net van bij Migros komt.

C.V.G.: En ook de hondenfontein, die…

S.N.: Ook de hondenfontein loopt constant door.

C.V.G.: Alle fonteinfoto’s in Divided we stand, together we fall gaan vergezeld van oneliners of zinnen, geschreven door Leila Peacock, een Britse kunstenaar die in Zürich woont.

S.N.: Ik heb haar om een bijdrage gevraagd, maar ik wou vermijden dat de tekst gecomprimeerd voorin of achterin het boek zou staan. Dus heb ik haar gezegd dat ik de tekst waarschijnlijk als ondertitels zou vormgeven. Ze heeft alle foto’s afgedrukt en in haar atelier aan de muur gehangen, en dan heeft ze bij iedere fontein een tekst geschreven, zij het telkens van één zin. Ik vond het geweldig dat ze dat zo wou doen.

C.V.G.: Het zijn cassante uitspraken of grappige zegswijzen die niet rechtstreeks met de fonteinen te verbinden zijn, zoals ‘Don’t piss on my back / and tell me it’s raining’ of ‘I’ll take her spittle and her tears and make them all my souvenirs’. Soms zijn de zinnen wel als een commentaar te begrijpen: ‘Such a lot of bronze bombast for such a banal elixir’ of ‘Like a grin / without a cat’. Ze lijken ook op de zinnen die je vaak op de muren van openbare toiletten aantreft.

S.N.: Elke fontein heeft iets van een urinoir en vice versa, daar heeft Duchamp al op gewezen. Er is één zin die ik Leila heb ingefluisterd: ‘Not a shoe’, de titel van een werk van Duchamp uit 1950, een sculpturaal object in gegalvaniseerd plaaster – het ‘interieur’ van een schoen, dat door de lichamelijkheid en het binnenstebuiten keren iets erotisch of pervers krijgt.

C.V.G.: De noodfonteinen zijn ook Bachelormaschine, die zich onverstoorbaar, angstig en efficiënt tegelijkertijd, aan de gang houden. In een nawoord bij Divided we stand, together we fall schrijft Raphaël Pirenne: ‘En de fontein, die het eigen doel maskeert in de functionaliteit van de ingewanden – volgens een duchampiaanse modus operandi, waarin de betekenis die men aan vormen kan toekennen verduisterd en omgeleid wordt – spuit onvermoeibaar de zuiverheid van zijn vloeistof.’ Het heeft iets masturbatoirs – een van de zinnen van Peacock luidt: ‘Onanism ad infinitum’.

S.N.: De titel van het boek – Divided we stand, together we fall – is ook door haar bedacht: het was de eerste zin van haar tekst, en een omkering van ‘Together we stand, divided we fall’. Zij ziet de fonteinen als soldaatjes of pionnen in een leger, verspreid opgesteld, met telkens dat klaterende of ‘vallende’ water.

C.V.G.: In 2018 heb je nogmaals deelgenomen aan de Swiss Art Awards met een andere kunstpublicatie: Libretto. Voor dit kleinere boekje werd de tekst van Peacock vanuit het Engels vertaald in de vier landstalen van Zwitserland: Zwitsers Duits, Frans, Italiaans en Reto-Romaans, zoals het gesproken wordt in het kanton Graubünden.

S.N.: Op de tentoonstelling werd de publicatie aangeboden, maar er was ook een video te zien, met Not a shoe als titel.

C.V.G.: Die video is laconiek en deadpan, en lijkt op een powerpointpresentatie van acht minuten, opgebouwd uit foto’s van de fonteinen. Om de overgang tussen de beelden te markeren, valt er telkens een druppel – een plong weerklinkt – waarna de volgende foto vanuit het midden, cirkelvormig, tevoorschijn komt. Het is vooral na Not a shoe te zien, dat ik me afvroeg of je nooit het gevoel hebt gehad, bij de werken waarmee je zo openlijk Zwitserse fenomenen te kijk stelt: ik ben te ver aan het gaan? Of: dit zal zich tegen mij keren? Strategisch was het niet de beste keuze om Buch Livre Libro of Libretto in te dienen voor een nationale kunstprijs: de notie van zelfkritiek of nationale parodie is niet bepaald populair, en jij bent bovendien een buitenlander. Met wat slechte wil kan je zeggen: je was Zwitsers aan het pesten, en je hoopte er nog een prijs voor te krijgen ook…

S.N.: Ik geef toe dat er iets in mij is – gelukkig of ongelukkig genoeg – dat mij belet om te ver vooruit te denken, waardoor zoiets inderdaad kan gebeuren. Op zulke momenten isoleer ik me samen met het werk, en sta ik niet te veel stil bij de effecten ervan op de toeschouwer. En bovendien: ik heb of ik had nu eenmaal die andere blik in Zwitserland. Het is nooit mijn bedoeling geweest om een cultuur in het belachelijke te trekken, maar je zal wel gelijk hebben dat het zo kan overkomen. En nu je het zegt: de cocurator van de Swiss Art Awards in 2018, Patricia Hartmann, was echt gemeen tegen mij.

C.V.G.: Langs de andere kant: het gaat om een kritische houding die je ook in andere contexten of situaties aanneemt. Het is je niet enkel en alleen om de Zwitsers te doen. En toch lijkt het contradictorisch met wat je eerder zei: dat Zwitserland je zenuwachtig maakt, omdat je steeds vreest iets verkeerds te zullen doen.

S.N.: Die vrees heb ik in het dagelijkse leven, in de supermarkt of in het postkantoor, maar niet als ik werk maak.

 

Levenskwaliteit

C.V.G.: Je nam eind 2017 ook deel aan de groepstentoonstelling Sammelstelle Archithese in het Nidwaldner Museum, in Binnen-Zwitserland. Vier kunstenaars werden door curator Patrizia Keller uitgenodigd om ‘iets’ te doen met de twintig eerste nummers van Archithese, een architectuurtijdschrift dat in 1971 werd opgericht door Stanislaus von Moos en Hans Reinhard. Je hebt de advertenties verzameld die tussen 1972 en 1976 in dat tijdschrift verschenen – een bron van inkomsten voor kunst- en architectuurtijdschriften die vaak over het hoofd wordt gezien, maar die noodzakelijk zijn voor hun voortbestaan. 

S.N.: Die adverteerders kan je als sponsors zien, maar ze hebben er iets bij te winnen. In Archithese, begin jaren zeventig, adverteerden meer dan honderd bouwproducenten en aannemers, met nu en dan een boekhandel als uitzondering, zoals antiquariaat Jürgen Holstein uit Berlijn of de ‘vakboekhandel’ voor architectuur Krauthammer in Zürich. 

C.V.G.: Het merendeel van de advertenties – één pagina, een halve pagina of een kwart pagina groot – toont de industrie en de ondernemers die Zwitserland aan het bouwen en opvullen waren. Het was een bouwwoede op automatische piloot die, zoals Stanislaus von Moos in die periode geregeld heeft aangegeven in Archithese zelf, door suburbanisatie maar ook door monotonie werd gekenmerkt. Paradoxaal genoeg zijn het de advertenties in het tijdschrift die de belangrijkste en machtigste ‘actoren’ aanwezen voor de ruimtelijke ontwikkeling van Zwitserland. Architecten en al zeker critici of historici, die wel de teksten schreven in het tijdschrift, stonden langs de zijlijn toe te kijken.

S.N.: Ik heb proberen nagaan wat er sindsdien veranderd is, vandaar de titel van mijn bijdrage aan die tentoonstelling: Aktiv/Gelöscht. Meer dan de helft van de bedrijven van toen, bijna een halve eeuw geleden, zijn op de een of andere manier nog actief. Ook antiquariaat Holstein bestaat nog, maar boekhandel Krauthammer werd in 2001 overgenomen door Orell Füssli, de Standaard Boekhandel van Zwitserland. Ik heb met het museum een brief gestuurd naar al die bedrijven met de vraag of ze, ter gelegenheid van de tentoonstelling, opnieuw zouden willen adverteren, voor 25, 50 of 100 CHF. 

C.V.G.: Is er veel respons gekomen?

S.N.: We kregen vijf positieve antwoorden: van trappenfabrikant Columbus, keramiekfabrikant Laufen, vaatwasmachineproducent Electrolux, staal- en glasfabrikant Tuchschmid en vensterproducent Schär. Een zesde advertentie van keukenfabrikant Franke werd als afzonderlijke insert gedrukt, die de bezoekers aan de tentoonstelling konden meenemen.

C.V.G.: Ten tijde van de tentoonstelling over Archithese in het Nidwaldner Museum eind 2017 was je al een paar maanden uit Zwitserland vertrokken. Is er een directe aanleiding geweest voor je vertrek?

S.N.: Zoals ik al zei, kon ik maar vijf jaar loopbaanonderbreking nemen in Sint-Lukas Brussel, dus dat speelde mee. Voor een deel had ik het ginds ook gezien. Er zijn een paar mantra’s over Zwitserland waar ik toch een beetje sceptisch over geworden ben. Er wordt bijvoorbeeld voortdurend gesproken over de hoge levenskwaliteit – niet alleen door Zwitsers, maar ook naar aanleiding van internationale rankings. Ik weet nog altijd niet goed wat daarmee bedoeld wordt. Ik heb vooral obstakels ondervonden om kwalitatief te kunnen leven. Ik overdrijf een beetje, maar ik kan op mijn twee handen tellen hoe vaak ik gedurende die vijf Zwitserse jaren op restaurant ben geweest. Ik wil geen 25 CHF voor een pizza margarita betalen! Als je niet voldoende geld hebt, kan je helemaal niet genieten van die kwaliteit. Pas toen ik in september 2017 terugkeerde naar Brussel, besefte ik: ah, nu kan ik weer kwalitatief leven! 

C.V.G.: Er zijn nog aspecten die toegankelijk zijn, en waar iedereen in principe van kan profiteren. De geroemde waterkwaliteit bijvoorbeeld, van de rivieren in Basel of van het meer in Zürich…

S.N.: Fast Trinkwasser-Qualität! Terwijl dat meer vol zit met uitwerpselen van zwanen. Vast zullen al die dingen een historische oorsprong hebben, maar er is toch een update nodig naar meer actuele maatstaven of noden. Wat is levenskwaliteit vandaag? 

C.V.G.: Is er in Zwitserland geen sociaal vangnet dat hier steeds vaker ontbreekt? Of is het zo dat armoede en ellende beter aan het zicht worden onttrokken?

S.N.: Dat vangnet is er, en ik heb er gebruik van kunnen maken. Ik had een kaart van Caritas, een katholieke non-profitorganisatie, waarmee ik terechtkon in de winkel voor ‘arme mensen’ of waarmee ik goedkope tickets kon kopen in musea.

C.V.G.: En er is het fantastische openbare vervoer.

S.N.: Dat klopt – dat is geweldig. 

C.V.G.: Of de zwembaden: je kan in Zürich elke dag, zonder uitzondering, van zes uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds zwemmen. Natuurlijk: ook dat is een manier om de bevolking tevreden te houden en om revolutie te vermijden. Het gaat zelden of nooit om vormen van intellectuele of kritische emancipatie.

S.N.: Het is om verschillende redenen verstandig om je volk gezond te houden.

C.V.G.: Zwitserland blijft nadien in je artistieke productie opduiken, bijvoorbeeld op de solotentoonstelling Etui of the private individual, die in november 2019 opende in Galerie Greta Meert. Je toonde onder meer Two revolutions a day, dat in 2018 was ingediend als onderdeel van een kunstproject voor een nieuw gebouw van de politie van Zürich.

S.N.: Ik heb samengewerkt met curator en kunsthistoricus Burkhard Meltzer, die mij had uitgenodigd. Ik kende hem niet persoonlijk. Voor deze kunstintegratie werkten ze niet met kunstenaars samen, maar met curatoren. Dat was boeiend, hoewel hij als curator veel meer betaald kreeg. Het voorstel bestond uit drie delen: een serie speciaal ontworpen klokken, een ronde uitsparing in de wand van het politiekantoor, als een gat waarin je een wens kon uitspreken, en een inscriptie op de buitengevel die de dag en het uur zou markeren waarop de allereerste aangifte werd gedaan in het nieuwe kantoor – de start van de activiteiten binnen het gebouw. Het doel was het spanningsveld zichtbaar te maken tussen de punctuele aanwezigheid van de politie, tijdens een interventie of een incident, en de cyclische duur – het constante verlangen naar veiligheid.

C.V.G.: Als een kraan die blijft lopen… 

S.N.: Ja, maar ook als een vorm van arbeid die de klok rond moet blijven duren. Uiteindelijk moeten politiemannen of -vrouwen heel lang zitten wachten en ‘permanentie houden’. Two revolutions a day verwijst naar de omwentelingen die de kleine wijzer per dag maakt, terwijl de politie ervoor moet zorgen dat er geen revolutie uitbreekt. En natuurlijk geldt ook: hoe zwaarder de criminele daad, hoe langer je moet brommen.

C.V.G.: Het is opmerkelijk dat Zürich een traditie kent om kunst in politiekantoren te integreren. De entreehal van het politiehoofdbureau is de Blüemlihalle, met een kleurig, bijna psychedelisch fresco uit 1926 op het plafond, gemaakt door Augusto Giacometti.

S.N.: Daar ben ik, gelukkig misschien, nooit geweest. De kleur van de twaalf klokken in Two revolutions a day – het feloranje van de rand – is ontleend aan de politieauto’s in Zürich, die met stroken oranje beschilderd zijn. De vorm van de zwarte index, twaalf keer, op de wijzerplaat van de klokken, is gebaseerd op de omtrek van het laatste kootje van mijn middelvinger, als de vingerafdrukken die je moet zetten om jezelf te identificeren.

C.V.G.: Werd dat geapprecieerd? Het is strafbaar om je middelvinger te tonen aan de politie.

S.N.: We zijn tweede geëindigd in de wedstrijd.

C.V.G.: Ik heb het opgezocht, en dit is wat er in het juryverslag staat over jullie project: ‘De gedifferentieerde en complexe theoretische argumentatie is indrukwekkend en overtuigend. De implementatie, vooral van de reeks horloges, leidde tijdens de bespreking tot veel controverse en verdeelde de commissie. Ook werd gevreesd dat de uitvoering soms te subtiel zou zijn, dat de rijke theoretische inhoud niet verzilverd zou kunnen worden en daardoor een eerder vluchtig effect zou hebben.’ Is dat iets waarvan je denkt dat het algemener op je werk van toepassing is: dat het te subtiel is, en dat de inhoud ervan zich niet meteen laat raden? Om het met een vreselijk cliché te zeggen: je werk komt niet hard binnen, of althans niet meteen.

S.N.: Dat besef is inderdaad een constante, maar wat kan ik daarop zeggen? Ik apprecieer enerzijds zelf eerder kunst die een inspanning vergt, maar anderzijds dring ik die moeite niet op, denk ik, als kunstenaar. Ik heb in 2014 voor KIOSK in Gent, op uitnodiging van Wim Waelput en voor het project Le Faux Soir, een publicatie gemaakt getiteld What a load of rubbish. Het is een verzameling krantenknipsels over een schandaal naar aanleiding van een werk van Carl Andre, Equivalent VIII uit 1966. Het werd in 1976 aangekocht door Tate Modern, en dat leidde tot krantenkoppen zoals ‘What a load of rubbish’, ‘Art Fury over 120 Bricks’ of ‘Bricks buy doesn’t cement feelings’. De kunstscène was toen nog heel klein, en er was nauwelijks context of duiding voorhanden. Dat is nu gelukkig anders, als je bereid bent ernaar op zoek te gaan tenminste. En toch weet ik dat mijn werk altijd voor die kritiek vatbaar zal zijn, of altijd deels op onbegrip zal kunnen rekenen.

C.V.G.: De wedstrijd voor de interventie in het politiekantoor werd gewonnen door Adam Szymczyk, van 2003 tot 2014 directeur van de Kunsthalle Basel en artistiek directeur van documenta 14 van 2013 tot 2017. Die keuze lijkt een manier om de beslissing uit te stellen, want zijn voorstel bestond erin vijf kunstenaars uit te nodigen voor een tijdelijke tentoonstelling. Was het niet moeilijk, voor jou, om de klokken te hergebruiken op een andere plek, los van de wedstrijd voor het politiekantoor?

S.N.: In de context van mijn solotentoonstelling Etui of the private individual – een titel ontleend aan Walter Benjamin en diens opvatting over het private interieur – begint Two revolutions a day inderdaad iets anders te betekenen. Het gaat dan meer over de manier waarop de tijd iets achterlaat, terwijl klokken en kunstwerken niet of nauwelijks veranderen, en immuun blijven voor de sporen van mensen. Private interieurs zijn bezaaid met vingerafdrukken, maar de wijzers van een klok zitten, net als een kunstwerk, vaak achter glas, en worden nooit aangeraakt.

C.V.G.: Een ander werk op die tentoonstelling eind 2019 heet Das Boot ist voll. Het lijkt ook naar Walter Benjamin te verwijzen, maar dan vooral naar zijn levenseinde, toen hij in 1940 zelfmoord pleegde omdat hij vreesde door de Gestapo te zullen worden ingerekend en afgevoerd naar een concentratiekamp.

S.N.: Die link met Benjamin is er, maar ook dat werk zit vol Zwitserse sporen. Das Boot ist voll is een Zwitserse film uit 1981 van Markus Imhoof, en de titel verwijst naar wat vluchtelingen vaak te horen kregen tijdens de Tweede Wereldoorlog als ze in het neutrale Zwitserland asiel aanvroegen: ‘Onze boot is vol.’ De film gaat over zes vluchtelingen die de wetgeving proberen te omzeilen met de hulp van autochtone dorpsbewoners. De dorpscommissaris ontmaskert hen en hij reageert streng, conform de wetgeving die in augustus 1942 veel strikter werd: alleen ‘politieke vluchtelingen’ mochten daarna nog blijven. Wie om ‘raciale redenen’ in het buitenland werd vervolgd, moest meteen vertrekken.

C.V.G.: Jouw werk met dezelfde titel, Das Boot ist voll, is een readymade: het is een traditionele Appenzeller-riem die twee keer rond een kolom in de galerie is gedraaid. 

S.N.: Appenzell Innerrhoden en Appenzell Ausserrhoden zijn de twee meest conservatieve kantons in Zwitserland, zoals ik al zei toen we het over het stemrecht voor vrouwen hadden. Een riem uit Appenzell, traditioneel aangebracht rond de hals van herdershonden, is gemaakt uit rundsleer. Je kan zo’n riem ook als broeksriem dragen. Er werden metalen ornamenten op aangebracht – van runderen, of van bloemen – om iemands rijkdom aan te geven.

C.V.G.: Het doet denken aan de uitdrukking ‘de broeksriem aanhalen’, wat je moet doen als het financieel slechter gaat. Migratiepolitiek wordt door financiële overwegingen ingegeven of althans verantwoord, en dat zal in 1942 niet anders geweest zijn. 

S.N.: Zo’n riem is ook een ‘agrarisch’ object, wat verwijst naar het verhaal van de film, dat zich op het platteland afspeelde – een verleden dat, ik zei het al eerder, door de Zwitserse bevolking wordt gemythologiseerd. Die link is er trouwens ook met Two revolutions a day: de boeren uit de Jura die in de winter minder omhanden hadden, verwisselden van beroep door op zolder uurwerken te produceren. De wandklokken hangen hoog tegen de wand, als de kleine vensters in de boerderijen waardoor toch voldoende licht naar binnen kon vallen.

C.V.G.: Nog een werk uit 2019, op dezelfde tentoonstelling, heet Kellerloch (Roter Mainsandstein): een keldergat met twee tralies die als boomtakken zijn uitgewerkt.

S.N.: Dat soort raam heb ik aangetroffen in Basel. Het smeedwerk wordt ‘gekapt’ terwijl het staal nog warm is – de uitstulpingen zijn niet gemonteerd. Het is een raar woord, vind ik, Kellerloch… Gaten, dat fascineert me.

C.V.G.: Het gaat weer over toegankelijkheid en preventie – het is een manier om een interieur privaat te houden.

S.N.: De tralies zijn zodanig bewerkt dat katten niet naar binnen kunnen. En ook de steen is lokaal, een rode zandsteen. Dat is iets wat je opvalt, misschien, als buitenlander.

 

Schuld en erfenis

C.V.G.: Heb je het gevoel dat je verblijf in Zwitserland blijft nawerken, bijna zeven jaar later?

S.N.: Dat denk ik wel. Er zijn nog recente werken die uit die context afkomstig zijn. In 2020, toen ik in Wiels in Brussel mocht deelnemen aan Risquons-Tout, heb ik een publicatie gemaakt met als titel Swiss farmer marks and tallies, met platen uit een boek uit 1917 van de Zwitserse rechtsgeleerde Max Gmür waarin hij kerfstokken verzamelde – een middel om schulden te registreren in een dubbele houten stok.

C.V.G.: Door die platen te zien, besef je dat een kerfstok een passieve en een actieve kant heeft. Volgens de uitdrukking hebben we iets ‘op onze kerfstok’, maar uiteraard is er ook altijd iemand met een mes (en met macht) die de inkeping mag aanbrengen.

S.N.: Daarom is een kerfstok ook zo’n mooi ontdubbeld object: zowel de geldschieter als de schuldige hadden een exemplaar.

C.V.G.: Je recentste solotentoonstelling bij Greta Meert, in de zomer van 2023, ging in zekere zin ook over schulden, maar dan in positieve vorm: erfenissen – wat je krijgt aangereikt van iemand anders, eerder dan dat je het verschuldigd bent, en zonder dat je er op een rationele manier recht op hebt.

S.N.: Dat heb ik zelf meegemaakt, zoals veel mensen waarschijnlijk. In Consanguinity heb ik diamanten die ik van mijn moeder geërfd heb, verwerkt in de achterkant van een fotokader. Ik wou ze kwijt, vooral omdat diamanten zelden op een ethische manier ontgonnen zijn, en dus heb ik ze tot een kunstwerk getransformeerd om ze te kunnen verkopen. Het kunstcircuit wordt zo, in zekere zin, ingeschakeld om mijn geweten wit te wassen. Dat kan je als een Zwitserse techniek zien – historische schuld als het ware omsmeden, zoals ze letterlijk op een gigantische schaal met nazigoud hebben gedaan tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Droog zaad verwijst daar ook naar – het is een ouder werk dat ik in die tentoonstelling heb geplaatst. In een langwerpige zak in textiel zitten zaden verborgen, en die zak is dan in het midden aan een nagel opgehangen om twee testikels te vormen. De kroon- en de familiejuwelen… 

C.V.G.: Het maakt van historische schuld iets existentieels: we kiezen nooit het zaad waaruit we voortkomen, en evenmin het land waarin we ter wereld komen of de nationale geschiedenis waar we deel van zullen uitmaken, met alle bijbehorende voor- of nadelen. Als er iets is dat macht uitoefent over ons leven – als er één echt onrecht bestaat, dan is het toch dat?

S.N.: Dat is waar. Vermoedelijk is het net dat waar Zwitserland symbool voor staat. Stel je voor dat je je geboorteland kon selecteren: wie zou er dan niet voor dat land kiezen?

 

 

• Sophie Nys wordt vertegenwoordigd door Galerie Greta Meert, Brussel. Haar werk is deze zomer te zien op de tentoonstelling Een sprong in het onbekende in Z33 in Hasselt, de Biënnale van de Schilderkunst in het Roger Raveel Museum in Machelen-aan-de-Leie, de tentoonstelling The Fountain Show in Kunsthal Mechelen en de expo Eat The Rainbow in IKOB Museum für Zeitgenössische Kunst in Eupen.

Grondeloos diep

‘Grondeloze diepte’, laat zoiets zich schilderen? Kan een penseel zo op een doek tekeergaan dat uit het vlakke oppervlak een afgrondelijke diepte getoverd wordt? Dat kan een penseel zeer zeker. Je hoeft maar aan een van de eerste artistieke hoogtepunten uit de renaissance te denken: de Cappella degli Scrovegni in Padua die de familie Scrovegni voor God en zichzelf liet bouwen en tot de nok liet vullen met fresco’s door Giotto di Bondone, aan het begin van de veertiende eeuw.

Als je midden in de kapel gaat staan en je blik naar de apsis richt, dan leert alleen al de muur die tot de apsis toegang geeft waar het daar, in dat Heilige der Heilige, over gaat. Bovenaan prijkt Christus op zijn troon. Daaronder wordt, links en rechts, de annunciatie afgebeeld, met daaronder de visitatie en het verraad van Judas, twee momenten waarin de hard-core mission van het christelijke narratief wordt aangekondigd: de geboorte en de dood van Christus – de twee fundamentele facetten van de incarnatie, van het mens-worden van God, een gebeuren dat keer op keer op het altaar achteraan de apsis (‘te zijner gedachtenis’) wordt herhaald.

Nog eens daaronder vind je de voorbeelden van ‘grondeloos diep’ die ik voor ogen heb. Op die plek, zowel links als rechts, heeft Giotto het muurvlak beschilderd met een fresco dat zich niet meteen in de geschetste verhaallijn laat inpassen. Aan beide kanten zien we, in een nis, een lege, gewelfde ruimte met, aan het gewelf vastgemaakt, een kroonluchter in veervorm, hangend voor een venster waardoor het licht van buiten te zien is.

Niet dat zoiets vóór Giotto nooit zou zijn geschilderd. Ook op oudere iconen uit Siena of Byzantium staan details die, op en ondanks hun vlakke paneel, de diepte van een nis suggereren. Nieuw is dat het hier geen detail betreft, maar op zichzelf staande, ingekaderde fresco’s. Ze bevinden zich in een overweldigende narratieve context, maar op zich vertellen zij niets. Ze zijn verstoken van elk verhaal.

Wat laten ze dan zien? Het antwoord is het antwoord op mijn eerste vraag: ze tonen een ‘grondeloze diepte’. We kijken in de diepte van een nis, maar die nis is grondeloos, niet omdat ze diep is, maar juist omdat ze dat helemaal niet is, omdat ze zo vlak is als het oppervlak waarop ze is geschilderd. Met andere woorden: omdat ze geschilderd is.

Klopt dat? Laten die twee fresco’s dat zien? En wat als ze het ‘laten zien’ zelf willen uitschakelen? Wat als die fresco’s vooral niet iets willen laten zien? Dat is wat een onoplettende, naïeve kijker ziet: aan beide kanten van de apsiswand, op die plek, zijn er geen fresco’s. De muur van het gebouw waarin die overdaad aan fresco’s te bewonderen valt, is op beide plekken niet beschilderd. Dat zou onmogelijk geweest zijn, om de eenvoudige reden dat daar geen muur is, maar een nis. Op die plek houdt de muur op en geeft toegang tot een andere, dieper gelegen ruimte. Dat is wat een bezoeker ziet – en wat de kunstenaar wil dat er gezien wordt. Wat beide fresco’s laten zien, is dat ze in feite niet iets willen laten zien. In plaats van fresco’s zie je twee nissen, mooi symmetrisch geconstrueerd aan weerszijden van de apsiswand – geen grondeloze nissen, maar echte nissen, op een diepte waarvan de afmeting en de vorm moeiteloos in te schatten zijn. Die nissen tonen dus iets wat in werkelijkheid niet bestaat. Ze willen ons bij de neus nemen. Ze laten een nis zien waar er geen is. Wat ze laten zien, is in die zin volstrekt zonder grond. Wat ze laten zien, is de geschilderde afbeelding van een nis. En die afbeelding wil juist ontkennen dat ze geschilderd is. Daarin ligt het ongegronde, het valse, het ‘grondeloos diepe’ van die fresco’s.

Geldt dit trouwens niet voor elk fresco, voor elke afbeelding? Een afbeelding dient om wat niet aanwezig is toch aanwezig te stellen, beeldmatig, op zo’n manier dat, als de afbeelding optimaal is, het lijkt alsof het afwezige aanwezig is – niet gerepresenteerd, maar present. Giotto’s nissen slagen daar behoorlijk goed in. Geldt hetzelfde voor de andere fresco’s, waarvan meteen duidelijk is dat het schilderwerken zijn en dat ze iets willen vertellen? Ze tonen onder meer hoe de engel aan Maria de boodschap overbracht dat zij, nog maagd, een zoon zou baren, de Zoon van de Allerhoogste. Of hoe Judas in de Hof van Olijven die Zoon met een kus verraste en zo het teken gaf om Hem in hechtenis te nemen. Of hoe diezelfde Jezus stierf aan het kruis en na drie dagen uit de dood verrees. En hoe Hij aan het einde der tijden opnieuw zal verschijnen en de brandende aarde aan haar vier hoeken door engelen zal laten oprollen om in eigen persoon het laatste oordeel te voltrekken – het oordeel dat voorgoed leven van dood scheidt en het eeuwige leven inluidt.

Representeren die fresco’s wat is afgebeeld op dezelfde wijze als de fresco’s van de twee nissen aan de apsiswand? Stellen zij het afgebeelde present? Of zijn ook zij grondeloos? Nemen ook zij ons bij de neus, door iets te tonen wat er niet is en door juist zichzelf – het feit dat ze afbeeldingen zijn – aan onze aandacht te onttrekken?

Zijn er net daarom niet massaal veel van dergelijke fresco’s? Nagenoeg geen vierkante centimeter in de kapel is onbeschilderd, ook van het plafond niet, dat helemaal blauw is, als een onbewolkte hemel, gevuld met sterren. Binnen in het gebouw, omhoogkijkend, lijkt het alsof we buiten staan, met boven ons niet het gewelf, maar de blote hemel. Net zoals de nissen de indruk wekken dat het gebouw ruimer is dan in werkelijkheid, zo suggereert het plafond dat we niet binnen maar buiten staan, en dat wat de fresco’s laten zien zich ook daarbuiten afspeelt, in de werkelijkheid van alledag, van waaruit we de kapel zijn binnengestapt en waarin we ons straks, als we de kapel verlaten, opnieuw zullen bevinden.

Is de kapel een illusoire ruimte die er, net als de fresco’s met de nissen, alles aan doet om niet illusoir te lijken? Is wat wordt getoond op al die mooi in kaders opgedeelde schilderwerken iets wat we geacht worden voor werkelijk te houden – even werkelijk als de wereld buiten de kapel? Het antwoord is simpelweg ‘ja’, in ieder geval voor een kapelbezoeker in 1305. Wat een bezoeker op dat moment ziet op die fresco’s is even werkelijk als de huizen, straten en pleinen in het Padua buiten de kapel. De nissen op de apsiswand mogen dan een trompe-l’oeil zijn, ze tonen niettemin wat werkelijk is. Net zoals de aankondiging van Maria’s zwangerschap, het verraad van Judas en Jezus’ dood aan het kruis tonen wat werkelijk is. Die taferelen zijn voor een veertiende-eeuwer niet grondeloos, niet zonder grond. Integendeel: ze tonen bij uitstek ‘grond’, de grond van de werkelijkheid. Dat de werkelijkheid is wat zij is, komt omdat gebeurd is wat op die fresco’s wordt verteld. Giotto maakte de kapel tot wat je, anachronistisch, een ‘realistisch manifest’ kan noemen. De fresco’s tonen in detail het fundament op grond waarvan de toenmalige mens kan beweren dat hij realistisch met de werkelijkheid omgaat – waarom datgene waarop hij vat heeft, ondanks de schijn van het tegendeel, toch de werkelijkheid en niets dan de werkelijkheid is.

De werkelijkheid, zo vertellen de kapelmuren, was in haar grond aangetast geraakt en in een staat van onwerkelijkheid terechtgekomen. Haar ‘zijn’ was gecorrumpeerd door ‘niet-zijn’, door vergankelijkheid en dood, omdat de mens in zonde was vervallen. De Maker van de werkelijkheid heeft zich over die zonde ontfermd. Hij heeft het tekort dat in de werkelijkheid was binnengeslopen op zich genomen. God is mens geworden en heeft aan de mens en al het onvolmaakte de oorspronkelijke volmaaktheid teruggegeven.

Althans in principe, en slechts in principe. In de feiten is het onvolmaakte nog steeds alom zichtbaar en voelbaar. Gods incarnatie heeft ons slechts in beginsel van het onvolmaakte, van dood en zonde, verlost. Het verlossingsproces is enkel ingezet. Het is wachten op Christus’ terugkeer opdat Hij – tijdens het laatste oordeel – die verlossing zal voltrekken.

Ook beelden delen in die situatie. Beelden zijn misleidend, bedrieglijk, onbetrouwbaar, en de zondige aard van de mens doet daar weinig goeds aan. De verlossing van de zonde betekent ook dat de leugenachtigheid van het beeld ongedaan gemaakt kan worden. Dankzij de incarnatie van God – van de Waarheid – is het beeld in staat niet langer leugenachtig te zijn. Het komt erop aan op een ware, juiste manier afbeeldingen te maken, afbeeldingen die, zo goed als ze kunnen, naar de waarheid verwijzen, in een wereld die nog steeds baadt in zondige leugenachtigheid en waarin het verschijnen van de volle waarheid vooralsnog iets voor de toekomst – voor het laatste oordeel – blijft.

Beelden maken ‘op de juiste en ware manier’, dat is wat kunst doet. Kunst, die naam waardig, zo luidt het in Giotto’s tijd, is een zaak van waarheid en getuigt in die hoedanigheid van het waarheidsgebeuren – het verlossingswerk – dat sinds de incarnatie onze werkelijkheid terug naar haar grondvesten voert. Kunst beeldt de werkelijkheid af en houdt daarbij het ideaal van de schoonheid hoog, omdat schoonheid verwijst naar waarheid, want naar volmaaktheid, het prerogatief dat in absolute zin alleen God toekomt. Op die manier toont het schone de herkomst van onze warrige, chaotische, door zonde gecorrumpeerde wereld. Het schone toont een andere wereld, vol harmonie en waarheid, waarin het zijn enkel zijn is en nooit niet-zijn, nooit dood, nooit tekort, nooit zonde. Kunst opent de wereld naar de waarheid – een waarheid die haar bij het laatste oordeel integraal ten deel zal vallen.

Dit doet Giotto op een verregaand nieuwe manier. Vóór zijn tijd – en nog massaal ín zijn tijd – leidde de kunst de blik van de kijker af, weg van de concrete werkelijkheid. Een schilderwerk toonde een hemelse werkelijkheid, met heiligen tegen een gouden achtergrond, blootsvoets, op heilige grond. Die grond was niet gelijk aan de grond waarop de kijker stond. Daarom werd de kijker geacht te knielen voor het schilderij en er als het ware door te kijken, naar de onvoorstelbare wereld van het goddelijke. Dat vraagt om een louter geestelijke blik. Het vat het beeldparadigma samen dat algemeen geldig was en dat als ‘icoon’ betiteld kan worden. Ware beelden, beelden die een waarheidszoekende kunst voortbracht, waren iconen.

Waren iconen grondeloos? Was op hun beschilderde oppervlak iets grondeloos dieps te ontwaren? Ze leidden de blik in de richting van het heilige, van het domein waar de aardse werkelijkheid haar ontstaan aan te danken had en waarin zij haar grond had. In die zin zijn iconen niet zonder grond, maar precies in die hoedanigheid hebben ze toch iets grondeloos dieps. Ze geven te kennen dat de grond hemels is en zich dus op een plek bevindt die stervelingen – zolang ze stervelingen zijn – nooit zullen betreden. Beelden – iconen – laten een vage, onvolmaakte blik toe, richting het grondeloos diepe, waardoor het volmaakte wordt gekenmerkt.

Als paradigma raakt het icoon echter in onbruik in de loop van de veertiende eeuw, onder meer door de gigantische invloed van Giotto. Het ruimt plaats voor een nieuw paradigma. De incarnatiegedachte wordt nu anders, en in zekere zin radicaler gedacht en ingezet. De goddelijke werkelijkheid die het hoofdthema van Giotto’s kunst is – met de Cappella degli Scrovegni niet als het minste voorbeeld – wordt neergezet op de plek waar het goddelijke zich heeft geïncarneerd: niet buiten of boven, maar binnen de concrete werkelijkheid. De luchten waarin Christus wordt afgebeeld, zowel vóór als na Zijn verrijzenis, zijn niet hemels goudkleurig, maar aards blauw of bewolkt. Het is hetzelfde blauw als dat van het hemelgewelf waarin de engelen de verwerkelijking van hun boodschap representeren en ervan getuigen dat God mens is geworden.

Het goddelijke, de waarheid, gebeurt hier, midden in de alledaagse werkelijkheid. Niet dat die werkelijkheid niet langer door leugen en onwaarheid is getekend. Verre van, maar het is ín die leugenachtige wereld dat de waarheid ‘gebeurt’, zich inplant, incarneert. Slechts in principe, zo weten we, maar mede door de inzet van wie zich tot dit inzicht bekent, zal de waarheid terrein winnen op de leugen, en ten slotte – bij de terugkeer van de Verlosser – de alledaagse wereld tot waarheid omvormen. De Kerk en haar organisatie, met ordes, abdijen, kathedralen en liturgie – het zijn steen- en vleesgeworden getuigen van die waarheidsincarnatie. En zo ook de kunst, inclusief de kunst bestaande uit nabootsingen die in de feiten vals en misleidend zijn, maar eenmaal op de juiste en ware manier gemaakt, als een afspiegeling van de waarheid fungeren. Die afspiegeling toont niet een hemelse, maar een aardse werkelijkheid. Zij is geen icoon, maar een representatie: wat ze toont, representeert ze in een ruimte die in niets verschilt van de ruimte waarin de kijker present is. De ruimte van de waarheid is geen andere dan die van de alledaagse leugenachtigheid.

De impact van dit nieuwe paradigma – dat van de representatie – kan moeilijk overschat worden, al was het maar omdat het alleen aan invloed gewonnen heeft. Het ligt aan de basis van de ware beeldexplosie die de renaissance kenmerkt en die zich in steeds duidelijker crescendo heeft voortgezet.

Hoe schilder je een venster op de wereld – niet op de wereld zoals je die ziet, maar zoals die is? Hoe maak je een waar beeld van de ware werkelijkheid, van de werkelijkheid die rust in de waarheid, de werkelijkheid waarin, ondanks alle kromme leugenachtigheid, de waarheid is geïncarneerd? Hoe laat je dat venster – het geschilderde paneel – getuigen van de waarheidsincarnatie die je erin wil weergeven?

Het icoon deed dat door een venster te zijn – geen venster op, maar weg van de wereld. Hoe doet een representatie dat? Hoe verwijst een representatie puur vormelijk naar God, naar de maker van de werkelijkheid waarop ze een venster wil zijn? Door te doen zoals God deed toen Hij zijn schepping denkbeeldig voor de geest had: vanuit één punt concipieerde Hij de hele werkelijkheid. Daarom moet een waar beeld ook vanuit één punt geconstrueerd worden. Wanneer de kunstenaar erin slaagt zijn schilderij zo te construeren, lijkt het alsof de ruimte naast zijn schilderij ook binnen dat venster doorloopt. Het geschilderde paneel is dan inderdaad een venster op de wereld.

Ziehier het lineaire perspectief waar schilders van de veertiende en vroege vijftiende eeuw zo intens naar gezocht hebben, om het technisch en theoretisch onder de knie te krijgen. Het lineaire perspectief organiseert een picturaal beeld formeel vanuit één punt. In dat ene punt komen alle vluchtlijnen samen; dat ene punt maakt de voorstelling realistisch, als het ene punt van waaruit God, vóór Hij tot de daad van de schepping overging, alles concipieerde wat bestaat. De hele werkelijkheid is vanuit dat punt bedacht. Dat punt heeft zich in de veelheid van de werkelijkheid geïncarneerd. Dankzij de representaties van kunstenaars als Giotto, dankzij de harmonieuze schoonheid die zij op wanden als die van de Scrovegni-kapel aanbrachten, wordt zichtbaar dat aan de basis van de chaotische werkelijkheid een verlossende eenheid ten grondslag ligt – een verlossingsproces waarvan de fases een voor een op de panelen afgebeeld zijn.

De twee nissen in de apsiswand zijn een trompe-l’oeil: ze ‘bedriegen het oog’ door een nis te tonen die er niet is. En toch bedriegen die nissen ons niet. Ze laten dezelfde waarheid zien als de taferelen op alle andere fresco’s. Alleen doen ze dat niet inhoudelijk, maar formeel. Ze tonen een diepte waar er geen is, niet omdat ze ons willen bedriegen, maar omdat ze de grondeloze diepte willen tonen van waaruit deze en alle andere fresco’s geconstrueerd zijn. Ze tonen het perspectiefpunt van waaruit die vensters op de wereld zijn gemaakt, een punt dat de representatie is van het punt van waaruit God de werkelijkheid als Zijn schepping heeft geconcipieerd.

Dit punt is niet letterlijk op het schilderij zichtbaar. Het ligt grondeloos diep verborgen op die ene, onzichtbare plek, waarin alle vluchtlijnen verdwijnen. De fresco’s verwijzen in hun puur formeel abstracte vormenspel naar God. Niet naar God buiten, zoals bij een icoon, maar binnen de wereld. Of, exacter, naar God die zich in die wereld incarneert. De ruimte die binnen het schilderij gefingeerd wordt, oogt hetzelfde als de ruimte waarin het schilderij hangt. Daarom spreekt een schilderij van God, ook als fresco dat enkel een lege nis laat zien. Net zoals ook alles in de ruimte naast het schilderij, in de wereld van alledag, van God spreekt.

Zo gold het voor Giotto en voor de renaissancistische beeldexplosie in de eeuwen na hem. Uit alles sprak God, en des te duidelijker sprak Hij uit de grenzeloos ontvouwde schoonheid van de beeldcultuur. Aan dat soort goddelijk spreken kwam met de Reformatie echter een eind. Teruggrijpend naar het basisaxioma van het monotheïsme (‘niet wat je denkt dat God is, is God; alleen God is God’), kwam er een wig tussen beeld en God, en kwam de beeldcultuur onder kritiek te staan, zeker waar die zich religieus uitte. Hoe kortstondig de Beeldenstorm ook huishield, een beeld was niet meer wat het was. Ook de beelden die de kunst afleverde, verwezen niet langer uit zichzelf naar God. Voortaan verwezen ze, binnen het protestantisme, niet of nauwelijks naar Hem. Binnen de katholieke beeldcultuur deden ze dat alleen nog inhoudelijk, en ze kwamen steeds vaker in de buurt van wat we vandaag als propaganda zouden bestempelen. Het formele fundament van het beeld – het paradigma waarmee het zichzelf begreep – bleef echter intact. Het beeld bleef representatie, venster op de wereld, maar nu zonder inherente, spontaan begrepen verwijzing naar Hem die de wereld had geschapen.

Wel bleef de ruimte die de representatie veronderstelde oneindig. Formeel én inhoudelijk. Alles kon voorwerp van representatie worden en werd dat hoe langer hoe meer. De apotheose van die tendens is de huidige multimediale beeldcultuur, waarin representatie het lijkt te winnen van presentie. Wat of wie niet op een beeldscherm verschijnt, loopt al snel het risico voor onbestaand te worden gehouden.

Een van de taken die de moderne kunst zich stelt, bestaat erin juist dat te laten zien: wat betekent het dat alles beeld en representatie is? De kunst wil de contouren van die oneindige representatieruimte in beeld brengen. Brekend met een lange beeldtraditie, zal ze die oneindigheid niet langer liëren aan het perspectiefpunt. De impressionisten waren de eersten om dit op het canvas toe te passen. Hun schilderijen veronderstellen een oneindige ruimte, maar niet langer neergezet als een eenheid, niet langer vanuit één punt te vatten. De ruimte is nu oneindig, zonder de Oneindige die het multipele karakter van het oneindige beheert en beheerst.

Hoe dan het oneindige van de ruimte toch voorstellen? Er is, als voorbeeld, een kunstenaar voor wie de oneindige ruimte een levenslange bron van fascinatie bleef: Lucio Fontana (1899-1968). Zijn obsessie surft mee op de wereldwijde weerklank van de toen opkomende ruimtevaart. Tegelijk werd hij gefascineerd door het probleem van de representatie van de ruimte waarin een schilderij zich afspeelt. Hoe kun je de ruimte die het canvas is op het concrete canvas een plaats geven? Hoe kun je wat representatie mogelijk maakt ook zelf representeren?

Strikt genomen is dat onmogelijk, en die onmogelijkheid verschilt formeel niet van de onmogelijkheid om God in een beeld te vatten. Ook in Fontana’s werk wordt die onmogelijkheid niet opgelost, maar enkel gepareerd, op een wijze die, opnieuw puur formeel, veel weg heeft van de parure die een negatieve theologie kenmerkt.

Een beeld of representatie wordt mogelijk door de ruimte waarin het verschijnt. Fontana wil die ruimte als zodanig in beeld brengen, door in de beeldruimte die het canvas is kervingen, scheuren, sneden aan te brengen. Hij wil op het canvas (de ruimte van) het canvas representeren. De ruimte die het canvas mogelijk maakt, zo suggereert zijn geste, toont zichzelf slechts daar waar het canvas is stukgemaakt. Op die plek verschijnt een vluchtige glimp van de ruimte waarvoor het canvas als zodanig staat – de ruimte die het überhaupt mogelijk maakt dat iets voorgesteld wordt. In de snede, in de inkerving, in de scheur van het doek, in het onvoorstelbare verschijnt (even, en ongrijpbaar) een glimp van de ruimte die een beeld toelaat überhaupt te bestaan.

Monomaan herhaalde Fontana dit procedé en hij gaf zijn werken, met aangepast nummer, steevast dezelfde titel: Concetto Spaziale – ‘Ruimtelijk concept’. De term ‘concept’ mag niet enkel in de intellectuele betekenis worden begrepen. Concetto Spaziale is Fontana’s term voor een representatie van datgene waarin een beeld ‘geconcipieerd’, ‘ontvangen’ kan worden – de ‘schoot’ of de ‘ruimte’ waarin aan een beeld een bestaan kan worden geschonken.

Een cyclus van 37 ovale schilderwerken uit 1963-1964, het canvas eveneens met sneden en inkervingen bewerkt, gaf hij de titel Concetto Spaziale. La Fine di Dio – ‘Ruimtelijk concept. Het einde van God’. God staat hier voor het perspectiefpunt, voor het ene punt van waaruit de oneindigheid formeel als eenheid kan worden gedacht en geconcipieerd. Fontana omhelst de onmogelijkheid om het moderne beeld vanuit dit goddelijke punt op te vatten – hij omhelst de moderne conditie van het beeld.

Hoe zou Giotto’s Cappella eruit hebben gezien wanneer Fontana erin tekeer was gegaan, om hetzelfde te laten zien? Gefascineerd door de ruimte als Fontana was, had hij zeker de blauwe sterrenhemel op het plafond behouden. Op één detail na: naast het geschilderde blauw zou ook het ‘echte’ blauw te zien zijn geweest – of het grijs, het wit, het donker, de zon, de wolken, de sterren, en alles wat een blote hemel te bieden heeft. Fontana zou Giotto’s plafond op meerdere plaatsen hebben bewerkt met zijn bekende ‘priem’, nu die van een drilboor. Hij had er een hemel vol gaten van gemaakt. Om het ‘grondeloze diep’ in beeld te brengen waaruit de werkelijkheid opdoemt, en waaruit ook het beeld opdoemt, komt alleen nog een afgebeelde hemel vol drilboorgaten in aanmerking. Die gaten van een drilboor zijn kunst, moderne kunst. Het is verre van onzinnig dat wij dit soort kunst koesteren.

Zo min mogelijk te vertellen. Matthijs Röling

Op de kritiek dat hij goed schilderen kon, maar niets te zeggen had, antwoordde de Groningse schilder Matthijs Röling (1943) ooit: ‘Had Vermeer wat te zeggen?’ Er zullen niet zo veel bezoekers aan die wedervraag gedacht hebben, toen in de lente van vorig jaar een grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum toevallig samenviel met een drietal tentoonstellingen van en rond Rölings werk, ter ere van diens tachtigste verjaardag.

Nog afgezien van de 350 jaar tussen hun activiteiten, is Vermeer wereldberoemd, terwijl Röling alleen in kleine kring bekend is. Vermeer, ‘klassiek’, schilderde weinig en heel karakteristiek; Röling, niet erg modern, maakte heel veel, divers figuratief werk. Vermeer was een pietje-precies, Röling houdt van het grote gebaar. En zo kun je doorgaan. Tot je bij de vraag komt of ze wat te zeggen hebben.

Die vraag kan op twee manieren worden opgevat. Welk verhaal ‘bevat’ of ‘verbeeldt’ een schilderij? Of: welk verhaal heeft een schilder over zijn werk te vertellen? Dat van kunstenaars wordt verwacht dat ze een pitch hebben, is niet nieuw. Zo’n verhaal werd in toenemende mate noodzakelijk sinds kunstenaars tijdens de romantiek maatschappelijk en politiek engagement hoog in het vaandel gingen dragen – en al helemaal toen ze zich begin twintigste eeuw de ‘avant-garde’ besloten te noemen. Sindsdien gaat het verhaal van de kunstenaar vooral over wat het werk beoogt te ‘doen’ in de wereld. Het adresseren van misstanden lijkt soms nog de enige vereiste voor een kunstwerk. De opmerking van Röling over zijn gebrek aan ‘verhaal’ – een opmerking uit 2005 die verwees naar de discussie over werk uit de jaren zestig – toont dat het probleem al veel langer speelt.

Natuurlijk kunnen ook schilderijen zelf verhalen vertellen. Vanaf de middeleeuwen kwamen die meestal uit de Heilige Schrift, of uit Ovidius’ Metamorfosen. Toch hoort vertellen niet vanzelfsprekend bij schilderkunst. Een van de belangrijkste momenten in de ontwikkeling van narratieve beeldende kunst in het Westen was de suggestie van paus Gregorius de Grote om de stichtelijke verhalen van het Ware Geloof in stripvorm aan te bieden, aangezien de congregaties ongeletterd waren. Het was dus een noodgreep. Voor een schilder ligt het verhaal niet per se voor de hand. Om iets te vertellen moet de schilder soms halsbrekende toeren uithalen, bijvoorbeeld door van de werkelijkheid slechts een ‘plakje’ te tonen, dat echter zowel het voorafgaande suggereert als dat wat erop volgt. De kijker wordt dan uitgenodigd om het verhaal zelf aan te vullen. Mede doordat dit korset van narrativiteit zo benauwend voor de schilderkunst was, ontstond uiteindelijk de abstractie.

Het verwijt aan een schilder als Röling dat hij geen verhaal heeft, adresseerde vermoedelijk beide aspecten: enerzijds het engagement dat niet wordt beleden in begeleidende teksten, en anderzijds het feit dat hij zich bedient van het achterhaalde medium van de figuratie, waaruit evenmin een geëngageerde ‘boodschap’ te destilleren valt. Rölings tegenvraag, met verwijzing naar Vermeer, suggereert vervolgens dat die ‘verhalen’ niet alleen voor hem irrelevant waren, maar ook voor de zeventiende-eeuwse meester.

Zowel het werk van Vermeer als dat van Röling, net als dat van vele modernisten, maakt duidelijk dat abstractie en figuratie veel nauwer verweven zijn dan we geneigd zijn te denken. Het is een verwevenheid die vragen stelt bij dat andere heikele punt van de moderne kunst, het niet minder verafschuwde ‘realisme’. Vanaf de negentiende en vooral de twintigste eeuw treedt er een intense interactie op tussen schilderkunst en fotografie, zowel in figuratief als non-figuratief werk: schilders gebruiken foto’s, of foto’s proberen schilderijen te zijn. In die wederzijdse zoektocht naar het beeld en wat het te vertellen heeft, lijkt het eigenlijk nooit om een conflict tussen realisme of abstractie te gaan, maar eerder om de vraag wat de projectie van een beeld op een plat vlak zegt over hoe we kijken, en in hoeverre de manier waarop we kijken bepaalt wat we zien.

Een confrontatie tussen Vermeer en Röling brengt juist dat aspect sterk naar voren, zoals blijkt uit een vergelijking tussen Staande virginaalspeelster (1670-1673) en Rölings Nog niet vergeten vleugel (1988-1999). Op het eerste gezicht lijkt Vermeers onderwerp de menselijke figuur, maar in feite draait het schilderij om de contouren van verschillende rechthoeken en vlakken. Dat thema wordt onvermijdelijk naar voren geschoven door het ‘duel’ tussen lijsten en kaders: het klatergoud van de vergulde lijst wint met gemak van het landschap dat het omkadert. De kunstmatigheid van de figuratie wordt benadrukt doordat het landschap in een andere zetting op het dekblad van het virginaal in perspectief terugkeert. Vermeers model is al bij al een excuus voor wat hem werkelijk interesseert: vlakken, licht, kleur en stof. Juist in haar blik zit het raffinement: een blik die van alles belooft, maar geen uitsluitsel geeft over wat ze denkt. Afgaand op de Amor die uit haar hoofd lijkt te groeien als een tekstballon (de vergelijking is een vondst van Julian Bell) – ook zwaar omkaderd, matzwart – houdt wat ze denkt verband met diens streken. Hoe, waarom en wanneer – dat blijft even oningevuld als het blaadje dat de liefdesgod in zijn hand houdt. Met haar blikrichting weg van het licht suggereert alles op het schilderij dat niet een verhaal, laat staan de moraal ervan, het onderwerp is. Het onderwerp is eerder hoe moeilijk het is – hoeveel je moet weten over wat je niet kunt zien – om van een momentaan beeld een verhaal te maken.

Van ‘ronde’ karakterisering is bij Vermeer nooit sprake. Eerder dan psychologische empathie toont zijn blik ons wat een eerste indruk lijkt te zijn, alsof hij net ergens is binnengekomen, terwijl het toch duidelijk is hoe lang en nauwgezet hij heeft staan schilderen. De personages blijven tot op zekere hoogte leeg, betrapt tijdens hun bezigheden, maar niet nadrukkelijk geplaatst in een sequentie van handelingen. Elk narratief wordt bij Vermeer verdrongen door de concreetheid van de materie, de stof, het licht.

Röling speelt in Nog niet vergeten vleugel met grafiek op een manier die goed met die van Vermeer te vergelijken is. Ook hij manipuleert de vormen van ingelijste werken, ook hij speelt met vlakken. En ook hij speelt met de bespeler van het instrument, in dit geval door die muzikant weg te laten. Juist die afwezigheid bevraagt, op een manier die aan Vermeer herinnert, de onpeilbare relatie tussen de ruimte en de bewoners. Verlaten, maar nog niet vergeten, is de vleugel nog altijd vervuld van menselijke presentie. De titel suggereert dat Rölings object een bespeler ‘mist’ en onderstreept zo, zachtjes en onnadrukkelijk, de aanwezigheid van de schilder die dat gemis observeert. Het instrument is, om zo te zeggen, een ‘monument’ geworden, iets wat aan het denken zet in plaats van aan het spelen. De bongo bij het krukje suggereert dat de vleugel zich na een ‘klassieke’ carrière aan nieuwe tijden vast moet klampen. Het schaalmodel voor een beschilderbare ruimte onder de vleugel suggereert andere prioriteiten dan de muziek.

De rimpeling, bij beiden zichtbaar, is een verre echo van narrativiteit. Bij Vermeer noch Röling gaat het om de bewoners, om wat ze zijn, doen of laten; net zomin als het rode stipje van het hesje van een boer het onderwerp van een landschap is. Wat Rölings werk naast technische brille en esthetische verfijning zo treffend maakt, is de registratie van verbazing, verwondering en bewondering over wat het schildersoog ziet, net als een uit die bewonderende verbazing voortvloeiende poging om dat naar een hoger plan te tillen. In Nog niet vergeten vleugel blijft een flard van vertelbare werkelijkheid hangen, versterkt door het spel met de titel, dat vergelijkbaar is met de lege tekst van Amor bij Vermeer. Die flard is plotloos, zonder einde of begin – geen écht verhaal, maar een suggestie, een stukje leven, niet zozeer in een verhaal geplaatst, als wel uit zijn context gerukt.

Moraliserende schilderijen waren in Vermeers tijd heel gebruikelijk. Vermeer doet een moraliserende lading bewust vervagen tot niet meer dan een handreiking tot een plot, vervat in de Amor en de glimlach van het meisje. De narratieve en emblematische aspecten die collega’s als De Hooch of Ter Borch nadrukkelijk presenteerden, worden een nog nauwelijks te proeven vleugje. Het resultaat is een intensivering van wat er voor de plot juist níét toe doet: licht, stof, vormen en vooral het moment, tastbaar geworden in tijd en ruimte.

De ontmoeting tussen Vermeer en Röling galvaniseert het vermoeden dat de problemen die een schilderij oproept, modern of oud, ongrijpbaarder zijn dan wat langs de meetlat van ‘realisme’ of ‘narrativiteit’ wordt afgelezen. Vermeer en Röling wíllen uitdrukkelijk niets ‘vertellen’. In die zin is Vermeer modern, maar Röling, die men vaak ouderwets vindt, is dat ook. Geleerden kunnen met de ‘verhaalloze’ moderniteit van Vermeer slechts moeizaam genoegen nemen, nog steeds. Ontelbaar zijn de pogingen om vermaningen, verhalen, religieuze boodschappen, interculturele dialogen, biografieën of karakterologische vingerafdrukken in zijn werk te lezen. Die ‘interpretatiesleutels’ laten vooral zien dat geen reconstructie van Vermeers ‘verhaal’ ooit goed genoeg werkt. Veel minder dan zijn tijdgenoten laat hij zich vastpinnen: als man van zijn tijd kan hij de didactische of moralistische functie van de kunsten, afgeleid van Horatius’ formulaire utile et dulce, niet helemaal weglaten. Maar hij speelt met de publieksverwachting zonder die in te lossen, suggereert ‘verhalen’ alleen om een spanning op te wekken, of gebruikt ze om de aandacht op iets anders te vestigen. Net als Röling kijkt hij alleen maar naar binnen, en zoals iedereen die net binnenkomt, kan hij niet meteen bepalen wat de samenhang of betekenis is van wat hij ziet – of liever: hij componeert zijn beelden zodat ze juist dát suggereren.

Het is een aspect dat zonder twijfel een rol gespeeld heeft bij de spectaculaire toename van Vermeers populariteit in de tijd van het modernisme. De artistieke volwassenwording van Röling voltrok zich in de jaren zestig, en net over figuratie ontspon zich toen een discussie, ook rond zijn werk en dat van zijn vrienden, zoals Wout Muller en Henk Helmantel. Een tijdlang verenigden ze zich in de Fuji Art Association, vanwege hun bewondering voor Kitagawa Utamaro en Katsushika Hokusai. Figuratie had voor de naoorlogse avant-garde immers afgedaan, als onderwerping aan een al te zichtbare ‘werkelijkheid’, in navolging van de technische eisen die figuratie aan de kunstenaar stelt, en de conformiteit met traditie.

Vermeer en Röling zijn bescheidener, of ze houden zich bij hun leest. Hun houding is agnostisch en in wezen verwant met de esthetische beweging van rond 1900: het kunstwerk zegt niets buiten zichzelf, het is geen instrument tot iets, maar bestaat door het samenvallen van vorm en inhoud. Juist dat samenvallen maakt van het kunstwerk ‘kunst’, en juist daardoor kan een schilderij ‘zuiver’ en waardevol, want waardevrij zijn. Wat Röling en Vermeer delen is geen realisme, wat dat ook zijn mag. Ze willen zo min mogelijk te vertellen hebben, daar is het ze om te doen. Realisme is alleen een lokmiddel: het wekt de verwachting van vertelling op, om die triomfantelijk af te wijzen ten faveure van licht, van stof, van verwezenlijking.

Vermeer was de zoon van een kroegbaas, Röling die van een beroemde en charismatische professor en rechtsgeleerde. Zonen van zulke vaders moeten toekijken. Beiden hebben ze hun blikveld tot thema gemaakt, tot hun domein. Wellicht aanvankelijk uit zelfbescherming tegen overmacht, leerden ze dat zorgvuldig te beschermen, af te schermen haast, in hun werk. Juist dankzij de afstand die zo’n blik schept, kunnen zulke kijkers de werkelijkheid laten voor wat ze is, en haar net daarom vervullen van niet-uitlegbare en niet na te vertellen betekenis.

What else to do / but art. Hanne Darboven

 

Deze kamer was voor mij de wereld, en voor mijn geringe krachten en mijn geringe belangstelling had hij de immensiteit van de wereld: wie zou van een blik eisen dat hij het hele universum doorkruist?

– Maurice Blanchot

 

‘In zekere zin werkt Hanne Darboven sinds 1965 aan één werk,’ opende Lucy Lippard haar tekst over de Duitse kunstenaar in Artforum in 1973. Hoewel Darboven (1941-2009) nog meer dan dertig jaar actief was en minstens evenveel nieuwe werken maakte, geldt Lippards uitspraak nog steeds. Darbovens installaties, boeken, composities en tekeningen kunnen begrepen worden als elementen van één project. Een bescheiden deel van haar omvangrijke oeuvre – vier werken, een tiental boeken en grafisch materiaal – wordt tot eind juli in de Herbert Foundation gepresenteerd, vergezeld van twee solopresentaties van Gilbert & George en Sol LeWitt.

De titel van de tentoonstelling is ontleend aan Welttheater 79 (1979), gepresenteerd samen met Querschnitt – 74 – 365 à 42 (1974), Wende >80< (1980) en Hommage an meinen Vater (1989). Wende >80< is Darbovens eerste werk met muziekcomposities en langspeelplaten. Het wordt niet als wandvullende installatie, maar in stapels in een vitrine gepresenteerd: de ‘bladzijden’ zijn nog niet ingekaderd, wat het moeilijk maakt het werk te ervaren. Querschnitt is een van de vroege conceptuele werken uit de collectie van Anton en Annick Herbert. Het echtpaar kocht de installatie na Darbovens solotentoonstelling in 1974 in de dependance die Fernand Spillemaeckers van Galerie MTL en Adriaan van Ravesteijn van Galerie Art & Project samen in Antwerpen uitbaatten. Het is niet hun eerste aankoop in de Antwerpse galerie: ze verwierven er een aantal maanden voordien ook Inca Pisco (1973) van Gilbert & George en vier minimalistische lijntekeningen van LeWitt.

Querschnitt omvat 42 genummerde en handgeschreven pagina’s. De bladzijden zijn afzonderlijk ingekaderd, als tegels in een rasterpatroon aan de tentoonstellingswand. Iedere pagina is met zwarte inkt beschreven en op dezelfde wijze opgedeeld; de volledige titel van het werk wordt gevolgd door een index met optelsommen en een reeks uitgeschreven getallen. De witruimte is gevuld met lijnen, die Darboven zonder liniaal trok. Moet dit werk gelezen of bekeken worden? De pagina’s bestaan uit talige tekens, maar de letters, cijfers en symbolen vormen geen leesbare tekst.

Toch geeft de aanblik het idee dat Darboven een raadsel presenteert dat met genoeg aandacht ontcijferd kan worden. Ze hanteert het medium dat wetenschappers of architecten gebruiken om plannen en berekeningen te noteren of om hun ideeën op papier te zetten. In de inleiding op de tentoonstelling Art in Series in New York in 1968, waar Darboven na haar studies in Hamburg drie jaar verblijft, verklaart ze haar materiaalkeuze als volgt – het citaat staat in de tentoonstellingsfolder:

‘De meest eenvoudige middelen om mijn ideeën en opvattingen – getallen en woorden – neer te leggen zijn potlood en papier. Ik hou ervan dat de minst pretentieuze en de meest nederige middelen voor mijn ideeën van zichzelf afhangen en niet van een materiaal. Het ligt in de aard zelf van ideeën om niet-materialistisch te zijn.’

De titel Querschnitt – 74 – 365 à 42 houdt de belofte in van een ‘dwarsdoorsnede’ van 1974. De langgerekte numerieke reeksen zijn gebaseerd op ‘k-waardeberekeningen’, een calculatiesysteem waarmee Darboven gregoriaanse data in een getal omzet. Om deze k-waarde te verkrijgen, telt ze de dag, de maand en de laatste twee cijfers van het jaar op. 1 januari 1974 wordt bijvoorbeeld 1 + 1 + 7 + 4 = 13k. In Querschnitt berekent ze de k-waarden van alle dagen van 1974. Dat levert 42 getallen tussen 13 en 54 op, waaraan ze steeds een afzonderlijke bladzijde wijdt. Alle data met gelijke k-waarden groepeert ze op dezelfde bladzijde, zodat een alternatieve visualisatie van het jaar ontstaat.

Net als in dat van André Cadere kan er in Darbovens werk een code gekraakt worden, al sluipen er bij haar geen fouten in het systeem. (Eén uitzondering is Hommage an meinen Vater, waarin Darboven een regel ‘achten’ te weinig schrijft in haar berekening van 1 juni 1988.) Darboven past de regels waarop ze haar cijferreeksen baseert getrouw toe tot het doel bereikt is. Nadat ze het systeem bedacht heeft, verwordt de kunstenaar tot een soort ‘machine die het werk maakt’ (om termen uit Sol LeWitts ‘Paragraphs on Conceptual Art’ te gebruiken): de vormgeving van de installatie volgt uit de realisatie van het oorspronkelijke idee. Darboven treedt op als administrator – het kunstobject reduceert ze tot beschreven papieren, en zowel wat methode als uitvoering betreft, lijkt ze boekhoudkundige principes te volgen.

Door voornamelijk cijfers op te tekenen, doet Darboven een poging om het schrift te bevrijden van elke betekenis buiten het medium. ‘Ik beschrijf niet, ik schrijf,’ zegt ze in Walter Smerlings documentaire Mein Geheimnis ist, dass ich keins habe (1991). De zin is, net als de titel van de film, een van de principes waarop ze haar werk baseert. Ze spreekt van een tabula rasa; niet het geschrevene, maar de arbeid van het schrijven is het onderwerp. Het zinledige karakter van Darbovens geschriften accentueert inderdaad de beeldende eigenschappen ervan: de afgeronde tekens, de soepele verbindingen tussen letters, zoals de kruisvorm tussen de twee ‘t’s’ in Querschnitt die Darboven toelaat om de letters te schrijven zonder haar pen op te heffen… Darbovens werk, zoals Lippard suggereert, brengt het plezier van het gebruik van pen en papier in herinnering, net als tijdens schrijflessen waarin één zin herhaaldelijk geschreven moet worden tot de letters op de juiste plaats de juiste lijn aanstippen.

In werken als Querschnitt lijkt Darboven de grootst mogelijke graad van abstractie op te zoeken. Het verbaast dat ze vanaf 1978 opnieuw sporen uit de dagelijkse werkelijkheid in haar werken toelaat. In Welttheater 79 integreert ze afbeeldingen van fabelachtige figuurtjes. Het werk omvat maar liefst 365 pagina’s en een voorblad. Iedere bladzijde stelt twee podia voor: aan de linkerzijde is het theatergordijn gesloten (‘Vorhang: zu’), aan de rechterzijde is het geopend (‘Vorhang: auf’) en staat er een figuurtje op scène. De figuratieve reeks wordt tussen pagina’s 135 en 231 onderbroken door pagina’s waarop Darboven hetzelfde systeem als in Querschnitt hanteert om de dagen van 1979 neer te schrijven. De sokkels met de figuurtjes zijn beschreven met de letters ‘IWE’, de initialen van de koffiebranderij waarmee de familie Darboven fortuin maakte, en waarvan de bureaucratische organisatie met haar werk lijkt te resoneren. De figuurtjes werden door het bedrijf ingezet als reclame: kabouters, fietsende hazen of breiende katten, maar ook stereotiep weergegeven Indianen en mensen van kleur. Het getuigt van westers superioriteitsdenken, des te pijnlijker aangezien de familie Darboven collaboreerde door koffie aan de nazi’s te leveren.

Ook in Hommage an meinen Vater (1989), het derde werk in de tentoonstelling, verwijst Darboven naar haar familiegeschiedenis. Het bestaat uit 96 bladzijden, telkens verdeeld in twee blauwgeruite vlakken. Opnieuw berekent ze de k-waarden van alle dagen van het jaar, maar deze keer geeft ze de data chronologisch weer. Op de eerste pagina van elke maand staat een reproductie van een ingekaderde kinderfoto van haar vader Cäsar Darboven: een ouderwets portret van een als matroos verkleed jongetje met een hond, waarschijnlijk voor de gelegenheid ingehuurd. Het beeld wordt gevolgd door de k-waardeberekeningen en het doorgestreepte woord ‘heute’. Voor de eerste twaalf dagen schrijft Darboven alle cijfers in vakjes van vier regels uit. Ze beschrijft bijvoorbeeld slechts een enkel vakje van vier regels met het woord ‘eins’, maar acht vakjes van telkens vier regels met het woord ‘acht’. Voor de volgende dagen noteert Darboven slechts de k-waardeberekening en het doorgestreepte ‘heute’.

Opnieuw houdt Darboven zich op rigide wijze aan het door haar bedachte systeem: cijfer na cijfer blijft ze noteren tot ze heel het jaar ‘verwerkt’ heeft. Ze volgt een strak plan: alle beslissingen zijn op voorhand genomen. Toch overstijgen haar werken ook hun systematische karakter; de omvang en de intensiteit van Darbovens onderneming is aangrijpend. De pagina’s getuigen van toewijding en van de uren en dagen die ze aan haar werk consacreerde. In tegenstelling tot andere conceptuele kunstenaars, zoals Robert Barry of On Kawara, schrijft Darboven alles met de hand en probeert ze haar signatuur niet te minimaliseren. Dit blijkt ook uit later werk, waarin ze persoonlijke beelden of objecten uit haar antiquiteitencollectie integreert.

Darbovens handschrift laat zich echter niet makkelijk lezen: de krullerige letters zijn moeilijk te ontcijferen, en het zijn er zo veel! Het is vrijwel onmogelijk om alle berekeningen te lezen – de blik verspringt, de concentratie laat het afweten, het duurt en duurt. Je wordt geconfronteerd met honderden dagen die ooit ‘vandaag’ waren, maar ondertussen al een hele tijd doorgestreept zijn. Darboven benadrukt dat een jaar niet veel plaats inneemt – het past op een muur. Haar vader was al twintig jaar dood toen ze haar hommage maakte. Ondertussen ligt 25 april 1988 meer dan dertig jaar in het verleden, en wanneer deze tekst op papier zal staan, zijn we weer een halve maand verder… Door data omgeven, zie je opeens de dood voor ogen; wat op afstand stond, ‘conceptueel’ en ‘minimalistisch’, lijkt verschrikkelijk geworden.

Je moet iets ouder geweest zijn dan het jongetje op de foto toen je besefte dat je ooit zou sterven. Hoewel je deze gedachte sindsdien probeert te verdringen, roept Darbovens werk die angst opnieuw op. Gregg Bordowitz beschreef dat als een grand canyon moment; verzwolgen door een van Darbovens installaties werd hij zich niet alleen bewust van zijn dood, maar ook van het nietige karakter van zijn persoon. Haar werk is agressief: nutteloze, repetitieve arbeid, uitgeschreven getallenreeksen en doorgestreepte woorden materialiseren de zinloosheid van het bestaan, als symbolen van de taken die we ons opleggen om onze dagen te vullen. Deze activiteiten bieden niet alleen houvast, maar verkleinen ook de tijd die we hebben om na te denken. Verschrikkelijk is niet de tijd die met de afwas, het eten of het werk voorbijgaat, maar de tijd ertussen. Het is wanneer we op ons strakke schema vooruitlopen en op een onvoorzien moment ‘stilvallen’ dat de radeloosheid toeslaat.

De sterke emoties die Darbovens werk losmaken, maken het volgens Bordowitz tot een twintigste-eeuwse vorm van romantiek. Hoewel haar beeldtaal voornamelijk uit wiskundige tekens bestaat, stelt Darboven de essentie van het mens-zijn aan de orde. Ze maakt de tijd zichtbaar, de primaire structuur die ons leven bepaalt, maar ook het universele trauma dat gepaard gaat met het besef dat het leven eindig is. Ieders tijd is beperkt, en dat is een van de weinige onwrikbare waarheden waar we het mee moeten stellen. In een van haar brieven aan LeWitt schrijft Darboven in 1971: ‘What else to do / but art / what more to do / what less to do / what else to be / but to do.’

Die existentiële vragen sluiten aan bij het Amerikaanse abstracte expressionisme en bij de Europese naoorlogse kunst. In tegenstelling tot andere kunstenaars van wie Annick en Anton Herbert in de jaren zeventig werk verzamelden, lijkt Darboven zich minder radicaal tegen vorige generaties af te zetten. Hoewel ze de aard van het kunstwerk bevraagt en haar schrijfsels strikt genomen niet-beschrijvend zijn, is geen van haar werken tautologisch. Querschnitt – 74 – 365 à 42 en Welttheater 79 behoren niet alleen tot de meest beladen werken in de collectie van de Herbert Foundation, de wandvullende installaties van Darboven nuanceren ook het klassieke narratief van de vroege conceptuele kunst.

 

• Hanne Darboven. Welttheater, tot 28 juli, Herbert Foundation, Coupure Links 627 A, Gent. De documentaire Mein Geheimnis ist, dass ich keins habe van Walter Smerling wordt vertoond op 26 mei.

Huishouden. Anna Oppermann

De Duitse Anna Oppermann (1940-1993) werkte van eind jaren zestig tot haar vroege dood aan Ensembles: excessieve uitstallingen die bestaan uit foto’s, tekeningen, teksten en kleine objecten in een losse samenhang, waarmee ze reflecteert op haar situatie als (huis)vrouw en kunstenaar, haar relatie met andere mensen of haar positie in de kunstwereld. Een Ensemble is gebouwd rond een centraal altaartje, een tafeltje of een klein verhoog. Van daaruit waaiert het uit over de wanden, de vloer en soms ook het plafond. Motieven geven dit losse ‘samenzijn’ (‘ensemble’) een samenhang, maar breken die ook open. De tekeningen en op doek afgedrukte foto’s tonen immers veelal zichten van hetzelfde Ensemble tijdens de opbouw of bij vorige presentaties: overzichten, fragmenten of details, van grotere of kleinere afstand, en vanuit telkens andere hoeken en perspectieven. In een caleidoscopische vermenigvuldiging lijkt een Ensemble zichzelf uit te zaaien en open te barsten.

Bijna twintig jaar lang was het de dominante werkvorm waarmee Oppermann zich in de kunstwereld manifesteerde. Ook na haar dood waren lange tijd alleen maar Ensembles te zien – een eerste postume retrospectieve, Anna Oppermann. Revisionen der Ensemblekunst (Stuttgart en Wenen, 2007), vormde daar geen uitzondering op. Maar nadat haar nalatenschap in 2010 bij de Berlijnse Galerie Barbara Thumm werd ondergebracht, kwamen ook de vaak grootschalige, complexe en giftig-felbonte tekeningen (doorgaans in kleurpotlood of gemengde techniek, op karton of masoniet) naar boven die Oppermann van 1963 tot begin jaren zeventig maakte – vóór en tijdens de ‘ontwikkelingsjaren’ van de Ensembles. Ze liggen ontegensprekelijk aan de grondslag ervan. Na Das Frühwerk (2013) in Galerie Barbara Thumm organiseerden de Kunsthalle Bielefeld en het Carpenter Center for the Visual Arts (Harvard University) in 2019 elk een tentoonstelling met een keuze uit de tekeningen in relatie tot één of twee Ensembles. In Bielefeld waren dat Künstler sein (Zeichnen nach der Natur, zum Beispiel Lindenblütenblätter) (1969-1985) en Gurken und Tomaten (Frau sein) (1968-1974); in Harvard ging het om Hausfrau sein (1968-1973).

Recent bood de Bundeskunsthalle Bonn voor het eerst een overzicht van het volledige werk. Eigenlijk is het vreemd dat het tekenwerk zo lang onbekend bleef, want Oppermann stelde de tekeningen niet alleen tentoon, maar schoof ze ook in een aantal vroege Ensembles, om ze daar – vaak opnieuw in de vorm van tekeningen – aan haar caleidoscopisch uitwaaierende ‘variatiekunst’ te onderwerpen. (In de Württembergischer Kunstverein in 2007 waren dus grootschalige tekeningen als deel van de Ensembles te zien.)

De eerste Ensembles hebben doorgaans dezelfde thematiek als de tekeningen: Oppermann vertrekt van haar leefomgeving, haar ‘situatie’ als (huis)vrouw en ‘kunstenaar zonder atelier’. In die situatie kwam ze terecht nadat ze in 1963, nog tijdens haar studie aan de Hochschule für bildende Künste in Hamburg, met de Hamburgse kunstenaar Wolfgang Oppermann trouwde en een jaar later met hem een zoon kreeg, Alexander. Ook de invloed van rol- en verwachtingspatronen en de commerciële beeldvorming rond vrouwelijkheid die haar privéwereld binnendringt, komen zowel in de tekeningen als in de vroege Ensembles aan bod. Maar nog belangrijker is dat de methodiek van de Ensembles al door de tekeningen wordt voorbereid.

Cruciaal is de manier waarop Oppermann haar perspectief op de omgeving in het beeld inbouwt. Dat perspectief wordt het duidelijkst opgeroepen in een aantal tekeningen waarin de handen, benen of borsten van een vrouwenfiguur, in bovenaanzicht, aan de onderrand in beeld schuiven. Soms gaat het om twee armen en handen die in de ruimte van het blad grijpen, alsof ze contact willen maken met de omgeving, zich die willen toe-eigenen. Elders wordt bijna het hele beeldvlak in beslag genomen door reusachtige vingers die een kijkgat maken. Nog andere keren schuift onderaan een zittende vrouw in beeld, opnieuw in bovenaanzicht: dijen, soms ook bovenarmen, borsten, de leuning van een stoel; de rug en het hoofd vallen buiten beeld.

De symmetrie van figuur én beeld suggereert dat Oppermann de omgeving gadeslaat met de meditatieve aandacht en concentratie waarmee we naar een icoon of een religieuze voorstelling kijken. Ze kan ook een teken van fysieke betrokkenheid zijn: het beeld is symmetrisch omdat het ‘kijkende lichaam’ symmetrisch is. Daarbij wordt de toeschouwer, door de plaatsing van de figuur onderaan, tot eenzelfde betrokkenheid uitgenodigd. De vrouw treedt op als identificatiefiguur, zoals de Rückenfigur van Caspar David Friedrich, maar de identificatie is directer en fysieker. We kijken niet op de rug en over de schouder, maar óp haar dijen en borsten (ze is vaak naakt) of ‘in’ haar schoot. Doordat de vrouw door de onderrand is afgesneden en half buiten beeld valt, kunnen we in haar lichaam als in een ‘gietvorm’ binnenstappen – de omgeving door haar ogen bekijken en haar situatie ‘aan den lijve’ ondervinden.

Oppermanns methode ontplooit zich ten volle op het moment dat de kunstenaar-(huis)vrouw, geïsoleerd als ze zich voelt in haar interieur, naar manieren zoekt om over haar situatie te reflecteren en haar perspectief te verruimen. Dat doet ze met een handspiegel, een ‘vrouwelijk’ instrument dat als een verlengstuk van het lichaam kan worden ingezet. De spiegel fungeert als een instrument om (letterlijk) de omgeving te reflecteren en om ‘multiperspectivische’ beelden te construeren. In het vroege werk duikt de spiegel geregeld op als getekend motief: een ingelijste ovaal of rechthoek met ronde hoeken. In veel andere tekeningen veroorzaakt de spiegel een labyrint van spiegeleffecten, dat alleen doet vermoeden dat er een ondoorgrondelijk – en behoorlijk gekmakend – spel met spiegels wordt gespeeld.

De werking van de spiegel is dubbel. De spiegel kadert de ‘werkelijkheid’ en ondersteunt de meditatieve concentratie en het ‘begrip’ dat Oppermann nastreeft. Haar perspectief wordt verruimd door dichterbij te brengen wat veraf is of buiten haar gezichtsveld valt. De spiegel kan – vertelt Oppermann in de catalogus van haar retrospectieve in de Kunstverein Hamburg (1984) – ‘het plafond naar beneden […] halen, een plant op de sprei of tussen de boeken […] toveren’ en geeft haar, vlak bij het raam op haar knie, het ‘oceanische’ gevoel ‘dat het raam en de lucht in mij zijn’.

Maar de spiegel doet dat gevoel van eenheid en nabijheid ook teniet. Hij vervreemdt de werkelijkheid, plaatst ze op een afstand, snijdt ze los uit de wereld. De spiegel vernietigt de visuele eenheid van het beeld. Lichamelijke nabijheid gaat met visuele verbrokkeling gepaard. De concentratie van de kunstenaar (en de kijker) wordt geïntensifieerd én opengebroken. Die ‘hallucinante’ en ‘fantastische’ werking van de spiegel draagt – naast het extreme kleurgebruik – in hoge mate bij aan de surrealistische en ‘psychedelische’ uitstraling van het vroege werk.

Ook de vrouw zelf wordt door de spiegel niet gespaard. Haar lichaam wordt meerdere keren door spiegelende vlakken ‘opengesneden’, zodat de spiegelbeelden ín haar terechtkomen. In één tekening is het hoofd van de zittende vrouw door de ovalen spiegeling van een boom en blauwe lucht vervangen, alsof Oppermann suggereert dat de reflecties zich ook ‘in haar hoofd’ voltrekken – dat het om mentale reflecties gaat. Een andere tekening toont onderaan de benen van de zittende vrouw met daartussen een ingelijst spiegelbeeld van een open raam en blauwe lucht. Het spiegelbeeld en vooral de rozig-witte ‘omlijsting’ hebben een organische vorm, die aan een doorgezaagd bekken herinnert. De ‘reflectie’ van de buitenwereld wordt ‘in de schoot van de vrouw geprojecteerd’.

Elders zorgt de spiegel ervoor dat het motief van de zittende vrouw, of van de benen en het bekken, in de beeldruimte wordt gekanteld. De ene keer kijken we op het achterwerk, een andere keer op de geopende benen met bekken. Dat laatste motief wordt soms door golvend textiel van keukengordijntjes omspeeld of zelfs gepresenteerd in een schotel midden op tafel – niet de enige toespeling op het seksuele ‘gebruik’ van de vrouw. Vaak wordt het gereduceerd tot een klein en haast grafisch teken – een ‘M’ – dat centraal de aandacht naar zich toe trekt; tussen de ‘beentjes’ van de ‘M’ verschijnt soms nog een stukje lichaam of kruin. Deze M-vrouw met open benen valt te bezien als een vrouw die klaarligt om ‘genomen’ te worden – een associatie die letterlijk wordt gemaakt door een tekening in het Ensemble Antidesign (1970-1972), waarop een sigaret een asbak in de vorm van een baarmoederachtige holte penetreert. Het motief kan echter ook omgekeerd worden gelezen: als een vrouw die op het punt staat een kind ter wereld te brengen.

 

De geboorte van het beeld

Vanaf ongeveer 1968 verschuift er iets in de tekeningen. De in het beeld grijpende armen, handen en vingers verdwijnen. De psychedelische duizeling, veroorzaakt door het complexe en hallucinante spel van de spiegel, komt tot rust. De tekeningen kunnen verbonden worden met de Ensembles waaraan Oppermann inmiddels werkt. Sommige kunnen zelfs als filosofische denkbeelden worden gelezen, die de beeldende logica van de Ensembles verhelderen en becommentariëren.

Ohne Titel (1969-1970) oogt sereen en symmetrisch als een icoon. Aan de onderrand herkennen we de zittende vrouw in bovenaanzicht: gele bovenbenen, blauw-roze schoeisel, een stukje zitvlak en de leuning van haar stoel. Het gehele bovenlichaam valt buiten beeld. Velletjes papier met kleine tekeningetjes liggen (als tekening in de tekening) ietwat warrig voor haar op de lichtgroene grond. Ze bevatten tal van motieven die elders terugkeren, zoals de M-vrouw. Twee opgekleefde fotootjes (de enige collage-elementen) liggen op haar dij. Eén klein getekend blaadje is net tussen haar benen aangebracht, tegen de onderste beeldrand en vlak bij haar geslacht. Van ver lijkt het velletje blanco; van dichtbij lijken zich opnieuw de zwakke contouren af te tekenen van… een zittende vrouw met een tekening tussen de benen. De bovenste beeldhelft wordt beheerst door een drievoudige mise en abyme. Het eerste en buitenste beeld ‘hangt’ aan de bovenrand. Het toont een close-up in grisaille van wat op twee dijbenen lijkt. Op of tussen die benen ‘ligt’ een tweede beeld dat de (vrouwen)figuur en de wirwar van tekeningetjes herhaalt. Maar in plaats van benen en voeten zien we nu een wit, drielobbig silhouet, te lezen als de contouren van een buste. Het lijkt alsof de zittende vrouw zich vooroverbuigt om de tekeningetjes te bestuderen, die vóór haar op de oranjegekleurde grond liggen. Tot slot duikt het derde en laatste beeld op: twee in de lucht hangende benen (het ‘onderstel’ van de vrouw dat, allicht met behulp van de spiegel, een visuele salto heeft gemaakt) die uitlopen op eenzelfde drielobbig silhouet. Omdat de buitenste lobben breder zijn en de drielob direct op de benen aansluit, lees je die vorm als de combinatie van een bekken met een hoofd: ‘hoofd’ en ‘schoot’ zijn in één platte omtrekvorm samengedrukt. De iconische frontaliteit en de centrale plaatsing in de hoogste zone – in een icoon verschijnt hier het gezicht van de maagd – geeft dit ‘hoofd-schootmotief’ een ongewone nadruk, alsof er een Waarheid wordt gereveleerd – en dat geldt uiteindelijk voor het hele beeld.

De vele beelden en beeldkaders ín het beeld maken duidelijk dat die ‘waarheid’ betrekking heeft op het beeld zelf. De tekening moet als een vorm van beeldfilosofie worden gelezen. De lichamelijke aanwezigheid van de vrouw wijst erop dat dit beeld niet los kan worden gezien van de ‘beeldenmaakster’ en haar bekommernissen. (Dat wordt bevestigd door de tekst die Oppermann op het ‘hoofd’ van de ‘vooroverbuigende vrouw’ aanbracht: ‘Idyll/unkontrollierte Emotionen/Affekte nicht reflektiert/destruktive Aggressionen.’) Het ‘hoofd-schootmotief’ suggereert dat het beeld ‘geboren’ wordt uit een ‘hoofd’ in verbinding met een ‘schoot’ – uit een vrouwelijke geest dus. De plaatsing tussen de benen geeft aan dat het beeld door de ‘spleet’ waaruit het geboren wordt al bij voorbaat doormidden wordt gesneden. De wirwar van tekeningetjes op de grond – een merkwaardig contrapunt met de iconische symmetrie – wijst erop dat net die gespletenheid het beeld in telkens nieuwe beelden doet uitzaaien. Omdat elk beeld door de ‘spleet’ wordt doorsneden, komt de beeldenstroom nooit tot stilstand, blijven de beelden zich ad infinitum afsplitsen. De tekening suggereert zo de mogelijkheid van een andere, minder ‘fallische’ verbeelding – van een beeldproductie die de eigen ‘gespletenheid’ bij voorbaat assumeert. Maar de ietwat warrig uitgelegde of op de grond gedwarrelde papiertjes geven ook aan dat deze ‘interne differentie’ door de (sociaal-historische) conditie van de (huis)vrouw wordt gekleurd. De tekeningetjes doen denken aan boodschappenlijstjes en kattebelletjes op de koelkast. De manier waarop de (huis)vrouw over de tekeningetjes mediteert, zich ‘erover buigt’, suggereert dat ze haar (innerlijke) ‘huishouding’ op orde tracht te krijgen en dat ze wordt geplaagd door de veranderlijkheid en de broosheid die elke huishoudelijke orde kenmerkt. De papiertjes liggen immers los op de grond. Ze kunnen elk moment – als bijvoorbeeld de deur openwaait – in chaos uit elkaar stuiven.

Elders verdwijnt de zittende vrouw en worden we direct en zonder ‘tussenfiguur’ met de papieren tekeningetjes geconfronteerd; ze liggen naast andere objecten, zoals een blad van een plant of bloem, op een tafelblad of vensterbank die op de onderrand aansluit. De wisselende perspectieven, gegenereerd door de spiegel, worden nu opgeroepen door de voorstellingen op de tekeningetjes en door de richtingen waarin de blaadjes zijn ‘uitgelegd’. De stillevenachtige opstelling op een tafel of vensterbank doet denken aan het huishoudelijke decorum – en aan de presentatie van de echte tekeningetjes op de altaartjes van de Ensembles. Hier en daar duikt het motief van een zwart, leeg kadertje op – een allusie op de ‘kaderende’ activiteit die door de spiegel werd verricht en die ook door de beelden-in-het-beeld van Ohne Titel (1969-1970) werd opgeroepen.

Een andere belangrijke tekening – Ohne Titel (1969-1970), in een lithografische versie Ohne Titel (Bild!) (1970) – maakt van die (om)kaderende geste het hoofdthema. De tekening roept het ‘kaderen’ – de basisoperatie van het beeld – drie keer op. Er is een leeg, zwart lijstje dat tegen een eetbord op tafel leunt. (Het lege kadertje keert later in de Ensembles terug als Motivsucher: een kijkvenstertje dat de mogelijkheid suggereert om zelf delen van het Ensemble te ‘omkaderen’ en zo oneindig veel beelden te produceren.) Achter de tafel staat een ‘psychedelisch’ schilderij-in-het-schilderij, met twee reusachtige bladeren van lindenbloesems als armen van een kruis (of als benen) over elkaar. Het merkwaardigst is echter het papieren silhouetje daartussen op tafel. Twee opengespreide beentjes vormen het M-motief, en tussen die beentjes, op de plaats van het geslacht, is een zwart lijstje aangebracht (opnieuw een Motivsucher) met in het midden een knik, als om aan te geven dat de beentjes een hoek kunnen vormen, met een gat – een spleet? – in het midden. Deze vrouw ligt niet klaar om een kind, maar om een beeld ter wereld te brengen.

 

Ensembles

Oppermann is omstreeks 1970 al een tijd bezig met de ontwikkeling van de Ensembles, die ze in 1972 voor het eerst tentoonstelt. Ook hierin paart ze een hardnekkig streven naar inzicht in haar ‘situatie’ – een harde ‘passie voor het kader’ – met het wanhopige besef dat elk begrip ‘ontkaderend’ werkt. En ook hier gaat dat gepaard met het bewustzijn dat het ‘kaderende subject’ in die ont-kaderende beweging wordt meegesleurd. Tegelijk wordt die ontsporende kennisdrift op verschillende niveaus verbonden met de ‘vrouwelijke’ problematiek van de huisvrouw-kunstenaar in de tekeningen. Het meest expliciet gebeurt dat in de vroegste Ensembles.

Op het altaartje van Hausfrau sein (1968-1973) ligt een geruit tafelkleed dat een kneuterige keukensfeer oproept. Erop en ernaast: meubeltjes in miniatuur, beelden rond de ‘ideale huisvrouw’ en familiegeluk, blaadjes met tekst die de beeldvorming en verwachtingspatronen rond de ‘huisvrouw’ parafraseren. Frauen wie Ängel (1968-1973) behandelt de ‘beelden van vrouwelijkheid’ – van de vrouw als ‘engel’ tot de ‘carrièrevrouw’ – waarmee Oppermann in haar keuken wordt bestookt. Onder meer een kam, een nagelvijl, een borstel en een kitscherig handspiegeltje liggen of staan tussen tekeningetjes en fotootjes op een tafeltje in de hoek, bekleed door een geborduurd tafelkleed met plantenmotieven. Verder zijn er engelachtige vrouwbeelden te zien, popjes met engelenhaar, frasen over de noodzaak van het ‘juiste kapsel’… Het Ensemble omvat ook beelden van ‘duivels’ – geen engelen zonder duivels – en hengels, Angeln. Die associatieve combinatie van ‘engelen’ en ‘hengels’ wordt door het onbestaande woord ‘Ängel’ uit de titel opgeroepen: engelen met een haakje. Antidesign (1970-1972) omvat onder meer de tekening met een brandende sigaret in een volle asbak in de vorm van een bekken. Op de uitstulpingen staat het woord ‘SUR-RO-GAT’. Het M-motief keert in dit Ensemble opvallend vaak terug. Het wordt onder meer tot bloempot en tot ‘antizitbroek’ getransformeerd – huisvrouwen mogen nooit stil zitten.

De setting rond het altaartje roept de vrouw uit de tekeningen op, die haar situatie door ‘meditatieve concentratie’ tracht te vatten. Maar de beeldjes en spulletjes suggereren ook de nerveuze inspanningen van de huisvrouw-kunstenaar om de keuken op orde te krijgen (Hausfrau sein), om zich ‘presentabel’ te maken (Frauen wie Ängel) of om de wanorde in huis de baas te kunnen. Telkens laten de Ensembles voelen dat die pogingen, juist waar ze het hardst worden doorgedreven, tot mislukken zijn gedoemd. In Antidesign zijn op de plaats van het altaartje een plant en een resem kleine ‘beeldjes’ (tekeningen, fotootjes…) in de met grijs vasttapijt beklede hoek geschoven – van een echt altaartje is geen sprake. Het ziet eruit als rommel die haastig uit de weg is geruimd, opdat de huisvrouw kan schoonmaken. Het duidelijkst is het als oprolbare schoolplaat gepresenteerde beeld boven het ‘keukenaltaar’ van Hausfrau sein, dat de ‘explosie van de keukenmeubels op de keukentafel’ voorstelt. Dat kan een metafoor zijn voor de onmogelijkheid om tot uitputtend inzicht te komen – voor de onbevredigbaarheid van Oppermanns ‘kennisdrift’. Het kan ook als woede-uitbarsting, als protest worden gezien. Maar het valt eveneens te lezen als verbeelding van de ‘immanente ontsporing’ van huishoudelijke taken – van de hysterische basisstructuur van het huishoudelijke bedrijf.

Vanaf de jaren zeventig zijn de Ensembles niet langer gebonden aan het huis. Dat is omdat Oppermanns carrière geleidelijk op gang komt. In 1972 stelt ze voor het eerst Ensembles tentoon, onder meer in het Stadtmuseum Simeonstift in Trier en in Galerie Kleber in Berlijn. Er volgen nog tentoonstellingen, en in 1977 neemt ze deel aan documenta 6. De thema’s weerspiegelen die ontwikkeling. De Ensembles gaan nu veelal over artistieke problemen: haar kunstenaarschap, haar relatie met de kunstmarkt (Der Ökonomische Aspekt, 1979-1984), de moeilijke communicatie over haar ‘onbegrijpelijke’ Ensemblewerk (Künstler sein – Über die Methode (Zeichnen im Ensemble, Dilemma der Vermittlung, der Ökonomische Aspekt), Filiation, 1978-1985) of de problematische plaats van haar broze en woekerende kunstpraktijk in een kunstwereld die verslingerd is aan ‘impactkunst’ (Pathosgeste – MGSMO – ‘Mach grosse, Schlagkräftige, Machtdemonstrierende Objekte!’, 1984-1992).

Oppermann blijft in menselijke en existentiële thema’s geïnteresseerd. Op dat vlak maakt de soms verstikkende zelfbetrokkenheid van de eerste Ensemblejaren plaats voor een grotere openheid voor relaties met andere mensen. Het kleinere Ensemble mit Dekor (Über den Umgang mit Menschen, wenn Zuneigung im Spiel ist) – Dekor mit Birken, Birnen und Rahmen, Filiation (1980-1992) betrekt voor het eerst iemand anders in haar werk, namelijk een verzamelaar. De kruipende naakte lichamen in Portrait Herr S. (1969-1989) suggereren een meer nieuwsgierige en experimentele benadering van seksualiteit. In de literatuur wordt Oppermanns residentie van 1977 in Firenze vaak genoemd als cesuur. De contacten met onder anderen Michael Buthe en Martin Kippenberger zouden haar openheid voor meer sociale en ‘relationele’ thema’s hebben gestimuleerd. Misschien heeft ook haar relatie met de uitgever van kunstboeken Herbert Hossmann, met wie ze in 1977 gaat samenwonen, een rol gespeeld.

Door de verruiming van Oppermanns sociale en artistieke habitus zijn in de latere Ensembles nog weinig sporen van het (huis)vrouwthema terug te vinden. Toch is de huisvrouw niet weg. Ook op een intiemer en structureler niveau worden de Ensembles immers door haar preoccupaties aangedreven. Om die esthetische huisvrouwelijkheid in het vizier te krijgen, steun ik deels op de uitgewerkte en gefaseerde ‘Methode’, die Oppermann bijna als een ritueel handvest gebruikte bij het werk aan de Ensembles. Ze heeft deze methode toegelicht en vastgelegd in tekeningen, zoals het Methodendiagramm waar ze versies van is blijven maken. Ook in de Ensembles zelf wordt de methode gethematiseerd. Een duidelijk voorbeeld is Künstler sein – Über die Methode (Zeichnen im Ensemble, Dilemma der Vermittlung, der Ökonomische Aspekt), Filiation (1978-1985).

Oppermann vertrekt telkens van een klein ‘stilleven’, dat ze samenstelt uit alledaagse gebruiksvoorwerpen, decoratieve spulletjes, een blad van een bloem of plant, een foto… Veel van die voorwerpen komen uit de huiselijke sfeer: waaiers en sentimentele portretjes in Herr S., het rood-blauwe glazen kastje of ‘schrijn’ dat aan de basis ligt van Paradoxe Intentionen. Das Blaue vom Himmel herunterlügen (1988-1992), de spiegels of spiegellijstjes waarmee sommige tekeningetjes zijn ingekaderd… Erg huiselijk ogen ook sommige bloemen of planten, die aan kamerplanten doen denken, in de tuin groeien of in de keuken worden gebruikt. Elk Ensemble bevat minstens één ‘referentieplant’ (Bezugspflanze) met een allegorische betekenis, vaak verwijzend naar personen (de tulp staat bijvoorbeeld voor Oppermann zelf). Oppermann schikt die beelden en objecten op een tafeltje of verhoog – de voorbode van het altaartje – om ze aandachtig te observeren en erover te mediteren, zoals de vrouw op de vroege tekeningen deed. Vervolgens legt ze details en fragmenten van de objecten in tekeningen vast – de meditatiefase. Tekenen is het medium bij uitstek om ‘de werkelijkheid te vatten’. De tekening sluit de wereld in heldere contouren op. Het is wellicht een van de redenen waarom Oppermann tekenen lang boven schilderen verkoos. Tekenen is echter ook handenarbeid, en zeker de kleine tekeningen zijn gedetailleerd en nauwgezet, gemaakt met de precisie en concentratie van naaiwerk.

Net als de spiegel heeft de tekenactiviteit een dubbele werking. Ze wordt voelbaar als we naar het centrale altaartje kijken waarop Oppermann tekeningen naast ander materiaal presenteert. De sacrale vorm, de bekleding, de belichting van onderuit, de expliciete manier waarop beelden en objecten uitgestald staan, én de acribisch natuurgetrouwe stijl van de tekeningen: alles nodigt uit tot concentratie en wekt het verlangen naar begrip en inzicht op. De tekeningetjes zijn echter te talrijk, de details te veelvuldig en de perspectieven te gevarieerd – ook omdat in de hoeken en tegen de zijwanden eveneens tekeningetjes staan opgesteld. Door een té grote observatiedrift valt elk ‘begrip’ in caleidoscopische scherven uiteen.

Ook die dialectiek heeft een huishoudelijke kant. Hoewel de kleinburgerlijke tafelkleedjes verdwijnen, wordt het altaartje nog bijna altijd bekleed. Het gebaar van het bekleden is intiem verbonden met de noodzaak het meubilair te beschermen en krassen en vlekken weg te stoppen. De expliciete ‘uitstalling’ door Oppermann wordt vaak – terecht – vergeleken met presentaties van memorabilia en foto’s op de buffetkast of de schouw. De opbouw tegen de wand, uitlopend op podia en Ensemblevloer, verleent het Ensemble het karakter van een ‘decor’ – zonder acteurs, of met beelden en teksten in plaats van acteurs. Oppermann verwijst daar soms expliciet naar, met als voorbeeld Ensemble mit Dekor. Het inrichten, aankleden en ‘decoreren’ van het interieur is in onze patriarchale samenleving altijd ‘vrouwenwerk’ geweest.

Lange tijd beschikte Oppermann niet over een atelier. Het verhoogje waarop het stilleven met de Ausgangsobjekte (startobjecten’) stond, was vermoedelijk letterlijk een keuken- of eettafel. Zonder room of one’s own aan een oeuvre werken is erg moeilijk, en dat geldt allicht nog meer voor kunstenaars dan voor schrijvers. Of Oppermann daaronder leed, maakt niet zoveel uit – het huis was ‘ruim genoeg’, laat ze zich in een gesprek met Margarethe Jochimsen ontvallen. Toch heeft het samenvallen van atelier en huis er vermoedelijk toe bijgedragen dat niet alleen de thema’s of de iconografie, maar ook de vorm van de Ensembles ‘huishoudelijk’ werden. De orde en structuur die Oppermann aanbrengt om haar innerlijke huishouding te overzien, gaan lijken op de inspanningen van de huisvrouw om het huis ordelijk, netjes en ‘presentabel’ te maken voor als er bezoek komt. De kleedjes en vooral de losse en kwetsbare opstelling van de tekeningetjes verraden de fragiliteit van die inspanningen, die telkens weer ongedaan worden gemaakt als de ‘huisvrouw’ aan andere huishoudelijke taken moet beginnen, of als man en kind het huis binnenstormen.

In dat verband valt ook de plaatsing van het altaartje op. Een altaar wordt gewoonlijk in het midden van de ruimte geplaatst, iets voor de achterwand, zodat het een centrum vormt en een sacrale zone afbakent. Oppermanns ‘altaartjes’ staan doorgaans in de hoek. Een hoek is geen centrum, maar een plek waarin door de aaneenvoeging van twee wanden, een vloer en een plafond, zoiets als een ruimte ontstaat. De onstuitbare beeldenstroom van de Ensembles lijkt als het ware uit die hoekspleet voort te komen.

Ook als het altaar tegen de achterwand staat, wordt de status ervan als rustpunt en spiritueel centrum tegengesproken. De opstelling van beelden en ‘beeldjes’ in de hoek aan de zijkant van het ‘altaarblok’, op verhoogjes ernaast, en ook de algehele uitzaaiing van de beelden, breken de gerichtheid van de blik op het centrum open. Op de vloer neemt die aanwas vaak dusdanige vormen aan dat de beelden op het altaartje nog slechts van een grote afstand kunnen worden bekeken. Ze zijn nog amper leesbaar. Het ‘controleverlies’ van de (huis)vrouw wordt zo lijfelijk op de toeschouwer overgedragen.

In de tekening/lithografie Ohne Titel (Bild!) werd de hoek opgeroepen door de knik in het lege beeldkader tussen de opengespreide beentjes van de (barende) M-vrouw. Die benen zijn in de Ensembles muren geworden. De hoek ‘spuwt beelden uit’ over de muren en de vloer. De Ensembles verbeelden – net als de M-vrouw – de geboorte van het beeld. Ze suggereren de onachterhaalbare ‘oersplijting’ die elk beeld of kader doorsnijdt en die het ‘kaderen’ en ‘beeldenmaken’ aan de gang houdt. Niemand kan die splijting (die ‘geboortelijkheid’) in de ogen kijken. Ook daarom moet de hoek door een altaartje worden afgeschermd en wordt het doorgaans bedekt. Is het altaartje onbekleed, dan wordt de hoek – of de ruimte onder het altaartje – vaak door de overvloed aan beelden ‘dichtgestopt’.

Beeldjes zijn voorts opgesteld in allerlei krochten en uithoeken, in de opbergruimte en laden van een kast, op plaatsen rond het altaar die je amper kan zien. Of ze staan op tafeltjes, podiumpjes en nevenaltaartjes en onttrekken elkaar aan het zicht. Bij Paradoxe Intentionen. Das Blaue vom Himmel herunterlügen (1988-1992) vindt een deel van de beeldjes een onderkomen in een geïmproviseerde uitbouw van oude vensters, achter de linkerwand naast het altaar. Wie vóór het Ensemble staat, kan de beelden amper lezen; aan de achterkant – ‘achter de coulissen’ van het Ensemble – kan je er een schuine, ‘verstolen’ blik op werpen.

De ‘(huis)vrouw’ heeft met de hoek (en andere verborgen plekken en krochten in het huis) een intieme en tegelijk van haat en paniek doortrokken relatie. De hoek is de plek waar ze dingen wegmoffelt waar ze van af wil, want er is te weinig bergruimte of de vuilniskar komt nog niet… Het is altijd vuil in een hoek. Het is de eerste plek waar ongezellige indringers – muizen bijvoorbeeld – te verwachten vallen. Kortom: in de hoek begint de ineenstorting van het ‘rijk der huisvrouw’.

Uiterst suggestief is wat dat betreft de Schachtel in der Ecke (‘doos in de hoek’) uit Problemlösungsauftrag an Künstler (Raumprobleme) (1978-1984) – een Ensemble dat teruggaat op een uitnodiging van Margarethe Jochimsen, toenmalig directeur van de Kunstverein van Bonn, aan 37 kunstenaars om zich uit te spreken over de noodzaak van een Bundeskunsthalle. De doos fungeert in de eerste plaats als een concrete voorstelling van ‘ruimte’, het thema van het Ensemble. Maar een doos is ook een huishoudelijk object om dingen op te bergen. Op de doos ligt een bloemblad van een tulp, de referentieplant van Oppermann. In een commentaar uit 1982 merkt Oppermann op dat de doos, in combinatie met de ‘citaten over atoombunkersituaties’ eromheen, iets bedreigends kan hebben. Het tulpenbloemblad kan doen denken aan verdorven, verwelkte natuur, of aan een sprookjesachtige situatie: in de doos woont een elfje dat af en toe op het dak kruipt om in het tulpenbloemblad te zonnen. In een andere context – zoals de tentoonstelling Typisch Frau te Regensburg, waar in 1982 een gereduceerde versie werd getoond – zou de doos voor het ‘ruimte omsluitende symbool van vrouwelijkheid’ kunnen staan. De doos is dus een huishoudelijk object, een zelfportret én een symbool voor (de bedreigende binnenkant van) de vrouw. De huishoudelijke ‘doos met rommel in de hoek’ en het beeld van de vrouw-moederschoot komen als een dubbele doos van Pandora op elkaar te liggen.

De open en ‘desastreuze’ vorm van de zich uitzaaiende Ensembles is op die ‘hoekspleet’ terug te voeren. De Ensembles zijn ‘in zichzelf gespleten’. Het verlangen om greep te krijgen op een probleem drijft Oppermann ertoe om gedurig ‘voorstellingen’ of ‘betekeniskaders’ aan te maken; de selectie en fragmentatie waartoe elk kader leidt, roept telkens weer de behoefte aan nieuwe, aanvullende of ‘ruimere’ kaders op. Zo zet het Ensemble zich in een voortdurend van zichzelf afsplijtende beweging verder. Na de meditatiefase volgt een tweede fase (Katharsis) waarin Oppermann vrije en ‘wilde’ associaties bij de ‘startobjecten’ maakt, in een poging zich los te maken van overgeleverde normen. Slechts een klein deel, zo merkt ze droogjes op, komt in het Ensemble terecht, omdat de resultaten ‘vaak te privaat, te onnozel of te triviaal zijn’. In de derde fase (‘Reflectie en feedback op afstand’) maakt Oppermann foto’s en tekeningen om ‘afstand te creëren’ en ‘overzicht te bieden’, en verzamelt ze citaten uit de sociologie, psychologie, filosofie… Tot slot omvat de vierde fase (‘Analyse, in een poging om tot een globaal overzicht te komen’) onder meer het ‘samenbrengen van details en voorlopige resultaten in groepen’; het confronteren van die resultaten met ‘verschillende referentiekaders’ en ‘waardesystemen’ met behulp van teksten uit de filosofie, psychologie en sociologie; het ‘accentueren via vergrotingen (fotodoeken op groot formaat, beelden) en abstraheren in samenvattingen (verkleiningen) in de vorm van foto’s van de fases’; en het tot stand brengen van een ‘globaal overzicht’ (Gesamtbezug). In de vierde fase lijkt het Ensemble zich als een omvattend arrangement, een geheel van verbanden in de ruimte te materialiseren. Op de zijwanden keren motieven van de kleine tekeningetjes en opnames van de Ensembles terug op foto’s en vooral op fotodoeken. De koppeling van onderzoekresultaten met ‘verschillende referentiekaders’ leidt tot een intertekstueel lappendeken van tekstfragmenten – knipsels, notities, citaten – die in diverse richtingen tussen de foto’s en ander (beeld)materiaal zijn gelegd.

Omdat elk kader tegelijk ontkaderend werkt, zijn de Ensembles structureel open. Die openheid wordt het meest tastbaar in de rafelranden aan de linker- en rechterkant van beide muren en aan de rand van de Ensemblevloer. In de tentoonstelling in Bonn werd die openheid nog geaccentueerd doordat de omkaderende informatie – titelkaartjes, thema’s en trefwoorden, citaten en toelichtingen – op een plagerige manier in de rafelranden en zo haast ín de Ensembles waren geschoven: de kaderende activiteit van Oppermann werd op een bijna logische manier in de omkaderende activiteit van de curatoren voortgezet. Een dergelijke nabootsing van een artistieke praktijk is vaak riskant en misplaatst, maar het werkte perfect. De onafsluitbaarheid van het werk verklaart ook waarom veel Ensembles over Bezugsensembles (rond een aanverwante problematiek) beschikken of – zoals de planten die er steevast in terug te vinden zijn – Filiationen voortbrengen, kleinere ‘aftakkingen’.

Nochtans cultiveert Oppermann de openheid van het werk niet. Zoals ze zelf aanstipt, wordt haar methode gekenmerkt door een dialectiek van middelpuntvliedende en middelpuntzoekende krachten – van ‘polyfoon uitdeinen’ en ‘samenvatten’. De chaos als gevolg van de uitbreiding van een Ensemble wordt telkens weer beantwoord door pogingen om de chaos in te dijken. Zo maakt Oppermann in de vierde fase kleine en grote ‘overzichtsfoto’s’ van het Ensemble. Zoals ze aangeeft, zijn sommige details in deze Zustandsphotos zo klein dat ze voor een buitenstaander ‘niet meer herkenbaar of begrijpelijk zijn’. De toevoeging van de overzichtsbeelden aan de Ensembles maakt hen… onoverzichtelijker. Oppermanns regel dat ‘elk Ensemble een foto van een Ensemble-opbouw moet bevatten’ schrijft de ‘immanente explosie’ van het Ensemble in haar methode in.

De ‘huisvrouw’ zit in eenzelfde dialectiek gevangen. Het verlangen naar huishoudelijke orde paart ze aan het ongelukkige besef dat elke orde op instorten staat, waardoor ze weer van voren af aan moet beginnen. Ze moet de orde in huis bewaren én het leven in huis ruimte geven. Ze moet toelaten dat de orde wordt vernietigd zonder op die orde af te dingen – ruimte geven aan het leven in huis is iets anders dan alles op z’n beloop laten. Dit beurtelings indammen en loslaten, dit organiseren van de ontsporing die het leven is, kan enkel een onmogelijke evenwichtsoefening zijn. Het geeft haar praktijk het karakter van sisyfusarbeid, te herkennen in het ‘groeimodel’ van de Ensembles. De groei van de Ensembles is niet lineair, maar cyclisch, en kan beschreven worden als een spiraalsgewijs ‘uitdeinen’ dat telkens weer met dezelfde bewakende ‘zorghandelingen’ wordt afgewisseld – samenvatten, ‘reduceren’ om het ‘overzicht te bewaren’… De zorghandelingen herhalen zich, maar door de groei die het Ensemble doormaakt, doen ze dat altijd op een andere en ietwat ‘verschoven’ manier. Huishoudelijke arbeid is repetitief, maar wordt nooit routineus. Het besef van die uitzichtloze en onvoorspelbare bijna-herhaling ligt mee aan de bron van de structurele ironie in Oppermanns werk, die vaak expliciet uit haar commentaren opborrelt. Ze zou ook een uitgelezen overlevingsstrategie van de (zelfbewuste) huisvrouw kunnen zijn.

Tastbaar wordt het bewustzijn van die entropische dialectiek in een andere ‘activiteit’ uit de eindfase, op de dunne grens van orde en wanorde: het ordenen en ‘arrangeren in de ruimte’ (Oppermann) van het materiaal; het zoeken naar een passende ‘schikking’. Dat ordenen, schikken en arrangeren brengt ons bij de unieke samenhangsvorm van het Ensemble.

Elk kunstwerk sticht samenhang. Bij traditionele kunstwerken wordt die door de discipline en haar conventies, maar ook door het ‘kader’ gegarandeerd: de lijst rond het schilderij, de sokkel onder de sculptuur. In modernistische vormen als montage of assemblage komt de samenhang onder druk te staan, maar die spanning wordt pas voelbaar doordat de onderdelen ‘samengedwongen’ en vastgemaakt zijn. De installatievorm laat die (materiële) samenhang los. Dingen, beelden en betekenissen hangen doorgaans alleen maar samen op grond van conceptuele verbanden, die vaak door performatief denkwerk van de toeschouwer worden geactualiseerd.

Oppermann schept een unieke en hybride tussenvorm. Ze laat beelden, dingen en teksten met een ontroerende schroom voor ‘vastgeklonken relaties’ in de ruimte samen bestaan. Niets wordt vastgemaakt. Alles ligt los. Kleine beelden worden vaak met speldjes of een houten blokje (Holzklötzchen) op hun plaats gehouden. Het kleinste zuchtje wind kan de broze verbanden van het Ensemble doen uiteenwaaien, maar gelukkig zitten musea potdicht – dat zou je het ‘museale’ bewustzijn of de institutioneel-kritische dimensie van haar werk kunnen noemen.

Tegelijk houdt Oppermann vast aan ‘het kader’. Ze blijft het idee koesteren dat het kunstwerk een ruimte afbakent. De obsessie voor het kaderen (als basisoperatie van het beeld) zet zich voort in hoe het Ensemble beschermd en afgeschermd wordt. De fotodoeken hangen aan de wand, zoals conventionele schilderijen. Het materiaal op de grond dringt in de ruimte door, maar bakent ook een zone af: het ligt op een dunne, wit of zwart geschilderde ‘Ensemblevloer’ of wordt door markeringen op de grond van de toeschouwersruimte gescheiden. Het resultaat is in de literatuur omschreven als een ‘ruimtecollage’. Het twijfelt subtiel tussen de tweede en de derde dimensie – of tussen het mediumgebonden kunstwerk, verankerd in een eigen ruimte, en het ‘postmediale’ kunstwerk dat het kader loslaat. Het leven moet ruimte krijgen, maar tegelijk kan het niet dat meubels en dingen in de weg staan of op de grond rondslingeren. Die angstige bezorgdheid maken de Ensembles voelbaar, en ze wordt tastbaar in de zorg waarmee een conservator een Ensemble – en in het bijzonder het levende materiaal van de ‘referentieplant’ – moet omringen. Bij elke interpretierende Neuinstallation moet die zorg een intense vorm aannemen, doortrokken van de neuroses van de huishoudelijke praktijk. Bewaren en zorg dragen – conserveren en cureren – zijn in onze cultuur handelingen waarin een ‘vrouwelijke’ en ‘huishoudelijke’ gendercode verborgen zit. Bij Oppermann vormen ze de voortzetting van haar artistieke project.

Een ‘goede huishoudster’ strijdt tegen de wanorde en is passioneel aan orde en samenhang gehecht. De cultus van de ‘improvisatorische vrijheid’ is Oppermann vreemd. Ze ordent, schikt, groepeert, ruimt en bergt op met een niet-aflatende obsessie voor verbanden. Tegelijk weet ze dat alle dingen vanuit ‘huishoudelijk perspectief’ loszitten, dat er altijd nog een andere ordening mogelijk is, die overzichtelijker zal zijn en waardoor de gezinsleden de dingen bijvoorbeeld nog beter zullen terugvinden. Ze weet vooral dat het ordenen een manier is om zorg te dragen voor het leven in huis en dat ware ‘zorg’ zich ook – op vrijwillige basis – in het exces van dat leven moet laten meesleuren. Elke huishoudelijke orde is ‘implosief’. Daarom wordt elke orde in de Ensembles op zijn immanente wanorde opengehouden. Niet voor niets heeft het woord ‘huishouden’ twee betekenissen die elkaar uitsluiten.

Als alles netjes is opgeruimd, kan de ‘huisvrouw’ aan de verfraaiing van het interieur denken. Maar niet alleen het interieur, ook zijzelf moet ‘presentabel’ zijn. Dat ritueel van de opsmuk voor de spiegel gaat evenzeer met angst gepaard, voor rimpels en kraaienpootjes, en voor andere symptomen van het organische leven dat door het ‘beeld’ van het gezicht heen breekt. Oppermann is altijd gehecht gebleven aan ‘handwerk’. Tekenen laadt de voorstelling (ook) op met lichamelijk contact; het ritselende, krassende (kleur)potlood verandert de drager in een huid. Het doet denken aan de lijntjes en strookjes getekend op een gezicht, met make-up. En Oppermann gaat verder, want net zoals de ‘(huis)vrouw’ zich opmaakt voor de spiegel, retoucheert of maquilleert ze de huid van de fotodoeken met kleur. In veel Ensembles – het opvallendst in Portrait Herr S., dat niet toevallig over seksualiteit gaat – bloeit het complexe ‘wandtapijt’ van aaneengeschakelde fotodoeken op, door kleuraccenten en -partijen in vleeskleuren als roze, rood of roodpurper. Zelfs voor de vele handgeschreven tekstcitaten gebruikt Oppermann rozig rood. Het is moeilijk om daarbij niet te denken aan de gepassioneerde, maar ook extravagante en subversieve manier waarop Oppermann de kunst van de make-up beoefende. Een staalkaart daarvan kan worden bewonderd in Anna Oppermann 1965-1975, een gigantisch fotomozaïek van zelfportretten – en een alleenstaand werk in haar oeuvre – dat aan het begin van de tentoonstelling werd gepresenteerd. Misschien niet toevallig oogt de opzichtig geschminkte Oppermann op veel van die foto’s als een triestige Pierrot. De vlees- of bloedrode beschilderingen roepen nog een andere ‘activiteit’ op, waar de (huis)vrouw nog minder controle over heeft: het menstrueren. Net als de kringloop der ‘huishoudelijke zorg’ is die cyclus uitzichtloos, repetitief en toch nooit helemaal voorspelbaar. Het drijft de huisvrouw op eenzelfde manier tot wanhoop.

De gevoeligheid voor opsmuk heeft er wellicht toe bijgedragen dat Oppermann voor late Ensembles vaker naar de schilderkunst greep. Voorbeelden in de tentoonstelling waren Mythos und Aufklärung (1985-1992) en Paradoxe Intentionen, over de schijn of de noodzakelijke leugen van de kunst, en een Ensemble dat via het beeld van de ‘naar beneden getoverde’ blauwe lucht bij de vroege tekeningen aansluit. Al had haar gezondheid daar veel mee te maken: in 1988 ontwikkelde ze een agressieve kanker, die ze aan het onbeschermd experimenteren in het fotolabo toeschreef. Waarna ze het labo sloot en zich tot andere media – zoals teken- en schilderkunst – wendde.

In ‘Das, was ich mache, nenne ich Ensemble’, een van de toelichtingen bij haar ‘methode’, stelt Oppermann dat ze systematisch naar kennis streeft, maar dat haar praktijk van wetenschap verschilt ‘doordat ik mezelf er niet buiten houd (mijn persoonlijke zorgen, gevoeligheden, enz.)’. Haar oeuvre thematiseert die verwevenheid. In de tekeningen gebeurt dat via het motief van de (huis)vrouw, die onderaan zit of in het beeld kantelt. In de latere conceptuele tekeningen herneemt Oppermann de benen en voetjes onderaan én het drielobbige silhouet of ‘hoofd-schootmotief’. De contouren worden naar boven toe – als kringen in het water – in steeds wijdere omtrekken herhaald. Elke ‘kring’ staat voor een onderdeel van de Ensemble-methode, dat verduidelijkt wordt met tekst. Het Methodendiagramm verbeeldt zo niet alleen het ‘polyfoon uitdeinen’ van het Ensemble, maar ook de intieme en lichamelijke investering die ermee gepaard gaat.

In de Ensembles is er de meermaals terugkerende (en doorgaans rode) contourtekening van een achterwerk of een taille met beentjes, getekend op het boven- en zijvlak van een wit zitblok. Soms is dat ‘lichamelijke onderstel’ náár het Ensemble gericht; in dat geval lijkt het uit te nodigen om het Ensemble (in gedachten) vanaf dat witte zitblok te bekijken. Elders is het silhouet naar de toeschouwer gekeerd, en is het alsof de vrouw ‘in’ het Ensemble zit en er deel van uitmaakt. En dan zijn er nog de talrijke Ensemble-beelden waarop Oppermann zelf te zien is. In Der Ökonomische Aspekt vormt ze – naast Dieter Roth en de Berlijnse fotograaf Peter Schönherr – een van de ‘acteurs’ die op fotodoeken de kunsthandelaar vertolken. In Herr S. kruipt ze vermoedelijk zelf – het hoofd is onherkenbaar gemaakt – door het beeld, de rechterarm voorwaarts gestrekt, reikhalzend naar genegenheid. Een nog sprekender voorbeeld is een aantal foto’s uit het immense Ensemble Anders Sein (‘Irgendwie ist sie so anders…’) (1970-1986). Oppermann neemt telkens plaats in de hoek, voor het altaar, waar de stroom van beelden en informatie over de wanden en vloer ‘uitgutst’. In elk beeld wordt haar gezicht op een of andere manier uitgewist of onherkenbaar gemaakt: haar dat voor het gezicht valt, een hand die het gelaat bedekt, of de flou van de foto, omdat ze het hoofd tijdens de sluitertijd bewoog. Het zijn ontroerende beelden door de terloopse manier waarop ze de verdwijning van de kunstenaar in het werk aanstippen.

Want ook dat beeld is slechts een teken, een verwijzing naar een subjectieve en lijfelijke investering, die in wezen tot in de hele structuur van de Ensembles is doorgedrongen. Oppermann of de huisvrouw is ‘zelf’ de orde of wanorde van het Ensemble. Zij is ‘zelf’ de ‘splijting’ die de aanwas van het Ensemble aan de gang houdt. Dat is meteen ook het wezenlijke verschil met het vroege werk. In de tekeningen was de (huis)vrouw een aanwijsbare instantie, gerepresenteerd in het beeld. In de Ensembles heeft ze zich over het hele werk uitgezaaid.

 

Feministische kritiek

Anna Oppermann heeft, bij mijn weten, nooit een punt gemaakt van de feministische inslag van haar werk. Ze brengt geen feministische boodschap. Ze protesteert amper. Ze klaagt niet aan. Ze rammelt niet aan de tralies van haar ‘kerker’.

Al haar werk vertrekt van een onoplosbaar – existentieel én artistiek – probleem. ‘Onoplosbaar’ omdat het haar niet van buitenaf overkomt. Het is al bij voorbaat, op intieme wijze, met haar bestaansconditie verweven. Protesteren heeft geen zin. De reactie van Oppermann bestaat uit een ‘stille’ en ingetogen, maar insisterende poging om te begrijpen. ‘Wat doe ik hier?’ ‘Wat is dit: ‘hier’?’ Dat zijn het soort basisvragen waarvan ze vertrekt, als ze in het midden van de jaren zestig in haar keuken zit. Er is geen ontsnappen mogelijk. Zelfs de blauwe lucht is een product van haar (huishoudelijke) geest: een droombeeld, geen reële ontsnappingsroute. Want haar kerker bevindt zich niet rond haar, maar ín haar. Ook dat geeft betekenis aan de intrusie van de (huis)vrouw in de vroege tekeningen. Het verklaart waarom haar kijkende lichaam wordt meegesleurd in de capriolen die ze met de spiegel opwekt.

De vroege Ensembles etaleren het duidelijkst een feministisch bewustzijn. De titels en de motieven – miniatuurkeukenmeubels, vrouwelijke toiletbenodigdheden, de stereotiepe iconografie rond de vrouw – zijn duidelijk. De timing – 1968 – werkt bevestigend; de ‘tijdgeest’ heeft een rol gespeeld. Maar zelfs in deze Ensembles heeft de intiem-implosieve dialectiek de bovenhand op het verlangen ‘uit te breken’. De ‘angeltjes’ in Frauen wie Ängel zijn door woordspelingen ingegeven. Ze verraden het analytische streven van Oppermann om via de binaire en oppositionele structuur van de taal, en langs de weg van de vrije associatie, iets over haar situatie te weten te komen. Wat zo diep in de taal (en in de associatieve kronkelwegen van Oppermanns psyche) verankerd zit, kan niet zomaar worden afgeschud. Zelfs de ‘explosie van de keukenmeubels op de keukentafel’ uit Hausfrau sein – het beeld dat wellicht het meest doet denken aan feministisch protest – is door de ‘miniaturisering’ van de recalcitrante geste (het gaat om meubels uit een poppenhuis) en door de presentatie als schoolplaat van ironie doortrokken. Het stelt de eigen futiliteit te kijk.

Net het verdwijnen van de expliciete tekens van engagement stelt de bijdrage van Oppermann aan het feminisme als een emancipatorisch, cultureel en intellectueel project in het volle licht. Die bijdrage schuilt niet zozeer in de thematiek, maar in de intieme en lichamelijke verwevenheid tussen onstilbare kennisdrift en huishoudelijke entropie die de Ensembles hun implosieve samenhang geeft.

Vanuit feministische hoek wordt sinds decennia kritiek geleverd op het binaire denken en de stereotypen en rolpatronen die de vrouw gevangen houden in een patriarchaal systeem. Natuurlijk is die kritiek terecht en belangrijk. De emancipatie van de vrouw – die allesbehalve voltooid is – is een van de belangrijkste emancipatorische projecten van de moderniteit. Vrouwen hebben zich daardoor – onder meer – uit het korset van de ‘huisvrouw’ bevrijd.

Sinds ruim een halve eeuw is dat intellectuele en emancipatorische project doorgedrongen in de kunstwereld – al konden ook eerder heel wat oeuvres (van Angelika Kauffmann over Mary Cassatt, Paula Modersohn-Becker en Suzanne Valadon tot Louise Bourgeois) eraan gerelateerd worden. Tegelijk worden in de kunstwereld en daarbuiten ‘vrouwelijke’ (en ‘huishoudelijke’) noties als ‘zorg’ en ‘reproductieve arbeid’ als ‘positieve waarden’ op de agenda gezet. Zij worden naar voren geschoven als kritisch alternatief voor een patriarchaal waardestelsel, dat aan noties als ‘productie’, ‘creativiteit’ en ‘genie’ is opgehangen. Maar door het patriarchaat van antwoord te dienen met waarden die traditioneel met vrouwen zijn verbonden, stelt dat discours zich bloot aan de kritiek dat het patriarchale clichés en stereotypen rond vrouwelijkheid bevestigt.

Anna Oppermann compliceert dat debat door de twee opties dialectisch op elkaar te betrekken. In haar diepe en fundamentele onvrede met haar sociale positie neemt ze deel aan het emancipatorische project van de vrouw. Maar het innige verbond tussen kennisdrift en huishoudelijke logica in haar werk leert tevens hoe diep de problemen waar vrouwen zich tegen afzetten verankerd zijn in hun historische subjectiviteit. Elke emancipatorische geste moet daarom beginnen met een zelfanalyse, die noodzakelijk ook een historische, sociale en politieke analyse zal zijn. De leuze ‘het persoonlijke is politiek’ neemt Oppermann radicaal ernstig.

Tegelijk weigert ze een zorglogica te promoten als positieve tegenkracht. Alles in haar werk is van die logica doortrokken, maar niets wijst erop dat Oppermann het huishoudelijke en ‘huisvrouwelijke’ als iets ‘positiefs’ beleeft. Daarvoor weet ze zich te zeer verstrikt in de dialectiek van orde en wanorde die eigen is aan die besognes. Het ‘huishouden’ is een pathologische basisstructuur die ze nooit zomaar kwijtraakt. Het enige wat ze kan doen is die pathologie tot cultuur maken en – als kunstenaar – ‘sublimeren’.

Op dat moment krijgen de unieke samenhangsvorm en de weergaloze sensibiliteit van de Ensembles een bijna utopische betekenis. De Ensembles suggereren dan de mogelijkheid van een andere samenhang tussen mensen, ideeën en dingen. Een samenhang die de vrouw niet alleen emancipeert binnen de grenzen van een patriarchaal systeem, maar die de contouren suggereert van een ander, radicaler en fundamenteler feministisch project: een dat de emancipatie van de ‘andere sekse’ verbindt met de – zwak trillende en makkelijk wegwaaiende – belofte van een andere wereld.

 

Literatuur

Dan Byers (red.), Anna Oppermann. Drawings, Los Angeles, Inventory Press, 2019.

Friedrich Meschede, Meta Marina Beeck (red.), Anna Oppermann. Künstler sein, Keulen, Walther König, 2019.

Ute Vorkoeper (red.), Anna Oppermann. Paradoxe Intentionen, Brussel, Edition Lebeer Hossmann, 1998.

Ute Vorkoeper (red.), Anna Oppermann. Ensembles 1968-1982, Ostfildern, Hatje Cantz, 2007.

Ute Vorkoeper, Anna Oppermann. Neverending Paradox. Filosofische ensembles van de late jaren ’80, Gent, S.M.A.K., 2019.

 

• Anna Oppermann. Eine Retroperspektive, van 12 december 2023 tot 1 april 2024, Bundeskunsthalle, Helmut-Kohl-Allee 4, Bonn.

 

Een huis voor vele Ensembles

Voor de retrospectieve Anna Oppermann. Ensembles 1968 bis 1984 in de Kunstverein Hamburg in 1984 ontwierp Anna Oppermann een compacte scenografie. In elke ruimte staan een of meerdere Ensembles, naast kleiner werk en diaprojecties met beelden van niet-opgebouwde Ensembles. Volgens Herbert Hossmann, sinds 1977 haar levenspartner, moet dit ontwerp op een narratieve manier worden gelezen. De bezoeker wordt via deurbrede openingen door een ‘huis met meerdere kamers’ geleid, en elke kamer kan aan een huiselijke functie worden gekoppeld. Portrait Herr S., dat over seksuele relaties gaat, staat voor de slaapkamer. In de kinderkamer bevindt zich Digitalis Purpurea, een Ensemble vol verwijzingen naar sprookjes. Cotoneaster horizontalis (Antikommunikationsdesign) (1982-1984) – over Oppermanns relatie met studenten aan de Bergische Universität te Wuppertal, waar ze van 1982 tot 1990 communicatiedesign doceerde – kan aan de werkruimte worden gekoppeld. Ecke am Fenster staat voor de keuken – Oppermann liet onder meer de ‘vensterhoek’ uit haar eigen keuken nabouwen.

In de catalogus bij de recente tentoonstelling in Bonn wordt het boek bij de retrospectieve in Hamburg overgenomen. Daar is veel voor te zeggen. Het boek uit 1984 is ook tweedehands nog amper te vinden en vormt een onmisbaar document. Alle tot dan toe opgestarte Ensembles worden er – vaak uitvoerig – in gedocumenteerd, als in een catalogue raisonné van het Ensemblewerk tot 1984. Het is goed gevuld met essays (van onder anderen Hans Peter Althaus, Bazon Brock en Manfred Schneckenburger) en tekstfragmenten. Oppermann komt overvloedig aan het woord, in een gesprek met Margarethe Jochimsen, in haar tekst ‘Das, was ich mache, nenne ich Ensemble’ en in talrijke tekst- en interviewfragmenten.

Wat de makers van Anna Oppermann. Eine Retroperspektive in Bonn daar aan toevoegen, valt bij die herdruk – en bij hun zeer verzorgde en didactisch goed omkaderde tentoonstelling – wat mager uit. Na een voorwoord en inleiding volgt een uitgebreide fotodocumentatie van de tentoonstelling. In plaats van essays bevat het boek daarna enkel een geïllustreerde chronologie: ‘In Umlauf bringen. Biographische Anmerkungen von Anna Schäffler und Susanne Kleine mit Notizen von Herbert Hossmann’. Alsof er over het werk niets substantiëlers meer te zeggen valt. Alsof nieuwe interpretaties en discoursen niet nodig zouden zijn.

De herdruk van het boek Anna Oppermann. Ensembles 1968-1984 was met name een goede gelegenheid geweest om een thema uit te diepen dat door het tentoonstellingsconcept van 1984 op een schoteltje wordt aangeboden: de relatie met het huis(houd)elijke in Oppermanns werk. Tijdens haar residentie in Firenze in 1977 zou Oppermann – zo staat in de ‘Biographische Anmerkungen’ – het idee van het ‘huis met vele kamers’ hebben ontwikkeld. In het gesprek met Jochimsen uit 1984 merkt de kunstenaar op dat ze voor haar werk een ‘groot huis met minstens vijftig kamers’ nodig zou hebben – in de catalogus uit hetzelfde jaar staan niet toevallig evenveel Ensembles. Oppermann heeft ruimte nodig om aan de Ensembles te kunnen blijven werken. Het ‘huis met vele kamers’ is met andere woorden haar ideale atelier… dat ze toch als een huis blijft karakteriseren.

Heel wat (kleine) Ensembles zijn in private, huiselijke ruimtes terechtgekomen. Harald Szeemann vroeg ooit aan Oppermann om een Ensemble te maken voor zijn woning, maar dat plan werd nooit gerealiseerd. Portrait Herr S. (1969-1989) stond eind jaren tachtig drie jaar lang in een gastenkamer van ‘kunsthotel’ Teufelhof in Basel. Het liep uit over de wanden en het plafond, zodat hotelgasten ernaar konden kijken terwijl ze op bed lagen. Niet zozeer de presentatie van de Ensembles is echter huiselijk van aard – sommige Ensembles zijn trouwens onhuiselijk groot – vooral het werk eraan is dat. Een notitie over Oppermanns ‘installatiepraktijk’ in de ‘Biographische Anmerkungen’ kan dat staven. Schäffler en Kleine:

‘Het plaatsen van de afzonderlijke elementen op de sokkels en tafels vereist een overwegend gebogen of geknielde houding. Omdat de opbouwfase meestal meerdere dagen duurt, is de installatie altijd een fysieke uitdaging. Concreet betekent dit het aannemen van verschillende houdingen – knielen, zitten, hurken, staan, strekken, balanceren, vooruit en achteruit stappen – om het materiaal te ordenen. Metgezellen melden Oppermanns typische zuchten en kreunen waarmee de realisatie gepaard gaat.’

(Nog nooit heeft het werkproces van een kunstenaar mij zo aan mijn moeder doen denken die, nadat ze mijn vader huwde, haar hele leven huisvrouw bleef.) De passage vervolgt met een uittreksel uit een brief van Hossmann aan René Block, curator van de tentoonstelling Art Allemagne Aujourd’hui (1981) in Parijs:

‘Voor alle tentoonstellingen in de afgelopen jaren heeft Anna een installatievergoeding of een passende bijdrage in de onkosten ontvangen. Ze heeft minstens een week nodig om de tentoonstelling op te zetten. Het is zwaar werk dat regelmatig leidt tot een bijna totale fysieke en mentale uitputting. Dit werk is nog het best te vergelijken met het werk van een performancekunstenaar. Voor zover wij weten, zou het vandaag de dag ondenkbaar zijn om een bekende performancekunstenaar niet te honoreren.’

Men zou ook kunnen denken aan de discussie over de honorering van huishoudelijk werk, in de marge van de geschiedenis van feminisme en vrouwenemancipatie. Een notitie van Anna Schäffler (ook auteur van een proefschrift over Oppermann), geciteerd in de Biographische Anmerkungen, gaat over de naamsverandering van de kunstenaar, die aanvankelijk Regina heette: ‘Anna wilde geen Regina = heerseres zijn. In plaats daarvan koos ze voor een voornaam die ze associeerde met werk dat als vrouwelijk en sociaal ondergewaardeerd werd gezien, zoals dat van een schoonmaakster of dienstbode.’

Een andere opmerking uit de inleiding van curator Susanne Kleine verklaart dan weer de schroom om met dat soort vingerwijzingen aan de slag te gaan: ‘In 1972 en 1974 toont [Oppermann] haar vroege Ensembles voor het eerst in Trier en Hamburg, en duikt de denigrerende term ‘huisvrouwenkunstenares’ in de kritieken op.’ Negatieve, ja seksistische kritiek kwam al aan bod in de catalogus Anna Oppermann Ensembles 1968-1992, van de retrospectieve in de Württembergischer Kunstverein in Stuttgart in 2007, waarin curatoren Hans D. Christ en Iris Dressler bespraken hoe critici termen hanteerden die met stereotiep ‘vrouwelijke’ eigenschappen of lage vormen van werk kunnen worden geassocieerd. De Ensembles zouden ‘pure accumulatie’ zijn en getuigen van ‘monomane vlijt’. Eduard Beaucamp, criticus van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, herkende een ‘algemene trend tot het conservatieve, het zeker stellen van wat voorhanden is’ in haar werk. Oppermann was voor hem een kunstenaar die zich bezighield met het ‘verzamelen in plaats van uit te vinden en te construeren’.

Dat soort frasen past natuurlijk in een onwrikbaar en normatief patriarchaal discours. Maar wil men er beweging in krijgen, dan moet men het ernstig nemen. Men moet het ‘op zich nemen’, zoals Oppermann de vloek van huishoudelijk werk op zich nam. Dan blijken er sporen in te zitten van de verdrongen ‘onderkant’ die elk ‘uitvinden’ of ‘construeren’ mogelijk maakt: oeconomica, huishoudelijke zorg.

 

Susanne Kleine (red.), Anna Oppermann. Eine Retroperspektive, Dortmund, Verlag Kettler, 2024, ISBN 9783987411076.

Processies en performances. Venetië: België & Nederland

Op de Biënnale van Venetië sluiten zowel België als Nederland aan bij het motto Foreigners Everywhere, maar dan als kritische noot. Het collectief Petticoat Government toont in het Belgische paviljoen zeven reuzenpoppen die ingezet worden bij populaire optochten en die in het voorjaar vanuit verschillende locaties naar Venetië reisden. De installatie is geen expositie van die objecten an sich, maar exploreert met gesprekken, acties en presentaties het bijzondere culturele fenomeen van dergelijke reuzen. Het Nederlandse paviljoen presenteert replica’s van beelden van de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise, ontstaan onder impuls van Renzo Martens. Hij ijvert al sinds 2012 voor een reverse gentrification die de baten van ‘kritische’ westerse kunst ook ten goede laat komen aan de leveranciers van de ‘grondstoffen’, het basismateriaal van die kunst. Dat zijn in de eerste plaats beelden en gegevens over extreme armoede en uitbuiting, maar hij wijst er steeds weer op dat die westerse musea enkel konden ontstaan en gedijen dankzij de fortuinen die voortvloeiden uit die uitbuiting. Martens zelf komt in Venetië niet meer prominent in beeld: het zijn de ex-plantagewerkers van CATPC die zelf hun ontvoogding performen, in woord en (film)beeld.

Op het eerste gezicht is er in het Belgische paviljoen weinig te zien. In het voorportaal ligt een grote stapel kranten, gedrukt op roze papier, waarin het project in vier talen uitgebreid wordt toegelicht. In de grote zaal achter de inkom schragen drie poten, opgebouwd uit standaardprofielen in geplooid staal, een ruimtevakwerk van 5,75 bij 11,5 bij 0,85 meter, dat zo’n 2,5 meter boven de vloer zweeft. Ondanks het simpele basismateriaal is het een complexe, zelfs gewaagde constructie. Op dat ruimtevakwerk staan immers de zeven zware reuzen, uit Baskenland, Frankrijk en vooral België. Petticoat Government onderhandelde met elke reuzenvereniging afzonderlijk over een bruikleen.

Staand onder het vakwerk kan je de verborgen constructie zien van de poppen, in onder meer staal en riet: de petticoats of onderrokken die het reuzenkleed doen uitstaan en de dragers verhullen. Als je rond de structuur loopt, zie je de poppen zoals ze bedoeld zijn, al lijken ze nog indrukwekkender doordat ze van een grote hoogte op je neerkijken. De diversiteit onder de poppen is groot: naast natuurgetrouwe portretten van een wijsgeer (Erasmus) of een naaister, lichte karikaturen van een arbeidster of een motorrijder, zijn er ook fantasiewezens zoals een duivel, een wandelende aardappel of een reuzenknuffel in de vorm van een orang-oetan.

Langs de muren loopt een ouderwetse houten bank, als een uitnodiging om te blijven hangen of om te kijken naar wat onder het vakwerk gebeurt. Een stang voor paaldansen lijkt op een feest te wachten, terwijl de obsederende drums van Senjan Jansen al geregeld weerklinken. Het transparante zeil dat het daklicht van de zaal afschermt is weggenomen, zodat de hemel zichtbaar wordt, alsof deze ruimte zich in de openlucht bevindt. In de grote ruimte achter de middenzaal documenteren kunststudenten ondertussen het proces dat tot deze installatie leidde. De catalogus kan geprint worden, maar dat wordt afgeraden om papier te sparen: het krantje licht alles uitvoerig toe en de rest staat online.

Opmerkelijk is dat de secundaire zalen links en rechts van de hoofdruimte min of meer geblokkeerd zijn. Links hangt net achter de doorgang een groot doek met een geometrisch patroon van gaten: een vlag die bij de reis van de reuzen naar Venetië ook diende als tafellaken bij een halte aan een bevroren meer. De gaatjes duiden aan hoe het doek opgeplooid wordt; het patroon is afgeleid van de middeleeuwse manier om bladspiegels te organiseren door ze te vouwen – low tech, en toch precies. Daarachter hangen roze wimpels, in bizarre vormen. Belangrijker is de film achter de doorgang naar de rechtse zaal, die de voorgeschiedenis van de installatie documenteert: de tocht naar Venetië, de stop aan het meer, het bezoek van de reuzen aan de drukkerij van de krantjes. Het cruciale beeld, dat als een refrein herhaald wordt, toont het moment waarop een vereniging een reus overdraagt. Een kleine jongen stapt in een stuk van de onderrok van de reus en danst er uitgelaten maar sierlijk mee in het rond. Zijn plezier spat van het scherm, als pars pro toto voor het plezier dat de verenigingen die deze reuzen maken en ronddragen scheppen in hun gezamenlijke activiteiten.

Wat betekent dit, op deze plaats in Venetië? Gaat het om volkskunst? Zeker is dat de invulling van het Belgische paviljoen het geesteskind is van een collectief van zeven mensen, niet van een individu. Hun website vernoemt daarnaast tientallen andere medewerkers, zoals de makers van de reuzen zelf. Petticoat Government bestaat uit kunstenaars (Simona Denicolai en Ivo Provoost), een typograaf (Pierre Huyghebaert), een cartograaf (Sophie Boiron), architecten (Valentin Bollaert en Pauline Fockedey) en een curator (Antoinette Jattiot). Het collectief stelt dat de rolverdeling – met een citaat van Marie Preston – geen kwestie was van ‘mixing up practices’ maar wel van ‘de-disciplining them, that is to say of putting them into relationship’. Zo stelt elke praktijk niet alleen de eigen ‘doxa’s’ en het eigen taalgebruik in vraag, maar worden ook andere praktijken op de proef gesteld. Het collectief citeert Donna Haraway: ‘Decisions must be made somehow in the presence of those who will bear the consequences. ‘In the presence of’ requires work, speculative invention, ontological risks.’

Belangrijk is dat de tentoonstelling ‘niets’ oplevert dat verkoopbaar is. De centrale constructie wordt na afloop weer afgebroken en gerecycleerd, de krantjes zijn gratis, de catalogus staat online, de reuzen keren terug naar huis. Toch was elk element van de tentoonstelling het onderwerp van een bijna obsessieve zorg om zo ‘goed’ en ‘inclusief’ mogelijk te werk te gaan en niets te verspillen. Het team werkt alleen met commons, buiten de formats van tech- en andere monopolies. De typografie is non-binair, met common license fonts, de organisatie werkt met eenvoudige e-mailformaten, reizen gebeurde met de trein of, als het niet anders kon, per bus of vrachtwagen, enzovoort.

Het Belgische paviljoen ‘toont’ op die manier kunst als een proces dat geen objecten voortbrengt, maar stappen zet naar, of een voorafbeelding is van een utopische – alternatieve – samenleving. Het creatieve potentieel van de bewoners van die maatschappij wordt aangewend om samen een project op te bouwen als een creatief denkproces dat ‘naar de noden van iedereen luistert’. Het collectief en het web aan relaties vormen daarvoor een proeftuin. Anders dan veel ‘kritische’ kunstenaars stelt het collectief zich dus niet op als ziener of aanklager, maar als een onderzoeker die aanwijst waar de utopie al bestaat, bijvoorbeeld bij de reuzenverenigingen die over heel de wereld bestaan. Petticoat Government neemt afstand van kunst die spreekt over de wereld en die de wereld representeert vanuit een besloten discursieve en sociale ruimte, met vaak grote financiële belangen. Het doel is daarentegen de kunst onbevangen – de-disciplined – met de wereld te vermengen. Dat is een fundamentele kritiek op het biënnalespektakel, zij het bijna achteloos geuit. Vooral het beeld van het dansende jongetje blijft bij – die vreugdedans, die sentimentele ontroering, daar gaat het hier in fine om. Dat beeld is wel goud waard, maar dan enkel figuurlijk.

In het Nederlandse paviljoen wordt wél een formele tentoonstelling georganiseerd. Onder de titel The International Celebration of Blasphemy and the Sacred toont CATPC ruim twintig replica’s in cacao, palmolie en suiker, van beelden die zich bevinden in het white cube museum van de vereniging in Lusanga. De sokkels van ruwe planken benadrukken de even ruwe omstandigheden waarin het CATPC de beelden maakt uit lokaal gewonnen klei. Los van de toelichtingen lijkt het vaak te gaan om gewelddadige taferelen: een kruisiging, een verkrachting, een vrouw die kinderen eet… Veel beelden hebben een fantasmatisch karakter met wezens die half dier, half mens zijn. Er zijn uitzonderingen, zoals een vrouw op een tapijt met een krop groenten in haar ene arm, die met de andere arm een afwerend gebaar maakt. De uitvoering van de beelden is ongekunsteld en direct: de hand van de makers is duidelijk zichtbaar, expressie en verhaal primeren op vormelijk raffinement. Het zou outsider art kunnen zijn, maar dat is niet zo. Uit de verklaringen blijkt dat de beelden (ook) allegorieën zijn van een traumatisch verleden, een moeizame emancipatie, een positiebepaling van de makers in de wereld en een (hoopvolle) toekomstvisie. Vooral de uitbeelding van het verleden blijkt prangend, en in het geval van Forced Love van Irène Kanga, een verkrachtingstafereel, zelfs onthutsend. Dan drijft een andere rol van deze werken naar boven: kunst als een exorcisme van kwade machten – van de koloniale uitbuiting die leidde tot Verelendung van de bewoners van Lusanga.

In de toelichtingen bij de werken klinkt de stem van Renzo Martens nog door, en bij een beeld als Mvuyu Liberator van Blaise Mandefu is die zelfs onmiskenbaar. Een afschrikwekkende vogel pikt alle white cubes ter wereld stuk, de instituties die gedijen dankzij uitbuiting, ‘in order to liberate the energy captured in them and to decolonize plantations’. Martens slaagde er ook daadwerkelijk in om die uitbuiting op lokale schaal om te keren, met de oprichting van een white cube in Lusanga, en met de verkoop van replica’s van de daar geproduceerde kunst in het Westen. Dat bracht zoveel op dat de lokale gemeenschap sindsdien zo’n tweehonderd hectare terug kon kopen van de vroegere palmplantages die de gebroeders Lever (van het latere Unilever) ‘cadeau’ kregen van de Belgische Staat in 1911. Deze monocultuur richtte enorme ecologische schade aan en ontwrichtte de lokale samenleving van de Pende. De bewoners brengen het gebied terug tot een natuurlijke staat en ze leven van de opbrengsten ervan. Daarmee bewijzen ze niet alleen zichzelf, maar ook de wereld een dienst.

Toch staat in de tentoonstelling in het Nederlandse paviljoen – gecureerd door Hicham Khalidi, directeur van de Jan van Eyck Academie in Maastricht – niet Martens, maar het collectief CATPC op de voorgrond. Dat blijkt vooral uit de films rechts in het paviljoen, en uit de videoverbinding met Lusanga aan de linkerzijde, dus aan de kant van het naastgelegen Belgische paviljoen. Beide draaien rond een houten beeld van Maximilien Balot, een koloniale agent die de opdracht had de Pende met grove middelen te dwingen om te werken in de plantages van Unilever. Nadat een van zijn collega’s de vrouw van een stamhoofd had verkracht, werd Balot onthoofd en gevierendeeld door de Pende. Zijn beeltenis werd toen ook uit hout gesneden, als een fetisj om zijn boze macht in te kapselen. Dat beeld werd in 1972 verkocht en het belandde in het Virginia Museum of Fine Arts in Richmond, waar het sindsdien tentoongesteld werd. De tentoonstellingswaarde ervan is hoog, niet alleen omdat het een treffend, gestileerd portret van een stijve koloniaal is, maar ook vanwege het verhaal errond. CATPC kent er echter ook nog steeds de oorspronkelijke rituele waarde aan toe, en poogde jarenlang om het beeld terug te brengen, ‘to reconnect with this sculpture and recover some of its force’. Ter gelegenheid van de Biënnale lukte dat na jaren aandringen – althans voor zeven maanden.

Die tijdelijke restitutie is de sleutel voor de drie films. In The Judgement of the White Cube stelt rechter Mbuku Kimpala de white cube in beschuldiging, ontstaan uit de opbrengsten van koloniale uitbuiting en uit de ellende van Afrikanen, die de ‘kritische’ kunst en de documentaire fotografie echter blijven exploiteren – het basisthema van Renzo Martens. Jean Kawata vertolkt de white cube, met een hoekige witte fopneus als vermomming. De film is een wat komisch theaterstuk, maar zeker geen flauwe grap. The Return of Balot is dat evenmin: de lokale gemeenschap draagt het beeld van Balot in een uitbundige processie naar de white cube, waarna Kawata het terug naar de plantagegrond draagt. Strompelend en met een pijnlijke gelaatsuitdrukking legt hij de pijn die het museum voelt – het beeld moet immers worden afgestaan – er wel erg dik op, maar er is ook plaats voor grapjes, bijvoorbeeld wanneer blijkt dat hij zijn witte neus vergeten is. De processie is dus een beetje carnavalesk, als een farce. En toch blijft de wezenlijke vraag overeind. Wie heeft er recht op dit beeld: het museum (met oog voor de tentoonstellingswaarde) of de gemeenschap, die het ziet als de bezwering van een traumatische geschiedenis?

De derde film, CATPC, suggereert zelfs dat de artistieke activiteit van het collectief fundamenteel in het teken staat van een rituele, collectief gedragen verwerking van het koloniale verleden, en van het werk aan een betere toekomst. Ook dit ritueel is duidelijk een opvoering voor de camera, ditmaal van een stichtings- en oorsprongsverhaal. De acteurs voeren de geschiedenis, de grond en de arbeid aan de beelden op als bindteken van een gemeenschap. Zeker deze opvoering had een performatief karakter: ze (be)vestigde de overtuiging van de deelnemers dat het bewerken en herstellen van het land, samen met de collectieve beeldproductie, een staat van geluk en verbinding met (de grond van) de voorouders tot stand brengt. Tegen deze concrete impact steekt westerse kunst, zeker de ‘kritische’ variant, bleek en steriel af. In vroeger werk van Renzo Martens, meer bepaald de film Episode 3. Enjoy poverty uit 2007, ensceneerde hij zichzelf naar het einde toe als precies zo’n steriele artiest. In een tekst uit 2008 vergeleek Frank Vande Veire het beeld van zo’n kunstenaar met dat van een acteur zonder innerlijkheid. Zou het kunnen dat de inzet van Martens voor de zaak van deze gemeenschap net ontstaat uit het besef van het onoverbrugbare verschil met de volheid, de innerlijkheid, het uit-één-stuk-zijn van de leden van CATPC?

De videoverbinding met Lusanga, aan de andere zijde van de zaal, toont tegelijkertijd het beeld van Balot in de plaatselijke white cube en het exterieur van het gebouw. Veel gebeurt daar niet, maar daar gaat het niet om. Het scherm staat recht tegenover het paviljoen van de Belgische Staat, die niet alleen wegkeek van de wandaden van Balot en van Unilever, maar hun activiteiten gretig faciliteerde. De videoverbinding is een uitgestoken vinger, als het orgelpunt van een tentoonstelling die niet alleen kritiek levert op de economische fundamenten van het kunstsysteem, maar ook – net als het Belgische paviljoen – suggereert hoe performatieve kunst een betere wereld dichterbij kan brengen.

 

• The International Celebration of Blasphemy and The Sacred en Petticoat Government, 60ste Kunstbiënnale van Venetië, tot 24 november, Nederlands en Belgisch paviljoen.

Wij, vreemdelingen. Venetië: ‘Foreigners Everywhere’

De Braziliaan Adriano Pedrosa (1965) is de samensteller van de centrale tentoonstelling op de zestigste Biënnale van Venetië. Als directeur van het Museu de Arte de São Paulo maakte hij het afgelopen decennium naam met een serie tentoonstellingen waarmee hij de geschiedenis van de Braziliaanse kunst op een nieuwe manier in kaart bracht. In Mestizo Histories (2014) legde hij verbanden tussen kolonialisme, modernisme en inheemse kunst. In Afro Atlantic Histories (2018) traceerde hij de Afrikaanse diaspora in het land dat als een van de laatste de slavernij had afgeschaft. Pedrosa is de eerste curator van ’s werelds belangrijkste kunstbiënnale die woont en werkt op het zuidelijk halfrond. De Global South vormt het zwaartepunt van zijn tentoonstelling.

In hoeverre wordt kunst bepaald door landsgrenzen? Heeft het in tijden van globalisering nog zin om artistieke identiteit nadrukkelijk te verbinden met een geografische locatie? En zo ja, wat is dan de definitie van, bijvoorbeeld, Latijns-Amerikaanse kunst? Horen de Engelse en Nederlandse eilanden van de Caraïben daarbij? De bevolkingsgroepen in het Amazonegebied die geen Europese talen spreken? De hispanics in de Verenigde Staten die inmiddels de op twee na grootste Spaanssprekende gemeenschap ter wereld vormen? En waarin onderscheidt Latijns-Amerikaanse kunst zich van (ik noem maar wat) Arabische kunst? Welke verwachtingen leven er wanneer we zulke etiketten gebruiken? Het zijn dergelijke vragen die Pedrosa in zijn tentoonstelling met souplesse adresseert, zonder pasklare antwoorden te geven.

De titel van de megamanifestatie met werk van maar liefst 332 kunstenaars luidt Stranieri Ovunque, oftewel Foreigners Everywhere. ‘Waar je ook gaat,’ vertelt Pedrosa in interviews, ‘je zult overal vreemdelingen tegenkomen. En waar je ook bent, diep vanbinnen blijf je altijd een vreemde voor jezelf.’ Nu meer dan honderd miljoen mensen op de vlucht zijn voor oorlogsgeweld, politieke vervolging, economische malaise en klimaatrampen, is het thema migratie urgenter dan ooit, niet op de laatste plaats in het Italië van Giorgia Meloni. En passant werpen vluchtelingenstromen een schril licht op de grote ongelijkheden die het gevolg zijn van verschillen in etniciteit, gender en sociale klasse. De titel heeft Pedrosa ontleend aan een serie neonwerken van het kunstenaarsduo Claire Fontaine, dat de tekst overnam van een Italiaanse actiegroep tegen racisme en xenofobie. In de lichtsculpturen van Claire Fontaine zijn de woorden vertaald in het Eritrees, het Koerdisch en vijftig andere meer of minder gangbare talen. Her en der op de Biënnale gloeien de kleurige, lichtgevende letters op. De vreemdeling is letterlijk overal.

Wie die vreemde is, loopt nogal uiteen. Er zijn kunstenaars uit het Globale Zuiden die in het Westen hebben gestudeerd, gewoond en gewerkt en die al dan niet zijn teruggekeerd naar hun geboorteland, veelal kunstenaars die nooit eerder op de Biënnale te zien waren. Ook worden kunstenaars uitgelicht die in eigen land als buitenbeentje worden beschouwd omdat ze afwijken van de norm: vrijetijdskunstenaars, autodidacten en inheemse kunstenaars die hun kennis doorgeven van generatie op generatie. Kunst van zulke vreemdelingen was meestal uitsluitend in volkenkundige musea en collecties van zogeheten outsiderkunst te zien. Ook zijn er kunstenaars vertegenwoordigd die niet stroken met de heteronormativiteit en die zich identificeren als queer. Tot slot maken we kennis met werk van kunstenaars die vanwege psychische problemen ‘neurodivers’ worden genoemd. Het moge duidelijk zijn: de ene vreemde is de andere niet. Menig exposant zal verrast zijn zich in dit kleurrijke gezelschap terug te vinden.

Bezoekers van het centrale paviljoen in de Giardini worden verwelkomd door een reusachtige muurschildering van MAHKU, een kunstcollectief dat in 2013 werd opgericht in het Amazonegebied, langs de grens tussen Brazilië en Peru. De gevel is versierd met rijen kleurige afbeeldingen van ara’s, vissen, krokodillen, reizigers met verentooien en rieten manden op de rug. Ze verbeelden de mythische oorsprong van de Huni Kuin: hun voorouders trokken over de Beringstraat van Azië naar de Amerika’s. Meer dan driehonderd inheemse gemeenschappen zijn verwikkeld in een strijd om erkenning en gelijkberechtiging. Recent bood de Braziliaanse regering haar excuses aan voor vijfhonderd jaar koloniale onderdrukking. Live op televisie ging voorzitter Almeida op haar knieën voor schrijver en activist Ailton Krenak, spijt betuigend over het geweld dat de oorspronkelijke bewoners is aangedaan. Regionaal nieuws? Niet bepaald. Inheemse emancipatie gaat hand in hand met het gevecht tegen ontbossing en andere klimatologische rampspoed die de aarde bedreigt.

In het centrale paviljoen is het grootste deel van Nucleo Storico ondergebracht, de historische afdeling van Pedrosa’s tentoonstelling. Er is vooral werk te zien van twintigste-eeuwse kunstenaars uit Afrika, Latijns-Amerika, Azië en het Midden-Oosten. Internationaal zijn ze niet erg bekend, maar in hun land van herkomst zijn het beroemdheden, postcard artists. Wie hun namen googelt, stuit op omschrijvingen als ‘de moeder van de moderne kunst in Pakistan’ (Zubeida Agha, 1922-1997), ‘de surrealist van de tropen’ (Maria Martins, 1894-1973), ‘pionier van de moderne schilderkunst in Algerije’ (Mohammed Issiakhem, 1928-1985) en ‘de eerste vrouw in China die schilderde in westerse stijl’ (Pan Yuliang, 1895-1977). Sommigen, zoals de Venezolaan Armando Reverón (1889-1954), brengen op de veiling tonnen op; een enkeling, zoals de Braziliaan Alfredo Volpi (1896-1988), miljoenen. De oude, naoorlogse wereldorde is verdwenen, economische en geopolitieke machtsverhoudingen zijn verschoven. Door nieuwverworven rijkdom in Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, Zuid-Afrika en Brazilië is de aandacht voor kunst uit de eigen regio toegenomen. Niet voor niets openen westerse galeries en veilinghuizen (en musea) filialen in Hongkong, Singapore, Seoel, Doha, Dubai, Mumbai en Mexico.

Het zal niet verbazen dat Pedrosa’s intercontinentale kunstgeschiedschrijving nauw verweven is met de geschiedenis van kolonialisme en imperialisme, en dus ook met de tegenkrachten: onafhankelijkheidsstrijd, burgerrechtenbewegingen, vrouwenemancipatie, de strijd voor gelijkberechtiging van de lhbtqia+-gemeenschap – soms spelen grensoverschrijdende allianties een grotere rol dan nationale identiteit. De modernisten van het Zuiden waren op de hoogte van de nieuwste artistieke ontwikkelingen in het Westen, via studie, boeken, reizen, en ze wisten die kennis te combineren met lokale culturele tradities. Modernisme is nu eenmaal niet exclusief westers. Moderniteit ontstaat waar traditionele leefgemeenschappen overgaan in grootstedelijke samenlevingen, waar vooruitgang, aangejaagd door technologische vernieuwing, een breuk forceert met het verleden. Dat geldt zowel binnen als buiten de grenzen van de westerse wereld, waar die tegenwoordig ook mogen liggen. Overigens maakt dat moderne kunst nog niet universeel. Modernistische architecten mochten dan graag pochen over de zogenaamde Internationale Stijl, die stijl heeft altijd plaatselijke varianten gekend. Het wordt zichtbaar in de drie onderwerpen die Pedrosa in zijn caleidoscopische overzicht heeft uitgelicht: abstracte kunst, portretkunst en de diaspora van Italiaanse modernisten.

De grootste zaal van het centrale paviljoen is gewijd aan abstract werk van 37 kunstenaars uit wat vroeger de Derde Wereld werd genoemd. Nooit eerder is hun werk samen getoond. De School van Casablanca is goed vertegenwoordigd, een kunstacademie die na de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 de bakermat werd voor de gelijknamige kunstbeweging. Schilders als Mohamed Chebaa (1935-2013), Mohammed Kacimi (1942-2003) en Mohammad Ehsaei (1939) keerden zich af van Europees academisme en vonden inspiratie in bijvoorbeeld Arabische kalligrafie en keramische tegels. Mohamed Melehi (1936-2020), wiens werk wordt vergeleken met dat van Frank Stella en Ellsworth Kelly, spoorde zijn studenten aan inspiratie te putten uit de Berbercultuur. ‘Door hard edge heb ik de abstractie herontdekt die eigen is aan islamitische kunst,’ zei Melehi in een interview. ‘Marokkaanse kunst is altijd hard edge geweest.’

Melehi’s psychedelische golfpatroon in felle kleuren hangt tegenover een opvallend schilderij van de Libanese Huguette Caland (1931-2019). Haar kribbige compositie van zwart omlijnde vlakjes, steeds anders van kleur en met verschillende patroontjes, lijkt op patchwork dat zich grillig in alle richtingen vertakt. Caland is geen onbekende in het biënnalecircuit. Als presidentsdochter en vrijgevochten schilder van vrouwelijke rondingen werkte ze achtereenvolgens in Beiroet, Parijs, Los Angeles en Venetië. Haar keuze voor abstractie was, zoals bij veel vrouwelijke collega’s, feministisch geïnspireerd: een manier om zich te ontworstelen aan een sociaal keurslijf.

Er zijn wel meer eigenzinnige posities te onderscheiden. Bijvoorbeeld die van de Zuid-Afrikanen Esther Mahlangu (1935), die de robuuste geometrische decoraties van de Ndebele-cultuur vertaalt naar het schilderslinnen, en Ernest Mancoba (1904-2002), dark horse van de Cobragroep, vlak voor zijn dood geëerd met een retrospectieve in het Pompidou. De schilderijen hangen losjes gegroepeerd op beeldrijm: cirkels bij elkaar, streeppatronen zij aan zij. Daardoor kan het gebeuren dat een Maori-schildering uit Nieuw-Zeeland vergezeld wordt van een swingende compositie uit Colombia en een rafelig wandkleed uit India. In het midden van de hoge ruimte bungelen tientallen, in vrolijke kleuren beschilderde bamboestengels van de Braziliaanse Ione Saldanha (1919-2001). De mobile versterkt de veelkleurigheid, de levendigheid en de speelsheid van de hier verzamelde werken. Puriteins perfectionisme en rigide regels, karakteristiek voor constructivistische en ZERO-kunst, zijn ver te zoeken.

De portrettengalerij in twee grote zalen verderop is nog omvangrijker. Ook hier hangen de schilderijen in salonstijl aan de wanden, zonder dwingende ordening, van elke kunstenaar één doek. Frida Kahlo (1907-1954) en Wifredo Lam (1902-1982) zijn de bekendste namen. Van de meeste anderen had ik nog nooit gehoord, maar tekstbordjes bij elk werk geven uitgebreide achtergrondinformatie. In een oogopslag is duidelijk dat de makers goed bekend moeten zijn geweest met de moderne kunst uit het Westen. Schaduwen van Picasso, Modigliani, Giacometti en Chagall zijn herkenbaar. Wat bruikbaar was, werd overgenomen, om er iets eigens van te maken, iets wat uitdrukking kon geven aan eigen ervaringen, de eigen cultuur. Om de dynamiek tussen Noord en Zuid te duiden, wijst Pedrosa op het Manifesto Antropófago (1928) van dichter Oswald de Andrade, een essay dat pleit voor een Braziliaanse cultuur die kracht vindt in het ‘kannibaliseren’ van andere culturen. De titel is natuurlijk een vette knipoog naar de ietwat onsmakelijke interesse van Europeanen voor tribale rituelen: al in de zeventiende eeuw schilderde Albert Eckhout, in dienst van de Nederlandse gouverneur in Brazilië, een halfnaakte Tapuya met op de rug een boodschappentas vol afgehakte ledematen. ‘Tupi or not Tupi, that is the question,’ is de meest geciteerde regel uit Andrades manifest. Er spreekt waardering uit voor de inheemse cultuur (tupi is een lokale taal) en tegelijk is het een speelse toe-eigening van Shakespeare.

Dat veruit de meeste geportretteerden mensen van kleur zijn, zal niet verbazen – tenslotte is maar negen procent van de wereldbevolking wit. Huidskleur speelt een rol in Cabeça de Mulato (1934), een grote kop van een jonge landarbeider geschilderd door de Braziliaan Candido Portinari (1903-1962). De ontzagwekkende jongeman kijkt ons zelfverzekerd en doordringend aan. Zijn gelaatstrekken, weergegeven in precieze arceringen, glanzen in een zacht, diffuus licht. Indertijd betekende mulato zoiets als ‘van gemengde afkomst’, pas later kreeg de term een denigrerende bijklank. Portinari, een immigrantenzoon van het platteland, was de hofschilder van de gewone man. Hij gaf multiraciaal Brazilië een gezicht.

Er hangen nogal wat schilderijen die veel minder bijzonder zijn. Slechts enkele springen eruit, zoals het krankjorume dubbelportret van twee bebaarde profeten, een met een pijl in de hals, geschilderd door Francis Newton Souza (1924-2002) uit India. De lompe figuratie is zo volstrekt belachelijk dat het overtuigt. Ook de realistische zelfportretten, respectievelijk uit 1947 en 1957, van de zwarte, Zuid-Afrikaanse schilders Gerard Sekoto (1913-1993) en Simon Lekgheto (1929-1985) vallen op. Sekoto oogt empathisch, Lekgheto gespannen. Beiden zijn aangewezen op zichzelf.

Daartegenover staan de flair en bravoure van temperamentvolle schilders als Kusama Affandi (1907-1990) uit West-Java en Oswaldo Guayasamín (1919-1999) uit Ecuador. Voor Affandi, ‘de Indonesische Van Gogh’, stond schilderen gelijk aan het uitleven van emoties. Hij kneep de verf recht uit de tube op het doek en smeerde die uit met zijn vingers. Nog altijd oogt zijn grote zelfportret energiek, gedreven, vitaal. Ooit maakte Affandi posters die opriepen tot verzet tegen het Nederlandse koloniale bewind. Na de proclamatie van de onafhankelijkheid behoorde hij tot de entourage van de eerste president van de Indonesische republiek, Soekarno, die zich graag met kunstenaars omringde. Van Guayasamín is een groot portret van een huilende man te zien, stilistisch verwant aan Picasso’s schilderijen van huilende vrouwen. De straatarme schilder werd een beschermeling van Nelson Rockefeller, ooit directeur van het MoMA en later vicepresident van de Verenigde Staten. Guayasamín maakte meer dan 13.000 (!) schilderijen, waarvan het leeuwendeel het lijden van het Latijns-Amerikaanse volk als onderwerp heeft: uitgemergelde stakkers met van pijn vertrokken gezichten, klauwende handen en ogen vol tranen. Net als Affandi is Guayasamín een nationaal icoon, geëerd met een eigen museum.

Pedrosa’s portrettengalerij is een bonte parade die verscheidenheid hoog in het vaandel voert. Originele kunst van hoge kwaliteit wordt afgewisseld met amateurisme, onbeholpenheid en alle denkbare clichés van de moderne kunst. Een allegaartje dus, maar tegelijk een uitnodiging om zo onbevangen mogelijk te kijken naar beelden die een verborgen bestaan hebben geleid, en die heel andere verhalen vertellen dan de overbekende, heroïsche mythen van de Europese avant-garde. Het zou misleidend zijn te spreken van ‘globaal modernisme’. Geen enkele kunsthistoricus bezigt die term wanneer het gaat over Duchamp of Mondriaan. Namen van Europese -ismen worden echter te pas en te onpas geplakt op zeer uiteenlopende kunstpraktijken elders in de wereld. Zoals Frida Kahlo ooit zei: ‘Ik heb nooit geweten dat ik een surrealist was, totdat André Breton naar Mexico kwam en me zo noemde.’

Lange tijd konden westerse tentoonstellingsmakers zonder blikken of blozen beweren dat in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten geen beeldende kunst van betekenis te vinden was. Gamechanger was de globalisering, die in de jaren negentig een vlucht nam. Toch duurde het tot 2013 vooraleer Ibrahim El-Salahi (1930) als eerste Afrikaanse moderne schilder een solotentoonstelling kreeg in Tate Modern. De Soedanees wordt in Venetië vertegenwoordigd met het etherische The Last Sound (1964), geschilderd na de dood van zijn vader en geïnspireerd op Soefi-gebeden die de overgang naar het dodenrijk begeleiden. Zoals veel kunstenaars uit het voormalige British Empire raakte El-Salahi pas goed doordrongen van zijn Afrikaanse culturele erfgoed toen hij zich gevestigd had in Engeland, geconfronteerd met onverschilligheid en permanent slecht weer.

In de zalen rond de twee historische kernen is voornamelijk hedendaagse kunst te zien. De Chinese, in Rotterdam woonachtige Evelyn Taocheng Wang (1981) betuigt haar liefde voor de minimalistische schilderijen van Agnes Martin in vijf grote replica’s. Aan elk eerbetoon is iets toegevoegd: make-upwatjes bijvoorbeeld, of een handgeschreven anekdote over haar vroegere tekenleraar in China. Koppelde Martin haar schilderkunst nadrukkelijk aan zen en taoïsme, Wang, opgegroeid met de boeddhistische leer, keert de zaken om. Haar licht ontregelende interventies maken de zwaarwichtige aanspraken op spiritualiteit luchtiger, lichtvoetiger, en vooral menselijker.

De ruime zalen zijn fraai ingericht. Pedrosa, een ervaren curator, begrijpt dat een groot evenement als dat in Venetië (met 800.000 bezoekers in 2022) vraagt om omvangrijke series van pakkende kunstwerken op fors formaat, waar drommen bezoekers makkelijk langs kunnen schuifelen. Hij is erin geslaagd afgewogen combinaties te maken van zeer verschillende groepen werken die visueel en inhoudelijk toch op elkaar aansluiten. Een voorbeeld is de zaal met desolate landschappen geschilderd door de Amerikaanse Cherokee Kay WalkingStick (1935), vreemde woestijnvisioenen van de Libanese schilder Ayef El Rayess (1928-2005) en kleine alpenzichten van Leopold Strobl (1960), een Oostenrijker die in een psychiatrische kliniek verblijft. Strobl scheurt plaatjes uit een parochieblaadje, die hij vervolgens beschildert. Het unheimische van zijn ontvolkte bergdorpen past perfect bij de eeuwig verlaten jachtvelden van WalkingStick en de lege zandvlaktes van El Rayess. Zo bewijst Pedrosa hoe een monstertentoonstelling toch subtiel en sensitief kan zijn.

Hoewel beladen thema’s als repressie en discriminatie overheersen, zijn veel werken zachtmoedig van aard, eerder poëtisch en dromerig dan activistisch. Slechts bij uitzondering is de toon kritisch. De brute realiteit van illegale migratie komt tot uitdrukking in een groot doek van de Mexicaanse Teresa Margolles (1963). Het witte laken draagt de afdruk van het bebloede lichaam van een Venezolaanse jongeman, vermoord toen hij de grensrivier met Colombia wilde oversteken. Margolles’ sinistere variant op Veronika’s zweetdoek is een aangrijpend embleem van de wreedheid die duizenden Venezolanen ondergaan op zoek naar een menswaardig bestaan. Kritisch is ook het fictieve museum dat Pablo Delano (1954) heeft opgericht voor Puerto Rico, de kleine archipel waar hij geboren is. De voormalige Spaanse kolonie werd in 1917 min of meer geannexeerd door de Amerikanen. Delano’s museum puilt uit van historisch beeldmateriaal: nieuwsfoto’s, reisgidsen, speelfilms en reclames laten zien hoe de VS deze eilanden presenteerden als een tropisch paradijs dat weliswaar bevolkt werd door idioten, maar dat dankzij Amerika was veranderd in een toonbeeld van democratie en voorspoed. Vandaag verkeert Puerto Rico in een ongekende economische crisis en trekt de bevolking massaal weg. Delano’s museum is onderhoudend, leerzaam, verbazend, en verduidelijkt hoe geraffineerd beeldvorming in zijn werk gaat. De video-installatie van Alexandra Ferrini (1984) werpt een ontluisterend licht op de rommelige dekolonisatie van Italië, met name het geklungel van premier Berlusconi en de Libische leider Kadhafi. Van de Libanese Joyce Joumaa (1998) is een video-installatie te zien met close-ups van handen die lijnfiguren tekenen. Wat eruitziet als onschuldig gekrabbel, blijkt een test die begin vorige eeuw werd afgenomen bij migranten die via Ellis Island in de Nieuwe Wereld arriveerden. De immigratiedienst gebruikte tekenopdrachten om de cognitieve vermogens van aspirant-Amerikanen te peilen, geïnspireerd door de American Eugenics Society, een organisatie die honderd jaar geleden de veredeling van plant- en diersoorten probleemloos van toepassing achtte op mensen.

Het derde en laatste deel van het historische blok, Italians Everywhere, is te zien in de Arsenale. Van de Italiaanse diaspora uit de twintigste eeuw streek het grootste deel neer in Brazilië en Argentinië. Werk van veertig Italiaanse migranten wordt gepresenteerd in een bijzondere tentoonstellingsarchitectuur van Lina Bo Bardi (1914-1992), zelf een Italiaanse die in 1946 naar Brazilië emigreerde. Bo Bardi steelt de show. Zij is bekend als de architect van het MASP-museum waar Pedrosa werkt en dat de grootste collectie kunst van Italiaanse immigranten beheert. Het was haar streven het museum van zijn voetstuk te halen, te democratiseren, te ontheiligen. De bezoeker moest langs de kunstwerken dwalen als door een woud van objecten die je van alle kanten kunt bekijken, inclusief de achterkant. Met dikke glasplaten op betonnen staanders werd de machinekamer van het museum als het ware transparant gemaakt.

Haar even revolutionaire als elegante ontwerp uit 1962 is in Venetië opnieuw uitgevoerd. Bij binnenkomst in de Arsenale is van alle geëxposeerde werken de voorzijde zichtbaar, en daarna komt, terugblikkend, de achterkant in beeld. Bijster interessant is dat niet. Wel wordt duidelijk dat een kunstwerk ook maar handwerk is, en geregistreerd eigendom bovendien, voorzien van etiketten met inventarisnummers en stickers van transporteurs. Wellicht is het Bo Bardi’s effectieve ontheiliging die ervoor zorgt dat Italians Everywhere net zoveel wegheeft van een kringloopwinkel als van een museumzaal.

Een bescheiden werkje bij de entree trekt de aandacht: Anno 1942 (1973-1999), een verschroeide kaart van Italië, gemaakt door Anna Maiolino (1942). De verbranding verwijst naar de geallieerde bombardementen op Italië in haar geboortejaar. Tegelijk symboliseert het brandgat in het papier hoezeer Maiolino, een expat in São Paulo, van haar geboortegrond is vervreemd. Dat is de keerzijde van de migrantenervaring: niet alleen vreemdeling te zijn in een vreemd land, maar ook definitief geen thuis meer te hebben.

Aan het einde van de tentoonstelling, in een bijgebouwtje achter het arsenaal, is een grote installatie van Maiolino te zien, Ao finito (1994-2024). De stellingkasten van het Casetta Scaffali, een vervallen en schemerachtig plankenmagazijn, staan vol met vormpjes van klei, tien ton in totaal, handmatig uitgerold, samengeknepen, in blokjes gesneden, opgestapeld. Een eindeloze voorraad, ontstaan uit eindeloos herhaalde handelingen. Een muur is bedekt met het geurige groen van pijnbomen en er weerklinken vogelgeluiden. Het geheel ademt de serene waardigheid van dagelijkse rituelen, van ‘de ervaring te leven in de onbeweeglijkheid van het eeuwige’ (Spinoza), zoals te lezen is in een tekst die op een scherm geluidloos voorbij rolt, als aftiteling zonder einde.

Hoewel de installatie in de luwte, aan de rand van de lagune, allerminst misplaatst is, verbaast het dat dit prominente werk zo’n afgelegen plek is toebedeeld. Maiolino is dit jaar onderscheiden met een Lifetime Achievement Award; haar experimentele werk uit de jaren zeventig behoort tot het beste dat de Braziliaanse kunst heeft voortgebracht, samen met dat van generatiegenoten Lygia Pape en Hélio Oiticica, die veel bekender zijn, maar vreemd genoeg op Pedrosa’s tentoonstelling ontbreken.

De tweede laureaat is ook een tachtigplusser: Yil Alter (1938). Geboren in Caïro en opgeleid in Istanbul, verhuisde ze naar Parijs, waar ze in de ban raakte van mei ’68. Communistisch engagement klinkt door in haar installaties, die op een belangrijke plek staan in het centrale paviljoen. Op tientallen videoschermen zijn opnames van (soms ontroerende) interviews te zien met Turkse gastarbeiders in Duitsland, die hun hart luchten over heimwee en eenzaamheid, over moeizame inburgering en gebrekkige acceptatie (Exile Is a Hard Job, 1974). In het midden van de zaal staat een traditionele yurt, een verwijzing naar de slechte leefomstandigheden van nomadische volken in Anatolië (Topak-ev, 1973).

Kwesties die Maiolino en Yalter in de jaren zeventig aan de orde stelden, zoals ontheemding, migratie, discriminatie en uitbuiting, zijn vandaag niet minder actueel. Het werk van beide kunstenaars is kenmerkend voor een artistieke praktijk waarin persoonlijke ervaring en maatschappelijk engagement onlosmakelijk vervlochten zijn. Het is deze experimentele, onderzoekende, betrokken manier van kunst maken die bij jongere generaties aanslaat. Een echo van Yalters documentaire over arbeidsmigranten weerklinkt in een van de sterkste werken in de Arsenale, The Mapping Journey Project (2010-2023) van Bouchra Khalili (1975), een Frans-Marokkaanse kunstenaar die in Berlijn en Wenen werkt. Op een dozijn grote filmschermen is een hand te zien die met stift een route tekent op een landkaart, terwijl de tekenaar vertelt over zijn barre tocht, van Jalalabad naar Rome, van Beni-Mellal naar Utrecht, van Mogadishu naar Bari. Doeltreffender en aansprekender is de migratieproblematiek nog niet verbeeld. Khalili’s videoproject, dat al een lange reis langs kunstinstituten achter de rug heeft, is een instant klassieker.

Maatschappelijk engagement spreekt uit meerdere bijdragen van jongere kunstenaars. Lauren Halsey (1987) maakte pseudoantieke zuilen van kunststof, met kapitelen waarin portretten van zwarte buurtgenoten uit South Central Los Angeles te herkennen zijn. De Braziliaanse Dalton Paula (1982) schildert naar studiofoto’s van stijfjes poserende abolitionisten; hun spookachtige gestalten met goudkleurige neuzen en kapsels lijken in scherven uiteengebarsten. Sociaal realisme kenschetst ook de korte, scherp gemonteerde film van de Brits-Nigeriaanse Karimah Ashadu (1985) over okada: zwarte jongens die hun motorfiets gebruiken als illegale taxi in Lagos, met 21 miljoen inwoners de grootste stad op het Afrikaanse continent. Clandestiene arbeid gaat gepaard met een zelfverzekerde performance van mannelijkheid, al kan de masculiene branie de economische uitzichtloosheid niet compenseren.

Queer kunstenaars zijn vertegenwoordigd in zowel het historische als het hedendaagse gedeelte van de tentoonstelling. Pedrosa identificeert zich als queer man en vertelt in interviews dat de samenstelling van de expositie niet alleen een professionele uitdaging was, maar voor hem ook erg persoonlijk was. Queer, dat oorspronkelijk ‘vreemd’ betekent, is een verzamelbegrip voor gays en lesbiennes, cross dressers en dragqueens, non-binaire en trans personen, voor alle mensen die niet beantwoorden aan de heteronorm en om die reden te maken kunnen krijgen met onderdrukking of vervolging. Bestaat er zoiets als queer aesthetics en heeft dat invloed? De New Yorkse schrijver Daniel Mendelsohn antwoordde op die vraag: nee, queer aesthetics bestaat niet, en ja, de invloed ervan is enorm.

Performancekunst, vastgelegd op video, weerspiegelt iets van de queer ervaring. Vaak treden de kunstenaars zelf op voor de camera, zoals Ahmed Umar (1988), een Soedanees uit Oslo die zich als non-binair identificeert. Behangen met sieraden en overvloedig getatoeëerd, voert Umar een Soedanese bruidsdans op. Overbuurman in de tentoonstelling is Elyla (1989), een Nicaraguaan die verkleed als stier een folkloristisch ritueel ten tonele voert, een fysieke uitputtingsslag, met vuurwerk bekroond. Voor de Braziliaan Manauara Clandestina (1992), wiens chaotische films op meerdere plekken zijn te zien, lijkt self-exposure het voornaamste doel. Veel krachtiger gestructureerd is de gestileerde dansperformance van Isaac Chong Wai (1990), een kunstenaar uit Hongkong die in Berlijn werkt. Op meerdere grote schermen verschijnen dansers, alleen of samen, intens geconcentreerd. Abrupte beeldovergangen volgen elkaar in snel tempo op. De dansregistratie verspringt van scherm naar scherm. Met de nerveuze choreografie probeert Chong Wai, ooit op straat gemolesteerd door homohaters, de pijnlijke ervaring van publieke vernedering navoelbaar te maken.

Een aparte zaal is ingeruimd voor het Disobedience Archive van Marco Scotini, een verzameling video’s gewijd aan ‘genderongehoorzaamheid’, gemaakt tussen 1975 en 2023. In het halfduistere panopticum hangen tientallen monitoren waarop de films gelijktijdig worden afgespeeld. Het is ondoenlijk alles te zien; ik bleef steken bij nummer 16, Assymetric Visions (2023) van Liminal & Border Forensics. De Bellingcat-achtige video reconstrueert de geautomatiseerde surveillance van de wateren tussen Libië en Italië. Bij bootvluchtelingen wekt de plotselinge verschijning van een brommende drone aan de blauwe hemel zowel hoop als vrees: hoop op redding, vrees te worden teruggestuurd.

Van de schilders zijn het met name Louis Fratino (1993), Ana Segovia (1991) en Salman Toor (1983) die de heteronormativiteit uitdagen. De Amerikaan Fratino schildert momenten van intimiteit en isolement: een naakte jongen kust de voet van zijn minnaar, twee geliefden slapen gescheiden na een ruzie. Mannelijk bloot fungeert als barometer van queer verlangens en gevoelens, geschilderd in een stijl die ooit modern was, maar nu wat poppenkastachtig overkomt. Ana Segovia, een non-binaire Mexicaan, ontmaskert in schilderijen en video’s van cowboys en stierenvechters masculiniteit als pose. De beste, meest intrigerende schilderijen zijn die van Salman Toor, een Pakistaan uit New York. Night Grove (2024) is een nachtelijk cruising-visioen, een processie van gekostumeerde mannen die elkaar omarmen en selfies maken, gadegeslagen door een naakte man verscholen achter een boom. Echo’s van James Ensor en El Greco resoneren in dit ongemakkelijke tafereel, dat is geschilderd in vloeiende penseelstreken en onwereldse kleuren.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik delen van de tentoonstelling slechts voor kennisgeving heb aangenomen: de batikdoeken van Sàngódáre Ájàlá (1948-2021) uit Nigeria, de naïef geschilderde straatscènes van de Haïtiaan Philomé Obin (1892-1986), de wollen weefsels van Susanne Wenger (1915-2009), een Oostenrijkse die priesteres werd bij de Yoruba, de borduursels van de Arpilleristas (hoe sympathiek de huisvlijt van de anonieme Chileense vrouwen ook is), de schilderingen op bobbelige boomschors van Naminapu Maymuru-White (1952) uit East Arnhem Land in Australië (prachtige patronen van sterren die de zielen van overledenen symboliseren), de grote aquarellen van Aloïse (1886-1964), een Zwitserse patiënt met een obsessieve liefde voor de keizer (Jean Dubuffet was fan)… Klaarblijkelijk zijn er grenzen aan de inclusie, en kan ik me tot sommige kunstwerken niet anders verhouden dan tot curiosa. Pedrosa’s tentoonstelling verlegt grenzen, verruimt de blik, verbreedt de horizon, maar dat betekent niet dat alles nu deel uitmaakt van dezelfde orde. Kan een tentoonstelling té inclusief zijn, té divers? Wanneer valt het bijzondere dat kunst eigen is ten prooi aan veralgemenisering?

Foreigners Everywhere is niet de encyclopedische kunstinventarisatie van het zuidelijk halfrond die sommigen hadden verwacht. Eerder is het een speculatief essay, een gewaagde (en geslaagde) proefopstelling, waarin het vreemde en het vertrouwde verrassend samenkomen. Een ding is duidelijk: het eurocentrisme heeft afgedaan, althans deze zomer. Misschien is westerse suprematie (‘Die VOC-mentaliteit… toch?’) inderdaad een idee-fixe, zoals Okwui Enwezor met stelligheid kon beweren. Diens tentoonstelling All the World’s Futures op de Biënnale in 2016 zette een standaard. De Nigeriaan rekende af met de etnografische kijk op niet-westerse kunst en verschoof de kunstproductie aan de periferie resoluut naar het centrum. Ook Pedrosa sluit talloze marginale stemmen in. Zijn tentoonstelling gaat over veel en veel tegelijk: globalisering, moderniteit, identiteit, traditie, ambacht, migratie, vluchtelingenproblematiek, asielbeleid, illegaliteit, postkolonialisme, etniciteit, racisme, zwart zelfbewustzijn, creolisering, uitsluiting, feminisme, seksualiteit, queer culture, neurodiversiteit, spiritualiteit, herstel, inheems verzet, antinationalisme, anarchie, enzovoort. De kloof tussen the West and the Rest is met een biënnale niet gedicht. Dekolonisatie, zo bezweren critici in koor, kan geen werkelijkheid worden zolang economische ongelijkheid voortduurt. Pedrosa zal het er niet mee oneens zijn. Hij wil met zijn tentoonstelling vooral iets vieren. Iets dat niet eerder op deze schaal is gevierd: het vreemde dat de blinde vlekken in ons zelfbeeld aan het licht brengt.

 

• Foreigners Everywhere, 60ste Kunstbiënnale van Venetië, tot 24 november, Giardini en Arsenale.

Ellende heeft een duivel van mij gemaakt. Genealogie van het politieke heden

‘Wat een droom! Heer en meester zijn, nooit meer lijden, eindelijk plezier!’ Te midden van een strenge winter en een onzekere staking sublimeren de mijnwerkers in Émile Zola’s Germinal (1885) hun lijden en honger in een visie van rechtvaardigheid. Ze raken vervoerd door Étienne, een weifelende, maar daarna al te zelfverzekerde leerling in antikapitalistische tactiek. Zijn speech spiegelt een revolutionaire horizon van socialistisch-anarchistische snit: de uitbuiting van de mijnwerkers komt ten einde wanneer zij de productiemiddelen bezitten en de staat is vernietigd. Zola mag dan wel vertellen over het neerslaan van de staking en de dood van vele arbeiders, de roman eindigt met vernieuwing: in Étienne leeft ‘het absolute geloof in een komende revolutie weer op, de echte, die van de arbeiders’, die de gehele aarde nieuw zal maken.

De passage staat in schril contrast met de toon van de Netflix-film Athena (2022) van Romain Gavras, waarin geen revolutionaire of evident politieke horizon te bespeuren valt. In de weergave van een opstand in de fictieve Franse banlieu Athena, volgend op de moord op de dertienjarige Idir door de politie, resoneert de film met de huidige cycli van verzet en oproer. Anders dan het collectief van stakende mannen en vrouwen in Germinal, ligt de nadruk in Athena op de verdeeldheid tussen de broers van Idir: Karim leidt de oproer en wil wraak, Moktar is enkel bekommerd om zijn illegale zaakjes, en Abdel tracht een brug te slaan tussen de politie en de opstandelingen. Mannen evacueren vrouwen uit de bezette cité, en duwen ze zo letterlijk uit het beeld en weg van de actie. Woede, wraak en de drang tot vernietiging drijven de opstand, niet een toekomstverwachting van rechtvaardigheid. ‘Je krijgt de namen [van de agenten die Idir vermoordden], en wat dan?’ vraagt Abdel aan Karim. Er volgt geen antwoord. Met een ontploffing en de dood van alle broers doet het einde van de film geen dromen ontkiemen, geen autonomie of plezier.

Germinal en Athena symboliseren de gedaantes die de sociale strijd kan aannemen en die als inherente, maar tegenstrijdige mogelijkheid wellicht in iedere opstand vervat liggen. Germinal is het toonbeeld van de revolutie die een constituerende macht in het leven roept: de energie van de mobilisatie is gericht op de toekomst en de creatie van een nieuwe orde. Deze ‘staatregelende’ macht valt samen met een collectief subject, zoals het proletariaat of de werkende klasse, dat zich organiseert door middel van nieuwe of andere instituties, zoals de partij, vakbonden of revolutionaire comités. De Franse en Russische Revolutie gelden als archetypes, precies omdat de omwentelingen konden leiden tot nieuwe ordes. Het is geen toeval dat Germinal zich afspeelt in een historische constellatie afgebakend en gestructureerd door beide revoluties.

Athena toont dat opstanden echter ook altijd een ‘destituerende’ tendens in zich dragen, door zich ergens tegen af te zetten, iets achter te laten of te ‘ontzetten’. Mario Tronti omschreef, in een interview uit 2008 gepubliceerd op de website Ill Will, hoe het primaat van destituerende macht ‘niet ligt in het opbouwen van iets, maar eerder in het achterlaten van wat er al is, om het bestaande in een crisis te storten’. Het gaat om verzet tegen elke vorm van representatie, tegen de vorming van een collectief subject of een programma met eisen en doelstellingen. Het doel is niet een nieuwe macht of orde te vestigen, maar de macht of orde onwerkbaar en krachteloos te maken.

Afhankelijk van de constellatie van een opstand neemt een constituerende dan wel een destituerende macht de overhand, of blijven ze om elkaar heen cirkelen als onvervulde mogelijkheden. Het is die laatste optie die de sociale opstanden van de jaren 2010 kenmerkt. De beweging van pleinbezettingen die start met de Egyptische Revolutie in januari 2011 en die onder de noemers Occupy, 15M, de Indignados, Aganaktismenoi of Nuit Debout navolging kent in Europa en de VS, wordt gekenmerkt door een afkeer van leidersfiguren, van het stellen van eisen en van politieke representatie. Dat karakter keert terug in andere opstanden. Wanneer honderdduizenden Fransen rotondes bezetten in de winter van 2018 en hun woede koelen op de etalages van luxewinkels in Parijs, stellen ze geen eisen, schuiven ze geen woordvoerders naar voren, en saboteren ze pogingen om het oproer politiek of electoraal te vertalen. Ook in de revoltes in Londense (2011) en Franse voorsteden (2017, 2019, 2023) voeren plundering, brandstichting en confrontaties met de politie de boventoon. De opstanden rond Black Lives Matter (2014, 2020) keerden zich in de eerste plaats tegen de symbolen van de raciale orde, door politiekantoren te belagen en privaat (en dus raciaal ongelijk verdeeld) eigendom te vernietigen door plunderingen. In gewijzigde vorm keren deze kenmerken terug wanneer communes zich als zone to be defended (ZAD) op offensieve wijze onttrekken aan de maatschappij, of wanneer de klimaatbeweging fossiele infrastructuur vernietigt of bezet.

Tegelijk kenmerken de jaren 2010 zich door robuuste pogingen om de vrijgekomen sociale energie te kanaliseren in constituerende macht. De pleinbezettingen zijn de springplank voor de ontwikkeling van links-populistische en neosocialistische bewegingen en partijen. Uit de Griekse Aganaktismenoi ontstaat Syriza, dat in 2015 met charismatische voormannen als Yanis Varoufakis en Alexis Tsipras een eclatante verkiezingsoverwinning behaalt. De Spaanse Indignados stampen Podemos uit de grond, terwijl Bernie Sanders en Jeremy Corbyn met succes linkse ruimtes creëren in door het centrum beheerste politieke landschappen. Vergelijkbare observaties vallen te maken over de opgang van PVDA-PTB in België of La France insoumise in Frankrijk. Wat deze formaties kenmerkt is dat ze electorale macht proberen te verwerven om het beleid mee te bepalen. Simultaan bouwen ze structuren en organisaties uit die de linkse bewegingen een meer duurzame vorm zouden geven, en proberen ze onder de noemers van ‘werkers’ of ‘het volk’ nieuwe politieke subjecten te evoceren.

De spanning tussen constituerende en destituerende macht in sociale mobilisaties inspireert een nieuwe generatie linkse intellectuelen, die vaak striemende kritiek geven op de ondermijnende tendensen in sociale bewegingen, door te wijzen op de noodzaak van mobilisatie dankzij organisatie, leiderschap, articulatie van eisen en verkiezingen. In hun Accelerate Manifesto (2013) bekritiseren Nick Srnicek en Alex Williams bijvoorbeeld de door horizontaliteit, kleinschaligheid en spontaneïteit gekenmerkte vormen van folk politics, eigen aan bewegingen als Occupy. Hun alternatief is een politieke mobilisatie vormgegeven door organisatie, ideeënstrijd en een coherent programma. In The End of the End of History (2021) waarschuwen Alex Hochuli, George Hoare en Philip Cunliffe voor een vorm van ‘antipolitiek’ die ‘verdeling, representatie en politieke autoriteit’ verwerpt. Ze benadrukken dat ‘de werkende klasse nog altijd aan het werk moet’. Anton Jäger heeft zich – in zijn recente boek Hyperpolitiek. Extreme politisering zonder politieke gevolgen, maar ook vorig jaar al in De Witte Raaf, nr. 222 – beklaagd over de vluchtigheid van hedendaagse protesten die hoogstens politieke sporen in de publieke opinie nalaten, maar het beleid niet beïnvloeden. Het leidt volgens hem tot een ‘hyperpolitiek’ van mobilisatie zonder gewicht. Ook Matthew Huber kant zich in Climate Change as Class Struggle (2022) tegen de anti-system radicals die hun eigen versie van folk politics opvoeren en die actie privatiseren door te focussen op consumptie, terwijl volgens hem slechts een gereanimeerde arbeids- en vakbondsbeweging op een planetaire schaal de klimaatstrijd kan winnen.

Ondanks belangrijke verschillen verenigen deze kritieken zich in het idee dat de straatprotesten en opstanden van de voorbije decennia niet tot een constituerende macht hebben geleid. Telkens weer nemen dergelijke critici de bewegingen, de bezettingen, het oproer, de spontane uitbarstingen van woede, vernieling en geweld, onvoldoende ernstig omdat er geen solide, sociaal verankerde en duurzame organisatie tot stand komt; omdat de ‘actievoerders’ zich slechts zouden bezighouden met politiek en niet met de strijd op de werkvloer; omdat ze slechts ‘reactief’ zijn of louter een gevecht met de politie aangaan, maar geen programma uittekenen; omdat ze te individualistisch en voluntaristisch zijn en niet de massa engageren om voor de massa op te komen. Een van de betreurenswaardige effecten van deze moraliserende kritiek is steevast een tweedeling tussen enerzijds een politiek handelen dat zo genoemd mag worden en anderzijds een politiek handelen dat wordt gedegenereerd tot antipolitiek, folk politics of hyperpolitiek. Politiek wordt op die manier in toenemende mate normatief ingevuld, als een door intellectuelen gebezigd richtsnoer om de ‘ware’ politiek van schijnvertoningen te onderscheiden.

De vraag is dan hoe het begrip ‘politiek’ deze stille normatieve kracht verkreeg. Van belang zijn de twee decennia die aan de politieke heropleving van de jaren 2010 voorafgaan. In zijn iconische roman Generation X (1991) vat Douglas Coupland een typerend levensgevoel voor de jaren 1990 en de jaren 2000. Hij maakt een onderscheid tussen ‘historische ondervoeding’ en ‘historische overvoeding’: leven in een periode waarin er respectievelijk niets of net te veel lijkt te gebeuren. De ‘voornaamste symptomen’ zijn in beide gevallen dezelfde: ‘verslaving aan kranten, tijdschriften en nieuwsuitzendingen op tv’. Historische gebeurtenissen worden genivelleerd: er gebeurt veel, maar er is niets dat aanzet tot verlangen en actie, weg van apathie en verveling, zoals politieke of sociale gebeurtenissen dat ooit deden. Deze periode staat in het teken van verlies: het concrete verlies van links tegenover een oprukkend neoliberalisme, maar ook het abstracte verlies van de mogelijkheid van een andere wereld. ‘Geloof in de wereld, dat missen we nog het meest van al. We zijn de wereld helemaal kwijtgespeeld, men heeft ons de wereld afgenomen,’ zegt Gilles Deleuze krachtig in een interview met Antonio Negri, gepubliceerd in De Witte Raaf, nr. 119.

Deze situatie krijgt verschillende namen. In Hegemony Now (2022) spreken Jeremy Gilbert en Alex Williams van ‘de lange jaren negentig’ als een periode gekenmerkt door ‘een geleidelijke vernauwing van de ruimte voor culturele of politieke innovatie’ en ‘het gevoel van een eindeloos, ahistorisch heden’ – een periode niet zozeer gekenmerkt door actieve omarming, maar door de ‘hogelijk passieve instemming’ van ‘de ‘ontevreden’ burgers van neoliberale postdemocratieën’. Anton Jäger gebruikt de term ‘postpolitiek’ – een concept dat voornamelijk in de jaren 1990 en 2000 sterk circuleerde, en dat vaak inwisselbaar wordt gebruikt met noties als postdemocratie, postgeschiedenis of consensuspolitiek – om de periode te vatten waarin georganiseerde belangenstrijd vervangen werd door consensus. Het fundamentele conflict over de organisatie van de maatschappij – over andere werelden – maakt plaats voor een technocratisch debat over beleidsopties. Mark Fisher sprak dan weer van kapitalistisch realisme: een gelaten, meteen capitulerende attitude, zonder dat een alternatief voor of verzet tegen een kapitalistische wereld te verbeelden of te bewerkstelligen valt.

Dat tijdperk lijken we achter ons te hebben gelaten. Als de jaren 2010 zich door iets kenmerken, dan is het wel de wederopstanding van de opstand en de re-ideologisering van de ideologie – fenomenen die doorgaans liberale commentatoren aanzien als uitingen van ‘polarisering’. Om deze vernieuwde politisering te omschrijven, wordt vaak de twintigste-eeuwse politiek als vergelijkingspunt gebruikt, en als impliciet ijkpunt om sociale mobilisaties te beoordelen. In de meest brede zin kenmerkt deze ‘ware’ politiek zich door een modernistische opvatting, met een langetermijnvisie op, en een verlangen naar, toekomstige maatschappijen, en met een geloof in het vermogen van de politiek om de loop van de samenleving te beïnvloeden en aan te sturen: ‘de queeste naar een publiek doel, tekenend voor de vroege twintigste eeuw, toen de mens de wereld herschiep om zichzelf te herschapen,’ in de woorden van Jäger. Meer concreet gaat het om een verlangen naar de periode van het fordisme en de massademocratie: een tijd waarin links en rechts elkaar bekampten als duidelijk afgelijnde en identificeerbare blokken, met sterke collectieve ideologische identificatie, en met politieke partijen die een groot lidmaatschap kenden en stevig verankerd waren in het sociale weefsel. In zijn boek Des te erger voor de feiten uit 2023 is Jäger expliciet in zijn kenschets van de huidige repolitisering:

‘Het tijdperk van die ‘postpolitiek’ is duidelijk verstreken. Maar in plaats van een heropleving van de politiek van de twintigste eeuw – compleet met de renaissance van massapartijen, vakbonden en militanten – is het bijna alsof er een stap wordt overgeslagen. Vandaag lijkt alles politiek. Maar waar het leven van mensen in allerlei opzichten op die manier intens gepolitiseerd is, zijn slechts weinigen betrokken bij het soort georganiseerde belangenconflicten dat we ooit als politiek zouden hebben omschreven in de klassieke, twintigste-eeuwse zin.’

De hedendaagse politisering is niet langer postpolitiek, maar ook geen terugkeer naar de ware ‘politiek’. De resulterende hyperpolitiek verwijst naar de vluchtigheid van protesten: na hun initieel engagement trekken de deelnemers zich terug in hun private omgeving. Jäger beklaagt zich bijvoorbeeld over de Black Lives Matter-protesten die na een korte en massale eruptie weer gingen liggen, waarna de bestaande orde schijnbaar ongehavend werd voortgezet. De eruptie slaagt er niet in zich te vertalen in een duurzaam engagement; het probleem van de hyperpolitiek is dus dat het – in tegenstelling tot een ‘ware politiek’ – als discours noch praktijk iets constitueert.

Op die manier slaat de ervaring van verlies in de ‘postpolitieke’ decennia om in nostalgie, en sluipt er een vorm van ‘linkse melancholie’ in het denken over deze periode. Voortbouwend op Stuart Halls analyse van de crisis van links en Walter Benjamins gebruik van de term, beschreef Wendy Brown (al aan het einde van de jaren 1990) een dergelijke melancholie als een hechting aan vroegere linkse analyses, passies en ideeën, die sterker is dan eender welk engagement om mogelijkheden voor een linkse politiek in het heden te zien en daarnaar te handelen. Die melancholische conditie zit vervat in de wijze waarop een geïdealiseerd politiek verleden geldt als maatstaf voor hedendaags handelen. Het leidt tot het bizarre fenomeen dat jongere linkse critici verlangen naar een verleden dat ze zelf niet hebben ervaren, terwijl ze evenmin tot het heden behoren dat ze bekritiseren.

Hoe valt er uit het zwaartekrachtveld van de linkse melancholie te ontsnappen? Hoe kunnen we hedendaagse opstanden anders lezen dan als gefaalde pogingen tot politiek handelen? Een aangrijpingspunt ligt in een herinterpretatie van de zogenaamde postpolitieke conditie. In plaats van een politiek landschap te zien dat bevroor door een allesomvattende consensus, is het mogelijk een constellatie te ontwaren die vloeibaar werd en een zo goed als totale beweging naar rechts maakte – een alomvattende moving right show, zoals Stuart Hall het in 1979 omschreef. Vanuit dat perspectief vormen de jaren 2010 een voortzetting en intensifiëring van de voorgaande decennia.

Van 1980 tot 2010 heerst er één langgerekt en intens rechts offensief. Die decennia zijn niet te begrijpen als de algemene uitdrukking van een neoliberale consensus, maar als een gesitueerd moment in een structurele klassenaanval, met een onmiddellijke, fysieke impact op de lichamen die er het doel van zijn. Die lichamen verkeren niet in een staat van politieke apathie, ervaren geen einde van de geschiedenis, maar net een intense politisering in de vorm van een existentiële aanval. Niemand verwoordt dit treffender dan Édouard Louis in zijn autofictionele roman Qui a tué mon père uit 2018:

‘De heersende klasse kan klagen over een linkse regering, kan klagen over een rechtse regering, maar een regering bezorgt ze nooit spijsverteringsproblemen, een regering verbrijzelt nooit hun rug […]. Voor de heersende klasse is politiek meestal een esthetische kwestie: een manier om over zichzelf na te denken, een manier om de wereld te zien, om zichzelf op te bouwen. Voor ons was politiek een kwestie van leven of doodgaan.’

De pijnlijke implicatie van dit citaat is dat je slechts over postpolitiek kan spreken wanneer je de verschuiving naar rechts niet kan voelen – vanuit een positie dus waarin die hoogstens als theoretisch of esthetisch probleem wordt ervaren, en niet als een rechtstreekse, fysieke aanval op het lichaam. Postpolitiek gelijkstellen met een zielloze politiek van consensus of demobilisatie negeert volledig de ‘grimmige, smerige, gewelddadige genealogie van het neoliberalisme, met militaire folteraars die hand in hand gaan met de criminelen van de economische theorie’ – om te citeren uit Maurizio Lazzarato’s boek Capital Hates Everyone uit 2021. In plaats van een passieve instemming van apathische burgers, is er sprake van actieve dwang uitgeoefend op geracialiseerde en gecriminaliseerde lichamen.

Édouard Louis duidt het geweld dat eigen is aan het rechtse offensief. In het laatste deel van Qui a tué mon père beschrijft hij hoe regeringsbeslissingen zijn vader, die na een fabrieksongeval werkonbekwaam werd, steeds meer de sociale voorzieningen ontzegden waarop hij aanspraak maakte:

‘In maart 2006 werd door de regering van Jacques Chirac, sedert twaalf jaar president van Frankrijk, en door zijn minister van Volksgezondheid, Xavier Bertrand, aangekondigd dat tientallen medicijnen niet meer zouden worden vergoed door de staat. Daar waren veel medicijnen tegen spijsverteringsstoornissen bij. Omdat je na het ongeluk de hele dag moest liggen en slechte voeding kreeg, had je continu last van je spijsvertering. Medicijnen kopen om die te reguleren werd steeds moeilijker. Jacques Chirac en Xavier Bertrand hebben je ingewanden kapotgemaakt.’

Er volgen voorbeelden waarin de staat Louis’ vader opjaagt en hem dwingt een job te zoeken ondanks zijn rampzalige gezondheid: de ‘bijstandtrekker’ wordt in ijltempo een misdadiger die straf en disciplinering behoeft. Het geweld waaraan deze man ten prooi valt is dus tweeledig van aard: het sluit buiten en het bestraft wat het uitsluit. Het lichaam wordt uitgesloten van voorzieningen waarop het vroeger wel recht had, en wordt gecriminaliseerd omdat het niet voldoet – in dit geval aan productiviteitsnormen.

Deze politieke aanval is illustratief voor het geweld eigen aan de rechtse politisering van de voorbije decennia. Het geweld van het neoliberalisme sluit in de eerste plaats mensen buiten, zeker in vergelijking met de fordistische welvaartsstaat. De decennia na de Tweede Wereldoorlog werden gekenmerkt door een toenemende integratie van de werkende klassen in de kapitalistische orde van productie en consumptie. Dit proces bood concrete materiële voordelen voor de arbeidersklasse, in de vorm van stabiele inkomens, betere toegang tot publieke infrastructuren en diensten, en de beschikbaarheid van een bredere keur aan consumptieproducten. Deze integratie was verre van gewild en had een autoritair, dwingend en vervreemdend effect. De militantste vleugels van de arbeidersbeweging en tegencultuur vonden elkaar daarom in gedeelde praktijken van weigering, sabotage en exodus, als reactie op de gedwongen integratie.

De ontmanteling van de welvaartsstaat produceert een omkering van dit schema: uitsluiting vervangt integratie. Er ontstaat een scheiding tussen aan de ene kant een krimpende werkende bevolking met een stabiel inkomen en sociale bescherming, en aan de andere kant een groeiend precariaat. Deze twee groepen zijn geen stabiele sociale posities, laat staan identiteiten; de dialectiek tussen beide is eigen aan het gewelddadige neoliberalisme. Het leidt tot een klimaat van veralgemeende angst bij steeds meer mensen, om precaire posities, rechten en voorzieningen te verliezen. Tegelijk wordt de hoop op lotsverbetering door middel van (hernieuwde) integratie steeds onwaarschijnlijker. Gevangen in een wisselwerking tussen gebrek aan hoop en sociale angst, worden uitbuiting en zelfuitbuiting de norm. De gestage toename van burn-outs is het symptoom van de onmogelijkheid van die nieuwe normativiteit.

Hetzelfde manifesteert zich op het meer politieke niveau van burgerschap. In zijn invloedrijke essay ‘On Post-Fascism’ uit 2000 maakt G.M. Tamás duidelijk dat de in het liberalisme ingesloten mogelijkheid van een universeel burgerschap vanaf de jaren 1990 steeds meer wordt ontkend. Burgerschap is niet langer een instrument van (gedwongen) inclusie, maar van radicale en geracialiseerde exclusie. Neoliberale globalisering gaat met andere woorden gepaard met steeds hogere drempels om burger te kunnen worden in een land van aankomst. Er ontstaat een groeiende tweedeling tussen ‘ware burgers’ en niet-burgers, volgens lijnen van gender, sekse en ras (een verschil dat een ongemakkelijke echo kent in het onderscheid tussen ‘ware’ en antipolitiek).

Het politiek-juridische geweld en het economisch-gouvernementele geweld vallen conceptueel te scheiden, maar ze zijn in de praktijk verweven. De mensen die het recht op burgerschap verliezen zijn grotendeels dezelfde mensen die weinig kans hebben om deel te worden van de geïntegreerde werkende bevolking, terwijl net het burgerschap in vraag wordt gesteld van wie tot het precariaat behoort. Beide groepen zijn deel en uitdrukking van wat Marx ‘surpluspopulaties’ noemt: een reserveleger en tevens een noodzakelijke component van de ontwikkeling van rijkdom in het kapitalisme. Hun bestaan is dus niet eigen aan het neoliberalisme, maar wel typisch is de versnelling waarmee een deel van de geïntegreerde arbeidersklasse transformeert in een surpluspopulatie zonder oog op (her)integratie.

De voorbije decennia werd net dit deel van de bevolking het object van toenemende criminalisering. De gevolgen zijn bekend: permanent geweld tegen wie wordt uitgesloten en permante politiecontrole om de orde van het kapitaal te behouden – processen die met de maatschappelijke ontwrichting ten gevolge van de klimaatverandering enkel in omvang zullen toenemen. In alle westerse landen neemt de militarisering van politiemachten en ‘veiligheidsinfrastructuren’ toe. In tijden van besparingen worden budgetten voor politie en veiligheid verhoogd om in de naam van de oorlog tegen drugs, criminaliteit en terreur gewelddadig te reageren op – en te regeren over – arbeiders en migranten. In de VS leidt dit tot een enorme toename van zwarte gevangenen. Geograaf Ruth Wilson Gilmore schrijft in Abolition Geography uit 2022 hoe ‘in 1980 één op ongeveer 800 mensen in de Verenigde Staten zich in de gevangenis bevond; in 2008 is die verhouding één op 130’, en meer dan zeventig procent is van kleur. In de laatste twintig jaar zijn dertigduizend mensen onderweg naar Europa gestorven, door toedoen van met Europees geld gesponsorde milities die informele concentratiekampen runnen in Libië, en die gewelddadige ‘pushbacks’ als norm hanteren.

Het ideologische stutwerk van dit geweld komt van nieuwe politieke partijen die voortkomen uit het karkas van de massapolitiek en de welvaartsstaat, en die in West-Europa eufemistisch ‘populistisch’ worden genoemd. Vanaf het begin hebben deze krachten kosten noch moeite gespaard om surpluspopulaties te racialiseren, te stigmatiseren en te criminaliseren. Die uitingen van wat Étienne Balibar in 1991 ‘neo-racisme’ noemde, maken dat sociale uitkeringen, migratie en meer algemeen culturele en religieuze verschillen voortaan als politiek ‘probleem’ worden beschouwd. De zogenaamde cultuuroorlogen wakkeren dat alleen maar aan, inderdaad als een uitzinnige en moraliserende ‘hyperpolitiek’ die de vorm aanneemt van een gemediatiseerd spektakel. Het gaat dan echter niet om wat ná de postpolitiek komt, in een diachrone ontwikkeling. Hyperpolitiek is een essentieel onderdeel van het rechtse offensief, en even oud als dat offensief. Net als postpolitiek is het een synchroon fenomeen, dat moet worden begrepen als een gelokaliseerd effect van rechtse politisering. Depolitisering en rechtse politisering zijn geen tegengestelden: depolitisering kan enkel als een effect worden gezien van rechtse politisering, terwijl depolitisering een rechtse politisering veronderstelt. Voor wie het geweld van het neoliberalisme heeft gevoeld, wordt de periode die halfweg de jaren 1980 start niet bepaald door consolidatie, stabilisering en consensus, maar door toenemende uitsluiting, criminalisering en destabilisering.

Wat uitsluiting teweeg kan brengen, valt na te lezen in Mary Shelleys befaamde roman Frankenstein (1818), waarin het wezen dat de gelijknamige dokter creëerde het volgende zegt, nadat het zich realiseert nooit te zullen worden opgenomen onder de mensen: ‘Ik droeg als de aartsduivel een hel in mijn binnenste en wilde, nu ik geen mededogen had gevonden, de bomen aan stukken scheuren, chaos en verwoesting aanrichten en dan gaan zitten om van de jammerlijke resten te genieten.’ Daarna wordt het wezen een monster dat uit is op vernietiging en wraak: ‘Op dat moment verklaarde ik voor eeuwig de oorlog aan de soort en bovenal aan wie mij had gevormd en me had weggestuurd naar deze ondraaglijke ellende.’ Het wil nochtans niets liever dan opgenomen te worden in de sociale orde: ‘Overal zie ik geluk, waarvan ik alleen onherroepelijk ben uitgesloten. Ik was welwillend en goed; ellende heeft een duivel van me gemaakt. Maak mij gelukkig, en ik zal weer deugdzaam zijn.’ De blijvende weigering laat echter weinig opties over. Het monster wordt een monster door uitsluiting, racialisering en criminalisering en door het besef dat er geen integratie mogelijk blijkt in de menselijke orde waarvan het een creatuur is. Het monsterlijke van het monster is slechts een weerspiegeling van de monsterlijke orde die het uitsluit. De wil tot vernietiging is het resultaat van een intelligentie en een bevrijdingsdrang die enkel kunnen ontstaan uit geleefde ervaring, aan gene zijde van ‘de orde’ en ‘de samenleving’ – en die ook te ontwaren vallen bij die groepen mensen die als ‘monsters’ of ‘barbaren’ worden geviseerd door het rechtse offensief van de afgelopen decennia.

Vasthouden aan de maatstaf van de twintigste-eeuwse politieke strijd getuigt daarom zowel van anachronisme als van hardleersheid. Toen was de arbeidersklasse immers nagenoeg volledig geïntegreerd in de politieke en economische orde, met als gevolg stabiele vormen van vertegenwoordiging via partijen, vakbonden en andere organisaties van de massademocratie. Zo werd een zekere tegenmacht opgebouwd en kon vanuit die tegenmacht de hoop worden gecultiveerd een nieuwe maatschappij te stichten. Het nostalgische verlangen naar herintegratie van de arbeidersklasse gaat eraan voorbij dat er geen orde meer bestaat die integratie toelaat. Wat overblijft is een door radicale uitsluiting veroorzaakte negativiteit: leegte. Louis verwoordt dit treffend wanneer hij het bestaan van zijn vader karakteriseert als een ‘negatief bestaan’: ‘een bestaan dat jij niet wilde en dat jou niet wilde. Je hebt géén geld, je hebt niét kunnen studeren, je hebt niét kunnen reizen, je hebt je dromen níet kunnen verwezenlijken. De taal heeft bijna alleen ontkenningen om jouw leven te omschrijven.’ Een ontkend leven – het is deze conditie die migranten, steuntrekkenden, mensen van kleur, transpersonen, moslims en gevangenen net als zovele anderen, ondanks alle contradicties, in toenemende mate met elkaar delen.

De protesten van de late jaren 2010 en de vroege jaren 2020 vallen vanuit deze optiek te interpreteren als een reactie op exclusie en staatsgeweld, maar ook als een symptoom ervan. De fundamenteel negatieve conditie die uiteenlopende groepen met elkaar delen verklaart waarom al die protesten een ‘destituerend’ karakter hebben. Het gaat daarbij veeleer over ruimte dan over tijd. De protagonist van Germinal schetst een utopische toekomst, en ook de nadruk van vele hedendaagse linkse critici op duurzaamheid, een politiek programma, organisatie en engagement, heeft vooral een temporele dimensie. De strijd die zich vandaag afspeelt op pleinen, in voorsteden en op rotondes is een ruimtelijke strijd, tegen een politiek die mensen uitsluit van toegang tot arbeid, voorzieningen of een autonoom leven, die hen letterlijk of figuurlijk dakloos maakt, in kampen opsluit, hun ruimtes en hun lichamen verziekt of vernietigt. Ook de politieke beslissing de klimaatcrisis te laten woekeren is de voortzetting van dit geweld, door de creatie van enerzijds onbewoonbare gebieden en anderzijds streng bewaakte enclaves voor de rijken.

Uitsluiting zonder hoop op integratie laat alleen de ontmanteling van het systeem over als mogelijkheid tot bevrijding. Destitutie is in deze zin geen ideologie, programma of strategische keuze, maar een onmiddellijk antwoord op overheersing. De sleutel is zowel de aard van de macht als de reacties erop te bevestigen, in plaats van ze af te wijzen uit nostalgie naar de twintigste eeuw. Het rechtse offensief heeft monsters of barbaren gecreëerd voor wie de enige uitweg nog ligt in negatie. Wie hun zijde kiest, dient dat te erkennen.

De glazige blik

In een reportage met als titel ‘Berlijnse genotsindustrie’ beschrijft Joseph Roth in 1930 een ‘volkomen uniek, uniform type jongeren’ dat ‘in alle steden’ te vinden is en ‘wapperende, wijde broeken’ draagt. Buiten het ‘gladgeschoren gezicht en strak naar achteren gekamd haar’ geldt Roths karakterschets evenzeer voor het mondaine type dat sinds kort de grootsteden bewoont. Zoals in 1930 beweegt het zich voort met de ‘nonchalance van een paspop’ – stroef, gekunsteld, dwingend – en zendt het uit: een ‘glazige blik’ waarin ‘geveinsde wereldmoeheid’ te lezen is.

*

Glazig kijken is kijken met melkglas voor de ogen, een rookgordijn, een knipvlies. Het is onmogelijk te kiezen tussen kijken en niet-kijken, dus wendt men zich af zonder weg te draaien. Wie aangekeken wordt, verdwijnt achter een scherm of lost op voor een blik die hem ontkent. De glazige blik is een blik in weerwil van zichzelf, een blik die geen blik wil zijn, zichzelf bestrijdt – een blik die liever geen communicatie was geweest.

*

De glazige blik bekleedt wat naakt moest blijven, zou Emmanuel Levinas zeggen. De ander wordt niet als de ander, maar gesluierd waargenomen, waardoor hij zijn vreemdheid verliest, tot het vertrouwde gereduceerd. De glazige blik verandert alles in een verlengstuk van de kijker. Door de ander met een waas te omgeven, verzacht de kijker wat hem niet bevalt, of wat hij niet nodig heeft. De blik stopt op een kleine afstand van het aangekeken gezicht, om daar uiteen te spatten in ontelbare brandpunten waartussen de kijker geen keuze kan maken.

*

Waarom hebben wij het aankijken verleerd? Die vraag is niet onbelangrijk. De geschiedenis van de mensheid is er immers ook een van ogen, niet alleen van hersenen en handen. Al van bij het begin was een kijkcode minstens even belangrijk als tafeletiquette of aanspreekvoorschriften; men begreep dat een publieke ruimte ook altijd een aankijkruimte was. Naast regels per stand, klasse, sekse en leeftijd, golden er aparte standaarden voor iedere plaats. De katholieke biecht was het eerste sociale gebruik met globale reikwijdte dat tijdelijk respijt van het aankijken kon leveren. Het bevrijdde de zondaar van de vele blikken en tegenblikken in het publieke leven, al was het maar voor dat korte, precaire moment van de bekentenis; voor even moesten de eigen zonden niet met een gekunstelde blik verantwoord worden. Uitvindingen en historische figuren hebben de mens soms gedeeltelijk van de intersubjectieve aanschouwing geëmancipeerd. Zo heeft de gemaskerde Casanova gedemonstreerd dat flirten ook zonder blik kan, en de atoombom dat er aan het succes van blind moorden geen grenzen zijn. Maar wat is er dan voor ingrijpends gebeurd sinds Joseph Roth en passant de voorbode van het hedendaagse aankijken zag voorbijlopen? De versoepeling van sociale rollen, de vermenigvuldiging van contacten, virtuele blikken en spiegelende oppervlakken – het zijn slechts enkele van de recente ontwikkelingen waar onze ogen zich aan hebben moeten aanpassen. Heeft de sociologie dan niet nodig wat de evolutionaire oftalmologie voor de biologie is?

*

Er zijn te veel gezichten. Dat is niet alleen een demografische vaststelling (te veel mensen) maar ook een mediatheoretische (te veel zichtbare mensen). Aan de reeds erkende globaliseringsgolven moet de globalisering van het gezicht toegevoegd worden. Fotografie, film, livetelevisie, sociale media, videobellen – bij elke stap verloor het menselijke gezicht meer van zijn verborgenheid. Hoe vaker iemands gelaat in beeld komt, hoe meer hij tot gezichtsexhibitionisme geneigd is. Bewijs: de tieners voor wier ongetrainde ogen het esthetisch zelfbewustzijn te vroeg komt. De verplichting iedere blik te interpreteren en van antwoord te dienen heeft nu betrekking op de hele wereld: blikken kunnen van overal komen, van plekken en mensen met vaak geheel andere kijkcodes. Hoe is het nog mogelijk aan ‘de tirannie van het menselijke gelaat’ (Baudelaire) te ontsnappen en werkelijk alleen te zijn? Glazig kijken doet dromen van visueel kluizenaarschap.

*

Alle sociale media zijn tot op zekere hoogte voyeuristisch, maar het minst geremd is kijkverlangen tijdens het videobellen. Daar valt een blik – zeker als het gesprek meer dan twee deelnemers telt – het minste op. Een aantrekkelijke gesprekspartner kan eindeloos en met indringende blik aangekeken worden zonder dat daar iets van te merken is. Videogesprekken laten het toe te kijken op een manier die bijna volledig ongecontroleerd want niet-wederkerig aanvoelt. Zoals voor Gyges, die bij Plato een onzichtbaar makende ring droeg, vormen tegenblikken voor videobellers geen gevaar. Laten we daarom spreken van het Gyges-syndroom wanneer een kijker de eenzijdige (virtuele) blik op wederkerige (reële) aankijksituaties projecteert. De ogen transformeren zich dan tot aangedampte ramen waarin een glazige blik getekend staat. Ze kijken alsof de blik van de ander een fantoom is en oogcontact slechts een mediatechnische trompe-l’oeil. De door videobellen bespoedigde verandering is een kijkvervorming die ook verklaart waarom steeds meer jonge mensen gordijnloos wonen. Door mijn ‘vensters op de wereld’, denkt de glazige kijker, kan alleen van binnen naar buiten gekeken worden.

*

Emmanuel Levinas: ‘Maar brengt de positie van Gyges niet de straffeloosheid met zich mee van een wezen dat alleen op de wereld is, dat wil zeggen van een wezen voor wie de wereld een schouwspel is?’

*

Onze ethiek schrijft voor: alles moet in het gewone binnengehaald worden, want niets is nog bijzonder. We staan op gespannen voet met woorden als ‘abnormaal’, ‘ongewoon’ en ‘eigenaardig’ – oordelen die vaak makkelijk in een blik te lezen zijn. Gebiologeerd kijken naar wat je nog niet of slechts zelden gezien hebt, laat wie aangekeken wordt niet in zijn waardigheid – zo denkt men nog maar sinds gisteren. Hoewel blikken moeilijk onder toezicht te houden zijn, hebben we toch schrik met onze ogen een verkeerde reactie op het eigenaardige te geven. Het is daarom aangewezen te kijken met de ogen toe, glazig, van achter een troebel scherm.

*

Andere optie: legislatief ingrijpen, zoals in Spanje, waar het sinds mei 2023 verboden is op een podium te lachen met invaliditeit. Zoals The New York Times vervolgens meedeelde, zijn de toreadors van Teruel, allemaal mensen met dwerggroei, daar niet over te spreken. Hun handicap is hun job, klinkt het. Zolang de langere mens niet alleen zijn lengte, maar ook zijn blik als maatstaf neemt, zullen Teruels uitzonderlijke levens nooit in hun eigenheid geleefd mogen worden. Omdat de ‘grote mensen’ moeite hebben met de gepaste kijkreactie, moet de kleine stierenvechter zich uit hun gezichtsveld verwijderen – of toch wanneer hij de eigen bijzonderheid in een voordeel wil omzetten.

*

Voor de jongste generaties, die met een verstrenging van de seksuele gedragscode zijn opgegroeid, is de zoektocht naar een nieuwe blik onvermijdelijk. Met hun glazige blik pogen ze een post-#MeToo-erotiek in de sociale omgang te introduceren. Die erotiek draait voornamelijk rond plausibele ontkenning: hoe men een blik ook interpreteert, de interpretatie moet altijd ontkend kunnen worden. Zestien- tot dertigjarigen hebben zichzelf een vergunning voor insolente blikken gegeven, en dat niet alleen omdat de wederkerigheid van het kijken hun illusoir overkomt, maar ook omdat een glazige blik altijd de eigen (risicovolle) boodschap annuleert. De glazige blik is een permanente knipoog, zo meerduidig dat betekenis hem heeft verlaten. Een uit seksuele motivatie uitgezonden blik kan dan geduid worden als deel van een onschuldige omgevingsscan of als een verdedigingsmechanisme gericht op de misplaatste interesse van wie in de buurt is. Staartoelating blijft in zekere mate afhankelijk van het profiel van de staarder: lijkt hij een potentieel gevaarlijk seksueel roofdier of een op ongemakkelijkheid beluste pervert, dan mag het aankijken niet langer duren dan de enkele ogenblikken die nog toeval kunnen zijn. De vervrouwelijking van het mannelijke schoonheidsideaal, ten slotte, heeft ongetwijfeld enkele zuiver esthetische redenen, maar komt ook tegemoet aan de ‘ont-dreiging’ die van de huidige (jonge) man verwacht wordt. Die gaat daar met veel plezier op in: bovenop de vrijlating van de latente androgynie krijgt hij bij zijn queer-esthetische klerenpakket een licentie voor onverholen staargedrag. Glazig kijken is staren met vergunning.

*

Seksualiteit kan sinds #MeToo niet meer zonder reflectie verlopen. Bij elke seksuele daad (en daartoe behoort ook het flirten) moet de initiator, naast aan de relatie deel te nemen, zich vanaf het begin al buiten de relatie plaatsen om er een prealabel oordeel over te vellen. Als seksuele actoren mogen we niet aankijken zonder meer; naast de blik van het verlangen horen we ook de blik van de rechter uit te zenden; we doen aan zelfberechtiging, plaatsen onze seksualiteit preventief onder curatele. De gelijktijdigheid van wellustig en zelfkritisch kijken is de paradox die de glazige blik in zich draagt. Het resultaat is een gespleten blik die zowel belichaamd als niet-belichaamd is, een blik die zowel rechtdoor gaat als omgebogen wordt – een glazige blik, met rechte én gebroken stralen.

*

De glazige blik beschermt tegen ongewenste blikken door ‘de poorten van de ziel’ te bepantseren. ‘De blik is de rand van de mens,’ schrijft Walter Benjamin in Eenrichtingsstraat, maar wat als die rand te broos is? Dan trek ik mijn beschermlaag tot over mijn ogen, zet mijn huid over mijn hele lichaam voort. Ik heb aan de glazige blik een omhulsel te danken dat mij tegen alle agressie weren kan. Nooit zal ik nog tranen laten, want waarom de prijs betalen van dubbelglas?

*

Luce Irigaray: ‘De spiegel, en inderdaad ook de blik, worden frequent ingezet als wapens of instrumenten om aanraking af te wenden en fluïditeit terug te dringen […].’

*

Waar brengen koppels tegenwoordig hun aankijktijd door? Met twee in bad gaan is koppel-zijn op z’n naaktst en intiemst. De badkuip omsluit de twee in een ‘interfaciale intieme sfeer’ (Sloterdijk); het badwater, in tegenstelling tot lucht, maakt expliciet dat ze een medium delen. Nog belangrijker is dat de twee elkaar aankijken, of dat hun omhulsel daar toch de aanzet toe geeft. Probeer in bad maar eens een ruzie voort te zetten zonder in lachen uit te barsten of teder over de benen van je geliefde te wrijven! Koppels die samen in bad gaan, stellen het goed. Als het gezamenlijke badritueel is komen te vervliegen, kunnen geliefden nog altijd genoeg blikken uitwisselen als ze geregeld tegenover elkaar gaan zitten, op restaurant of aan de keukentafel. Maar wanneer ze door een gebrek aan oogcontact van elkaar beginnen te vervreemden, zullen ook hun lichamen zich geleidelijk van elkaar verwijderen. Het begint met samen een rechte hoek te maken; dan kijkt men zijdelings, en de frontale blik laat zich niet meer vrezen. (Pas op! Na een zijstap zal uw ontrouwe partner u alleen nog langs opzij benaderen.) Uiteindelijk verbleekt het koppel, dat in het begin nog een zichzelf aankijkende dyade was, tot een platgestreken lijnstuk dat de blik niet meer op de uitgekozen ander, maar opnieuw op de verleidelijke wereld werpt. De Parijse geliefden die naast elkaar op een terras zitten en meer hun omgeving in het oog houden dan met de ander bezig te zijn, worden beheerst door de gedachte dat er op elk moment iemand interessanter kan voorbijlopen. De ruimtelijke vertaling van de romantische teloorgang: bad (frontaal) – hoektafel (zijdelings) – terras (glazig).

*

Flirten kunnen nu ook luilakken. Volgens Georg Simmel is flirten gestoeld op het evenwicht tussen toegeven en ontzeggen, maar die moeite hoeft de hedendaagse flirt niet meer te doen. De slingerbeweging is voorbij, de erotische actie gestold tot beeld, imago. Kenmerkend voor flirten vindt Simmel de zijdelingse blik, omdat daar ‘de terugtrekking van de blik al aangekondigd is als iets onontkoombaars in de blik zelf’. Een frontale blik, meent hij, kan nooit voor het gewenste effect zorgen. Maar de glazige blik is niet frontaal zonder meer: de glazigheid is net bedoeld om de terugtrekking te vervangen. Het hedendaagse flirten gaat uit van verstijfde erotiek, met in de hoofdrol een derde ooglid dat beschikt over ‘de kracht van de blik door deze achter te houden’ (Anne Carson). Ook weg is het typische heupwiegen met zijn ‘speelse ritme van constante afwisseling’ (Simmel). De seksesthetici van vandaag – hipsters op kop – wandelen niet meer zwierig, maar gespeeld gedecideerd door de Brusselse en Amsterdamse binnensteden, met de blik vooruit, in constante afwijzing, door koptelefoon of airpods afgesloten in een eigen ‘sonosfeer’ (Peter Sloterdijk). Dat is verleiding in de eenentwintigste eeuw, hard to get. Zelfs bij het uitgaan danst men nog zelden in groep; twist is vervangen door trance, trippen, teenstaren.

*

Hipsters maken van het publieke leven een topsport. Hun project is dat van de estheet-atleet, voor wie de wereld een catwalk is en vriendschap een wedstrijd (soms in team, meestal solo). Ze zijn meesters in de geoefende moeiteloosheid die zelfs de banaalste handelingen moeten uitdragen. Ze verheffen het leven tot een kunst, een religie – niet het volle leven, maar het leven van de gedragingen. Voor puberjongens dient zich al vroeg het vraagstuk aan van het handschrift: dat moet ofwel niet te leesbaar zijn, ofwel zo overdreven elegant dat het dandyesk en karikaturaal wordt; een eenvoudig, modern, proper handschrift is taboe. Hipsters belichamen dat puberale solipsisme, in de waan dat al hun bewegingen worden geïnterpreteerd als veelzeggende veruitwendigingen van een volledig gevormde persoonlijkheid. De geacteerde lichtheid van de hipster – uitgaand van een je m’en fous, hopend op een je ne sais quoi – laat zich lezen in de glazige blik, die bovenal gewag maakt van groeiende onzekerheid. De steeds uitdijende variatie aan aankijksituaties zou deze pantomimes van het leven tot aangepaste trainingsschema’s en nieuwe supplementen (bovenop de geherwaardeerde sigaret) genoopt moeten hebben, maar daar is geen energie meer voor. De glazige blik getuigt van een gebrekkig aanpassingsvermogen en ligt in lijn met de homogenisering van gedragscodes – taalregisters, kledij, omgangsvormen etc. – tot eenzelfde houding die in elke situatie wordt ingezet. Er worden amper nog compromissen gesloten met de uiteenlopende verwachtingen van familie, vrienden, collega’s en onbekenden – overal dezelfde mengpersoonlijkheid, dezelfde blik. In de glazige blik ligt de resignatie van een groep die haar regenboogvlies niet meer aan de omstandigheden kan aanpassen. ‘Er wordt al zoveel geëist van ons, laat onze ogen met rust!’

*

Met glazige ogen kun je niet lezen. Lezen is niet gestoeld op herkenning maar op uitholling, jezelf receptief maken voor het compleet andere – of toch in eerste instantie. Glazig kijken is afsluiting, dus lezen is dan niet mogelijk. De literatuurcriteria van glazige kijkers – zelfidentificatie, waarachtige representatie, weerspiegeling van de eigen moraliteit – staan haaks op de essentie van het lezen, die op een confrontatie met het vreemde aanstuurt. Pas daarna kan introspectie op een authentieke manier gebeuren, want introspectie zonder voorgaand contact met het andere is gedoemd egoïsme te blijven en wordt, indien bestendigd, narcisme. Glazige kijkers lezen niet, maar begraven wat er geschreven staat onder hun eigen eisen. Dat breidt zich uit tot alle vormen van perceptie: de wereld wordt niet meer gelezen, ze wordt overschreven. In plaats van nieuwsgierig te zijn naar wat de wereld te bieden heeft, eisen glazige kijkers van haar wat zij hun zogezegd verschuldigd is, niet als tragische mensen, maar als verwende kinderen. De glazige blik is de blik van een schuldeiser.

*

Glazige kijkers hebben een rechte lichaamshouding. Geen wonder: ze buigen zich voor noch naar de wereld; het is de wereld die zich naar hén moet buigen. Voor niet-glazig kijken is een minimum aan interesse in de wereld nodig. Wie zonder vlies kijkt, is altijd een beetje gebocheld; dan ben je geoloog, geen model. Zelfs als de wereld vijandig is, kijkt men haar alsnog in een naar voren gerichte beweging aan, al was het maar om onmenselijkheid te ontwaren of om tijdig een tegenoffensief in gereedheid te brengen. Boven ons wandelen nu al enkele jaren steltenlopers, met platformschoenen, uitgestrekte nek en een kaarsrechte rug die zich nergens naar heeft geplooid. Bij hen geen nood zich in de aarde vast te bijten, geen haast om iets te leren of zich uit de voeten te maken. Wat zal men later van deze geveinsde desinteresse en onaantastbaarheid denken?

*

Isabelle Huppert in La Pianiste (2001) van Michael Haneke: als iedereen toch al continu blootgesteld is, waarom dan nog de blik afwenden? Als iedereen toch al voyeur is, waarom dan nog een kwade tegenblik vrezen? En als je dan toch al onbehouwen kijkt, waarom daar dan geen genot uit putten? De nieuwe sadomasochisten kijken glazig.

*

Visueel consumentisme is inherent aan de glazige blik – en niet alleen wanneer het om andere mensen gaat: ook in musea zijn de blikken vaak weinig gericht. Maar net zoals in de intersubjectieve communicatie zijn er in de cultuurconsumptie sujetten die tegen de vluchtigheid ingaan. Het intensieve, bijna combattieve oogcontact van tot therapie geroepen zielen kent in de cultuurtempels van de stad zijn evenknie. Hier vindt men regelmatig een handvol concentratiemeesters die hun blikken maar zelden laten afdwalen van het kunstwerk dat ze aan het schouwen zijn. Voor hen is elk aura Medusa. Versteend staan ze een werk te bekijken waar de meesten slechts (met een glazige blik) langs passeren. De koning mocht naast hen staan, een kind mocht tegen een schilderij vallen, de lichten mochten uitgaan – ze bleven daar staan zolang de benen het volhielden. Met een priemende blik probeert de cultuurminnaar zich af te zetten van de cultuurconsument, die met zijn glazige blik slechts een banale kunstbeleving voorstaat. Alleen beseffen zij niet dat de glazige blik hierdoor een tweede triomf beleeft, want bij niemand is concentratie eeuwigdurend. De priemende blik wordt een koppig staren, wordt een defensief kijken, wordt halve receptiviteit, wordt een glazige blik. De museumbezoeker die naar één werk blijft staren, bedot zichzelf; er is simpelweg te veel te zien. Zich verplichten door ander werk en andere bezoekers onberoerd te blijven, is een vorm van anticonsumentisme van waaruit dezelfde gedragingen worden gesteld als vanuit het consumentisme zelf.

*

Arthur Schnitzler: ‘Hij zou het duizend keer erger hebben gevonden om als enige met een ongemaskerd gelaat tussen louter gemaskerden te staan dan plotseling naakt tussen aangekleden.’

*

Nog niet zo lang geleden gaven mondmaskers de ogen alleenheerschappij. Tijdens de covidpandemie was het gelaat vaak uitsluitend blik. Voordelig was het gebrek aan interpreteerbaarheid: de kijker kon met zijn ogen doen wat hij wilde omdat motieven door de gedeeltelijke gelaatsverberging onleesbaar bleven. De glazige blik is een poging om met de hernieuwde blootstelling om te gaan. Na het wegvallen van de mondverberging moeten we opnieuw rekenschap afleggen van de gelaatsuitdrukkingen die zich beneden onze ogen voltrekken en van de blikken die erdoor weer interpretabel worden. Terwijl blik en gelaat door het mondmasker nog van elkaar gescheiden waren, zijn we nu door hun hereniging opnieuw genoodzaakt onze oog- en gezichtsspieren in te tomen. De glazige blik is ons antwoord op deze snelle overgang van gelaatsopenbaarheid naar gelaatsverberging en weer terug. Door de ander glazig aan te kijken met een uitgestreken gezicht leggen we tegelijkertijd rekenschap af van ons hervonden gelaat en van ons verlangen naar een tijd zonder. In plaats van de ander echt aan te kijken, kiezen we voor een blik die op eender wat kan wijzen, een blik waaruit zowel interesse als onverschilligheid kan blijken, een blik die door het gelaat bevestigd kan worden, maar in eenzelfde beweging ook ontkend. De meerzinnige, ondoorzichtige communicatie waar we gedurende een tweetal jaar de mogelijkheid toe hadden, wordt nu herwonnen door de inhoud uit de blik te halen. Glazig kijken zij die na lange tijd ontmaskerd zijn.

La photographie contemporaine et ses métamorphoses

Met de net afgelopen Épreuves de la matière. La photographie contemporaine et ses métamorphoses bood de Bibliothèque nationale de France een ruim en ambitieus overzicht. De BnF is daarmee een van de laatste instellingen die zich buigt over de paradigmashift in de hedendaagse fotografie. Talloze andere instellingen, in Frankrijk en elders, hebben in het afgelopen decennium al expo’s gewijd aan dit thema.[1] Er verschenen ook diverse publicaties.[2] De versplintering die de contemporaine fotografie kenmerkt, heeft uiteraard meerdere oorzaken, zoals het statusverlies van de documentaire fotografie, die niet langer een dominante, leidende praktijk lijkt te zijn. Een nog belangrijkere oorzaak is de introductie van technische mogelijkheden en de culturele reactie daarop. Het gaat dan uiteraard over de gestage, maar sinds de eeuwwende versnellende overgang van analoge naar digitale fotografie. De productie, distributie en consumptie van beelden is daardoor herijkt. Als tegenreactie, zo suggereren sommige van deze expo’s en publicaties, is er nu een generatie fotografen opgestaan die zich verzet tegen deze ‘dematerialisering’ van het beeld dat enkel nog als een ongrijpbaar pakketje data lijkt rond te zweven. In de plaats daarvan beklemtonen en onderzoeken zij de materiële condities van het fotografische proces.

Dat is in elk geval het uitgangspunt van de expo in de BnF. In vier delen en aan de hand van bijna tweehonderd fotografen wordt geprobeerd te tonen welke rol materialiteit speelt in de huidige constructie en deconstructie van beelden. Het eerste deel kreeg als titel ‘L’image tangible, la matière incarnée’ en begint verrassend met twee opvallende werken. Links hangt een foto van Isabelle Le Minh (IPAD1, 2015) van een door vingerafdrukken besmeurd scherm van een iPad, geflankeerd, rechts, door acht prints van Andreas Müller-Pohle (Digital Scores, after Nicéphore Niépce, 1995-1998) gebaseerd op een digitale scan van de oudst bekende foto uit 1828. De digitale code die deze scan opleverde werd door Müller-Pohle omgezet in een reeks alfanumerieke tekens die verdeeld werden over de acht prints. In het beeld van Le Minh zit de materialiteit in de sporen die klikkende en wrijvende vingers nalieten op het gladde aanraakgevoelige scherm; bij Müller-Pohle is de épreuve de la matière een digitale constructie, een scherm van tekens waarachter het oorspronkelijke beeld verdwijnt.

Na dit veelbelovende begin zakt de expo al een eerste keer weg. De rest van de ruimte bevat op het eerste gezicht een ratjetoe van prakijken. Analoge foto’s waarbij de optische of chemische parameters van het fotoapparaat zijn ingezet om de kijker op een zo ‘transparant’ mogelijke manier te wijzen op de materiële eigenschappen van het onderwerp, worden afgewisseld met beelden van het interieur van camera’s (Ann Mandelbaum, Matter III, #6 & #8, 2011), van ontwikkelbaden uit de donkere kamer (Philippe Gronon, Cuvette de développement n° 18 & n° 19, 2021), van een onbelicht, geplooid vel fotopapier (Wolfgang Tillmans, Paper Drop (passage) VII, 2019) of van gestolde foto-emulsie (James Welling, Gelatin Photograph #40, 1984). Waar die laatste beelden de materiële objecten presenteren die noodzakelijk zijn voor het produceren van fotografische beelden, tonen de eerste foto’s veeleer formele keuzes. Close-up, vergroten en inzoomen, spelen met de verhouding tussen scherpte en onscherpte of met druktechnieken – het kan allemaal ingezet worden om de kijker te confronteren met de stugge materialiteit van wereldse ‘dingen’. Beide benaderingen lijken met elkaar in tegenspraak: aan de ene kant lijkt fotografie de inzet van materiële elementen te vereisen, terwijl aan de andere kant wordt gesuggereerd dat fotografie juist de eigen materialiteit moet ontkennen om de materialiteit van de wereld zichtbaar te maken.

Het is pas dankzij de bijdrage van Marie Auger in de catalogus dat de gemaakte keuzes enigszins intelligibel worden. Auger stelt dat dit eerste deel van de tentoonstelling teruggrijpt op de opvattingen van de vorige conservator van de BnF, Jean-Claude Lemagny, van 1968 tot 1996 hoofd van het departement grafiek en fotografie. Zijn positie werd grotendeels bepaald door de discussies die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werden gevoerd op de pagina’s van Les Cahiers de la Photographie. Denkers als Henri Van Lier, voor wie fotografie een technische operatie was die menselijk ingrijpen uitsloot (iets waar hij later in zou gevolgd worden door Vilém Flusser en Jean Baudrillard), gingen er in debat met auteurs als Lemagny, die de menselijke inbreng in de fotografische act beklemtoonden.[3] Lemagny wees erop dat een fotograaf steeds kiest voor een bepaalde filmsoort, voor een specifieke lens, voor een scherp afgebakende kadrering, voor een welbepaald formaat, voor een manipulatie van het licht tijdens het printproces in de donkere kamer, enzovoort – inhoudelijke, maar ook uitermate materiële keuzes en ingrepen die bepalen hoe het beeld in de wereld verschijnt. Waar licht vaak onnadenkend als immaterieel wordt beschouwd, is het in de fotografie volgens Lemagny juist het materiële element bij uitstek. Nergens wordt dat meer duidelijk dan in de donkere kamer, wanneer de fotograaf speelt met het geprojecteerde licht van de vergroter: dat is het moment waarop licht en schaduw worden verdeeld over het lichtgevoelige papier en het beeld gecontroleerd vorm krijgt. De fotograaf: een beeldhouwer van licht.

De werken die de expo leken te openen, IPAD1 en Digital Scores, after Nicéphore Niépce, moeten dan ook niet begrepen worden als de openingszet van dit deel van de expo, maar juist als de afsluiting ervan. Hun rol is aan te geven hoe de materialiteit van het fotografische handelen – of die nu veroorzaakt wordt door geklik en geveeg of door logaritmische interventies – zich vandaag nog steeds manifesteert in de digitale sfeer. Met andere woorden: het begrip ‘fotografische materialiteit’ wordt hier al zo ruim gedefinieerd dat het hele fotografische proces, van productie tot consumptie, van analoog tot digitaal, er deel van gaat uitmaken. Als openingszet in een expo die pretendeert het onderzoek naar materialiteit juist te gebruiken om de specificiteit van de hedendaagse fotografie te laten oplichten, is dat een bizar begin.

Het tweede deel, ‘L’image labile, la matière experimentée’, hanteert een radicaal ander perspectief. De werken wijzen niet meer eenduidig naar ‘een materiële werkelijkheid’, maar vestigen de aandacht op zichzelf en op hun technische ontstaanswijze. Dit deel leunt sterk op de analyses van Anne Cartier-Bresson, een deskundige op het vlak van oude en hedendaagse fototechnieken. Zij ziet in de gepresenteerde werken een nieuwe fotografische figuur ontstaan, de archeoloog-fotograaf (of geoloog-fotograaf) die in de materiële geschiedenis van de fotografie duikt om er oude methodes en procedures uit op te delven en weer te activeren. Deze retour aux sources is uiteraard nooit zomaar een letterlijke herhaling: het gaat volgens Cartier-Bresson niet om nostalgie, maar om een verzet tegen de industrialisering (en digitalisering) van fotografie, met de daaraan gekoppelde standaardisering van opname- en productietechnieken. Tegen het stramien van de industrie in kiezen deze fotografen ervoor cameraloos te werken, zelf hun camera te bouwen, hun eigen emulsie te bereiden of te experimenteren met chemische reacties.

Ook hier volgt echter eenzelfde warboel van beelden: talloze experimenten met verouderde technieken, zoals een daguerreotype van Patrick Bailly-Maître-Grand (Grillage américain, NYC, 1989), een ambrotype van Guillaume Krattinger (Naissance d’une rivière, 2011) en verschillende soorten fotogrammen – van de geplooide fotogrammen van Ellen Carey (Zerogram, 2018), over de kleurstudies van Gottfried Jäger (Lichtgrafiken, 1981) tot een naakt van Floris Neusüss (Nudogramme, 1965). Evengoed wordt er gedold met de chemische component van fotografie, zoals in het werk met vervallen fotopapier van Alison Rossiter (Darko Rough (Sears Roebuck & Co.), 2022) en in een chemigram van Pierre Cordier (Sans titre, 1963). Natuurlijk wordt er ook lustig gespeeld met verouderde druktechnieken: de blood prints van Marina Berio (Family Matter #8, 2008) zijn gebaseerd op het negentiende-eeuwse gomdrukprocedé en gecombineerd met bloed van de fotograaf zelf, terwijl Guillaume Zulli in een serie beelden uit 2021 gebruikmaakt van het obscure Lith-procedé.

Door eenzijdig de technische productiewijze van het beeld te beklemtonen, lijkt het wel of de bezoeker een loutere opsomming van fotografische technieken krijgt voorgeschoteld. Dat deze inventariserende aanpak soms cruciale aspecten onbesproken laat, wordt pijnlijk duidelijk in het werk van Nicolai Howalt (Solphor S16, 2016) dat ook in deze ruimte getoond wordt. Het bestaat uit zes beelden die zijn gemaakt door vloeibare foto-emulsie chemisch te laten interageren met verschillende metalen, zoals zink, goud en koper. Wat deze chemische reacties precies zullen opleveren, blijft echter wezenlijk onvoorspelbaar. Materie is iets dat in de weg zit, als een weerstand waaraan het handelen van de fotograaf ondergeschikt wordt gemaakt, of die – in het meest extreme geval – tussenkomst zelfs uitsluit. In die zin kan het teruggrijpen naar deze ‘oude’ technieken en procedures ook gezien worden als een antwoord op de dwingende vragen waarmee de ecologische crisis ons vandaag confronteert. Niet-menselijke actoren krijgen een stem, naast die van de fotografische operator, wiens rol zich beperkt tot het louter in gang zetten van een proces dat een eigen verloop kent.

In andere werken in dit deel is eenzelfde ecologische bezorgdheid aanwezig. Fotografen gaan bijvoorbeeld op zoek naar vervangers voor de giftige stoffen van de klassieke, analoge fotografie, zoals in het werk van Maxime Riché (No Passing, 2020) waarin as van een verbrande pijnboom wordt gecombineerd met een niet-toxische emulsie. Anderen maken gebruik van een natuurlijk proces als fotosynthese, zoals Almudena Romera (Large Scale Collage II. The act of producing, 2022), die een foto drukte op tarobladeren, die vervolgens gefixeerd werden met behulp van biologische hars. Dat deze onderhuids sluimerende thematiek zich slechts met veel moeite aan de bezoeker openbaart, lijkt opnieuw te wijten aan een slordige scenografie.

Het derde deel, ‘L’image hybride, la matière metamorphosée’, verbindt de toenemende aandacht voor fotografische materialiteit met de hybridisering van het medium. Met die laatste term verwijst de expo naar de analyse van Michelle Debat. Zij stelt dat fotografen vandaag opvallend vaak leentjebuur spelen bij andere kunstdisciplines, zoals grafiek, schilderkunst en beeldhouwkunst. De daaruit voortvloeiende hybride beelden getuigen volgens haar van een verdere ‘ont-disciplinering’: grenzen en conventies worden vrolijk verlegd en overschreden. Wat op die manier plaatsgrijpt, mag echter niet begrepen worden als een voortzetting van wat zich tijdens de vorige eeuwwisseling afspeelde in het picturalisme. Toen werden artistieke strategieën ontleend aan de grafische kunsten om de fotografie tot een aanvaardbare kunstvorm om te kneden. In de huidige ‘ont-disciplinering’ gaat het veeleer om een fotografie die zich zelfbewust laat infecteren door andere disciplines, om zo een nieuwe vormentaal te ontwikkelen en de eigen conventies kritisch te onderzoeken.

De werken die ter ondersteuning van deze these worden getoond, overtuigen echter niet altijd. Ter illustratie van de wijze waarop tekenkunst en fotografie elkaar raken, worden bijvoorbeeld twee foto’s van een spinnenweb getoond (Anne-France Abillon, Le Tissu du réel 1, 2013). Het beeld is op dun Japans papier gedrukt, zodat het lijkt op een ragfijne tekening. Meteen daarnaast hangen twee beelden van Renato d’Agostino (Harmony of Chaos #1 & #3, 2012-2019), die verschillende negatieven van stedelijke architectuur over elkaar print zodat er een abstraherende vervaging optreedt. In al deze gevallen lijkt de alliantie tussen beide media uit te monden in foto’s die qua visueel effect inderdaad sterk lijken op grafische tekeningen, maar meer dan dat lijkt er toch niet op het spel te staan. Het is alsof fotografie toch weer het kneusje blijkt dat passief de invloed ondergaat van andere disciplines.[4] Soms leidt deze reductie van de hybride fotografie tot een oppervlakkige emulatie van de discipline waarmee ze zich verbindt. In andere gevallen is er sprake van storende misverstanden.

Laure Tiberghien, bijvoorbeeld, werkt voor het fotogram Fuites #8 (2021) met een lichtgevoelig kleurnegatief dat ze in de totale duisternis van de donkere kamer blootstelt aan de werking van licht en chemie. Zodra het beeld is gefixeerd, kunnen de effecten bestudeerd worden. De kleuren die ontstaan zijn het gevolg van een autonoom proces dat opwelt uit de chemische en fysische eigenschappen van het materiaal (licht, chemie, papier) waarmee ze aan de slag gaat. Door de betekenis van dit beeld te reduceren tot een eenvoudige verwijzing naar de abstracte schilderkunst, genre Mark Rothko, dreigt de bezoeker opnieuw enkel het optische effect op te merken en niet de fotografische inzet. Een tweede voorbeeld is de hybride fotosculptuur van Noémie Goudal: een indrukwekkende installatie (Study on Perspective I, 2014) die is opgebouwd als een collage van grote beeldfragmenten, niet langs elkaar op een plan geschikt, maar achter elkaar gemonteerd. Staat de kijker recht voor het beeld, dan haken al die fragmenten in elkaar en tonen ze een geloofwaardige ruimte in drie dimensies. Stapt de kijker opzij om de installatie vanuit die positie te bekijken, dan valt het beeld uit elkaar en wordt de constructie achter de fotografische illusie zichtbaar. De sculpturale interventie wordt hier op een dubbele manier ingezet: de schuinse blik herinnert eraan dat een beeld de werkelijkheid reduceert tot een plat vlak, terwijl de frontale blik refereert aan de stereoscopie (immens populair in de negentiende eeuw), waarbij een vlak, tweedimensionaal beeld plotseling transformeert in een overweldigende diepte-ervaring. In die zin wijst ook het werk van Goudal naar de nogal eenzijdige invulling van het begrip ‘hybridisering’ als een proces waarbij fotografie enkel de vormentaal van een andere kunstvorm overneemt. En dat terwijl juist haar werk aangeeft hoe het vertaalproces van een vlak beeld naar een sculpturale, driedimensionale installatie kan worden gebruikt om een fundamenteel aspect van het fotografische kijken te thematiseren.

In het vierde en laatste deel, ‘L’image précaire, la matière fragilisée’, worden fotografen getoond die vooral aandacht hebben voor de fragiliteit en kwetsbaarheid van foto’s. Ditmaal ondersteund door een essay van Marc Lenot, komt opnieuw een (te) breed spectrum aan praktijken aan bod. Er zijn foto’s te zien die chemisch en fysiek mishandeld werden, zoals Sigmar Polkes Objets dans l’eau uit 1974 of Daisuke Yokota’s Matter #8 uit 2015, een archiefbeeld dat aan bijtende middelen werd blootgesteld. In bekraste en brokkelige reportagefoto’s uit oorlogsgebieden (zoals in Lisa Sartorio’s Ici et allieurs # 63 (Guerre de Donbass) uit 2022) lijkt het geweld zich in de materie zelf te hebben vastgezet. In Eric Rondepierres Miroir 2 uit 2015 heeft de chemische instabiliteit van een onzorgvuldig bewaard filmbeeld het gelaat van een acteur in een groteske grimas veranderd. Voor de reeks L’Album (1998) vertrok Bogdan Konopka van portretten uit een door water aangetast familiealbum. Door ze te kopiëren via een hoogwaardige reproductietechniek ontstaat er een eigenaardige spanning tussen de perfecte afdrukken en de fragiele, verminkte portretten die er aan de basis van liggen.

Wat fotografie zo kwetsbaar maakt voor aantasting – voor door tijd en elementen veroorzaakt verval – is natuurlijk precies haar materialiteit. Het is omdat foto’s materieel zijn dat ze aan slijtage zijn onderworpen. De kwetsbaarheid van fotografie wordt gezien als het langzame verdwijnen van wat het beeld ooit zichtbaar maakte. Vandaar dat dit deel ook werken bevat die navigeren op de grens van zichtbaarheid en onzichtbaarheid, zoals in het stralend witte beeld van Rossella Bellusci (Bagliori B, 2013) dat op het eerste gezicht volledig blank lijkt en waarin zich slechts van een juiste afstand het silhouet van een menselijk lichaam laat ontwaren. In zulke werken schemert door hoe broos de verbinding is tussen het fotobeeld en wat het geacht wordt te representeren. Van het (conventionele) verhaal dat fotografie een veilige container zou zijn voor herinneringen, feiten en gemoedstoestanden blijft zo niet veel meer overeind. Uiteindelijk is elke foto levende materie, voorbestemd tot verdwijning. Zo kan de gevoeligheid voor materialiteit ook geduid worden als een vorm van verzet tegen gangbare ideeën omtrent technische perfectie, en tegen het verlangen naar eeuwigheidswaarde. Fotografie wordt niet beschouwd als een act van stolling, maar als een proces van verschijnen én verdwijnen, van controle én overgave.

Desondanks blijft het de vraag waarom deze expo er niet in slaagt een heldere visie te articuleren op wat er gebeurt binnen de hedendaagse fotografie. De vier perspectieven lopen elkaar enigszins in de weg, er is een overvloed aan fotografen van wie te weinig beelden worden getoond om hun praktijk te kunnen vatten, en de scenografie geeft al snel de indruk een loutere inventaris van technische ingrepen en keuzes voor te schotelen. Wat wellicht een belangrijkere rol speelt in het falen van Épreuves de la matière is dat de focus op ‘materialiteit’ an sich niets verduidelijkt. Het leidt er enkel toe dat de aandacht gericht wordt op de buitenkant van het beeld, op wat er zich op en rond het oppervlak afspeelt, maar niet op de principes of motieven die de fotograaf ertoe aanzetten om met materialiteit te experimenteren. Een andere lectuur, met meer aandacht voor de wijze waarop materiële aspecten van fotografie gebruikt worden om de relatie tussen maker en beeld in vraag te stellen, had wellicht verhelderend kunnen werken. Pas dan wordt immers duidelijk hoezeer deze ‘nieuwe, wilde’ fotografie trouw blijft aan een van die koppige (en cruciale) eigenaardigheden van het fotografische proces. De maker van fotografische beelden moet zich verhouden tot een proces dat zich automatisch en grotendeels buiten de eigen invloedssfeer ontvouwt. Het is dit spanningsveld dat de huidige generatie fotografen opnieuw aan het exploreren is.

 

• Épreuves de la matière. La photographie contemporaine et ses métamorphoses, van 10 oktober 2023 tot 4 februari 2024, Bibliothèque nationale de France (François-Mitterrand), Quai François Mauriac, Parijs. De catalogus, onder redactie van Héloïse Conésa, verscheen bij Éditions BnF, Parijs.

 

Noten

[1] Zie bijvoorbeeld: What is a Photograph? (ICP, New York, 2014), Light, Paper, Process. Reinventing Photography (Getty Center, Los Angeles, 2015), Licht- und Datenbild. Spuren Konkreter Fotografie (Museum im Kulturspeicher Würzburg, 2015), La mémoire du futur. Dialogues photographiques entre passé, présent et futur (Photo Elysée, Lausanne, 2016) en Expect the Unexpected (Kunstverein Bonn, 2023). In Frankrijk zelf vonden de volgende expo’s plaats: Qu’est-que la photographie? (Centre Pompidou, Parijs, 2015), La Boîte de Pandore. Jan Dibbets, un autre photographie (Musée d’art moderne de la ville de Paris, 2016), La photo à l’épreuve de l’abstraction (Centre Photographique d’Ile-de-France, Parijs, 2020). Daarnaast is er nog de tweejaarlijkse Biënnale de la Photographie Tangible (Parijs) waarvan vorig jaar de derde editie plaatsvond.

[2] Zie onder andere: Michel Poivert, Contre-culture dans la photographie contemporaine, Parijs, Les Éditions Textuel, 2022; Michelle Debat, La Photographie. Essai pour un art indiscipline, Saint-Denis, Presses Universitaires de Vincennes, 2020; Marc Lenot, Jouer contre les appareils, Arles, Éditions Photosynthèses, 2017. In april 2019 verscheen er ook een extra dossier over hedendaagse fotografie in Art Press.

[3] Zie: Steven Humblet, ‘We shall be your favorite disappearing act!’, in: Flusser Studies, nr. 35, 2023, s.p. (online). Sleutelteksten van Van Lier (‘Le non-acte photographique’) en Lemagny (‘Continuité et discontinuité dans l’acte photographique’) verschenen in 1982 in nummer 8 van Les Cahiers de la photographie, een themanummer over l’acte photographique.

[4] Voor een andere benadering van de relatie tussen fotografie en (hedendaagse) beeldende kunst, zie: Steven Humblet (red.), Off Camera, Amsterdam, ROMA Publications, 2021.

Negatieve reclame. Jef Geys

Jef Geys was een ad man, een advertentieman. Geboren in 1934, studeerde hij van 1956 tot 1959 ‘publiciteit en lettertekenen’ aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen – een opleiding die vandaag ‘grafische vormgeving’ heet. Het is een biografisch gegeven dat vaak in de schaduw is gesteld, niet het minst door de kunstenaar zelf, van wat hij daarna is gaan doen: bijna drie decennia lang plastische opvoeding onderwijzen in Balen, een gemeente in het oosten van de provincie Antwerpen. Geys is vooral gekenmerkt als pedagoog en als ideoloog – als een maître ignorant, zoals Jacques Rancière het omschreef: een leerkracht die, in het klaslokaal maar ook in het museum, gelooft in de intelligentie van de ander, en die de emancipatorische voorwaarden schept waarbinnen intelligentie zich kan ontplooien. Het boek De school van Jef Geys. Essays & verhalen, dat Bart Janssen, Koen Peeters en Jef Van Eynde samenstelden en dat eind vorig jaar verscheen bij een tentoonstelling in Z33 in Hasselt, onderstreept die educatieve kant van zijn bezigheden.

Toch hoeft de positie als ‘schoolmeester’ die van vormgever niet uit te sluiten – integendeel. De retrospectieve in Wiels die opende op 2 februari is de eerste sinds het overlijden van Geys in 2018, na kleinere tentoonstellingen in onder meer Bergen en Bern (zie De Witte Raaf, nr. 213). De tentoonstelling in Brussel is min of meer chronologisch geordend en opent op de tweede verdieping met tekeningen uit de eigen studietijd van de kunstenaar, op grote vellen bruin inpak- of kraftpapier, opgehangen in een raster van kaders. Het gaat om schetsen, om oefeningen in mimesis: pogingen om delen van de wereld – dieren, handen, gezichten, lichamen, schoenen, schedels – snel, doeltreffend en toch natuurgetrouw weer te geven. Het is een begin dat een indruk maakt die blijft hangen: Geys had vooral talent om visueel aantrekkelijke en ogenschijnlijk communicatieve dingen te maken, toegepast en functioneel, eerder dan autonoom of artistiek. Om minimalistische, foutloze perfectie is het hem nooit te doen geweest, wat nauwgezetheid of controledwang niet uitsluit. In al zijn werk, in duizenden objecten, grafische documenten of teksten, posters of foto’s, video’s of sculpturen, schilderijen of tekeningen, speelt schijnbare slordigheid of bestudeerde nonchalance – een vorm van sprezzatura – altijd een rol. Steeds moest de indruk worden gewekt dat wat werd getoond nauwelijks of niet voor expositie bestemd was, en ook nog een ander, hoger doel diende, in de toekomst of in het verleden. Tegelijkertijd heeft Geys nooit zomaar een readymade gemaakt: al zijn werken heeft hij zelf vormgegeven, ‘gefabriceerd’ of minstens op bijzondere wijze gepresenteerd, iets wat nog het duidelijkst blijkt uit zijn karakteristieke handschrift, dat steeds weer opduikt, in voorover hellende, geserreerde drukletters – het soort kapitalen waarmee eertijds, in supermarkten en door kruideniers, even spectaculaire als tijdelijke promoties op grote affiches werden geborsteld.

Een werk uit 2016 met als titel Way to hell, dat helemaal aan het eind van de expositie in Brussel hangt, op de derde verdieping, is een goed voorbeeld van zijn contradictorische aanpak. Het is, in tegenstelling tot bijna alles wat er in Brussel te zien is, niet genummerd, omdat het niet voorkomt op de werklijst met 844 onderdelen waarmee Geys zijn productie tussen 1958 en 2016 indexeerde. Het zou kunnen dat hij, ergens in 2016, met het aanvullen van die lijst is opgehouden, waardoor Way to hell geen nummer meer kreeg. Het bestaat uit drie langwerpige, witte kalenderbladen – stroken papier – voor de maanden september, november en december 2016 (oktober ontbreekt, in deze selectie, terwijl er ook een editie werd gemaakt, met dezelfde titel, met het kalenderblad van januari 2017). Het is drukwerk met een eigen, zij het banale esthetiek: het kalme ritme van de dagen, standaard genummerd, terwijl de cijfers van het jaartal bovenaan (2, 0, 1 en 6 – in outline, met een lichte schaduw) een beetje dansen, geflankeerd door de rare, schijnbaar overbodige herhaling van de maand in vier talen. Het papier is bovenaan geperforeerd: twee keer zeven cirkeltjes (de bladen werden door ringetjes bij elkaar gehouden), met in het midden een grotere halve cirkel, als uitsparing voor de dunne gebogen staaldraad waarmee de kalender aan een haakje kon worden opgehangen. De strookjes van de zondagen, vier per maand, zijn geel gekleurd. De andere kleuren komen van Geys zelf: in hoofdzaak met een rode stift heeft hij de kalenderbladen als agenda gebruikt, vermoedelijk voor zijn eigen leven. De naam ‘RIET’ komt vaak voor, net als, zij het minder vaak, ‘RIET NIET’. Van 22 tot en met 30 september staat er, in groene drukletters, rechts bovenaan in iedere balk (naast de vermelding van de dag, zoals ‘Vendredi/Vrijdag/Friday/Freitag’): ‘ZOUT’. Een vijftal keer, in dezelfde maand, is er iets neergeschreven met een blauwe of zwarte balpen. Bijna elke notitie, elk ‘agendapunt’, is met een dikke rode stift doorstreept; tot en met de 23ste staat er ook bij elke dag een kruisje, midden in de kolom met de dag in de vier talen. Over de dagen 21 en 22 december is een ander stukje papier gekleefd: een etiket met de ingrediënten van Herrentorte – een taart die, zoals de naam aangeeft, vooral door mannen gesmaakt zou worden, en die, getuige het etiket, industrieel geproduceerd werd in het ook om museale redenen bekende Mönchengladbach. De houdbaarheidsdatum van de taart is met een stempel aangebracht: 24 december 2016, dus consumptie drong zich op.

Het is aannemelijk om Way to hell te zien als een document dat getuigt van de laatste, moeilijke jaren van Jef Geys, die op 12 februari 2018 overleed op 83-jarige leeftijd. Is Riet, die bijna dagelijks langskomt, een verpleegster? Heeft de notitie ‘ZOUT’ te maken met een dieet of een voedingssupplement, en zou er binnen dat regime plaats geweest zijn voor Herrentorte? Bij 22 september staat er ‘cynomel’; op 10 september ‘één tablet cytomel’: geneesmiddelen voorgeschreven bij een traag werkende schildklier – een aandoening die een rijk buffet aan klachten kan veroorzaken, zoals vergeetachtigheid, vermoeidheid, obstipatie, hartritmestoornissen, haarverlies, spierzwakte, gewichtstoename, kortademigheid en tinnitus. Verwijst de titel Way to hell naar het nakende einde, naar de helse, want repetitieve strijd die de oude dag nu eenmaal is? Geloofde Geys in een hiernamaals waar hij voor zijn zonden zou boeten? Of wordt een levenseinde pas echt hels door de vergeefse pogingen, al dan niet geneeskundig of medicinaal, om het af te wenden of uit te stellen? Het is een bekend spreekwoord: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.

Way to hell heeft iets herkenbaars, iets rustgevends, als een precieze ‘opruiming’ van de tijd – dit is achter de rug, hoe erg het ook was – en dat bovendien drie keer, drie maanden lang, na elkaar. Het werk is een combinatie van serieel drukwerk en uniek handwerk, wat de aanwezigheid van Geys in zijn oeuvre – zijn auteurschap – typeert: hij heeft dit gemaakt, maar tegelijkertijd is het eindresultaat generiek en banaal. Iedereen die ouder is dan acht jaar heeft deze dagen meegemaakt en ‘doorlopen’, net zoals iedereen deze kalenderbladen had kunnen volkrabbelen, als hulpmiddel om het allemaal gebolwerkt te krijgen. En toch heeft enkel Jef Geys deze vellen ingevuld en de bijbehorende dagen zodanig ‘beleefd’, terwijl ook hij als enige deze stroken wit papier op een lichtbruine vezelplaat heeft aangebracht (of daartoe de opdracht heeft gegeven), achter plexiglas heeft gezet, en met telkens tien kleine stalen boutjes heeft verankerd.

Wat Way to hell nog typisch maakt, als een werk van Jef Geys, is dat er een of meerdere tegenhangers in de recente kunstgeschiedenis voor terug te vinden zijn. In een bespreking uit 2005 van een solotentoonstelling in het Van Abbemuseum in Eindhoven had Carel Blotkamp het terecht over een ‘versatiliteit’ die ‘kan worden opgevat als een weldadige kritiek op de modernistische stijlvastheid, of als een al te gemakkelijke greep uit het arsenaal van de stromingen van de laatste vijftig jaar’ (De Witte Raaf, nr. 116). Geys is nooit helemaal origineel geweest, als dat al zou kunnen. Ook Way to hell is geïnspireerd door het werk van een ander, of het procedé erachter is al eerder toegepast: nagenoeg het gehele oeuvre van Hanne Darboven bestaat uit kalenders – kaders en kaders vol pogingen om de dagen te vatten, zichtbaar te maken, op een visuele manier te beschrijven. Maar waar Darboven een eindeloos periodiek systeem probeerde op te stellen van de chemische elementen waaruit de tijd is samengesteld, daar liet Geys met Way to hell wel degelijk de moleculen met elkaar reageren. Hij was minder terughoudend, minder ascetisch en klinisch ook dan de hardcore conceptualisten: om ergens over te kunnen gaan, moest zijn werk altijd hemzelf betreffen; kunst is steriel als er niet ook een openlijk existentieel en biografisch element in aanwezig is – het universele kan pas bereikt worden als het niet meteen ook door het particuliere wordt gesaboteerd.

Het geeft de werken van Geys iets narratiefs, of de aanzet tot een verhaal is altijd aanwezig – een aanzet waar hij meestal zelf meteen gevolg aan heeft gegeven, en waarvoor hij al in 1964 het Kempens Informatieblad in het leven heeft geroepen, gebaseerd op het toenmalige, gratis verspreide Kempisch Reklaamblad. De omzetting van ‘reclame’ in ‘informatie’ is cruciaal en vat een andere kernstrategie samen. Bij al zijn activiteiten verscheen er, vanaf 1964, een editie van het Kempens Informatieblad, ook omdat, zo zei hij zelf, ‘‘kunstcatalogi’ zo duur en inhoudelijk zo hermetisch waren geworden, dat mijn leerlingen uit het dorp ze niet kenden, niet konden betalen en zeker de teksten niet begrepen’ – aan anti-intellectualistisch populisme kon hij wel vaker niet weerstaan. Hoewel het nooit in een Kempens Informatieblad aan bod is gekomen, bevat ook Way to hell ‘informatie’, als het al geen boodschap heeft. Het zijn neutrale termen, maar het opmerkelijke is dat die boodschap – of de suggesties ertoe – aangenaam blijft om naar te kijken, hoe pijnlijk, hels of zwaar het werk inhoudelijk ook moge zijn. Het is de belangrijkste overeenkomst met reclame of publiciteit: visuele aantrekkelijkheid noopt tot aandacht, die vervolgens de gedachten in een bepaalde richting kan duwen. Het verschil bij Geys is dat hoe langer we blijven kijken, hoe meer redenen we ontdekken om dat vooral niet te doen. Hij gebruikt combinaties van druk- en handwerk om kunst te maken, maar het resultaat is meestal een vorm van negatieve reclame of publiciteit – van kritiek op de even talrijke als verschillende vormen van macht waaraan mensen blootgesteld worden, of (algemener) op alles wat menselijk geluk of de vervulling van potenties in de weg staat.

Natuurlijk promoot elke kunstenaar altijd zijn eigen oeuvre en bekendheid. Het is niet toevallig dat Geys een logo voor zichzelf heeft ontworpen, uitgevoerd als sticker of in vezelplaat; zijn estate maakt er ondertussen gretig gebruik van, sinds begin 2020 ook op Instagram. En toch produceerde hij niet zomaar reclame, gedefinieerd als een vorm van communicatie met als doel potentiële klanten over te halen tot de aanschaf van producten of diensten. Reclame en publiciteit dienen om de blik in één richting te duwen – om de begeerlijkheid van iets als het ware te bewijzen, de bekendheid ervan te garanderen en het kopen ervan als onvermijdelijk neer te zetten. Geys gebruikte de technieken van de advertentie om naar iets anders te wijzen, in de hoop een vorm van kritische intelligentie tot stand te brengen dankzij de worsteling tussen wat je ziet en wat je denkt te weten. Het is dat wat de ondertitel van de tentoonstelling in Wiels aangeeft: Je ziet niet wat je denkt te zien. Dat is uiteraard een gigantisch kritisch cliché (vergelijkbaar met de regel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, uit Awater van Martinus Nijhoff uit 1934) dat op de moderne, conceptuele of hedendaagse kunst in het algemeen van toepassing is. Bij Geys wordt dat mechanisme van twee keer kijken of lezen ingekleurd door zijn eigen biografie, en geactiveerd op een schijnbaar vernaculaire, amateuristische of commerciële manier.

Het brengt hem – aanvankelijk – dicht bij de popart, en zeker de eerste zalen van Je ziet niet wat je denkt te zien maken duidelijk dat Geys volwassen werd in de jaren vijftig en zestig, toen zowel de kunst als de welvaartsstaat nog van optimisme doordrongen waren. In 1966, in het boekje POP. Het wezen van de kunst, schreef bijvoorbeeld Geert Bekaert dat popart ‘de vitale krachten die in de massa leven door een artistieke bewustwording tot kunst wil verheffen’. Dat Geys bij de vitaliteit van die krachten voorbehoud wenste aan te tekenen, blijkt uit de eerder onbekende en in aantal beperkt gebleven reeks Kamions, ook uit 1966, die in Wiels schuin tegenover het jeugdwerk hangt: grote, kleurige, schematische schilderijen van de achterkant van vrachtwagens, inclusief publiciteit, zoals je die ziet vanachter het stuur van een bumperklevende auto, hoogstwaarschijnlijk in de file. Dit is wat hij er zelf over zei in een interview met Flor Bex uit 1971, gepubliceerd in een Kempens Informatieblad en geciteerd in de bezoekersgids:

‘Het idee is ontstaan toen ik op zo’n baan met twee rijstroken reed. Ik dacht bij mezelf dat is nou je gezichtsveld, ik werd me bewust van de begrenzing die ons opgedrongen werd, dat is nu de realiteit: een achterkant van een vrachtwagen met grote publicitaire teksten. Die andere realiteit, tien meter verder, nl. de man die in de stuurcabine zit, daar heb je niets meer mee te maken. Er rest me nog enkel die gelakte achterzijde en niets anders. […] Voor mij is de hoofdzaak zo duidelijk mogelijk mijn probleem uit te drukken, in een vorm en op een wijze die voor de hand ligt, of het nu een object, project of een schilderij is, daar komt het niet op aan.’

Deze vrachtwagens belemmeren het uitzicht van de automobilist, maar ze zijn (en blijven) een essentieel element in de organisatie van de consumptiemaatschappij – twee van de Kamions dragen logo’s van Pax Leeuwarden, een logistiek bedrijf dat nog steeds actief is. ‘Mijn auto’ is niet zomaar ‘mijn vrijheid’, gewoon omdat er andere, grotere voertuigen zijn die, alleen al door hun schaal en hun positie binnen een groter netwerk, voorrang blijken te hebben – en die net daarom een visuele, esthetische glans aanbieden: het lakwerk van een carrosserie, ook al wordt het je opgedrongen, kan heel mooi zijn.

Er zijn nog werken uit deze periode waarin Geys exploreert wat de naoorlogse middenklasse aangeboden krijgt, bijna als in een visuele pendant van Les choses. Une histoire des années soixante van Georges Perec uit 1965. Ook Perec hield de mogelijkheid open, zoals hij het in een interview kort na het verschijnen van zijn roman uitdrukte, ‘van een soort ‘geluk van de moderniteit’, zelfs in de onmogelijkheid of de teleurstelling’. In 1964 maakte Geys de sculptuur Caoutchoucplant, een houten replica van een (tropische) plant die zijn moeder thuis had staan, als ‘de getuige van het beter hebben, van welvaart en een leven dat nu altijd maar beter zou worden’. Ook de Aankleedpoppen (met een versie voor een man en voor een vrouw) uit 1966 – silhouet zowel als kledingstukken uitgesneden in houten platen, met gladde lak bespoten – tonen de zinnelijke, kleurige aspecten van de mode of van de confectie, als een gedemocratiseerde versie van luxe, als een viering van het leven, het lichaam en het dagelijkse bestaan, maar ook als de mogelijkheid om idiosyncratisch te variëren met wat in serie is geproduceerd.

Een nog duidelijker credo, wat dat betreft, zijn de Zaadzakjes, een reeks die Geys in 1963 begon en die hij tot aan zijn dood voortzette. Aan het begin van elk jaar schilderde hij op paneel of doek een grote reproductie van een zaadzakje zoals dat wordt verkocht in tuincentra. Van elk groot Zaadzakje, bijna anderhalve meter hoog, maakte hij een kleinere versie. Het is een vrij eenduidige manier om natuur en cultuur tegenover elkaar te stellen: de orde van het raster, van de reeks en van het identieke consumptieproduct, brengt niet alleen de onvoorspelbare woekering voort van planten en gewassen, maar wordt er ook gedeeltelijk door ontkend. Wat stemt er optimistischer dan een zaadje, als een korrel waaruit iets groots kan voortkomen?

Het stuklopen van de dromen van de jaren zestig laat zich, ondanks de voordien al afleesbare scepsis, ook in het oeuvre van Geys opmerken, die de productie van objecten of schilderijen gedeeltelijk achter zich liet. Begin jaren zeventig ving hij meteen aan met zijn buitenissige versie van de institutionele kritiek – het begin van de niet bepaald meest subtiele fase in zijn oeuvre. Geys heeft het museum proberen bekritiseren – op een manier die lijkt op de ruimtelijke of stedenbouwkundige ‘Voorstellen’ die Luc Deleu in dezelfde periode formuleerde – door er salomonsoordelen op af te vuren. Het bekendst is zijn voorstel in 1971 om het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen op te blazen, nota bene een reactie op een invitatie om een tentoonstelling te maken. Die tentoonstelling kwam er, maar dan deels als een presentatie van wat zijn voorstel teweeg had gebracht. De bedoeling was (opnieuw uit het interview met Bex) ‘de vinger op de wonde te leggen, op deze verouderde strukturen, op het lamlendige van de huidige toestand en van gans het maatschappelijk-cultureel bestel’. De vraag is echter of het voorstel een patiënt uit de weg te ruimen tot een diagnose kan leiden. Welke symptomen worden er onthuld door een zieke tot de dood met de kogel te veroordelen?

Tot ver in de jaren tachtig blijft Geys meedraaien in het museale en artistieke circuit, zij het op gewild recalcitrante wijze: in 1971 wil hij op de Triënnale in Brugge een tentoonstellingsruimte verhuren; in 1973 wil hij in het Van Abbemuseum zeven steeds scherper en leesbaarder wordende afdrukken van een pornografische collage exposeren; in 1988 wil hij een passerelle bouwen in Le Magasin in Grenoble – tot driemaal toe mag het niet, en wordt het verbod vervolgens gedocumenteerd en geëxposeerd. In 1986 neemt Geys deel aan Chambres d’Amis van Jan Hoet, na in 1983 al een eigen versie van hetzelfde concept te hebben gerealiseerd door kunst tentoon te stellen in de school in Balen. In ’86 kiest hij ervoor in Gent te exposeren in kleine arbeidershuisjes – iets wat niet strookte met het tentoonstellingsconcept, want het zijn enkele grotere burgerlijke huizen die over gastenkamers of chambres d’amis beschikken waarin er, letterlijk, plaats is voor installaties. Geys positioneerde telkens een witte deur voor een van de muren en schilderde daarop de basisprincipes van de Franse Revolutie – Liberté, Égalite, Fraternité, vertaald in verschillende combinaties in het Nederlands en het Duits: een driest werk dat eerder op moedwil en misverstand gebaseerd lijkt te zijn dan contradicties over het failliet van de verlichting of over cultuurspreiding bloot te leggen.

Geys’ geworstel met het museum en, algemener, met de plaats van de kunst, komt ook tot uiting in een sleutelwerk uit 1979, dat in Wiels in een aparte kamer op de derde verdieping is geïnstalleerd, en waarin de onvermijdelijk verheerlijkende vorm van popart wordt gecombineerd met de inhoud, of de weerzin, van de institutionele kritiek. Geel, rood, blauw, enz… werd voor het eerst getoond in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent, op de door Jan Hoet gecureerde tentoonstelling Aktuele kunst in België: inzicht/overzicht, overzicht/inzicht. Geys voorzag in toelichting met een getypte stencil, in Wiels opnieuw beschikbaar gesteld. Dit zijn de eerste zinnen:

‘Het opzet is een stuk te maken, dat een zuiver esthetische verschijningsvorm heeft, met een overtrokken symbolische inhoud, en in tegenstelling met mode. Met duidelijk in gedachte dat een museale tentoonstelling al jaren zinloos is; en toch deelnemen met verachting voor medeëxposanten en hoon voor de inrichtende macht.’

Geel, rood, blauw, enz… is een multimediaal werk dat, in overeenstemming met de titel van de tentoonstelling uit ’79, zowel naar inzicht als naar overzicht lijkt te streven: drie cirkels (geel, rood en blauw) worden geprojecteerd op een muur waaraan een reeks foto’s hangt van een moeder met een kind, terwijl er dus ook in drukwerk – tekst – wordt voorzien. Het geheel is een haast pedagogische reflectie op de kracht van een archetypische foto (met een lange kunsthistorische – schilderkunstige – voorgeschiedenis), maar ook op de meer pure, vormelijke eigenschappen van cirkels en kleuren. Wat is het dat hier primeert? Van alles wat in deze ruimte te zien is: wat ‘spreekt’ er het meest? De beelden – de mensen – op de foto’s? De vluchtige, ruimtelijke kleuren van de projecties? Of de wrange woorden op de stencil?

Geys heeft, zo getuigt de tentoonstelling in Wiels, de crisis die het werk uit ’79 vertegenwoordigde nooit eenduidig beantwoord, ook niet naarmate de twintigste eeuw op z’n eind liep. De institutionele kritiek liet hij achter zich, ten voordele van een uitstapje – in 1991, als Belgische vertegenwoordiger op de Biënnale van São Paulo – naar de architectuurkritiek. Met Architectuur als begrenzing – houten structuren van achttien moderne gebouwen, ontworpen door onder anderen Jean Nouvel en Stéphane Beel, maar ook door Adolf Loos en Giuseppe Terragni – maakte zijn oeuvre een korte spatial turn door, ditmaal door macht en overheersing aan de orde te stellen door middel van architectuur. Aan het eind van de jaren negentig kwam het principe van de reeks weer helemaal terug, net als de confrontatie tussen planten en classificatie, vooral dan in de tentoonstelling in het Middelheimmuseum in 1999, maar ook in het Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2009 – reeksen die op de limieten van de menswetenschappen wijzen door de vormelijke kwaliteiten ervan te exploreren.

Het lag in de lijn van de verwachtingen dat een zelfbewuste kunstenaar als Geys, die steeds zorgvuldig aan de eigen mythe heeft gewerkt, zich uiteindelijk nog vooral met het eigen archief zou bezighouden, zij het dan ook als metafoor voor alles waar een mensenleven zich al dan niet tot laat reduceren. Uit 1998 dateert Al de zwartwit-foto’s tot 1998, een boek met vijfhonderd pagina’s contactafdrukken, maar ook – present in Wiels – een ruimtevullende installatie, en de grondstof voor een zesendertig uur durende stille film waarin al de foto’s die zich tijdens een leven opstapelen heel traag voorbijglijden. Die film, Een dag, een nacht, een dag, was voor het eerst te zien op documenta11 in 2002, gecureerd door Okwui Enwezor, die het werk in 2008 nog eens toonde op de tentoonstelling Archive Fever in het International Center of Photography in New York. In de catalogus omschreef Enwezor de film als ‘de meedogenloze inscriptie van het privégeheugen in de ruimte van een collectieve publieke cultuur’. Zoals gewoonlijk was Geys zelf laconieker, zoals blijkt uit een archiefnotitie – een kunstenaar is toch ook gewoon iemand die z’n dagen gevuld moet zien te krijgen, hopend dat het beste nog moet komen:

‘Als mijn artistieke bedrijvigheden niet los kunnen worden gezien van mijn biografie (beter levensloop) is het voor de beschouwer duidelijk dat het ‘bijhouden van’ en ‘indexeren’ een steeds terugkomend fenomeen is. […] De reeksen, of het nu schilderijen of foto’s zijn, die ik in het verleden begon […] wijzen op een poging tot duiding, tot dateren, tot greep krijgen (proberen) op wat we tot nu toe gemakshalve tijd noemen. Ons leven bestaat alleen uit een aaneenschakeling van momenten en uit momentemoties. Alleen bij het bouwen van een huis (en zo nog een paar dingen) denken we greep te krijgen en hebben we een illusie van vooruitgang. De meest stoutmoedige onder ons hebben de moed om kalenders te doorstrepen en na te denken over de belachelijk korte tijd dat we hier rondkruipen.’

 

• Jef Geys. Je ziet niet wat je denkt te zien, tot 19 mei, Wiels, Van Volxemlaan 354, Vorst. Jef Geys. Catalogue Raisonnable, samengesteld door Charlotte Friling, Oriana Lemmens en Kaat Obbels, verschijnt midden juni bij MER/Borgerhoff&Lamberigts, Gent, ISBN 9789464946703.

Sculpturale fotografie. Viviane Sassen

Toen Viviane Sassen (1972) gevraagd werd of zij zichzelf als een surrealist ziet, antwoordde ze bevestigend, maar ze voegde er meteen aan toe vooral een beeldhouwer te zijn. Sassen maakt beelden, maar ze heeft, voor zover ik weet, nog nooit in steen of hout gehakt. De foto’s die ze maakt, hebben ongetwijfeld plastische kwaliteiten die gewoonlijk aan sculpturen worden toegeschreven. Terwijl foto’s tweedimensionale beelden zijn (images), zijn sculpturen beelden die zich als objecten in de wereld voegen. De foto’s van Sassen verenigen kwaliteiten die doorgaans een paradox vormen; wat onverenigbaar lijkt, komt in haar werk samen. Zij is als kunstenaar niet alleen fotograaf, maar ook sculptor.

Die samensmelting van twee media maakt haar inderdaad tot een surrealistische kunstenaar. Het tijdschrift Minotaure opende in 1933 met een serie foto’s van Brassaï, getiteld Sculptures involontaires, met bijschriften van Salvador Dalí. Het ging niet om plastische objecten, maar om kleine ‘dingen’, stukjes afval zoals een busticket, opgerold deeg, een krul tandpasta en een restant zeep. Banale voorwerpen dus, die zich nauwelijks verhouden tot de objecten die het resultaat zijn van het heroïsche gevecht met steen, marmer en hout. Deze dingetjes zijn niet gemaakt maar gevonden, en objets trouvés vormden een geliefd onderwerp voor surrealisten, die rommelmarkten afstruinden om met gevonden voorwerpen kunstwerken te maken die de traditionele notie van kunst ondermijnden.

Met dit werk van Brassaï en Dalí werd een nieuwe toekomst geopend voor sculptuur. Juist omdat de schijnbaar verwaarloosbare objecten waar de twee surrealisten hun oog op hadden laten vallen nogal efemeer waren, was het van belang dat zij er foto’s van maakten. Het is dankzij deze foto’s dat de dingetjes een aanwezigheid kregen die solide en zelfs sculpturaal genoemd kan worden. Ze werden op een glazen ondergrond gepresenteerd, waardoor ze geen context leken te hebben en inderdaad nog slechts object waren. Vanwege die afhankelijkheid van de fotografie noemde Brassaï deze sculpturen ‘automatisch’, terwijl Dalí de term involontaire of ‘onvrijwillig’ hanteerde. De sculpturen zijn automatisch, niet omdat ze het resultaat zijn van de écriture automatique, maar omdat de technologie van de fotocamera automatisch is.[1]

In het boek dat Sassen met Emanuele Coccia maakte, Alchimie moderne, wordt gesuggereerd dat haar werk begrepen kan worden als een vorm van alchemie. In een van de teksten van Coccia, die met de fotowerken van Sassen afwisselen, zegt hij het volgende:

‘Woorden produceren betekent dus altijd het wijzigen van de stand van zaken, het manipuleren van de wereld en het onherstelbaar transformeren ervan. Er is geen verschil tussen schrijven, schilderen, beeldhouwen, fotograferen, computers maken, koken, wijnen samenstellen, muziekinstrumenten bespelen, schoppen hanteren. We vergeten voortdurend dat spreken altijd betekent dat we onze handen moeten gebruiken.’ [2]

Het is een visie die suggereert dat alchemie niet alleen een reactie tussen chemicaliën en materie betreft, maar ook tussen woorden, beelden en media. Alchemistische producties resulteren in beelden, in visies en in een nieuwe wereld. Sassens transfusie is er in de eerste plaats een van media: fotografie, sculptuur en – recentelijk – ook schilderkunst. In een essay over haar modefotografie, het genre waarin ze haar carrière aanvatte, zegt Dan Thawley dat er sprake is van een sublimatie van ‘stof, verf, papier, licht en huid’ – een proces dat Coccia dus als alchemistisch bestempelt. Dat Sassen zich bezighoudt met modefotografie heeft ook te maken met het sculpturale karakter van haar werk. ‘Het menselijke lichaam’, zo schrijft Thawley, ‘is een plastische realiteit, net zoals de wereld van de dingen rondom ons.’[3] Fotografie representeert echter meer dan enkel die dingen, en verschaft allereerst een ruimtelijke rangschikking volgens het lineaire perspectief. Objecten zijn daar slechts een onderdeel van. Wanneer een fotografische praktijk zich exclusief op objecten richt, wordt een fundamenteel principe van het medium niet ingezet of uitgebuit. Precies daarom kan het resultaat sculpturaal genoemd worden.

Al in de negentiende eeuw bestond er een speciale, intieme relatie tussen fotografie en sculptuur. William Henry Fox Talbot is de maker van het eerste fotoboek ter wereld, The Pencil of Nature. Het verscheen in zes delen tussen 1844 en 1846, en er stonden twee foto’s in van een gipsen buste, uit zijn eigen collectie, van de Griekse held Patroclus. Later is gebleken dat Talbot deze sculptuur meer dan dertig keer heeft gefotografeerd. In de tekst van The Pencil of Nature legt hij uit dat sculpturen het ideale object voor een camera zijn: ze bewegen niet, ze kunnen vanuit verschillende posities gefotografeerd worden, en – met name in de negentiende eeuw belangrijk vanwege technologische beperkingen – ze kunnen met een betrekkelijk korte sluitertijd vastgelegd worden.

Talbot lijkt de haptische kwaliteiten van de fotografie te zien, maar veel blijft impliciet. Dergelijke kwaliteiten worden nadrukkelijker bij moderne sculptors als Medardo Rosso, Auguste Rodin en Constantin Brancusi. Zij maakten consequent gebruik van fotografie om hun praktijk beter te begrijpen. Terwijl Rosso en Brancusi hun werk zelf fotografeerden, nodigde Rodin fotografen als Edward Steichen en Jacques Ernest Bulloz uit. Zij zetten fotografie in om het solide object niet slechts als een oppervlak te zien. Het oppervlak heeft haptische kwaliteiten die paradoxaal genoeg via fotografie beter gezien worden. Terwijl fotografie vaak beschouwd wordt als een eindeloos archief van details – zo eindeloos dat concentratie onmogelijk wordt – lijkt een foto van een sculpturaal object alle aandacht te vestigen op de haptische kwaliteiten.

Volgens Hubert Damisch is er nog een andere paradox tussen fotografie en sculptuur, die temporeel van aard is. De tijd van een foto is de verleden tijd – in de woorden van Roland Barthes: ça a été, dit is voorbij. Het is daarom wonderlijk dat Talbot een klassieke Griekse buste zo vaak fotografeerde, omdat het beeld in iedere foto zowel aanwezig wordt gesteld als verder tot het verleden wordt gereduceerd. Iedere sculptuur, iedere ervaring van sculptuur, speelt zich in het heden af, hoe lang geleden de beelden ook gemaakt zijn. Zoals Anne Wagner in het spoor van Damisch beargumenteert, is de temporele dimensie van een sculptuur altijd die van de tegenwoordige tijd, terwijl die van de fotografie de verleden tijd behelst.[4] Dat maakt zowel de paradoxale relatie als de aantrekkingskracht tussen de twee media nog groter. Wanneer een sculptuur gefotografeerd wordt, lijkt de temporele afstand teniet te worden gedaan, omdat de haptische kwaliteiten van de sculptuur de boventoon voeren, boven de optische kwaliteiten van de fotografie.

Drie publicaties hebben sinds de jaren negentig de fotografie van sculptuur als onderzoeksgebied op de kaart gezet. In 1997 werd door het Wilhelm Lehmbruck Museum in Duisburg Skulptur im Licht der Fotografie uitgegeven. Van de hand van Geraldine A. Johnson verscheen in 1998 Sculpture and Photography. Envisioning the Third Dimension. De bundel Photography and Sculpture. The Art Object in Reproduction werd in 2017 samengesteld door Sarah Hamill en Megan Luke. In al deze boeken wordt teruggegrepen op een driedelig artikel dat Heinrich Wölfflin rond de vorige eeuwwisseling al schreef over de relatie tussen fotografie en sculptuur: ‘Wie man Skulpturen aufnehmen soll’.[5] Hij bespreekt met name het reliëf – een driedimensionale beeldhouwkundige afbeelding in steen, hout, keramiek of metaal, die niet helemaal vrijstaand is. Uit de titel blijkt dat Wölfflin normatief is: hij is op zoek naar een fotografisch equivalent van hoe het was om de sculptuur te zien nadat de kunstenaar het beeld maakte. Fotografie zou zo’n equivalent kunnen verschaffen, allereerst omdat een foto ook uit een soort reliëf van zwart en wit bestaat. Belangrijker nog is dat de tactiele kwaliteiten van een sculptuur in foto’s tot hun recht komen. Sterker nog, foto’s tonen de materialiteit van een sculptuur beter dan het object zelf. Door de herverdeling van licht en schaduw krijgen foto’s van een reliëf haptische kwaliteiten die bij het direct aanschouwen van een reliëf veronachtzaamd dreigen te worden.

Wat voor licht werpt deze beknopte geschiedenis op het werk van Sassen? Vaak zet zij schaduwen in, niet als een relatieve verdeling van licht en donker, maar als een scherp contrast tussen zwarte vlakken en onderdelen die kleur en nuance hebben. In veel van de foto’s die zij toonde op de Biënnale van Venetië in 2013 – Il Palazzo Enciclopedico, gecureerd door Massimiliano Gioni – en publiceerde in het boek Lexicon, vallen delen van de werkelijkheid in de schaduw, als absoluut zwart. Er valt niet minder, maar totaal geen licht op. Het lijkt alsof met inkt een deel van de foto zwart gemaakt is. Deze foto’s zijn in Oost-Afrikaanse landen als Kenia, Oeganda, Tanzania en Ghana gemaakt, en daar is het contrast tussen licht en donker midden op de dag extreem groot. Voor de meeste fotografen is dat een nachtmerrie, want zij verkiezen een zachtere verdeling. De manier waarop Sassen een absoluut verschil tussen licht en donker inzet, resulteert in zwarte vlakken, silhouetten en felgekleurde onderdelen. Licht creëert geen relatieve, diffuse verdeling, maar resulteert in een zwart dat een object of een lichaam wordt, en dat een relatie aangaat met menselijke lichamen, want voor Lexicon fotografeerde Sassen uitsluitend zwarte personen. In Mirte (2011) valt een schaduw op een jongeman, waardoor de plastische realiteit van zijn lichaam als een assemblage uitgebouwd wordt. De foto toont in feite twee lichamen, een zwarte jongen op de voorgrond en achter hem een wit meisje, maar het zwart neemt de overhand. De schaduwen creëren niet alleen plastisch zwart, maar ook patronen die het fotografische beeld een soort huid verschaffen. In Arusha (2005) echoot het witte bloemenpatroon op de jurk van de jonge vrouw met de schaduwen van het gebladerte achter en boven haar.

De ‘assemblagesculpturen’ bestaan niet alleen uit lichamen en schaduwen, maar ook soms uit een lichaam met een object, zoals een blad dat dan weer een schaduw op het lichaam creëert. Dat is zo in Leaf (2005), Ivy (2010), Codex (2011) en Victoria (2005). De foto’s waar Sassen bekend mee werd, tonen twee lichamen, zoals Two Friends (2011) en D.N.A. (2007): een zwarte man draagt een jongen op zijn hoofd; de rug van de jongen rust daarop, een holle vorm omvat de bolle vorm van het hoofd. Wanneer ik schrijf dat de man de jongen draagt, suggereert dat een narratieve scène, maar dat is geenszins het geval. De twee lichamen lijken aan elkaar gehecht en vormen zo een plastische realiteit.

Hiermee is ook de vraag beantwoord of Sassen met haar assemblages niet op het schavot gezet moet worden vanwege het objectiveren van zwarte lichamen, of (in haar andere werk) van witte vrouwen. Ze verleent geen ‘stem’ aan deze subjecten. Nog erger, ze ‘gebruikt’ deze lichamen voor het maken van beelden. Maar nogmaals, deze beelden zijn niet narratief maar plastisch. Bij een narratief beeld is het van groot belang wie kijkt en wie bekeken wordt. Deze dynamiek is een van de elementen die een beeld of een tekst narratief maken. In Sassens werk worden lichamen niet voyeuristisch bekeken; ze worden ingezet als componenten, net als patronen, vlakken en kleuren. En uiteraard is de huidskleur ‘zwart’ niet hetzelfde ‘zwart’ als de kleur zwart of een zwarte schaduw.

In recensies van beeldende kunst wordt regelmatig gesteld dat een kunstenaar een eigen beeldtaal of vormentaal ontwikkeld heeft. Ik kan me goed voorstellen dat dit ook over Sassen beweerd is. Haar foto’s, zowel het vrije werk als de modefotografie, zijn direct herkenbaar. Dat wil echter niet zeggen dat zij een eigen beeldtaal heeft waarmee ze zich onderscheidt, een beetje zoals hoe het Vlaams van het Nederlands verschilt. Beter is het om te suggereren dat Sassen een eigen stijl heeft, hoewel stijl vaak als een ongrijpbaar concept wordt beschouwd. Het verschil tussen beeld- of vormentaal en stijl is dat de eerste twee termen een relatie tussen een betekenaar en betekenis suggereren, zoals dat met woorden het geval is. Ieder beeld of iedere vorm correspondeert met een betekenis. Woordenboeken kunnen die correspondentie expliciet maken en uitdrukkingen definiëren. In de catalogus bij Sassens overzichtstentoonstelling in het Maison Européenne de la Photographie in Parijs, die midden februari afliep, beschrijft Simon Baker hoe de surrealisten dit principe van het woordenboek probeerden te ondermijnen door een kritisch woordenboek in het tijdschrift Documents te publiceren. Hetzelfde werd nagestreefd met de in 1938 verschenen Dictionnaire Abrégé du Surréalisme, samengesteld door André Breton en Paul Éluard. In deze kritische woordenboeken corresponderen woord en beeld, of woord en betekenis, op onconventionele wijze. Ze verschaffen geen heldere definities, maar eerder een dynamiek waarin onverwachte relaties en nieuwe visies ontstaan.

Met Lexicon ging Sassen in 2013 een stap verder. Ze weigert zelfs onverwachte definities en presenteert een lexicon als een lijst van beelden die geen enkele relatie met een betekenis leggen. Volgens Baker benadert deze strategie de categorie van de merveille, van het ‘sur-reële’, het buitenwerkelijke. Woorden, en in Sassens geval beelden, worden onteigend van betekenis wanneer ze als lexicon worden gepresenteerd. Behalve betekenis hebben ze ook geen context meer, want daar zijn ze definitief van afgesneden. Het is belangrijk dit op te merken, omdat voor fotografie- en kunsthistorici betekenis niet via dictionaires maar via context achterhaald moet worden. De enige context die hier overblijft, is die van de lijst waarin de foto’s zijn opgenomen. Juist doordat beelden in het werk van Sassen ontworteld raken van zowel context als betekenis, kunnen ze kracht en een affectieve lading krijgen.

Alle tentoonstellingen en boeken die Sassen gemaakt heeft, kunnen als lexicons opgevat worden. Uit haar archief van zelfgemaakte beelden stelt zij steeds weer nieuwe series of lijsten samen. Sommige beelden worden in series herhaald, andere verdwijnen. Ook al zijn haar individuele beelden uiterst sterk en worden ze ook als dusdanig verkocht, als onderdeel van een serie of een boek werken ze ook als onderdeel van een lijst. De vraag is dan of die omarming van het lexicon (als alternatief voor de dictionaire) nog surrealistisch is. Volgens Rosalind Krauss’ visie op het surrealisme komt de esthetica ervan het krachtigst en overtuigendst in de foto’s naar voren.[6] Surrealisten beschouwen representaties als transparant, zoals ook bij fotografie gangbaar is. Echter, de gerepresenteerde realiteit wordt als een taal opgevat die ontcijferd moet worden, en de surrealistische wereld bestaat uit betekenaren die nog op zoek zijn naar betekenis, die nog niet gedefinieerd zijn in een dictionaire. Zo’n surrealistische wereld is het overtuigendst als een foto, die niet (zoals een schilderij van Dalí bijvoorbeeld) gemaakt en gecomponeerd werd, maar met een camera automatisch is vastgelegd. Dergelijke gevonden en geregistreerde werelden geven hun betekenissen niet zonder meer bloot; ze worden hoogstens gesuggereerd. Ook in de door surrealisten gemaakte dictionaires worden in de plaats van zekere, stabiele definities niet meer dan suggesties gegeven. Eigenlijk hadden ook zij, net als Sassen, de term ‘lexicon’ moeten gebruiken, want de lijst of reeks waarin de woorden of beelden zijn opgenomen, creëert toch verbanden, zodat betekenissen vluchtig en zonder pretentie kunnen ontstaan. Het zijn juist deze ongrijpbare betekenissen die het werk van zowel de surrealisten als van Sassen vaak een erotische kwaliteit geven.

Sassen maakt een strikte scheiding tussen haar modefotografie en het vrije, autonome werk. In de tentoonstelling Phosphor in het MEP in Parijs werd aan beide categorieën in aparte secties aandacht geschonken; de door Irma Boom ontworpen catalogus moet halverwege omgedraaid worden. Toch verschillen ze niet principieel. In het modewerk is te zien hoe Sassen lichamen, volumes en patronen van kleding tot grafische kleurvlakken maakt. Ook hier maakt de assemblage van kleurvlakken het geheel plastisch. Op één modefoto in Phosphor is bijvoorbeeld een zwart model te zien dat op een oer-Hollandse dijk loopt, met zwarte schoenen (waarschijnlijk de aanleiding voor deze foto) en een zwarte jas. Onder haar arm draagt het model een spiegel waarin de wolkeloze blauwe lucht wordt weerspiegeld. De foto lijkt nauwelijks diepte te hebben; we zien het grijze vlak van de asfaltweg, het blauwgrijze vlak van het water, het zwarte model met zwarte schoenen en jas, met onder haar arm het vlak van de spiegel waarin de lucht wordt gereflecteerd. Boven haar hoofd is een witte streep te zien, waarschijnlijk van een vliegtuig. Een groene streep gras scheidt de dijk van het water; een grijze streep bakent het water af van de lucht. Uit een dergelijke beschrijving lijkt het eerder om een grafische dan een plastische realiteit te gaan. Diepte zien we niet echt, en wordt toegevoegd op basis van onze kennis van het Hollandse landschap. Maar deze assemblage van grafische onderdelen brengt toch iets tot stand dat vergelijkbaar is met een kubistische sculptuur van Picasso of Braque.

Onderdeel van het vrije werk is een serie foto’s opgebouwd uit vlakken. Yellow Vlei (2014) toont een plat volume dat op geel glas lijkt, en dat geplaatst is voor een duinlandschap uit drie lagen: het zand waar het water op uitloopt, een duin, en de blauwe lucht. Het transparant gele vierkant dat als een suprematistisch werk voor dit landschap geplaatst is, neemt een andere kleur aan voor iedere streep landschap: geel voor het zand en water, oranjebruin voor het duin, groen voor de blauwe lucht. Dit samenspel van gekleurde vlakken lijkt in deze beschrijving wederom gestalte te geven aan een grafische dynamiek. Maar doordat het geel-transparante vlak niet frontaal, maar schuin voor het duinlandschap staat, wordt de diepte van het lineaire perspectief enigszins geactiveerd en benadrukt. Het vierkant is niet alleen een vlak, maar heeft volume, hoe gering ook. Terwijl de abstracte vlakken van Malevitsj en Mondriaan nadrukkelijk tot een plat vlak gereduceerd zijn, worden de vlakken en strepen van Sassen een plastische, sculpturale eenheid. Deze foto niet zien als een realistische weergave van een werkelijkheid, van een glasplaat voor een duinlandschap, laat toe beter te begrijpen wat de assemblage behelst waarmee Sassen haar ‘beelden’ opbouwt. In het geval van Yellow Vlei zijn vlakken en volumes zowel van elkaar gescheiden als met elkaar verbonden; de onderdelen waaruit het nieuwe abstracte geheel bestaat blijven zichtbaar.

Venus & Mercury uit 2019 werd gemaakt in het Kasteel van Versailles en getoond in Huis Marseille in 2020.[7] In deze serie gebruikte Sassen ook echte sculpturen of fragmenten voor de assemblages van kleuren, vlakken, patronen en volumes. Zo wordt zichtbaar dat de klassieke sculpturen die Versailles domineren niet radicaal verschillen van deze sculpturale foto’s. In The Attempt is van bovenaf een marmeren lichaam te zien waarvan het hoofd, een arm en een onderarm ontbreken. De witte sculptuur is geplaatst tegen een onscherpe, amorfe, blauwe achtergrond. Door de hoge positie van waaruit de foto is gemaakt, is de compositie op het eerste gezicht abstract; het lineaire perspectief is tot een minimum beperkt en wordt pas geactiveerd wanneer er een fragment van een klassieke sculptuur in herkend wordt. Maar vanwege de gestrekte bovenarm suggereert dit beeld eerder een rechtopstaande penis dan een klassieke sculptuur, waardoor een associatie met Man Ray’s foto van een vrouwentorso als fallus zich opdringt. De aandacht wordt allereerst getrokken naar de ruwe steen in het centrum van de foto, de plek waar zich ooit het hoofd bevond, maar waar nu ongepolijste steen achterblijft, als een soort ongevormd reliëf. En opnieuw – met Wölfflin – is fotografie een soort van reliëf van wit en zwart, precies omdat foto’s de tactiele kwaliteiten van de sculptuur nog versterken.

The Attempt, een bijna abstracte foto, zet de mediumspecifieke kwaliteiten van zowel fotografie als sculptuur centraal. Het ruwe reliëf van de plek waar ooit een hoofd gezeten heeft, is een mise en abyme van de sculpturale foto als geheel. Ook deze foto is een reliëf van licht en donker, van tinten blauw en wit. Mise en abyme is een narratologische term voor een ‘spiegeltekst’, een onderdeel van een tekst die de tekst als geheel spiegelt. Het ruwe marmer dat de plek van het afgebroken hoofd laat zien, spiegelt het beeld als geheel, als een abstract reliëf van licht en donker. De kwaliteiten van fotografie en sculptuur lopen in elkaar over, of beter nog: ze versterken elkaar. Opnieuw is dat paradoxaal, omdat fotografie een beeld als ‘image’ is, en sculptuur een beeld als ‘object’.

Een laatste graduele ontwikkeling in het werk van Sassen is die van de fotomontage – gradueel, want de sculpturale assemblages kunnen ook als montages gezien worden. Montages en assemblages zijn in zekere zin termen voor dezelfde werkwijze, maar ‘montage’ wordt vaker voor fotografie gebruikt en ‘assemblage’ voor sculptuur. Wat in het fotografische beeld gebeurde, grijpt nu plaats met het fotografische beeld. Foto’s worden verknipt zodat er een nieuw beeld ontstaat. Waar dat aanvankelijk beelden binnen een geijkt fotografisch kader oplevert, zijn de montages steeds nadrukkelijker sculpturaal qua vorm: ze houden zich niet langer aan een vierkant of rechthoekig kader, maar doen zich voor als wandsculpturen gemaakt uit fotografische fragmenten. Ook deze beelden zijn sculpturaal omdat ze wederom uit kleuren, lichamen, vlakken en patronen bestaan. De dieptewerking van conventionele fotografie wordt tegengewerkt, met een plastische realiteit van het beeld als gevolg. Recentelijk zet Sassen verf nog radicaler in dan voorheen – niet als kleurvlak, maar met het impasto van de verfstreek nog zichtbaar. Terwijl de camera automatisch is, wordt de inbreng van de kunstenaar uitvergroot: niet alleen door de hand van de schilder, maar vooral door het oog en de hand die de beelden samenstellen.

 

Noten

[1] Zie: Steven Harris, ‘Voluntary and Involuntary Sculpture’, in: Anna Dezeuze en Julia Kelly (red.), Found Sculpture and Photography from Surrealism to Contemporary Art, Londen, Routledge, 2013, pp. 13-38.

[2] Viviane Sassen en Emanuele Coccia, Alchimie Moderne, Parijs, JBE Books, 2022, p. 16.

[3] Dan Thawley, ‘Fashion. Exploiting Extravagance’, in: Viviane Sassen. Phosphor, München, Prestel, 2023, pp. 10-13.

[4] Ann Wagner, ‘Sculpture’s Present, Photography’s Past’, in: Sarah Hamill en Megan R. Luke (red.), Photography and Sculpture. The Art Object in Reproduction, Los Angeles, The Getty Research Institute, 2017, pp. 270-275.

[5] De teksten van Wölfflin verschenen in 1896 en 1915 in Zeitschrift für bildende Kunst. Voor een Engelse vertaling, zie: Art History, nr. 1, 2013, pp. 52-71.

[6] Rosalind Krauss, ‘Photography in the Service of Surrealism’, in: Rosalind Krauss en Jan Livingston (red.), L’Amour Fou. Photography and Surrealism, New York, Abbeville Press, 1985, pp. 15-56.

[7] Venus & Mercury werd besproken door Matisse Huiskens in: De Witte Raaf, nr. 206, 2020, pp. 27-29.

Goddelijk licht. James Ensor en Gustave Doré

Wanneer James Ensor na zijn academietijd in Brussel in 1880 terugkeert naar Oostende, trekt hij weer in bij zijn ouders, helpt in de winkel en begint zijn artistieke carrière. Kunstcarrières worden echter niet beslist in Oostende, Ensor moet Brussel veroveren. Een medestander daar sinds zijn academietijd is Théodore Hannon, ook student aan de Academie, maar tien jaar ouder. Naast schilder is hij een bekend dichter, criticus en redacteur van het kunsttijdschrift L’Artiste. Via hem raakt Ensor betrokken bij vernieuwende, antiacademische initiatieven in Brussel. Hij kan in 1881 debuteren op de laatste tentoonstelling van La Chrysalide, een progressieve groep die in 1875 mede door Hannon is opgericht, en vervolgens ook op het Salon van Brussel. Ensor wordt vanaf zijn debuut gesteund door Hannon en door opkomende critici zoals Emile Verhaeren en Camille Lemonnier van het tijdschrift L’Art moderne, opgericht in 1881. Zij beschouwen hem als de belangrijkste jonge schilder. Ensor wordt lid van L’Essor in 1882 en medeoprichter van Les XX in 1884.

Hij schildert aanvankelijk academische onderwerpen, zoals stillevens, zeezichten, stadsgezichten, interieurs, volkstypen en portretten, maar alles krachtig en gedurfd ruw, à la Frans Hals. Vanaf 1885 maakt hij echter tekeningen, etsen en schilderijen met een religieus thema, vaak met de figuur van Christus, in het bijzonder een serie van zes grote tekeningen: Visions. Les auréoles du Christ ou la sensibilité de la lumière, te zien op de tentoonstelling van Les XX in 1887.[1] De sfeer is oneerbiedig en licht grotesk, niet devoot, maar nog zonder maskers. Het onderwerp van de tekeningen is, zoals de titel suggereert, niet religieus: het gaat om de werking van het licht. Tijdens deze jaren ontdekt Ensor ook het masker, en tegelijkertijd verheldert hij geleidelijk zijn palet. De religieuze onderwerpen, felle kleuren en de fascinatie voor het groteske en het masker culmineren in L’Entrée du Christ à Bruxelles en 1889 (1888), waarin de aandacht voor het licht, het gevoel voor sterke kleuren en de uitzonderlijke combinatie van het religieuze en het groteske samenkomen.

Een belangrijke aanwijzing om Ensors methode te begrijpen, is terug te vinden in een brief van mei 1884 aan Mariette Rousseau, de zus van Théo Hannon en een verzamelaar van Ensor. Ensor schrijft dat hij hard werkt, oude schetsen en schilderijen bewerkt en opnieuw schildert: ‘Ik werk veel nu. Ik overschilder oude studies en schilderijen. Ik bewerk ze opnieuw of verknoei ze.’[2] Ensor heeft, zoals alle schilders, doeken hergebruikt, soms direct overschilderd zodat het eerste beeld hier en daar doorschemert, soms na een dekkende tussenlaag. Hij heeft, zoals alle schilders, voltooid werk (soms veel) later geretoucheerd, voor het tentoongesteld of verkocht werd. Maar de brief aan Rousseau gaat over méér. Marcel De Maeyer heeft als eerste de creatieve overschilderingen van Ensor opgemerkt en besproken en hij vermeldt, onder meer, een ‘religieus’ schilderij getiteld Judas lançant l’argent dans le temple uit 1880, later herwerkt met felle kleuren.[3] Ensor overschilderde zijn oude werk steeds met picturale elementen uit het register van het groteske. Het duidelijkste voorbeeld, een sleutelwerk in Ensors oeuvre en in de geschiedenis van de Belgische schilderkunst, is Masques regardant un nègre bateleur, een academische studie uit 1879 waar Ensor tussen 1888 en 1889 een olielamp, een schildpad en een papegaai aan toevoegde, met een schare felgekleurde maskergezichten die de rechterbovenhoek van het schilderij binnendringen.

Het is een programmatisch voorbeeld: Ensor overschildert letterlijk de bloedeloze en conventionele kunsttraditie met groteske en expressieve tronies en maskers. Op die manier vernieuwt hij de kunst zowel inhoudelijk als formeel, met behulp van de lange en gediversifieerde traditie van het groteske, die in de achttiende en negentiende eeuw uit de kunst werd gefilterd. Het werk toont dat de moderniteit niet een traditie ontwikkelt en doorgeeft, maar de continuïteit doorbreekt: de traditie wordt opgeëist en gebruikt als materiaal, getransformeerd en meegenomen. Deze toe-eigening, dit ironische hergebruik, vormt de basis van Ensors inventio en de kern van zijn moderniteit. Zo heeft hij studies uit zijn studententijd gerecupereerd, maar ook zijn werk uit de vroege jaren 1880 bewerkt, evenals het werk van andere kunstenaars, en zelfs foto’s. Hij maakte ‘covers’ van zijn werk en dat van anderen, en vervormde of karikaturiseerde het. Het principe van het groteske is immers ‘vervorming’ of – in de brede betekenis – de karikatuur: hergebruik tast de betekenis aan en keert ze zelfs om, maar die betekenis wordt tegelijkertijd vastgehouden. De karikatuur produceert een complex, gelaagd beeld: het model of ‘eerste beeld’ wordt nooit geheel bedekt en vergeten, maar blijft, openlijk of bijna heimelijk, meespelen. Het ‘eerste beeld’ is zo tegelijk aanzet, obstakel en onderdeel van nieuw werk.

Ik heb eerder aangetoond dat Ensor de basis van zijn artistieke cultuur van het groteske betrekt uit het compendium van zeven boeken van Champfleury over de Histoire de la caricature.[4] Hij verwerkt in minstens twintig van zijn maskerschilderijen en satires de kleine illustraties uit deze boeken, soms van opeenvolgende pagina’s. Champfleury is echter niet enkel belangrijk vanwege de illustraties en als handig overzicht van het hele veld van het groteske en van de kunstenaars die Ensor – zij het veel later – als zijn referenties zal noemen, zoals Breugel, Callot en Goya. Champfleury is ook belangrijk vanwege het moderne kunstenaarschap dat hij voorstaat, en waarmee de jonge Ensor zich identificeert.

In Histoire de la caricature antique bespreekt Champfleury de pas ontdekte antieke karikatuur in Pompeï waarop Jezus met een ezelskop staat afgebeeld. Hij identificeert de miskende en bespotte moderne kunstenaar met de vervolgde Christus. Ensor verwerkt die karikatuur in zijn tekening Le Pisseur (1887), waarin ook verklaard wordt dat ‘Ensor een gek is’. De kunstenaar identificeert zich explicieter met de vervolgde Christus in Calvarie (1886), waarop zijn naam verschijnt boven de gekruisigde Christus. Later, in een klein werk, Ecce Homo (1891), portretteert hij zichzelf als Christus die bespot wordt door kunstcritici. Ensors identificatie met Christus blijft echter een klein motief. Het gebruik van religieuze thema’s en de Christusfiguur is breder, en begint vroeger. Toch blijft het vooralsnog onduidelijk waar zijn religieuze thema’s vandaan komen, en wat ze vertegenwoordigen. Ensor was immers niet religieus en zijn milieu was de verlichte liberale bourgeoisie. Toen hij tegen het einde van zijn leven gevraagd werd naar de betekenis van Jezus in L’Entrée du Christ à Bruxelles en 1889, antwoordde hij ontwijkend: ‘Le Christ, c’est une signification obligatoire.’[5]

De heldere kleur in Ensors maskerschilderijen kan worden gezien als een uitdrukking van de intensiteit en vrankheid die kenmerkend zijn voor het groteske. In tegenstelling tot bij de impressionisten komt dit kleurenspel niet voort uit een nauwgezette observatie of een bestudeerde weergave van het natuurlijke licht. Een levendig kleurenpalet gaat immers niet noodzakelijk over licht. Er is ook geen kleur nodig om licht te tekenen. Ensor ontwikkelt zijn interesse in licht niet in zijn schilderkunst, maar in het monochrome medium van tekenen en etsen, en met name in een reeks ‘religieuze’ tekeningen, te beginnen met La mort mystique d’un théologe, bijna een meter op een meter groot en samengesteld uit losse bladen die op een karton zijn samengekleefd. Ensor zou, volgens De Maeyer, het donkere, eerder intimistisch-realistische middendeel van de tekening uit zijn academietijd in 1885-1886 vervolledigd hebben met fantastische vindingen, ‘alles gemetamorfoseerd door het licht, dat de wereld herschept tot een fantastische chaos waarin de levensvormen opdoemen en verdwijnen in een grillige onbestendigheid’.[6]

Om de combinatie van religie en licht te verklaren, vooral in de reeks Visions. Les auréoles du Christ ou la sensibilité de la lumière, die ook in 1887 werd getoond, is de invloed van Gustave Doré cruciaal. Het is belangrijk in gedachten te houden dat de meeste uitspraken van Ensor over zijn werk en carrière decennia na dato werden gedaan. Ensor cultiveerde zijn mythe, vooral in de tweede helft van zijn leven, door te verwijzen naar meesters met wie hij geassocieerd wilde worden. Het eigenlijke materiaal waarmee hij werkte hield hij verborgen. Hij heeft bijvoorbeeld nooit verwezen naar Champfleury, en in zijn geschriften of correspondentie heeft hij evenmin de naam genoemd van Doré, die dan ook nagenoeg afwezig is in de literatuur. Enkel Herwig Todts heeft een illustratie van Doré van Don Quichot vergeleken met een tekening van Ensor.[7] Toch blijken de bijbelillustraties van Doré een zeer belangrijke bron geweest te zijn.

Gustave Doré (1832-1883) debuteerde, jong, als karikaturist bij Le Charivari in Parijs.[8] Daarna ging hij literaire werken illustreren van Dante, Milton, Verne en Lord Byron, in een laatromantische, dramatisch-gezwollen stijl. Hij werd bekend voor het illustreren van Les contes drolatiques van Honoré de Balzac. Doré werd gesteund door critici zoals Théophile Gautier en Emile Zola, en werd zelfs, nauwelijks dertig jaar oud, opgenomen in het Légion d’honneur. Het is mogelijk dat de jonge Ensor hem al kende als karikaturist en illustrator. Hij roemt later immers de grote Balzac, die hij als kind las, net als zijn ouders. In een toespraak in 1925 heeft hij verwezen naar een kortverhaal uit La Comédie humaine, ‘Jésus-Christ en Flandre’ uit 1846, waarin Balzac Jezus aan land stuurt in Oostende, een verhaal dat hem geïnspireerd kan hebben.[9] Het is in elk geval zo dat Ensors Vieille femme aux masques (1889) en zijn Autoportrait aux masques (1899) opvallende gelijkenissen vertonen met illustraties uit Les Contes drolatiques.

Het meest opvallende werk van Doré zijn de illustraties voor La Grande Bible de Tours. Van 1861 tot 1865 heeft hij 139 illustraties van het Oude Testament en 81 van het Nieuwe Testament gemaakt, en nadien, in de loop van 1866, nog nieuwe versies en bijkomende prenten, in totaal 247. De bijbel werd in 1866 tegelijk gepubliceerd in Frankrijk en Engeland en was onmiddellijk een groot succes. De illustraties van Doré waren decennialang de voornaamste, zo niet de enige populaire bijbelillustraties (tot de versuikerde versies van salonschilder James Tissot), en ze hebben de laatnegentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse populaire religieuze iconografie gedomineerd, tot aan de eerste bijbelfilms toe.[10] Ook Ensor heeft ruim geput uit Dorés oeuvre, zowel uit het Oude Testament als uit het Nieuwe Testament. Zijn belangstelling voor Doré betreft niet in de eerste plaats de religieuze iconografie, maar vooral de manier waarop Doré licht weergeeft in het monochrome medium van tekenen, etsen en drukken, en licht tot een hoofdrolspeler verheft. In Dorés bijbelbeelden creëren lichtbalken en lichtcirkels drama, het licht duidt op goddelijke werkzaamheid, en het aureool onderscheidt en identificeert Christus te midden van een menigte, door Hem te laten stralen.

Bijzonder interessant zijn episodes uit het Oude Testament waarin het licht de hoofdrol speelt (zoals de schepping van het licht in Genesis) of episodes waarin het licht de aanwezigheid of de werking van God of zijn engelen oproept. Voor La création de la lumière (1887) neemt Ensor letterlijk de titel van een prent van Doré over, en hetzelfde geldt voor de weinig bekende tekening Joshua arrête le soleil uit 1885. Ensor moderniseert het leger van Joshua en laat de zon vanaf de horizon schijnen en niet vanuit de hemel, maar verder is zijn tekening een getrouwe kopie van Dorés prent. Ook La mort de Jezebel, gedateerd 1880, komt heel dicht bij de gelijknamige prent van Doré, en de tekening Le sermon sur la montagne uit 1882 benadert Dorés Ezéchiel prophétisant. Ensor gebruikte ook illustraties uit het Oude Testament voor Daniel dans la fosse aux lions (1885-1886): hij neemt de kring van leeuwen en de lichtbundel die de kuil binnenvalt over, maar de figuur van Daniël vervangt hij door een tronende Christusfiguur, misschien afkomstig uit Dorés Le sermon de la montagne of Le rêve de Jacob.

Midden jaren 1880 begon Ensor te etsen en maakte hij enkele profane, fantastische afbeeldingen met exotische architectuur, personages en kleding. Deze beelden gaan terug op Dorés weergave van een niet-klassieke, Bijbelse wereld uit de oosterse oudheid. Doré heeft nooit zelf het Nabije Oosten bezocht, maar verbeeldde het zich aan de hand van de archeologische collecties van het Louvre, waar het eerste museum voor Assyrische kunst opende in 1847. Zijn illustratie van La mort d’Éléazar vormt de ondertekening voor Ensors ets La blague de l’éléphant (1888). Naast het motief van de vechtende olifant neemt Ensor een reeks details over, zoals het schild van de krijger linksonder, de bel aan de nek van de olifant, de tong van het dier die wordt omgevormd tot een billenpartij, de houding van Eleazar onder de poot van de olifant, die wordt overgenomen door twee figuren rechtsonder, en de olifanten op de achtergrond. Even duidelijk is Ensors ets Prise d’une ville étrange (1888), waarin hij een prachtige oosterse stad tekent, met rechts een rij Indische olifanten op zuilen. De afbeelding stelt geen oorlogsscène of inname voor, en de titel komt mee met de illustraties van de inname van Babylon die Ensor gebruikt: de wand olifantenzuilen uit Babylone après la chute en de trappiramides in de verte uit La vision d’Isaïe de la destruction de Babylone. Verder vormen de algemene lay-out, de gedode en gemartelde lichamen en de exotische setting uit Dorés Le massacre des fils de Zedekiah devant leur père, met de architectuur en personages uit verwante prenten, het materiaal voor Ensors Petite torture Perse uit 1893.

Ensor vindt bij Doré een manier om licht te tekenen. Hij brengt de grafische tekentechniek over naar het medium schilderkunst, vooral in de landschappen en zeezichten, en in de oplichtende, vibrerende achtergronden van zijn stillevens. Ensor schildert levendige, kleurrijke en atmosferische luchten en vertes met gestapelde, heel gevarieerde, meestal schuine, parallelle, gekleurde lijnen. Voorbeelden zijn Adam et Eve chassés du Paradis (1887), La création de la lumière (1888/1917), Le Christ marchant sur la mer (1885) en Le Christ apaisant la tempête (1891). Er is een opmerkelijke gelijkenis tussen Ensors indrukwekkende La chute des anges rebelles (1889) en Dorés gelijknamige openingsillustratie van Miltons Paradise Lost, wat erop wijst dat Ensor ook dat boek kende en gebruikt heeft.

Ensor produceerde naast Les auréoles, eind jaren tachtig, nog verschillende etsen en schilderijen over het leven van Christus, vertrekkend van Dorés bijbelillustraties. Le denier de César (1888) is een ets die de titel en het onderwerp behoudt, net als de houding en het uiterlijk van de personages. Hetzelfde geldt voor La temptation du Christ (1888), waarin Dorés versie, met Christus en Satan op een berg in de woestijn, wordt gecombineerd met het zicht op Jeruzalem dat Dorés bijbel afsluit. Ook in Les auréoles zijn, naast de verwantschap met de exotische bijbelwereld van Doré en de lichtbehandeling, de ontleningen duidelijk. Op Le Christ montré au peuple (1885) staat vooraan in beeld, op de rug gezien, een koddig personage op krukken, dat Ensor gehaald heeft uit Saint Pierre et Saint Jean guérissent un infirme, en dat hij in een studietekening aanvankelijk frontaal kopieerde. L’Intense. Le Christ montant au ciel (1885) toont Christus die ten hemel stijgt te midden van een kring van licht, met opgeheven armen, onder een stralende boog van hemels licht. Ensor heeft hiervoor, geheel onorthodox, de Hemelvaart geprojecteerd op Dorés prent van het Laatste Oordeel. De Engel des Oordeels is vervangen door de verrezen, stralende Christus, wiens uitgestrekte armen de vleugels van de engelen vervangen, terwijl Ensor in de onderste helft van de tekening Dorés voorstelling behoudt van de verdoemde zielen die in de hel worden geworpen. Het resultaat: twee totaal ongerelateerde Bijbelse gebeurtenissen overlappen.

In een brief aan Mariette Rousseau van 3 december 1886 schrijft Ensor dat hij werkt aan een tekening, L’Entrée du Christ à Jérusalem: ‘De verwarring is verschrikkelijk. Het licht is overweldigend – misschien zelfs ‘overdreven!’’[11] Ensor houdt in zijn compositie vast aan de traditionele iconografie, van Giotto tot Doré: Christus nadert op zijn ezel, in profiel, de stad in een landschap, maar de intrede speelt zich af op de achtergrond, en de voorgrond wordt gevuld met een ‘ensoriaanse’ menigte. De compositie is omlijst met architecturale elementen en bekroond met een banier en inscripties. De inscriptie ‘Salut Jesus, Roi des Juifs’ op het vaandel is een religieuze verwijzing, maar vele opschriften en vaandels, zoals ‘Les XX’ of ‘Le Mouvement Flamand’, verwijzen naar lokale situaties en gebeurtenissen. Opschriften als ‘Hip Hip Hurrah, Colman Mostard’ of ‘A bas la Calotte, Charcutiers de Jérusalem’ zetten de toon. Critici merkten toen al op dat in Ensors ‘actualisering’ van de scène, Christus niet Jeruzalem, maar Brussel binnentrekt.[12] (In een studietekening is de verblindende lichtvlek rond Christus al gevuld met een processie van mensen, en staan de toeschouwers aan de zijkant reeds enigszins apart op een terras, zoals in het schilderij.) Xavier Tricot heeft verwezen naar een artikel van Adolphe-Jules Wauters, die de tekening een begin of een ‘aanwijzing’ noemde, en suggereerde dat ‘met een goed geformuleerde uitwerking op een reusachtig doek, vakkundig doordacht, gecomponeerd, getekend, getypeerd en geschilderd’, het werk de ‘meest levendige sensatie’ zou creëren…[13] Het lijkt erop dat Ensor de uitdaging aannam. Hij begon in 1887 aan zijn monumentale schilderij en verwees later waarderend naar Wauters.

L’Entrée de Jesus à Bruxelles en 1889 is niet alleen veel groter dan de tekening L’Entrée du Christ à Jérusalem, maar verschilt er ook iconografisch aanzienlijk van. De menigte die Jezus vergezelt verandert in een bonte stoet tronies, maskers en carnavalsfiguren. De gebeurtenis vindt niet langer plaats in een landschap, maar trekt de stad in. Christus wordt niet in profiel afgebeeld, maar frontaal, centraal en klein. De compositie is theatraal-symmetrisch, met ‘balkons’ voor toeschouwers aan beide zijden. Wat bracht Ensor ertoe dit enorme werk te maken, dat hij in zijn atelier niet eens aan de muur kon hangen? Hij moest het stuksgewijs schilderen, uitgerold op de vloer. Het werd aangekondigd voor de tentoonstelling van 1889, maar nooit publiek getoond tot de grote overzichtstentoonstelling in Brussel in 1929. De sleutel ligt in een vergeten – en waarschijnlijk verdwenen – monumentaal schilderij van Gustave Doré.

Doré bouwde zijn reputatie en fortuin op als illustrator, maar zag zijn grafische werk als opmaat voor een volwaardig kunstenaarschap als schilder en beeldhouwer. Hij nam regelmatig deel aan de Salons en presenteerde er voornamelijk religieuze schilderijen en romantische onderwerpen op zeer groot formaat in zijn dramatische stijl. Toen hij samenwerkte met Britse uitgevers voor de publicatie London. A Pilgrimage in 1868, richtten zijn galeriehouders in Londen de Doré Gallery op, met later filialen in Parijs en New York. Hoewel Doré zijn schilderijen voornamelijk in Engeland verkocht, bleef hij een buitenlandse kunstenaar, werd hij niet tot de Engelse School gerekend, en is hij allicht daardoor vergeten als schilder.[14] Het belangrijkste nog bekende religieuze schilderij van Doré is Le Christ quittant le praetorium uit 1867-1872, waarvan hij verschillende versies heeft gemaakt. Dit eveneens enorme werk werd getoond op het Parijse Salon in 1877, en het origineel wordt nu bewaard in het museum van zijn geboortestad Straatsburg. Het jaar daarvoor, op het Salon van 1876, had Doré echter een soortgelijk ambitieus werk getoond met dezelfde afmetingen. L’Entrée du Christ à Jérusalem toont Jezus, frontaal, gezeten op zijn ezel, met opgeheven rechterhand, die met een jonge begeleider door de Gouden Poort Jeruzalem binnentrekt. Links en rechts vooraan op de straat en op terrassen met kijkposten staan groepen toeschouwers met palmtakken, en Jezus wordt gevolgd door een grote menigte die het beeld vult tot aan de horizon. De theatrale, frontale en symmetrische enscenering van het schilderij verschilt grondig van Dorés narratieve behandeling van het thema in de bijbelillustraties. Het spektakelstuk werd gemengd ontvangen. De Engelse kritiek was relatief lovend; in The Art Journal werd gewag gemaakt van Dorés ‘gebruikelijke mengeling van grote kwaliteiten en grote gebreken’.[15] In Frankrijk werd het schilderij zeer kritisch onthaald. Émile Zola, die tien jaar voordien lovend over Doré had geschreven, vroeg zich af waar hij zijn ‘colossales erreurs’ stockeerde. L’Entrée du Christ à Jérusalem gaf, volgens hem,

‘de indruk van een enorme bonte verzameling, een vinaigrette van valse tonen, een vreemd gedrang van figuren, getekend volgens de gebruikelijke procedure van de schilder die zijn absolute onwetendheid over anatomie compenseert met het vermogen om consequent identieke hansworsten te schetsen. Ik vermoed dat hij zich dit jaar wilde bevrijden van de verwijten die critici hem hadden gemaakt omdat hij te donker schilderde; hij bekladde zijn doek met de helderste en meest opzichtige kleuren; maar, licht of donker, het is nog steeds niets meer dan een gekleurde prent van buitensporige grootte.’ [16]

Ook in Brussel werd het werk afgewezen. Théo Hannon schreef, onder het pseudoniem Marc Véry, in L’Artiste:

‘Wat een lawaai en gedoe […], het eindeloze schilderij van Gustave Doré, met zijn onnavolgbare kleur en een onvergeeflijk zachte tekening van de illustere illustrator van Cervantes en Rabelais. Het hoofd van Christus leek me minder geïnspireerd dan dat van zijn ezel – het is waar dat de palmen waarop ze trapt zo’n smakelijk (Parijs) groen zijn – zo smakelijk!… Dit gigantische doek lijkt de samenvatting te zijn van de clichés die de meester de afgelopen tien jaar heeft gebruikt. Geconfronteerd met deze valse grootsheid en deze ziekelijke uitbundigheid van lijnen en tonen waar sommigen voor flauwvielen en Michelangelo opriepen – is dit niet het moment om de – vervelende – opmerking van de auteur van La vie des peintres, Théophile Sylvestre, te herhalen: Doré is voor Michelangelo wat Léotard is voor Rossi?’ [17]

L’Entrée du Christ à Jérusalem werd verkocht in Londen, maar het werk is bekend via drie studies, een ‘first sketch’ opgenomen in een biografie, en een prent die ruim verspreid moet zijn geweest. Ensor had mogelijk reeds in zijn academietijd, via het tijdschrift van Hannon, weet van het schilderij, hij heeft het gezien in de Doré Gallery of hij kende het werk via de prent. Het vormt in elk geval het voorbeeld en de ondertekening van L’Entrée du Christ à Bruxelles en 1889.

Aan dat werk zijn vier monografische publicaties gewijd.[18] Ze beschrijven de ontstaansgeschiedenis, de religieuze bronnen en de iconografie, en brengen het in verband met sociale en politieke situaties in België en Brussel, en met de topografie van de hoofdstad. Mogelijke artistieke inspiratie en voorbeelden worden gezocht in folkloristische processies, carnavalstoeten, prenten van oproer en demonstraties, samenscholingen van stedelijke massa’s enzovoort. Deze interpretaties, die alle richtingen uitgaan, creëren een context, maar ze blijven hypothetisch, zonder specifieke elementen of de genese van het werk te verklaren. De cruciale vraag blijft: wat kan Ensor ertoe gebracht hebben om in 1887 een monumentaal schilderij van 2,5 meter hoog en 4,3 meter breed aan te vangen, dat zijn versie van de intocht van Christus uit een van de Auréoles overneemt, maar in een totaal andere enscenering, een ander medium en een andere schaal, met een menigte die een parade van maskers is geworden? En waarom besluit hij, uiteindelijk, om dat schilderij niet te tonen?

De microgeschiedenis van Ensors ambivalente relatie met Les XX kan bijdragen tot een verklaring. Ensor was medeoprichter en een vooraanstaand lid van de groepering. Maar na de tentoonstelling van 1887, waarop hij zijn Auréoles toonde, was hij niet gelukkig meer met de gang van zaken. Uit de correspondentie met Mariette Rousseau kan worden opgemaakt dat zijn contacten met Théo Hannon, zijn vriend en eerste enthousiaste criticus, sterk waren verminderd.[19] Er waren wrijvingen, waaronder het incident in 1886 met Fernand Khnopff, die door Ensor van plagiaat werd beschuldigd, maar door Verhaeren werd verdedigd. Octave Maus, de secretaris-manager van Les XX, was internationaal georiënteerd en nodigde schilders uit – vooral impressionisten – die Ensor als concurrenten en copycats zag. Op de tentoonstelling van 1887 was Dimanche d’été à la Grande Jatte van Seurat de grote sensatie en overschaduwde het de tekeningen van Ensor, waar hij zoveel van verwacht had. Maus had misschien ook moeite met de soms vulgaire kantjes van Ensors grotesken. Om al deze redenen, en mogelijk getriggerd door Wauters’ suggestie om van de tekening van Christus’ intrede in Jeruzalem een groot schilderij te maken, is het plausibel dat Ensor besloot om Les XX op de tentoonstelling in 1889 te imponeren en uit te dagen met een ‘onnavolgbaar’, oneerbiedig en reusachtig bravourestuk, om zo – letterlijk – zijn zichtbaarheid en even rebelse als leidende positie te heroveren. Ensors burleske cover van Dorés monumentale werk zou bij Les XX inderdaad herkend zijn als de uitvergrote en carnavaleske sequel – Ensor vulde de titel soms aan met ‘Le mardi gras’ – van de tekening uit 1887. Begin 1889 was Ensor echter een tijdje ziek en daardoor misschien te laat met zijn inzending voor de tentoonstelling, of het schilderij was nog niet af. (Hij heeft later verklaard dat het schilderij klaar was, maar dat hij het onder interne druk moest terugtrekken.)[20] In elk geval toonde hij in 1889 niet L’Entrée du Christ à Bruxelles en 1889, maar wel L’Étonnement du masque Wouse, zijn eerste echte maskerschilderij.

Hij overwoog daarna om het grote schilderij te tonen op de tentoonstelling van 1891, maar zag daar opnieuw van af. In een brief aan Rousseau legde hij uit dat het monumentale, provocerende (maar zeker ook: onverkoopbare) werk te veel van de beschikbare ruimte in beslag zou nemen. In plaats daarvan gaf hij er de voorkeur aan om meer diverse stukken tentoon te stellen.[21] Toen in 1893 Les XX werd opgeheven, was het momentum voorbij en L’Entrée du Christ bleef opgerold in het atelier liggen. Toen het veertig jaar later, in 1929, voor het eerst werd getoond, was Ensor al een éminence grise en werd het werk in een nieuwe context gezien en beoordeeld. Ensor overschilderde daarom het grootste deel van de pêle-mêle van groteske en spottende opschriften – die nog steeds leesbaar zijn op een ets gemaakt na het werk uit 1898 – hoogstwaarschijnlijk omdat ze te veel aan de omstandigheden van tientallen jaren geleden herinnerden.

L’Entrée du Christ à Bruxelles en 1889 kan met recht beschouwd worden als een pendant van Masques regardant un nègre bateleur. Beide zijn gelijkelijk revelerend voor Ensors ‘artistieke project’. Met L’Entrée du Christ transformeert Ensor echter niet gedeeltelijk een eigen academisch werk, maar overschildert hij ironisch bijna volledig een controversieel werk van een monstre sacré van de schilderkunst met zijn nieuwe maskeruniversum. Net in het centrum van het beeld spaart hij precies die plek uit waarop, bij Doré, Christus op zijn ezel Jeruzalem binnenrijdt. Die jezusfiguur laat Ensor intact, inclusief het gouden aureool.

 

Een eerste versie van deze tekst werd voorgelezen op 21 januari in Mu.Zee in Oostende. Tot 14 april loopt daar de tentoonstelling Rose, Rose, Rose à mes yeux. James Ensor en het stilleven in België van 1830 tot 1930.

 

Noten

[1] La gaie. L’Adoration des bergers, La crue. Le Christ montré au peuple, La Vive et Rayonnante. L’Entrée du Christ à Jérusalem, La triste et brisé. Satan et ses légions fantastiques tourmentant le crucifié, La tranquille et la sereine. La descente de croix en L’Intense. Le Christ montant au ciel.

[2] Jean-Philippe Huys en Xavier Tricot (red.), ‘Avec le noble crayon’. Lettres de James Ensor à la famille Rousseau, Brussel, Peter Lang, 2021, p. 171.

[3] Marcel De Maeyer, ‘De mystieke dood van een godsgeleerde’, in: KMSKA Jaarboek, Antwerpen, 1962-1963, pp. 131-157; Idem, ‘De genese van masker-, travestie- en skeletmotieven in het oeuvre van James Ensor’, in: KMSKB Bulletin, Brussel, 1963, pp. 69-88. Zie ook: Catherine De Zegher, Between Street and Mirror. The Drawings of James Ensor, New York, The Drawing Center, 2001, pp. 187-201.

[4] Bart Verschaffel, ‘‘Siffler les vices et les laideurs de la civilization…’ Het groteske oeuvre van James Ensor en de Encyclopédie de la caricature van Jules Champfleury’, in: De Witte Raaf, nr. 181, 2016, pp. 14-20. Engelse vertaling in: Mock Humanity. Two Essays on James Ensor’s Grotesques, Gent, A&S/books, 2018.

[5] J.P. Hodin, ‘James Ensor on the Ultimate Questions of Life’, in: The Dilemma of Being Modern. Essays on Art and Literature, Londen, Routledge, 1956, p. 39.

[6] Op. cit. (noot 2), p. 151.

[7] Herwig Todts, James Ensor, Occasional Modernist. Ensor’s artistic and social ideas and the interpretation of his art, Turnhout, Brepols, 2018, p. 298.

[8] Over Doré, zie: Philippe Kaenel, ‘Le plus illustre des illustrateurs… le cas Gustave Doré (1832-1883)’, in: Actes de la recherche en sciences sociales, maart 1987, pp. 35-46; Frank Henry Norton, Paul Gustave Doré, New York, John B. Alden, 1883; René Delorme, Gustave Doré, peintre, sculpteur, dessinateur et graveur, Parijs, Baschet, 1879; Blanche Roosevelt, The Life and Reminiscenses of Gustave Doré compiled from material supplied by Doré’s relations and friends, and from personal recollection, New York, Casell and Cie, 1885.

[9] James Ensor, Mes Écrits, Luik, Éditions Nationales, 1974, p. 96.

[10] Zie Yannick Le Pape, ‘L’Ancien Testament et ses représentations dans la peinture de la seconde moitié du XIXe siècle’, in: Revue de l’histoire des religions, nr. 1, 2018, pp. 65-95.

[11] Op. cit. (noot 2), p. 222.

[12] Zie: Xavier Tricot, The Entry of Christ into Brussels in 1889, Antwerpen, Pandora, 2020, pp. 147-173.

[13] Adolphe-Jules Wauters, ‘Aux XX’, in: La Gazette, nr. 41, 1887.

[14] Blanche Roosevelt, The Life and Reminiscences of Gustave Doré, Londen, Sampson Low, 1885, p. 204.

[15] Lucy H. Hooper, ‘The Salon of 1876’, in: The Art Journal, Volume 2, 1876, pp. 251-252.

[16] Émile Zola, ‘Le Salon de 1876’, in: Écrits sur l’art, Parijs, Gallimard, 1991, p. 331.

[17] Marc Véry, ‘Salon de Paris. II, La peinture. Maitres français’, in: L’Artiste, nr. 22, 1876, p. 179.

[18] Walther Vanbeselaere, L’Entrée du Christ à Bruxelles, Brussel, Weissenbruch, 1957; Stephen C. MacGough, James Ensor’s ‘The entry of Christ into Brussels in 1889’, New York, Garland, 1985; Patricia G. Berman, James Ensor’s ‘Christ’s entry into Brussels in 1889’, Los Angeles, Getty Museum, 2002; Xavier Tricot, The Entry of Christ into Brussels in 1889, Antwerpen, Pandora, 2020. Zie ook: Mark Leonard en Louise Lippincott, ‘James Ensor’s Christ’s Entry in Brussels in 1889. Technical Analysis, Restoration, and Interpretation’, in: Art Journal, nr. 2, 1995, pp. 18-27.

[19] Op. cit. (noot 2), p. 184.

[20] Zie de brief aan André de Ridder van 30 september 1928, in: James Ensor, Lettres à André de Ridder, Antwerpen, Librairie des Arts, 1960, p. 61.

[21] Op. cit. (noot 2), p. 294.

Dubbel geleefd leven. PINK de Thierry

Toen PINK de Thierry op 25 februari 2023 overleed op 79-jarige leeftijd, leek haar werk in vergetelheid te zijn geraakt. Nog geen half jaar later was het plots te zien op twee tentoonstellingen. Het M HKA in Antwerpen toonde in de zomer een overzicht van de bezigheden van het collectief Mass Moving, dat mede door haar werd opgericht, maar de nadruk lag op projecten die na Pinks vertrek hebben plaatsgevonden. Vervolgens was in het Frans Hals Museum in Haarlem een overzicht te zien van Pinks werk sinds de jaren tachtig.[1]

PINK de Thierry werd in 1943 in Haarlem geboren als Helena Scheerder. Van 1964 tot 1965 volgde ze acteerlessen aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel. Daarna werkte ze enkele jaren in België als actrice in theater-, film- en televisieproducties, onder het pseudoniem Helen Pink. Ze maakte kennis met de kernideeën en praktijken van experimentele gezelschappen, zoals Jerzy Grotowski’s Poor Theatre, het in New York gevestigde Living Theatre en het politieke Bread and Puppet Theatre.[2] Ondanks hun verschillen delen deze gezelschappen een aantal principes. Ze verzetten zich tegen het traditionele, op tekst gebaseerde theater en tegen conventionele acteermethoden, en experimenteren met een alternatief gebruik van taal, stem en lichaam om de perceptie van de theatrale gebeurtenis te veranderen en andere, meer interactieve relaties tussen performers en publiek mogelijk te maken.[3] Ook andere ontwikkelingen in de beeldende kunst, zoals Fluxus, happenings en conceptualisme, spoorden Pink aan om nieuwe manieren van performatieve expressie te verkennen.

Haar interesse in kunst werd gestimuleerd door een ontmoeting met Marcel Broodthaers. Pink nam in 1968 als performer deel aan de opening van Musée d’Art Moderne, Département des Aigles, Section XIXième Siècle, in het Brusselse appartement van de kunstenaar.[4] De tentoonstelling omvatte onder meer het in scène zetten van niet-bestaande kunstwerken die zogezegd in houten kisten waren verborgen. Broodthaers’ onderzoek naar uiteenlopende culturele processen van betekenisgeving en zijn experimenten met presentatievormen inspireerden Pink om zich los te maken van artistieke conventies. Een andere belangrijke impuls kwam van James Lee Byars, die eind jaren zestig een aantal onconventionele happenings realiseerde in kunstruimtes in België en Nederland. Pink nam deel aan A Pink Silk Airplane for 100 in de Wide White Space Gallery in Antwerpen op 25 april 1969. Tijdens deze happening ontvouwde Byars een roze zijden doek met gaten erin, vroeg de deelnemers om hun hoofden door de gaten te steken en verklaarde de doek tot vliegtuig. Vervolgens rende en sprong hij door de galerie om een luchtreis te simuleren terwijl hij stukken uit zijn autobiografie voorlas. Het doek diende volgens hem als een instrument ‘om pretenties op de proef te stellen’.[5] Dit soort happenings overtuigde Pink ervan dat de beeldende kunst op dat moment meer ruimte bood voor experiment dan het theater.

In 1968 ontmoette ze kunstenaar en grafisch ontwerper Raphaël Opstaele en architect Jef De Groote. Hun samenwerking resulteerde in de oprichting van het collectief Mass Moving, dat interventies in de openbare ruimte organiseerde in verschillende steden in Europa en daarbuiten. De interventies werden bedacht en uitgevoerd door een wisselend aantal personen. Om zich tegen traditionele opvattingen over auteurschap te verzetten, werden hun namen niet of onvolledig vermeld in recensies of catalogi, waardoor het moeilijk is om individuele bijdrages in te schatten. Het eerste daadwerkelijk gerealiseerde project kwam tot stand toen Pink in mei 1969 de opdracht kreeg om een ​​productie te ontwikkelen voor het ‘theaterlaboratorium’ van de Universiteit Leuven.[6] Ze schakelde Opstaele, De Groote en dichter Marcel van Maele in om er een multidisciplinaire productie van te maken. Erektion, zo luidde de titel, beoogde een totale transformatie van het traditionele theater. Elementen uit de architectuur, beeldende kunst, poëzie en theater werden samengebracht, zoals geluid, stem, beweging en gebaar, tekst, licht en ruimtelijke arrangementen. De belangrijkste strategie om de gebruikelijke theaterervaring te destabiliseren, was het overeind zetten van de bühne. De Groote ontwierp een metalen stellage met verschillende platforms die het grootste deel van de ruimte in beslag nam. Pink, de performer, verplaatste zich samen met het publiek over deze stellage. De titel sloeg niet alleen op het opgerichte podium, maar verwees ook naar de seksuele connotaties van de teksten die Pink voordroeg. Het was de tijd van studentenprotesten en sociale omwentelingen, de tijd van seksuele bevrijding en van opstanden tegen traditionele instellingen, waarden en de gevestigde orde.

De geest van 1968 klinkt ook door in de verdere activiteiten van het collectief, dat al snel de openbare ruimte ging opzoeken. Motion, het eerste evenement dat officieel werd uitgevoerd onder de naam Mass Moving, vond in september 1969 plaats in Utrecht als onderdeel van het festival Motion Weeks. Doel was het creëren van een speelse subversieve situatie, die zintuiglijke, communicatieve, relationele en creatieve ervaringen teweeg zou brengen door middel van een mix van olfactorische, visuele en auditieve stimuli. Ook in Motion stond een stellageachtige constructie centraal met vier platforms van verschillende hoogtes, in de openlucht in het stadscentrum geïnstalleerd. Pink, gekleed in een witte outfit, besproeide het publiek met een door Opstaele gecomponeerd parfum, dat ze verspreidde met een verstuiver die in de landbouw wordt gebruikt voor het besproeien van gewassen met pesticiden, wat toch enigszins verontrustend moet zijn overgekomen. Ook werden er vijftig zakken zwarte confetti in het publiek gegooid. ‘Reporters’ maakten foto’s en stelden vragen aan het publiek. De reacties werden opgenomen en vervolgens via luidsprekers uitgezonden. De geluidsachtergrond vormde een compositie die in samenwerking met de afdeling sonologie van de Universiteit Utrecht was gemaakt en die ter plekke, vierentwintig uur per dag, werd afgespeeld. De opname vermengde zich met lokale stadsgeluiden, met een ‘dynamische soundscape’ als resultaat. Het project omvatte ook interventies in de massamedia, door Mass Moving beschouwd als de belangrijkste producenten van collectief bewustzijn. Recensies in lokale media, zoals radio en kranten, werden als onderdeel van het evenement gezien. De editie van het Utrechts Nieuwsblad van 20 september 1969 werd toegeëigend en gewijzigd: beeldmateriaal werd gemanipuleerd, onder andere door menselijke gezichten op krantenfoto’s uit te wissen. Ook teksten werden gedeeltelijk gewist, waardoor vreemde vervormingen en betekenisveranderingen ontstonden. De gemanipuleerde kranten werden vervolgens op straat verkocht.[7]

Motion was een ambitieuze ‘environment’ annex performance, te vergelijken met happenings, maar ook met latere vormen van locatietheater en ‘immersief’ theater. De projecten van Mass Moving anticipeerden op de ‘festivalisering’ van kunst, cultuur en de stedelijke ruimte, die nog niet was ingebed in een alomtegenwoordige, gecommercialiseerde festivalcultuur zoals die vandaag bestaat.[8] De projecten werden toen vooral gezien als ondeugende en opruiende verstoringen van de openbare orde, wat de politie meer dan eens tot ingrijpen aanzette.[9] Toch stond politiek activisme niet per se op de voorgrond; de meeste interventies van Mass Moving waren eerder poëtisch van aard. Aan de legendarische tentoonstelling Sonsbeek buiten de perken, die in 1971 plaatsvond in de stad Arnhem en op verschillende buitenlocaties in Nederland, namen zij bijvoorbeeld deel met een rijdende printmachine. Deze Ludic Environment Machine (L.E.M.) werd ingezet om straten en trottoirs in de Arnhemse binnenstad te versieren met een ​​groen bloemmotief. Tegelijkertijd produceerde de L.E.M. afdrukken van hetzelfde bloemmotief op papier, die aan het publiek werden uitgedeeld. De actie werd begeleid door een groep meisjes met slangen op het voorhoofd geschilderd, die duizenden speciaal voor de gelegenheid gekweekte felgekleurde vlinders loslieten. Met de vlinders als levende symbolen van metamorfose zette de transformatie van de openbare ruimte zich voort in de lucht.

In een statement in de catalogus van Sonsbeek buiten de perken onderstreept Mass Moving het belang van speelse gebeurtenissen buiten de ‘ghetto-ruimtes van tentoonstellingen’. Met hun interventies wilden ze een ludieke uitbreiding van de stedelijke ruimte bewerkstellingen, ‘los van het kollektieve isolement en zonder de steriele konsumptie-stimuli die nu het stadscentrum isoleren van de jonge generatie’.[10] Hun bezigheden doen enigszins denken aan het subversieve, maar tevens poëtische urbanisme van de situationisten, die eveneens kritiek leverden op de spektakelachtige consumptiecultuur, paradoxaal genoeg door zelf in alternatieve spektakels te voorzien. Een echo van Guy Debords conceptualisering van ‘het spektakel’ als een culturele conditie waarin sociale relaties grotendeels worden bemiddeld door commerciële representaties, is eveneens hoorbaar. De vroege projecten van Mass Moving zinspeelden vooral op de verondersteld bevrijdende kracht van het spel, zoals beschreven door Johan Huizinga. Zijn bekende studie over de Homo ludens inspireerde vanaf de naoorlogse jaren vele kunstenaars en rebellengroepen, zoals de Nederlandse Provo’s en Kabouters.[11] In een overzichtspublicatie uit 1972 vergeleek Willem Koerse de leden van Mass Moving met de ‘gangmakers’ uit het wielrennen, de motorrijders die voor de fietsers rijden om ze op gang te brengen en de luchtweerstand te verminderen: ‘Het is een gebeurtenis ‘met’ en ‘tussen’ mensen, nauwelijks te definiëren, die, wanneer ze echt in beweging wordt gezet, leidt tot een feest, waarvan het niet zo dwaas zou zijn om te denken dat het ons dagelijks leven radicaal zou kunnen veranderen.’[12]

Halverwege de jaren zeventig begon de optimistische speelse geest van de hippiecultuur te vervliegen, evenals de geest van Mass Moving zelf. Na interne ruzies ontbond het collectief zichzelf in 1976 met een autodafe, waarbij ze hun archief in rook lieten opgaan – zij het gedeeltelijk, want restanten ervan doken later weer op in particuliere collecties. Een aantal leden, onder wie Opstaele en Bernard Delville, pakten later de draad weer op en gingen nog tot 1985 door onder de naam Mass and Individual Moving.

Pink had daar part noch deel aan. Ze had Mass Moving al in 1972 verlaten en zich als autonoom kunstenaar gevestigd in haar geboorteland Nederland. De daaropvolgende jaren bracht haar interesse in rituelen haar naar West-Afrika en Japan om lokale riten te bestuderen. De rituelen die ze in uiteenlopende culturele contexten tegenkwam, wekten haar interesse voor herhaling en stilering als de schering en inslag van sociaal gedrag. Dit soort dagelijkse performativiteit zou een centraal thema worden in haar eigen werk, waarin elementen uit conceptuele kunst, performance en installatiekunst samenkomen. Dat werk wijkt af van de live performancekunst die in Nederland tijdens de jaren zeventig toonaangevend was, en ontstond onafhankelijk van De Appel, het belangrijkste platform voor experimentele performance- en installatiekunst in Nederland.[13] Bovendien grepen de performances van Pink plaats in de jaren tachtig en de vroege jaren negentig – een periode die doorgaans geassocieerd wordt met een retour à l’ordre en met de heropleving van de schilderkunst. En toen de performancekunst medio jaren negentig terugkeerde en, vaak in de vorm van film en fotografie, doordrong tot het gevestigde kunstcircuit, trok Pink zich weer terug in haar atelier.

L’Art du Bonheur – onder die noemer realiseerde Pink tussen 1981 en 1995 haar performatieve projecten. Ze brengen op een intrigerende en radicale manier het werk en het persoonlijke leven van de kunstenaar samen. Gedurende bijna vijftien jaar verhief Pink haar gezin met enige regelmaat tot kunstwerk. In tegenstelling tot bij hedendaagse verschijnselen als reality-tv en influencers wou ze haar privéleven niet zomaar publiek maken. Het ging haar om de vraag hoe en wanneer iets kunst wordt. Hoewel deze projecten duidelijk getuigen van Pinks achtergrond in het experimentele theater en haar rol in Mass Moving, kunnen ze beter worden opgevat als een postmediale praktijk die onderzoekt hoe de sociale werkelijkheid vorm krijgt in de postmoderne samenleving van Nederland aan het einde van de twintigste eeuw. De strategie die ze hanteerde bestond erin om de theatrale aspecten van het dagelijkse leven te verdubbelen, en als een vorm van gedrag voor een tweede keer te beleven.[14]

Het centrale thema van L’Art du Bonheur was een omvattende verkenning van wat in de Nederlandse samenleving werd beschouwd als de voorwaarde voor geluk. Pink benaderde geluk niet als een vastomlijnd concept, maar als iets wat je doet, als een reeks belichaamde levenspraktijken. De aanleiding om in te zoomen op het gezinsleven was de geboorte van haar dochter in 1980. Pink schiep in haar werk het evenbeeld van een gemiddeld Nederlands kerngezin, vertolkt door haarzelf, haar partner Donald Louw en hun dochter Sara. Samen traden zij in de L’Art du Bonheur-projecten op als ‘Man-Vrouw-Kind’ of onder de alias ‘familie De Koning’. Deze alias verwijst uiteraard naar de bijzondere status van een koninklijke familie: net als alle anderen zijn zij mensen van vlees en bloed, maar tegelijkertijd hebben ze een representatieve functie. Ook Pinks familie De Koning stond voor iets groters, namelijk voor het kerngezin dat als de hoeksteen van de samenleving en als de ultieme mogelijkheidsvoorwaarde voor geluk werd gezien, als de kleinste sociale basiseenheid, en een soort bijna sacrale drie-eenheid. Gedurende veertien jaar presenteerde Pink de familie De Koning in uiteenlopende geënsceneerde settingen die de beeldvorming rondom gezinsgeluk bevraagden. De entourages en de bezigheden van de gezinsleden sloten aan bij stereotyperingen van gezinsgeluk in lifestylemagazines, reclameboodschappen en ook ‘hogere’ vormen van cultuur, zoals staatsieportretten en kunst. Sommige performances gingen dagen of zelfs wekenlang door; de gezinsleden deden gewone, dagelijkse dingen, zoals eten, de baby verschonen, het huis schoonmaken en spelletjes spelen. In combinatie met de settings resulteerde dit in een verwarrende mix van echt en gespeeld, van authentieke en duidelijk getheatraliseerde levenspraktijken.

L’Art du Bonheur sloot aan bij een artistieke trend in de jaren tachtig om de constructie van de sociale werkelijkheid via massamedia als televisie, film en reclame te onderzoeken. Het fotografische werk van Cindy Sherman is een bekend voorbeeld. Binnen het discours rondom performancekunst was theatraliteit echter een verguisde notie die de tegenhanger vormde van de gezochte authenticiteit. De grande dame van de performancekunst, Marina Abramović, stelt dat duidelijk: ‘Als performancekunstenaars verafschuw(d)en we de structuur van het theater volledig. Theater was onze eerste vijand.’[15] Deze afkeer kwam voort uit eenzijdige associaties van het theater met leugenachtig rollenspel en met een onoverbrugbare kloof tussen performers en publiek. De ‘structuur van het theater’ leverde volgens dit discours slechts irrelevant, illusoir spektakel op en kweekte toeschouwers overgeleverd aan voyeurisme, passiviteit en naïviteit. Het begrip ‘theatraliteit’ stond voor dit hele complex aan euvels, en het bestrijden ervan stond bovenaan de agenda van experimentele theatermakers, performancekunstenaars en critici.

Toch kan deze structurele veroordeling van het theatrale toeschouwerschap ook weerlegd worden. In Le Spectateur émancipé onderscheidt Jacques Rancière twee strategieën die in het avant-gardetheater werden toegepast om de gewraakte ‘structuur van het theater’ te overwinnen – echter zonder het gewenste resultaat te bereiken.[16] Eén strategie, die wordt geassocieerd met het epische theater van Brecht en zijn volgelingen, is het verstoren van de theatrale illusie door de mechanismen ervan te ontrafelen. Door dit ‘vervreemdingseffect’ worden kijkers gestimuleerd om kritisch na te denken over hoe de voorstelling zich verhoudt tot hun eigen ervaringen. De andere strategie, die geassocieerd wordt met Artauds ‘theater van de wreedheid’, probeert de strikte scheiding tussen performer, performance en publiek op te heffen door de kijkers via extreme zintuiglijke prikkels lijfelijk bij het theatrale gebeuren te betrekken en tot actieve participanten te maken. De meeste performancekunst uit de jaren zeventig – inclusief de projecten van Mass Moving – gaven de voorkeur aan de tweede strategie, die zich beter leende om hun antitheatrale sentimenten en de kernwaarden van authenticiteit en oprechtheid uit te dragen.[17] Het is een performancekunst die zich laat kenmerken, volgens performancewetenschappers als Josette Féral en Peggy Phelan, door een afkeer van illusie en representatie. Féral associeert de hang naar anti-illusionisme met performances waarin het gefragmenteerde, abjecte en door verlangens geteisterde lichaam centraal staat, en met manipulaties van de performanceruimte en het vermijden van acteergedrag.[18] Phelan ziet performance vooral als een mogelijkheid om te evoceren wat zij omschrijft als ‘the unmarked’. Wat ‘unmarked’ is, ontsnapt aan de heersende regimes van zichtbaarheid. Het laat zich niet representeren door een beeld of concept, maar laat zich slechts ensceneren als afwezigheid, gemis of een gefrustreerd verlangen naar herkenning.[19] Volgens Phelan kan een dergelijke enscenering alleen plaatsvinden wanneer performer en publiek gezamenlijk en lijfelijk aanwezig zijn. Wat zich dan afspeelt, kan niet worden herhaald of bemiddeld door welk medium dan ook, en is bijgevolg niet te documenteren.

Gezien de antitheatrale sentimenten onder performancekunstenaars is het verrassend dat Pink in de L’Art du Bonheur-projecten duidelijk theatrale middelen inzet, zij het met een brechtiaans kantje. Het eerste optreden van de familie De Koning werd geproduceerd voor het Holland Festival van 1981 in theater annex congrescentrum De Meervaart in Amsterdam Nieuw-West. Oost West Thuis Best maakte zichtbaar hoe mensen leefden in deze Amsterdamse buitenwijk. Gesponsord door warenhuis De Bijenkorf bouwde Pink op de begane grond van het pand een volledig gemeubileerd middenklassenappartement na. Alleen de prijskaartjes die nog aan de meubels en huishoudelijke artikelen hingen, wezen het appartement aan als een theatrale setting. Na het versturen van een officiële adreswijziging nam de familie De Koning haar intrek en woonden zij dertig dagen in dit modelappartement. Het publiek kon hun dagelijkse bezigheden door de ramen gadeslaan. Ook konden ze dagelijks tussen vier en vijf uur ’s middags op visite komen. Wat ze zagen was een kopie van het leven van andere Nederlandse gezinnen: een zich haast eindeloos herhalende opeenvolging van opstaan, eten, de echtgenoot die naar zijn werk gaat en naar huis terugkeert, het huishouden doen en visite ontvangen. Het gezinsleven werd tot een theatraal schouwspel gemaakt, maar tegelijkertijd ook werkelijk geleefd: Donald ging na het ontbijt echt naar zijn werk en Pink bleef thuis om voor Sara te zorgen, het huishouden te doen en intussen haar kunstenaarschap te beoefenen.

De overlap tussen het echte en het geënsceneerde leven liet de onderlinge relaties tussen performers, performance en publiek niet ongemoeid. Hoewel het decorum en het gedrag van Pink en Donald ongetwijfeld afweken van hun normale dagelijkse routine, was hun ‘performance’ helemaal anders dan het acteerwerk in een traditionele theatrale setting. In dat geval weet het publiek immers dat de acteurs niet in eigen naam handelen en spreken, maar een personage vertolken, iets wat in Oost West Thuis Best ongewis bleef. Baby Sara kon uiteraard nog niet acteren, en ze gedroeg zich zoals ze ook deed in haar gewone omgeving. Op een videoregistratie is te zien hoe Sara de show steelt door enthousiast haar nieuwe omgeving te verkennen en vrolijke babygeluidjes te maken. Interessant is hoe de rol van het kind in L’Art du Bonheur door de jaren heen zou veranderen, precies door een groeiend begrip van het verschil tussen realiteit en fictie, en door het bijbehorende vermogen om tussen deze registers te schakelen. Sara’s aanwezigheid markeert de transformatie van een spontane, kinderlijke ‘performance’ naar de meer zelfbewuste, volwassen versie die haar ouders lieten zien. Pink en Donald, die terug konden vallen op hun professionele training in respectievelijk acteerwerk en simulatiespel, wisselden op een vloeiende manier tussen verschillende sociale rollen: partner, ouder, werknemer, huisvrouw, performer, kunstenaar en regisseur van het evenement. Oost West Thuis Best doet je beseffen dat dergelijke rolwisselingen niet alleen op het podium plaatsvinden, maar ook in het echte leven. Leren hoe je daarmee om kan gaan: het is een essentieel onderdeel van het proces van identiteitsvorming.

Pinks publieke ensceneringen van het gezinsleven doen sterk denken aan de theorievorming over de theatraliteit inherent aan sociaal gedrag, die vanaf het einde van de jaren vijftig opgeld deed binnen de sociale wetenschappen – in dezelfde periode waarin vernieuwende kunstenaars en theatermakers zich net tegen ‘theatraliteit’ keerden.[20] Erving Goffmans invloedrijke toepassing van een dramaturgisch perspectief bij het bestuderen van sociale interacties laat zien hoe mensen in uiteenlopende sociale situaties theatrale strategieën gebruiken, zoals decorum en gecodificeerd gedrag, om zichzelf te presenteren op een manier die past bij hun sociale rol. Zulke zelfpresentaties zijn aan conventies gebonden en richten zich tot een publiek dat met deze conventies vertrouwd is.[21] In Oost West Thuis Best vervullen de toeschouwers deze rol. Ze mogen door de ramen gluren en het gezinsleven van de De Konings observeren. Op het dagelijkse bezoekuurtje na, is er echter weinig contact tussen de familie en het publiek. Door die afstand, net als door de prijskaartjes aan de meubels, introduceert Pink een subtiel brechtiaans vervreemdingseffect. Toeschouwers kunnen beseffen dat ze naar een enscenering van inherent theatrale elementen van sociaal gedrag kijken – naar een verdubbeling van theatraliteit, of een vorm van ‘metaperformance’, zoals Pink het zelf omschreef.

Die betrekkelijke afstand tot het publiek onderscheidt haar werk niet alleen van het grootste deel van de performancekunst uit de jaren zeventig, maar ook van de participatieve, sociaal geëngageerde kunst die sinds de jaren negentig is ontstaan en die beschreven is door onder anderen Nicolas Bourriaud, Grant Kester en Claire Bishop.[22] Pink moedigt het publiek niet expliciet tot participatie aan, en streeft er evenmin naar om intermenselijke relaties of een gemeenschapsgevoel te bevorderen. Haar werk biedt juist datgene aan wat Rancière mist in de eerdergenoemde antitheatrale performancepraktijken: een ‘derde ding’, dat aan niemand toebehoort, en dat juist daarom onderwerp van interpretatie en discussie kan worden.[23] Herkenning, of het uitblijven ervan, maakt een reflectie mogelijk op conventies en de ermee verbonden waarden. Vanuit kunsthistorisch perspectief staat deze contemplatieve enscenering van het dagelijkse leven in een lange traditie van de Nederlandse schilderkunst, die de schoonheid van het alledaagse viert en tegelijkertijd een dwingend systeem van morele codes uitdraagt. De beschouwers van de huiselijke interieurs geschilderd door zeventiende-eeuwse kunstenaars als Pieter de Hoogh en Gerard ter Borch ervaarden wellicht een soortgelijke mix van herkenning en van een vleugje onbehagen, door de confrontatie met geïdealiseerde voorstellingen van hun eigen leven.

Voor VideoSchetsboek uit 1983 woonde de familie De Koning twaalf dagen lang in twaalf verschillende particuliere woningen in een gezellige middenklassenbuurt in Haarlem.[24] De eigenaren van deze Hollandse ‘doorzonwoningen’ stemden ermee in om de De Konings voor één dag in hun huis te laten wonen. De drie gezinsleden hielden zich met hun gebruikelijke activiteiten bezig en werden gefilmd door het raam aan de straatkant van het huis. Dit camerastandpunt was bewust gekozen: in dit soort huizen biedt het hoofdraam aan de straatzijde het zicht op het interieur dat de eigenaar aan de buitenwereld wil presenteren, en dat dus deel uitmaakt van de zelfpresentatie van de bewoners. De twaalf video’s waren vervolgens te zien in het Frans Hals Museum, samen met een gefilmd studioportret van de De Konings en een reeks geposeerde familiefoto’s, gemaakt in elk van de twaalf huizen om twaalf uur ’s middags, op de mooiste plek van de huiskamer. De fotoreeks doet sterk denken aan lifestylebladen die modieuze interieurstijlen promoten; het Duitse tijdschrift Schöner Wohnen was begin jaren tachtig in Nederland populair. In elk geval geven de foto’s een boeiend overzicht van populaire huisinrichting. Dat de interieurs, ondanks verschillen, verwijzen naar een gedeeld ideaal, wordt benadrukt doordat de De Konings altijd dezelfde kleren dragen. Alleen Donalds stropdassen en Pinks accessoires variëren, maar dat zie je pas bij nader inzien. Het geposeerde karakter van de foto’s creëert opnieuw een subtiel vervreemdingseffect en suggereert dat dit geen terloopse kiekjes zijn, maar slechts schijnbaar nonchalante, zorgvuldig geënsceneerde zelfpresentaties.

Pinks exploraties van hoe allerlei soorten beeldvorming de sociale werkelijkheid beïnvloeden, kunnen verbonden worden met Deleuzes kritiek op wat hij ‘het representatieve denken’ noemt. Dit denken maakt het verschil ondergeschikt aan de overeenkomst: het richt zich op het herkennen van wat identiek is, en niet op het onderscheiden van wat anders is. In tegenstelling tot het differente, laat het identieke zich representeren door middel van een concept of beeld. ‘Het primaat van de identiteit’, stelt Deleuze, ‘definieert de wereld van de representatie.’[25] Representatie stuurt de waarneming, leidt de zintuigen naar wat vergelijkbaar is en verdoezelt discrepanties. Herkenning neemt toe door het produceren van sjablonen en werkt consensusvorming in de hand. Glossy damesbladen en interieurmagazines suggereren dat het mogelijk is om op basis van de beelden die ze verspreiden een onderscheid te maken tussen een mooier of minder mooi huis en tussen een meer of minder gelukkig gezinsleven. De naam van het tijdschrift Schöner Wohnen verwijst dus niet alleen naar een individueel verlangen om mooier te wonen, maar ook naar een socioculturele imperatief.

De werking van de representatie wordt verder onderzocht in Pinks volgende project, At Home (1984). Ook dit werk bevraagt het door populaire media uitgedragen idee dat geluk gelegen is in het hebben van een gezin, een perfect huis en een zorgzame echtgenoot. Voor At Home vervaardigde Pink een levensgrote tweedimensionale afbeelding van een ideale eengezinswoning omgeven door een tuin. Het huis was in trompe-l’oeil-techniek op een reusachtige plaat van hardboard geschilderd. De illusie was zo sterk dat toeschouwers het schilderij zelfs van dichtbij aanzagen voor een driedimensionale constructie. De tuin bestond uit een kunstgrasveld omgeven door een tuinhek en voorzien van tuinmeubelen, een barbecue en bloempotten. De installatie stond achtereenvolgens op centrale pleinen in drie Nederlandse steden: Haarlem, Bergen en Middelburg. Jan Hoet wilde At Home in 1986 ook naar Gent halen als onderdeel van Chambres d’Amis, een spraakmakende tentoonstelling waarin de verondersteld afstandelijke sfeer van kunstinstellingen werd verruild voor de intimiteit van privéwoningen, als ontmoetingsplekken tussen kunstwerken en kijkers. Pink sloeg de uitnodiging af vanwege het significante conceptuele verschil tussen haar project en de tentoonstelling. Het doel van At Home was immers niet om kunst naar privéruimtes te brengen, maar juist naar de openbare ruimte, om reflecties op te roepen over de constructie van maatschappelijke normen via de massamedia. De keuze om conceptuele integriteit te laten prevaleren boven publiciteit is tekenend voor haar kunstenaarschap.

De familie De Koning woonde gedurende honderd dagen in de installatie. De hele dag zaten ze in de tuin, speelden met hun kind en praatten met elkaar en met voorbijgangers. ’s Nachts sliep het gezin in een bestelbusje achter het nephuis. De toeschouwers raakten betoverd door het illusoire karakter van de installatie en negeerden in eerste instantie alle tekenen van kunstmatigheid. De vierjarige Sara droeg bij aan de illusie door de kijkers verhalen te vertellen over haar leven in het mooie huis en door op het schilderij het raam van haar slaapkamer aan te wijzen. Pas bij nadere inspectie, wanneer de toeschouwers probeerden de achterkant van het huis te bereiken, ontdekten ze de illusie. Die ontdekking vormt een keerpunt in het scenario, als belangrijk aspect van de ervaring die de installatie annex performance biedt. Het opwekken en vervolgens ontwrichten van een illusie is een dramaturgische strategie die vaker is gebruikt door kunstenaars die met grootschalige installaties werken. Het duo Elmgreen & Dragset, bijvoorbeeld, creëerde in 2011 op uitnodiging van Boijmans van Beuningen het evenbeeld van een achterstandswijk in een voormalige onderzeebootwerf in de Rotterdamse haven. Bezoekers dwaalden door een griezelig realistische omgeving met appartementen, een bouwkeet, openbaar toilet, straatverlichting en een parkeerplaats. Het meest verwarrende element van The One & The Many waren de acteurs die de bewoners speelden, een praatje aanknoopten met de bezoekers en om een vuurtje of hun telefoonnummer vroegen. Hun realistische speelstijl deed de grens tussen performer en publiek vervagen en zaaide verwarring. Bij gebrek aan de ‘vierde wand’ die het traditionele theater kenmerkt, liepen gespeeld en spontaan in elkaar over. Het feit dat de installatie op een als kunstruimte aangemerkte locatie was geplaatst, attendeerde de bezoekers er echter van bij aanvang op dat ze met kunst te maken hadden. Pinks installatie At Home werd buiten dat institutionele kader aangetroffen, maar bevatte wel markeringen van kunstmatigheid die als indicatoren van de dunne scheidslijn tussen kunst en leven dienden.

Het onthullen van de kunstmatigheid van een setting is een strategie die ook wordt toegepast door Olafur Eliasson, bekend om installaties waarin natuurlijke fenomenen worden nagebootst. De fake zonsondergang van The Weather Project, in 2003 gemaakt voor de Turbinehal van Tate Modern in Londen, is een spectaculair voorbeeld. Kijkers worden magisch aangetrokken tot deze illusionistische hoogstandjes, maar ontdekken vervolgens de hightech apparatuur die wordt gebruikt om ze te creëren. Het moment van desillusie werkt ook hier als een vervreemdingseffect dat de onkritische onderdompeling van de kijker in het werk frustreert.[26] Door de ‘machine’ te onthullen die de illusie mogelijk maakt, wijst Eliasson erop dat ervaringen nooit direct, onbepaald of puur zijn, maar altijd gemedieerd. Met At Home gebruikte Pink een vergelijkbare strategie, maar het performance-element compliceert de relatie van de toeschouwers tot de scène nog verder. Zelfs nadat het nepkarakter van het huis is onthuld, blijft er onzekerheid over hoe de familie die hier woont bejegend moet worden. Gedurende een hele tijd worden de De Konings tegelijkertijd als performers en als echte mensen aangetroffen. Pink gebruikte langdurige performance bewust als strategie om elk rigide onderscheid tussen realiteit en fictie ter discussie te stellen. In tegenstelling tot performancekunstenaars als Abramović en Ulay ging het haar niet om het testen van het fysieke en psychologische uithoudingsvermogen van performers en toeschouwers. Wat zeker wel een rol speelde, is het enorme uithoudingsvermogen en de veerkracht die het langdurig simultaan vervullen van verschillende sociale rollen vergt, met name van moeders.

Langdurige performances door deels ongetrainde performers: Pinks L’Art du Bonheur anticipeert op twee hoofdstrategieën van performancekunst in de jaren 2000.[27] Beide strategieën komen bijvoorbeeld samen in de performances van Tino Sehgal, die vaak door ‘amateurs’ worden uitgevoerd in gevestigde kunstinstellingen. Sehgal onderzoekt alternatieve vormen van waardeproductie en -overdracht, die afwijken van de gebruikelijke nadruk op een materieel product, op bestendigheid en op de accumulatie van waarde.[28] Het succes van Sehgal is symptomatisch voor de verschuiving van de performancekunst in de jaren 2000 van de marge naar het centrum. Zoals verschillende theoretici hebben betoogd, kan deze beweging worden verklaard door een ‘performatieve wending’ binnen de laatkapitalistische neoliberale economie en cultuur. Claire Bishop stelt dat hedendaagse performancekunst de vervanging van het consumptieartikel door communicatieve handelingen als eindproduct van arbeid weerspiegelt.[29] In navolging van Paolo Virno merkt zij op dat esthetische smaak, het adequaat uiten van affecten en emoties en het handig inspelen op talige communicatie tegenwoordig cruciale professionele skills zijn.[30] Bojana Kunst voegt daaraan toe dat de communicatieve handelingen van professionele ‘virtuozen’ een cruciale rol spelen bij het uitdragen van wat volgens Maurizio Lazzarato fundamenteel is binnen het hedendaagse kapitalisme: de productie van subjectiviteit.[31] Zoals elke influencer weet, is effectieve zelfpresentatie een lucratief verdienmodel.

Twee projecten van Pink onderzoeken expliciet het verband tussen performance, professioneel functioneren en de productie van betekenis en waarde. In Tea Time uit 1986 zijn opnieuw de De Konings te zien, dit keer niet in een privéwoning, maar in een hoogst officiële omgeving. Gehuld in hun zondagse kleren brengt de familie een bezoek aan de Belgische ambassadeur en zijn echtgenote in hun ambtswoning in Den Haag. De twee families, die elkaar niet eerder hebben ontmoet, drinken thee uit zilveren kopjes, geserveerd door een butler met witte handschoenen. Ze voeren een beleefd maar uiterst oppervlakkig gesprek. Hun ontmoeting is een ietwat ongemakkelijk samenzijn van vijf mensen die hun sociale rollen vervullen – kunstenaar, politiek figuur, man, vrouw, dochter – en tegelijkertijd onderzoeken hoe deze rollen op elkaar inwerken. Ter afsluiting van de visite maakte de fotograaf van het hof een ceremonieel portret. Het evenement werd door Pink gefilmd en gemonteerd tot een film van twintig minuten die meerdere malen werd uitgezonden door de VPRO, en die in 2020 nog te zien was als onderdeel van Ahmed Ögüts installatie Bakunin’s Barricade in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Tea Time benadrukt het wonderlijke vermogen van mensen om taal en andere vormen van gedrag op een strikt formele manier in te zetten. Gecodificeerd gedrag kan veranderen in een ‘machine’ die als vanzelf een sociale situatie produceert. De virtuositeit van de performance doet haar werk, zelfs als individuele performers zich niet volledig identificeren met de rol die zij spelen. Het gaat om mechanismen die geanalyseerd werden door onder anderen John Austin, Jacques Derrida en Judith Butler.[32] Terwijl Austin de conventionele aard van performatieve taalhandelingen benadrukt, stellen de laatste twee dat de kracht van een uiting om een ​​bepaalde situatie te stichten, in plaats van deze alleen maar te beschrijven, schuilt in de herhaalbaarheid van de uiting, oftewel, in Derrida’s termen, in de ‘logica […] die herhaling verbindt met andersheid of alteriteit’.[33] Door middel van herhaling worden conventies tot stand gebracht die performers in staat stellen autoriteit en macht uit te oefenen. Maar herhaling zorgt ook voor variatie en mogelijke transformatie. Derrida en ook Butler hebben erop gewezen dat gebrekkige performances bijzonder productief kunnen zijn bij het bevragen en ondermijnen van sociale normen. In Tea Time lijkt daar op het eerste gezicht geen sprake van te zijn. De socialiteit ontvouwt zich vlekkeloos als een goed geoliede machine. Toch voelt het kijken na een tijdje ongemakkelijk aan, precies door het wat stijve, mechanistische karakter van de interactie.

Dat overdreven ‘professioneel’ gedrag wonderlijk wordt en zichzelf kan ondermijnen, toont ook Ter Zake. Business as Usual uit 1988. Het is een kritische reactie op de toenemende vermarkting van kunst vanaf de jaren tachtig, die kunstenaars tot marketeers van hun eigen praktijk maakte. De aanleiding was een reisbeurs die Pink ontving van de Nederland-Texas Stichting om haar werk in de Verenigde Staten te promoten. Haar ambivalentie ten aanzien van deze ‘kans’ resulteerde in het besluit om van de reis een performance te maken om zelfpromotie- en onderhandelingsstrategieën te onderzoeken. Geïnspireerd door Marcel Duchamps Boîte-en-valise, een koffer met miniaturen van zijn belangrijkste werken, printte Pink een selectie foto’s van haar eerdere projecten op een 25 meter lange rol papier. Met deze boekrol opgeborgen in een enorme witte golftas reisde ze dertig dagen door de Verenigde Staten. Ze werd vergezeld door een ‘financieel adviseur’ (Donald Louw) in maatpak met attachékoffertje, die de opdracht kreeg om altijd vier meter achter de kunstenaar te lopen en alleen te praten wanneer hij werd aangesproken. De reis is gedocumenteerd door middel van een reeks geënsceneerde ‘glossy’ foto’s met Pink in verschillende situaties: als zakenreiziger op de luchthaven, in de straten van Manhattan met haar gigantische golftas, in een felrode outfit op het dak van een wolkenkrabber, en als een Californische pin-up in bikini liggend aan een zwembad. De foto’s roepen de materialistische geest op van de jaren tachtig, die in de kunstwereld leidde tot een toenemende commodificatie van zowel kunstwerk als kunstenaar.

Pink bezocht een tiental musea in Texas, Californië en New York, waar ze museumdirecteuren en conservatoren ontmoette die van tevoren een overzichtscatalogus van haar werk hadden ontvangen. Het doel was ‘zakendoen’. Pink stond erop haar grote golftas naar het kantoor van de museumdirecteur te brengen en ze weigerde de boekrol te ontvouwen voordat een zakelijke deal werd gesloten. Ook weigerde ze de boekrol uit te rollen in een ruimte kleiner dan zesentwintig vierkante meter. Door haar weinig flexibele onderhandelingstechniek bleef de rol meestal in de golftas zitten en kwam de deal niet tot stand. Toch beschouwde Pink haar werkwijze als zeer efficiënt: het kostte haar slechts vijf minuten om erachter te komen of de functionaris geïnteresseerd was in haar werk. Een enkele keer bleek de strategie succesvol: curator Julie Lazar van het Museum of Contemporary Art in Los Angeles nodigde haar uit om deel te nemen aan de tentoonstelling Family Matters. De deal was rond en de boekrol werd door Pink, na een reinigingsritueel, ontvouwd in een ruime galerij van het museum. De mislukte onderhandelingen zijn echter een even belangrijk aspect van het project, want ze ontrafelen en bevragen institutionele selectiemechanismen.

Pinks zakenreis en haar onderhandelingen zijn wederom voorbeelden van de verdubbeling van sociale theatraliteit. Hoewel de metaperformances op het eerste gezicht vooral speels en onderzoekend ogen, hebben ze duidelijke raakvlakken met de institutionele kritiek van bijvoorbeeld Mierle Laderman Ukeles en Andrea Fraser. Laderman Ukeles’ Maintenance Art had tot doel om noodzakelijke maar ondergewaardeerde arbeid zichtbaar te maken, zoals schoonmaken, vuilnis ophalen en kinderen verzorgen. Net als Pink ontwikkelde zij haar artistieke praktijk vanuit de belemmeringen die ze ervaarde bij het nastreven van een artistieke carrière toen ze moeder werd. De toegenomen hoeveelheid ‘onderhoudswerk’ waarmee ze plotseling te maken kreeg, verminderde haar vermogen om te doen wat in de kunstwereld als ‘echt’ artistiek werk werd beschouwd. Haar antwoord bestond erin onderhoudswerk te herwaarderen door het in een artistiek kader te presenteren, hetzij door het uit te voeren, hetzij door documentatie te tonen van onderhoudstaken die elders worden uitgevoerd.[34] Maintenance Art en L’Art du Bonheur getuigen van dezelfde kritische belangstelling voor hoe postmoderne samenlevingen waarde toekennen. Beide kunstenaars gebruiken strategieën om stukjes en beetjes van het sociale weefsel in een artistiek kader te plaatsen, om zo de betekenissen en waarden die eraan worden toegekend te bevragen.

Een ander referentiepunt zijn de geestige performances waarmee Andrea Fraser de politieke en economische randvoorwaarden van kunst bevraagt. Net als Pink gebruikt Fraser technieken die tegen acteren aanleunen. Ook in dit geval zijn inconsistente en mislukte performances belangrijk. In Museum Highlights. A Gallery Talk (1989), een canoniek werk binnen het genre van de institutionele kritiek dat werd uitgevoerd in het Philadelphia Museum of Art, speelt Fraser de nepmuseumgids Jane Castleton, die haar verbijsterde publiek de esthetische kwaliteiten en culturele waarde van de museumkantine en van de toiletvoorzieningen uitlegt. Het script was een tekst samengesteld uit citaten die kwesties van esthetische en culturele waardevorming aankaarten. Official Welcome (2001) stelde de objectivering van de kunstenaar als een projectiescherm voor sociale verlangens maar ook voor minachting aan de kaak. Fraser speelde de rol van een beroemde kunstenaar, die zich tijdens een openingstoespraak ontkleedt en een zenuwinzinking krijgt. Untitled (2003) bevraagt ​​nog radicaler de vermarkting van de kunstenaar en de merkwaardige, deels intieme en deels zakelijke relatie tussen kunstenaar en verzamelaar. Voor dit werk had Fraser seks met een kunstverzamelaar die daar niet alleen voor betaalde, maar er ook mee instemde dat de interactie werd gefilmd en in een kleine oplage van vijf video’s werd verkocht.[35]

Een overeenkomst tussen Pink, Laderman Ukeles en Fraser is hun ambivalente houding tegenover de kunstwereld, die ze bekritiseren terwijl ze er ook deel van uitmaken. Theatrale strategieën worden gebruikt om de sociale en institutionele posities die ze zelf innemen te bevragen. Fraser beroept zich onder andere op de veldentheorie en het habitusconcept van Pierre Bourdieu. Volgens deze theorie vindt socialisatie plaats binnen sociale arena’s waarin mensen verschillende rollen vervullen die hun relaties met anderen bemiddelen. Onder ‘habitus’ verstaat Bourdieu een reeks sociale praktijken die binnen een bepaald sociocultureel ‘veld’ verworven en geïnternaliseerd worden. Personen die een habitus delen, kunnen elkaar op een intuïtieve manier begrijpen en met elkaar communiceren.[36] Frasers performances zijn samengesteld uit fragmenten van zulke socioculturele praktijken en bevatten bovendien een kritische positionering ten opzichte van de rollen die zij vertolkt. De fragmentarische en inconsistente aard van haar performances maakt ze verwarrend en verontrustend. Pinks performances met de familie De Koning zijn minder gefragmenteerd en meer in lijn met bekende sociale praktijken, maar ze confronteren een vertrouwde habitus wel met een overduidelijk kunstmatige omgeving.

De productie van waarde dankzij geritualiseerd gedrag is een kernthema van L’Art du Bonheur. Met HouseRites (1987-1989), bijvoorbeeld, gaat Pink na hoe gewone objecten waarde en betekenis krijgen doordat ze met bijzondere zorg en aandacht worden behandeld. Het idee werd geboren tijdens een residentie annex zomervakantie die Pink in het gezelschap van Sara doorbracht op het eiland Cres in Kroatië. Ze verbleven hier drie maanden in een afgelegen baai en leefden zo zelfvoorzienend mogelijk. Sara vermaakte zich met het verzamelen van kleine voorwerpen, zoals stenen, schelpen, ijsparasolletjes enzovoort. Met de hulp van haar moeder bouwde ze een stenen huisje waarin ze haar collectie zorgvuldig uitstalde. Dit museumpje vormde de inspiratie voor een installatie annex performance die in een museum of op het Museumplein in Amsterdam opgesteld zou worden. Bij een opstelling in de openbare ruimte zou de installatie in een glazen huis, het Crystal Museum, geplaatst worden. Uiteindelijk werd echter slechts een maquette samen met een foto van Sara’s museumpje getoond op de tentoonstelling Pink Works (1989) in het Stedelijk Museum.

De beoogde installatie bestond uit een marmeren schoorsteenmantel – de ultieme uitstalplek voor snuisterijen in het traditionele Nederlandse interieur – op een houten podium. Op de vloer werden twee cirkelvormige elementen geplaatst: een vijf meter brede binnenring van marmer en een zesenhalf meter brede buitenring van staal. Op de buitenring stonden zeven dunne sokkels die elk een kluis droegen waarin persoonlijke voorwerpen waren opgeborgen. De zevende kluis was naar buiten gericht en bevatte een videomonitor, die beelden van de verborgen voorwerpen toonde. Pink had een zich dagelijks herhalende performance gepland: ze zou een reinigingsritueel uitvoeren, de objecten op de schoormantel uitstallen en vervolgens weer opbergen. De toeschouwers mochten van een gepaste afstand getuige zijn van deze ceremonie. De performance moest een heiligdom evoceren, waarin banale voorwerpen speciaal worden omdat geautoriseerde personen ze aan een rituele behandeling onderwerpen.

HouseRites suggereert dat kunstmusea soortgelijke rituelen gebruiken om objecten van waarde en betekenis te voorzien. De verwijzing naar Sara’s minimuseum suggereert tevens dat deze waardestichtende procedures voortkomen uit de elementaire menselijke behoefte om betekenisvolle relaties aan te gaan met de materiële omgeving. Culturele praktijken die deze behoefte kanaliseren, laten objecten in een nieuw licht verschijnen en verlenen ze wat Pink ‘glamour’ noemde.[37] In een projectbeschrijving van HouseRites herleidt ze dit woord tot de etymologische wortel ervan, namelijk het Oud-Engelse gramarye, dat voor ‘occulte kennis’ staat. Het produceren van glamour of waarde lijkt verband te houden met een speciaal soort kennis die verworven wordt door intieme en repetitieve interacties met de materiële wereld. In de context van de materialistische cultuur van de jaren tachtig kan het werk worden opgevat als een verwijzing naar een fundamentele onzekerheid over culturele waarden en de noodzaak ze te heroverwegen. Maar de transformatie van het gewone naar het glamoureuze kan ook een metafoor zijn voor de artistieke daad.

Het idee van meer fundamentele behoeften die schuilgaan achter onze materialistische aspiraties komt ook terug in de installatie en performance Et in Arcadia Ego Sum (1990-1991), gemaakt voor de reizende tentoonstelling Schräg/Tegendraads over Nederlandse kunst uit de jaren tachtig. Wat de kunstenaars bond was hun hang naar absurditeit, het gebruik van humor, parodie en pastiche, en de toe-eigening van motieven uit de zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst.[38] Pinks bijdrage hernam de oude topos van Arcadië: de droom van een aards paradijs. De installatie kwam tot stand in samenwerking met de Deense speelgoedfabrikant Lego en bestond uit een zeer gestileerde tuin met een groene vloerplaat, vier reusachtige bomen en extra grote bloembedden ontworpen in de bekende vormen en kleuren. Een vreemd element in deze uiterst kunstmatige omgeving was een rieten mand met echte appels die iedere dag werden ververst. De tuin was te betreden via een enorme rode poort met een gele deur. Elke middag om twaalf uur kwamen Pink en haar gezin de tuin binnen, gekleed in feestelijke, ouderwetse kleding. De inmiddels tienjarige Sara droeg een kooi met een wit konijn en at een appel. Vervolgens nam het gezin een pose aan en stond een paar minuten stil voordat ze weer vertrokken.

De zinsnede Et in Arcadia Ego Sum (‘Ook ik ben in Arcadië’) wordt doorgans geïnterpreteerd, in het spoor van Erwin Panofsky, als een nostalgisch verlangen naar een gelukzalig verleden en zelfs als een memento mori: in de glans van een mythische gouden eeuw mengt zich onverhoeds de schaduw van de dood. Het idee om zich met Arcadië bezig te houden kreeg Pink toen ze ontdekte dat het weelderige groen op de achtergrond van de foto bij het zwembad, als onderdeel van Ter Zake. Business as Usual, de begraafplaats van Los Angeles aan het zicht onttrekt. Hoe verschillend haar werken over Arcadië ook zijn – het spectrum reikt van grootschalige land art tot schilderijen – steeds gaat het om het verlangen naar een ideale staat van zijn, geprojecteerd op een mythisch verleden of een afgelegen plek. De melancholie komt voort uit het feit dat verlangen een gemis articuleert: verlangen doe je naar iets dat je niet hebt. In de psychoanalytische theorie wordt melancholie vooral in verband gebracht met een verlangen naar de pre-oedipale eenheid tussen moeder en kind, die onherroepelijk wordt verscheurd na de toetreding van het kind tot de symbolische orde van de taal.[39] De onleesbare teksten op Pinks schilderijenserie Letters from Arcadia lijken dat te bevestigen: brieven uit Arcadië kunnen niet anders dan onleesbaar zijn, want zodra men de symbolische orde van de taal binnentreedt, valt de deur naar Arcadië onherroepelijk dicht. In Et in Arcadia Ego Sum blijft de deur echter op een kier staan ​​en gaan Pink en haar gezin deze mysterieuze ruimte in en uit, als personificaties van het verlangen van de kijker. Sara eet de verboden vrucht van de boom van kennis uit het Bijbelse verhaal zonder gestraft te worden. Ze speelt ook met het witte konijn dat de nieuwsgierige Alice naar Wonderland leidde, zonder door de grond te zakken. Deze intertekstuele verwijzingen, in combinatie met de overdreven kunstmatigheid van de tuin uit legoblokken, zijn te lezen als een suggestie dat de artistieke verbeelding de druk van onze verlangens kan verlichten, door ruimte te bieden om die verlangens te projecteren en te overdenken.

Het moment waarop die ruimte van de artistieke verbeelding zich manifesteert, noemt Pink het moment ​van de kunst. Het is een sleutelconcept binnen haar oeuvre. In de L’Art du Bonheur-projecten doet het moment van de kunst zich voor wanneer de onmiddellijkheid van de geleefde ervaring wordt opgeschort en een bepaald aspect van het leven plotseling in een ander licht verschijnt. Het krijgt, zoals Pink het noemt, ‘glamour’ – de uitstraling van een bijzonder soort weten dat betrekking heeft op een bepaalde levenspraktijk, maar dat er niet direct door verworven wordt. Artistieke strategieën zoals het naspelen, inkaderen, isoleren en herschikken van praktijken uit het dagelijkse leven maken een scherpere perceptie ervan mogelijk en laten zien wat anders kan.

Het moment van de kunst veronderstelt echter ook een ‘primaat’ van de kunst. Anders dan bij de maatschappelijk geëngageerde participatieve kunst die in de jaren negentig opkwam, was het niet Pinks voornaamste doel om de samenleving ten goede te veranderen – zelfs niet op microniveau – maar om kunst te maken. Het artistieke concept heeft voorrang op al het andere dat zich tijdens een kunstproject kan voordoen, en net daarom kan de scenografie van het dagelijkse leven ontbloot en tegelijkertijd verstoord worden. De mechanismen die Pink op die manier onthulde zijn vandaag nog steeds aanwezig. Ook de huidige tijd wordt gekenmerkt door een alomtegenwoordige dwang om te performen. Socio-economisch succes is nauw verweven met het vermogen om een constante stroom aan getheatraliseerde zelfpresentaties tot stand te brengen. Binnen die alomtegenwoordige performancecultuur manifesteert kunst zich vaak als een glitch, of als – in de woorden van Sven Lütticken – ‘een mislukte performance, een symptomatische onderbreking van de normale gang van zaken’.[40] Het is wat ook L’Art du Bonheur bewijst: precies door veralgemeende performancemechanismen spaak te laten lopen, bekrachtigt de hedendaagse kunst haar esthetische autonomie, terwijl ze tegelijkertijd haar heteronomie beaamt.

 

Dit essay is een door de auteur vertaalde voorpublicatie uit het boek PINK WORKS dat later dit jaar verschijnt bij Jap Sam Books.

 

Noten

1. Zie de bespreking van Daniël Rovers in: De Witte Raaf, nr. 225, 2023, pp. 43-45.

2. Catherine Leclercq en Virginie Devillez, Mass Moving. Un aspect de l’art contemporaine en Belgique, Brussel, Labor, 2004, p. 19.

3. Theodore Shank, ‘Experimental Theatre. Beyond Illusion’, in: Jeffrey Richards en Heather Nathans (red.), The Oxford Handbook of American Drama, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 356-374.

4. Deze en andere biografische gegevens zijn ontleend aan gesprekken tussen de auteur en PINK de Thierry in de loop van 2017, of aan e-mailcorrespondentie met Pinks echtgenoot Donald Louw.

5. Jürgen Harten (red.), James Lee Byars. The Philosophical Palace. Palast der Philosophie, Düsseldorf, Städtische Kunsthalle, 1986, p. 106.

6. Op. cit. (noot 2), p. 20, p. 48.

7. Idem, pp. 59-63.

8. Andy Bennet, Jodie Taylor en Ian Woodward (red.), The Festivalization of Culture, Farnham, Ashgate, 2014. Zie ook het themanummer van De Witte Raaf over ‘evenementialisering’, nr. 190, 2017.

9. Zie bijvoorbeeld de film van Françoise Levie over de activiteiten van het collectief: Mass Moving, Nivelles, Memento Production, 2007.

10. Raphaël Opstaele, Jef De Groote, Bernard Delville, Helen Pink, Elisabeth Magis, Vincent Loute, Fons Van Assche, ‘Mass Moving’, in: Geert van Beijeren en Coosje Kapteyn (red.), Sonsbeek 71. Sonsbeek buiten de perken. Volume 1, Arnhem, Sonsbeek International Art Centre, 1971, p. 117.

11. Christoph Lindner en Andrew Hussey (red.), Paris – Amsterdam Underground. Essays on Cultural Resistance, Subversion, and Diversion, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2013, en dan vooral de bijdragen van Andrew Hussey en Gert Hekma.

12. Willem Koerse, ‘Autopublication du Mass Moving’, in: Catherine De Croës (red.), Mass Moving. Traité de méthodologie culturelle à l’usage de la jeune génération. Projet N° 60, Brussel, Ministerie van Cultuur, 1972, s.p.

13. Marga van Mechelen, De Appel. Performances, installaties, video, projecten, 1975-1983, Amsterdam, De Appel, 2006.

14. Deze verdubbeling sluit aan bij Richard Schechners definitie van de theatrale performance als ‘twice-behaved behavior’. Zie Richard Schechner, Between Theatre and Anthropology, Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 1985, p. 36.

15. Geciteerd in: op. cit. (noot 13), p. 75.

16. Jacques Rancière, ‘De geëmancipeerde toeschouwer’, in: De geëmancipeerde toeschouwer, vertaling Joost Beerten en Walter van der Star, Amsterdam, Octavo, 2015, pp. 7-28, en in het bijzonder p. 13.

17. Zie ook: op. cit. (noot 13), p. 76.

18. Josette Féral, ‘Performance and Theatricality. The Subject Demystified’, in: Modern Drama, nr. 2, 1982, pp. 170-181.

19. Peggy Phelan, ‘The Ontology of Performance. Representation without Reproduction’, in: Unmarked. The Politics of Performance, New York, Routledge, 1993, pp. 146-166.

20. Erving Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life, Harmondsworth, Penguin, 1959; Idem, Frame Analysis. An Essay on the Organization of Experience, New York, Harper & Row, 1974. Zie ook: Marvin Carlson, ‘The Resistance to Theatricality’, in: SubStance, nrs. 2-3, 2002, pp. 238-250.

21. Zie ook: Sven Lütticken, ‘An Arena in Which to Reenact’, in: Idem (red.), Life Once More. Forms of Re-Enactment in Contemporary Art, Rotterdam, Witte de With, 2015, pp. 17-60.

22. Nicolas Bourriaud, Relational Aesthetics, Dijon, Les Presses du réel, 2002; Claire Bishop, Artificial Hells. Participatory Art and the Politics of Spectatorship, Londen/New York, Verso, 2012; Grant Kester, Conversation Pieces. Community and Communication in Modern Art, Berkeley, University of California Press, 2013.

23. Op. cit. (noot 16), p. 15.

24. Over VideoSchetsboek, zie ook: Erik A. De Jong, ‘L’Art du Bonheur. Rituals of Domesticity in VideoSchetsboek, Pink 1983’, in: The Rijksmuseum Bulletin, nr. 1, 2023, pp. 4-31.

25. Gilles Deleuze, ‘Het beeld van het denken’, in: Verschil en herhaling, vertaling Joost Beerten en Walter van der Star, Amsterdam, Boom, 2011, p. 11.

26. Anja Novak, ‘Engaging Environments’, in: Ingrid Commandeur en Trudy van Riemsdijk-Zandee (red.), Robert Smithson. Art in Continual Movement, Amsterdam, Alauda Publications, 2012, pp. 19-44.

27. Zie ook: Claire Bishop, ‘Delegated Performance. Outsourcing Authenticity’, in: October, nr. 140, 2012, pp. 91-112.

28. Dorothea von Hantelmann, How to Do Things with Art, Dijon, Les Presses du réel, 2010, pp. 151-158.

29. Claire Bishop, ‘Black Box, White Cube, Public Space’, in: John Beeson en Britta Peters (red.), Out of Body, Münster, Skulptur Projekte Münster, 2017. Zie ook: Joe McKenzie, Perform Or Else. From Discipline to Performance, Londen, Psychology Press, 2001; Pascal Gielen, The Murmering of the Artistic Multitude. Global Art, Memory and Post-Fordism, Amsterdam, Valiz, 2009.

30. Paolo Virno, ‘Virtuosity and Revolution’, in: Michael Hardt en Paolo Virno (red.), Radical Thought in Italy. A Potential Politics, Minneapolis, University of Minnesota Press, 1996, pp. 189-212.

31. Bojana Kunst, Artist at Work. Proximity of Art and Capitalism, Winchester, Zero Books, 2015; Maurizio Lazzarato, ‘Immaterial Labor’, in: op. cit. (noot 30), pp. 133-148.

32. John Austin, How to Do Things With Words, Oxford, Oxford University Press, 1962; Jacques Derrida, ‘Signature événement contexte’, in: Marges de la philosophie, Parijs, Les Éditions de Minuit, 1972, pp. 365-393; Judith Butler, Bodies that Matter. On the Discursive Limits of ‘Sex’, New York, Routledge, 1993.

33. Jacques Derrida, Marges van de filosofie, vertaald door Ger Groot, Amsterdam, Boom, 2019, p. 412.

34. Alexandra Schwartz, ‘Mierle Laderman Ukeles in Conversation’, in: Cornelia Butler (red.), From Conceptualism to Feminism. Lucy Lippard’s Numbers Show 1969-1974, Londen, Afterall, 2012, pp. 280-288.

35. Susan Cahan, ‘Regarding Andrea Fraser’s Untitled’, in: Social Semiotics, nr. 1, 2006, pp. 7-15. Over Frasers gebruik van theatraliteit en acteerspel zie: Judith Batalion, ‘Towards a ‘Depth Sociology’ School of Acting’, in: Contemporary Theatre Review, nr. 3, 2010, pp. 329-339.

36. Pierre Bourdieu, Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip, vertaald door Rokus Hofstede, Constance van der Maesen, Benjo Maso, Piet Nijhoff en Dick Pels, Amsterdam, Van Gennep, 1989.

37. Rob Perrée, ‘PINK geeft glans aan het alledaagse’, in: Kunstbeeld, nr. 13, 1989, pp. 50-52.

38. Paul Donker Duyvis en Klaus Honnef (red.), Schräg/Tegendraads. Parodie, humor en spot in hedendaagse Nederlandse kunst, Den Haag, SDU, 1991.

39. Julia Kristeva, Soleil noir. Dépression et mélancolie, Parijs, Gallimard, 1987.

40. Sven Lütticken, ‘Autonomy as Aesthetic Practice’, in: Theory, Culture & Society, nrs. 7-8, 2014, p. 90.

Reacties op De Witte Raaf 226


Recensie als zelfportret

Mijn favoriete kunsttijdschrift De Witte Raaf heeft een aantal nummers gereserveerd voor recensies. Een recensie is een kritische bespreking, met een inhoudelijk overzicht van het boek en een beoordeling met argumenten en voorbeelden. Een recensie blijkt echter ook een zelfportret te kunnen zijn van de recensent, en een karikatuur van het genre zowel als van de auteur. Dat is het geval voor de bespreking door Stefaan Vervoort van het recente boek van Ernst van Alphen, Seven Logics of Sculpture. Encountering Objects Through the Senses (De Witte Raaf, nr. 226). Ik ken dit boek goed, mede omdat ik persoonlijk betrokken ben met de auteur en het ontstaan ervan niet alleen heb meebeleefd, maar het na de uitgave nogmaals nauwkeurig heb gelezen. Mijn intellectuele inzet blijft vooropstaan.

Nauwkeurig (her)lezen: dat is iets wat de recensent in dit geval niet gedaan heeft. Vervoort beroept zich op wat hij weet en belangrijk vindt of verwerpt, en hij gebruikt uitdrukkingen en woorden die een negatieve teneur vanzelfsprekend moeten maken. Als Van Alphen een verondersteld belangrijke ‘bron’ niet noemt, is er sprake van ‘negeren’, alsof het om een bewuste agressieve daad gaat. Wel wordt ‘de lezer’ ‘om de oren geslagen’ met zaken die de recensent kennelijk niet van belang acht. Ik geef slechts een van de vele mogelijke voorbeelden waar het stuk stijf van staat. Dat er in de bibliografie geen ‘archiefraadpleging’ voorkomt, laat zien waar Vervoort op kickt: een in mijn ogen nogal verouderde historiserende benadering als voornaamste criterium. Blijkbaar wil hij er alles aan doen om een dogmatische opvatting van kunstgeschiedenis te verdedigen. Overigens heeft Van Alphen twee boeken over archieven gepubliceerd (Staging the Archive uit 2014 en Productive Archiving uit 2023), als pleidooien om het archief als inspiratie te beschouwen voor productieve en creatieve manieren om het bestaande in het nieuwe op te nemen.

Vervoort zou er baat bij hebben gehad als hij de inleiding op Productive Archiving zou hebben gelezen, in plaats van in de bibliografie te zoeken naar ‘archiefraadplegingen’ – iets wat helemaal niet thuishoort in een bibliografie, noch in een fenomenologische benadering van sculptuur. De eigen kennis en opvattingen worden als norm genomen en alles wat ervan afwijkt wordt als ‘banaal’ gezien. Daarom beschouwt Vervoort de lectuur van Seven Logics of Sculpture als een ‘vermoeiende en frustrerende ervaring’: inderdaad, als je iets leest om jezelf en je visie bevestigd te zien, is een hoogst origineel boek als dit geen pretje om te lezen. Voor Vervoort is ‘de historische en culturele context’ heilig. En dat is voor Van Alphen niet het geval, niet omdat hij, zoals Vervoort beweert, ‘niet op de hoogte’ zou zijn van een kunsttheorie die voor de recensent ‘cruciaal’ is, maar omdat zijn aandacht uitgaat naar iets anders dan wat de recensent zou willen en waar hij naar op zoek is, ter zelfbevestiging. Deze manier van schrijven kan als narcistisch gezien worden. Hiermee wordt niet een pathologie van de recensent gediagnosticeerd, maar een leeshouding die slechts kan waarderen wat de recensent al weet of vindt. Een andere opvatting, die voor Van Alphen in de eerste plaats analytisch en fenomenologisch is, wordt kennelijk niet alleen verworpen, maar zelfs niet (h)erkend. Wat als ‘veelzeggende historiografische omissies’ wordt omschreven, ligt in lijn met de weigering van de recensent om in te zien dat de aandacht van de auteur naar iets anders uitgaat dan wat hij vanzelfsprekend relevant vindt.

De woordkeuze, het taalgebruik, de normen en de waarden zijn die van de recensent, niet die van de besproken publicatie. Daarom noem ik het een zelfportret, en binnen dat genre een uiterst negatief en zeg maar vernietigend zelfbeeld. In 1992 heb ik een artikel geschreven met als titel ‘Narratology and the Rhetoric of Trashing’, waarin ik een voor academici slechte gewoonte analyseer: het afkraken van andermans werk. Daarin schreef ik: ‘Trashing is a dismissal based on minimal argumentation, usually spiced with heavy irony, allusive accusation, and moralistic discourse.’ Een categorische verwerping is als het weggooien als afval van, in dit geval, een boek. Maar om dat als serieuze academicus te kunnen doen, moeten er argumenten worden gegeven, het liefst met voorbeelden en details.

Dat ontbreekt hier, vandaar dat dit stuk valt onder de noemer ‘minimale argumentatie’, en zich diskwalificeert als een serieus te nemen recensie. De beschuldigingen van een gebrek aan kennis, banaliteit en (aan het einde) ‘selectief, willekeurig en vooral conservatief’ zijn bijna komisch autoreferentieel. Wat er ‘conservatief’ is aan het boek, wordt op geen enkele manier duidelijk gemaakt, terwijl het een recensie is die zich uitsluitend beroept op de disciplinair voorgeschreven kennis van de recensent, en die zelf conservatief genoemd kan worden.

Om de zaken om te keren en Vervoort op het schandblok te zetten waar hij zijn ‘slachtoffer’ op vast wil nagelen, zou ik willen verwijzen naar een recensie door Van Alphen in nummer 225 van De Witte Raaf, over het werk van Bart Verschaffel. Vervoort zou daar veel uit kunnen leren, in de eerste plaats een leeshouding en openheid. In de titel van dat stuk gebruikt Van Alphen de uitdrukking ‘aandacht schenken’, en hij legt dat uit in een visie op kunst die zowel voor Verschaffels werk als voor zijn eigen kunstopvatting cruciaal is. Het is het soort aandacht die kunst nodig heeft. Maar het is ook wat een boek over kunst nodig heeft, om het publiek te kunnen attenderen op wat kunst toegankelijk, opwindend en maatschappelijk zowel als persoonlijk zinvol maakt. In de recensie van Vervoort is er geen plaats voor aandacht voor het boek, geen plaats voor de studie van een ander. De auteur van de recensie moet zich schamen, maar het blad ook. Een kwaliteitsblad als De Witte Raaf staat hiermee nogal voor schut.

Mieke Bal was hoogleraar Theoretische Literatuurwetenschap (Universiteit van Amsterdam) en is cultureel analist en film- en videokunstenaar.

 

Reactie van Stefaan Vervoort:

Met interesse en ontsteltenis heb ik Mieke Bals repliek op mijn recensie van Seven Logics of Sculpture gelezen. Bal maakt gewag van diverse manco’s en distilleert hieruit een psychologisch profiel van mezelf als recensent, maar ook als auteur en onderzoeker. De aantijgingen zijn niet mals, het taalgebruik is dat evenmin. Ik wil slechts reageren op de drie meest aanmanende en mijns inziens bedenkelijke punten van kritiek, vooraleer een algemene bedenking te formuleren omtrent het statuut van de ‘negatieve’ recensie vandaag.

Ten eerste beticht Bal me van zelfbevestigend leesgedrag. Ik zou me, in het beoordelen en analyseren van het boek, slechts beroepen op wat ik weet en naar waarde acht: ‘de eigen kennis en opvatting worden als norm genomen en alles wat ervan afwijkt wordt als ‘banaal’ gezien’. Die norm is volgens Bal een ‘verouderde historiserende benadering van de kunstgeschiedenis’, waarop ik zou ‘kicken’ en die ik zou verdedigen als ware ze een ‘dogmatische opvatting’. Het omgekeerde is echter waar. Wanneer ik argumenteer dat het gros van Van Alphens analyses de gemeenplaatsen in de kritische beschouwing over kunstwerken en -praktijken repeteert, signaleert dit waar het mij om te doen is: het ontdekken van wat ik niet weet, om zo de clichés (en zelfs de mythes) in het schrijven en denken over kunst – inhoudelijk en methodologisch – uit te dagen. Leesplezier schuilt in het revelerende karakter van persoonlijke, vernieuwende en verrassende analyses. Dergelijke revelaties vind ik inderdaad terug in de kritische omgang met primair bron- en archiefmateriaal, maar evenzeer kan het gaan om verfrissende vormanalyses, theoretisering of contextualisering van werk. Net om dat te toetsen, ga ik zeer uitgebreid (en ook kritisch) in op het theoretische kader en op de methodologie geformuleerd in de inleiding op Seven Logics of Sculpture.

Ten tweede suggereert Bal dat ik de ‘alternatieve opvatting’ en het methodologisch kader gehanteerd in het boek niet zou willen (h)erkennen. Die opvatting, schrijft ze, is ‘in de eerste plaats analytisch en fenomenologisch’. Er wordt gesteld dat ik geen argumenten en voorbeelden aanbreng, wat zelfs tot het cancelen van Van Alphens aanpak zou leiden. Ook deze kritiek houdt weinig steek. Ik schrijf letterlijk dat ‘de mix van fenomenologie en structuralisme’ in Passages in Modern Sculpture van Rosalind Krauss, een boek dat Van Alphen hanteert als een toetssteen en dat ik ook duidelijk naar waarde schat, een kritische methode vormt ‘die vandaag relevant blijft’. Zonder de fenomenologie en het formalisme geen adequaat begrip van sculptuur, zou ik stellen. Natuurlijk is geen enkele bespreking vrij van de preoccupaties van de recensent, maar dat betekent niet dat er geen ruimte zou zijn voor erkenning of generositeit. Meer dan het (h)erkennen van een fenomenologische blik (die overigens wel prima met archiefraadplegingen kan samengaan), wil mijn recensie vraagtekens plaatsen bij de manier waarop die blik Van Alphens historisering en interpretatie van sculptuur stuurt. Krauss leest de moderne beeldhouwkunst immers vanuit het minimalisme, wat vooringenomen en historiografisch niet onproblematisch is, en ze reageert tegen Greenberg. Het gevolg is dat het werk van sommige kunstenaars (zoals Gabo of Boccioni) onterecht als essentialistisch en idealistisch wordt weggezet. Wanneer Van Alphen naar Krauss terugkeert, maar haar positie niet historiseert én in de analyse dezelfde problemen vertoont, mag dat toch geschreven worden? Vandaar dat ik naar Herbert Read verwijs: ook zijn denken biedt een alternatief voor de optische mediumspecificiteit van Greenberg, en het wortelt in de theorie over Einfühlung van zijn mentor Wilhelm Worringer. Een uiteenzetting over de echo’s met Read zou toelaten om het animisme en het affect van sculptuur binnen een langere kunst- en ideeëngeschiedenis te situeren.

Ten derde en tot slot is er de suggestie dat mijn recensie een egodocument zou zijn. Ik zou andermans werk verwerpen ‘als afval’ en het trashen met gebruik van ‘zware ironie, allusieve beschuldigingen en een moralistisch discours’, een aanpak die mijn ‘negatief zelfbeeld’ zou moeten strelen. Op geen enkele manier vind ik deze kwalificatie treffend. Ik speel nergens op de man: de recensie gaat over het boek, niet over Van Alphens capaciteiten als schrijver of onderzoeker, of over zijn oeuvre in het geheel. Zijn werk rond archieven is daarom niet aan de orde; ik stel nergens dat hij archiefwerk verfoeit, wel dat zijn analyses in Seven Logics of Sculpture op archieven noch op primair bronnenmateriaal steunen. Ook hanteer ik hoegenaamd geen oorlogstaal: het stuk staat bol van de voorwaardelijke termen, en ik formuleer een rist vragen die het boek oproept zonder ze te beantwoorden. Evenmin heb ik het over mijn eigen positie als onderzoeker of refereer ik onnodig aan eigen werk – twee karakteristieken die ik met het zelfportret en het egodocument associeer. Ik ben me terdege bewust van de noodzaak van heldere argumentatie en weloverwogen woordkeuze, in elke recensie en vooral in een negatieve. Toegegeven: bij nader inzien leest de term ‘conservatief’, die het affirmerende karakter van de analyses in het boek wilde duiden, te flink. De term heeft connotaties die ik grondiger had moeten kwalificeren.

Op één vlak zijn Mieke Bal en ik het met elkaar eens: De Witte Raaf is ook een van mijn favoriete kunsttijdschriften. Een van de redenen is dat het blad er niet voor terugdeinst om ook negatieve, maar respectvolle en goed beargumenteerde recensies te publiceren. In een recent themanummer over reviews houden de redacteurs van Texte zur Kunst net een pleidooi voor zulke evaluaties. In een tijdperk van marktgerichte kunstkritiek en een overdreven voorzichtigheid van critici, zo stellen ze, biedt het ‘(professioneel) recenseren […] een ruimte waarin heersende waarden en normen, twijfelachtige esthetische conventies en gedateerde kunsttheoretische paradigma’s aan een kritisch onderzoek kunnen worden onderworpen’. Net daar is het mijn recensie van Seven Logics of Sculpture om te doen, en daar moet niemand zich om schamen.

 

Een bijzonder interessant onderwerp

In twee themanummers heeft De Witte Raaf uitgebreid aandacht besteed aan het (kunst)boek om, zoals Christophe Van Gerrewey het formuleert in het editoriaal, ‘een van de historische bestaansredenen van het tijdschrift als genre eer [te bewijzen]: in alle bescheidenheid toegeven dat boeken belangrijker zijn, en dat het de verantwoordelijkheid van wegwerpbladen is om meer duurzame publicaties te recenseren’. Een van de bijdragen in nr. 226 is een recensie door Marc Holthof van Diepdruk – Vlakdruk – Hoogdruk – Doordruk. 50 jaar Frans Masereel Centrum, Kasterlee, een boek verschenen bij Hannibal Books in 2022, dat wij met de onderzoeksploeg KB45 (Kunst in België sinds 1945, Universiteit Gent) hebben samengesteld, in dialoog met het team van het Frans Masereel Centrum en geholpen door alumni en collega’s. De tekst van Holthof begint met een botte kwalificatie: ‘Eerder dan een boek’, zo stelt de criticus in de tweede alinea, ‘is het een chronologisch geordende documentatiemap.’ En hij vervolgt: ‘Om dat hele zootje werkbaar te maken, is er flink wat do-it-yourself vereist, en moet de lezer in feite zijn eigen verhaal schrijven.’ Hoe gratuit deze omschrijving is, blijkt enkele paragrafen verderop, wanneer Holthof de heldere structuur van het boek weergeeft: ‘In zes hoofdstukken worden evenveel decennia behandeld. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met de chronologie van het decennium en een fraai portfolio met grafisch werk uit die periode.’ Is dat een zootje? Volgens Holthof wel, en hij hanteert nog meer beeldspraak wanneer hij het portfolio en de chronologie typeert als ‘een stam waaraan de grote en kleine artikels, geschreven door bijna vijftien verschillende auteurs, als versierselen aan een kerstboom zijn bevestigd. Een portret als lappendeken dus.’ Benevens slecht geschreven en pover gestructureerd staat Holthofs boekbespreking bol van dit soort tendentieuze retoriek – zelfs de auteur noemt het ‘een tikje karikaturaal’ – doorspekt met een ratjetoe van slecht gekozen metaforen.

In de uitgebreide disclaimer die als uitleiding in het boek is opgenomen en die Holthof schaamteloos – zonder verwijzing! – parafraseert, stellen we dat ‘het centrale methodologische instrument van het onderzoek een chronologie is die is opgesteld aan de hand van geverifieerde stukken die in de respectievelijke archieven zijn aangetroffen’. We hadden ervoor kunnen opteren om deze chronologie niet op te nemen in het boek en de lezer aldus het zicht te ontnemen op al het feitenmateriaal of onuitgesproken te laten welke keuzes we hebben gemaakt – welke verhalen we de moeite waard vonden om te worden uitgespit. We wilden met dit boek bewust de spanning opzoeken tussen de densiteit van de chronologische ordening enerzijds en de selectieve bespreking van feiten en protagonisten anderzijds. We zijn immers van mening dat, zoals in onze uitleiding wordt gesteld, ‘een geschiedenis altijd fijnmazig, veelvoudig en overladen is, en dat de vertelling ervan nooit allesomvattend maar evenmin te selectief mag zijn’. Onze historiografische methodologie is bewust gefragmenteerd, maar stelt voorop dat elk fragment – hoe kort of lang ook – diepgaand wordt behandeld. We wensen geen historische continuïteit op basis van hoogtepunten te suggereren, zoals in de meeste institutionele geschiedenissen bewust of onbewust gebeurt, maar net aandacht te schenken aan de vele deelgeschiedenissen – micro en macro – die door de uiteenlopende actoren (met verschillende ‘stemmen’) binnen een instelling als het Frans Masereel Centrum zijn geschreven en/of beleefd.

De eerlijkheid gebiedt toe te geven dat Holthof twee punten van terechte kritiek levert. Hij suggereert dat de tijdlijn ‘beter op de website van het centrum had gestaan’, en hij betreurt dat de namen in de chronologie niet in het namenregister zijn opgenomen. Het eerste kan nog gebeuren, en het laatste hebben we zeker overwogen, maar het bleek niet realistisch binnen de timing van de productie van het boek.

De recensent verwijst naar de lange periode waarin het FMC niet geleid werd door een directeur, maar door bevoegde ambtenaren die sporadisch naar het centrum afzakten. Hij verbindt hieraan de volgende bedenking: ‘Het resultaat was een centrum op automatische piloot, dat mooi illustreert dat de rol van directeurs, managers en zakelijke leiders […] vaak veel beperkter is dan ze zelf denken.’ We noteren dat de recensent de afwezigheid van een directeur geen staaltje van apert wanbeleid vindt. Elders schrijft Holthof zich niet te kunnen voorstellen dat ‘er de voorbije halve eeuw werkelijk niemand de juiste data van de residenties heeft genoteerd’. Wat hij omschrijft als ‘een centrum op automatische piloot’ is precies de verklaring voor de afwezigheid van een exhaustieve lijst met de ‘juiste data van de residenties’. Het ‘diabolisch telefoonboek zonder telefoonnummers’ – nog zo’n prachtmetafoor – is precies wat wij in het archief hebben aangetroffen. Wíj zijn de kunstenaars niet vergeten te noteren, maar het centrum heeft daaraan verzaakt na verloop van tijd, bij gebrek aan een leidinggevende. Als Holthof de uitleiding grondig had gelezen, dan had hij dat geweten.

In de twee slotalinea’s van de recensie volgt de strafste, meest ongegronde opmerking: ‘kunstenaars komen nauwelijks aan het woord’. De stelling dat er slechts ‘één kunstenaar [Craig Zamiello] […] een eigen interview krijgt,’ is manifest onjuist. Het boek bevat de neerslag van interviews met Veerle Rooms, Ivan Durt en Willem Oorebeek, drie kunstenaars die verschillende rollen hebben opgenomen in het FMC en onverbloemd ingaan op het reilen en zeilen in het centrum, zowel artistiek als institutioneel. Bovendien is bijna een kwart (!) van de tekstbijdragen van het boek, oftewel 112 van de 457 pagina’s, aan kunstenaars gewijd (en dan rekenen we de zes uitgebreide portfolio’s van werken van kunstenaars die in het centrum hebben gewerkt niet eens mee). Dat het boek opent met een tekst over Fons Mertens – grondlegger van het centrum én kunstenaar, zoals Holthof bij de aanvang van zijn recensie aangeeft – wordt zelfs onder de mat geveegd; de recensent zet Mertens in de slotalinea nota bene droog weg als ‘een naar Tenerife uitgeweken liefhebber’. In plaats van te speuren naar namen die tot zijn directe omgeving behoren en zich te beroepen op de ‘promotionele samenvatting op de website van uitgever Hannibal’, had Holthof er beter de inhoudstafel grondig op nagelezen. Dan had hij kunnen noteren dat Diepdruk – Vlakdruk – Hoogdruk – Doordruk is opgevat als een boek dat kunstenaars, maar ook tal van andere actoren die het centrum hebben vormgegeven, aan het woord laat: van de allereerste medewerker van het centrum, een directeur-generaal van de Vlaamse Gemeenschap, een bevoegde ambtenaar tot de huisbewaarder van het FMC (om slechts vier voorbeelden te geven).

Dat het boek zich bovenal aandient als een proeve van institutionele geschiedenis mag dan niet zijn waarnaar Holthof verlangt, het was wel onze opdracht. Met een klein beetje opzoekingswerk of na een vraag naar meer informatie had hij geweten dat in de door de Vlaamse Gemeenschap in naam van het FMC uitgeschreven onderzoeksopdracht uitdrukkelijk gevraagd werd om ‘de geschiedenis van het Frans Masereel Centrum te schrijven, een balans op te maken van de voorbije werking van de organisatie, en de bredere kunsthistorische en cultuurpolitieke context te schetsen waarbinnen het Frans Masereel Centrum zich de voorbije vijf decennia heeft ontwikkeld’. Holthof heeft gelijk als hij, in de eerste alinea, de geschiedenis van het FMC ‘een bijzonder interessant onderwerp’ noemt, ‘niet alleen artistiek, maar ook als een uiting van de Vlaamse cultuurpolitiek (of het gebrek eraan)’. Aan het einde van zijn tekst hekelt hij echter de ambitie van het boek om diezelfde artistieke, institutionele én cultuurpolitieke context uit te spitten. Qua contradictie kan dat tellen, maar het signaleert vooral een onderschatting van de noden binnen het institutionele en het kunsthistorische veld. We zitten niet langer te wachten op een schematische karakterisering gebaseerd op een a priori glorificatie van de kunstenaar. Eerder zijn we gebaat bij geschiedschrijving die uitgaat van verschillende actoren en betekenisniveaus (artistiek, institutioneel, cultuurpolitiek) en die op een gedegen wijze op elkaar betrekt. Er liggen nog vele andere ‘bijzonder interessante onderwerpen’ te wachten om op die manier onderzocht en te boek gesteld te worden.

Koen Brams, Wouter Davidts, Stefaan Vervoort, namens KB45 (Kunst in België sinds 1945, Universiteit Gent)

 

Reactie van Marc Holthof:

Er deugt volgens de leden van KB45 helemaal niets aan mijn recensie: metaforen, opbouw, voetnoten… niets klopt! Dan is er de lang verbeide doodsteek: het boek bevat niet één interview met een kunstenaar, zoals ik beweerde. Het bevat er vier! Om helemaal juist te zijn: het gaat om slechts drie gesprekken. Projectcoördinator en ‘meester-drukker’ Ivan Durt zegt in het interview zelf dat hij zijn artistieke praktijk in 2001 heeft stopgezet, precies omdat hij voor het FMC ging werken. Ook in de gesprekken met Oorebeek en Rooms praten zij nauwelijks over hun eigen werk, en veeleer over wat ze van het FMC denken.

In elk geval: ik heb mij vergist. Mea culpa! Maar verandert dat iets aan de zaak? Drie interviews is nog altijd veel te weinig. De nadruk van het boek ligt op de instelling FMC, niet op de functie ervan: de grafische kunst bevorderen. Een naar Vlaamse normen middelgrote (?) instelling zet ter gelegenheid van een jubileum op totaal overdreven wijze het jarenlange (non-)beleid in het spotlicht, terwijl de kunstenaars die al vijftig jaar de kracht van het FMC vormen nauwelijks aan het woord komen. Daarom is dit boek illustratief voor de bureaucratische cocon waarin het Vlaamse kunstenbeleid zit ingekapseld: zakelijke leiders, budgetten, formulieren, verslagen en allerlei bureaucratische chicanerieën zijn véél belangrijker dan kunstenaars en kunstwerken.

De pestkop


Waar wy zeggen:
oorzaak, bedoelen wy den factor die door meerdere grootte of nabyheid ons ’t meest in het oog valt. En zelfs dáárin vergissen we ons dikwyls.

– Multatuli

 

 

Intratuin

Een gesprek tussen twee caissières bij een vestiging van Intratuin, tijdens een zoveelste regendag eind november 2023. Wat goed, zegt de ene, dat Frans Timmermans de verkiezingen niet heeft gewonnen. De belastingen zouden omhoog zijn gegaan, zodat minder klanten hun geld aan planten en kerstversiering zouden uitgeven. Niets minder dan hun baan stond op het spel. De tweede werknemer van Intratuin knikt instemmend. Geen van beiden hebben ze op een linkse partij gestemd.

Hoe zou Timmermans, lijsttrekker van de samenwerking PvdA-GroenLinks, moeten reageren? Uitleggen dat sterke schouders zware lasten kunnen dragen, dat trickle-down economics een fabeltje is, dat zijn partij er is voor mensen zoals zij? Het zou hem alweer tot een betweter maken. Een groene idealist kan zich vervolgens in het gesprek mengen: die hele toxische Intratuin, vol met vrachtwagenladingen kerstprullaria, kan maar beter worden opgedoekt.

 

Daar komt een einde aan

Geert Wilders wil minder belasting heffen, van middenstand tot miljonairs. Zijn Partij voor de Vrijheid (PVV), waarvan hij het enige lid is, wil tegelijkertijd miljarden uitgeven. Er moeten woningen bijkomen, het eigen risico – 385 euro aan zorgkosten die je zelf jaarlijks moet betalen – wordt afgeschaft, de bejaardenzorg moet beter, het leesonderwijs ook. Benzine en boodschappen worden goedkoper, de energierekening gaat naar beneden.

Het geld wil Wilders weghalen bij het klimaatfonds. Waarom kolencentrales sluiten als ze in China op volle toeren draaien? We kunnen de dijken verhogen. En er is ook geld terug te halen bij ontwikkelingssamenwerking, in ‘Brussel, Italië, Afrika of welk herverdelingsfonds dan ook’. Als we vluchtelingen weren, of naar onze grootste handelspartner Duitsland sturen, hoeven we ze niet op te vangen. De publieke omroep, propagandakanaal voor klimaatpaniek en diversiteit, moet de deuren sluiten, en bij musea valt zeker ook iets te halen.

Autochtone Nederlanders worden niet beschermd. Zij worden achtergesteld en gediscrimineerd. Bij de politiek, in de kunst, bij de publieke omroep, in de wetenschap en bij veel gemeenten. Dat noemen ze ‘voorkeursbeleid’ of ‘positieve discriminatie’. Daar komt een einde aan.

De PVV heeft – net als de BoerBurgerBeweging (BBB), het Forum voor Democratie (FvD), de Socialistische Partij (SP) en de Partij voor de Dieren (PvdD) – het eigen programma niet laten narekenen door het Centraal Planbureau. Dat was tot voor kort in Nederland de gewoonte, al hoorde je kritiek uit progressieve hoek: het zou werkelijk alternatieve, verbeeldingsrijke plannen onmogelijk maken.

De PVV leeft van de verbeelding. Met Wilders komt de verbeelding aan de macht. Het verkiezingsprogramma, dit keer langer dan het beruchte A4’tje uit 2016, laat hem zelf aan het woord. In ‘Nederlanders weer op 1’ zijn de zinnen kort en stellig. Als ze een bijzin bevatten, dan is het om een tegenstelling uit te drukken: ‘Gezondheidszorg die voor veel Nederlanders onbetaalbaar is geworden, wordt wel gratis aan asielzoekers verstrekt.’ Oud-journalist Martin Bosma, Amsterdammer, Wilders’ rechterhand en fractiemedewerker van het eerste uur, heeft er hard aan gewerkt.

De tekst ademt de politieke techniek die ‘polarisatie’ heet. Het verschil tussen links en rechts staat op de voorgrond, waarbij links telkens in de verdomhoek belandt, bijvoorbeeld als het gaat over ‘de linkse haat waarmee helden uit onze geschiedenis worden beschimpt’. Zo wordt de identiteit van de eigen groep gestaald, terwijl de tegenstander tot vijand wordt gemaakt én intern verdeeld. Welke oude partijganger op links heeft binnenskamers niet over woke geklaagd?

Wilders spreekt klare taal. In een wereld die je nauwelijks nog zonder gebruikshandleiding kunt bedienen, en waar de progressieve moraal zich graag van het Engels bedient, is hij de scheidsrechter die op zijn fluitje blaast: ‘Zwarte Piet blijft.’

Wie het verkiezingsprogramma doorbladert, ziet een grote foto van Geert Wilders. Hij probeert zo vriendelijk mogelijk te glimlachen, wat hem moeite kost. Dan volgt een paginagrote foto van een oudere vrouw met een paarse hoofddoek en in een rood lichaamsbedekkend kleed. De vrouw is net een zebrapad overgestoken, je ziet haar rug. Wilders’ beruchte ‘kopvoddentaks’, naar verluidt een vondst van Bosma, hoeft voor de goede verstaander niet te worden herhaald.

 

Politiek correct

Na de adembenemende verkiezingswinst van de PVV op 22 november 2023 – de 35 geschatte zetels werden de volgende dag bijgesteld tot 37, een kwart van het Nederlandse stempubliek – vertelt een jonge kiezer aan de Volkskrant dat hij Wilders net als Thierry Baudet (FvD) vaak op TikTok heeft zien langskomen. Baudet gaat hem veel te ver. Daarom heeft hij op Wilders gestemd, die was meer ‘politiek correct’.

Aanvankelijk wordt beweerd dat veel moslims voor de PVV hebben gekozen, want ze delen Wilders’ kritiek op ‘genderwaanzin’ op scholen. Nader onderzoek weerlegt die gissing. Surinamers hebben wel opvallend veel sympathie voor Wilders, zo wordt daaraan toegevoegd.

In NRC Handelsblad verschijnt een artikel over de dreiging van extreemlinkse activisten na de winst van de PVV. Asha Promes-Eeckhout uit Almere, een Surinaams-Nederlandse danseres, heeft getwitterd te denken aan een soort ‘v/d Graaf-acties’ – Volkert van der Graaf was in 2002 de moordenaar van Pim Fortuyn. Er volgt algauw kritiek op de bron, en die blijkt een trol te zijn. De krant schrapt de naam van Promes-Eeckhout, maar niet het hele artikel. De NRC-journalist bekent aan de NRC-ombudsman een ‘ontzettend stomme beoordelingsfout’ te hebben gemaakt. De ombudsman stelt vast dat (te) veel NRC-columnisten zich de laatste weken tegen Wilders hebben gekeerd.

Voorafgaand aan de verkiezingen zijn de leiders van de grote democratische partijen bijna dagelijks op paginagrote krantenadvertenties te zien. Geert Wilders niet. Een enkel billboard aan de rand van de snelweg volstaat; foto’s ervan gaan rond op sociale media.

Het socialemediabudget van GroenLinks-PvdA bedraagt bijna zeven ton, de PVV geeft er naar eigen zeggen nog geen vijfduizend euro aan uit. Op YouTube komen de parlementaire hoogtepunten (‘Wilders sloopt…’) als vanzelf bovendrijven.

 

Wantrouwen

Socioloog Roy Kemmers voorspelt in de Volkskrant dat veel PVV-kiezers niet lang tevreden zullen blijven met de overweldigende winst. Een groot deel van hen staat zeer wantrouwig tegenover de representatieve democratie, ervan overtuigd dat grote beslissingen altijd achter de schermen worden genomen. Hun aanvankelijke blijdschap zal omslaan in wrok zodra er een coalitie wordt gevormd. De onvermijdelijke compromissen zullen het wantrouwen weer aanwakkeren, al dan niet door Wilders van zuurstof voorzien in een tweet. En als hij het niet doet, staat er een andere stokebrand klaar.

Critici van populisten verwijzen graag naar bestaande wetten en internationale verdragen, schrijft Kemmers, de grondwet in de eerste plaats. Op de kiezers van de PVV maakt dat geen enkele indruk. Democraten moeten duidelijk proberen te maken waar deze begrippen en instituten voor staan.

Dat levert meteen de volgende moeilijkheid op. Radicaal-rechts heeft zich termen als ‘discriminatie’ en ‘ongelijkheid’ toegeëigend, na al eerder ‘de vrijheid’ te hebben opgeëist om een godsdienst te kunnen verbieden.

 

Schandaal

Wantrouwen over het Nederlandse overheidsbeleid – door het parlement mede richting gegeven en gecontroleerd – valt te begrijpen. Politiek Den Haag blonk de afgelopen twintig jaar uit in het verkondigen van ferm beleid, terwijl het kortte op de middelen om dat beleid uit te voeren. De markt was de wonderdokter die langzamerhand onaanspreekbaar werd. Maar bij welk loket kan je dan terecht voor een eenvoudig en werkzaam medicijn?

Het Toeslagenschandaal, losgebarsten rond 2019: circa 24.000 huishoudens moeten na kleine administratieve fouten het volledige bedrag aan toeslagen voor kinderopvang – in Nederland lange tijd exclusief aan vrouwen, en later aan de markt overgelaten – van meerdere jaren terugbetalen, zonder een mogelijkheid om in beroep te gaan. Complete gezinnen worden geruïneerd. Het controlealgoritme van de overvraagde Belastingdienst (dat toeslagen moest uitbetalen en controleren) is ingesteld op ouders van buitenlandse afkomst.

Een aanjager van die fraudejacht was de ‘Bulgarenfraude’, onthuld in 2013. De verontwaardiging was destijds groot, net als de angst om ‘slap’ te worden genoemd. Rutte II, een combinatie van VVD en PvdA, zon op strengere maatregelen, met de hete adem van Geert Wilders in de nek, die tot 2012 het minderheidskabinet-Rutte I (VVD en CDA) had gedoogd.

Rutte III (VVD, CDA, D66, ChristenUnie) viel in 2021 na publicatie van het Toeslagenaffairerapport. Voormalig minister van Sociale Zaken in Rutte II, Lodewijk Asscher (PvdA), trok zijn conclusies: hij trad terug als lijsttrekker. Rutte zelf ging monter verder en vormde een nieuw kabinet (Rutte IV), waarin expliciet geen plek was voor Pieter Omtzigt, die het schandaal samen met Renske Leijten (SP) in de Tweede Kamer op de agenda had gekregen. Gefotografeerde formatieaantekeningen suggereerden dat voortaan zijn ‘functie elders’ lag. Omtzigt verliet het CDA en stichtte na lang weifelen een eigen partij. Het vertrouwen in de politiek, dat na de pandemie al bijzonder laag was, daalde tot een nieuw dieptepunt. Als Rutte in januari 2023 zijn coalitie laat struikelen over een detailkwestie omtrent immigratie, en twee dagen later de beslissing neemt zich niet meer verkiesbaar te stellen, kan Wilders zich klaarmaken voor de oogst.

 

Blunder

‘Nederland schaft zichzelf af,’ schrijft Tom-Jan Meeus in NRC Handelsblad, met een sarcastische verwijzing naar de Duitse politicus-auteur Thilo Sarrazin. De VVD, onder leiding van de nieuwe partijleider Dilan Yesilgöz, heeft zichzelf schromelijk overschat. Yesilgöz beging een politieke blunder door een samenwerking met de PVV niet op voorhand uit te sluiten, wat Rutte na de voortijdige val van het gedoogkabinet (nadat Wilders extra bezuinigingen weigerde) altijd had gedaan. Een stem op Wilders was niet langer weggegooid. Integendeel: zo’n stem zou de VVD dwingen om over rechts te regeren.

Meeus constateert het definitieve einde van de naoorlogse politieke orde. De sociaal- en de christendemocratie hadden het al jaren lastig, maar nu zet ook het liberalisme zichzelf in de uitverkoop. De ervaren Meeus merkt nog maar eens op dat de PVV geen democratische structuur heeft, terwijl algemeen bekend is dat Wilders zich omringt met jaknikkers en fractiegenoten wantrouwt. Bovendien kan hij niet tegen zijn verlies. Zijn meest radicale uitspraken, zoals de retorische vraag na gemeentelijke verkiezingen aan Haagse getrouwen of ze ‘minder of meer Marokkanen wilden’, deed hij toen zijn machtsbasis afkalfde. Bij de verkiezingen van 2014 behaalde de PVV landelijk iets meer dan een halve procent van de stemmen.

 

Droomvlucht

Geert Wilders – een politicus als alle anderen. Dat beeld ontstaat in het najaar van 2023. De W in zijn achternaam wordt een M. Het Jeugdjournaal onthult dat Wilders een grote fan is van De Efteling, met name van de attractie Droomvlucht, en bezoekt met hem een zwerfkattenasiel. Samen met zijn vrouw is hij naar Barbie gaan kijken, vertelt hij aan de Volkskrant. Een leuke film, meent hij, al vindt hij de inhoud ‘natuurlijk’ verschrikkelijk. Zijn favoriete popsong is ‘Back to Black’ van Amy Winehouse. Zijn ideale politicus is Ariel Sharon.

Arjan Noorlander van het NOS Journaal spreekt de dag na de uitslag van een daverende verrassing. Hij maakt een voetbalvergelijking: het is alsof een club die nooit hoog eindigt toch opeens de Eredivisie wint. Het ontbreekt hem aan tijd om daaraan toe te voegen: een club bovendien met een ondoorzichtige financiële structuur en een hekel aan scheidsrechters, die graag in Rusland speelt en de spelregels tijdens de wedstrijd zelf veranderen zal.

 

Kan wel janken

In tv-debatten doet Wilders het goed, werd gezegd, en dan vooral in Het debat van Nederland van de commerciële zender SBS6. Jeroen Pauw, bekend van het discussieprogramma Pauw & Witteman, neemt de productie voor zijn rekening. Gewone mensen mogen vragen stellen aan de lijsttrekkers. Cindy Slaper-Van der Werff uit Zaandam legt zowel Omtzigt (over het minimumloon, dat hij niet wil verhogen) als Timmermans (over het eigen risico in de zorg) het vuur aan de schenen. Timmermans antwoordt ernstig en bemoedigend dat hij de komende vier jaar wil werken aan een oplossing. Slaper-Van der Werff wordt witheet: ‘U wil niet weten hoeveel armoede er is in Nederland. Ik kijk om mij heen en kan wel janken. Zo erg. De komende vier jaar is te laat. We zijn te laat!’

Wilders (‘Ik wil het niet persoonlijk maken, maar…’) vergelijkt vervolgens het loon dat oud-Eurocommissaris Timmermans doorbetaald krijgt, vijftienduizend euro per maand, met het eigen risico dat Slaper-Van der Werff niet kan ophoesten: ‘U kan wachten met dat geld, mevrouw kan niet wachten, die moet nú dat geld hebben!’ Er volgt luid applaus, de camera neemt de geëmotioneerde, nu getrooste vrouw in beeld.

Achteraf wordt duidelijk dat Slaper-Van der Werff een aanhanger van de PVV is. Tijdens een vlucht naar Hongarije ging ze met Wilders op de foto. En Jeroen Pauw, zo wisten insiders, heeft een uitgesproken hekel aan Timmermans. Die afkeer – het mag niet verbazen – is wederzijds.

Timmermans attaqueert Wilders tijdens het debat omdat die kleinkinderen van migranten, die in Nederland geboren zijn, nog steeds betitelt als ‘allochtonen’. Hij eist van Wilders dat hij deze mensen als Nederlanders behandelt. Wilders reageert direct: ‘U kunt eisen tot u een ons weegt, en dat zal even duren.’

Aan het publiek ontsnapt eerst een ‘oh’, waarna gelach en bijval volgen. Een pestkop, concludeert Timmermans de volgende dag, nadat hij tijdens de uitzending beduusd ‘ja, dat duurt wel even’ heeft uitgebracht. In het actualiteitenprogramma Op1 zegt hij een paar dagen later: ‘Ik worstel al mijn hele leven af en aan met overgewicht, dus ik ben wel wat gewend. Als je puber bent, is het nog veel erger.’

 

Treiteren

Wilders is er hartstikke goed in: personen of groepen wegzetten alsof ze een besmettelijke ziekte hebben, zodat je als nuchter denkend mens liever niet direct met hen in contact staat. Het is de etymologische betekenis van pesten. Als geen ander kan hij sneren, juist omdat hij het niet zonder decorum doet: ‘Ik wil het niet persoonlijk maken, maar…’

Wilders heeft de term ‘links’ zo vaak in één adem met ‘elite’ genoemd dat het woord besmet is geraakt. De links-liberale elite, de linkse hobby’s, de linkse grachtengordel. De weerzin klinkt door in zijn dictie. Weerzin is een primaire emotie, net als angst en wrok, en die worden door populisten opgewekt, aangescherpt, in stand gehouden. Ze leven ervan.

Een ander woord voor pesten is treiteren. Treiteren gaat terug tot het Franse traître en het Latijnse traditor, ‘verrader’ dus. De verrader heeft de groep in de steek gelaten en moet daar nu voor boeten.

Wilders heeft Sigrid Kaag, die afgelopen zomer aankondigde de Nederlandse politiek te verlaten (en inmiddels is aangesteld als VN-gezant voor de wederopbouw van Gaza), sinds 2021 geregeld ‘heks’ genoemd. In december van dat jaar stuurde hij haar een kerstkaart, waarmee hij haar een goede vlucht toewenste (een sneer naar de milieuambities van D66) en haar een virtuele bezemsteel schonk. Lachen, joh.

‘Misogynie als politiek wapen,’ berichtte De Groene Amsterdammer. Vrouwelijke politici, zo wees dataonderzoek uit, ontvangen structureel meer haatberichten dan mannelijke collega’s. Kaag ontving er via Twitter in vijf maanden tijd zo’n 13.000. In februari 2022 stond een man met een brandende fakkel voor haar huis in Den Haag. In 2023 werd ze door een groep van tachtig man met brandende fakkels opgewacht toen ze in Diepenheim een lezing gaf. Het had iets middeleeuws, luidde haar verblufte reactie.

 

Ik vraag het netjes en beleefd

Begin 2021 komt het tot een aanvaring tussen Kaag en Wilders die symptomatisch mag worden genoemd. Wilders wil van Kaag in een – alweer – formatiedebat weten waarom vanuit haar partij insinuerende informatie over informateur Remkes is gelekt. Kaag antwoordt kalm, in keurig, je zou kunnen zeggen bekakt Nederlands, dat ze haar excuses heeft aangeboden en dat het verder een interne partijaangelegenheid is. Wilders wordt bozig: hij vindt dat er conclusies moeten worden getrokken, dat D66 voortdurend messen in andermans rug steekt. Kaag blijft rustig, ze reageert diplomatiek of – voor wie niet van haar stijl houdt – uit de hoogte. Ze gaat hoe dan ook ruzie uit de weg: ‘Hier, uhm, heb ik niks op te zeggen. Het spreekt voor zich, het zijn uw woorden.’ En dan wordt Wilders pas echt kwaad achter de interruptiemicrofoon: ‘U kunt toch wel de beleefdheid opbrengen om mij een antwoord… Wat staat u daar nu arrogant met uw armen te zwaaien? Eerst geeft u mij een sneer, en nu zit u wat te mommelen. Ik stel een normale vraag! Ik vraag het netjes en beleefd!’

Kaag moet onwillekeurig lachen. Je ziet haar denken: wie is hier aan het sneren, wie onbeleefd? Maar dat spreekt ze niet uit, misschien omdat ze het kijkerspubliek niet wil onderschatten – het lijkt evident. Commentaar onder het filmpje, van @rachelvroom-barnard: ‘Ik was nooit zo’n fan van Wilders, maar ik kom terug op mijn mening. Hij is de enige die nog normaal praat in de Nederlandse politiek!’

Rutte pakte het anders – platter – aan. Neem een formatiedebat uit 2017. De premier argumenteert dat de PVV, door haar extreme standpunten, een partij is die geen zin heeft om te regeren en het liefst wil worden afgewezen. Rutte maakt een vergelijking met een vrouw die eigenlijk niet bemind wil worden, en zich daarom zo onaantrekkelijk mogelijk voordoet. Kamervoorzitter Khadija Arib werpt tussen: ‘Hoe weet u dat, van vrouwen?’ Maar Rutte, breed lachend als een makelaar, brengt zijn punchline: ‘En als hij dat een persoonlijke aanval vindt, voorzitter, heeft hij volkomen gelijk!’ Wilders onder gelach naar de interruptiemicrofoon. Ouwe jongens, krentenbrood.

 

Champions League

Over de verkiezing van Boris Johnson is geschreven dat die voortkomt uit het specifiek Engelse onvermogen om Britse humor te weerstaan. Hetzelfde zou je over het succes van Wilders kunnen zeggen. Zijn humor is zuiver Hollands, met vooral de botte grap, zonder al te veel subtiele smaken, die ten koste van iets of iemand gaat. Daar moet je tegen kunnen, en zo niet, dan lazer je maar op.

In de populaire talkshow Vandaag Inside (SBS6), een kleine week voor de verkiezingen van 2023, analyseren voetbaljournalisten Wilfred Genee, Johan Derksen en René van der Gijp uitgebreid Het debat van Nederland, mede door Genee geleid. Tv-maker Rutger Castricum, een vaste gast, constateert dat Timmermans, toch geen onervaren politicus, ‘een maatje te klein was voor een debat als dit’. Hij roemt de humor van Wilders. ‘Ja,’ breekt oud-voetballer Van der Gijp in, ‘Wilders was verbaal echt van Champions League-niveau’. Genee toont een fragment na afloop van het debat, achter de schermen: Wilders vertrouwt hem in alle eerlijkheid toe dat hij de indruk krijgt dat Timmermans de strijd al heeft opgegeven, alsof hij zelf niet meer gelooft dat hij winnen kan. Hoe noem je een toeschouwersdemocratie met louter thuisvoordeel en thuisfluiters?

Van der Gijp valt op dat Wilders nooit iemand aankijkt die hij verbaal aanvalt. Voor zich uit kijkend dreunt hij fel zijn zinnen op. Zo kan hij ook moeilijk worden onderbroken, oogcontact ontbreekt. ‘Gijp’ verbindt er geen oordeel aan. Bijvoorbeeld dat Wilders zijn schimpscheuten voorbereid heeft, en ze in een discussie geconcentreerd oplepelt. Of dat het hem geen zak kan schelen wie hij tegenover zich heeft. Of dat hijzelf niet echt veel geloof of waarde aan zijn woorden hecht. Cabaretiers hebben vaak te kampen met zelfhaat, omdat het publiek te makkelijk lacht en hun echte kunst miskent.

 

Gewone mensen

Wanneer linkse partijen verkiezingen verliezen, of niet de grootste worden, krijgen ze steevast dezelfde kritiek: ze hebben te weinig naar de man en de vrouw in de straat geluisterd. Zo’n stem is hoogleraar, voormalig PvdA-minister van Onderwijs en bio-informaticamiljonair Roland Plasterk. Hij wordt door Wilders na de verkiezingen gevraagd als verkenner én als informateur die een rechts kabinet met de PVV mogelijk moet maken. De eerste verkenner, een PVV-senator, blijkt te zijn aangeklaagd door de Universiteit van Utrecht vanwege de onregelmatige verkoop van een bedrijf dat wetenschappelijk onderzoek op de markt bracht. Circa twee miljoen aan gemeenschapsgeld zou in de zakken van onder anderen zijn vrouw verdwenen zijn.

Plasterk pleitte in 2017 in een opiniestuk in de Volkskrant voor een samengaan van GroenLinks en de PvdA. Volgens hem liepen de kiezers naar rechts omdat linkse partijen elkaar de tent uit bleven vechten. Pas zes jaar later kwam het tot die gewenste fusie. Plasterk, inmiddels columnist bij De Telegraaf, hekelde het elitaire denken.

 

Adorno

In een lezing uit 1967, in 2019 in vertaling verschenen bij Octavo, merkte Theodor W. Adorno op dat rechts-radicale kiezers een uitgesproken afkeer van het socialisme hebben. De welvaart van de middenklasse (boeren, middenstanders) neemt af in een kapitalistisch systeem dat geld naar de rijksten laat vloeien. En ze keren zich tegen de partij die dat systeem bekritiseert en hervormen wil. De angst om te verliezen, tot de verliezers te behoren, is veel krachtiger dan het geloof van systeem te kunnen veranderen. Dat was voor de oorlog, bij het fascisme, niet anders.

 

Migratie

In de verkorte onlineversie van het programma van PvdA-GroenLinks ontbreekt het thema migratie. Opvallend, omdat het journaal het afgelopen jaar bijna wekelijks berichtte over het tekort aan opvangplekken voor asielzoekers in de Nederlandse aankomlocatie Ter Apel. Is het een onderwerp waar de partij helemaal niets bij te winnen heeft? En zo ja, is dat een reden om over alle andere mooie plannen te blijven praten, in wat een Truman-show gaat lijken?

De Socialistische Partij doet het anders, met een duidelijke migratieparagraaf waarin politiek bedreven wordt. Nu vangen rijkere gemeentes relatief gezien weinig asielzoekers op, dat moet in de toekomst anders. De SP verliest vier zetels. Analisten oordelen dat het hun aan een ‘duidelijk migratiestandpunt’ ontbreekt, anders gezegd: ze zijn er niet sterk genoeg op tegen, zoals alle partijen op de rechterflank. Partijleider Lilian Marijnissen, die nooit van antiracisme beschuldigd kon worden, is inmiddels opgevolgd door ‘straatvechter’ Jimmy Dijk.

 

Klassen

De veelgeprezen onderwijsserie Klassen (publieke omroep Human) uit 2020 laat zien dat afkomst in Nederland bepalend is geworden voor het schooldiploma dat een kind kan halen. De documentaire toont hoe belangrijk goede onderwijzers zijn voor de ontwikkeling van kwetsbare scholieren. In een van de afleveringen gaat het over pesten, en hoe dat in de klas wordt aangepakt. De groep bespreekt niet alleen het gedrag van de pester, maar ook dat van het gepeste kind.

Het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA telt zo’n honderd pagina’s. Daarin komt het woord ‘rechts’ geen enkele keer voor. Het woord ‘polarisatie’ valt één keer, in afkeurende zin, als het gaat over algoritmes. Multinationals worden gehekeld, en huisjesmelkers ook, maar ze worden niet verbonden met een politieke richting of kleur. Rechts blijft ongenoemd, hoewel de VVD de afgelopen vier kabinetten de hoofdverantwoordelijke was.

Bram van Bon, bestuurder van de jongerenpartij van de VVD, komt feller uit de hoek. Zijn eigen partij heeft jarenlang het woonbeleid aan buitenlandse investeerders gelaten, stelt hij na de verkiezingen, en toch besluiten ze het woningentekort aan asielzoekers te wijten. Zulke zondebokpolitiek is eenvoudigweg bange politiek. Is het dan gek dat de PVV met de winst gaat lopen?

Tim ’S Jongers, hoofd van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, meent dat zijn partij wellicht soms te defensief en te lief is geweest. Telkens weer verschijnen er na verloren verkiezingen gewichtige rapporten vol interne kritiek, waarbij de zelfreflectie regelmatig in zelfkastijding overgaat. Hij krijgt voor de voeten geworpen dat zijn partij vooral hoogopgeleide stemmers trekt. ’S Jongers antwoordt fel er ‘fucking trots’ op te zijn zich in te zetten voor mensen die in solidariteit geloven. Toch snapt hij ook dat het moeilijk is om oog te hebben voor de belangen van anderen als je voortdurend geldzorgen hebt.

 

Hoogopgeleiden

‘Hoogopgeleid’ is een scheldwoord in het PVV-verkiezingsprogramma. Hoogopgeleiden hebben altijd hun oordeel klaar, maar ze zeggen het nooit in je gezicht.

Tussen de tv-fragmenten op YouTube van radicaal-rechtse politici die hun tegenstanders ‘slopen’, duikt steeds dat ene fragment van wijlen Eberhard van der Laan op. Voordat hij namens de PvdA burgemeester van Amsterdam werd, was hij kort de minister van Binnenlandse Zaken die tegenwicht aan Wilders moest bieden.

Het is een oud fragment van AT5: lokale bestuurder Van der Laan dient een boze burger van repliek. De boze man, met plat Amsterdams accent, vindt alles ‘waanzin’ wat die politici zeggen. Van der Laan pikt het niet. Hij heeft nog geen woord gezegd en wordt er al van beschuldigd onzin uit te kramen. ‘Je bent nog nooit bij een Amsterdammer geweest,’ schreeuwt de man terug. Van der Laan schakelt van ‘u’ op ‘jij’ over: ‘Ach flikker op, ik woon in De Baarsjes, waar woon jij? Ouwehoer!’ Het applaus volgt, de boze burger glimlacht, eindelijk. De burgemeester van Amsterdam wordt later herdacht om zijn wens dat de bewoners ‘lief’ zouden zijn voor elkaar.

 

Hall

In een lezing uit 1982 merkt Stuart Hall op dat Margaret Thatcher met radicaal-rechts de crisis van de jaren zeventig aangreep om de status quo te verlaten en het politieke krachtenveld scherp bij te sturen, naar rechts uiteraard. Labour verdedigde vooral de bestaande orde. Radicaal-rechts had zoveel succes doordat het een beroep deed op de (nu eenmaal conservatieve) volksmoraal, de common sense. De hardwerkende man strijdt tegen een almachtige bureaucratie. De vrouw en moeder waakt over de veiligheid van haar kind. Wat de xenofobie aangaat, nam Thatcher slim afstand van het racistische National Front, terwijl ze dezelfde standpunten ging verkondigen.

 

Kiezers

Zijn kiezers van de PVV verwende stukken vreten, zoals een krantenlezer uit Wageningen in een ingezonden brief opperde?

Arnon Grunberg ziet een voortgaande secularisering aan het werk – wat verwendheid niet uitsluit. Na de oorlog, vanaf de jaren zestig, keerden miljoenen Nederlanders de verschillende geloofsgemeenschappen de rug toe, en nu nemen ze ook nog afscheid van het humanisme van de Linkse Kerk. (Het humanisme was onder meer een reactie op de heksenvervolgingen. Mary McCarthy schreef ooit dat godsdienst alleen goed is voor goede mensen; voor anderen is het vooral een verzoeking tot trots, toorn en luiheid.)

Josse de Voogd, veelgeciteerd coauteur van de Atlas van afgehaakt Nederland (2022), denkt in dezelfde richting. Door het wegvallen van religieuze verbanden is er minder sociale samenhang, terwijl de overheid het steeds vaker laat afweten. En hij doet er nog een schepje bovenop: uitvoeringsinstanties en het culturele veld worden bevolkt door progressieve mensen, die zo alsnog hun stempel op het land drukken (‘voorrang voor statushouders, verduurzaming, verengelsing en diversiteit’). Heeft hij het over een geitenwollen sokken dragende deep state?

Aafke Romeijn gooit het over een andere boeg. Ze probeert de christelijke lezers van het Nederlands Dagblad te werven voor de linkse zaak, door Wilders’ beroep op de joods-christelijke cultuur – zonder enige barmhartigheid – een vorm van hoogmoed te noemen.

Bieke Purnelle kan er niet meer tegen, schrijft ze in De Standaard, dat de kiezers van extreemrechtse partijen altijd maar weer in bescherming worden genomen. Dat die mensen eigenlijk op Wilders hebben gestemd omdat ze teleurgesteld zijn in de politiek, en bang en onzeker. Purnelle noemt het paternalistisch wensdenken. Alsof er niet ook miljoenen kiezers radeloos zijn over het klimaat, het racisme, de hoge huren, de oorlog in Gaza, de huisprijzen! Zou het in plaats van over een kwart van de kiezers eens over die andere driekwart kunnen gaan?

Annelien de Dijn schrijft in De Groene Amsterdammer dat de PVV niet zomaar xenofoob, maar paranoïde en nationalistisch is. Keer op keer heeft Wilders moslims een bedreiging genoemd. Er zou een samenzwering bestaan tussen de linkse elite en migranten om een ‘Eurabië’ tot stand te brengen. Die ‘omvolkingstheorie’ is populair, zowel bij arbeiders als ondernemers, zo wees onderzoek uit. Ze laten zich minder leiden door economische belangen dan door nativisme.

Merijn Oudenampsen stelt in hetzelfde tijdschrift vast dat Wilders’ anti-islamretoriek tijdens en na de verkiezingsdebatten verstomde. Ook hij haalt peilingen aan: PVV-stemmers zouden weliswaar sterk gekant zijn tegen immigratie, maar tegelijk huiverig voor het ontbreken van klimaatbeleid, de afkeer van de publieke omroep en het verzet tegen de islam. Oudenampsen maakt een onderscheid tussen optimistische, hoopvolle kiezers en pessimistische, wantrouwende kiezers. GroenLinks-PvdA heeft voor een optimistische campagne gekozen, ook omdat de eigen achterban redelijk optimistisch was. Een strategische fout. De proteststem ging niet naar de man van het (Europese) establishment, Frans Timmermans.

 

Loten

David Van Reybrouck kwam alweer tien jaar geleden, geïnspireerd door Bernard Manin, met het manifest Tegen verkiezingen. Zijn diagnose: kiezers voelen zich steeds minder verbonden met politieke partijen, gaan minder stemmen en stemmen vaker op een andere (protest)partij. Commerciële media vereenvoudigen de discussie of leggen de nadruk op schijnproblemen. En kiezers zijn geneigd, zo had onderzoek uitgewezen, sowieso nee te zeggen bij onderwerpen waar ze niet voldoende over weten. Zo komt geen land vooruit.

Als aanvulling (niet als alternatief, zoals zijn titel provocerend suggereert) zou er een parlement van gewone mensen moeten komen. Ze worden lukraak aangewezen en krijgen de taak maatschappelijke kwesties op de politieke agenda te zetten en er beleidsvoorstellen voor te doen. Ze zullen vooraf ruim geïnformeerd worden, en vervolgens in alle rust, niet opgestookt door (sociale) media, niet afgeleid door mobiele telefoons, met elkaar discussiëren. Waar kom je dat nog tegen?

Na de 37 zetels van Wilders lijkt er meer dan ooit reden te zijn voor democratische vernieuwing (de PVV pleit zelf voor een gekozen burgemeester en een correctief referendum). De voorwaarde is dan wel dat er eerst verkiezingen worden gewonnen door een progressieve partij. Voorlopig schijnt de democratie uitstekend te functioneren voor radicaal- rechts, zo laten Viktor Orbán, Benjamin Netanyahu, Narendra Modi, Giorgia Meloni, Javier Milei en Geert Wilders zien. Komend jaar zijn er onder meer verkiezingen in India, de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en België.

 

Zwakke plek

In Hoe democratieën sterven uit 2019 stellen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt een beschermingsmaatregel voor tegen populisten, die de rechtsstaat uithollen en de democratie verengen tot ‘de meeste stemmen gelden’. De werkelijk democratische partijen, of ze nu rechts of links zijn, moeten hun verantwoordelijkheid nemen. In plaats van politieke winst op korte termijn zouden ze stabiliteit op lange termijn moeten nastreven. Het ‘zouden moeten’ is in hun redenering de zwakke plek.

Bij aanvang van de formatiegesprekken eind 2023 krijgt Pieter Omtzigt, die met zijn Nieuw Sociaal Contract (NSC) twintig zetels haalt, op de publieke omroep de vraag of zijn eis dat Wilders vooraf zal beloven de grondwet te respecteren wel redelijk is. Dan heeft Wilders toch geen enkele ‘onderhandelingsruimte’ meer?

 

Het volk versus de kunsten

In 2010 vormden de VVD en het CDA de minderheidscoalitie Rutte I, gedoogd door Wilders’ PVV. Na de financiële crisis en de miljarden kostende bankenreddingen werd er flink gesneden in de overheidsbegroting. Wilders had in de verkiezingscampagne de kunsten weggezet als een linkse hobby. Cultuur kreeg het zwaar voor de kiezen en werd met 200 miljoen gekort, zo’n twintig procent van het totale budget. Zo konden radicaal-rechtse kiezers tevreden worden gehouden. Er volgde een ‘Mars der Beschaving’ op Den Haag, een titel die bestaande vooroordelen helaas bevestigde. Halbe Zijlstra, de VVD-staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, had zich eerder al met sardonisch genoegen als een cultuurbarbaar geprofileerd.

In de afgelopen verkiezingscampagne gaat het voortdurend om ‘bestaanszekerheid’; dat beeld ontstaat althans in de pers. Na de installatie van de nieuwe Tweede Kamer klinkt algauw de vertrouwde roep om bezuinigingen. Een voorstel van PvdA-GroenLinks om een energietoeslag te betalen met een hogere belasting op banken en met minder belastingvoordeeltjes voor expats wordt weggestemd. De VVD wil een kleinere overheid, het NSC wil schulden afbetalen, BBB pleit ervoor ondernemers te ontzien. De PVV heeft op papier een aantal sociale, ‘linkse’ voorstellen gedaan. Dáár zal oud-VVD’er Wilders water bij de wijn moeten – en waarschijnlijk ook wel willen – doen. En dus moet hij zich op andere thema’s breed maken.

Er dreigt gevaar voor onafhankelijke media (de publieke omroep, maar ook het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek of het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten) en zeker ook voor de kunsten. De oude argumenten zullen van stal worden gehaald: de broekriem moet worden aangehaald, de markt moet zijn werk doen, kunst is elitair en te links (‘ontaard’ durft nooit iemand te zeggen).

 

Slechte kunst

In Het Parool waarschuwt Judikje Kiers, voorzitter van de Amsterdamse Culturele Instellingen, dat er ontzettend veel kunst en cultuur wegvalt als de overheid haar steun intrekt. Onder het vorige kabinet-Rutte IV was er, met dank aan D66-staatssecretaris Gunay Uslu, 170 miljoen euro extra beschikbaar gekomen. Daarmee was de schade die Rutte I had aangericht eindelijk hersteld. Vanaf 2025 zijn culturele instellingen verplicht werknemers een fair loon te geven, anders komen ze niet in aanmerking voor financiële ondersteuning.

Vormt het geen probleem, vraagt de interviewer, dat kunst zo vaak als een ‘linkse hobby’ wordt weggezet? Kunst is niet links, antwoordt Kiers, maar de kritische blik op de maatschappij wordt gemakkelijk als zodanig bestempeld. Wat is er links aan om mensen bij elkaar te brengen, kennis te verspreiden, inzicht te bieden? Bovendien heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het budget voor de periode 2025-2028 al vastgesteld. Daarvan afwijken zou – en hier klinkt terechte vrees door – getuigen van onbehoorlijk bestuur.

Maxim Februari heeft zijn twijfels bij het uitgangspunt dat kunst moet zorgen voor verbinding. Het klinkt te lief in deze tijden, meldt hij in een interview, en het negeert het bestaan van allerlei conflicten. Eerder al had Februari in de Huizingalezing (2020) gepleit voor het belang van ‘slechte kunst’ – kunstenaars die niet de bestaande agenda’s volgen, die niet het collectieve belang vooropstellen, geen rigide moraal hanteren, die humeurig en onbetamelijk durven te zijn. Slechtheid, zou je met een boutade kunnen concluderen, is te belangrijk om aan politici over te laten.

Weinig is funester voor kunst dan wanneer alle voorstellingen en tentoonstellingen welwillende recensies ontvangen. Dat leek tijdens de cultuursanering van 2011 te gebeuren, de sector had het immers al zo zwaar. Er bestaat slechte kunst, en die moet bekritiseerd blijven worden, ook en juist wanneer de intenties loffelijk zijn.

 

Moraal

Rudi Laermans geeft in zijn boek Ik, wij, zij uit 2020 een schijnbaar apolitiek antwoord op de vraag hoe de kunsten moeten reageren op de populistische verleiding. Als alternatief voor het wij-zij-denken noemt hij de intense samenwerking tijdens moderne dansvoorstellingen. Zonder strikte hiërarchie, mét inbreng van alle medewerkers, voorbijgaand aan allerlei individuele meningen en aan de behoefte aan sociale bevestiging, werkt een groep aan een voorstelling. Alle ideeën ter verbetering worden getoetst op hun bruikbaarheid, los van wie het voorstel doet.

Ook Laermans waarschuwt voor al te veel gemoraliseer in de kunsten, of beter: hij legt uit dat de massamedia daar altijd beter in zijn, juist omdat het kijkers trekt: ‘Moralisering genereert aandacht, toch een schaars goed binnen onze aandachtseconomie.’ Hij stelt een andere vraag, die een andere ethiek volgt: ‘Wanneer is het goed om tussen goed en kwaad te onderscheiden?’

Als de kunsten zelf het voorwerp van afkeer en wrok worden, zoals te voorzien valt, zal de neiging bestaan om zich als slachtoffer te presenteren. Dat moet worden vermeden, al was het maar, zoals Eva Illouz stelde in Undemokratische Emotionen. Das Beispiel Israel (2023), omdat radicaal-rechts zich het slachtofferschap volledig heeft toegeëigend.

Ondertussen hebben de eerste ‘onafhankelijke cultuuradviseurs’ (lees: consultants op zoek naar opdrachten) zich al gemeld. De cultuursector moet minder elitair, instituten zullen het over een andere boeg moeten gooien, en sommige instellingen kunnen worden gesloten, was de teneur van een opiniestuk in NRC. Die cultuurbestuurders zijn enkel met hun eigen voortbestaan bezig, nooit op zoek naar een breder publiek. Deze verkiezingen kunnen een omslag ten goede inluiden, mits er meer budget beschikbaar komt.

Lariekoek. Populisten minachten pluriformiteit. Ze zijn beducht voor expertise en vakmanschap. Ze wanen zich de enige vertegenwoordiging van het volk. Ze zullen proberen iedereen weg te duwen die inbreuk maakt op hun claims. Daar ligt het strijdveld.

Zelfportret van een subsidieadviseur

Commissielid 1: ‘Ik verwacht iets veel levendigers bij Russische volksmuziek.’
Commissielid 2: ‘Maar het gaat om kerkmuziek, de aanvrager baseert zich op Russische kerkmuziek.’
Commissielid 1: ‘Bij Russische volksmuziek denk ik aan wodka en woest dansen, hoog die beentjes, leven in de brouwerij, niet dit soort verstilling en sereniteit.’
Commissielid 2: ‘Het is inderdaad serene muziek, want nogmaals: het is kerkmuziek.’
Commissielid 1: ‘Nou, ik hoor het gewoon niet.’

 

De hel, dat zijn de anderen, dat is bekend. In de grofweg vijftien jaar dat ik als adviseur voor toe te kennen Nederlandse kunstsubsidies optrad, waren de moeilijkste momenten die waarin een evident misverstand tot een in mijn optiek foutieve beoordeling van een subsidieaanvraag leidde. De hierboven beschreven dialoog is daarvan een voorbeeld, en zeker niet het enige.

Minstens zo confronterend was de stelligheid waarmee adviseurs soms hun stokpaardjes bereden, of hun onverschilligheid. Ik kan tien jaar na dato nog in woede ontsteken over twee collega’s die naar huis wilden (de dag was pas halverwege) en om die reden een belachelijke aanvraag met een stemming accordeerden en de noodzakelijke discussie erover zo vermeden. Beiden kozen ze voor een duur en onzalig plan, in een tijd waarin de politiek het culturele subsidiestelsel al even nauwlettend als argwanend in de gaten hield, de tijd ook waarin veel lokale partijen opkwamen die onder de vlag van ‘leefbaarheid’ graag de hand op de knip hielden als het om de ondersteuning van kunst ging.

In diezelfde periode was participatie een tijdlang het toverwoord voor kunstenaars. In sommige gevallen leidde zo’n samenwerking tussen professionals en bewoners van een bepaalde buurt tot prachtige projecten, maar niet zelden bleek het ook een perfect plan B voor makers die in het officiële circuit niet (meer) aan de bak kwamen. Er was zodoende veel kaf van koren te scheiden. Precies daarom vond ik dat over een aanvraag als deze (als adviseur ben je verplicht wat besproken is tijdens een vergadering geheim te houden, vandaar dat ik niet concreter word) zorgvuldig moest worden gedebatteerd, maar ik was in de minderheid, de enige tegenstem binnen een commissie van drie. Het is vele jaren geleden, maar ik ben de onmacht die ik toen voelde nooit vergeten.

Natuurlijk heb ook ik soms op mijn stokpaard gezeten, natuurlijk heb ik weleens een discussie vermeden, natuurlijk heb ik vast aanvragen verkeerd gelezen of geïnterpreteerd, doorgedramd of juist gezwegen, natuurlijk ben ik binnen het subsidiebestel weleens de hel voor een ander geweest. Anders dan de intro wellicht suggereert, is het aantal volstrekt verkeerde adviezen in al die jaren en veel verschillende commissies mijns inziens zéér beperkt geweest.

Dat wil dus niet zeggen dat het adviseurschap altijd gesmeerd verliep. Er zijn aanvraagrondes geweest waar ik erg slecht van heb geslapen en er zijn besluiten genomen – ten goede en ten kwade – die me meteen het schaamrood op de kaken zouden jagen, mocht iemand er ooit naar vragen. Voor het overgrote deel zie ik dat niet als een probleem, maar als een vanzelfsprekende consequentie van het over subsidies adviseren, want – en dit is steeds mijn belangrijkste motivatie geweest – dat betekent wegstappen van de zijlijn en je verantwoordelijkheid nemen.

Toen ik in 2016 werd gevraagd om als jazzspecialist zitting te nemen in een zware procedureronde voor de meerjarige subsidies waaruit vier jaar eerder nagenoeg alle jazzensembles buiten de boot waren gevallen, was exact mijn verantwoordelijkheidsgevoel de reden dat ik besloot tot de commissie toe te treden. Voor de buitenwereld heeft het weinig verschil gemaakt, want ook die keer werden in eerste instantie maar weinig aanvragen gehonoreerd. Toch is dat niet zonder slag of stoot gegaan, zoveel kan ik hier wel prijsgeven. Wat commissies bespreken, blijft binnenskamers zodat de buitenwereld per definitie alleen de uitkomst verneemt en niets te weten komt over het proces dat aan het besluit voorafging, over de gevoerde discussies, de argumenten en de pijn van een definitieve keuze. Bovendien is het voor de buitenstaander vaak moeilijk om te beseffen dat de uitkomst nog veel nadeliger had kunnen zijn, en dat er bijvoorbeeld nóg minder aanvragen van ensembles gehonoreerd hadden kunnen worden.

In het commentaar op subsidieadviseurs wordt juist die voorwaarde – het nemen van verantwoordelijkheid – nog wel eens vergeten. Natuurlijk is een negatief oordeel voor iedereen even slikken, maar dat oordeel zou naar mijn idee nog veel moeilijker te verteren zijn als het werd gegeven door iemand zonder enige kennis van zaken. Wijlen Willem Breuker stipte dat terecht lang geleden al aan. Het was juist waarvoor hij gevochten had, zei de saxofonist, door collega’s te worden beoordeeld en niet door een stel ambtenaren. Dat die collega’s ook afwijzend konden reageren, dat had hij maar, vond hij zelf, te accepteren.

 

Orde op zaken

Even een pas op de plaats. Ik heb me niet eens fatsoenlijk voorgesteld. Ik ben dichter en schrijver, en ik publiceer al geruime tijd in kranten en tijdschriften over muziek en beeldende kunst. Grofweg van 2005 tot 2020 adviseerde ik in verschillende commissies voor culturele projecten bij de Gemeente en de Provincie Utrecht, voor het Nederlands Letterenfonds en voor het Nederlands Fonds Podiumkunsten. Ik deed dat in verschillende commissies, die soms langere tijd dezelfde samenstelling hadden, maar vaak ook per keer anders waren samengesteld.

Het is belangrijk om direct een onderscheid te maken. Bij het Nederlands Letterenfonds heb ik eerlijk gezegd zelden tot nooit last gehad van wroeging en evenmin het gevoel gehad tot iets gedwongen te worden waar ik niet achterstond. Ik vind het jammer dat de stimuleringsbeurs voor debutanten nu niet meer aan een groot aantal talenten wordt toegekend en slechts onder acht auteurs wordt verdeeld. Dat ik het anders zou doen wanneer ik het voor het zeggen had, betekent niet automatisch dat de keuze een verkeerde is, en ook niet dat ik ervan wakker lig.

Het spreekt voor zich, maar voor de goede orde meld ik toch maar even dat ik nooit over bevriende schrijvers heb geadviseerd.

Voor het Nederlands Letterenfonds adviseren week sterk af van het werk in de adviescommissies die op de podiumkunsten betrekking hadden. Een essentieel onderscheid is dat een commissie bij een schrijver altijd toegang heeft tot diens laatste wapenfeit. De roman, verhalen-, essay- of dichtbundel is beschikbaar voor iedereen die om advies gevraagd wordt. Zelfs als het voorlaatste boek van de auteur twee of drie decennia geleden verschenen is, kunnen en zullen de adviseurs daar kennis van nemen, wat heet, ze zullen dat boek grondig lezen en er een afgewogen oordeel over geven.

Hoe anders is dat bij de podiumkunsten: daar speelt een voorstelling meestal een beperkt aantal keren binnen een doorgaans korte periode en veelal verspreid over het hele land. Grote kans dat minstens een van de adviseurs die uitvoeringen heeft gemist, temeer omdat hij of zij ten tijde van de voorstellingsronde niet wist, zelfs niet kón weten dat hij of zij over dit theater-, dans- of muziekstuk ooit een uitspraak zou moeten doen. Het blijft een ondraaglijk dilemma voor de fondsen die – dat staat buiten kijf – een zo goed mogelijke advisering voorstaan, maar die onmogelijk kunnen garanderen dat wie aanvraagt ook door de adviseurs aan het werk is gezien. In hoger beroep is om die reden wel een advies herroepen, maar het is vooral belangrijk om te beseffen dat het onmogelijk is een situatie te scheppen waarin elk binnen het zeer ruime veld van de podiumkunsten opererend gezelschap even vaak gezien is als de concurrentie.

Een andere achilleshiel is (de schijn van) belangenverstrengeling. Velen in de kunsten hebben zoveel verschillende functies (en zijn behalve acteur bijvoorbeeld ook marketingmedewerker of theaterdocent) dat een commissie de laatste jaren vlak voor aanvang nog vaak moest worden gewijzigd. Het gevaar dat een adviseur die ooit op een blauwe maandag bij een gezelschap een workshop heeft gegeven of een figurantenrol speelde, meteen een positief oordeel over het betreffende gezelschap zou geven, is weliswaar niet zo groot (en het tegenovergestelde kan natuurlijk ook), maar een ander gezelschap zou hiermee wel degelijk een vermeende verstrengeling van belangen kunnen aanvoeren en op basis van dat argument de beslissing van de commissie aanvechten. Sinds het Amsterdams Fonds voor de Kunst jaren terug in hoger beroep door de rechter terechtgewezen werd, wordt dit heikele punt door de subsidieverstrekkers nog nauwlettender in de gaten gehouden.

Een wezenlijk verschil was ook dat het plan van de maker totaal anders op waarde werd geschat bij het Nederlands Letterenfonds dan bij bijvoorbeeld het Fonds Podiumkunsten. Schrijvers werden en worden beoordeeld op de kwaliteit van hun hele oeuvre, waarbij de kwaliteit van hun meest recente boek binnen dat kader werd gewogen. De kwaliteit van hun plan telde vanzelfsprekend mee, maar was zelden tot nooit doorslaggevend, temeer ook omdat een plan van een schrijver veel minder complex is dan dat van een maker uit de theater-, dans- of muziekwereld. Schrijvers schrijven hun boek in de regel alleen en hebben in principe niets anders nodig dan de tijd om hun idee uit te werken en het boek daadwerkelijk te schrijven. Of en hoe dat boek vervolgens publicitair zal worden ondersteund, is afhankelijk van de marketingafdeling van de uitgeverij.

Natuurlijk werden ook bij het Fonds Podiumkunsten reputaties gewaardeerd, maar een gerenommeerd gezelschap met een slecht voorstellingsidee kon om die reden best worden afgeserveerd. Omgekeerd kon een aanvraag van een nieuwkomer met een spannend en goed uitgewerkt idee wel succesvol zijn.

Voor het Nederlands Letterenfonds zijn de zaken ook domweg overzichtelijker. Alleen auteurs met een contract bij een erkende uitgeverij komen voor een subsidie in aanmerking, terwijl in de podiumkunsten elk gezelschap met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel een aanvraag kan indienen. En dan zijn schrijvers ook nog eens eenmansbedrijven van wie de persoonlijke belastingaangifte (in de regel) tegelijk de aangifte van hun ‘onderneming’ is. Dat is bij podiumkunsten totaal anders. Een stichting die aanvraagt, draagt de cijfers over. Dat de leden zich wellicht suf verdienen met nevenactiviteiten telt daarbij niet mee en de commissie die de aanvraag beoordeelt, heeft er geen inzicht in.

Wezenlijk is ook dat voor het Nederlands Letterenfonds louter de kwaliteit van het werk van de aanvrager doorslaggevend is (dit lijkt een open deur, maar bij andere fondsen is dat niet altijd het geval). Daarmee is een aanvraag uit zichzelf afdoende beschermd tegen het afgeven van perverse prikkels aan mogelijke gesubsidieerden. Stel – het is haast ondenkbaar, maar toch – dat een van subsidie afhankelijke auteur van literatuur (niet-literair werk wordt per definitie niet gesubsidieerd) enkel om economische redenen een boek besluit te schrijven en daarvoor geld vraagt aan het Nederlands Letterenfonds. Dan moet allereerst het eerdere werk van deze schrijver voldoende kwaliteit hebben opdat de aanvraag kans op honorering maakt. Wanneer uiteindelijk het louter uit geldelijk gewin geschreven boek verschijnt (en de uitgever zelf niet ingegrepen heeft), zal dat in een volgende ronde een laag beoordelingscijfer krijgen, waardoor de auteur minder of zelfs helemaal geen subsidie meer krijgt.

 

Perverse prikkels

Vanzelfsprekend is er een aantal grote, zelfs essentiële verschillen tussen de praktijk van een schrijver en die van een podiumkunstenaar. Even vanzelfsprekend leiden die verschillen tot een afwijkend beoordelingssysteem. Schrijvers schrijven, ze hebben daar nauwelijks materiaal voor nodig en ze doen dat in de regel alleen. Bij de podiumkunsten is dat heel anders, zelfs voor een toneelmonoloog, een solodans- of muziekvoorstelling zijn er meerdere betrokkenen: een geluids- en een lichttechnicus, een regisseur en de maker zelf, maar misschien ook een componist, een choreograaf, een ontwerper, een of meer musici voor het opnemen van de muziek – en dat is dan alleen de uitvoerende kant. Bij een schrijver wordt de publiciteit normaliter georganiseerd door de uitgever en boekingen voor lezingen gaan ook via die uitgever of via De Schrijverscentrale. Bij instellingen binnen de podiumkunsten daarentegen wordt de verkoop van voorstellingen ofwel uitbesteed, ofwel door een of meer medewerkers in eigen huis gedaan. Publiciteit? Zelfde verhaal. Kortom: het aantal betrokkenen is al snel heel groot.

Extra complex wordt het doordat de aanvraag ruim aan de daadwerkelijke uitvoering voorafgaat. Nagenoeg alles in de aanvraag is gebaseerd op schattingen, verwachtingen, aannames. Hoeveel voorstellingen ga je verkopen van een stuk dat alleen nog maar in gedachten bestaat? Hoeveel mensen gaan die voorstelling bezoeken? De aannames moeten plausibel zijn – de commissie bestaat uit mensen die de praktijk kennen – en stroken met de doelstellingen van het fonds waar subsidie wordt aangevraagd; zo is er vaak een minimum en een maximum bepaald in de verhouding tussen verkoopopbrengsten en subsidiegelden. Ten slotte moet de aanvrager een kloppende begroting inleveren. Stel: een aanvrager wil zich voor teleurstellingen indekken en besluit de risico’s zoveel mogelijk te spreiden door bij een groot aantal fondsen subsidie aan te vragen. In dat geval komen alle aan te vragen bedragen op de balans te staan, terwijl geen van die bedragen met zekerheid wordt toegekend en een score van honderd procent zelden tot nooit bereikt wordt. Maar die bedragen staan daar, en aan de kostenkant moet op de balans tot alle cijfers achter de komma exact hetzelfde bedrag staan.

Het duurde even, maar na een paar rondes als commissielid begreep ik ineens waarom in tal van theater- en dansaanvragen een post ‘video’ opdook. Aan filmopnamen en de bijkomende bedragen voor projectie en dergelijke kun je geld goed kwijt, en zo kun je op de balans de kosten flink ophogen zonder de daadwerkelijke productie in gevaar te brengen, want wanneer je – zoals de praktijk zal zijn – niet bij alle fondsen het gevraagde geld loskrijgt, schrap je het videoverhaal. Het is maar één voorbeeld uit een lange lijst van mogelijkheden om de geraamde kosten van de te maken productie al dan niet drastisch op te hogen. Fraude? Nee, er valt niet aan te ontkomen op het moment dat een fonds blijft vasthouden aan de eis dat een begroting tot twee cijfers achter de komma moet kloppen, terwijl ze volledig op verwachtingen en veronderstellingen gebaseerd is. Mocht een instelling een gelukkige hand van aanvragen hebben en van meerdere fondsen gelden ontvangen, dan is de kostprijs van de voorstelling in wezen kunstmatig verhoogd, een inflatie geïnstigeerd door de fondsen zelf, die publiek geld beheren.

Uitgerekend de verantwoordelijkheid voor gemeenschapsgeld raakt aan mijn grootste worstelingen binnen de periode van mijn adviseurschap. In die tijd – en ik vraag me af of daar verbetering in is gekomen – bestonden er bij de fondsen waarbij ik adviseerde niet of nauwelijks kaders voor het beoordelen van de financiële kant van een aanvraag. Ik heb dat als een grote omissie ervaren. De aanvragers bepaalden bijvoorbeeld zelf wat zij een redelijk budget achtten. Daarbij traden riante verschillen op die niets te maken hadden met de te leveren inspanning of de kwaliteit van een voorstelling. Hoe arbitrair de aangegeven salarissen soms waren, mag blijken uit een aanvraag waarin een instelling na kritiek van een commissie in de herkansing het inkomen van de directeur met liefst vijftigduizend (!) euro verlaagde. Er bleef overigens nog een ton voor hem over, exact het bedrag dat de instelling bij het betreffende fonds aanvroeg. Paradoxaal genoeg werd dit probleem nog groter toen na een reeks krantenartikelen over wanbetalingen binnen de culturele sector de term fair pay in zwang kwam. De mogelijkheid kritiek te hebben op de salarishoogte, hoe fors ook, werd commissies uit handen geslagen. Natuurlijk vonden alle adviseurs dat de betrokkenen netjes betaald moesten worden, maar duidelijke richtlijnen over wat ‘netjes’ is, bestonden in elk geval destijds niet. Daarnaast blijft altijd de vraag bestaan wat reëel is. Want nogmaals, het gaat om gemeenschapsgeld, en wat is een maatschappelijk verantwoord bedrag voor een orkestopvoering, een dans- of theaterproductie en de mensen die dat mogelijk maken, van technicus tot directeur?

Ook ten aanzien van andere geldelijke aspecten ontbraken vaak de richtlijnen. Wat is een acceptabel bedrag om bijvoorbeeld aan marketing uit te geven? Mij zal altijd de keer blijven heugen dat ik bakzeil haalde omdat de overige commissieleden het geen probleem vonden dat een aanvrager honderdvijftig procent van de verwachte verkoopopbrengsten aan marketing wilde besteden: voor ieder verkocht entreekaartje van tien euro ging er vijftien euro op aan reclame.

Hier komen een aantal frustraties en problemen samen. In de eerste plaats vielen dergelijke kwesties steevast onder hetzelfde beoordelingspunt, namelijk het ondernemerschap. Vaak was het problematische punt louter één aspect, naast tal van zaken die wel op orde waren. Moest de commissie een ensemble van wereldklasse met voortreffelijke plannen en een ordentelijke financiële huishouding straffen omdat de betrokkenen zich een hoge honorering toebedachten? Moest je een groot talent ondersteuning onthouden omdat een bepaalde post in de begroting erg fors uitviel of gewoon moeilijk te verklaren was? Dit waren zich dikwijls herhalende dilemma’s, waarbij de ‘misstand’ meestal toch te licht leek voor de enige sanctie die de commissie ter beschikking stond. De meest logische optie, namelijk korten en zo het overschrijden ongedaan maken, was geen optie.

De omgang met dergelijke dilemma’s werd in de loop der jaren wel steeds lastiger doordat het even rigoureuze als rampzalige beleid van Halbe Zijlstra (van 2010 tot 2012 staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het door de PVV gedoogde kabinet-Rutte I) voor een kaalslag in het culturele leven in Nederland had gezorgd. Een van de vele gevolgen was dat de budgetten van een publiek fonds als het Fonds Podiumkunsten meer en meer ontoereikend bleken om nog maar een aanvaardbaar deel van de aanvragen te honoreren. In een tijd van totale krapte om loonsverhoging vragen, zoals sommige gezelschappen in feite deden, voelde onsolidair en ongepast. Door een betere betaling te eisen, vielen andere aanvragers uit de boot. Nog nijpender werd dat toen de al eerder gememoreerde fair pay zijn intrede deed.

Alsof het allemaal al niet moeilijk genoeg was, veranderden er nog een aantal zaken, dit keer niet binnen de fondsen, maar in het veld. Enerzijds waren er de producenten van commercieel succesvolle producties, zoals musicals, die zich ten dele gingen losmaken van de wetten en werking van de markt. Eerder vroegen zulke producenten geen subsidie aan, ze droegen de risico’s van hun grootschalige producties zelf en compenseerden eventuele verliezen met de winsten van eerdere successen. Juist in de tijd dat geld voor cultuur schaarser werd, besloten zij dat anders te doen, wat op zich begrijpelijk is omdat de situatie ook voor hen steeds lastiger werd. Met als gevolg: nog meer aanspraak op een toch al te beperkt budget. En dan raakten ook nog eens megagrote theaterevenementen op locatie in de mode. Vanwege hun logistiek en schaal geweldig kostbare producties van dikwijls een miljoen euro of zelfs nog meer, waarvan in de regel al zo’n 90 tot 95 procent via sponsoring en dergelijke verzekerd was, maar opnieuw werd er toch ook aanspraak gedaan op een kas die al nagenoeg leeg was.

Hier waren het niet zozeer de ontbrekende, maar de bestaande kaders die de behandeling van dergelijke aanvragen voor mij vaak nogal vervelend en teleurstellend maakten. In de gehanteerde en doorgaans door de politiek opgelegde systematiek was artistieke kwaliteit namelijk een van vier criteria, en het cijfer daar telde even zwaar als dat van de andere drie. Het gegeven dat dit in de regel op een groot publiek gerichte voorstellingen waren, was voor sommige adviseurs, onder wie ikzelf, misschien weinig reden tot enthousiasme, maar zelfs het meest snobistische commissielid kon met goed fatsoen niet om het vakmanschap in dergelijke producties heen, waardoor op het criterium ‘artistieke kwaliteit’ doorgaans toch op zijn minst een voldoende werd gescoord. Naar de aard van de productie was het volgende criterium, ‘ondernemerschap’, spek naar de bek van deze voorstellingen, aangezien het maken en verkopen ervan de corebusiness van de aanvragers was. Die voorstellingen speelden ook nog eens in het hele land of stonden lang op een locatie waar door het jaar heen weinig cultuur voorhanden was, zodat ook op het criterium ‘spreiding’ bijzonder hoog werd gescoord. Menigmaal was zo’n voorstelling ook nog eens in een streektaal of dialect, of werd dat aan het stuk toegevoegd, zodat ook bij het criterium ‘pluriformiteit’ punten werden binnengehaald. Hoe zeker het ook was dat de producent het bij het fonds aangevraagde bedrag heus wel uit de markt zou kunnen halen en het zelfs in de lijn der verwachting lag dat een dergelijke productie winst zou maken, was dat geen argumentatie om van honorering af te zien. Met hoge scores op de niet-artistieke criteria wist dit soort producties vaak een plek boven de zaaglijn te bemachtigen. Op zich weinig aan de hand, behalve dat daardoor prachtige en uitdagende kleinere ensembles uit het nest werden geduwd en met lege handen achterbleven.

Door de gelijkschakeling van de beoordelingscriteria werd het voor instellingen en ensembles nagenoeg onmogelijk om alleen op basis van hun prestaties als musicus, danser of theatermaker subsidiegeld in de wacht te slepen. Ik heb meegemaakt dat zelfs ensembles met de maximaal haalbare score op het criterium ‘artistieke kwaliteit’ buiten de boot vielen omdat ze uitblonken in iets wat ‘gewoon’ werd bevonden – ‘gewoon’ klassieke muziek, ‘gewoon’ teksttheater – of wanneer ze er als kleine organisatie niet in waren geslaagd om een tournee op te zetten met voldoende speelbeurten buiten de vier grote steden in Nederland.

Dat zogeheten spreidingscriterium is een typerend voorbeeld van hoe de doelstellingen van een fonds met zichzelf in tegenspraak kunnen zijn. Het uitgangspunt is dat er overal in Nederland voldoende hoogwaardig cultureel aanbod moet zijn. Na een aanvankelijke scepsis ben ik steeds meer achter die premisse gaan staan. Natuurlijk is Nederland klein, natuurlijk is een half uur met de trein om een voorstelling te zien slechts een beperkte moeite, mits – en daar begint het al – je gezond en valide bent. Maar ook voor makers kan het reizen met een voorstelling leerzaam zijn, want zelfs binnen een klein land als Nederland bestaan er lokaal grote verschillen. Ik herinner me uit mijn jeugd hoe hautaine bandjes uit Amsterdam in mijn geboortestad Apeldoorn nogal eens met hun arrogantie werden geconfronteerd en hoe studentikoos toneel uit Utrecht in een statig Haags theater totaal doodsloeg. Enfin, dat alles is het punt niet.

Het probleem laat zich raden. De ondersteuningsregelingen die het Fonds Podiumkunsten voor de podia zelf heeft, zodat die niet uitsluitend commercieel hoeven te programmeren, maakten duidelijk dat de theaters en popzalen in de praktijk de grootste moeite hadden om een publiek te vinden voor een aanbod dat in de Randstad allesbehalve gewaagd en zelfs mainstream zou worden gevonden. Dus of je het nou met het spreidingscriterium eens bent of niet, de realisatie ervan is geen sinecure. Ensembles die onvoldoende optredens of voorstellingen in de regio wisten te verkopen, werden daar op afgerekend, in die zin dat ze op dit criterium geen punten scoorden, en in de ratrace waartoe de subsidierondes geleidelijk aan waren verworden, kon ieder punt verlies je spreekwoordelijk de kop kosten.

 

Opportunisme

Later werd het bovenstaande spreidingscriterium aangepast, en er zijn na mijn laatste advieswerk in 2020 weer andere criteria bijgekomen. De fondsen waarvoor ik adviseerde, waren zonder uitzondering publieke fondsen die geld van een overheid kregen en dat vervolgens aan de hand van door diezelfde overheid opgestelde richtlijnen onder culturele instellingen en makers verdeelden. Die richtlijnen zijn aan veranderingen onderhevig, al is het maar omdat er iedere vier jaar een (deels) andere regering of nieuw stadsbestuur zetelt, en de fondsen moeten zich telkens naar die richtlijnen plooien. Wethouder 1 vindt het belangrijk dat een bepaalde wijk een broedplaats wordt voor cultureel talent en dus moet het gemeentelijke fonds aanvragen die daarbij aansluiten prioriteit geven. Wethouder 2 vindt zo’n broedplaats maar niets of ziet die liever in een andere wijk en hop, daar zwalkt het beleid achter de veranderde opinie aan, steeds opnieuw en opnieuw. Het leidt tot een situatie waarin de fondsen en vervolgens de makers steeds achter de feiten aanlopen. Eerst moet worden gewacht op het overheidsbeleid, vervolgens moet daarop een subsidiesysteem worden gesmeed dat juridisch te verdedigen valt, en als dat systeem eindelijk openbaar is gemaakt, kunnen de instellingen en makers bedenken of en zo ja, hoe ze aan de nieuwe doelstellingen kunnen voldoen.

Dergelijk gejojo was een fikse ergernis voor menig commissielid en dikwijls ook voor mij, maar toch is dat bijzaak, want het echt kwalijke is dat op die manier een consistent cultuurbeleid onmogelijk wordt. Zeker binnen de Nederlandse context, waarin de combinatie van een ontbrekende hofcultuur met de beruchte handelsmentaliteit tot grote onverschilligheid ten aanzien van traditie heeft geleid. Toen Halbe Zijlstra met zichtbaar leedvermaak uitsprak dat niemand binnen het cultuurveld voor zijn bezuinigingen veilig was, openbaarde hij zijns ondanks wat al zo lang een van de zwakste plekken in het Nederlandse stelsel is: een grote desinteresse voor het verleden en wat echt verworvenheden mogen worden genoemd. Dat Zijlstra destijds ook belangrijke erfgoedinstellingen als het Theater Instituut Nederland sloot en daarmee het geheugen van de culturele sector kaltstelde, is een extra navrant voorbeeld. (Tegelijk is de langdurige focus op vernieuwing ook een kracht geweest, die paradox erken ik zonder meer.) Kwalijk is dat dit systeem de deur wijd openzet voor opportunisme.

Nu is het najagen van eigenbaat op zichzelf al weinig attractief, om niet te zeggen lelijk, het probleem is vooral dat op dit punt het subsidiestelsel contraproductief wordt. Overheden werken per definitie traag en zijn bovendien vaak in hoge mate reactief. Dat staat haaks op het vermogen van kunst om de vinger aan de pols van de tijd te hebben. Als makers hun werk goed doen, zal een aanzienlijk deel van hen automatisch een aantal belangrijke thema’s aan de orde brengen. Nu wordt die volgorde als het ware omgedraaid. De verantwoordelijke overheid pikt bijvoorbeeld op dat diversiteit een belangrijk thema is en bepaalt dat dit bij het beoordelen van aanvragen een wezenlijker rol moet gaan spelen. De fondsen verwerken het in hun statuten en na enige tijd zullen de aanvragers begrijpen dat dit thema op enigerlei wijze een plaats moet krijgen in hun praktijk. Vervolgens worden hun komende aanvragen aangepast, net zolang als dit thema als beoordelingscriterium geldt. Terwijl het al lang daarvoor een thema was, want dat was de reden dat de overheid het überhaupt had opgepikt.

Mijn laatste jaar als adviseur binnen het subsidiestelsel was het eerste jaar waarin het coronavirus zijn ontwrichtende werk deed. Ik herinner me levendig hoe onwezenlijk het voelde toen we als adviseurs ieder vanuit onze eigen woonst via Zoom spraken over aanvragen die allemaal geschreven waren zonder enige weet van deze verlammende houdgreep. Aanvragen waaruit als zo vaak geestdrift sprak en die veelal vol mooie plannen stonden, waarvan het op het moment van beoordelen volledig onduidelijk was wat er ooit van zou kunnen worden gerealiseerd. Dat die plannen ineens totaal niet strookten met wat in werkelijkheid mogelijk was, was schokkend, maar viel niemand aan te rekenen. Hoe anders was dat een half jaar later, in mijn allerlaatste ronde als adviseur. Inmiddels had iedereen de invloed die de pandemie op het maatschappelijke leven had aan den lijve ondervonden, zeker binnen het veld van de podiumkunsten, waar een onvoorstelbaar onverschillige regering theaters en concertzalen als eerste op slot deed en als laatste weer opende. We hadden met zijn allen gezien welke positieve werking de lockdown op de natuur had. De lucht was plots helderblauw nu er nauwelijks nog gevlogen werd en in grachten, sloten, parken en tuinen doken plotseling dieren op die zich tot dan toe niet aan ons hadden laten zien. Aan de andere kant hadden we ook gezien hoe de jarenlange hegemonie van een liberaal kapitalisme het zorgbestel had uitgekleed, hadden we gezien hoe het zorgpersoneel dat zich kapot werkte en vaak ook zelf besmet raakte applaus kreeg, terwijl de duurbetaalde managers die veilig op kantoor of thuis zaten als eersten werden gevaccineerd.

Wat kwam daarvan terug in de plannen tijdens die subsidieronde? Nagenoeg niets. Aan ambities was er geen gebrek, aan realiteitszin en zelfkritisch vermogen des te meer. Men wilde weer Mahler en Macbeth spelen alsof er niets was gebeurd. Zelfs ten aanzien van de kwetsbaarheid van de bezoekersaantallen leek er geen enkele les geleerd.

 

Investering

Er waren uitzonderingen. Onder meer een theatergezelschap dat alles overboord gooide: kostuums, decor, lichtplan et cetera, en besloot zich toe te leggen op het acteren zelf, sterke teksten zo goed mogelijk over het voetlicht brengen, niets meer, niets minder. Prachtig.

In al die jaren heb ik talloze plannen mogen lezen en bespreken. Steeds was er een blik in het creatieve brein van makers, was ik erbij als een voorstelling of boek enkel nog maar een ontkiemende gedachte was, steeds keurde ik recepten die nog niet waren gekookt, die niet eerder waren uitgeprobeerd.

Als advocaat van de duivel moet ik ten slotte opmerken dat extreem veel voorstellingen na afwijzing toch werden gerealiseerd, wat vanzelf de vraag bovenbrengt hoe noodzakelijk subsidies daadwerkelijk zijn. In repliek daarop moet allereerst worden gezegd dat het feit dat een deel van het aanbod uiteindelijk zonder (deze) subsidie kon worden gemaakt, niet betekent dat dit per definitie voor alle producties geldt. Daarnaast is het natuurlijk de vraag in hoeverre de uiteindelijke realisatie aansluit bij het oorspronkelijke plan. Wellicht heeft de maker grote concessies moeten doen, zijn er noodgedwongen andere, goedkopere samenwerkingen aangegaan en is er een belangrijk element (niet per se video) uit de productie weggelaten. En het mislopen van extra gelden kan ervoor hebben gezorgd dat de makers veel langer over de productie hebben moeten doen. Misschien hebben ze er een baan bij moeten nemen of – dit is al die jaren schering en inslag geweest – is de voorstelling er toch gekomen omdat de makers genoegen namen met een veel lager, vaak zelfs een schandelijk laag honorarium of salaris.

Ik ken het subsidiesysteem ook van die kant. Na mijn afscheid als adviseur bij het Nederlands Letterenfonds heb ik een aantal subsidies aangevraagd die tot mijn grote vreugde zijn toegekend. Omdat ik daardoor niet allerlei ander werk hoefde aan te nemen, heb ik sneller, rustiger en geconcentreerder kunnen schrijven en mijn werk heeft zich daardoor naar mijn idee verbeterd.

Je kunt alles in twijfel trekken. Je kunt, zoals ik hierboven heb gedaan, kritische vragen stellen over de criteria waarop aanvragers worden beoordeeld, over de kaders, de eventuele perverse prikkels van het subsidiestelsel zelf, over de procedures en samenstellingen van commissies en wat al niet meer. Je kunt er mijns inziens echter niet omheen dat de verleende subsidies vaak een investering zijn gebleken in prachtige, soms zelfs onvergetelijke artistieke producties. Des te groter en tijdrovender die producties waren, des te belangrijker het aandeel van de subsidies was in het welslagen ervan. Al is een orkest het beste van de wereld, het kan niet op tournee zonder overheidsgeld. Voor kleinere, experimentele voorstellingen, dan wel voorstellingen van beginnende makers, geldt dat evenzeer: het publiek moet worden opgebouwd, de makers moeten hun naam nog vestigen, dat kost tijd en in die tijd wordt er weinig geld verdiend. Ook daar speelt de verstrekte subsidie een doorslaggevende rol.

Voor mijzelf was het adviseren een onvergetelijke leerschool. Ik ben met zoveel kunstuitingen en meningen over kunst gevoed dat het me blijvend veranderd heeft, ten goede, denk ik zeker te weten.

Het representatieve museum

In het representatieve museum voelt iedereen zich thuis. De deuren staan open, er is geen drempel, geen poortwachter, geen sluis. Het representatieve museum is meer dan een publieke instelling, het is bovenal een democratisch instituut. Elke huidskleur, geaardheid, oriëntatie of sekse ziet zich vertegenwoordigd in wat men hier toont, verzamelt en programmeert. Het representatieve museum is als het parlement van de kunst. Zoals bij een gekozen volksvertegenwoordiging kan iedere minderheid hier haar stem laten horen en haar voorkeuren en uitingen erkend en gerepresenteerd zien. Deze maatschappelijke afspiegeling is de fundamentele grondslag van het instituut. Kunst bestaat niet enkel voor een select groepje van geprivilegieerde burgers; de grenzen van het domein zijn opengebroken; andere geluiden, andere stemmen, andere verhalen hebben evenveel waarde en evenveel recht om te worden verteld en gehoord. In het representatieve museum heeft men dit begrepen. De wanden van de zalen zijn vaak nog wit, maar op die wanden wordt een veelheid aan kleuren en identiteiten geprojecteerd. De directeur is misschien ook nog wit, maar hij of zij compenseert dat door een divers team van conservatoren om zich heen te verzamelen. Dit is een museum waar je vandaag mee voor de dag kunt komen.

Dat het representatieve museum uitgaat van een ideologisch verhaal zal het zelf als eerste erkennen. Het museum neemt politiek positie in en staat voor inclusie en diversiteit; het is bezig zichzelf en de kunst te ‘dekoloniseren’. De terminologie raakt aan actuele sentimenten en maakt dat deze museale missie een onvermijdelijk karakter krijgt. Zoals de volkenkundige musea hun imperiale roofschatten terugsturen naar het land van herkomst, zo gaan ook de musea van moderne en hedendaagse kunst zichzelf hervormen op basis van een uitgesproken respect voor de cultuur van de Ander.

Dat is echter niet het hele verhaal. Op het vlak van inclusiviteit en diversiteit zal het museum altijd minder punten scoren dan een commercieel instituut als bijvoorbeeld McDonald’s, dat juist afstand tracht te houden van iedere politieke profilering, teneinde de winstmarges niet in gevaar te brengen. Een internationale hamburgerketen is geen democratische instelling, maar heeft wel een pseudodemocratisch prijsbeleid, dat ten koste gaat van ecologische, sociale en andere publieke waarden. Voor de bedrijfsdoelstellingen is dat echter voldoende, want bijna iedereen kan het betalen, dus bijna iedereen komt er eten.

Dat kunstinstellingen bij hun inclusieve profilering ook hebben gekeken naar voorbeelden zoals McDonald’s ligt uiteraard niet voor de hand – het streven naar bredere doelgroepen en hogere bezoekerscijfers doet er soms wel aan denken, maar de prijzen voor museumtickets zijn de laatste jaren allesbehalve gedaald. Belangrijker is dat de ideologie van inclusie en diversiteit in het museum samengaat met een democratische vorm van representatie.

In het representatieve museum verschijnt de kunstenaar als afgevaardigde van een bepaalde gemeenschap. Ook zonder die affiliatie had hij of zij wellicht een museale status verkregen, maar in de communicatie van het museum naar pers en publiek wordt de achtergrond altijd vermeld – soms met nadruk, soms terloops. Er is de queer kunstenaar, er is de non-binaire kunstenaar, er is de zwarte kunstenaar, de transgender kunstenaar, de Joodse, de moslim, de Arabische kunstenaar, de dove kunstenaar, de neurodiverse kunstenaar, de kunstenaar met fysieke beperkingen, enzovoort. Meer algemeen besteedt het representatieve museum veel aandacht aan het werk van vrouwelijke en niet-westerse makers. Alles bijeen voelt dit als een correctie op het oude beleid die geen moment te vroeg komt; dit is een afwijzing van de witte, mannelijke en eurocentrische dominantie in de kunstwereld van de afgelopen eeuwen. Toch reikt deze verandering verder dan alleen een keuze voor ‘andere’, voorheen gemarginaliseerde groepen kunstenaars. Onder de laag van nieuwe kleuraccenten voltrekt zich een substantiële transformatie: het museum omarmt impliciet een representatieve opdracht.

Het valt niet te ontkennen dat het museum sinds zijn ontstaan als publiek instituut altijd al een kern van representatie heeft gehad. Het was een tempel voor de bewieroking en zelfherkenning van de gegoede burgerij, de klasse die zich in de negentiende-eeuwse Europese samenleving wenste te onderscheiden door middel van rijkdom, goede smaak en culturele verfijning. Indien er een collectieve identiteit werd gerepresenteerd, dan was het deze – een identiteit die economisch gegrondvest was in het enorme kapitaal vergaard dankzij industrialisering en koloniale exploitatie.

Met de ontwikkeling van de moderne kunst en het modernisme veranderde het kunstmuseum mee. In de periode na de Tweede Wereldoorlog nam de representatie van het project van de moderne kunst de overhand en verschoof de behartiging van een particuliere klasse van stichters en welgestelde donateurs meer naar de achtergrond. Overheidsinitiatief nam de actieve rol van de privésector over. In de cultuur van radicale openheid tijdens de jaren zestig en zeventig werd in de museale ruimte bovendien een meer kritische zelfreflectie rond kunst en publiek opgevoerd. Ook dat bleek echter vooral een voorbijgaande fase, die geruisloos oploste in de economische stroomversnelling van de late jaren tachtig en negentig.

Het individualisme van de kunstenaar was in het verhaal van de moderne kunst wellicht de enige echte constante. Het is bovendien een eigenschap die ook de theoretische conversies van het postmodernisme zonder veel moeite heeft doorstaan. De kunstenaar vertegenwoordigde niemand buiten zichzelf. Kunstenaars werkten voor een grotendeels anonieme markt en zelden als representant van een groepscultuur of gemeenschap. Maar wat blijkt? Ondanks (of dankzij) het ontbreken van een expliciete identiteitspolitiek was er in de canon van de kunst na de jaren vijftig toch sprake van een zekere ‘stille diversiteit’. Onder de bekende namen van de westerse kunst van de jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig kun je zonder moeite een hele rij homoseksuele of queer kunstenaars aanwijzen – Jasper Johns, Robert Rauschenberg, Andy Warhol, John Cage, Agnes Martin, Gilbert & George, Hanne Darboven, Robert Gober, Rob Birza, Catherine Opie, Isaac Julien – alsook gekleurde kunstenaars of kunstenaars met een niet-westerse etniciteit: Stanley Brouwn, Nam June Paik, David Hammons, Yayoi Kusama, Steve McQueen, Renée Green, Jean-Michel Basquiat, Lorna Simpson, Stan Douglas, Yinka Shonibare, Ansuya Blom, Danh Vo, Michael Tedja, Hito Steyerl, Suchan Kinoshita, Haegue Yang, Isaac Julien, enzovoort.

Zijn deze ‘diverse’ kunstenaars met succes geassimileerd doordat ze weinig ophef maakten van hun minoritaire identiteit, of er in sommige gevallen zelfs helemaal over zwegen? In een enkel vroeg geval is dat wellicht waar, maar dan nog komt dat zwijgen overeen met het zwijgen van de meerderheid. Dat kunstenaars zich niet opstelden als representant van één specifieke gemeenschap of bevolkingsgroep, was een algemeen verschijnsel in de twintigste eeuw. Het vormt vanaf de jaren zestig zelfs de politieke kern van het project van de beeldende kunst – iets wat Craig Owens heeft aangeduid als ‘kritiek van de representatie’. In een ‘imaginair’ vraaggesprek met zichzelf uit 1983, getiteld ‘The Indignity of Speaking for Others’, beschrijft Owens hoe feministische en andere kritische kunstenaars in hun werk consequenties verbonden aan de stelling van Jean Baudrillard dat macht niet langer werd uitgeoefend via de beheersing van de productiemiddelen, zoals Marx had beweerd, maar via de representatiemiddelen – de codes van het beeld en het medium, die schijnbaar restloos oplossen in het proces van de communicatie. Michel Foucault analyseerde rond dezelfde tijd hoe technieken van representatie en classificatie essentieel waren bij de marginalisering van onder andere homoseksuelen en geesteszieken. In plaats van onzichtbaar gemaakt, werden deze en andere groepen juist gerepresenteerd door de dominante krachten in de cultuur. Doordat hun ‘spraak, bewustzijn, en de mogelijkheid tot zelfrepresentatie’ ontzegd bleef, werden zij echter alsnog buiten het publieke domein gehouden. Volgens Owens staat representatie daarom letterlijk gelijk aan onderwerping. Zelfs wie meent bepaalde groepen een stem te geven en hun belangen te behartigen, drukt ze toch ook opzij en dwingt ze te zwijgen over alles wat niet rechtstreeks hun ‘marginaliteit’ bevestigt. Hedendaagse kunstenaars trekken hieruit de enige mogelijke conclusie, zo besluit Owens. In plaats van foute representaties te willen vervangen door correcte, wijzen ze het idee van representatie integraal af: ‘de activiteit van representatie […] wordt aangeklaagd als het belangrijkste instrument van overheersing’.

Onder verwijzing naar Craig Owens stelt Julia Rebentisch in een tekst uit 2013 dat kunst in dat opzicht op kritische afstand staat van politieke emancipatie- en burgerrechtenbewegingen. De naïeve aanname dat een beeld rechtstreeks verwijst naar een element uit de werkelijkheid is in de kunst vanaf de jaren zestig ondergraven door het besef dat die werkelijkheid al is samengesteld uit beelden, en dat beelden bepalen wat als werkelijkheid wordt gezien. Kritische kunst trekt de mogelijkheid in twijfel om vanuit een representatie kennis of informatie te vergaren over de ‘echte’ wereld buiten de kunst.

‘De kunst onthoudt zich vandaag van het zoeken naar het ware beeld. Kunst is niet langer bezig met het openbreken van de ondoorzichtige oppervlakken van de wereld om verborgen betekenissen, wetten of de waarheid aan het licht te brengen; in plaats daarvan houdt kunst zich bezig met een wereld die reeds is ingeschreven met representaties […] Dit betekent ook dat de kritiek op representatie niet, of althans niet in de eerste plaats, kan worden opgevat als een bijdrage aan de politieke zichtbaarheid van gemarginaliseerde groepen.’

Het representatieve museum komt vroeg of laat in aanvaring met de kritiek van de representatie. Voorheen gemarginaliseerde groepen lijken nu zelf de ruimte te krijgen om hun groepscultuur of hun collectieve identiteit voor het voetlicht te brengen. Het probleem van ‘the indignity of speaking for others’, zoals Owens het omschreef, keert echter als een boemerang terug. Wanneer een kunstenaar in het museum getoond wordt als de representant van een gemeenschap, blijft het nog altijd feitelijk zo dat één individu namens die gemeenschap spreekt, en dat die gemeenschap dus niet voor zichzelf kan spreken. Dat is precies de bevoogding die Owens afwees als onwaardig.

Het probleem zit echter nog dieper. Wat is de werkelijkheid van de gerepresenteerde gemeenschap, als die in feite in het leven geroepen is – of uitgevonden – door wie haar representeert? Representatie creëert identiteit eerder dan identiteit neutraal weer te geven, en heeft op dat vlak een disciplinerende werking, die de bedenker ervan macht verleent. Om een voorbeeld te geven: de homoseksuele identiteit is volgens Foucault een negentiende-eeuwse uitvinding van dokters en geleerden die de eeuwenoude praktijk van seksueel verkeer tussen personen van hetzelfde geslacht in de mal goten van iets wat je bent, niet van wat je doet. ‘De homoseksueel’ bestond voordien helemaal niet. Rebentisch beaamt dat, wanneer ze schrijft dat ‘als retorische daad, elke representatie ook altijd indirect wijst naar de onbepaaldheid van dat wat zij aanvankelijk afbakent – en dus naar een potentie die door de representatie ook altijd weer in twijfel kan worden getrokken’.

Uiteindelijk dwingt de logica van de representatie het individu om zich te voegen naar de vermeende groepscultuur van een gemeenschap. Een voorbeeld uit de Nederlandse museumpraktijk kan dat duidelijk maken. In 2020 wijdde Kunsthal KAdE in Amersfoort onder de titel Tell Me Your Story een tentoonstelling aan ‘100 jaar Storytelling in Afrikaans-Amerikaanse kunst’. Het werk van circa vijftig Amerikaanse kunstenaars werd bijeengebracht om het Nederlandse publiek een beeld te geven van de kunst van de zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten. Ondanks de suggestie van diversiteit die met het idee van ‘storytelling’ werd gecommuniceerd – iedereen heeft een uniek verhaal te vertellen – betrof het een eenzijdig tentoonstellingsconcept dat uitsluitend ruimte bood aan figuratief werkende kunstenaars die hun beeldtaal en hun thematiek ontlenen aan de sociale gemeenschap waartoe ze behoren. Bij een dergelijke thematische tentoonstelling wreekt zich de onkritische omgang met de wil tot representatie. Vanuit het curatoriële concept ontstaat een gesloten cirkel die maakt dat de tentoonstelling in wezen inclusief noch divers is. Het beeld werd gecreëerd dat zwarte kunstenaars uit de Verenigde Staten een coherente, samenhangende groep vormen, waarvan de leden zonder uitzondering bezig zijn met ‘verhalen vertellen’ vanuit hun Afro-Amerikaanse roots. Kunstenaars die niet meegaan in dit identitaire discours vallen buiten de boot; het Amersfoortse publiek kreeg ze in elk geval niet te zien. Een belangrijke kunstenaar als Lorna Simpson, die de kritiek van de representatie betrekt op schematische opposities tussen wit en zwart of man en vrouw, was afwezig in de tentoonstelling. Haar sceptische omgang met het medium fotografie paste waarschijnlijk niet in de bonte stoet van levensbeelden en getuigenissen die de curator van KAdE voor ogen had.

De pijnlijke waarheid is dat ‘diversiteit’ een moeilijk of zelfs onmogelijk concept is om via een tentoonstelling te representeren. Een curator selecteert kunstenaars of kunstwerken en dient daarbij coherent te zijn, maar in het retorische weefsel van de tentoonstelling komen toch steeds weer blinde vlekken naar boven, als een vetvlek in een tafellaken. Ik herinner me From the Corner of the Eye, de tentoonstelling die het Stedelijk Museum Amsterdam in 1998 wijdde aan het werk van hedendaagse kunstenaars met een queer identiteit. Wie heeft destijds opgemerkt dat onder de veertien geselecteerde kunstenaars slechts twee vrouwen waren? En dat dertien van de veertien kunstenaars behoorden tot de witte familie? Een curator die zich richt op één aspect van diversiteit negeert onvermijdelijk andere aspecten. De uitkomst is dus nooit divers genoeg.

Mijn stelling zou zijn dat ook het representatieve museum de kritiek van de representatie dient vast te houden, indien het de kunst van ‘andere’ kunstenaars serieus wil nemen als kunst. De integratie van het Andere – andere tradities, andere stemmen, andere geluiden – is in wezen geen nieuw paradigma. Het is iets wat al vanaf het begin de basis vormt van de moderne kunst en het kunstmuseum. Moderne kunst ontstond door het zich toe-eigenen en in de kunstcontext plaatsen van stukjes ‘niet-kunst’ – beelden, materialen, objecten, vormen of concepten uit een ander domein, die zonder de interventie van de kunstenaar nooit door een esthetische lens zouden zijn bekeken. Kunst is nog steeds bij uitstek het domein waar de toe-eigening of decontextualisering van het Andere geweldloos en als het ware exemplarisch kan plaatsvinden – en het museum is de plek waar de uitkomst van dit proces kritisch kan worden getoetst. Het individuele karakter van de toe-eigening werkt daarbij als garantie tegen generalisering en reductie.

Het is om die reden dat iedere vorm van groepsrepresentatie buiten de deur gehouden dient te worden. Kunst ontstaat niet als een vorm van groepsexpressie, maar vanuit individuele keuzes, gemaakt door individuele kunstenaars. De kunstenaar voert een strijd voor de erkenning van datgene wat hij of zij als kunst beschouwt. Deze ‘struggle for recognition’ (Rebentisch) kan niet rechtstreeks op de materiële productie van een groepscultuur of gemeenschap worden overgedragen; dan zou een object in het museum terecht kunnen komen enkel omdat het de juiste stamboom heeft. Een dergelijk volkenkundig model leidt in de kunstcontext tot ontkenning van auteurschap en in het slechtste geval tot exotisme en kitsch. Het museum kan niet om de kunstenaar heen, de persoon die de plek tussen het object en de cultuur bezet en die als maker van het werk altijd in een strijd om erkenning verwikkeld is. De kunstenaar voert die individuele strijd zelfs op twee fronten tegelijk: aan de ene kant met het museum, het aangewezen instituut dat artistieke kwaliteit ratificeert vanuit bepaalde normen die periodiek worden herzien; en aan de andere kant met de eigen gemeenschap, die de beeldtaal en ideeën van de kunstenaar wellicht niet deelt of zelfs afwijst. Deze twee gevechten tegelijkertijd moeten voeren lijkt vandaag complexer dan ooit tevoren, vanwege de politieke taboeïsering van allerlei hoofd- en bijzaken, maar een duurzaam alternatief is er niet. Ook de gekleurde of queer kunstenaar staat er uiteindelijk alleen voor.

Een goed voorbeeld is Stanley Brouwn, de kunstenaar die in 2018 – nog geen jaar na zijn overlijden – reeds dreigde te worden ingelijfd door een curatoriële poging tot groepsrepresentatie. Hij werd postuum onderdeel gemaakt van een project voor het Nederlandse paviljoen van de Biënnale in Venetië, samen met twee andere kunstenaars met een Surinaamse achtergrond. Uitgerekend voor Brouwn was dit een pijnlijke, bijna cynische recuperatie, die volledig inging tegen zijn artistieke intentie en beweegredenen. Hij had zijn hele leven geweigerd om op foto’s te verschijnen en biografische informatie over zichzelf te delen of te (laten) publiceren, en juist híj werd kort na zijn dood impliciet gereduceerd tot een Surinaamse kunstenaar, als onderdeel van ‘een presentatie die nieuwe perspectieven biedt op het begrip nationale identiteit’, zoals het persbericht van de Mondriaan Stichting in mei 2018 vermeldde.

Brouwns gehele oeuvre is te beschouwen als een onderkoelde maar niettemin radicale formalisering van het proces van afstand nemen van de eigen oorsprong. Dit nooit eindigende proces nam letterlijk de vorm aan van ‘weglopen’, stap na stap, de open ruimte in; lopen en tegelijk vastleggen hoe ver je loopt en in welke richting, en opmeten hoe groot je stappen zijn. Dit stapsgewijze afstand nemen van de oorsprong kan, achteraf gezien, duidelijk verbonden worden met zijn weigering om biografische en persoonlijke informatie te verstrekken. Brouwn liep weg van zijn geboorteplaats Paramaribo, liep weg van de Surinaamse cultuur en liep zelfs weg van zijn donkere huidskleur. De reductie van de eigen identiteit tot een mathematisch punt in de tijd en de ruimte was hem liever dan de reductie tot een plaatsnaam, een nationale cultuur en een etnische typering. Dat hij met zijn droge en procedurele werk bijdroeg aan de internationale conceptuele kunst van de jaren zestig en zeventig is dus maar één kant van het verhaal. Brouwn was ook een flaneur, iemand verwikkeld in een ‘beweging richting zelfuitwissing’, zoals Leo Bersani het flaneren heeft omschreven: een nooit eindigende beweging door de ruimte, weg van de veronderstelde eigen identiteit, in de richting van een compleet uitgewist bestaan – ‘alsof de uiteindelijke vervulling van bepaalde individuen gelijk zou staan aan zelfvernietiging’.

Het representatieve museum kan zich niet blijven beroepen op een naïef idee van democratische afspiegeling en inclusiviteit. De kritiek van de representatie is vastgelegd in het DNA van de moderne en hedendaagse kunst, en daarmee ook in dat van het museum. Die kritiek heeft bovendien een blijvende neerslag gevonden in de geleidelijk opgebouwde museumcollectie. Als deze grondslag van beeld- en representatiekritiek wordt genegeerd, zullen de outsiders die het museum besluit te tonen ook altijd outsiders blijven. Bovendien berust de publieke werking van het museum per definitie op een vorm van selectie, waardoor het altijd iets exclusiefs zal behouden. Tegenover iedere kunstenaar die de poorten van het instituut mag betreden, zijn er honderden die buiten blijven staan. Dat is onvermijdelijk en het zal ook in de toekomst niet veranderen, tenzij alle selectiemechanismen worden opgegeven en het museum nog slechts als open podium functioneert. In dat geval moeten kunstenaars accepteren dat ze enkel optreden voor een kleine kring van vrienden en familie.

Musea en andere kunstinstellingen zullen de komende jaren verder worden uitgedaagd om hun rol als ‘poortwachter’ van de kunst op te geven en hun selectiecriteria te verruimen. Meer gemeenschappen en minderheidsculturen zullen het recht opeisen om in de museale ruimte te worden gerepresenteerd, en de eis dat hun specifieke materiële productie erkend wordt als kunst zal steeds moeilijker te weerleggen zijn. Met een staf van curatoren die veel van die gemeenschappen niet van binnenuit kennen, zal het museum bovendien onder groeiende druk staan om de selectie van het werk over te laten aan derden – bij voorkeur aan leden van de betreffende gemeenschap zelf.

Het blijft af te wachten hoe en waar het representatieve museum zich definitief manifesteert en wat er in dat geval gebeurt met de kritiek van de representatie. Een belangrijke toetssteen is nog steeds het Stedelijk Museum Amsterdam. De druk die de laatste jaren op dit instituut is uitgeoefend, en de pijnlijke effecten ervan, zijn scherp vastgelegd in de veelbesproken documentaire White Balls on Walls van Sarah Vos uit 2022. Met dit verhaal in het achterhoofd is het zaak om de verrichtingen van het Stedelijk kritisch te blijven volgen. Wie de afgelopen zomer door de zalen van het museum liep, ontving wat dat betreft gemengde signalen. Aan de ene kant was er de grote tentoonstelling Felix de Rooy – Apocalypse: een enorme hoeveelheid schilderijen, tekeningen, grafiek, assemblages, fotowerk, posters en films gemaakt door de Amsterdamse kunstenaar Felix de Rooy, geboren op Curaçao in 1952. Zijn eigen artistieke productie werd aangevuld met werk van vrienden en collega’s en met allerlei etnografische objecten uit de collectie van de kunstenaar zelf. Geïnstalleerd op, aan en in een symmetrische architectuur van vitrines, sokkels en gekleurde wanden, versmolten al deze beelden en objecten tot een soort neotribale Caraïbische hoogmis. Voor een juist begrip van de context refereerden de wandteksten aan een ‘gecreoliseerd spiritueel bewustzijn’. De Rooy is een alleskunner, iemand die bovendien al in de jaren tachtig pionierswerk heeft verricht rond de verbeelding van het zwarte bewustzijn en de collectieve verwerking van kolonialisme en slavernij. De positieve energie van viering en bevrijding die in de tentoonstelling hing was zeker aanstekelijk, maar kon niet verhullen dat het overvolle mythische universum van de kunstenaar en zijn vrienden met tamelijk veel kitscherigheid en newagefilosofie aan elkaar is gelijmd.

Foto’s gemaakt van De Rooy in zijn woning en gepubliceerd in de Volkskrant laten zien dat de opstelling in het Stedelijk direct in het verlengde lag van de manier waarop hij thuis met en tussen zijn verzameling leeft. Sommige combinaties van gevonden objecten en eigen kunstwerken staan ook precies zo bij hem in de woonkamer. Dit suggereert dat de zwakte van de tentoonstelling vooral het gevolg was van een onkritische curatoriële selectie, uitmondend in de integrale overname van een persoonlijk panopticum.

De museumzalen gewijd aan de vaste collectie van het Stedelijk lieten op hetzelfde moment iets heel anders zien. Het gedeelte dat de periode van 1950 tot 1980 beslaat, toont hoe het canonieke beeld van de naoorlogse kunst kritisch kan worden bijgesteld door middel van zorgvuldige toevoegingen van onbekend ‘ander’ werk. Hier wordt iets interessants geprobeerd, zonder vooropgezette moraliserende bedoeling. In plaats van bepaalde culturen of gemeenschappen een stem te willen geven, blijft de strikt individuele benadering van kunst en kunstwerken in stand. Dat is ook de enige manier om tegenwicht te bieden aan de grote namen en zo het geijkte kunsthistorische panorama open te wrikken. Canonieke werken krijgen een nieuwe plaats en een verschoven betekenis door de combinatie met obscure objecten die voor het eerst sinds decennia uit het depot zijn gehaald. Bij een vloersculptuur van Carl Andre hangen bijvoorbeeld de laconieke Vijf minuten tekeningen van Ria van Elk (1975-1976), met ernaast een object zonder titel van de Thaise kunstenaar Chavalit Soemprungsuk uit 1971: zilverkleurige pvc-folie op een rechthoekige drager, waarop met honderden nietjes een dubbele curve is gestanst. Zichtbaar gemaakte kloktijd en herhaalde manuele handelingen creëren een sfeer van losse alledaagsheid, die het gewicht van Andre’s geometrische structuur relativeert.

In een andere zaal worden schilderijen van Willem de Kooning en Constant Nieuwenhuijs gecombineerd met doeken van Jacqueline de Jong, Sam Middleton, Soeki Irodikromo en Erwin de Vries, wat leidt tot wonderlijke en soms subversieve correspondenties. Je kunt een hele tijd staan kijken naar Het magische oog (1963) van De Vries en Montauk IV (1969) van De Kooning zonder precies te begrijpen wat die twee werken met elkaar doen en waarom het lijkt te kloppen dat ze zo bruut bij elkaar zijn gehangen. Wat hebben de Surinaamse Nederlander en de Nederlandse Amerikaan elkaar te zeggen? Tussen de monumentale roodbruine vormen van De Vries en de lichtgekleurde kronkelende verfbanen van De Kooning opent zich de ruimte van een gemiste ontmoeting. Inderdaad: het gaat hier om twee migranten die elk rond hun twintigste jaar in tegengestelde richting per boot de Atlantische Oceaan zijn overgestoken. Ze hadden elkaar ergens midden op zee kunnen treffen, ware het niet dat er een periode van twee decennia tussen hun overtochten zat. Juist in die niet-bestaande, denkbeeldige zone van contact – en concreet in de hoek van de zaal tussen de twee schilderijen – hebben de conservatoren als intermediair De Koonings bronzen sculptuur Clamdigger (1976) geplaatst: een intens zwarte, clowneske figuur, opgebouwd uit hompen en klonten. Vanuit diepe oogkassen staart deze gestalte naar een punt ergens achter de bezoeker – en de twee ongelijke ogen op het doek van De Vries staren met hem mee.

 

Geciteerde teksten

Leo Bersani, The Culture of Redemption, Cambridge/Londen, Harvard University Press, 1990, pp. 70-72.

Craig Owens, ‘‘The Indignity of Speaking for Others’. An Imaginary Interview’, in: Scott Bryson, Barbara Kruger, Lynne Tillman, Jane Weinstock (red.), Craig Owens. Beyond Recognition. Representation, Power, and Culture, Berkeley/Los Angeles/Londen, University of California Press, 1992, pp. 259-262.

Julia Rebentisch, ‘Realism Today. Art, Politics, and the Critique of Representation’, in: Anneka Esch-van Kan, Stephan Packard, Philipp Schulte (red.), Thinking – Resisting – Reading the Political, Berlijn, Diaphanes, 2013, pp. 245-261.

Ingenieurs van de ziel

Zoals elk tijdsgeestdocument is Kunst, crisis en transitie. Een Fair New World in de kunsten?! tegelijkertijd een symptoom. Het boekje – te raadplegen op de website van Kunstenpunt, het steunpunt van de Vlaamse overheid – is het vierde in een reeks Kunstenpockets, die eerder al gingen over ‘de positie van de kunstenaar’, ‘het nieuwe internationale werken’ en Brussel. Kunstenpocket#4 weerspiegelt de programmatische benadering van gesubsidieerde kunst, gedreven door een nomenclatuur van waarden en doeleinden. Het ‘gewenste’ kunstenlandschap wordt gekenmerkt door diversiteit en gelijkheid, in Vlaanderen, maar ook elders. De uitdagingen en de oplossingen die worden opgesomd zijn op de hele westerse hemisfeer van toepassing, vooral daar waar een sterke verzorgingsstaat de kunsten vertegenwoordigt. Het gaat dus om een gebied dat enerzijds begrensd wordt door Hongarije en anderzijds door de Atlantische Oceaan.

Het resultaat is een benadering van cultuur die berust op ‘zorg’ en ‘solidariteit’. De waarden en de adjectieven van de fair trade worden gehomologeerd: zorgzaam en solidair, met aandacht voor niet-westerse culturen, duurzaam op het vlak van mobiliteit en representatie, maar vooral meerstemmig en divers. Volgens het colofon is Ann Overbergh, directeur van Kunstenpunt, de auteur; het project werd ‘geïnitieerd en getrokken door Kunstenpunt, maar is een werk van vele handen’. In het voorwoord wordt de ontstaansgeschiedenis geschetst.

‘De kiem legden we in mei 2020 met een nieuwsflash getiteld Bericht uit het ongerijmde. We legden uit hoe Kunstenpunt zijn missie zou gaan invullen tijdens de coronacrisis, die twee maanden eerder was losgebarsten. […] Kunstenpunt had de handen vrij en de middelen beschikbaar om dicht bij zijn core business te blijven: het volgen en ondersteunen van het ecosysteem van de kunsten. […] De problemen die covid zo pijnlijk blootlegde – mazen in het sociale vangnet, onderfinanciering van de zorg, systemische uitsluiting in eigen land en op internationaal vlak – waren door mensen gecreëerd. Ze kunnen moeten dus ook door mensen worden gecorrigeerd.’

‘Kunnen’ doorstrepen zodat ‘moeten’ overblijft: de modale werkwoorden bepalen ook hier, op symptomatische wijze, de uitingen van macht. ‘Kunnen’ behoort tot het domein van de mogelijkheid; ‘moeten’ impliceert plicht. Zo ontstaat ideologie; de sensus communis is niet langer een regulatief ideaal, maar een categorische imperatief.

Na het voorwoord volgen drie delen over respectievelijk ‘geven en delen’, ‘duurzaam internationaal’ en ‘meerstemmigheid’. De publicatie sluit af met een lexicon, van ‘ableïsme’, ‘beperking’, ‘bondgenootschap’ en ‘brave space’ tot ‘uitsluiting’, ‘veilige(re) ruimte’ en ‘white saviour’ – de ‘juiste’ woordenschat, moreel en semantisch, voor het gesprek in de kunstwereld. Kunst, crisis en transitie maakt duidelijk dat gesubsidieerde kunst binnen een vaste ‘superstructuur’ van humanistische en solidaire waarden wordt gekaderd. Wat opvalt is niet zozeer het stelsel van waarden, maar de programmatische wijze waarop ze toegepast worden. De algemene disciplinering van het artistieke bedrijf zal ook ‘goede’ kunst tot stand brengen, en ‘goede’ kunst is per definitie divers, duurzaam, zorgzaam en solidair. Dat er geen logische relatie bestaat tussen deze morele waarden en kunst wordt nergens aangekaart.

Het boek levert een overtuigende synthese op van de uitdagingen waarmee de kunstensector tijdens en na de coronacrisis werd geconfronteerd. Wat vanuit sociaal en economisch standpunt typisch of zelfs uniek is voor het artistieke domein komt echter nauwelijks aan bod. Alle sectoren van de verzorgingsstaat – van onderwijs en onderzoek tot gezondheid en sociaal werk – hebben immers met gelijkaardige problemen te kampen. De productiedrang wordt terecht in twijfel getrokken, en er worden ecologische vragen gesteld over de noodzaak van verre reizen. De oplossing is eenvoudig, maar ook simplistisch: denk na vooraleer je het vliegtuig neemt. Toch zijn dit onderwerpen of ‘problemen’ die even prominent aanwezig zijn in het academische leven of in de zakenwereld. Een andere vaak terugkerende vaststelling is evenmin een artistiek privilege: er blijkt plots minder geld te zijn, waarna solidariteit zelden de grenzen overschrijdt van sociale lagen. De westerse wereld lijkt omgevormd tot een simplistisch speelveld waarin altijd één groep te veel geld of privileges heeft, en zich daarom immoreel kan opstellen ten nadele van een andere groep. Het is een symptoom van het dogma van de identiteitspolitiek: de wereld wordt slechts als het resultaat van machtsverhoudingen gezien, met enerzijds een onderdrukker en anderzijds een onderdrukte. Het is een in wezen klassiek populistische, nostalgisch-communistische houding, die ook de recentste editie van documenta kenmerkte, als een statement tegen het ‘commerciële’ kunstcircuit en tegen de ‘dominante kaders’ die het kijken naar kunst bepalen.

Kunst, crisis en transitie komt voort uit projecten die artiesten op verschillende manieren steunen, en er is inderdaad nood aan minizorgsystemen die, tijdelijk en lokaal, kunstenaars helpen. Toch ontbreekt er een echt vernieuwende methodiek die het veld kan verrijken, door bijvoorbeeld een beter legislatief kader te ontwikkelen zodat private investeringen interessanter worden: financiering van onafhankelijke stichtingen en organisaties met een eigen raad van bestuur kunnen de werking van staatssubsidies versterken. Het pseudohumanistische discours zou gebaat zijn bij meer materialisme; een systeem van huurbescherming waarmee de overheid de huur van panden – studio’s en appartementen – tot kunstenaars beperkt, ligt voor de hand, maar het wordt niet aangekaart.

Kunst spreekt, verhoudingsgewijs, minder de massa aan dan pakweg het onderwijs en de gezondheidszorg. Het belang van kunst binnen een op verlichtingsidealen gebouwde maatschappij is lang min of meer vanzelfsprekend geweest. De ‘limieten’ van deze cultuur aanklagen lijkt soms op een laatmoderne uiting van een beschaving die nog slechts maoïstische zelfkritiek kan voortbrengen, met identiteitspolitiek als resultaat en als garantie voor goed artistiek bestuur. De vraag – eveneens voortvloeiend uit een bezorgdheid om de ‘beperktheid’ van de westerse cultuur – wie zich met hedendaagse kunst kan of wil bezighouden, wordt daarbij niet gesteld. Hedendaagse kunst kan in principe een fundamentele impact op de samenleving hebben, maar vergt tegelijkertijd kennis en interesse die niet voor het grijpen liggen. Hoe om te gaan met een door de cultuur- en aandachtsindustrie gevormde sensibiliteit, die de laatste tijd steeds vaker als ‘grondstroom’ wordt aangeduid? Het is pertinenter die vraag te stellen, eerder dan top-down een sociaal en cultureel model op te leggen aan een gehele sector. Het is helaas naïef om te beweren dat er geen fundamentele discrepantie bestaat tussen de hedendaagse kunsten en het cultureel statuut van het merendeel van de bevolking. Lezen, kijken en schrijven – als processen waarin aandacht centraal staat – worden geleidelijk aan nog slechts door technologie gemedieerd, iets wat verregaande gevolgen heeft voor de algemene esthetische opvoeding.

De confrontatie met een artistiek experiment waar weinig mensen om gevraagd hebben, is uiteraard een gemeenplaats van de modernistische esthetica, en de hedendaagse moralistische kunst is daarin niet geïnteresseerd. Kan kunst een publiek aanspreken zonder in dogmatische of sentimentalistische kitsch te vervallen? Luidop herhalen dat kunst voor een overheid hetzelfde belang zou moeten hebben als gezondheidszorg of onderwijs is principieel juist, maar het is ook zo dat artistieke experimenten op de alomtegenwoordige cultuurindustrie botsen, die helaas veel sterker is dan de overheid. Daarom is er niet alleen nood aan geld voor de kunsten, maar ook aan subsidie voor het in stand houden van een publiek dat kunst kan begrijpen en waarderen: kunstscholen, tijdschriften, academies, bibliotheken en promocampagnes. Waarom geen leestijd vrijwaren in scholen of op het werk? De luchtgitaarsolo’s waarmee activisten in een cultuurcentrum het westerse denken in vraag stellen, zijn een conformistisch en slaapverwekkend schouwspel in vergelijking met wat de meest transgressieve performance van onze samenleving zou kunnen zijn: een arbeider van ArcelorMittal die tijdens de pauze een roman van Charles Dickens leest, en inziet dat het leven van de geest meer te bieden heeft dan werk, moraliteit en consumptie. Zo niet, belandt Europa in het Amerikaanse model: een groep ‘artivisten’ op campussen en in kunstencentra groepeert zich rond dekolonisatie en diversiteit, en in de buitenwereld is de grote massa op zoek naar een nieuwe leider die alles ten goede zal keren.

Lexica die gelijkheid en inclusiviteit installeren worden al een tijdje ‘toegepast’, voornamelijk in de menswetenschappen en op kunstscholen. Maar het gaat daarbij niet om revolutionaire emancipatie die subjecten bevrijdt van paternalistische, westerse, dominante krachten. Waar het op neerkomt is een onderwerping aan een ander ideaal, dat voornamelijk Amerikaans en puriteins is: om goed te zijn moet een mens voortdurend de eigen schuld bekennen en de wereld en het verleden zuiveren van alles wat ambivalent, onduidelijk en amoreel is. Deze Kunstenpocket predikt dekolonisatie maar is zelf door Amerikaans puritanisme gekoloniseerd. Het is wonderlijk: het verwerpen van een meester gaat hand in hand met de gehoorzaamheid aan een nieuwe baas: het diversiteitsjargon dat ook heerst in multinationals, investeringsbanken als Goldman Sachs, wapenfabrikanten als Lockheed Martin en Amerikaanse universiteiten waar je voor vijftigduizend dollar per jaar kunt afstuderen bij Judith Butler, of een van haar plaatsvervangers, over de flexibiliteit van gender. Het vereist slechts een basiskennis van de ideeën van Nietzsche om in te zien dat er geen moraliteit bestaat zonder macht, hoe absoluut de geloofwaardigheid van het puritanisme ondertussen ook mag zijn. Terwijl gelijkheid, fairness en inclusiviteit als waarden worden uitgeroepen binnen de kunstwereld, stemmen in de buitenwereld steeds meer mensen voor koopkracht, economische groei, minder belastingen, minder migratie en meer ‘veiligheid’.

Aan welke kunst geeft de macht – de ‘subsidiënt’ en dus de overheid – een mandaat? De geschiedenis toont dat vorsten en presidenten hun naam via kunst met de toekomst hebben proberen te verbinden. De correlatie tussen macht en kunst is echter niet alleen op culturele en politieke dominantie gebaseerd, maar ook op artistieke kwaliteit. Met een uiterst eenvoudig, maar helder voorbeeld: als Frans I van Frankrijk in 1516 Leonardo naar Clos Lucé uitnodigt om een werk te maken, dan doet hij dat ook omdat hij gezien heeft wat Leonardo in Milaan heeft uitgevoerd in opdracht van Ludovico Sforza. Als André Malraux onder De Gaulle minister van Cultuur wordt, dan is dat omdat hij geloofwaardigheid geniet als schrijver en intellectueel. Het lijkt erop dat de gesubsidieerde hedendaagse kunst vooral een regulatief moreel kader moet volgen, waarbij intellectuele kwaliteit ondergeschikt is geraakt. Elke vorm van macht is verdacht, terwijl ook de kunstensector macht nodig heeft om iets – hoe bescheiden ook – te bereiken. Als Hegel gelijk had toen hij zei dat kunst niet meer het voornaamste pad tot de Waarheid is, waarom wordt kunst, de filosofische speculatie eenmaal voorbij, dan niet gewoon maatschappelijk werk?

Het is een andere vraag hoe een ogenschijnlijk gevoelig beleidsdocument als Kunstenpocket #4 op directe wijze in macht zal worden omgezet. Zal er bureaucratisch worden omgegaan met de distributie van juiste betekenaars? Zullen transgressie, kritiek en confrontatie nog steeds tot de kunst gerekend worden, als een experiment met wat de samenleving zich voordien niet kon voorstellen of voelen? Het doel van deze publicatie is in elk geval het tegendeel van experiment. De culturele voorwaarde voor artistieke creatie – zo impliceert Kunstenpunt – is een algemene disciplinering van lichamen en een regulering van relaties. De oude band tussen moderne kunst en experiment maakt plaats voor kunst als codex; gelijkheid en diversiteit worden ontegensprekelijk de wet. De oedipale transgressie van weleer wordt omgezet in het verlangen naar een nieuwe vaderfiguur. Het nieuwe doel van activistische kunst is alle ongelijke machtsrelaties tot een staat van gelijkheid terug te brengen. Paradoxaal genoeg kan deze toestand alleen door het uitoefenen van macht – door het uitsluiten van sceptici en by calling out offenders – werkelijkheid worden.

Zo wordt er een consensus verondersteld, binnen een homogene kunstwereld, met ‘maximale diversiteit en inclusiviteit’ als het hoogste goed; wat wordt beoogd is een organische, harmonische en samenhangende cultuur, zonder tegenspraak. Is Kunstenpocket #4 een ideologische handleiding voor het opvoeden van wat onder Stalin de ‘ingenieurs van de ziel’ werd genoemd? En zal het document gebruikt worden bij het al dan niet subsidiëren van kunst?

De Romeinen legden een subsidium of een reserve aan om de voorste linies flexibel van steun te kunnen voorzien. Los van die context blijft het idee bestaan dat een subsidie een reeds bestaand proces ondersteunt en beschermt. In Vlaanderen vormen subsidies de conditio sine qua non van het culturele proces: subsidies zijn niet bedoeld om een proces te ondersteunen, maar om het nagenoeg volledig te onderhouden. Onder het motto ‘iedereen kan zetelen’ (in de beoordelingscommissies) ontplooit zich een goed geoliede machine die de kunstwereld op een democratische manier onderhoudt. Toch is elke moderne democratie ook een mooi kleinburgerlijk theater: ‘iedereen’ is relatief, want in de meeste gevallen zijn de commissieleden vakspecialisten – niet letterlijk elke Vlaming die zich met de kunsten identificeert mag meebeslissen. Gelijkheid in een democratische samenleving betekent gelijkheid van rechten, maar een moderne samenleving draait op arbeidsdeling en specialisatie. De samenleving mag in elk geval dankbaar zijn voor al de ‘actoren’ die in commissies zetelen: het nalezen van uitgebreide dossiers, het formuleren van adviezen volgens gestandaardiseerde formulieren en het eindeloos vergaderen zijn deugdzame oefeningen in maatschappelijke dienstverlening.

De representatieve burgers die subsidies beoordelen in Vlaanderen voeren een passioneel theaterstuk op: ze hebben een grondige kennis van het veld, maar ze kennen elkaar en de andere spelers ook erg goed, wat natuurlijk niet betekent dat iemand direct betrokken kan raken bij het beoordelen van het eigen dossier. Het (onvermijdelijke) favoritisme is daarbij niet het probleem. Wel bedenkelijk, zij het waarschijnlijk even onvermijdelijk, is dat niemand echt verantwoordelijkheid neemt voor het artistieke landschap als iedereen kan zetelen. Het beleid als een vorm van auteurschap verdwijnt in een collectief gebeuren met een minister aan de top die elke beslissing sowieso kan veranderen. De minister kan uiteindelijk toch elke beslissing be- of ontkrachten, en binnen het immens bureaucratische theater wordt, op het vlak van artistieke stijl en relevantie, vooralsnog geen helder of eenduidig discours gevoerd. Een alternatief is het benoemen van vaste expertcommissies die het landschap één keer per beleidsperiode beoordelen. In plaats van generieke subsidiecriteria die een oefening zijn in de juiste sleutelwoorden afvinken – buitenregionale relevantie, publiek bereik, of inclusiviteit en diversiteit – zou de artistieke visie het enige relevante oogmerk mogen zijn. De verdeling van fondsen lijkt vaak te moeten zorgen voor het in stand houden van een kunstwereld met zo veel mogelijk actoren, in plaats van zich te richten op de veel moeilijkere zorg voor de creatie van ‘grote’ kunst, en dus van cultuur.

Het probleem van dit bestaande systeem is dat subsidies eigenlijk geen garantie voor artistieke kwaliteit zijn, en het is evenmin zeker dat uit vele subsidies ook goede kunst tevoorschijn zal komen. Het enige wat subsidies doen is een cultuurproces in leven houden: cultuurhuizen openhouden, tijdschriften en kunstenaars steunen enzovoort. Ze blijven dus vooral belangrijk om een kunstwereld toegankelijk te maken.

Een publicatie als deze Kunstenpocket kan invloed hebben op het kunstenlandschap, omdat de programmatische opzet regulatief of bepalend gaat werken. In het eerste geval wordt verondersteld dat identiteitspolitiek een ideële wereldvisie betreft; het tweede geval eindigt altijd in een ideologische vergissing. Aan alle soorten minderheden een lexicon opleggen: het is noch een garantie voor goede kunst, noch een emancipatorische geste, maar veeleer een al te goedbedoelde manier om macht uit te oefenen, door de kunstwereld op een sektarische manier te laten werken. Ondertussen blijft het vooral kunst als vorm van reflectie en ‘waarheidsvinding’ die onder druk staat, zonder dat deze crisis wordt aangekaart, laat staan uitgediept. Het oordeel van Cioran uit De l’inconvénient d’être né uit 1973 blijft bangelijk relevant: ‘Naarmate de kunst meer en meer vastloopt, neemt het aantal kunstenaars toe. Deze anomalie houdt op een anomalie te zijn, als we bedenken dat kunst, in een proces van uitputting, zowel onmogelijk als gemakkelijk is geworden.’

Een kunstenveld dat het eigen intellectueel leven zo programmatisch tracht te ontwikkelen is een symptoom van de eigen onmacht in een erg complexe wereld, veeleer dan een oplossing ervoor. Een gesubsidieerd programma consciëntieus toepassen en vermenigvuldigen heeft op die wereld en haar vele problemen een heel bescheiden impact. Door passioneel binnen een imaginair tribunaal rondjes te draaien, worden de schijnoplossingen niet alleen groter en gevarieerder – wanneer naast identiteitspolitiek ook ecologie en oorlogen worden geviseerd – maar ook voorspelbaarder. De vraag is of kunst niet beter haar eigen beperkingen kan aanvaarden: niet door grote ingenieursplannen aan te vatten, maar door uitzonderingen mogelijk te maken, in de vorm van tijdelijke en onverwachte experimenten met de denkwereld van een publiek dat nog moet ontstaan.

 

Ann Overbergh, Kunst, crisis en transitie. Een Fair New World in de kunsten?! Kunstenpocket #4, Brussel, Kunstenpunt, 2023, ISBN 9789074351591.

Hoe klinkt de noodklok?

In 2020 en de daaropvolgende jaren werd de cultuursector hard getroffen door de pandemie en de daaruit volgende lockdowns, waardoor vrijwel het gehele fysieke cultuurbezoek en daarmee de publieksinkomsten wegvielen. Dankzij steun van de overheid werden de tekorten met name voor de meerjarig gesubsidieerde instellingen grotendeels gecompenseerd, maar de gevolgen bleven enorm, vooral voor de vele zelfstandigen (zzp’ers) in de sector. Nu de crisis voorbij is, bestaat de neiging weer terug te veren naar het ‘oude normaal’. Maar over welk ‘normaal’ hebben we het dan, en zijn juist nu grondige veranderingen niet wenselijk?

Twee recente publicaties besteden aandacht aan de (systemische) mankementen van de Nederlandse culturele sector. Melle Daamen (1959) schreef Grazen boven het kunstgras. Het falen van het Nederlandse kunstbeleid. Renée Steenbergen (1961) lanceerde De Kunst van Anders. 6 voorstellen voor culturele innovatie, met een symposium in Veem House for Performance op 17 januari 2023. De onderwerpen vertonen overlapping, maar verder zijn beide boeken duidelijk anders van karakter. Daamens boek is een verzameling columns, teksten, polemieken en briefwisselingen, afgewisseld met nieuwe stukjes en enkele mogelijke verbeteringen. Steenbergen biedt een meer samenhangende analyse van wat er volgens haar loos is in de sector, gevolgd door een zestal ‘voorstellen voor culturele transitie’. De auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze zich weinig gelegen laten liggen aan wat anderen eerder hebben geschreven of onderzocht. Ze laten de nuances liever voor wat ze zijn en kiezen hun eigen, vaak radicale lijn in het lopende debat.

Melle Daamen zet meteen stevig in: ‘De kunsten worden getroffen door een zware crisis.’ Als voorbeelden noemt hij het teruglopende bezoek – wat ook al voor corona speelde, al is dat per discipline sterk verschillend – en het wankele publieke draagvlak voor cultuur. De ernst van die situatie lijkt niet te worden onderkend, vindt hij, door de maatschappij noch door de sector. Er is nauwelijks besef dat er een crisis gaande is. Voor zover er over kunst en cultuur wordt geschreven, is dat ‘braafpraat’: obligaat en niet gestoeld op onderzoek of feiten. Reden voor Daamen om met dit boek ‘een aanzet te geven hoe het beleid beter kan en hoe de sector daar zelf aan kan bijdragen’. Daamen heeft gewerkt als adviseur en manager, hij was onder meer directeur van de Mondriaan Stichting en van Stadsschouwburg Amsterdam. Tegenwoordig werkt hij als consultant. Enerzijds kent hij de sector van binnenuit, anderzijds zou je hem voor de voeten kunnen werpen dat hij lange tijd onderdeel was van het systeem en dat hij dus bijgedragen heeft aan de huidige problemen. Dat laatste zou kort door de bocht zijn. Het is juist waardevol om van iemand met inside knowledge, die inmiddels verder van de praktijk af staat, te horen waar de knelpunten zitten en waar het beter kan. Het punt is echter dat Daamen weinig put uit zijn ervaring en vooral eerder door hemzelf ingenomen stellingen herhaalt, zonder er actuele ontwikkelingen bij te betrekken en zich de vraag te stellen: dat vond ik toen, maar is het nog steeds zo?

Veel van de thema’s die aan de orde komen, spelen al veel langer. Bijvoorbeeld het (over)aanbod en publieksbereik, de spreiding, vragen rond kwaliteit en subsidie, de rol van de markt, wat goed bestuur inhoudt. Toch heeft de recente coronacrisis de zaken opnieuw op scherp gezet of, zoals Renée Steenbergen het formuleert, een vergrootglas gelegd op de problemen waar de sector al langer mee worstelt. Het nodigt uit opnieuw te kijken, opnieuw dilemma’s te schetsen, opnieuw oplossingen te zoeken. Juist dat gebeurt niet in Grazen boven het kunstgras. Het van oudsher belangrijkste thema in het cultuurbeleid, de vraag wat de legitimatie ervan is voor de overheid, wordt alleen anekdotisch benaderd, door een oude briefwisseling tussen Daamen en filosoof Maarten Doorman af te drukken. De kern van dat vraagstuk is of kunst op zichzelf van waarde is en als zodanig overheidssteun waard is, of dat het vooral om de waarde voor de samenleving gaat, waarbij dan vaak economische en sociale effecten (‘verbinding’) worden genoemd. Dat is géén academische vraag, want hier wordt duidelijk hoe de overheid zich tot de kunsten verhoudt en waarop het beleid is gebaseerd. Moet er vooral naar artistieke kwaliteit worden gekeken of ook naar maatschappelijke betekenis? Bestaat er trouwens wel zoiets als intrinsieke kwaliteit, of krijgt ook die pas betekenis in wisselwerking met een publiek? Dat laatste lijkt Daamens visie, maar hij trekt er geen conclusies uit. Het is een onderwerp waar véél over is gepubliceerd en gedebatteerd sinds de door Daamen genoemde Agenda Cultuur uit 2016 en daar had hij zijn voordeel mee kunnen, mee moeten doen.

De vraag die hij zich bijvoorbeeld had kunnen stellen, is of en hoe het begrip ‘kwaliteit’ de overheid verder brengt, hoe kwaliteit beoordeeld kan worden, hoe het interfereert met andere overheidsdoelen zoals publieksbereik en -waardering, marktwerking, eigen inkomsten en ondernemerschap. Het zijn potentieel conflicterende doelen die dwingen tot trade-offs. Daamen wil een minder vrijblijvend overheidsbeleid. Dat betekent dat er afwegingen gemaakt zouden moeten worden en op basis daarvan keuzes gemaakt. Maar als hijzelf keuzes maakt, gebeurt dat niet op basis van zo’n gefundeerde afweging. Waarom zou dat minder vrijblijvend zijn?

Daamen agendeert een aantal bekende problemen in het huidige beleid. Het cultuurbeleid is volgens hem zoals gezegd vrijblijvend, waardoor (bovengenoemde) fundamentele kwesties onbesproken blijven en beleidsmatige keuzes worden vermeden, zelfs in tijden van zware bezuiniging op het cultuurbudget zoals tijdens het staatssecretariaat van Halbe Zijlstra. De sector zelf is slecht georganiseerd en vertoont ‘kop in het zand’-gedrag. Er bestaat in Nederland van oudsher geen elite die voor de kunsten in de bres springt, de politiek is en blijft ambivalent over cultuur, en de overheid heeft zichzelf inhoudelijk op afstand geplaatst sinds de befaamde woorden van Thorbecke uit 1862, namelijk dat de regering ‘geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied van de kunst’. Vanwege die inhoudelijke terughoudendheid heeft de overheid zich vooral gestort op bureaucratische kwesties, plansystematiek en resultaatgerichte, technocratische formats.

Toch bemoeit de overheid zich inhoudelijk steeds meer met de cultuur, volgens Daamen, al gebeurt dat vaak ongefundeerd en sluit het slecht aan bij de behoeftes in het veld. Als voorbeeld geeft hij de vorming van Het Nieuwe Instituut, de Biënnales of projecten op het gebied van internationaal beleid. ‘Hofcultuur nieuwe stijl’ noemt Daamen het, een verwarrende term, aangezien het in Nederland juist altijd aan een hofcultuur heeft ontbroken. Los daarvan: is het waar? Dan zouden het beleid en instrumentarium van de overheid nader onderzocht moeten worden. Inhoudelijk lijkt er nog steeds nauwelijks een dialoog te worden gevoerd met de gesubsidieerde instellingen, die feitelijk alleen op productiecijfers worden beoordeeld. In het veld wordt daar halfslachtig op gereageerd. De echte aandacht wordt gemist, maar het ontbreken van bemoeienis wordt ook makkelijk gevonden.

Een ander signaal zien we in Amsterdam, waar de wethouder voor Cultuur Touria Meliani van het Stedelijk Museum een inclusiever beleid vraagt, op straffe van subsidiekorting. Is dat een incident of een voorbode van een nieuwe wind? De voorbeelden die Daamen noemt van ‘ongevraagde overheidsinitiatieven’ laten evenzovele motivaties zien, van algemeen ‘stimuleren’ tot ‘zich internationaal in de kijker spelen’. Een goed voorbeeld van recentere datum zijn de innovatielabs van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. De overheid bedenkt en organiseert zulke projecten buiten de sector om. Ze lijken bedoeld om lacunes in te vullen of politiek daadkrachtig over te komen, zonder dat de bewindspersoon veel risico loopt. Daarvoor heeft de overheid wel wat geld over. Een de laatste jaren steeds vaker ingezet sturingsinstrument is de gedragscode, zoals voor good governance, voor diversiteit en voor duurzaamheid. Deze codes worden met het veld ontwikkeld en gebruikt als voorwaarde voor subsidietoekenning en uitgangspunt voor verantwoording. Hoe ver kan overheidsbemoeienis gaan en wat ziet Daamen eigenlijk als goede overheidsinterventies? Het antwoord blijft hij schuldig.

Wel verwijt hij de overheid geen keuzes te maken, terwijl er alle aanleiding toe zou zijn. Er is namelijk sprake van een overaanbod. De sector is voortdurend bezig met het produceren van ‘nieuw’ en ‘meer’. Tegelijk is er ‘onderconsumptie’. Tegenover dat overvloedige aanbod staan halflege zalen. Dat komt volgens Daamen doordat er wordt gedacht vanuit het ‘trechtermodel’: een brede basis is nodig voor excellentie aan de top. Maar is dat wel reëel, vraagt hij zich af. Moeten er duizend bloemen bloeien? Is het niet beter producties vaker in reprise te nemen, en langer door te laten spelen? Waarom wordt de publieksbelangstelling niet als factor meegenomen? Waarom gaat er zoveel geld naar de klassieke canon, terwijl juist daarvoor het publiek afneemt? Moet er geen mondiaal afwegingskader worden gehanteerd voor zulke kunstvormen: bijvoorbeeld stoppen met subsidie aan het dure Nationaal Ballet en dansers invliegen uit Sint-Petersburg (het boek is voor de oorlog met Oekraïne geschreven). Daamen pleit voor vertraging in de productieketen en, zoals gezegd, voor het maken van keuzes in de gesubsidieerde infrastructuur. Meer geld naar minder, maar wel naar de beste instellingen, meer ruimte voor verdieping en vakmanschap. Met de zogenaamde ketengedachte – van talent naar top – die breed wordt omarmd, heeft hij weinig op.

Deze vragen zijn niet nieuw, maar ze zijn zeker nog relevant. Zou het gesubsidieerde stelsel kleiner moeten worden, waardoor er minder versnippering van middelen is? En zou de subsidie dan moeten gaan naar (de grote) instellingen die van bewezen waarde zijn, zoals Daamen bepleit? Toch zijn er andere vragen te stellen. Want kunnen die grote, gerenommeerde instellingen niet sowieso hun broek ophouden, omdat ze beter in staat zijn publieksinkomsten en externe gelden te verwerven? Is dit idee dan niet een vorm van water naar de zee dragen? En wat zou een versmalling van het gesubsidieerde aanbod betekenen voor de instandhouding van de rest, per definitie kwetsbaarder en minder in staat zelf veel inkomsten uit de markt te halen? Werkt dat juist niet tegen wat hij ook beoogt: ruimte scheppen voor ‘jong en divers’, naast artistieke vernieuwing?

Daamen tamboereert op het gebrek aan samenwerking dat hij om zich heen meent te zien, wat kwaliteit en efficiency in de weg staat. Waarom kopen de kunstmusea niet samen kunstwerken aan, in plaats van ieder voor zich? Waarom heeft elk festival of theater zijn eigen programmering terwijl het vaak meer van hetzelfde is? Nationale culturele instellingen zouden vanwege de steeds hoger wordende kosten moeite hebben het hoofd boven water te houden. Daamens oplossing is samenwerking of fusie, desnoods met buitenlandse partners, want daarin moet niet te benepen worden gedacht. Het Science Museum in Londen met het Amsterdamse Nemo, het Natural History met Naturalis bijvoorbeeld. Dat leidt tot inhoudelijke en financiële versterking.

Daamen haalt voorbeelden aan uit de museumsector, maar kent die duidelijk minder goed dan zijn eigen biotoop, de theatersector. Hij vergeet dat de struggle for survival juist de middelgrote en kleine musea treft, niet de grote musea die hij op het oog heeft. En de door hem genoemde maar duidelijk minder gewaardeerde (niet-artistieke) musea slagen er vaak uitstekend in een breed en groot publiek te bereiken; juist zij trekken weer dezelfde bezoekersaantallen als voor corona. Bij zijn bewondering voor de grote vertrouwde buitenlandse merken veronachtzaamt hij dat Nederlandse musea over de grens in hoog aanzien staan, wat onder andere blijkt uit de internationale vakprijzen die ze krijgen uitgereikt. Zijn voorkeur voor de grote kunstmusea is natuurlijk geoorloofd, maar met zijn voorstel de sinds jaar en dag door gemeenten gesubsidieerde instituten door het rijk te laten overnemen, schiet hij vooral met losse flodders. Het is een gezelschapsspel voor consultants, leuk als tijdverdrijf, maar welk probleem lost het op?

Een serieuzer onderwerp is het gebrek aan aansluiting bij een jonger en meer divers publiek. Daamen verwijt de gevestigde instellingen dat ze op dat vlak te weinig vernieuwend zijn en met name jonge, etnisch diverse bezoekers niet weten te bereiken. Blijkbaar gaat er van de comfortabele subsidiepositie onvoldoende prikkeling uit. Ondanks twintig jaar duwen en trekken is er nauwelijks iets veranderd in de sector. Nog steeds geven witte oude mannen de toon aan. Daamen meent dat jongeren zich helemaal niet willen ‘integreren’ in het bestaande bestel, maar liever hun eigen voorkeur volgen en met nieuwe initiatieven komen, en hij adviseert ze daarin te faciliteren. Hij bepleit radicaal ruimte te maken: voor nieuwe smaken, een nieuw publiek, nieuwe bestuurders.

De richting is duidelijk, de aanpak blijft vaag, omdat de uitwerking ontbreekt. En daar gaat het nu juist om! Afgezien van dit praktische punt lijkt hij bovendien de sector tekort te doen. Er is het nodige veranderd in de zoektocht naar nieuwe bezoekers. De lockdown heeft een sterke stimulans gegeven aan nieuwe (digitale) manieren om publiek te bereiken. Sommige instellingen hebben hun openingstijden aangepast, met avondopenstelling of latere aanvangstijden, hun aanbod veranderd zodat het meer aansluit bij jongeren. Er zijn kortere programma’s, andere locaties, zoals het Residentieorkest in poptempel Paard, een informelere sfeer of programmering, zoals een speciale avond voor jongeren bij de Nationale Opera. Dat heeft wel degelijk geleid tot een nieuw publiek. Het publiek dat sinds de coronacrisis weg is gebleven, is opmerkelijk genoeg vooral het oude. Inmiddels is sprake van voorzichtig herstel.

Instellingen zijn zich bovendien bewust geworden van actuele politiek-maatschappelijke thema’s als racisme, het slavernijverleden, #MeToo, de klimaatcrisis. Het Rijksmuseum heeft zijn nek uitgestoken met tentoonstellingen over de slavernij en het koloniale verleden; het Stedelijk heeft heel duidelijk niet-witte kunst en kunstenaars een plek gegeven in het museum; het Tropenmuseum en het Amsterdam Museum kwamen met nieuwe vaste presentaties waardoor ze met hun collectie verhalen vertellen over tot nu toe onbelichte thema’s en groepen. Alida Dors hield dit jaar de Staat van het theater met een van diversiteit en inclusiviteit doordrenkte performance. Is het allemaal perfect en voldoende? Vast niet, maar het zijn duidelijke signalen van een verandering waar Daamen weinig oog en waardering voor lijkt te hebben, voor zover hij ze al heeft waargenomen.

Op het gebied van cultural governance kijkt hij enigszins schuldbewust terug op zijn eigen bijdrage aan de discussie jaren geleden. Er moest destijds coûte que coûte geprofessionaliseerd worden, maar nu zitten er alleen nog bobo’s en ‘grijze kunstpausen’ uit het zakenleven in de Raden van Toezicht. Er is te veel nadruk gekomen op financieel toezicht en te weinig aandacht voor de inhoud. Het lijkt alsof Daamen niet erkent dat er een wezenlijk verschil is tussen inhoudelijke beoordeling, waar peers en publiek een rol spelen, en de toetsende en meedenkende rol van toezichthouders op het gebied van risicomanagement, financiën en strategie. Experts van buiten de sector kunnen daar zeker een goede bijdrage leveren. En de code good governance is juist in het leven geroepen opdat dit gebeurt door een brede, diverse raad zonder belangen.

Grazen boven het kunstgras is vooral een optelsom van gemiste kansen. Het grootste bezwaar is dat het een lui boek is. Er staan prikkelende gedachten in, maar ze worden nauwelijks uitgewerkt, laat staan geproblematiseerd. Daamen wil vooral een polemisch schrijver zijn, en dat mag. Maar juist dan is scherpte vereist, en daar was ruimte voor geweest als de gedateerde columns en de briefwisselingen met grootheden uit het verleden waren ingeruild voor een meer actuele beschouwing.

Onderzoeker en publicist Renée Steenbergen is een expert op het gebied van kunstmecenaat en sponsoring, een onderwerp dat ook in haar boek ruimschoots aan bod komt. Iemand die oproept tot een revolutie tegen het bestaande systeem van kunstfinanciering en management, zou gerust activistisch kunnen worden genoemd. De Kunst van Anders bestaat uit drie delen: een analyse van de bestaande problemen, een studie van de financiering van kunst en de positie van private financiering, en tot slot zes voorstellen voor een ‘culturele transitie’. Steenbergen heeft met vijftig mensen uit de sector gesproken. Hun bijdrage aan de analyse wordt nergens expliciet, anders dan in enkele citaten.

Na Daamens boekje lijkt deze publicatie in eerste instantie een radicale stellingname in te houden: een j’accuse tegen een sector die zou moeten staan voor wat mooi en goed is, maar in feite volstrekt wordt beheerst door economisch denken en streven naar rendement. De sector kent een onevenwichtige personeelsopbouw. Een enorm aantal hoogopgeleide professionals, makers, musici, curatoren, belichters en geluidsmensen werkt als freelancer en vormt een flexibele schil rond een kleine kern van vaste medewerkers die goed betaald worden en bestaanszekerheid hebben. In de museumsector is het aantal vrijwilligers en stagiaires tweeënhalf keer zo groot als het aantal vaste medewerkers. De lonen voor de vele freelancers laten zeer te wensen over; velen onder hen balanceren op of onder het bestaansminimum.

Steenbergen legt de oorzaak voor deze scheefgroei in de nadruk op kwantiteit, overproductie en groei. De coronacrisis heeft de positie van freelancers verder verslechterd. Het werk hield feitelijk op en de compensatie die er voor anderen wel was, ontbrak. Velen verlieten de sector en lieten zich omscholen. Steenbergen verwijt de grote instellingen dat ze deze categorie in de kou heeft laten staan. Hoge kosten en minder inkomsten: de zzp’ers werden het kind van de rekening. In het algemeen vindt Steenbergen dat de middelen in de cultuursector te veel worden gebruikt voor gebouwen en institutionele overhead, en niet voor de makers om wie het in feite draait. Ook bepleit ze meer aandacht voor de lange termijn, minder voor kortlopende projecten.

Hoewel soms wel erg zwart-wit en sterk aangezet, zit er zeker veel waarheid in deze analyse. Fout gaat het als ook zij met grote stappen snel thuis wil zijn en slecht onderbouwde uitspraken doet. Dat gebeurt bijvoorbeeld als ze betoogt dat de bezuiniging op de cultuureducatie (bibliotheken, muziekscholen) tot gevolg heeft dat er geen nieuwe publieksgroepen worden bereikt. Die correlatie is niet aantoonbaar, wat niet wil zeggen dat de bezuinigingen geen slecht idee zijn. Of als ze zegt dat niet de intrinsieke waarde (daar heb je het weer) tegenwoordig centraal staat in het beleid, maar de afgeleide waarde van cultuur. Ook dat lijkt een voorbarig oordeel. Dat sommige culturele instellingen sociale projecten hebben opgezet, bijvoorbeeld voor mensen met een beperking, vanuit een ‘intrinsieke’ motivatie, of (zeker ook) omdat overheden er financiering tegenoverstellen, wil geenszins zeggen dat daarmee de corebusiness van een instelling, het artistieke product, wordt aangetast. Problematisch is ook dat Steenbergen allerhande politieke kwesties die op dit moment spelen, zoals genderongelijkheid en grensoverschrijdend gedrag, én problemen met fout geld van sponsors, in een grote veeg nog even in haar beschouwingen meeneemt. De opsomming leidt vooral tot ademnood.

Het laatste deel van het boekje, de zes aanzetten voor een culturele transitie, is ronduit teleurstellend. Uiteraard staan er goede suggesties in, zoals – verrassend is het niet – meer aandacht en meer middelen voor de makers. Maar die voorstellen komen niet of nauwelijks voort uit een gestructureerde analyse. Het prioriteert niet, het is soms ondoordacht en, zoals gezegd, het gaat niet in op de vele aanzetten die er vanuit de sector zijn gegeven. Een voorbeeld van een ondoordacht voorstel is haar pleidooi voor het trusteemodel in plaats van een Raad van Toezicht, omdat zo’n raad te zeer door financiële overwegingen wordt gedomineerd, waarover ook Daamen klaagde. En ook hier geldt: een Raad van Toezicht heeft alle gelegenheid om (inhoudelijke) experts zoals zij voorstelt op te nemen, en dat gebeurt ook. Ander voorbeeld: een collectief digitaal platform inrichten waar alle sectoren op vertegenwoordigd zijn, en zo als het ware één voordeur creëren. Het is aanboddenken, vaak al geprobeerd, en de burger zit er niet op te wachten.

Veranderingen gaan vaak langzaam, stap voor stap, en dat is niet erg spannend en sexy. De bestaande situatie is niet in korte tijd tot stand gekomen, maar gedurende een taai historisch proces. Steenbergen wil het bestaande, in haar ogen verkalkte systeem niet repareren, maar radicaal veranderen. Het is tot mislukken gedoemd zolang een onderliggende analyse ontbreekt.

 

Melle Daamen, Grazen boven het kunstgras. Het falen van het Nederlandse kunstbeleid, Amsterdam, Prometheus, 2022, ISBN 9789044651676; Renée Steenbergen, De Kunst van Anders. 6 voorstellen voor culturele innovatie, in eigen beheer uitgegeven, 2023, verkrijgbaar op reneesteenbergen.com.

Alle kunsten gelijk voor de wet?

In 1978 ben ik beginnen te werken in de kunstensector, als programmator theater en muziek in het toen net opgerichte Stuc in Leuven. In de vroege jaren tachtig werden vooral vanuit een nieuwe theaterbeweging steeds vaker cultuurpolitieke discussies aangewakkerd. Er bestond zoiets als het Theaterdecreet – ‘Decreet houdende de subsidieregeling voor de Nederlandstalige Toneelkunst’, 1975 – dat heel nauwkeurig het gesubsidieerde landschap verdeelde over A, B, C en D-gezelschappen, met elk een eigen opdracht en financieringsmodel. Een nieuwe generatie theatermakers (Sam Bogaerts, Guy Cassiers, Jan Decorte, Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre, Luk Perceval, Alain Platel, Ivo Van Hove, Marc Vanrunxt en vele anderen) vond geen plaats meer in de rigide instructies van dat decreet. Zij werden geflankeerd door een rist organisatoren die pas veel later ‘kunstencentra’ werden genoemd, en die een presentatie- en zelfs productiealternatief aanreikten (Beursschouwburg, deSingel, Kaaitheater, Limelight, Monty, Nieuwpoorttheater, Stuc, Vooruit en andere – in vele gevallen niet meer bestaande – organisaties).

Dankzij het grote succes van kunstenaars en van bemiddelaars of organisatoren kon een nieuw wetgevend kader voor de podiumkunsten afgedwongen worden. Een eerste belangrijke stap – voorbereid sinds 1989, maar pas officieel in 1993 – was het Podiumkunstendecreet, waarin theater breder geformuleerd werd dan uitsluitend op tekst georiënteerd, en waarin plaats gemaakt werd voor rechtstreekse betoelaging van de kunstencentra, die toen nog door het leven gingen onder de vreselijke naam ‘receptieve productiecentra’.

Latere aanpassingen aan het decretale kader zouden volgen in 1999 en 2005. Stapsgewijs werden actieterreinen verruimd, specificaties aangebracht, andere werkvormen subsidieerbaar. Meerjarige subsidiëring werd mogelijk, net als losstaande projecten. Termijnsubsidiëring ging van twee jaar over vier jaar naar vijf jaar, en ondertussen voor een aantal ook naar tien jaar. Toneel kreeg er dans en muziektheater als decretale broer en zus bij. De ‘oude’ kunstencentra konden voortaan ook als festival door het leven gaan en ze zijn sowieso al lang niet meer alleen in de podiumkunsten actief. Muziek en beeldende kunst zouden uiteindelijk vanuit eenzelfde wettelijk kader aangestuurd worden. Multidisciplinaire en transdisciplinaire kunstpraktijken kregen een eigen label. Individuele kunstenaars kunnen een beroep doen op onderzoeks- en werkbeurzen. Aan de andere zijde van het spectrum staan de grootschalige en duurzaam verankerde ‘Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap’. Het oude tweedimensionale veld van kunstenaars en organisatoren kreeg een driedimensionaal karakter door het inbrengen van ‘functiedenken’: elke actor zou actief zijn op één of meerdere van vijf functies: participatie, presentatie, productie, ontwikkeling en reflectie.

We zijn inmiddels net geen vijftig jaar na het Theaterdecreet, dat in 1975 een eerste doorbraak was in de ontluikende autonomie van een Vlaams cultuurbeleid. Een halve eeuw later is er een wetgevend kader dat vele landen ons benijden. Vlaanderen is erin geslaagd om ruimte te geven aan innovatie en bottom-updynamiek. Wij hebben nauwelijks of geen last van overheden die dwingend opereren. Er is een redelijke kans dat een talentvolle, maar nog volstrekt onbekende kunstenaar op relatief korte termijn goede ontwikkelingskansen krijgt.

En toch: alles kan beter. De Nederlandse theatermaker Jan Joris Lamers, boegbeeld van Maatschappij Discordia, liet 35 jaar geleden reeds in een debat optekenen dat goed cultuurbeleid zich kenmerkt door heel nauw te luisteren en te kijken naar kunstenaars en hun praktijk, en door die aandacht vervolgens te vertalen in faciliterende wetgeving. Bovenal, zo voegde hij eraan toe, is het nodig dat wetgevende kader een dag later meteen weer aan te passen. De wetgever is per definitie altijd te laat. Het is een uitdagende stelling. Waar zouden we vandaag moeten corrigeren, aanvullen, wijzigen, weggooien, introduceren?

De impulsen voor cultuurpolitiek kwamen de voorbije vijftig jaar vaak vanuit de podiumkunsten. Het Vlaams Theaterinstituut (VTi) werd reeds in 1987 opgericht. Pas in 1998 zouden de muzieksector (MCV, Muziekcentrum Vlaanderen) en, in 2001, de beeldende kunsten (IBK, Initiatief Beeldende Kunsten) en audiovisuele kunsten (IAK) vergelijkbare initiatieven nemen. In 2007 fuseerden IAK en IBK tot het steunpunt BAM, dat in 2015 met het VTi en Muziekcentrum Vlaanderen zou samensmelten tot Kunstenpunt, één disciplineoverschrijdend steunpunt voor de kunsten.

In de productie- en presentatiepraktijk was het niet anders, en het Podiumkunstendecreet van 1993 was daar een voorbeeld van. Andere kunstensectoren voelden zich vaak achtergesteld. Daar heeft de wetgever terecht op gereageerd door in verschillende stappen naar een geïntegreerd wettelijk kader te streven. Alle kunsten gelijk voor de wet. Het gevoel van achterstelling bleef echter lang hangen, en hangt er vandaag ongetwijfeld nog steeds. Zoals dans dertig jaar geleden een plaatsje moest bevechten naast teksttheater, bleek een gelijkaardige strijd geleverd te moeten worden in tijden van het reeds eengemaakte decreet. Toen ik zelf zetelde in de Adviescommissie Kunsten, van 2008 tot 2014, onder cultuurministers Bert Anciaux en Joke Schauvliege, was de inhaaloperatie voor muziek en vooral beeldende kunst in vergelijking met de podiumkunsten vaak het voornaamste mantra op de vergaderingen. Het bleek gemakkelijker te stellen dan te verhelpen. Hoe verfijnder het eengemaakte decreet werd, hoe moeilijker de eenduidige toepassingen werden van de decretale bepalingen. Heel eenvoudige basisbegrippen dekken immers volstrekt verschillende ladingen. Wat betekent het ondersteunen van ‘productie’ voor theatermakers, musici, beeldende kunstenaars of cineasten? Wat betekent ‘presentatie’ in al deze sectoren, wanneer de presentatiecondities zo volstrekt verschillend zijn?

Het Kunstendecreet, van kracht sinds 2006 en vernieuwd in 2013, is het voorlopige eindpunt van een cultuurpolitieke emancipatie die aangestuurd werd door podiumkunstenaars, en waaraan andere kunstenaars zich vasthaken. Dat is een goede beweging geweest, maar de praktijk is illusoir. Binnen het decreet is een hoeksteen – dé hoeksteen – de beoordeling van de kunstpraktijk en de vertaling ervan in billijke en gelijkwegende financiële ondersteuning van alle kunstenaars, ongeacht hun discipline. De verschillen in de basiscondities van de diverse kunsten zijn dermate groot dat zo’n gesprek erg theoretisch wordt en eigenlijk zonder voorwerp. Er bestaan geen geijkte parameters voor toepassing van de decretale principes, geldig voor alle kunsten. Uiteindelijk kijken beoordelingscommissies alleen naar ‘hun’ sector en maken daar het beste van.

Na een decennialange beweging naar een volledige integratie van ‘de kunsten’ is de tijd rijp om weer specifieker te worden. Ik pleit voor meerdere kunstendecreten, of voor één decreet met meerdere subdecreten. De vorm kan verschillen, maar het doel moet zijn: cultuurpolitiek bedrijven op een niveau dat dialoog toelaat tussen alle actoren, dat toegespitst is op de noden van het veld, en dat het culturele landschap laat prevaleren op individuele dossiers. Dan zie ik drie basisclusters ontstaan, drie landschappen als het ware: beeldende kunst, muziek en podiumkunst. Elk van die landschappen heeft een unieke morfologie, waar dezelfde functies heel verschillende verschijningsvormen en betekenissen hebben. Het cultuurpolitieke beleid zal aan coherentie en diepgang winnen. Een vierde cluster wordt dan de ‘restcluster’, want die is er altijd.

Hoe dit vertaald zou kunnen worden in decreetteksten of uitvoeringsbesluiten is een technische aangelegenheid. De doelstelling zou moeten zijn: weg van de individuele dossieraanvragen als enige onderscheidingsnorm. De prioriteit zou moeten liggen bij een wettelijk format dat toelaat de subsidiëring van de Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, structurelen, projecten, beurzen enzovoort in eerste instantie vanuit landschapsoverwegingen aan te sturen.

Een tweede belangrijke ingreep zou ik doorvoeren op het niveau van de decretale functies. De kunstencentra van de jaren tachtig hebben een doorslaggevende rol gespeeld in het transformatieproces van eerst de podiumkunsten, en later van de kunsten tout court. Het model is heel succesvol gebleken. Hun initiële en reeds vermelde benaming ‘receptieve productiecentra’ was lelijk, maar wel correct. Het waren plekken waar opvoeringen getoond werden die zelden of nooit de podia haalden van schouwburgen en culturele centra. In se waren het dus receptieve huizen. De term ‘productie’ werd toegevoegd omdat deze huizen corrigerend of aanvullend wilden werken op de theaterpraktijken die vanuit het Theaterdecreet ondersteund werden. Aan de top van die klassieke theaterpiramide stonden de drie grote stadsgezelschappen KNS (Antwerpen), KVS (Brussel) en NTG (Gent) – zij toonden in hun schouwburgen vrijwel uitsluitend eigen werk.

Het Kaaitheater, als festival een wegbereider van de receptieve productiecentra, ontstond in 1977, in de marge van de viering van honderd jaar KVS. Het programma was uitsluitend receptief, met een staalkaart van het toenmalige Europese theater. Het festival van Nancy, geleid door de latere Franse cultuurminister Jack Lang, stond model. In 1979 zou het tweejaarlijkse festival voor het eerst ook (co)produceren; in 1981 toonde het Kaaitheater voor het eerst een eigen Vlaamse productie: Maria Magdalena, in een regie van Jan Decorte, in de Beursschouwburg.

De andere receptieve productiecentra zouden snel volgen met een eigen productiepolitiek. Vooral coproducties van niet-gesubsidieerde theatermakers, maar soms ook volledig eigen producties, zoals Stuc en het werk van Paul Peyskens. Het Kaaitheater zelf schakelde na zijn vijfde festival in 1985 naar een hogere versnelling en fuseerde met het managementbureau avant la lettre Schaamte. Vanaf het seizoen 1987-1988 werd een nomadische seizoenswerking uitgebouwd en voerden eigen (co)producties de boventoon. De ‘huisartiest’ deed zijn intrede en betekende heel vaak een structurele samenwerking tussen organisator en kunstenaar. In het geval van het Kaaitheater waren dat, bijvoorbeeld, Anne Teresa De Keersmaeker & Rosas, Jan Fabre & Troubleyn of Jan Lauwers & Needcompany. Maar net zo goed bleef het Kaaitheater werk tonen van buitenlandse kunstenaars, al dan niet in coproductie. The Wooster Group uit New York was een habitué.

Het was – denk ik – Frie Leysen in deSingel die voor het eerst de term ‘kunstencentrum’ hanteerde voor dergelijke instellingen die ongebonden waren, receptieve programma’s aanboden (heel veel podiumkunsten, minder muziek of beeldende kunst) en die een wezenlijke aanvulling wilden garanderen op de Vlaamse theaterproductie. Wat ontstond in de jaren tachtig werd mainstream in de jaren negentig en zou zelfs leiden tot een nieuwe subsidiecategorie. Na 2000 werden de kunstencentra met rasse schreden huizen die zich definieerden door hun curatorial practice – ‘dramaturgie’ werd een sleutelbegrip. Dertig jaar geleden hekelde Johan Thielemans sommige artistiek geprofileerde centra als ‘sluiswachters bij smalle beekjes’, want zij stelden zich té stroef op ten aanzien van het werkveld. Vandaag constateren we dat het volledige veld vergeven is van de sluiswachters. De beken zijn misschien rivieren geworden, maar een kunstencentrum dat zich definieert als een zichzelf wegcijferende dienstverlener bestaat niet (meer).

Veertig jaar geleden waren de jonge kunstencentra, ook die van de smalle beekjes, vooral bemiddelaars. Zij vervulden een essentiële en aanvullende rol in een solide en strak georganiseerd theaterlandschap. Zonder Klapstuk, het Kaaitheater of deSingel hadden we bijvoorbeeld véél langer moeten wachten op de doorbraak van de hedendaagse dans. Kunstencentra fungeerden als antennes en begeleidden nieuwe kunstpraktijken naar structurele erkenning. Vandaag is dat model van kunstencentra zó succesvol gebleken dat het vrijwel de hele theater- en danssector heeft overgenomen. Zelfs de grote stadstheaters zijn volop van productiehuis in kunstencentrum aan het transformeren.

Daar is op zich niets mis mee, maar het Kunstendecreet stelt de functies productie en presentatie nog steeds centraal, en terecht. Als de subsidiestromen naar de vijf verschillende functies in kaart gebracht zouden worden, dan zouden deze twee functies ongetwijfeld een overgroot aandeel van de geldmassa uitmaken. Ik laat hier de overheidsinvesteringen in culturele centra, die voornamelijk een brede en dienstverlenende receptieve functie hebben, buiten beschouwing en spreek alleen over de enveloppe die door het Kunstendecreet verdeeld wordt. In het duale kunstendecreetveld van enerzijds aanvullend receptief werk (met beperkte productieactiviteit) door kunstencentra en anderzijds geprofileerde productiehuizen en -gezelschappen (met beperkte presentatieactiviteit) doet zich steeds meer een evolutie voor naar een eengemaakt model. Kaaitheater wordt KVS en vice versa, NTGent wordt Vooruit of VierNulVier en vice versa. Het onderscheid wordt puur curatorieel.

In landschapstermen roept dat veel vragen op. En de belangrijkste is: wat betekent dit voor de kern der dingen, waarmee ik de productiepraktijk van kunstenaars bedoel? Ik ben er mij van bewust dat dit heel erg gaat over één sector, die van de podiumkunsten, en dat het Kunstendecreet alle sectoren moet dekken. Maar hoe meer dit alles inderdaad voor slechts één sector geldt, hoe meer natuurlijk het eerder gemaakte punt over het eengemaakte Kunstendecreet aan belang wint. Voor de podiumkunstensector pleit ik ervoor dat productie en presentatie helderder uit elkaar gehaald worden. Er is niets mis mee dat beide functies in één huis opgenomen worden. Integendeel, het loopt fout wanneer beide functies niet meer onderscheidend gedefinieerd en ingevuld worden – en dus beoordeeld kunnen worden. De teloorgang van de grote ensembles in de drie grote stadstheaters is daar een pijnlijke consequentie van. Dit is een gevolg van curatorial practice, niet van de wensen en ambities van theatermakers. De pijnlijke devaluatie van ‘coproducties’ is een ander gevolg. Die liggen in absolute termen vandaag immers lager dan decennia geleden. Kijk maar naar de ellenlange productiecredits, waar soms tien of meer ‘coproducenten’ vermeld worden. (Waarschijnlijk is het gewone presenteren van een productie voor velen reeds een coproductie.) Ook de presentaties devalueren: waar kan een theatermaker nog voor langere tijd een serie voorstellingen spelen? Toch weet elke professional dat het zo vergankelijke theater vooral leeft dankzij mond-tot-mondreclame – succes dikt het publiek in no time aan. Maar dat publiek moet daar wel de tijd voor krijgen. Het alternatief is een overgemediatiseerd landschap waarin publiciteit en branding de dienst uitmaken.

Cultuurpolitiek gezien hebben we er dus alle belang bij om de functies van creatie en bemiddeling uit elkaar te halen, en ze beide de ruimte te geven om doelstellingen op korte en lange termijn te ontwikkelen. Mijn aanvoelen is dat dit evenzeer, maar op een volstrekt andere manier, geldt voor de sectoren van muziek en beeldende kunst.

Vier jaar Jan Jambon

Een ministerschap overzien is een daad van hermeneutiek. Het is zoveel meer dan het rekensommetje maken van beloftevolle beleidsnota’s, ondertekende besluiten en verkooppraatjes in de pers. Het is de gelaagde textuur van ook eerder beslist beleid, snelle partijpolitieke akkoordjes, het betere papierwerk vanuit de administratie en het verdoken lobbywerk van de sector zelf. Je probeert er een coherente intentie en betekenis in te lezen van één auteurschap, maar zelfs voor de minister zelf is dat wellicht niet altijd even helder. Gerealiseerd cultuurbeleid is, net als elk ander beleid, een blurry mess van niet alleen publieke voornemens, ideologische strategieën en objectieve beslissingen, maar ook van subjectieve percepties. Op die oppervlakkige indrukken is de hedendaagse politiek net gebaseerd: het gaat om wat mensen onthouden. Dat geldt bij uitstek voor Jan Jambon (1960), ‘sterke Jan’, die sinds eind 2019 als minister-president van Vlaanderen (met extra bevoegdheden voor Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Rampenschade) ook het boegbeeld van de hele regering is. Vóór zijn realisaties komt het beeld van zijn realisaties. Zijn beleidskeuzes staan nu eenmaal symbool voor wat zijn partij N-VA wil voor de natie, én voor de geloofwaardigheid van die partij als nieuwe troonpretendent in het klassieke centrum.

Welk beeld van Jambon als cultuurminister zal blijven hangen? Het doelwit van een paar fout gemikte tomaten tijdens de uitreiking van de Ultima-cultuurprijzen in 2020? De man die tijdens de lockdown enigszins vermoeid en met een voorgeschreven papiertje de Commissie Cultuur te woord stond vanaf zijn eigen zolder? De ietwat weifelende verkeersagent van wisselende coronamaatregelen? De vader van de Vlaamse canon? De blinkende politicus die na tien jaar eindelijk het lintje mocht doorknippen van het vernieuwde KMSKA? De gulle Sinterklaas die maandenlange onrust in de kunstensector plots afkocht met 25 miljoen? Of toch de minister die in het parlement een spelletje Toy Blast zat te spelen tijdens het debat over zijn eigen regeerverklaring?

De publieke associaties die aan Jambon blijven kleven, hebben hem vaak overvallen. Als opvolger van vlotte communicator Sven Gatz (Open VLD) leek deze minister zowat diens contrapunt. Een eerste stuurman op een schip dat hem vreemd was. Een plichtsbewuste voorlezer voor tussen de soep en de patatten. Een weinig transparante arrangeur. Persberichten over zijn (subsidie)beslissingen blijven nog altijd eerder uitzondering dan regel. Het liet veel ruimte voor creatieve framing vanuit de sector, van ‘cultuurminister in bijberoep’ tot ‘minister van Cancelcultuur’. Gatz’ voorganger Joke Schauvliege (CD&V) kan erover meepraten: cultuurminister word je nooit zonder nicknames.

 

Twee helften

Het is bijzonder hoe Jambon die framing in de tweede helft van zijn legislatuur heeft weten te keren. Halfweg zijn beleidsperiode, toen de cultuursector op tweede kerstdag 2021 massaal verzamelen blies op de Brusselse Kunstberg om te protesteren tegen de zoveelste coronasluiting van theaters en concertzalen – drie dagen later teruggedraaid door de Raad van State – heette het in De Standaard: ‘Het heeft nooit geboterd tussen Jambon en de cultuursector, maar nu is de vertrouwensbreuk compleet.’ Nooit eerder waren kunstenaars én culturele directeurs zo frequent en virulent aan het betogen gegaan als tegen het beleid van Jambon. Alleen al in zijn wittebroodsweken eind 2019 waaierde dat protest uit van luidruchtige manifestaties aan het Vlaams Parlement en sit-ins van bekende cultuurgezichten in de Commissie Cultuur, tot viraal gaande acties met gele vierkanten die op Facebook over kunstwerken werden gekleefd en met hele theaterzalen die onder de hashtag #ditisonspubliek opstonden tegen de besparingsplannen van de kersverse regering.

De vonk was Jambons voornemen om zestig procent te schrappen van de (al weinig florissante) projectsubsidies kunsten, terwijl de ‘grote instellingen’ van de Vlaamse Gemeenschap (zoals Opera Ballet Vlaanderen, deSingel, het KMSKA en het M HKA) ‘maar’ drie procent moesten inleveren. Die aberrante besparing op beginnende kunstenaars diende ‘om structurele besparingen in de grote kunstinstellingen te vermijden, die onvermijdelijk tot ontslagen zouden lijden’, aldus Jambon. Voor hem ging het dus om ‘solidariteit’. Ook snel bedachte decreetswijzigingen rond zowel sociaal-culturele middenveldorganisaties ‘die zich terugplooien op de etnisch-culturele identiteit’ (2019) als rond beperkingen op de kunstenaarsbeurs (2021) zorgden voor spontane acties, fysiek of online. Het aanvoelen van een ‘cultuurkamp’ was in die eerste maanden gemeengoed, mee aangestookt door Jambons uitspraken over de VRT in HUMO: ‘Bij N-VA vinden we dat links een te groot forum krijgt in vergelijking met hun maatschappelijke relevantie. Dat vraagt om een correctie.’ Met zijn eerste publieke aankondigingen tekende de nieuwe cultuurminister zélf de karikatuur die in de cultuursector zo graag van N-VA gemaakt wordt. Investeren in een Vlaamse canon en een Museum voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen, maar ondertussen de kunstenaars van vandaag de poten van onder hun stoel zagen? Het clichébeeld van een rancuneuze traditionalist was snel gemaakt.

Na één jaar werd de minister op de algemene vergadering van oKo, het overlegplatform van de kunstenorganisaties, verwelkomd met een voorlopige balans zonder franjes: ‘Te weinig vuur, te weinig beleid, te weinig visie.’ In mei 2021 moest hij zelfs een Ultima-cultuurprijs uitreiken aan het kunstenaarsplatform State of the Arts, de drijvende kracht achter het protest tegen zijn eigen beleid. Het circus van de ironie in de arena van de macht? Jambon stond erbij en keek ernaar, en haalde finaal bakzeil op zowat alle voormelde plannen. Nooit eerder zijn zoveel voorlopige besluiten weer ingetrokken of minstens sterk afgevijld als onder deze cultuurminister. Dat zou kunnen pleiten voor zijn zin voor dialoog, maar het bevestigde vooral de robuuste weerbaarheid van de sector en de corrigerende invloed van regeringspartners CD&V en Open VLD. Na de eerste helft van de match cultuurveld versus Jambon gaf het scorebord van de publieke perceptie een duidelijke voorsprong voor de thuisploeg aan. Ook bij de twaalfde man in de tribune leefde er weer meer sympathie voor ‘die arme kunstenaars’.

Vandaag, twee jaar later, heeft Jambons ministerschap minstens een gelijkspel uit de brand weten te slepen. Of zelfs een zoete overwinning? Toen De Standaard in juli 2022 opnieuw een rondvraag deed in de sector, klonken de meeste reacties verrassend positiever. Tijdens de bespreking, november vorig jaar, van zijn begroting voor 2024 in de Commissie Cultuur vond zelfs de (linkse) oppositie nog weinig stokken om dit beleid mee te slaan. Eerder had ze al moeten erkennen dat De Canon van Vlaanderen in 60 vensters dan toch een mooi boek en een goede website was geworden. De enige kritiek in het parlement kwam toen veelzeggend van Vlaams Belang: ‘Dit is een goed historisch werk, maar geen Vlaamse canon. Dit is geen identiteitsversterkend project zoals voorzien in de beleidsnota van minister-president Jambon.’

En het veld zelf? Dat lijkt zich min of meer verzoend te hebben met dit kabinet. Lang ervoeren heel wat spelers de verrassende keuze van N-VA voor cultuur als appendix bij het minister-presidentschap als een blijk van onderwaardering of zelfs als een voorteken voor gecoördineerd revanchisme. Maar mocht het veld vandaag moeten tekenen voor wel of niet nog een tweede termijn van dit kabinet, in een volgende regering, dan is het lang niet zeker of het antwoord ‘nee’ zou zijn. Het zou een keuze zijn voor de minste onzekerheid. En dat is precies wat Jambon won in de tweede helft van zijn beleidsperiode: meer vertrouwen en geloofwaardigheid. Vandaag heerst van zijn ministerschap het beeld van een meer bedachtzame stuurmanskunst. Die vaart dan wel onder eigen (leeuwen)vlag, maar niet door de rest van kunst en cultuur halfstok te hangen. Hoe is die perceptie zo kunnen keren?

 

Met dank aan corona

Om te beginnen heeft Jambon als geen ander begrepen wat hij bij zijn aantreden in 2019 net zwaar had onderschat: de liefde van de cultuursector gaat door de maag. Al loopt het culturele bedrijf nog zo hoog op met zijn onstoffelijke verbeeldingsvermogen en zijn kritische zin, uiteindelijk draait het ook daar gewoon om cash. Daarop wordt het imago van cultuurministers afgerekend: op besparingen en investeringen.

Jambon heeft zijn portefeuille opgevat in de meest letterlijke zin. Vanaf 2020 trok hij ze samen met de hele Vlaamse regering wijd open om de jaarlijkse structurele subsidiëring in zowat al zijn beleidsdomeinen behoorlijk op te trekken: 4 miljoen extra voor sociaal-cultureel volwassenenwerk (met 6 procent meer naar 70 miljoen per jaar voor 131 middenveldorganisaties), 1 miljoen meer voor de 9 landelijke amateurkunstenorganisaties (met 13 procent meer naar 9 miljoen), 25 miljoen extra voor de kunsten (een verhoging met ruim 15 procent naar 178 miljoen per jaar voor 236 kunstorganisaties), 18 miljoen extra voor cultureel erfgoed (een verhoging met ruim 50 procent, naar 51 miljoen per jaar) en nog eens 7 miljoen extra voor diverse erfgoedinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap (zoals M HKA, KMSKA, Mu.ZEE, Alden Biesen, Kasteel van Gaasbeek en het Roger Raveel Museum). Ook de beide fondsen kregen voor hun werking een extra enveloppe, met een dotatieverhoging van 1,6 miljoen voor Literatuur Vlaanderen en 3 miljoen voor het Vlaams Audiovisueel Fonds. Zo trok de minister het totale rechtstreekse cultuurbudget voor de sector op van 365 miljoen in 2019 naar 484 miljoen in 2024, een stijging met maar liefst 33 procent. Daarbovenop werd eenmalig ook nog 195 miljoen uitgedeeld aan infrastructurele projecten, 65 miljoen aan het coronanoodfonds cultuur en 16,5 miljoen aan compensaties tijdens de energiecrisis.

Groot is het contrast met de start van Jambons ministerschap. Was N-VA niet de partij van de nauwe knip en de tering naar de nering, die mordicus vasthield aan het heilige begrotingsevenwicht? Dat er vandaag niet meer gekeken wordt op een miljoentje meer of minder, ligt natuurlijk aan corona. Jambon zal de pandemie zeker zo hard vervloekt hebben als het culturele veld zelf, maar achteraf beschouwd heeft zijn ministerschap er veel aan te danken. De covidcrisis zorgde voor een beleidscontext waarin plots alle boekhoudkundige gestrengheid uit de tijd van Schauvliege en Gatz in de prullenbak ging. Het geld moest rollen. En snel. Op geen tijd werd het jarenlange discours van ‘snoeien om te groeien’ ook in Vlaanderen noodgedwongen ingewisseld voor eerst een budgettaire bazooka aan noodsteun en dan een staatsgeleide investeringspolitiek.

Typerend voor Jambons beleid is wat hij eind 2020 met al dat extra geld aanving in het kader van Vlaamse Veerkracht, ‘het meest ambitieuze investeringsplan dat een Vlaamse Regering ooit in de steigers heeft gezet’. Met dit relanceplan van 4,3 miljard – waarvan de helft uit het Europese Herstelfonds – moest Vlaanderen de vlucht vooruit nemen. Zeker voor de cultuursector voelde die ‘springplank naar meer en beter’ als een haast existentiële reset. Hoe de culturele praktijk samen heruitvinden? Jambon van zijn kant wendde die royale middelen vooral aan om enkele voorkeuren en beleidsplannen van vóór corona vlotter gefinancierd te krijgen. Zo voorzag hij 12 miljoen voor een eenmalig extra creatiebudget voor het VAF, specifiek voor ‘het verhogen van de productie van Vlaamse content’ – dus zowel films, miniseries als games van (en over?) eigen bodem. Ook ging er in totaal bijna 3 miljoen naar een digitaal Verenigingsloket om de administratieve planlast te vereenvoudigen (lancering eind januari 2024) en 7 miljoen naar de voortgezette digitalisering van erfgoedcollecties en -databanken – wat resulteert in onder meer haarscherp te bekijken historische krantenpagina’s, glasplaten en topstukken op de website ‘Tot in detail’.

Het gros van de relancemiddelen, 100 miljoen, werd voorzien voor de renovatie van culturele infrastructuur. Al dan niet toevallig lag die allemaal in steden met burgemeesters van N-VA of andere regeringspartijen: 27 miljoen voor de nieuwe Brugse museumsite, 9 miljoen voor een verstelbare vloer in het Oostendse Kursaal (uitgesteld tot na de zomer van 2024), 8 miljoen voor de renovatie van de Kortrijkse Schouwburg, 6 miljoen voor de intrek van het Vlaams Architectuurinstituut in de Antwerpse Sint-Hubertuskerk in 2027 (in oktober 2023 stopgezet wegens te hoge kosten), 5 miljoen voor de restauratie van de Gentse Opera, nog eens 5 miljoen voor de verbouwing van het Hasseltse Hemelrijck-klooster tot theater- en cinemazaal… Ook Aalst, Sint-Niklaas en Boom kregen onder het mom van ‘veerkracht’ bouwbudget toegeschoven, terwijl Literatuur Vlaanderen en Iedereen Leest afgelopen najaar samen hun intrek namen in het gerenoveerde Hotel Dumont in Antwerpen.

Het is alvast één antwoord op de vraag welke sporen Jambons beleid zal nalaten. Van de lopende verbouwingen van het Kaaitheater en het Design Museum Gent tot de geplande nieuwbouw van het M HKA op dezelfde Waalsekaai (begroot op 130 miljoen): architecten en aannemers hebben onder zijn bewind goed geboerd. Er werd meer aan infrastructuurprojecten uitgegeven dan de voorbije twee legislaturen samen. Tegelijk blijft het wachten op de inventaris van alle beschikbare culturele infrastructuur die de minister in 2019 beloofde, als basis voor een langetermijnvisie rond de vele culturele gebouwen in Vlaanderen. Anders dan in de sportsector bestaat daar bij cultuur nog altijd geen helder overzicht van. Past Jambon daarmee in het clichébeeld van de politicus die liever investeert in zichtbare architecturale parels dan in naarstige beleidsvoering en in de culturele software die al die gebouwen moet invullen? ‘Never waste a good crisis,’ zo luidde zijn parool bij de presentatie van Vlaamse Veerkracht. Sloeg dat niet ook op zijn relance als gulle staatsman, mede dankzij 2,25 miljard EU-coronageld?

 

Niet restauratie, maar renovatie

Wellicht waren deze investeringen zinvol en nodig. Maar als antwoord op de uitdaging om het culturele leven in Vlaanderen toekomstbestendig te maken, zeggen ze vooral veel over hoe Jambon zelf naar cultuur kijkt. Die visie is weleens samengevat als bricks & bytes, maar dat is net te karikaturaal. Wel openbaart zich in zijn invulling van ‘herstel’ het kloppende hart van zijn cultuurbeleid: de symbiose tussen conservatie en innovatie, tussen traditie en technologie. Waar ‘ons’ rijke verleden zich kruist met ‘onze’ eigentijdse topexpertise in digitalisering, restauratie of architectuur, daar lijkt cultuur voor Jambon haar ware betekenis te krijgen. Zeker als dat ook ten goede komt aan de internationale uitstraling van Vlaanderen en aan toerisme, zoals bij de restauratie van Het Lam Gods of de heropening van het KMSKA (‘onmiskenbaar het hoogtepunt van deze regeerperiode als minister van Cultuur,’ aldus Jambon zelf). De sleutel van zijn cultuurbeleid is niet zozeer ‘restauratie’ als wel ‘renovatie’: de eigentijdse vernieuwing én herwaardering van wat Vlaanderen en de Vlaamse geschiedenis bijzonder maken in een geglobaliseerde wereld. De ‘her’ in herstel en de ‘re’ in ‘relance’ slaan op het weer aanknopen bij de naam en faam van het Vlaanderen van Bruegel en Rubens, maar dan in het neoliberale en gedigitaliseerde Europa van vandaag. Jambons cultuurbeleid is geen ‘terug’, maar een ‘opnieuw’ – met de nadruk op ‘nieuw’. Zijn culturele visie lijkt op één lijn te staan met zijn internationaal beleid en met Flanders Technology and Innovation. In zijn jongste Septemberverklaring heette het: ‘Cultuur is onze rijkdom, technologie onze toekomst.’

Niet toevallig kleurt net die koppeling ook de beide culturele conferenties die Jambon dit voorjaar zal organiseren voor beleidsmakers, cultuurexperts en innovatoren uit heel Europa, in het kader van het Belgische EU-voorzitterschap: ze gaan over digitalisering en over cultuur, erfgoed en identiteit in Europa. Het resultaat, in mei, wordt een werkdiner (begroot op 157.700 euro) met alle collega-cultuurministers van de hele EU, over de rol van cultuur en erfgoed in het Europese identiteitsverhaal. ‘Een uitgelezen kans om Vlaanderen en zijn culturele en creatieve sectoren op de Europese en wereldkaart te zetten,’ aldus Jambon. ‘Ook het virtueel museum, de reeks Het verhaal van Vlaanderen en de website en het boek over de canon van Vlaanderen komen aan bod in een sessie over de impact van populaire media op culturele verhaallijnen en identiteitsvorming.’ Harmonieuzer kan zijn ministerschap niet afsluiten: op het kruispunt van digitalisering, erfgoed en identiteitsvorming.

Precies op die lijnen nam Jambon het meeste initiatief, ook met minder zichtbaar beleidswerk. Van digitalisering maakte hij een belangrijk aandachtspunt voor de structurele subsidieronde Cultureel Erfgoed, terwijl met meemoo, publiq en Cultuurconnect een strategische kadervisie vastgelegd werd voor de verdere digitale transformatie van de cultuursector. Ook Schauvliege en Gatz namen daar al stappen in, maar corona fungeerde nu duidelijk als katalysator om het gaspedaal in te duwen. Hoe culturele digitale content verbreden en verrijken (zoals tijdens de lockdown bijvoorbeeld gebeurde met de financiering van de tijdelijke culturele tv-zender Podium 19)? Hoe vraag en aanbod op elkaar afstemmen? Hoe continu digitale innovatie stimuleren? Hoe duurzame financieringsmodellen uitwerken? Het zijn een paar uitdagingen die in de visienota geformuleerd staan en waarop de komende jaren concreter doorgewerkt moet worden.

Meer en meer lijkt het aloude streven van het Vlaamse cultuurbeleid naar meer cultuurparticipatie (van de uitrol van cultuurcentra in de jaren zeventig tot het Participatiedecreet uit 2008 van Schauvlieges voorganger Bert Anciaux (Spirit)) op te schuiven naar een digitaal verhaal van uniforme bezoekersdata, use cases en datagestuurd beleid. Net die marketinggerichte ambitie spreekt ook uit het plan ‘Doelgericht Digitaal Transformeren’ dat Jambon initieerde, waarbij het ‘UiTwisselingsplatform’ van publiq het dataknooppunt moet worden van een ‘open cultureel ecosysteem’ tussen culturele spelers en andere belanghebbenden: ‘Door het open karakter van het platform en de datastandaarden kan een uitbreiding naar andere sectoren, zoals private en toeristische organisaties, een verdere impuls zijn voor innovatie.’ Tegelijk is het een veeg teken dat de minister besliste om Demos, kenniscentrum voor vrijetijdsparticipatie van kansengroepen, vanaf 2025 onder te brengen bij publiq, dus onder het nieuwe decreet Digitale Transformatie uit 2023. Inclusie, armoedebestrijding, participatie: Jambon lag er niet echt wakker van. Rond de kerstperiode van 2020 schrapte hij plots de subsidielijn ‘Participatieprojecten kansengroepen’ en intussen wordt ook zonder veel evaluatie het hele Participatiedecreet finaal ontmanteld. ‘Inclusie 2.0 snijdt diep en doet pijn,’ zo reageerde Demos kritisch. De jarenlang opgebouwde ondersteuning en expertise rond de trage processen die nodig zijn om kansengroepen echt te betrekken, dreigt onherroepelijk op te lossen in een veel oppervlakkiger idee van (digitale) publieksparticipatie. Nochtans leerde de Participatiesurvey 2022 dat ‘sociale ongelijkheden in cultuurparticipatie onverminderd blijven bestaan en voor een aantal participatiedomeinen zelfs verder worden uitgediept’. Wie is precies ‘de Vlaming’ voor wie Jambon zich wil inspannen?

 

Erfgoed en literatuur boven

Vooral een (verdere) inhaalbeweging voor cultureel erfgoed was met voorsprong de prioriteit. Dat is geen nieuws, maar ging veel ruimer en dieper dan alle media-aandacht voor pakweg de heropening van het KMSKA of Jambons gekoketteer met de Vlaamse Meesters. De minister liet in 2021 het Erfgoeddecreet vernieuwen, trok in 2023 de jaarlijkse werkingssubsidies voor musea, archieven en erfgoedbibliotheken op met 25 miljoen en promoveerde Musea Brugge tot de derde grote cultureel-erfgoedinstelling, naast het KMSKA en het M HKA. Ook toonde hij zich bijzonder actief in de aangroei van de Collectie Vlaamse Gemeenschap: in 2021 werden met relancemiddelen maar liefst 281 hedendaagse kunstwerken van 180 kunstenaars aangekocht, ter waarde van bijna 4 miljoen (terwijl het jaarlijkse aankoopbudget normaal gezien 250.000 euro bedraagt). Dit voorjaar wordt er aan de Collectie zelf een prestigieuze overzichtspublicatie en een zevendelige docureeks gewijd, plus een expo in C-Mine en een digitale ontsluiting van zo’n 2500 werken die in het depot zitten. ‘Nog te weinig Vlamingen zijn op de hoogte van het bestaan van de collectie, terwijl het echt wel hun collectie is, van alle Vlamingen,’ aldus de minister. Na een parlementaire vraag van Vlaams Belang moest hij in 2022 wel prijsgeven dat er de jongste tien jaar ook zo’n 160 werken uit de Collectie vermist zijn geraakt, waaronder een lithografie van Panamarenko en een tekening van Raoul De Keyser. Volgens ex-hoofdinspecteur Janpiet Callens van de voormalige afdeling Kunstcriminaliteit bij de federale politie zullen die werken niet meer worden opgespoord, omdat de Kunstcel in 2016 werd opgedoekt door… toenmalig (federaal) minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon.

Als cultuurminister toont Jambon zich nu de grote bewaarengel van Vlaamse topstukken. Onder zijn bewind werd de Topstukkenlijst 40 procent langer (tot 1140 werken) en kocht de Vlaamse Gemeenschap ook 15 topstukken aan, waaronder Great American Nude #45 van Tom Wesselmann uit de collectie Matthys-Colle. Zo’n aankoop van ruim twee miljoen, met een budgettair overschotje uit het besparingsjaar 2019, was sinds Anciaux niet meer voorgevallen. In 2023, bij de opening van de MAS-expo Zeldzaam en onmisbaar (over twintig jaar topstukkenbeleid) kondigde Jambon zelfs aan dat hij het budget van het Topstukkenfonds structureel zou optrekken naar 1 miljoen euro per jaar, haast een verdubbeling van de gemiddelde dotatie van de jongste jaren. Verder lanceerde hij een nieuw subsidiereglement ter verbetering van de bewaaromstandigheden van topstukken en regelde hij niet alleen een voorkooprecht voor de overheid bij de publieke veiling van topstukken, maar ook een inbetalinggeving van topstukken om successierechten te betalen. Bovendien voerde hij het Indemniteitsdecreet in: een garantstelling waardoor het makkelijker wordt om buitenlandse bruiklenen van Vlaamse Meesters te tonen in tijdelijke expo’s als Dieric Bouts (M Leuven) of Krasse Koppen (KMSKA). Het moge duidelijk zijn: voor de verwerving, bewaring en ontsluiting van cultureel erfgoed is dit ministerschap veel verder gegaan dan enkel structurele centen uittellen of uitpakken met een eenmalig prestigeproject. Jambon verankerde zijn basisovertuiging niet alleen budgettair, maar ook decretaal: Vlaanderen moet zijn kunstschatten (meer) koesteren.

Die sterk promotionele aandrang, samen te vatten als ‘het volk meer besef bijbrengen van zijn cultuur’, liet zich ook zien in Jambons uitgesproken profilering wat betreft literatuur, vooral om de ontlezing tegen te gaan die de digitalisering met zich meebrengt. Op voorspraak van de sector lanceerde hij eind 2020, samen met onderwijscollega en partijgenoot Ben Weyts, Het Leesoffensief: een brede campagne voor leesbevordering en leescultuur, met jonge kinderen en hun entourage als voornaamste doelgroep. Na de Kinderkunstendag die Schauvliege ooit op de agenda zette, initieerden beide ministers op hun beurt de Vlaanderenleestdag, de Vlaamse versie van Wereldboekendag op 23 april. Verder riep Jambon in 2022 met de Boon een nieuwe gewichtige literaire prijs in het leven, naast de Libris Literatuurprijs en de Boekenbon Literatuurprijs (vroeger AKO). Jaarlijks ontvangen twee winnaars, in fictie en non-fictie en in kinder- en jeugdliteratuur, elk 50.000 euro uit handen van de minister. ‘Eindelijk weer een prijs met internationale uitstraling!’ aldus Jambon. Ook maakte hij 750.000 euro vrij voor Boektopia, de opvolger in Kortrijk van de Antwerpse Boekenbeurs. Elke bezoeker die een boek kocht, kreeg een cheque van 10 euro voor in de lokale boekhandel. Het gerestaureerde Huis van Herman Teirlinck in Beersel, dat de minister plechtig mocht openen in 2021, ontving dan weer 125.000 euro om met een literaire werking de culturele aanwezigheid in de Vlaamse Rand te versterken. Het maakte van Jambons ministerschap een duidelijke steunbetuiging aan de vaderlandse letteren, met focus op (media)promotie bij het brede publiek en voor een deel ook bij laaggeletterde doelgroepen. Volgens cijfers van het kabinet is het budget voor Literatuur Vlaanderen de jongste jaren gestegen met 39 procent, onder meer dankzij 400.000 euro voor het gastlandschap van Vlaanderen op de Leipziger Buchmesse in 2024.

 

Kunsten terzijde

Zit achter al die beleidsdaden een strategie of een masterplan? Eerder lijken ze het resultaat van een gelaagd samenspel tussen enerzijds een grote openheid bij het kabinet van Jambon om minstens te luisteren naar de besognes en ervaringen uit alle deelsectoren, en anderzijds een meer selectief oor voor de ambities en sectoren die aansluiten bij Jambons eigen culturele affiniteiten en wensbeelden voor Vlaanderen. Na een turbulente start, en zeker sinds Joachim Pohlmann eind 2019 als kabinetschef cultuur de wisselschakelaar werd tussen veld en minister, lijkt Jambons ministerschap een continue evenwichtsoefening te zijn geworden tussen tegelijk credibiliteit opbouwen bij de (institutionele) cultuursector én een eigen – meer Vlaamsgerichte – legacy uitrollen, door via cultuur te werken aan identiteitsvorming. Voor cultureel erfgoed en ten dele ook literatuur (als drager van de Nederlandse taal) spoorden die beide ambities het beste samen.

In de kunsten, doorgaans het zwaartepunt van een cultuurminister, beperkte Jambon zich eerder tot de noodzakelijke huishoudelijke taken: geld uitkeren. Na al het lawaai buiten het parlement en op tv in 2019 koos hij voor een budgettair verstandshuwelijk. Tijdens corona werden de structurele subsidies niet teruggevorderd, kreeg het gros van het artistieke werkvolk een compensatie en diende de nogal snel bedachte ‘culturele activiteitenpremie’ om ook het laatste gemor weg te nemen bij al wie tussen de mazen was gevallen. Bij de structurele subsidieronde kunsten – het mediatieke hoogtepunt van elk ministerschap – toverde de minister in september vorig jaar onverwacht 25 miljoen uit zijn hoed om alle ‘positieven buiten budget’ en zelfs negen negatief beoordeelde organisaties toch over de streep te trekken (met name Needcompany, Z33 en Toneelhuis, maar ook jeugdtheater 4Hoog, folkclub ’t Ey en de muziekensembles Ictus, Huelgas, Terra Nova en Casco Phil). Maar liefst 42 organisaties stroomden in, terwijl 19 andere hun structurele subsidie kwijtspeelden, zoals Troubleyn, Ultima Thule, Etablissement d’en face, KunstZ, Jazz en Muziek en ChampdAction. Zo werd het algauw weer voor vijf jaar rustig in de kunsten, mede dankzij een compensatieregeling voor de steil oplopende facturen van heel wat kunstinstellingen door de energiecrisis.

Die financiële reddingsoperaties mogen niet geminimaliseerd worden, maar als Jambon ergens speechte dat Vlaanderen trots mocht zijn op zijn kunsten, vroeg je je toch altijd af of hij dat zelf ook was. Veelzeggend genoeg speelden de weinige extra beleidsinitiatieven die hij voor de kunsten nam zich af binnen zijn erfgoedbeleid: naast de aankoop van heel wat kunstwerken voor de Collectie Vlaamse Gemeenschap lanceerde hij ook een nieuwe subsidieregeling rond kunstenerfgoed, nu de generatie van de Vlaamse Golf de pensioengerechtigde leeftijd ziet naderen. Ook STUK kreeg in dat kader extra geld voor plannen rond immaterieel danserfgoed. Voor de meeste individuele kunstenaars daarentegen blijft het knokken om aan de bak te komen, zeker door de sterk gestegen levenskosten en de vele budgettaire en andere beperkingen bij de diverse instellingen die hen moeten ondersteunen. In Jambons Visienota Kunsten heette die individuele kunstenaar wel ‘de hoeksteen van mijn beleid’, maar bouwen deed hij vooral op andere werven. Zeker, hij verankerde fair practice in het herziene Kunstendecreet en ging ook in op de jarenlange roep vanuit het veld om een vast percentage voor beurzen en projectsubsidies, met name 12,5 procent van (een deel van) de werkingssubsidies. Maar vraag vandaag aan kunstenaars wat hen rechthoudt, en ze zullen eerder verwijzen naar de kunstwerkuitkering, het vernieuwde kunstenaarsstatuut van Frank Vandenbroucke (Vooruit), minister van Sociale Zaken van België. Ironisch genoeg maakte dus net het federale beleidsniveau (zonder veel cultuurbeleid) de afgelopen legislatuur het grote verschil voor kunstenaars – om van de tax shelter-middelen voor podiumorganisaties nog te zwijgen. In Vlaanderen werden (door Weyts) de subsidies voor de postgraduaatsopleidingen HISK en a.pass geschrapt en werd Gatz’ kunstkoopregeling Kunst Aan Zet opgedoekt wegens ‘te weinig interesse’. Verder mocht het kunstenveld schijnbaar zijn ding blijven doen, maar met veel geestdrift van Jambon voor de dagelijkse artistieke praktijk leek dat nooit gepaard te gaan.

 

Een verhaal voor Vlaanderen

Soms lijkt het alsof er twee ministers aan de slag zijn. De ene is Vlaams minister van Cultuur en beheert de winkel. De andere is minister van Vlaamse Cultuur en verkoopt projecten op de markt. De ene heeft iets van Joke Schauvliege, als bescheiden rentmeester. De andere lijkt meer op Bert Anciaux: met vlag en wimpel op missie, in dit geval met De Canon van Vlaanderen en een Museum voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Samen moesten die bijna persoonlijke projecten zijn beleid een eigen (gele) kleur geven, en dat is gelukt. Er is uiteindelijk meer inkt over gevloeid dan over de initiële besparingen.

Eind 2022 volgde ook nog de opinieslag over Het verhaal van Vlaanderen, de historische documentairereeks, gepresenteerd door Tom Waes, over de geschiedenis van Vlaanderen. Het televisieprogramma kreeg de royale steun van 2 miljoen van de Vlaamse Gemeenschap, waarvan 450.000 euro via de minister-president zelf, uit zijn budgetlijnen Cultuur en De Kanselarij, naast 900.000 euro via het VAF en Screen Flanders. Ook al was dit een concept van het productiehuis De Mensen, naar het voorbeeld van Het verhaal van Denemarken (en dus geen regeringsinitiatief zoals De Canon of het Museum), toch zette Jambon alle drie deze projecten op één lijn, volgens dezelfde partijpolitieke argumentatie:

‘Natuurlijk moet de canon de Vlaamse identiteit bevorderen. De N-VA is de grootste partij in deze regio en de versterking van de identiteit staat in ons programma. Dan is het toch niet meer dan logisch dat de regering zoiets implementeert? We zouden anders kiezersbedrog plegen. We doen dat ook met Het verhaal van Vlaanderen op tv én met het vir­tueel museum van Vlaanderen, dat in het voorjaar van 2024 klaar zal zijn.’

Een virtueel museum dus, terwijl het regeerakkoord oorspronkelijk een fysieke realisatie suggereerde. Finaal is het een app geworden. Met de nodige augmented reality, inclusief spelletjes en calls to action, zullen we in dit museum ondergedompeld worden in 150 digitale belevingen van Vlaamse erfgoedverhalen – de ultieme symbiose tussen conservatie en innovatie. Of in de woorden van de minister: ‘een nog betere valorisatie van het erfgoedaanbod’. Sinds 2021 is er voor de ontwikkeling van het museum jaarlijks één miljoen euro uitgetrokken, terwijl de leiding ervan in handen is van IT’er Wim Putzeys, oprichter van Peel, ‘een bedrijf dat ondernemingen helpt om hun dienstverlening meer af te stemmen op hun klanten’. Dat lijkt ook de voornaamste overweging achter deze app: de klant van de Vlaamse natie nog beter in contact brengen met al ‘onze’ onderbelichte schatten en historische verhalen. Op zich is daar niets mis mee, en al zeker niet als het Vlaamse museum nog maar een fractie waarmaakt van het succes van De Canon (die wekenlang in de boekentoptien stond) en Het verhaal van Vlaanderen (dat in totaal 1,8 miljoen huiskamers bereikte). Wel verdunt dit prestigeproject nog verder de grenzen tussen participatie en promotie, terwijl de digitale ontsluiting van erfgoed nu al een ondoorzichtig kluwen is geworden, van de ErfgoedApp tot de vele collecties op websites als artinflanders.be, vlaamsekunstcollectie.be, immaterieelerfgoed.be, flandrica.be, totindetail.be, hetarchief.be… Is er niet eerder meer coördinatie nodig dan nog meer ‘renovatie’?

Jambon heeft natuurlijk gelijk: het pleit vóór een cultuurminister dat hij zijn beleid mee laat kleuren door een eigen ideologische visie. Anciaux profileerde zich op cultuurparticipatie, Schauvliege op kinderkunsten en Gatz op aanvullende financiering. Als Jambon inzet op de popularisering van de eigen gewijde geschiedenis, misbruikt hij dan per se gemeenschapsgeld in functie van de Vlaamse natievorming? Opmerkelijker is dat hij met dit soort ondersteuning een nieuwe vorm van beleidsvoering lijkt te introduceren. Was het cultuurbeleid van vorige ministers ten aanzien van de modale Vlaming er altijd op gericht om meer niet-gebruikers naar het bestaande cultuuraanbod te leiden (de klassieke participatiegedachte), dan lijkt Jambon nu eerder een nieuw kijkkader te willen installeren op cultuur op zich. En dat bij alle Vlamingen, óók bij de heavy users. Het gebruik van ‘vensters’ in zowel De Canon als het Museum zegt genoeg: beide initiatieven willen ons een ander frame bieden op wat cultuur in Vlaanderen inhoudt. Ook al liet de minister de invulling daarvan over aan experts, toch speelt hij eerder curator dan facilitator. Jambon begreep de befaamde ‘regierol’ van een minister letterlijker dan ooit: niet organisatorisch boven het veld, maar als creative producer binnen of zelfs náást dat veld. Met De Canon en het Museum opende hij een directe lijn naar de burger om zelf te gaan creëren – misschien niet het creëren van kunst, dan toch van content. Het is daarom logisch dat de eerste (fysieke) plannen voor het museum de wind van voren kregen. ‘Tel de bestaande museumcollecties samen, dan heb je je Vlaams museum,’ stelde Patrick Allegaert van het Museumoverleg in De Morgen.

Onder Jambon werd cultuurbeleid een vorm van storytelling. Haast voorspelbaar consequent leidde hij zijn keuzes en beslissingen telkens terug tot één nieuw verhaal, over en voor Vlaanderen. Het stond al kernachtig in zijn Beleidsnota Cultuur:

‘Cultuur zit in het DNA van de Vlaming. We hebben van vorige generaties een rijke cultuur geërfd die ons vandaag inspireert en een venster op de wereld biedt. We maken van Vlaanderen een sterke en zelfzekere natie waar Vlamingen en bezoekers fier op zijn. […] De Vlaamse meesters – uit heden en verleden en in alle creatieve richtingen – moeten het uithangbord worden van de grootsheid die Vlaanderen in zich heeft.’

De sleutelwoorden van het verhaal zijn trots, rijkdom, excellentie en ‘top’. De centrale lijn is ‘Vlaamse veerkracht’. Alleen als we stoppen met klagen en verzuren, onze zelfovertuiging terugvinden in onze roots en als Flandriens doorzetten om het beste uit onszelf te halen, kan Vlaanderen Vlaanderen worden: de bloeiende regio die een Bourgondische geest weet te paren aan hardwerkend vooruitgangsoptimisme en die de jaloezie verdient van heel Europa. In deze storyline gelden de Vlaamse Meesters niet alleen als assets, maar ook als streefbeeld. Aan hun uitmuntendheid moeten we ons allemaal spiegelen: leerlingen op school, ondernemers, kunstenaars, nieuwkomers, werkwillige burgers, ja zelfs de overheid zelf en bij uitbreiding de hele natie. Het gaat om nog beter doen – om stralen.

 

Micromanagement

Wie zich in 2019 afvroeg waarom N-VA zo nodig het beleidsdomein cultuur wou claimen, vindt hier een groot deel van het antwoord. Omdat elke natie een verhaal nodig heeft, en dat verhaal een culturele bedding behoeft. Omdat cultuur een uitstekende zachte geleider is voor de immateriële nood van elk nationalisme om een ‘wij’ te creëren. ‘Cultuur is de belangrijkste Vlaamse bevoegdheid,’ stelde Joachim Pohlmann expliciet in De Standaard: als fond van de samenleving, als symbolische ruimte en als eerste strijdperk voor de ideeën die een samenleving richting geven. Niet dat Jambons verhaal plots elke burger zal overtuigen van de Vlaamse onafhankelijkheid, maar zijn voortdurende promotie van ‘Vlaanderen’ als betekenisgevend kader bouwt wel mee aan het algemene mentale venster waardoor ‘de Vlaming’ naar zichzelf en de wereld kijkt, net als naar alle waarden die aan dat Vlaamse narratief verbonden worden, en die misschien nog crucialer zijn dan de gele vlag waaronder ze ressorteren: traditie, innovatie, excellentie, vooruitgang, gemeenschap… Voor de verhalenverteller is het een kwestie van stil volharden. Masseren. Herhalen. Renoveren.

Wat dat betreft heeft N-VA nog veel werk in de cultuursector. De basisinfrastructuur van het veld is doordrongen van andere waarden en verhalen. Zeker in de kunsten regeert tegenover de traditie scepsis en bijwijlen zelfs arrogantie. Er ontbreekt vertrouwdheid, aan beide kanten. Koos Jambon daarom algauw voor de politiek van het dubbele ministerschap? Aan de kant van het veld kocht hij met extra investeringen en naarstig papierwerk beleidsmatige geloofwaardigheid af, zonder grote visionaire ingrepen, zelfs eerder met voorzichtige behoudsgezindheid. Was Anciaux er nog een meester in adviezen van beoordelingscommissies naar zijn hand te zetten, dan toonde Jambon zich verrassend volgzaam voor wat de experts hadden beslist – tenzij om negatieve adviezen toch op te vissen en om zo soms enkele andere adviesbedragen lineair bij te stellen. Aan de andere kant creëerde hij voor zijn Vlaamse geschiedenisprojecten een autonoom speelterrein met een minstens zo groot bereik. Daar kon hij zijn missie ongemoeid voltrekken: Vlamingen doen inburgeren in hun eigen cultuur en verleden, door hun trots bij te brengen over de wortels én de eigentijdse kroonjuwelen van onze ‘topregio’ (en voor nieuwkomers la même chose).

Tegelijk is de crux van zijn beleidsperiode dat de minister van Vlaamse Cultuur hier en daar wel degelijk zijn verhaal opdrong aan de Vlaamse minister van Cultuur. Tel hoe vaak de magische term ‘excellentie’ als subsidiecriterium valt in alle vernieuwde decreten, zelfs in het nieuwe decreet Amateurkunsten. Ook vermeldt het bijgewerkte decreet Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk nu een expliciete uitsluiting van ‘organisaties die segregerend werken door louter terug te plooien op etnisch-culturele afkomst’ – wat de minister prompt een beroep opleverde bij het Grondwettelijk Hof na een klacht van De Federatie, de koepel van middenveldorganisaties. Met de overname van het Amerikaans Theater trok hij intussen de kaart van een (zoveelste) ‘nieuwe Vlaamse culturele pool met 1200 zitjes’ in Brussel. Denk ook aan het ‘Innovatiemechanisme’ waarmee kunstenaars tijdens corona extra steun konden krijgen om hun ‘businessmodel’ te herdenken: behoorlijk neoliberaal. Of merk op hoe sterk Jambon altijd gericht is gebleven op de uitstraling van grotere kunstinstellingen, de hoge vuurtorens van het artistieke landschap. Voor hen introduceerde hij – tegen alle aanbevelingen in – tienjarige subsidies in het vernieuwde Kunstendecreet, in ruil voor een beheersovereenkomst die direct onderhandeld wordt met het kabinet. Zo kan elke volgende minister, indien gewenst, mee de inhoudelijke koers van al die instellingen bepalen.

Misschien is dat nog het belangrijkste spoor dat Jambons passage op cultuur zal nalaten, hoe onzichtbaar ook: een bestuurscultuur waarin de minister steeds meer macht opeist binnen de gelaagde textuur die dat ministerschap doorgaans meebepaalt. Loodrecht op de vele publieke investeringen werd er achter de schermen bijvoorbeeld stevig bespaard op de administratie, op het eigen overheidsapparaat. Niet alleen expertise is er verdwenen, ook pure menskracht. Zo wordt er nu veel meer onderzoeks- en beleidswerk uitbesteed aan consultancybureaus en moeten de negen amateurkunstenorganisaties straks zelf commissies en beoordelingsrondes gaan inrichten om de nieuwe subsidies rond talentontwikkeling in hun deelsector te verdelen: ze doen daarmee voortaan het werk van de overheid zelf.

In de wandelgangen wordt tegelijk vaak gefluisterd over ideologisch micromanagement vanuit het kabinet. Eén steunpunt moest na een telefoontje van de minister een hele ‘rebrandingsoperatie’ afblazen, omdat het woord ‘Vlaanderen’ niet meer genoeg in de verf werd gezet. Artistieke leiders kregen op het Martelarenplein te horen dat ze in hun programma toch maar beter geen ruimte meer boden aan klimaat- of andere activisten, of aan besloten safe spaces voor zwarte vrouwen. FARO en Literatuur Vlaanderen werden op de vingers getikt omdat ze al te progressief communiceerden rond Zwarte Piet, terwijl Brusselse cultuurhuizen een vermaning kregen omdat hun publieksbeleid te weinig Nederlandstalig of te ramadan friendly kleurde. De electorale druk van Vlaams Belang op N-VA laat zich duidelijk voelen. Of zijn het ideologische krachten binnen de eigen partij? Organisaties die zich te expliciet pro-Palestijns zouden hebben uitgesproken, zoals Vrede vzw en DeWereldMorgen.be, werden zelfs onderworpen aan een formele screening op het naleven van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – de rest volgt nog. Dienen subsidies binnenkort als zwijggeld? Samen met de politisering van het bestuur groeit in de sector de zelfcensuur. Benieuwd wat dat zal geven na de verkiezingen op 9 juni…

 

Twee zienswijzen

Is er dan toch een masterplan? Samenvattend kan je op twee manieren naar Jambons ministerschap kijken. De ene manier is hoe N-VA het ook zelf zal presenteren: deze minister heeft duidelijk geïnvesteerd in cultuur, heeft zich met decretaal opfriswerk correct van zijn beleidsmatige taken gekweten, en zal tegen het einde van deze legislatuur zowat al zijn voornemens uit het regeerakkoord hebben waargemaakt: van de beloofde inhaalbeweging rond erfgoed, digitalisering en leesbevordering, tot het ‘contract’ met de kiezer rond de promotie van de Vlaamse identiteit. Volgens die zienswijze toonde Jambon zich – los van hier en daar een uitschuiver in volle coronacrisis – een begripvolle en betrouwbare cultuurminister, die elke vrees voor reactionaire afrekeningspolitiek naar het rijk der fabels verwees. Zijn uiteenlopende publieke verwezenlijkingen spreken voor zich.

Een andere zienswijze is dat dit ministerschap vooral een eigen ideologische agenda heeft willen dienen, met niet alleen een Vlaams-nationalistische, maar ook een rechts-liberale finaliteit. De inzet ervan is de promotie en legitimatie van Vlaanderen als wij-gemeenschap en als the place to be voor innovatie, creativiteit en meesterschap. Cultuur diende voor Jambon in de eerste plaats als instrument. Zijn aandacht ging vooral uit naar al wat aan die agenda kon bijdragen, al wat zich liet kneden naar zijn story voor Vlaanderen en zijn missie om een nieuw kijkkader te installeren op ‘onze cultuur’. Wat zich daar minder dienstbaar aan toonde, werd strategisch geneutraliseerd. Zeker na alle turbulenties bij de start van zijn ministerschap koos Jambon voor de (ver)goede vrede met de kunsten en het sociaal-cultureel werk, het meer progressieve en geïnstitutionaliseerde deel van de sector – niet per se vanuit een grote liefde voor hun dagelijkse praktijk, meer vanuit politieke pragmatiek. Tegelijk toonde hij zich ook daar ‘op missie’, zij het bedekter. De sterke gerichtheid op grote kunstinstellingen, het koppig vasthouden aan wijzigingen bij decretale vernieuwingen, de reprimandes vanuit het kabinet: het valt binnen deze zienswijze allemaal te lezen als een omzichtige strategie om stukje bij beetje greep te verwerven op de culturele basisinfrastructuur. Voor een expliciete confrontatie of bewuste negatie was er nog geen momentum, of bleek de ministeriële macht nog te veel gebonden. Maar waarom zou de agenda van N-VA voor ‘de belangrijkste Vlaamse bevoegdheid’ niet over meerdere termijnen lopen?

Hoe je de dubbele textuur van dit cultuurministerschap ook ontrafelt, het zal zeker sporen nalaten. Naast de meer zichtbare verwezenlijkingen gaat het ook om inhoudelijke verschuivingen. Beetje bij beetje bewoog het klassieke begrip van cultuur(beleid) verder naar rechts. Internationalisering vervlakte tot nationaal uitstralingsbeleid. Participatie schoof op naar publiekspromotie. Ook digitalisering werd vooral begrepen als een directere brug naar de consument, en minder als een disruptieve uitdaging voor de producent. En lokaal cultuurbeleid? Dat gaf de vorige Vlaamse regering al helemaal uit handen aan de steden en gemeenten. Het idee dat het cultuurbeleid elke Vlaming een basisgarantie moet bieden om zich te kunnen verrijken als mens – en niet alleen als Vlaming – is onder Jambon verder uitgekleed. Investeren in cultuur is meer dan een centenverhaal.

Pret in het museum

Krasse Koppen. Bruegel, Rubens en Rembrandt is de eerste grote tijdelijke tentoonstelling sinds het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen in september 2022 heropende na een lange renovatie. De expo belicht de ontwikkeling van het zeventiende-eeuwse genre van ‘de tronie’ in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Het gaat om vaak kleine, geschilderde gezichten die, hoewel ze makkelijk voor portretten kunnen doorgaan, zich van dat bekendere beeldtype onderscheiden door de anonimiteit van het model. Waar portretten oorspronkelijk gemaakt werden om belangrijke mensen te vereeuwigen, is in tronies niet de persona, maar het gelaat zelf van belang, net als de vorm en uitdrukking ervan. Het genre bood kunstenaars daarom de mogelijkheid om te experimenteren en bracht vormelijke vernieuwingen met zich mee.

In het KMSKA wordt Bruegel de Oude omschreven als pionier van de tronies, omdat hij in de zestiende eeuw ook gezichten van boeren en andere gewone lieden schilderde. De tentoonstelling opent echter met werken van drie andere grondleggers: Bosch, Dürer en Massijs. In de Bijbelse taferelen De Kruisdraging (1515-1516), Jezus onder de schriftgeleerden (1506) en De heilige Johannes in de olie (het rechterpaneel van het Altaarstuk van het Schrijnwerkersambacht, 1511) integreerden de kunstenaars inderdaad opvallend groteske gezichten. Zo contrasteert het gave en serene gelaat van de nog jonge Jezus in het werk van Dürer uit 1506 met de gerimpelde hoofden van de oude, wijze mannen met wie hij in gesprek is. Hun vertrokken gezichten lijken op de grimassen van de beulsknechten die de olie verhitten waarin Johannes de Evangelist in het schilderij van Massijs levend gekookt wordt. De lelijkheid van deze hoofden toont hoe kunstenaars lessen uit de fysionomie trokken, maar getuigt ook van een complexe fascinatie voor het abjecte: het afstotelijke wordt in deze schilderijen zo ‘schoon’ weergegeven dat het plezierig wordt om ernaar te kijken. De drukbevolkte composities worden, in Krasse Koppen, op drie afzonderlijke schuine wanden getoond en krijgen veel ruimte toebedeeld. De presentatie zorgt voor verstilling en nodigt uit om lange tijd bij de werken stil te staan.

De detaillering en symboliek van deze proloog contrasteert met de daaropvolgende schetsen van Rubens en Jordaens, waarin naar beeltenissen gezocht wordt, eerder dan dat ze worden geponeerd. De studies tonen onder andere aan dat de twee zeventiende-eeuwse meesters met hetzelfde model, waarschijnlijk Rubens’ wasvrouw, zich oefenden in het weergeven van rimpels, blozende wangen en glimmende oppervlakken, zoals de huid tussen mond en kin. Daarnaast wordt duidelijk dat deze studies vervolgens zeer letterlijk werden geïntegreerd in grotere historiestukken, zoals Een offerande aan Ceres (1619) van Jordaens.

De tentoonstelling vervolgt met een thematische accrochage op basis van visuele motieven zoals hoofddeksels, opvallende gezichtsexpressies en licht-donkereffecten. Ook hier worden minder bekende studies van grote meesters afgewisseld met beroemde schilderijen zoals Vermeers Meisje met een rode hoed (1655), eigendom van de National Gallery of Art in Washington D.C., maar vorig jaar nog te zien in de grote overzichtstentoonstelling in het Rijksmuseum. Het is een van de werken die voor Krasse Koppen vanuit het buitenland in bruikleen konden worden genomen dankzij de steun van de Vlaamse overheid. Het zogenaamde Indemniteitsdecreet uit 2022 staat garant voor de hoogoplopende bruikleenkosten voor werken in tentoonstellingen met een internationale uitstraling.

De opbouw van Krasse Koppen, gecureerd door Nico Van Hout en Koen Bulckens, mist echter scherpte, en de vijf thema’s verschillen sterk. Terwijl het thema van de gezichtsstudie algemeen is opgevat, met voornamelijk informatie over de atelierwerking van kunstenaars en hun omgang met leerlingen en modellen, lijkt de kwestie van de hoofddeksels vervolgens wel heel specifiek. Dit thema wordt op inhoudelijk vlak niet gekaderd, zodat alleen het geestige en grappige karakter van deze verzameling hoeden opvalt. Het gebrek aan duiding blijft in de gehele tentoonstelling een probleem. De zaalteksten bevatten weinig of geen (kunst)historische informatie en een brochure met bijkomende toelichtingen is er niet. Het genre van de tronie wordt enkel in de eerste inleidende zaaltekst belicht. De overige zaalteksten bevatten niet meer dan diverse weetjes over de werking van het spierweefsel in het gezicht, of over de gangbare – clichématige – opvatting dat de geselecteerde kunstenaars graag experimenteerden. Het blijft onduidelijk wat de oorsprong van het artistieke fenomeen van de ‘tronie’ is, hoe het evolueerde en zich tot andere genres of studies verhield, en wat er in de zestiende en zeventiende eeuw over geschreven werd.

Ook op andere vlakken schiet Krasse Koppen tekort. Hoofdstudie van een jongeman (1653) van Michaelina Wautier (1604-1689) is het enige werk van een vrouwelijke kunstenaar dat in de presentatie is opgenomen. Op het label staat te lezen dat het ‘voor vrouwen lange tijd moeilijk [was] om een loopbaan als kunstenaar uit te bouwen. Ze konden enkel in de leer gaan bij familie en mochten geen meester worden in de gilde. Wautier werkte samen met haar broer Charles in een atelier in Brussel. Zover we weten is ze nooit getrouwd.’ Ook in de catalogus – in drie edities in evenveel talen uitgegeven door Hannibal Books – staat niets meer over Wautiers carrière. Op een overzichtstentoonstelling van haar werk in het MAS in Antwerpen in 2018, en in de daarbij horende publicatie, bleek nochtans dat ze alle genres verkende, inclusief monumentale historiestukken met naakten, en dat haar werk onder meer verkocht werd aan aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk. In het op de website van het KMSKA gepubliceerde artikel ‘Onstuimige vrouwen’ (een auteur of een datum worden niet opgegeven) werpt het museum een licht op de vrouwelijke kunstenaars in de eigen collectie. In deze tekst meent het KMSKA te willen ‘bijdragen aan de bekendheid van vrouwen’ en vermeldt het eerdere inspanningen op dit gebied, zoals de organisatie van de tentoonstelling Elck zijn waerom. Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950 in 1999, een kwarteeuw geleden. Het is daarom onbegrijpelijk dat in Krasse Koppen niet meer werken van Wautier worden getoond. Naast de Hoofdstudie uit 1653 zijn bijvoorbeeld ook een aangrijpende tronie van een jongen met dichtgeknepen ogen bekend, of een Studie van een jonge vrouw en van een ietwat verlegen Tabaksnuiver. Ook de afwezigheid van de Haarlemse Judith Leyster (1609-1660), die overigens wel tot de prestigieuze Sint-Lucasgilde behoorde, is vreemd. Leyster, wier hand lange tijd met die van haar stadgenoot Frans Hals verward werd, was gespecialiseerd in figuurstukken en schilderde een aantal indrukwekkende tronies, zoals een kleine ronde voorstelling van een Jongen in profiel (1630) – net als Vermeers Meisje terug te vinden in de National Gallery of Art in Washington –, een Meisje met strohoed (ca. 1630-1640) en een recentelijk aan haar toegeschreven Lachende jongen met druiven in zijn hoed (ca. 1629).

Een gelijksoortige lacune stelt zich bij de werken van zwarte modellen, zoals bij Twee hoofdstudies van een Afrikaanse man (na 1620) van Jordaens en bij Jan Adriaenz. van Staverens tronies van jonge mannen van Afrikaanse afkomst (ca. 1640-1643). De weergave van zwarte modellen in zeventiende-eeuwse westerse kunst bleef lange tijd onderbelicht, en het is daarom interessant dat deze werken in Krasse Koppen getoond worden. De tentoonstellingsmakers verwijzen ook naar Rembrandts tronies van Afro-Amsterdammers, waar Van Staveren zich waarschijnlijk op inspireerde. Het is echter jammer dat geen van deze werken zelf in de tentoonstelling te zien is. Daarnaast ontbreekt het aan toelichting over de context waarin deze modellen gerepresenteerd werden en over hun identiteit die, in tegenstelling tot die van witte modellen, vaak niet te achterhalen blijkt. Net als het gebrek aan vrouwelijke kunstenaars, lijkt het gebrek aan contextualisering en kunsthistorische interpretatie en kadrering ongepast voor een erkende Vlaamse Wetenschappelijk Instelling (VWI) als het KMSKA. Het museum bekleedt nochtans een voorbeeldfunctie voor het Vlaamse erfgoedveld, sinds het in 2017 het statuut van Vlaamse cultureel-erfgoedinstelling kreeg.

Er is dus weinig of geen belangstelling voor geschiedenis, maar het KMSKA besteedt wel veel aandacht aan de ‘museale ervaring’ van de bezoekers. Elke ruimte met schilderijen wordt ingeleid door een vaak even grote zaal waarin iets ‘gedaan kan worden’. De eerste zaal met zestiende-eeuwse werken wordt gevolgd door een verrassend lege ruimte met drie spiegelende kijkdozen waarin bezoekers hun eigen hoofd kunnen bestuderen. Even verderop wordt het publiek uitgenodigd om met ludieke hoofddeksels en maskers te poseren, te tekenen of met behulp van artificial intelligence een digitale tronie samen te stellen. De hoeveelheid en omvang van deze participatieve ingrepen is ongezien in een museum voor schone kunsten. In een van de grootste zalen van Krasse Koppen zijn een uitgestrekte tekenstudio en een fotostand geïnstalleerd, met verkleedmateriaal, spiegels en quotes als ‘Influencer in opleiding’ of ‘A new hat is cheaper than therapy’.

Deze aanpak beperkt zich niet tot deze tijdelijke tentoonstelling. Ook in de vernieuwde collectiepresentatie van het KMSKA (besproken in De Witte Raaf, nr. 223) is een bijzondere aandacht voor ‘beleving’ merkbaar. Het museum organiseert diverse activiteiten zoals workshops, kunstkampen en gespecialiseerde rondleidingen met een gids, maar ook in de zalen zelf worden bezoekers zo ‘laagdrempelig’ mogelijk aangesproken. De toon van de zaalteksten is opvallend kindvriendelijk en bevat rechtstreekse vragen en opdrachten, zoals ‘Zie jij hoe deze compositie in elkaar zit?’ of ‘Blijf jij soms stilstaan voor een etalage?’. De collectiepresentatie werd bovendien aangevuld met een parcours van tien speeltuigen voor kinderen, ontworpen door modeontwerper en operaregisseur Christophe Coppens (1969), die van ‘een museumbezoek een speelse en avontuurlijke ervaring’ moet maken. Deze installaties, zoals een metershoog rotsblok in de zaal met zestiende-eeuwse landschappen, verhinderen de vrije waarneming van de getoonde kunstwerken. Bovendien doen ze heel eenvoudige vragen rijzen: zijn er geen betere plaatsen voor kinderen om zich fysiek uit te leven dan musea voor schone kunsten? En waarom zouden kinderen niet gewoon naar kunst kunnen kijken?

Het zijn toevoegingen die allesbehalve uniek zijn voor Antwerpen, en die resoneren met recente, op grote massa’s gerichte pseudoartistieke initiatieven, zoals de immersive experiences rond het werk van kunstenaars als Monet en Van Gogh, of het internationaal populaire Ripley’s Believe it or Not! Museum in Amsterdam. Deze interactieve evenementen of instellingen, door de Amerikaanse kunsthistoricus Ben Davis omschreven als Big Fun Art, richten zich voornamelijk op kinderen, aangezien gezinnen het meest lucratieve toeristische publiek blijken te vormen. Het valt op dat ook eeuwenoude musea in binnen- en buitenland zich de laatste jaren aan dit soort populaire initiatieven aanpassen, door op amusement in te zetten en door geestige elementen te introduceren die weinig aandacht of historische context behoeven. Daarnaast worden bezoekers evenzeer aangezet om foto’s te nemen en om reclame te maken via sociale media, omdat scenografieën bijvoorbeeld spiegelende elementen bevatten. Uit de belevingszalen en uit de curatoriële methode van Krasse Koppen blijkt hoezeer het Antwerpse museum zijn werking aan deze trend heeft aangepast.

Het idee dat overheerst is dat kunstwerken gepaard moeten gaan met toegevoegde attracties en uitdagingen om ‘interessant’ te kunnen zijn voor de bezoeker. Kunst – samen met alles wat erover te vertellen valt – is blijkbaar niet genoeg. De rust moet verstoord worden, zodat aandacht onmogelijk wordt – aandacht die, zoals de eerste tentoonstellingszaal in Krasse Koppen dat wel aantoont, zo belangrijk is om werken ten volle te kunnen beschouwen, om ze naar waarde te kunnen schatten en ze tot een echte ervaring te maken. Of gaat het hier gewoon om platte bezuinigingen op het vlak van onderzoek, kennisverwerving én kennisspreiding? Is het om financiële redenen dat het KMSKA aan zijn wetenschappelijke afspraken lijkt te verzaken? Zo’n goedkope tentoonstelling lijkt Krasse Koppen nochtans niet. De lange sluitingsperiode was voor het museum een uitgelezen kans geweest om de collectie uitgebreid te onderzoeken en om danig onderbouwde tentoonstellingsplannen te ontwikkelen. Het museum in Antwerpen deelde in dat verband mee dat het van de renovatie gebruik zou maken om het eigen koloniale verleden te bestuderen. In Krasse Koppen, noch in de herschikte collectiepresentatie, is daarvan iets te merken. Het is nochtans cruciaal als het museum in de toekomst effectief connecties tussen culturen en generaties wil bevorderen – en als het KMSKA een kunstmuseum wil blijven.

 

• Krasse Koppen. Bruegel, Rubens en Rembrandt, van 20 oktober 2023 tot 21 januari 2024, KMSKA, Leopold de Waelplaats 1, Antwerpen.

Pastoor van Arskerk Den Haag & OMA’s Kunsthal in Rotterdam

Boeken over architectuur gaan meer dan vaak over oeuvres, over al het werk of een flink deel van het werk van een bepaalde architect. Boeken over één gebouw zijn er minder. Maar nu worden toch twee – vooruit dan maar – meesterwerken van de Nederlandse en Europese naoorlogse architectuur met een boek vereerd. Pastoor van Arskerk Den Haag. Een tijdloze sacrale ruimte van de hand van Aldo van Eyck is een boek van Francis Strauven (1942), uitgegeven door de Aldo + Hannie van Eyckstichting en Architecture Curating Practice. OMA’s Kunsthal in Rotterdam. Rem Koolhaas and the New Europe werd geschreven door Tibor Pataky (1970) en is de herwerking van een proefschrift verdedigd aan de EPFL in Lausanne, dat is verschenen bij Park Books. In beide publicaties gaan de auteurs diep in op één gebouw, maar zoals de ondertitel aangeeft, handelen ze evenzeer over de architect die het signeerde, en die daarom kan gelden als de voornaamste sleutel tot begrip van het gebouw. Met architecten als deze, die het discours van hun tijd hebben gedomineerd, kan het nauwelijks anders. Maar er zijn ongetwijfeld ook andere sleutels, zoals de bouwplaats, de opdrachtgevers of de gebruikers…

De in 1961 aan de Pastoor van Arskerk toegewezen bouwplaats, buiten de wijk Kijkduin in Den Haag, was voor de parochie die van haar noodkerk af wou een teleurstelling, zo schrijft Strauven. Ze hadden op een meer betekenisvolle plek gehoopt. De perifere ligging was in 2015 ook de reden waarom de drie Blauwe Zusters die in de pastorie hun intrek hadden genomen er weer weg trokken, richting binnenstad, dichter bij de armen voor wie ze zich wilden inzetten. De bouwplaats in Rotterdam waar de Kunsthal werd gerealiseerd tussen 1989 en 1992, aan een dijk, halverwege een snoer van parken en musea die het stadscentrum moesten begrenzen, is in opeenvolgende stadsontwikkelingsplannen dan weer altijd een betekenisvolle plek geweest. Omgeven door de zorgvuldige baksteenarchitectuur waar Nederlandse steden ooit bekend voor stonden, overklast door de forse, glimmend witte toren van de Erasmusuniversiteit waarmee eind jaren zestig de architecturale consensus eenzijdig werd opgezegd, op een terrein waar tijdelijke tentoonstellingen en festivals hadden plaatsgevonden, was het een uitdagende plek. Pataky wijdt er een volledig hoofdstuk en een katern met afbeeldingen aan.

De opdrachtgevers en hun relatie tot de architect komen eveneens in beide boeken aan bod, de gebruikers na oplevering worden alleen door Strauven behandeld, die een duidelijke missie heeft: hij wil de Pastoor van Arskerk beschermd zien als monument, en dan is het inderdaad goed om te weten hoe het de kerk verging tot nu. Op een enkele opmerking van Koolhaas na, die vond dat de programmering van de Kunsthal diverser had gekund, laat Pataky zijn verhaal eindigen in 1992, als het gebouw af is. Wel wordt voor de volledigheid gewaarschuwd dat bij de restauratie van 2014 de pregnant geplaatste entree verplaatst werd. De vraag of het gebouw daarna nog een toekomst heeft, blijft nog even in beraad.

Strauven is gul met biografische gegevens over Van Eyck, zoals hij dat ook was in zijn boek Aldo van Eyck, relativiteit en verbeelding, in 1994 uitgegeven door Meulenhoff. De biografie overlapt bijna volkomen met het intellectuele en artistieke portret van de Nederlandse architect, die geboren werd in 1918 en overleed in 1999. Hoewel Rem Koolhaas (1944) een dominante aanwezigheid is in Pataky’s boek, komen er nog veel meer creatieve personages in voor. Er zijn glansrollen voor Fuminori Hoshino, toen een nieuwe OMA-medewerker en projectarchitect voor de Kunsthal, maar ook voor Cecil Balmond, de onconventionele ingenieur van Ove Arup. Het intellectuele en artistieke portret van Koolhaas behoeft slechts af en toe biografische achtergrond. Het is veelzeggend, vindt Pataky, dat Koolhaas tijdens de Reagan-jaren in de Verenigde Staten woonde, en tijdens het bewind van Thatcher in Londen. Ondanks zijn terughoudendheid geeft hij toch enkele biografische revelaties ten beste. Dat Koolhaas als kind de leegte van het verwoeste Rotterdam ervoer, kan zijn vijandigheid tegen stadsherstel verklaren. Dat de jeugdige Koolhaas de Brusselse wereldtentoonstelling van 1958 bezocht en danig onder de indruk was – hij wisselde daarover herinneringen uit met Paul Robbrecht, zo blijkt uit een interview met de Belgische architect uit 2001 dat Pataky wist op te snorren – wordt door zorgvuldig archiefonderzoek relevant gemaakt. Karl Schwanzers Oostenrijkse paviljoen op Expo 58 heeft nog even model gestaan voor het eerste, vervolgens verlaten Kunsthalontwerp, en meer algemeen verraadt het gebouw een hang naar de bravoure van het soort tijdelijke evenementen die ook in het Rotterdamse Museumpark ooit gedijden. Dat Koolhaas in een van de talloze interviews die Pataky doorploegde, verklapte van jongs af bekend te zijn met het werk van de Braziliaanse kunstenares Lygia Clark, vormt een bewust of onbewust, maar significant spoor naar de continu gevouwen vloervlakken die vanaf de Kunsthal in zijn werk verschenen.

Voor Van Eyck worden dergelijke feiten door Strauven niet behandeld als saillante toevalligheden, maar als pijlers onder diens artistieke identiteit. Meer nog dan een constructie van Strauven is het er een van Van Eyck zelf, die graag mocht uitpakken met de beslissende invloed die zijn kennismaking met Carola Giedion-Welcker en haar coterie van avant-gardekunstenaars op hem had in de jaren veertig. Deze great gang voerde hij meermaals op als bondgenoten om de zuurstofarme modernistische technocratie van na de oorlog te lijf te gaan. Zijn wervelende betoog dat de avant-garde, het Parthenon en inheemse culturen van andere continenten met elkaar verbond, maakte indruk op de laatste CIAM-bijeenkomsten in de jaren vijftig en bezorgde hem bij zijn generatiegenoten van Team X de reputatie van een originele en belangwekkende stem. Strauven brengt Van Eycks bezoek aan Brancusi in herinnering dat hem, veel later, het beeldbepalende leitmotiv van de Pastoor van Arskerk ingaf: de door balken doormidden gesneden cilindrische daklichten, cirkel en streep.

Daar blijft het niet bij. De hele intellectuele bagage die Van Eyck meedroeg en waar lezers van Strauvens hoofdwerk al vertrouwd mee zijn – de gedachtewereld van zijn vader (dichter Pieter Nicolaas van Eyck), Herakleitos, William Blake, Martin Bubers Zwischen, het dispuut tussen Einstein en Bergson – passeert opnieuw de revue. Maar nu wordt ze verbonden met de geschiedenis van de katholieke kerk, meer bepaald met het aggiornamento dat paus Johannes XXIII op het Tweede Vaticaans Concilie afriep (1962-1965) en dat de opdrachtgevers van de Pastoor van Arskerk bezielde. Het is interessant om te zien hoe de ongelovige humanist die Van Eyck was – hij schreef als adolescent zijn afkeer van religie van zich af in een vurige brief aan zijn vader – zich toch herkent in de aspiraties van de postconciliaire gelovigen. Hoezeer de parochie van Kijkduin het getroffen heeft met Van Eyck als architect maakt Strauvens analyse duidelijk. Dat het ‘bij de tijd brengen’ of het ‘openen van de ramen’ waar Johannes XXIII voor stond resoneerde bij Van Eyck kon verwacht worden, maar hij capteerde ook de behoefte van de kerkgangers aan rituelen, een behoefte die veel contemporaine kerken niet of slechts onbeholpen beantwoorden. Ook hier kruiste hij actuele impulsen met oudere, dieper wortelende beelden – letterlijk zelfs. Een hoog schip of koor staat haaks op de horizontale, brede gebedsruimte en nodigt uit, met ingangen aan beide einden, tot processies. Cilindrische kapellen, verspreid langs deze route, creëren een polycentraliteit zoals in oude kerken met zijaltaren. Een van de opklimmende treden in het kruisschip breidt uit en wordt het verhoog voor het altaar: zelfs de symmetrische kerkopstelling neemt deel aan de beweging. Deze verrassende recombinatie van de syntaxis van de kerkenbouw ontmantelt de hiërarchie tussen het kerkvolk en de celebrant. Beiden betreden de gebedsruimte via dezelfde weg. Bij het verlaten van de kerk keren de gelovigen de voorganger niet de rug toe. Van Eycks gevoeligheid voor archaïsche waarden behoedde hem voor makkelijke symboliek: zijn kerk heeft geen ‘open ramen’. Hoe ongewoon het gesloten silhouet ook is, je ziet een kerk. Ook als je binnen bent. ‘Het onmiddellijke gevoel dat je hebt als je binnenkomt is in een kerk te zijn: deze plek induceert stilte, produceert een wijziging in je zelfbewustzijn’, zo schreef de Britse architect Peter Smithson. Sacraliteit vrij van hiërarchie, het is zeldzaam. En, voegt Smithson eraan toe, ‘it never quotes’.

‘Carola Giedion provided nourishment for a life time,’ schreef Van Eyck zelf. Het denken was daarna afgelopen. De Van Eyck die in Pataky’s boek even door het beeld loopt, is niet meer de bezielende figuur uit de jaren zestig en zeventig. Het zijn andere tijden als de generatie van Koolhaas tevoorschijn komt. Er wordt geciteerd bij het leven. Van Eycks mateloze gescheld op het postmodernisme doet Koolhaas’ kritiek subtiel lijken, schrijft Pataky met zin voor ironie. Vergeleken met de afgewogen, afgeronde en na verloop van tijd belegen gedachtewereld van Van Eyck is het denken van Koolhaas een broeihaard. Pataky dekt de tegenspraken niet toe, hij legt ze net bloot als de motor van diens creativiteit. Koolhaas, schrijft hij, reageert op wat hij rondom zich ziet en voelt een voortdurende drang om allianties die ontstaan af te breken, alsof hij in nieuwe medestanders het bewijs ziet dat hij zich vergist moet hebben. Hoewel, vergissen is niet het woord. Een herpositionering leidt tot een nieuwe laag, die boven op de vorige komt en die deels verhult, maar niet annuleert. Dat maakt Pataky’s analyse van de Kunsthal zo revelerend. Verheimelijkte postmoderne affiliaties en verlaten modernistische sympathieën steken tot laat in het ontwerpproces de kop nog op. Op het ogenblik dat Koolhaas in programmatische teksten Bigness als de voortaan te volgen weg begint aan te wijzen, drijft hij bij de eindbeslissingen voor de Kunsthal, bij aanvang van de jaren negentig, de fragmentatie op. Een enigszins geknakte Möbiusring en een strakke omtrek, emblemen voor de toekomst van Koolhaas’ in 1972 opgerichte bureau OMA, houden het ruige feestje van citaten en fragmenten bij elkaar.

Talloos zijn de commentatoren die deze of gene bewering van Koolhaas – zijn retoriek is doorgaans verzengend – in zijn ontwerpen bevestigd zien. Pataky doet het omgekeerde: hij toont net hoe in het ontwerp stellingnames tekortschieten of in een crisis verkeren. De relatie tussen programma en vorm is daar een voorbeeld van. Koolhaas taalde naar een architectuur die alleen programma en geen vorm meer was. Maar zodra dat programma concreet wordt, ontstaat automatisch een vorm – die dan weer het recipiënt zou kunnen worden voor eender welk programma. Het park, voor het OMA van de jaren tachtig een veld van geprogrammeerde leegte en geringe vormgeving (zoals in het project voor Parc de la Villette in Parijs uit 1983), bleek een aanvaardbare uitweg uit dit dilemma. Daarom wijdt Pataky een hoofdstuk aan het Museumpark waar de Kunsthal en, aan de overkant, het Nederlands Architectuurinstituut (sinds 2013 Het Nieuwe Instituut) de polen van zouden worden. Het NAi is een gebouw van Jo Coenen, maar ook het afgewezen OMA-ontwerp komt in Pataky’s boek aan bod, omdat het baanbrekende project de tekortkomingen van het eerste Kunsthalvoorstel hielp overwinnen. Wat het park betreft, oppert Pataky een opmerkelijke hypothese: na het Museumpark, destijds mee door Yves Brunier ontworpen, zijn er geen OMA-parken meer gekomen. De taak van het park – ruimtelijke continuïteit tussen programma’s, ongehinderd door vorm – wordt van dan af overgenomen door de gevouwen vloeren. Ook dit bevestigt het statuut van de Kunsthal als een scharnierwerk dat het oude en het nieuwe van OMA omvat.

Geldt dat ook voor het gebouw in politieke zin? Inmiddels wordt Koolhaas veelal weggezet als een handlanger van het neoliberalisme, of toch minstens als iemand die de neoliberale wereldorde aanvaardt zonder met de ogen te knipperen – een Y€$-man, zoals Joan Ockman het in 2002 stelde, in een artikel over diens boeken over shopping. Als kantelpunt geldt dan zijn toewending, aan het eind van het Kunsthalavontuur, tot Bigness – ‘big business, big government, big firms, and big money,’ stelt Ellen Dunham-Jones in het boek Architecture and Capitalism. 1845 to the Present uit 2014. Pataky spreekt het niet tegen. Het waren de val van de Muur, de Europese integratie van de markt en de monetaire eenmaking die in Koolhaas de drang tot een schaalsprong wekten, en dat het nieuwe Europa neoliberaal zou zijn, leek buiten kijf te staan. Evengoed draagt Pataky bewijzen aan van het tegendeel. Radicale en anarchistische tendensen zijn even onmiskenbaar. Dat een weerbarstig bouwwerk als de Kunsthal ons als de eerste de beste shopping mall in slaap zou willen wiegen, is gewoon niet aannemelijk. Pataky benoemt verwantschappen met Nieuw Babylon van Constant Nieuwenhuijs en echo’s van de situationistische agenda. In Koolhaas’ excentrieke, monumentale monografie S,M,L,XL van 1995 zit tussen de foto’s van de Kunsthal een opname van mei ’68: geen vredelievend plaatje, maar een foto van straatrellen met omvergeworpen auto’s, als een typisch koolhaasiaanse hyperbool die moet aangeven dat de hellingbaan die door de Kunsthal loopt moet worden beschouwd als een straat. Het opdrachtgeverschap van de Kunsthal laat minder beladen tegenstellingen zien. Het was een overheidsopdracht door een sociaaldemocratisch stadsbestuur dat halfweg het ontwerpproces een kunsthandelaar uit Amsterdam, Wim van Krimpen, aan het roer zette: een entente tussen overheid en markt. Dat was bij de plannen voor Euralille, de tgv-stationswijk van Lille en in 1989 OMA’s eerste gerealiseerde megaopdracht, niet anders, alle verhoudingen in acht genomen.

Pataky leverde een titanenwerk. De hoeveelheid literatuur die hij verwerkte over OMA en, ruim opgevat, de kringen daarrond, is dusdanig dat zijn verhaal over de Kunsthal tegelijk leest als een verslag van het Angelsaksische en Noord-Europese architectuurdebat in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Dat dit hem lukt zonder het eigenlijke onderwerp, de Kunsthal, uit het oog te verliezen, bewijst hoe centraal Koolhaas en OMA in dat debat stonden. Het bewijst ook zijn koelbloedigheid en beheersing als auteur. Het tempo ligt hoog. Wars van uitweidingen schetst hij de zeer vele posities kernachtig, sorteert ze en schakelt ze aaneen tot soepele gedachtelijnen.

Strauven, die zijn vertrouwdheid met het veld waarin en waarop Van Eyck opereerde lang geleden al bewees, doet in grondigheid niet onder. Zijn rustiger tempo en bredere schrijfstijl, waarin tijd gemaakt wordt voor filosofische achtergronden, weerspiegelt een andere tijd, waarin het intellectuele discours minder hectisch voortjakkerde. Soms rijst het vermoeden dat Strauven een jongensachtig plezier beleefde aan het uitgebreide, voor jongere lezers exotisch aandoende roomse vocabulaire.

Strauvens boek lijkt op Aldo Van Eyck, Pataky’s boek lijkt op Rem Koolhaas. De ene associeert een binnenstraat met processies, de andere met straatrellen. Toch lijken beide boeken ook op elkaar. Dat komt door het archiefonderzoek waarop ze steunen. Voor Strauven zal de uitdaging vooral daarin gelegen hebben: in het vel na vel ontcijferen van de 260 ongedateerde schetsen die aan de kerk in Den Haag voorafgingen. De structuur die hij aan zijn boek gaf is, passend genoeg, cirkelvormig. Hij start met een gedetailleerde en scherpzinnige beschrijving van de architectuur van de kerk zoals ze gebouwd is. Daarmee wint hij de lezer meteen voor de bijzondere kwaliteiten ervan. Daarna, na een uitgebreide kennismaking met de architect en diens gedachtewereld, neemt hij de lezer mee naar het archief, en beschrijft met dezelfde nauwgezetheid hoe de kwaliteiten die we al kennen vel na vel tot stand komen, om ten slotte te eindigen met waar het mee begon. Het werkt wonderwel.

Pataky van zijn kant gaat chronologisch te werk, met dien verstande dat Koolhaas’ gedachtesprongen zo dicht op elkaar volgen dat een vroeger jaartal in een later hoofdstuk terecht kan komen of omgekeerd. Naast de beelden in de tekst schuift hij tussen de hoofdstukken katernen met samenhangende afbeeldingen die op hun eigen wijze hetzelfde verhaal vertellen. De lezer wordt veelvuldig aangespoord terug te bladeren naar die groepen beelden. Elk hoofdstuk behandelt door elkaar ontwerpvorderingen, theoretische overwegingen, commentaren en zelfs ander OMA-werk dat tezelfdertijd vorm aannam: een getrouw beeld van de jachtige gang van zaken bij het in Rotterdam gevestigde Office for Metropolitan Architecture. Als de oplevering in het verschiet ligt, eindigt het relaas abrupt, zonder verslag van de plechtigheden en beleefdheden waar Strauven wel belang aan hecht. Met deze sterk verschillende opbouw bekomt Pataky toch hetzelfde als Strauven: dat de lezer aan het eind vervuld is van de kwaliteiten waarmee hij vertrouwd is geraakt naarmate het boek vordert.

Door middel van één gebouw een architect begrijpen: het is een krachttoer. Maar houden de gebouwen ook stand zonder een beroep op de faam van hun ontwerper? Als ze zo getrouw de tijd van hun ontstaan verbeelden, blijven ze dan overeind als de tijden veranderen? De Pastoor van Arskerk, die al in de tijd van haar ontstaan een tikje anachronistisch was – de meeste van Van Eycks medestanders hadden wel iets anders aan hun hoofd dan het ontwerp van kerken – bezit een tijdloze kwaliteit precies omdat ze, zoals Peter Smithson schreef, zozeer een kerk is. Ook als we niet meer ter kerke gaan, kunnen we niet zonder plekken die stilte voortbrengen en ons zelfbewustzijn doen verstommen. Alsof het nog nodig was, toont Strauven dat aan met getuigenissen uit het gastenboek dat in de kerk ligt. De enige passende reactie op dit boek is onverwijld de bescherming in gang zetten.

En de Kunsthal? Op de vijfentwintigste verjaardag van het gebouw in 2017 zei Koolhaas dat de Kunsthal een manifest was voor een nieuw Europa. Hoewel die woorden de titel van zijn boek haalden, geeft Pataky in zijn inleiding al aan wantrouwig te staan tegenover a posteriori verklaringen. Hij laat twijfel doorschemeren over de juistheid van Koolhaas’ toenmalige Europese voorspellingen en prijst ‘de bijna gewelddadige nadruk op openheid, de zelfverzekerde tentoonspreiding van fragmentatie, de sfeer van improvisatie, imperfectie en weerbarstigheid’: de geest ervan lijkt ‘dichterbij te staan bij […] een dystopie uit de eighties die de cultuur doorkruist dan de eerder gedienstige verschijningsvormen van OMA’s recentere iconen’. Als het erop aankomt kiest Pataky de kant van het gebouw. Zijn beschaafde voorbehoud laat zich ook uitvergroten: het gebouw kan de eigen ontwerper terechtwijzen, en de toekomst confronteren met waarden van vroeger, waar we nu niet meer naar zouden durven of kunnen reiken. De tijd vergeet, maar het gebouw onthoudt.

 

Francis Strauven, Pastoor van Arskerk Den Haag. Een tijdloze sacrale ruimte van de hand van Aldo van Eyck, Brussel, Architecture Curating Practice, 2022, ISBN 9789464664607 (ook beschikbaar in een Engelstalige editie); Tibor Pataky, OMA’s Kunsthal in Rotterdam. Rem Koolhaas and the New Europe, Zürich, Park Books, 2023, ISBN 9783038603214.

Kleine geschiedenis van de boekbespreking

 

It encourages me to feel that all this reading has an end in view […] a rough, but vigorous statue testifying before I die to the great fun & pleasure my habit of reading has given me.[1]

– Virginia Woolf

 

Boeken werden besproken nog vooraleer ze gedrukt werden. Photius I van Constantinopel, een Byzantijnse geleerde uit de negende eeuw, werd geboren rond 820. Hij was een vertrouweling van de keizer van het Oost-Romeinse Rijk en is volgens verschillende historici de uitvinder van het genre – de allereerste recensent dus.[2] Bovendien organiseerde hij aan het keizerlijke hof leesclubs waarvoor boeken uit zijn bibliotheek ter beschikking werden gesteld om ze, letterlijk, in groep te bespreken.

Toen hij 35 was, werd Photius door de keizer gevraagd om een diplomatieke missie te ondernemen naar Bagdad, om te gaan onderhandelen met het Arabische kalifaat over de uitwisseling van oorlogsgevangenen. Het beloofde een lange en gevaarlijke reis te worden. Dat vooruitzicht maakte Tarasius, de jongere broer van Photius, niet alleen bedroefd, maar ook angstig: het was goed mogelijk dat Photius nooit zou terugkeren en dat al zijn kennis voorgoed verloren zou gaan. Bovendien had Tarasius verschillende bijeenkomsten van het literaire conclaaf aan het hof gemist. Daarom besloot Photius nog voor zijn vertrek een boek te schrijven – of te laten schrijven, als manuscript, door een secretaris – met 280 boekbesprekingen, dat later betiteld zou worden als Bibliotheca of, met een grote overdrijving, Myriobiblos (‘de tienduizend boeken’).

Photius’ besprekingen variëren in lengte, van één zin tot meerdere pagina’s, en zijn vermoedelijk gebaseerd op leesnotities die de auteur in de twee decennia voordien maakte. De selectie is divers: het gaat om geschiedkundige en religieuze boeken, maar ook om wereldse teksten zoals woordenboeken en romans avant la lettre: lange en spannende verhalen vol avonturen, ontsnappingen en achtervolgingen. Poëzie en theater zijn opvallend afwezig, net als op dat moment reeds ‘klassieke’ teksten van bijvoorbeeld Plato, Aristoteles, Xenophon of Hippocrates – boeken die als gekend te beschouwen vielen voor de impliciete lezer, die in dit geval wel heel expliciet was. Omdat er zoveel aandacht besteed wordt aan minder bekende teksten, heeft de Bibliotheca een groot historisch belang verworven: meer dan de helft van de besproken boeken is verloren gegaan, en wat Photius erover neerschreef is vaak de enige overgebleven referentie.

Dit is wat de Byzantijnse boekenbespreker zei in de inleiding tegen zijn ‘geliefde broer Tarasius’:

‘Na onze aanstelling tot ambassadeur […] vroeg je om voorzien te worden van samenvattingen van die werken die gelezen en bediscussieerd werden tijdens jouw afwezigheid. Het was jouw idee iets te hebben om je te troosten voor onze pijnlijke scheiding, en tegelijkertijd om enige kennis te verwerven, hoe vaag en imperfect ook, van die werken die je nog niet in ons gezelschap had gelezen. […] Het lijdt geen twijfel dat we niet vaardig genoeg geweest zijn om jouw koortsachtige gretigheid en je krachtige verlangen te bevredigen, maar toch zijn we sneller geweest dan men zou hebben verwacht.'[3]

De woorden van Photius geven meteen een hoofdfunctie aan van de boekbespreking: de inhoud van een boek beschikbaar stellen voor wie het boek (nog) niet heeft gelezen. De recensent verkrijgt daardoor macht en aanzien, gebaseerd op kennisvoorsprong; de criticus is een bewonderde oudere broer wiens autoriteit niet in vraag wordt gesteld – er wordt zelfs een beroep op gedaan, met hoogdringendheid bovendien. Tijd is al in de negende eeuw, bij de uitvinding van de boekbespreking, een hoofdbekommernis. De recensent heeft vele uren en dagen doorgebracht in het bijzijn van boeken. De toekomstige lezer van de recensie heeft die tijd niet, of beseft nooit genoeg tijd te zullen hebben, terwijl ook de uren van de criticus geteld zijn, want hij staat op het punt te vertrekken om misschien nooit meer terug te keren.

Wie een boek bespreekt, heeft echter een grote verantwoordelijkheid. Daar is Photius zich evenzeer van bewust, en hij lijkt zich in te dekken voor de fouten die hij gemaakt zou kunnen hebben – voor het feit dat een boekbespreking de lectuur van het boek nooit zal vervangen, iets wat uiteraard alleen maar kan blijken indien zijn jongere broer de lectuur van de besproken teksten alsnog zou aanvatten.

‘Als, gedurende je studie van deze volumes, een van de samenvattingen onvolkomen of onjuist zou blijken, dan moet je niet verrast zijn. Het is niet eenvoudig om elk individueel werk te lezen, de argumentatie te begrijpen, te onthouden en op te nemen; en als het aantal werken groot is en er een aanzienlijke tijd is verstreken sinds de lectuur, is het buitengewoon moeilijk om ze nauwkeurig te onthouden.’

Ook die andere spanning eigen aan de boekbespreking – tussen samenvatting en commentaar – werd door Photius ervaren. Het lijkt enerzijds wenselijk om zo neutraal mogelijk de inhoud van een boek beknopt weer te geven, terwijl dat anderzijds onmogelijk is, omdat er bij een dergelijke reductie altijd dingen verloren gaan, maar ook – en belangrijker – omdat neutraliteit eveneens een onvervulbare wensdroom is, die alleszins veel intellectuele ascese vereist. Wat dat betreft heeft Photius het bewust oppervlakkig gehouden, of liever: hij heeft zwakke of problematische passages in de besproken teksten niet aangekaart, en zijn oordeel opgeschort of uitbesteed aan Tarasius.

‘Wat de gemeenplaatsen betreft die we tijdens het lezen tegenkwamen, zo stuitend dat ze nauwelijks aan je aandacht kunnen zijn ontsnapt, daar hebben we minder aandacht aan besteed en we hebben er met opzet van afgezien ze zorgvuldig te onderzoeken. Je zult beter dan wijzelf kunnen beslissen of deze samenvattingen meer zullen doen dan je oorspronkelijke verwachtingen over hun nut vervullen. Documenten als deze zullen je zeker helpen de herinnering op te frissen van wat je zelf hebt gelezen, gemakkelijker terug te vinden wat je zoekt, en bovendien vlotter de kennis te verwerven van wat vooralsnog niet het onderwerp van je eigen intelligente lectuur is geweest.’

Met andere woorden: lees vooral zelf. De Byzantijnse cultuur, zo schreef Geert Lernout in Een beknopte geschiedenis van het boek uit 2004, was ‘gebaseerd op onderwijs vanaf een heel jeugdige leeftijd waarin de theologische werken en de klassieke Griekse Oudheid grondig bestudeerd werden’, iets waar de Bibliotheca van Photius overduidelijk van getuigt.[4] Toch is de protogeschiedenis van de boekbespreking er ook een van broederlijke liefde, voortkomend uit het verlangen om een naast familielid in staat te stellen zich boven de eigen intellectuele vermogens uit te tillen. De recensie was – zoals min of meer alles omtrent boeken tot in de vijftiende eeuw – een privékwestie, als een transactie tussen (letterlijk) twee mensen. Boeken waren als brieven, en ze delen was een moeilijke zaak, alleen al omdat ze meestal maar in één exemplaar bestonden. De recensie probeerde daaraan te verhelpen, maar bleef zelf ook gebonden aan het medium van het boek, wat de reikwijdte opnieuw binnen de perken hield.

De Bibliotheca van Photius onthult nog andere tijdloze eigenschappen van de recensent, als iemand die misschien niet het laatste woord heeft, maar toch maar mooi aan het woord komt nadat auteurs van boeken hun werk hebben gedaan. Een boek bespreken is een rare, paradoxale manier van schrijven – een recensie is de tekst bij uitstek waarin de auteur een lezer wordt, en vice versa. Het doet denken aan wat Jorge Luis Borges schreef in 1935 in zijn voorwoord op Wereldschandkroniek: ‘Vooralsnog is lezen een bezigheid die komt na het schrijven: berustender, beschaafder, intellectueler.’[5] Een recensie benadert de nulgraad van het schrijven, precies omdat er zoveel schrijfwerk van een ander aan vooraf is gegaan. En tegelijkertijd is het de lectuur van al dat schrijfwerk die het recht tot spreken verleent. Wie boeken bespreekt is wat dat betreft als een verteller: in plaats van verre reizen te hebben gemaakt – de ervaring die iemand haast vanzelf in een verteller transformeert, zoals Walter Benjamin zei – is de recensent iemand die gelezen wordt omwille van de eigen lectuur.[6]

De cruciale vraag is vervolgens wie de tekst van de recensent leest. Daar zou pas eeuwen na Photius verandering in komen, door de uitvinding – of liever nog: de ontwikkeling – van de boekdrukkunst, la révolution mère, zoals Victor Hugo het terugblikkend omschreef in zijn roman Notre-Dame de Paris uit 1831.[7] Toch is het gedrukte boek slechts heel langzaam tevoorschijn gekomen of ‘verschenen’, wat door de titel van het standaardwerk van Lucien Febvre en Henri-Jean Martin uit 1958 wordt samengevat: L’Apparition du livre. Kostbare want unieke manuscriptboeken werden bewaard en gelezen in middeleeuwse kloosters en aan de eerste universiteiten. Vooraleer de mechanische reproductie van het boekwerk van start kon gaan, was het nodig afzonderlijke letters te vervaardigen en te zetten, in plaats van te werken met één groot massief drukblok: Gutenberg werd, zoals de meeste drukkers in die periode, opgeleid als edelsmid. Ook de vervaardiging van papier en inkt moest worden opgestart en vergemakkelijkt. Het produceren van papier is nog voor het begin van de westerse jaartelling uitgevonden in China, en raakte pas halverwege de middeleeuwen bekend in Europa via het Arabische Rijk. Inkt bestond al veel langer, maar om bruikbaar te zijn bij het drukproces, werd een nieuwe variant ontwikkeld – onuitwisbaar, op basis van olie, gemaakt van lampenroet en gemengd met vernis en eiwit.[8]

Als het boek er eenmaal was, in meerdere exemplaren, begonnen de problemen pas: de boekwerken moesten verspreid en aangeboden worden, maar ook het bestaan ervan kon niet zomaar worden gecommuniceerd, zelfs niet aan geïnteresseerden, boekhandelaars of andere drukkers. In L’Apparition du livre schetsen Febvre en Martin een langzame kettingreactie, die ook om commerciële redenen in gang werd gezet: boeken riepen boekenbeurzen in het leven (in Frankfürt en in Leipzig, bijvoorbeeld); om beurzen overzichtelijk te houden, en om het aanbod ook na afloop te kunnen consulteren, werden er catalogi gedrukt; en deze catalogi versmolten uiteindelijk tot min of meer gespecialiseerde tijdschriften. De periodieke pers is dus niet in de eerste plaats ontstaan om nieuwsberichten zo snel mogelijk met zoveel mogelijk mensen te kunnen delen. Tijdschriften – ‘losse’ publicaties, vaak één of twee vellen papier – werden belangrijker omdat er steeds meer boeken bestonden, als bronnen van kennis waarvan de stroom gekanaliseerd moest worden, maar ook als producten die aan de man moesten worden gebracht – humanisme was van bij aanvang kapitalisme. Dat recensies, net als boeken, voortaan breder gelezen konden worden, maakte van het genre van de boekbespreking een publieke zaak, wat uiteraard een gigantisch verschil maakte. Photius recenseerde boeken enkel en alleen voor zijn jongere broer, maar voortaan kon dit soort leesverslagen in theorie bij iedereen terechtkomen. De recensie is op die manier de kwadratuur van het publieke karakter van het boek, met alle gevolgen van dien.

Wat het kan betekenen om een recensie met velen te delen, bleek al in de zeventiende eeuw. Jean-Baptiste Colbert, vanaf 1665 minister van Financiën onder koning Lodewijk XIV, prijkt op het volgende staatsieportret in de eregalerij van de boekbespreking, of dit is althans wat Febvre en Martin over hem schrijven:

‘Omdat hij graag leiding wilde geven aan het intellectuele leven van het land, net zoals hij probeerde de economische activiteit te sturen, gaf [Colbert] een zeer erudiet adviseur van het parlement, Denis de Sallo, de opdracht een maandelijks tijdschrift te publiceren dat bedoeld was om informatie te geven over wetenschappelijke ontdekkingen en een kritisch verslag te verspreiden van recent gepubliceerde werken – een verslag dat duidelijk bedoeld was om, indien nodig, de mening van de geleerde en geletterde wereld te ‘sturen’.'[9]

Het tijdschrift zou bekend worden als het Journal des savants, maar het werd voor het eerst uitgegeven in Parijs op 5 januari 1665 onder de naam Le Journal des sçavans. Op de titelpagina werd vermeld: ‘avec privilège du roi’, om aan te geven dat deze publicatie niet alleen werd toegestaan, maar ook onder bescherming stond van de koning zelf – van persvrijheid was er helemaal nog geen sprake, iets wat de hoofdredacteur al snel zou ondervinden, en waar hij zich ook bewust van was. Denis de Sallo schreef onder het pseudoniem Sieur d’Hédouville, de naam van zijn eigen lakei, wat is geïnterpreteerd als een ironische vingerwijzing om aan te geven dat ook hij zichzelf in alle luciditeit die rol toedichtte, in dienst van de koning. In zijn boek Le Siècle de Louis XIV uit 1751 zou Voltaire hem honderd jaar later omschrijven als ‘de vader van al die publicaties van de soort waarmee Europa vandaag gevuld is geraakt, en waarin te veel misbruiken zijn geslopen, zoals dat vaak gaat bij de meest nuttige dingen’.[10]

De Sallo liet zich bijstaan door anonieme medewerkers om verslag uit te brengen over boeken, maar ook over wetenschappelijke ontwikkelingen en ontdekkingen. In de inleiding op het eerste nummer gaf hij aan over het recht te beschikken al die teksten van anderen danig te mogen redigeren: de hoofdredacteur zag het als zijn taak om ‘ervoor te zorgen dat het materiaal dat uit al die verschillende handen komt, wordt aangepast, zodat de teksten enige proportie en enige regelmaat kunnen hebben. Dus zonder iets aan iemands oordeel te veranderen, zal hij zichzelf alleen de vrijheid geven om hier en daar de uitdrukking te wijzigen.’[11]

Van bij aanvang werden er in Journal des savants kritische boekbesprekingen gepubliceerd, wat een deel van het publiek, maar vooral de betrokken auteurs, in hoge mate ergerde. Er verscheen bijvoorbeeld al in de eerste jaargang een recensie van het juridische boekwerk Juris Civilis Amoenitates, waarvan de eerste versie in 1664 in Parijs werd geschreven door advocaat, auteur en historicus Gilles Ménage. Wat zijn boek voornamelijk werd verweten, is dat het vol pedante en overbodige juridische details stond: ‘Het is makkelijk om in te zien,’ aldus de anonieme recensent, ‘dat het niet iedereen gegeven zal zijn om van deze hoofdstukken te genieten, want het gaat hier om fijnzinnige kritiek, waarvan de lectuur enkel plezier kan schenken aan mensen die op zeldzame kennis kunnen bogen.’[12] Eén voorbeeld kon volgens de bespreker volstaan: het hoofdstuk waarin Ménage in Juris Civilis Amoenitates probeerde te beredeneren of het eunuchen toegestaan is om oorlog te voeren. De gekrenkte auteur kon nog in hetzelfde jaar zijn gram halen, zij het in een ander boek, wat nogmaals aangeeft hoe beperkt de publicatiemogelijkheden waren, en Journal des savants beschikte niet over een lezersrubriek. In de inleiding op Les Poësies de Malherbe vroeg Ménage zich af waar De Sallo het recht vandaan had gehaald ‘de beroemdste schrijvers van onze eeuw te veroordelen’ terwijl hij zelf ‘niets geschreven heeft’ – een klassiek verwijt van ‘echte’ auteurs aan ‘professionele’ critici. Het tijdschrift zelf noemde Ménage ‘onzin’, om dan contradictorisch af te sluiten met de mededeling: ‘Maar ik ontleen te veel glorie aan wie tegen mij schrijft om ook nog eens tegen hen te gaan schrijven.’[13]

De Sallo moest zijn plaats afstaan nog voor Ménage zijn riposte gedrukt kon zien. Ook de jezuïeten waren niet opgezet met de eigengereidheid die in Journal des savants werd tentoongespreid, en al snel was het de pauselijke nuntius die het voor elkaar kreeg dat De Sallo een publicatieverbod werd opgelegd, en Colbert liet het vervolgens gebeuren. Onder leiding van de redacteur-stichter verschenen er slechts dertien nummers – het laatste op 30 mei 1665 – en enkele jaren later, op drieënveertigjarige leeftijd, stierf De Sallo, volgens sommige bronnen aan diabetes, maar hij zou ook verbitterd geweest zijn om de beperkte dankbaarheid die hem voor het maken van Journal des savants ten deel was gevallen.[14] Zijn vervanger werd de geestelijke Jean Gallois, al van bij het eerste nummer de redactieassistent van De Sallo. Hij zou tot 1674 de leiding houden, en dit is wat hij schreef in zijn eerste editoriaal van 4 januari 1666:

‘Er zijn enige personen die zich hebben beklaagd over de te grote vrijheid die dit tijdschrift krijgt om allerlei soorten boeken te beoordelen. En we moeten zeker toegeven dat het een ingreep was in de publieke vrijheid evenals de uitoefening van een soort van tirannie in het koninkrijk der letteren om zich het recht toe te eigenen de boekwerken van iedereen te beoordelen. We zijn daarom vastbesloten om daar in de toekomst van af te zien, en in plaats van kritiek te leveren, zullen we ons erop toeleggen de boeken goed te lezen, om er een nauwkeuriger verslag van te kunnen geven dan we tot op de dag van vandaag hebben gedaan.'[15]

Net door deze verondersteld neutrale of ‘brave’ redactionele lijn kwam het ook Gallois op kritiek te staan, omdat de boekbesprekingen die hij publiceerde als smakeloze samenvattingen werden ervaren, die vergezeld gingen van oeverloze excerpten – Journal des savants was, met andere woorden, een bibliografische aangelegenheid geworden, als een lijst van alle recent gedrukte boeken. Wat je ook doet als je een tijdschrift maakt, het is altijd wel op een of andere manier verkeerd.

Toch hadden ook de jezuïeten, die mee aan de basis lagen van de uitschakeling van De Sallo, begrepen wat voor een machtig instrument de recensie kon zijn, als een nieuw tekstgenre dat getuigde van een intellectuele kracht die het vermogen van het boek als medium overstijgt. In 1701 werd een ander tijdschrift opgericht, met als lange titel Mémoires pour l’histoire des sciences et des beaux-arts, recueillis par l’ordre de Son Altesse Sérénissime Monseigneur prince Souverain de Dombes, dat bekend is geworden als Mémoires de Trévoux, genoemd naar de hoofdstad van Dombes. Dit vorstendom was onafhankelijk van de Franse monarchie, waardoor er op het tijdschrift in principe geen censuur kon worden uitgeoefend. Mémoires de Trévoux werd gedurende de achttiende eeuw een belangrijk instrument in de strijd tegen de laïcisering van Frankrijk die uiteindelijk tot de Franse Revolutie zou leiden – een strijd die dus ook met de boekbespreking als wapen werd uitgevochten.

De volgende stap, of de hogere versnelling, na het boek en het tijdschrift, was de krant – de dagelijkse pers, die vooral vanaf het einde van de achttiende eeuw en tijdens de negentiende eeuw tot bloei kwam. Met een overdrijving was, althans in Frankrijk, de Franse Revolutie de meest geweldige boost die de krant als medium zich kon indenken: niet alleen lag het centrale gezag onderuit, er was ook heel veel, dag na dag, waarover te berichten viel, en volgens sommige tellingen waren er in Parijs ‘plots 350 kranten’ beschikbaar.[16] Het leidde in de jaren nadien tot een andere waterscheiding voor de recensie, namelijk die tussen krant (‘boekenbijlage’) en tijdschrift, literair, academisch of wetenschappelijk. Het ging, met andere woorden, al snel om arbeidsdeling, waardoor periodieken of dagbladen, en individuele recensenten evenzeer, zich genoodzaakt zagen zich te specialiseren en te ‘focussen’ op een beperkt deelgebied van alle gepubliceerde boeken. Tegelijk diversifieerde uiteraard ook het lezerspubliek, vooral dankzij de intrede van de ‘vrije tijd’ waar de burgerij steeds meer aanspraak op kon maken. Het boek democratiseerde en lezen werd ook een vorm van vermaak. De recensie ontdubbelde zich in een professionele of wetenschappelijke variant en in een meer algemene versie, die op de huiskamer was gericht. Uiteraard bleef de bespreking in dat laatste geval een publieke aangelegenheid, die voortaan voornamelijk in de privésfeer werd beleefd. De recensie kreeg twee uiterste polen: de tekst die de ‘beroepsmens’ las om de eigen professionele bezigheden zo goed mogelijk uit te kunnen oefenen, en de bespreking die meehielp om de vrije tijd in te richten en betekenis te geven.

Het is deze spanning tussen publiek en privaat die de recensie, vanaf Photius in de negende eeuw tot vandaag, relevant houdt, net als de bijbehorende pogingen om dat onderscheid op te heffen precies door middel van de boekbespreking. Of de recensie in academische en strikt wetenschappelijke sectoren nog een grote rol speelt, is weinig aannemelijk, simpelweg omdat het boek – met de geesteswetenschappen als laatste uitzondering – daar grotendeels vervangen is door het online artikel, als de enige (en veel snellere) manier waarmee wetenschappers en academici op elkaars werk reageren. De boekrecensie leeft voort in het schaduwgebied tussen privaat en publiek, tussen beroep en vrije tijd, en tussen kennis en vermaak. Een boeiende gevalstudie, wat dat betreft, is The New York Review of Books, een tweemaandelijks tijdschrift dat in 1963 werd opgericht als reactie op de boekenbijlage van The New York Times, die zelf voor het eerst verscheen op 10 oktober 1896 – een zaterdag. (Vanaf 1911 werd de bijlage gepubliceerd op zondag, omdat mensen dan nog net iets meer tijd hebben om over boeken te lezen.)[17] Al in 1959 publiceerde Elizabeth Hardwick, een van de oprichters van The New York Review of Books, een artikel in Harper’s Magazine waarin ze het ‘verval’ van book reviewing aanklaagde, samen met wat ze als de maatschappelijke gevolgen beschouwde.

‘Ik denk aan al die leraren Engels op de middelbare school, die trouwe bibliothecarissen en boekhandelaars, die goedgelovige inwoners van de voorsteden, die slimme jonge mannen en vrouwen in de provincies, al wie in het oordeel van The Times geloven en die leiding nodig hebben. Het ergste gevolg van de teloorgang [van de recensie] is dat het genre als een soort verborgen afweermiddel fungeert, waarbij het op zachte, milde, respectvolle wijze elke levendige belangstelling voor boeken of al wat literair is ontkent. De platte lof en de zwakke onenigheid, de minimalistische stijl en het lichte artikeltje, de afwezigheid van betrokkenheid, hartstocht, karakter, excentriciteit – het ontbreken, uiteindelijk, van de literaire toon zelf – hebben van The New York Times een provinciale literaire krant gemaakt.'[18]

Aan het woord is de naoorlogse intellectueel, die literatuur, boeken en het gesprek erover verdedigt als een zaak van algemeen belang, maar ook zonder onmiddellijke politieke inzet: het is duidelijk dat Hardwick de recensie niet hanteert in een cultuurstrijd of in een proces van laïcisering, zoals dat in de achttiende eeuw nog het geval was, hoewel ook valt te betogen dat ze niet meer doet dan precies de verworvenheden van die laïcisering verdedigen.

In 2019, in hetzelfde tijdschrift, publiceerde Christian Lorentzen een pessimistische update van Hardwicks artikel voor het internettijdperk, met als titel: ‘Like This or Die. The Fate of the Book Review in the Age of the Algorithm’. Wat Lorentzen zonder omwegen aangeeft, is dat boeken noch recensies als vanouds kunnen voortbestaan in het digitale tijdperk. Zelfs als ze ouderwets gedrukt worden, zo betoogt hij, nemen ze de kijk- en denklogica’s van het web over, omdat ze uit zijn op clicks en op aandacht, terwijl ‘recensies niet bedacht zijn om het internetverkeer op te drijven’.[19] La révolution mère die de boekdrukkunst was, is opgevolgd door de nog diepgaandere revolutie van het internet, waar het onderscheid tussen publiek en privaat onbestaand is geworden, of waarin iets publiek maken of publiceren alleszins zo makkelijk is dat het nauwelijks nog betekenis kan hebben, vooral omdat het web – een zoveelste paradox – gevuld is met persoonlijke, individuele of private stellingnames.

Het neemt niet weg dat de eeuwenoude aspiraties van boeken en boekrecensies blijven bestaan, in een papieren publiek domein, dat als een onderwaterwereld ergens diep in zee ligt, zoals het land waar de Snorkels uit de gelijknamige animatieserie leven. Dat land blijft bestaan en op een bepaalde manier floreert het zelfs, in afwachting van de dag waarop het mogelijk en wenselijk wordt zich weer op het droge te begeven. Boeken en recensies zijn directe uitingen van het verlangen naar kennis, net als van het besef dat het enkel andere mensen zijn die dat verlangen zowel kunnen inwilligen als frustreren.

 

Noten

1. Anne Olivier Bell, Andrew McNeillie (red.), The Diary of Virginia Woolf. Volume Two: 1920-1924, San Diego/New York/London, Harcourt Brace Jovanovich, 1978, p. 259.

2. L.D. Reynolds, N.G. Wilson, Scribes & Scholars. A Guide to the Transmisson of Greek & Latin Literature, Oxford, Clarendon Press, 1991, pp. 61-65. Zie ook: Samuel A. Ives, ‘Photius of Constantinople, the First Book-Reviewer’, in: The Library Quarterly. Information, Community, Policy, nr. 4, 1951, pp. 285-289.

3. Een moderne editie van de Bibliotheca, uitgegeven door David Hoeschel in Augsburg, dateert uit 1601. In de bibliotheek van het Vaticaan bevindt zich een Latijnse vertaling uit de achttiende eeuw. In 1920 werd een Engelse vertaling aangevangen, die in onvoltooide vorm werd gepubliceerd in Londen door de Society for the Promotion of Christian Knowledge. Een paar jaar geleden verscheen de originele Griekse versie samen met een Italiaanse vertaling: Nunzio Bianchi, Claudio Schiano (red.), Biblioteca/Fozio, Pisa, Edizioni della Normale, 2019.

4. Geert Lernout, Een beknopte geschiedenis van het boek, Antwerpen, Meulenhoff/Manteau, 2004, p. 156.

5. Jorge Luis Borges, ‘Voorwoord’, in: Werken in vier delen. Deel I: De Aleph en andere verhalen, Amsterdam, De Bezige Bij, 2003, p. 8, vertaling Barber van de Pol.

6. Walter Benjamin, ‘De verteller. Beschouwing bij het werk van Nikolaj Leskov’, in: Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur, Amsterdam, Octavo, 2020, p. 160, vertaling Jan Sietsma.

7. Victor Hugo, Notre-Dame de Paris, Parijs, Gallimard, 1975 [1832], p. 182.

8. Martyn Lyons, Books. A Living History, Londen, Thames & Hudson, 2011, p. 57.

9. Lucien Febvre, Henri-Jean Martin, L’Apparition du livre, Parijs, Éditions Albin Michel, 1958, p. 359. Zie ook: Georges Weill, Le Journal. Origines, évolution et rôle de la presse périodique, Parijs, La Renaissance du Livre, 1934, pp. 35-38.

10. Voltaire, Le Siècle de Louis XIV, Parijs, Librairie Ch. Delagrave, 1892 [1751], p. 381.

11. Eugène Hattin, Histoire politique et littéraire de la presse en France. Partie 1: La presse littéraire aux XVIIe et XVIIIe siècle, Parijs, Poulet-Malassis et de Broise, 1859, pp. 161-162.

12. Geciteerd in: Idem, p. 167.

13. Geciteerd in: Idem, p. 168.

14. Robert Estivals, La Statistique bibliographique de la France sous la monarchie au XIIIe siècle, Parijs/Den Haag, Mouton & Co, 1965, p. 191.

15. Geciteerd in: op. cit. (noot 11), p. 176.

16. Op. cit. (noot 4), p. 265.

17. David W. Dunlap, ‘1896: The Book Review Is Born’, in: The New York Times, 18 augustus 2016.

18. Elizabeth Hardwick, ‘The Decline of Book Reviewing’ [1959], in: Darryl Pickney (red.), The Collected Essays of Elizabeth Hardwick, New York, New York Review Books, 2017, p. 62.

19. Christian Lorentzen, ‘Like This or Die: The Fate of the Book Review in the Age of the Algorithm’, in: Harper’s Magazine, nr. 2027, 2019, p. 30.

Queer Exhibition Histories

Queerness handelt over de toekomst, stelt José Esteban Muñoz in zijn boek Cruising Utopia. The Then and There of Queer Futurity uit 2009: het is een utopie in ontwikkeling. Het bestaat als ideaal dat we uit het verleden kunnen destilleren en dat we kunnen projecteren op wat komt, opdat het van droombeeld tot werkelijkheid kan evolueren. Queerness, aldus Muñoz, draait in wezen om het afwijzen van de beperkte, kortzichtige focus op het heden. In plaats daarvan gaat het over toekomstgerichtheid en hoop; het streeft naar een wereld waarin liefde, vrijheid, plezier en solidariteit centraal staan – een nieuwe horizon. Want als het nu ontoereikend is, biedt die horizon de enige uitweg.

De manier waarop queer gemeenschappen, via archieven, projecten en tentoonstellingen, aansluiting vinden bij het verleden om nieuwe toekomstbeelden vorm te geven, ligt aan de basis van het boek Queer Exhibition Histories, samengesteld door Bas Hendrikx (1986), sinds vorig jaar curator in KANAL-Centre Pompidou in Brussel. Dit fraai vormgegeven werk omvat een verzameling van korte teksten, interviews en essays, vaak geschreven in een persoonlijke stijl. Samen illustreren de bijdragen hoe er in uiteenlopende contexten en gedaanten werd gestreefd naar vormen van ‘publiek worden’. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat de betrokkenheid van musea, kunstinstellingen en archieven bij queerness nog steeds ontoereikend is.

Hoe slaagden gemarginaliseerde en vaak vervolgde queer gemeenschappen erin om hun eigen geschiedenissen vast te leggen? Hoewel queerness aan bod kwam in enkele grote institutionele tentoonstellingen – van Extended Sensibilities. Homosexual Presence in Contemporary Art in het New Museum in 1982 tot Gender Check. Femininity and Masculinity in the Art of Eastern Europe in MUMOK in 2009 – vonden de meeste queer tentoonstellingen plaats buiten de institutionele kaders. Dat bemoeilijkte het documenteren en overdragen van deze geschiedenissen. De beschikbare informatie berust voornamelijk op persoonlijke archieven, parafernalia en herinneringen, die in sommige gevallen niet of slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn.

Rían Kearney schrijft, vanuit de context van Birmingham, over de rol die archieven kunnen spelen in het documenteren van gentrificatie en sociale uitsluiting als vorm van verzet. Initiatieven tot de archivering van queer gemeenschappen vertrekken vaak vanuit auto-etnografisch onderzoek of grassrootsactivisme, maar ze zouden voordeel kunnen halen uit een nauwere samenwerking met musea en instituten. Het doel is dan niet zozeer om de legitimiteit en zichtbaarheid voor queer gemeenschappen te versterken, maar vooral om ze in staat te stellen hun eigen archieven vorm te geven – bijvoorbeeld, zoals Claire Bishop het noemt, als ‘een archief van de commons’. Zij beschikken over de meeste kennis om de locaties en ontmoetingsplekken voor lhbtqia+ (lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse, queer of aseksueel) die dreigen te verdwijnen in kaart te brengen en vast te leggen.

Samenwerkingen met instituten zijn echter niet vanzelfsprekend. Hoewel progressieve musea en kunstinstellingen meer aandacht besteden aan queerness, blijft het engagement onstabiel. Het is onderhevig aan factoren zoals een wisselend artistiek beleid of het ontbreken van erkenning voor onderdrukkende heteronormatieve waarden en normen. Ook een vijandig politiek klimaat kan impact hebben. Zo blijkt uit een recent rapport van de niet-gouvernementele organisatie ILGA-Europe dat het geweld tegen lhbtqia+-personen in Europa en Centraal-Azië fors is toegenomen. Uit een bevraging van het Universitair Ziekenhuis Gent en het Transgender Infopunt bij 936 mensen uit de queer gemeenschap blijkt dan weer dat negen op de tien respondenten de voorbije twee jaar slachtoffer zijn geworden van verbaal of psychisch geweld, terwijl 36,5 procent aangeeft minstens één vorm van fysiek geweld te hebben meegemaakt. En toch is de betrokkenheid van instellingen bij queer inclusie vaak opportunistisch of selectief: ze beperken zich tot een tijdelijke tentoonstelling tijdens een Pride of behouden aparte galerieën voor queer thema’s. Dit draagt alleen maar bij aan de opvatting van queerness als iets ‘specifieks’.

Liang-Kai Yu verwijst naar een toepasselijk en ondertussen bekend citaat van Audre Lorde: ‘The master’s tools will never dismantle the master’s house.’ Yu werpt op dat als het afbreken van het huis van de meester niet mogelijk is, we het wellicht kunnen herontwerpen door nieuwe ideeën naar binnen te sluizen. Dit sluit aan bij Muñoz’ concept van queer futurity: queerness heeft nog geen concrete vorm aangenomen, dus moeten we ons richten op de toekomst in al onze handelingen, relaties en ontwerpen. Yu bouwt voort op het idee van Jack Halberstam dat falen een vruchtbaarder manier kan zijn om de gevestigde orde te doorbreken dan succes. Falen hoort niet noodzakelijkerwijs bij het leven. In een samenleving die gericht is op succes (in je gezin of carrière) kan falen iets blootleggen over systematische uitsluiting en onderdrukking. Het kan inspireren tot het bedenken van alternatieven. Als het huis van de meester niet kan worden ontmanteld, kunnen queer verlangens en onvervulde fantasieën wel naar binnen worden gesmokkeld.

Dat verbeelding en ontwerp inherent zijn aan queerness, bespreekt Aaron Betsky in een bijdrage over de invloed van queer ruimtes op tentoonstellingsarchitectuur, of beter gezegd: over hoe hun ontwerpen worden toegeëigend. Queers hebben altijd een voortrekkersrol gehad in architectonische vernieuwing: verwaarloosde wijken nieuw leven inblazen, stedelijke ruimtes herdefiniëren en gastvrije interieurs creëren te midden van vijandige omgevingen. Hierbij werd de grens verkend tussen de ruimte van het alledaagse en de ruimte van vertoon (display) – het ‘poseren, cruisen, assertief optreden’.

Ook in een interview met het kunstenaarsduo Pauline Boudry en Renate Lorenz, geleid door curator Övül Ö. Durmusoglu, komt het podium naar voren als een centraal element waarop talloze mogelijkheden geprojecteerd kunnen worden. Het podium kan dienen als een imaginaire plaats voor een performance, maar kan evengoed leeg blijven. Hun werk draait dan ook om het moment waarop het podium wordt betreden; het verschijnen in het openbaar, het zichtbaar maken van lichamen die uit de schaduwen treden. Alle films van Boudry en Lorenz ontvouwen zich tot varianten van dit delicate moment en van de gevoelens van zowel kwetsbaarheid als potentie die ermee gepaard gaan.

Deze queer beeldvorming heeft, via de paden van mode en film, als inspiratiebron gediend voor de vormgeving van tentoonstellingen, zoals Betsky opmerkt. Het museum werd een dynamisch decor voor transgressie, zoals geïntegreerd in het ontwerp van OMA/Rem Koolhaas voor de Fondazione Prada in Milaan in 2018, dat echter niet expliciet ten dienste staat van queer gemeenschappen.

Een boek dat queer tentoonstellingsgeschiedenissen behandelt, zou niet compleet zijn zonder de geschiedenis van de aidscrisis. Sommige auteurs hebben persoonlijk de verwoestende impact daarvan ervaren, net als het ermee samenhangende sociale stigma, wat onder andere leidde tot de oprichting van ACT UP (AIDS Coalition to Unleash Power) in 1987. In hun bijdragen richten Léon Kruijswijk en François Piron zich respectievelijk op de Duitse en Franse context. Kruijswijk belicht de parallellen en verschillen tussen de hiv/aidsepidemie en de covidpandemie. Hij biedt een ander perspectief dan het dominante Amerikaanse, aan de hand van een overzicht van tentoonstellingen in het Duitse taalgebied. Die geschiedenis begint in 1988 in het Neue Gesellschaft für Bildende Kunst in West-Berlijn. Met als schrijnende titel Vollbild AIDS. Eine Kunstausstellung über Leben und Sterben bracht de tentoonstelling werken van kunstenaars en activistische groepen, onder wie Peter Hujar, Gran Fury, David Wojnarowicz en General Idea.

Queer Exhibition Histories onderscheidt zich dus door een Europees perspectief, zonder eurocentrisch te worden. Het oude continent wordt in de mondiale context soms als provincialistisch gezien, maar het heeft connecties met de hele wereld, als een veelzijdig en divers continent met een inheemse bevolking, maar ook met vele diasporagemeenschappen. Het boek pretendeert niet exhaustief te zijn – de geschiedenissen zijn talloos, vandaar ook het meervoud in de titel – maar kijkt wel verder dan het dominante Angelsaksische discours. Het voegt een waardevolle dimensie toe aan het begrip van queer geschiedenissen.

Sommige teksten werpen licht op landen in Oost-Europa, waar queerness pas laat erkenning vond. Tot 2001 was homoseksualiteit strafbaar in Roemenië. Het vormt voor Valentina Iancu de aanleiding om te reflecteren over het begrip ‘queer’, dat zijn oorsprong vindt in een Angelsaksische context, en wat het kan betekenen op nationaal niveau. Voor Iancu gaat het niet alleen om het documenteren en in kaart brengen van het queer lichaam, ze relateert queerness ook aan de manier waarop dat lichaam werd bestraft, uitgewist en op gewelddadige wijze buitengesloten. In Roemenië is dit verhaal verweven met de christelijke orthodoxe kerk. Hoe kun je die complexe, lokale geschiedenis integreren in het narratief? Iancu baseert zich op het begrip drag uit Renate Lorenz’ freak theory, doelend op een praktijk die werkt met, maar niet vóór genderbinariteit.

Ook in Oekraïne wordt queerness anders begrepen. De fotografie van de groep Vremya uit post-Sovjet Charkiv, evenals latere generaties fotografen, beoogde de bevolking te inspireren met een radicaal, ongefilterd realisme na een periode van eenzijdige, idealiserende beeldvorming gelinkt aan gezondheid, sportiviteit en traditionele genderrollen. In hun artikel benadrukken Halyna Hleba en Kateryna Lakovlenko dat deze fotografische praktijken kunnen worden begrepen als travestie en transgressie, maar ook als queer, niet zozeer verwijzend naar seksualiteit, maar naar de poging om te ontsnappen aan de dominante normaliteit.

Aleksandra Gajowy benoemt het jaar 2005 als een cruciaal moment voor de Poolse queer cultuur. Enerzijds werd in dat jaar de Pride in Warschau verboden, maar anderzijds vond toen ook de eerste queer tentoonstelling in Polen plaats, getiteld Pedaly (‘Flikkers’) en gecureerd door Karol Radziszewski. Het jaar ervoor werd de roman Lubiewo van Michał Witkowski gepubliceerd, een tot dan toe onverteld verhaal over de homocultuur in Polen. Wat de tentoonstelling en de roman verbindt, is de intentie om de openbare ruimte te doordrenken met de intimiteit van queer ruimtes, als een artistieke coming-out.

In een gesprek tussen Edwin Nasr en Eugenio Viola, getiteld ‘Faggot Exhibitions’, legt Viola zijn visie uit: het museum is een centrale plek voor de gemeenschap, waar een stem gegeven wordt aan gemarginaliseerde groepen, niet alleen lhbtqia+. Naast het Europese perspectief benadrukken enkele auteurs, onder wie Viola, het belang van het integreren van een intersectioneel perspectief. Zonder intersectionele benadering bij het queeren van musea bestaat het risico dat de huidige patronen van uitsluiting en privilege nog worden versterkt.

Sylvia Sadzinski belicht de vele parallellen tussen queering en cripping aan de hand van drie casestudies. Zowel ‘queer’ als ‘crip’ zijn geuzennamen die kunnen fungeren als zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en werkwoord. Crip-denkers zoeken naar inhoudelijke gelijkenissen met het queer gedachtegoed door concepten met betrekking tot normaliteit en binariteit te deconstrueren. Sadzinski onderzoekt hoe queering bijvoorbeeld een zorgmodel kan bieden dat rekening houdt met de manier waarop gehandicapte individuen tijd ervaren (crip time). Katarina Pirak Sikku en Sarah Salminen exploreren een andere analogie, door dieper in te gaan op de epistemologische samensmelting van inheemse Sami- en queer gedachten. Het begrip ‘grensland’ van de Mexicaans-Amerikaanse schrijver Gloria Anzaldúa verwijst naar een vage en onbepaalde plaats waar men zich op meerdere kruispunten tegelijk bevindt: het weerspiegelt op die manier de realiteit van een vrouw binnen de Sami-cultuur.

Het queeren van het museum begint bij het zichtbaar maken van de geschiedenis van lhbtqia+ personen, wier verhaal vaak is uitgewist of onverteld is gebleven. Toch is het niet de bedoeling individuen te reduceren tot slechts één perspectief, gebaseerd op hun gender- of seksuele identiteit. Queering gebeurt niet door labels te plakken, maar door denkwijzen en gesprekken te verruimen, zoals dit boek illustreert. Privileges en uitsluiting moeten erkend en aangepakt worden, nieuwe perspectieven van buiten het museum moeten worden uitgenodigd, archief- en documentatiemateriaal moet worden bewaard. Pas dan kunnen we de horizon bereiken, de utopie in ontwikkeling waarmaken.

In Queer Exhibition Histories wordt herhaaldelijk benadrukt dat queerness veel breder is dan alleen maar seksualiteit. Het vertegenwoordigt een progressieve, voortdurend evoluerende visie op de samenleving. Zoals Isabel Hufschmidt schreef op het online platform On Curating bestaat er geen vaste handleiding voor queerness, omdat de toepassing ervan afhangt van een onvoorspelbare mix van sociale en historische invloeden: ‘Queer is een kwetsbaar begrip, een idee in strijd met zichzelf. Het balanceert tussen het specifieke en het algemene, tussen utopie en realpolitik.’ Dat maakt de taak van de curator er niet eenvoudiger op, maar waarom zou iets eenvoudig moeten zijn?

 

Bas Hendrikx (red.), Queer Exhibition Histories, Amsterdam, Valiz, 2023, ISBN 9789493246133.

Radical Fashion Exercises

De mode-industrie scoort slechte punten: vervuilend en energievretend op ecologisch gebied, en daarnaast, op sociaal en economisch vlak, bron van uitsluitingsmechanismen, allerhande exploitatie (van stagiairs, arbeiders en modellen) en mentale stoornissen. In Radical Fashion Exercises. A Workbook of Modes and Methods, brengen Laura Gardner en Daphne Mohajer va Pesaran, beiden actief aan de School of Fashion and Textiles van de RMIT University Melbourne, honderd oefeningen over modeontwerp en de modepraktijk samen. Ze zijn geschreven door een divers cornucopia van modejournalisten, academici, ontwerpers, practitioners, curators, makers, docenten en kunstenaars uit de hele wereld. Het boek wil nieuwe aanknopingspunten bieden door de lezer op verschillende manieren te inviteren om de huidige mode-industrie aandachtig te observeren en fundamenteel te herdenken. Het doelpubliek is de fashion radical: iemand die nadenkt over mode, maar ook de intentie heeft om de structuren van de industrie te veranderen in zijn of haar dagelijkse leven en praktijk. De fashion radical kan dus zowel een gebruiker als een maker van mode en kleding zijn.

De auteurs willen een alternatief bieden voor de bestaande master’s tools die vandaag nog al te vaak in het modeonderwijs worden aangeboden, omdat de huidige generatie docenten zelf nog niet genoeg nieuwe vaardigheden ontwikkeld heeft op het vlak van duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en inclusiviteit. Docenten bevinden zich vandaag in een transitiefase, zoals Caroline Stevenson het in 2022 omschreef in haar artikel ‘Radical Pedagogies. Right Here, Right Now!’ in het tijdschrift Fashion Theory.

‘Modeonderwijs is onderhevig aan intense transformatie. Terwijl de mode-industrie verdergaat op haar destructieve pad van sociale en ecologische rampspoed, staat er een nieuwe generatie van studenten klaar die de onderwijsinstellingen wil activeren, en die radicale en realistische verandering eisen.’

De auteurs van dit door Valiz uitgegeven werkboek definiëren een ‘radicale’ modepraktijk als antagonistisch: tegengesteld aan bestaande en dominante machtsstructuren, en daarom gedreven door het teweegbrengen van verandering. De oefeningen zijn soms speculatief, soms praktisch, en ze zijn geschreven in een modus van direct action. Dat wil echter niet zeggen dat ze rechtstreeks activistisch zijn: dit werkboek is geen handleiding om protestacties te organiseren zoals bijvoorbeeld Extinction Rebellion dat doet. De keuze voor modeonderwijs is strategisch: aangezien de meeste ‘actoren’ in de huidige mode-industrie vaak nog verbonden zijn met oude machtsstructuren en bestaande hiërarchieën, dient verandering op het gebied van duurzaamheid, werkbaarheid en inclusiviteit zich maar zeer traag aan. De verschuiving naar een verantwoorde, inclusieve, dekoloniale en groene mode gaat niet bepaald snel, en verouderde mechanismen, zoals de mythe van de sterontwerper, het format van de modeweek, de cyclus van de modeseizoenen en de invloed van de modepers bestaan nog grotendeels in een negentiende-eeuwse vorm, bestemd om consumenten aan te zetten tot dwangmatige en overmatige luxeconsumptie, geholpen door eenentwintigste-eeuwse digitale communicatie en algoritmes. Voor de auteurs van dit boek is de hoogdringende verandering die nodig is voor de mode dus niet gericht op het esthetische, noch op nieuwe technologie en materialen. Verandering moet zich voltrekken in de geesten van iedereen die deel zal uitmaken van de mode-industrie van morgen: de modestudenten van vandaag, en waar mogelijk ook nog de huidige docenten. Deze doelgroep is dan ook vragende partij voor nieuwe methodes en recepten. Met een ander citaat van Caroline Stevenson, waarin marxisme en mode als onwennige maar noodzakelijke bedgenoten tevoorschijn treden:

‘Deze nieuwe generatie studenten wil niet gewoonweg rebelse stijlen kopiëren of creëren, ze wil ook de materiële condities omkeren waarin deze kleding wordt ontwikkeld, net als de ideologieën van het systeem dat ze produceert.’

Net zoals in alle andere creatieve en productieve industrieën zal deze generatie studenten geconfronteerd worden met het falen van de vorige, en zal ze inventieve strategieën en nieuwe denkwijzen nodig hebben om deze problematieken het hoofd te bieden. ​​Wat de huidige modestudenten nodig hebben om de nieuwe en andere rollen en jobs te vervullen waarnaar een deel van de industrie reeds op zoek is, blijkt nog vaak niet overeen te komen met wat hun wordt aangeboden in hun opleiding, die weinig duurzame praktijken van overproductie en consumptie in stand houdt. Die vaststelling is niet nieuw: al in 2001, in zijn boek Sustainable Education. Re-Visioning Learning and Change, lanceerde Stephen Sterling in dat verband het begrip van de duurzame opleiding, die waarden doorgeeft gericht op zorg en conserveren, eerder dan op competitie en consumptie.

Onderverdeeld in negen thematische hoofdstukken, van ‘Going Outside’ tot het speculatieve ‘Imagining and Dreaming’, maar ook met meer​​ toegepaste technische hoofdstukken als ‘Making, Finding, Tracing’ en ‘Sourcing en Re-sourcing’, biedt Radical Fashion Exercises nieuwe methodes en concepten door middel van de oefeningen waarvan in de titel sprake is. De thema’s ‘Using the Body’ en ‘Reading and Writing’ bevatten doordachte, open-ended en creatieve oefeningen. Een voorbeeld is Marie Hugsteds bijdrage ‘The Art Studio of the Mouth’, waarin smaak, tastzin en tactiliteit worden ingezet om een moodboard te creëren. Methodes uit posthuman studies, new materialism en affect theory zijn vaak sterk aanwezig in de opzet. Zo nemen verschillende oefeningen in ‘Using the Body’ multisensoriële waarnemingen als beginpunt, om een tegenwicht te bieden aan de overmatige nadruk op het visuele in de mode. In het hoofdstuk ‘Reading and Writing’ wordt mode niet benaderd als het ‘geschreven kledingstuk’, zoals Roland Barthes dat deed om naar de semiotiek van kleding te verwijzen, maar ligt ze aan de basis van een vrije poëzie of poëtiek van het maken. In Lillian Wilkies oefening ‘Poetry as translation’, bijvoorbeeld, worden theoretische modetraktaten gehercomponeerd tot gedichten.

Sommige bewustzijnsoefeningen zijn spitsvondig: Chinouk Filique de Miranda – ze is de eerste ‘Professional Doctorate’ aan ArtEZ in Arnhem en bereidt een proefschrift voor over de ervaring van mode in het online landschap – stelt een strategie voor ‘anti-engagement’ voor, waarbij modeliefhebbers online worden afgeweerd met mismatched content – met reclameboodschappen en beelden die eigenlijk niet bij hen passen, of die ze verafschuwen. De mix van vertrouwde beeldtypologieën met onverwachte tekst toont hoe weinig ruimte er meestal is voor originele ideeën. De oefening van Chet Julius Bugter, getiteld ‘Re-enacting the fashion image’, maakt de lezer door een heropvoering van poses bewust van de autoritaire dwang van modefotografie.

Verschillende oefeningen (zoals van beeldend kunstenaar Johanna Tagada Hoffbeck) gaan over onze band – affectief en affiliatief – met kleding en met elkaar, dankzij de verstrengeling van lichaam, identiteit, familiebanden en textiel of kledingstukken. Door een vorm van ervaringsgericht leren, ook binnen situaties uit het dagelijkse leven en met betrekking tot alles wat ons omringt, spoort het boek ons aan om kritisch na te denken – om te maken en te handelen vanuit een reële, persoonlijk beleefde maar ook uitwendig verwoorde positie. Vaak hebben modestudenten een nogal intuïtief begrip van hun eigen methodologieën en hun standpunt, en werken zij vanuit een vorm van empathie voor de (toekomstige) consument. Dergelijke mechanismen worden nauwelijks kritisch doorgenomen of besproken op school, waar veelal techniek- en resultaatsgericht wordt gewerkt, zonder veel belang te hechten aan processen. Aan het Centre for Sustainable Fashion van de University of the Arts in Londen gebeurt dat wel al, aan de hand van creatieve participatie en cocreatie.

Tussen de kleine honderd auteurs, gaande van fashion industry darlings zoals de jonge Brits-Jamaicaanse ontwerpster Martine Rose (die ook schoenen ontwierp voor Nike en samenwerkte met Timberland en Napapijri) tot aan vertrouwde namen uit het academische veld van fashion studies (zoals Marco Pecorari, programmadirecteur van de Parijse modeafdeling van de Parsons School of Design) en inclusief journalisten en critici die nieuwe platformen van journalistiek voorstaan, zoals Anja Aronowsky Cronberg (stichter en hoofdredacteur van Vestoj, een online onderzoekstijdschrift met als leuze ‘Why we wear what we wear’), bevinden zich eveneens enkele dekoloniale denkers. Met een fragment over ‘conspicuous consumption’ bij de Shona, een aantal bevolkingsgroepen in Zimbabwe en Zuid-Mozambique, zet heeten bhagat denkbeelden over kleding en etnografie op de helling. Noorin Khamisani schrijft over vergeten, lokale textiel- en modepraktijken. Enkele auteurs gaan zelfs het spirituele pad op met bezinnings- en zegeningsmomenten, door toverspreuken voor te stellen die de tijd kunnen vertragen, of die onafhankelijke modeontwerpers of collectieven kracht kunnen geven.

De zwaarste analytische denkoefeningen bevinden zich in de terecht getitelde afdeling ‘Digging Deep’. Sociologe en filosofe Aurélie Van de Peer, verbonden aan de KU Leuven en naast beeldhouwster Maria Kley de enige auteur uit België, gaat in op vooroordelen in verband met de morele economie van schoonheid, en de eerder vermelde Marco Pecorari geeft een introductie tot de institutionele kritiek, toegepast op modemusea en collectiestukken die geïnterpreteerd kunnen worden als troubled objects door hun verband met ras, gender, koloniale praktijken en globalisering. Harriette Richards spoort ons aan om onze garderobe te analyseren, om te kijken naar de herkomst en materialen van alle stukken die in de kast hangen, en meteen ook te kijken naar hun menselijke voetafdruk: hoeveel werktijd hebben ze gekost, hoe werden ze samengesteld, en door wie?

Elk hoofdstuk bevat op die manier een waaier aan oefeningen die geschikt zijn voor zowel individueel als collectief gebruik. Zoals de samenstellers van het boek zelf aangeven, wordt het thema van de digitale netwerkculturen, bepalend voor de wereld van vandaag en voor die van de mode in het bijzonder, niet als apart onderdeel behandeld omdat het deel zou uitmaken van de andere thema’s, net zoals duurzaamheid een soort van rode draad vormt die verweven zit in bijna elke oefening. Toch is ecologie prominenter aanwezig dan het digitale, en net daarom is het belangrijk om te benadrukken dat er vandaag in de mode-industrie al wordt ontworpen en gewerkt met artificial intelligence: ook dat is een grote revolutie waar de studenten en docenten van vandaag kritisch mee zullen moeten omgaan, of ze dat nu willen of niet. Een gedrukt werkboek op papier is misschien niet de beste plek om die denkoefeningen uit te voeren en die gesprekken te hebben, maar minstens een aanzet tot het reflecteren over deze evoluties had het boek nog pertinenter gemaakt.

Radical Fashion Exercises is aantrekkelijk en speels vormgegeven door Line Arngaard, in een do-it-yourself-stijl met een esthetiek verwant aan het beroep van kleermaker, met de randen van patronen die doorlopen over de pagina’s. Elk hoofdstuk heeft een eigen visuele zoom die de zelfgemaakte afbeeldingen en de tekst met elkaar verbindt, en het lettertype van de titel is gemaakt uit kleine dots, als referentie aan de ponskaarten die werden gebruikt in industriële jacquardweefgetouwen en breimachines.

In landen als het Verenigd Koninkrijk, Amerika, Australië, Nederland en Italië woedt het debat over modeonderwijs al een aantal jaren, terwijl in België, ondanks twee toonaangevende modescholen, het gesprek soms nog een aanvang lijkt te moeten nemen. In oktober 2021 organiseerde de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen een symposium met als titel Can Fashion Save the World? Johan Pas, directeur van de academie, hield toen een vurig pleidooi voor ‘kritische elegantie’, verbonden met een filosofie typisch voor de historische avant-garde en de vrije kunstpraktijk, en gekoppeld aan een pleidooi om het modeonderwijs weer meer te verbinden met het kunstonderwijs. Toch is het lang niet zeker of een dergelijk historische en eurocentrische visie op kunstonderwijs genoeg antwoorden biedt voor de globale, ecologische, economische en menselijke problemen in de mode-industrie van vandaag.

Een geheel andere aanpak komt naar voren in het manifest ‘Modestudenten aller landen, verenigt u!’, dat op 15 september 2022 op de website van Rekto:Verso verscheen. Hanka van der Voet en Chet Bugter, beiden werkzaam aan ArtEZ in Arnhem, pleiten voor een nieuw niet-hegemonisch, niet-kapitalistisch en gelijk gedistribueerd onderwijsmodel voor mode, met als metafoor schimmels die op symbiotische wijze met elkaar communiceren. De afzonderlijke knooppunten of individuen nemen deel aan collectieve arbeid, zoals dat wordt uiteengezet in het werk van evolutionair bioloog Lynn Margulis. Zij herschreef in de jaren zestig de evolutieleer door symbiose voorop te plaatsen, eerder dan de metafoor van ‘de wet van de sterkste’. Radical Fashion Exercises volgt dezelfde lijn ten gronde. Zonder een bepaald onderwijsmodel naar voren te schuiven, laten de oefeningen toe om na te denken over hoe het anders kan.

 

Laura Gardner, Daphne Mohajer va Pesaran (red.), Radical Fashion Exercises. A Workbook of Modes and Methods, Amsterdam, Valiz, 2023, ISBN 9789493246195.